30-05-2014

Cultuurmix 30 mei 2014

WIJ WETEN NIETS VAN HUN LOT

Nu en volgende keren wil ik met u verwijlen in het 536 bladzijden tellende werk dat van de eerste tot de laatst letter er echt toedoet, omdat het definitief afrekent met een serie mythen omtrent ons doen en laten in de Tweede Wereldoorlog. Ik heb het over het heel transparant geschreven, horizonverleggende, rijk gedocumenteerde, overtuigende Wij weten niets van hun lot van Bart van der Boom en uitgeverij Boom met de ondertitel ‘Gewone Nederlanders en de Holocaust’. Het gaat volgens mij om het ultieme boek over het leed de Joden tijdens de Shoah aangedaan. Recent introduceerde ik bij u  Het fenomeen Anne Frank van David Barnouw,Leven met de ster van Jiri Weil, De pianiste van Theresienstadt van Alice Herz-Sommer, De dagboeken van Bernie en Ellis van Ellis Cohen-Paraira, Het zwijgen van Jan Karski van Yannick Haenel, Ons kamp van Marja Vuysje, Het verdwenen elftal van Bas Kortholt.  De boeken behelsden eigen klaagliederen.

Hoe kon het gebeuren dat de niet-Joden, de omstanders dus, hun meer dan honderdduizend landgenoten zomaar lieten wegzetten, discrimineren, ophalen, vertrekken, opsluiten en transporteren naar het Oosten? Van der Boom stipuleert dat het gehoorzame gedrag van de Nederlanders niet te wijten is aan onverschilligheid, lafheid of antisemitisme maar aan een verkeerde inschatting van de gevaren, dus aan onwetendheid. De Joden kenden hun moorddadig einde ook niet. Vandaar de titel die een zinsnede is uit een van de ‘avec’ relazen van 164 dagboekschrijvers en die ook mede het motto vormt. De jonge Joodse vrouw Etty Hillesum schreef op 24 augustus 1943 uit Westerbork: ‘We zijn hier met enige duizenden achtergeblevenen. Reeds honderdduizend van onze rasgenoten uit Holland zwoegen onder een onbekende hemel of liggen te rotten in een onbekende aarde. Wij weten niets van hun lot. Misschien zullen we het binnenkort weten […]’

Tot de door Van der Boom uit duizenden voor analyse geselecteerde beschikbare dagboeken behoort ook het mij zo dierbare Hoe lang zal dit nog duren van Arie van der Sluijs met de ondertitel ‘Dagboek van 5 september1939  tot en met 7 mei 1945’. Het was juni 2001 toen mijn echtgenote en ik in Buren de presentatie mochten bijwonen van de in boekvorm getypte versie van de persoonlijke notities die mijn dierbare collega destijds in Rotterdam- Kralingen stiekem maakte. Om u de context van de vervolging der Joden te schetsen en mijn aanstaande tocht door Wij weten niets van hun lot in te leiden ga ik Van der Sluijs (1910-2003) citeren. De toenmalige onderwijzer onderscheidde zich al op 18 oktober 1940 toen hij een niet-ariër verklaring moest opstellen. Hij zette onder zijn handtekening twee letters die voor hem de dwang uitdrukten om deze verklaring af te leggen, namelijk u.n. (uit noodzaak). Hij verafschuwde het Duitse gedoe tot in het diepst van zijn ziel. Goed een maand later meldt hij dat als resultaat van de handtekeningen alle Joden in overheids- en semioverheidsinstellingen op staande voet ontslagen zijn. Op 18 oktober 1942 slaat Van der Sluijs vol verbijstering gade hoe Joodse buurtgenoten weggevoerd worden. Ik geef zijn woorden integraal aan u door met de aantekening dat Van der Sluijs model staat voor vele Nederlanders: zij keken ernaar, waren vol afgrijzen, kenden de afloop niet en rekenden op een snel einde van de oorlog.

‘Dit bewind schrikt niet terug voor de grootste wreedheden. Het is ontzetten wat er geschiedt. In de nacht van 9 op 10 oktober hoorde ik in de straat een auto. Ik was half wakker en de prikkels verwerk je dan maar half. Toch was het zo dat ik dacht: ‘Verbeeld je eens dat ze me kwamen halen.’ Maar die gedachte zette ik weer van me af. Vlakbij zie ik vaak een wijkzuster: daar is een ernstige patiënt en de dokter is gehaald midden in de nacht. De toestand is verergerd! De volgende dag hoorde ik wel anders. In de Nazarethstraat op 4B had men een oude Jodin met haar dochter weggehaald. De oude mevrouw zag ik zo nu en dan met een stok op straat. De dochters hoorde ik Nederlands spreken in de drogisterij. Ze sprak met een Duits accent. De oude mevrouw was weggehaald met een ziekenauto. En die dag hoorde ik meer. Eleonore Presse, een klant van Cor was uit het raam gesprongen, toen ze haar kwamen halen. Fulldauer, een Jood uit de Voorschotenlaan, werd ’s nachts om drie uur bevolen het huis uit te gaan. Om zes uur werden ze gehaald. De familie Hennevelt heeft hun gevraagd binnen te komen, maar dat weigerden ze. Toen hebben ze stoelen buiten gezet. Dr. Te Winkel, Jodenarts, heeft met zijn vrouw vergif ingenomen. Hijzelf moet in loodsen van de Holland Amerika Lijn weer bijgekomen zijn. Twee inspecteurs van politie Juch en De Jong hebben geweigerd te arresteren. De laatste is warempel oprichter geweest en lid van het rechtsfront NSB- organisatie voor politiepersoneel. Ja, de Hollandse politie werd ervoor gespannen. Ik had mijn boeken voor Engels besteld bij Witsen, dé tweedehands boekhandel in Rotterdam. Gebruikte boeken had hij niet, maar nieuw. Ik belde op, want ik zat al drie weken te wachten. Toen kreeg ik de boodschap: ze komen gauw, er is stagnatie geweest etc. De Verwalter wilde geen toestemming voor betaling geven. Het had me nu lang genoeg geduurd en hoewel het me speet voor de firma Witsen heb ik ze afbesteld. De firma bestaat niet meer. De oude heer, Jood, is ook weggehaald, weggehaald! Oude stakker, 72 jaar, gebogen handen, zo’n beetje gebogen voor zijn lichaam. De bovenarmen slap naar omlaag en de handen voor de borst. Hoofd stijf op de romp. Als hij wil omkijken, moet het hele lichaam gedraaid worden. Op zijn vermagerde ingevallen gezicht de rode kleur van een hartpatiënt. Weggehaald! Dat is dan nog maar een begin van de smarten. Wat staat hem te wachten?’Deze rapportage wordt geflankeerd door een kopie van een bekendmaking van het fusilleren van vijftien gijzelaars.

Vader zaliger schreef ooit zijn memoires die ook het wel en wee van gezin, familie, werkkring uit de oorlog behelsden. Hij heeft het over burgers die als gijzelaar of arbeider opgeroepen en afgevoerd werden. Ook de Joden worden vermeld. Echter het persoonlijke leed verwoordt hij vooral, zoals het arresteren en fusilleren van zijn ‘Trouw’ drukkende baas Wegeling. Maar ook hanteert hij het kopje ‘In de oorlog toch op vakantie’. Hij zag de Holocaust, vond het erg maar bleef hopen. 

 OP ZOEK NAAR PIROSMANI

Die zonovergoten middag koos ik er toch voor niet buiten te verkeren maar binnen, want daar zouden aan de wanden van het Dordrechts Museum meer dan veertig werken op mij wachten van de als ‘naïef’ getekende  Georgische kunstenaar. Ik heb het over de tot en met 30 september gaande tentoonstelling Op zoek naar Pirosmani. In de lichte bovenzalen drentelden dames die met woorden en gebaren manifest maakten dat ook zij het ongecompliceerde en begrijpelijke van de schilder omarmden. Ik maakte lang halt en front voor de specimina van het culturele erfgoed uit Georgië. Ik noem lukraak een tiental met de uitnodiging aan u ook ervoor pas op de plaats te maken. U zult met mij in de ban geraken van heel toegankelijke kunstwerken die frank en vrij, klip en klaar, zonder omhaal, zeer aansprekend  via diepe kleuren en markante vormen  hun boodschap zingen. Het gewone leven om ons heen is ook te bezingen, daar hebben we geen psychologisch gedoe voor nodig.

Zo zag ik ‘Georgische vrouw met tamboerijn’, ‘Portret van vier burgers’, ‘Feest van vijf edellieden’, ‘Acrice Marguerita’, ‘Vrouw met bierpul’, ‘De kinderloze miljonaire en de arme vrouw met haar kinderen’, ‘Giraf’, ‘Vader en zoon’, ‘Haan en kuikens’ en ‘Witte zeug met biggen’. Tegen hun vaak zwarte achtergrond staan in een festijn van frisse, vrolijke kleuren en herkenbare, uit het leven gegrepen vormen representanten van het alledaagse leven gewoon te kijk. Met voor mij als topper ‘Vrouw met bierpul’. O, dat sublieme rood, o, die lijnen van de zittende vrouw, o, die eenvoud van vorm, o, dat loflied op het leven. Het schilderij deed mij zo goed, dat ik het voor altijd met me meedraag. Zaterdag 5 mei was daar in het Dordtse Sandra Elisabeth Roelofs, first lady van Georgië, die het startsein gaf voor deze eclatante expositie die aangeeft dat op de oostelijke flank van Europa er gelukkig ook mensen zijn die niet geven om politieke perikelen. Het jaar 1968 deed van zich spreken, want toen werd in Terneuzen Sandra Roelofs geboren die nu door het leven gaat als de echtgenote van de huidige Georgische president Micheil Saakasjvili. Tijdens een mensenrechtencursus in 1993 in Straatsburg ontmoette zij de man met  wie zij twee kinderen kreeg: Eduard en Nikoloz. Het geboortekaartje van de oudste zoon werd gesierd met een schilderij van Pirosmani: ‘Voedster met kind’. Dit werk in niet in Dordt, maar wel ‘Vrouw met bierpul’. Als hommage aan mevrouw Roelofs geef ik u integraal haar bijdrage aan de naar vorm en inhoud gave tweetalige gave catalogus Op zoek naar Pirosmani.

‘Eindelijk is het zover… Pirosmani komt naar Nederland! Ik ben er zeker van dat hij bij het Nederlandse publiek in de smaak zal vallen en dat zijn tientallen schilderijen door ontelbare bezoekers aan het Dordrechts Museum zullen worden bewonderd. En niet alleen de schilderijen van Niko Pirosmani (1862-1918), maar ook die van Rein Dool, een kunstenaar werkzaam in Dordrecht, die zich liet inspireren door Pirosmani en diens geboorteland: Georgië. Pirosmani kwam zelf uit Oost-Georgië, de streek die bekend staat om zijn wijngaarden en honderden inheemse druivenrassen. In de schilderijen van Pirosmani komen dan ook vaak thema’s als de druivenoogst en het traditionele tafelen terug. Zelf hield Niko ook van een glaasje op zijn tijd en schilderde hij niet zelden voor herbergen of cafés in ruil voor een maaltijd met huiswijn. Dit doet waarschijnlijk niet alleen mij aan onze eigen Vincent van Gogh denken. Ik zie veel meer parallellen tussen deze twee schilders: eerst en vooral zijn Pirosmani en Van Gogh tijdgenoten,qua stijl zijn ze beiden hun tijd vooruit en hebben tijdens hun leven geen erkenning gekregen. Ze hadden het geen van beiden breed en leidden een vrij moeizaam en eenzaam kunstenaarsbestaan. Een groot verschil is dat Vincent van Gogh een academische vakopleiding had genoten terwijl Pirosmani duidelijk autodidact was. Pirosmani’s schilderijen zijn in Georgië in verschillende musea en privé-collecties te vinden. Voor deze bijzondere tentoonstelling heeft een delegatie van het Dordrechts Museum die locaties stuk voor stuk bezocht en samen met het Georgisch Nationaal Museum een representatieve selectie gemaakt. We boffen dat het recent gerenoveerde Dordtse museum aan de drie rivieren zulke prachtige expositieruimtes heeft waar het werk van deze Georgische schilder goed tot zijn recht zal komen. Een laatste parallel die ik trek tussen Pirosmani en Van Gogh is dat zij beiden voor het brede publiek wilden schilderen en zich tot doel stelden om tot in de huiskamer van de gewone man door te dringen. Dat is Van Gogh zondermeer gelukt en ook Pirosmani is overal in het Kaukasische land te vinden: van fraaie reproducties tot wijnflesetiketten en koelkastmagneten waarop zijn belangrijkste personages zoals de visser, de straatveger en de zangeres Marguerita  zijn afgebeeld.’

U doet u zelf tekort als u Pirosmani niet gaat zien. Ik ga nog een keer de expositie bezoeken om dan ook te verwijlen bij de volgers van Pirosmani als Rein Dool die van 1933 is. Na de seance van Pirosmani schreed ik door de tuin en las op de oude muur de dichtregels Tuin Dordrechts museum van Jan Eikelboom uit 1979. Ze gaan zo:

Als ik gestorven ben 
zal in de tuin van dit museum 
boven het warrig bladerengedruis 
een merel net zo helder zingen 
op net zo'n late voorjaarsdag

En ik, ik zal er niet meer zijn 
om door dit zingen te vergeten 
dat ik moet sterven mettertijd.

Maar aan de andre kant zal ik 
-je weet maar nooit- 
veel langer leven dan die vogel

En als ik dan toch onder de zoden lig 
dan zal mijn zoon nog eens 
een merel net zo horen klinken 
op net zo'n late voorjaarsdag.

En hij zal weten wie ik was 
en ach, een vogel weet van niets.

Maar aan de andre kant alweer: 
als merels aan hun vaders konden denken 
wellicht dat ze dan krasten als een raaf.