Een boeiende biografie heb ik voor u die de driekwart van de vorige eeuw beslaat. Het vaderlandse verleden krijgt door deze inkijk meer fleur en kleur. Het gaat om het 460 bladzijden tellende, van een katern met authentieke foto’s voorziene Vrouw achter de troon van oud-redacteur NRC Handelsblad W.H. Weenink en uitgeverij Boom met ondertitel ‘Marie Anne Tellegen 1893-1976’. Op de afbeelding omslag poseert het in stemmig zwart gehulde hoofdpersonage achter haar vorstin, beiden dames zijn in de jaren vijftig gefotografeerd. In het colofon staat het; ‘Marie Anne Tellegen (met kapje) assisteert koningin Juliana bij de ondertekening van een nieuw statuut voor het Koninkrijk op 15 december in de Ridderzaal’. De kiek symboliseert de werkhouding van Tellegen: zij ziet nauwlettend toe of alles verloopt zoals het protocol het voorschrijft. Mijn optie is dat wij in onze Cultuurmix de komende weken een verkennende tocht maken door dit historische werk dat sinds zijn verschijning opzienbarend en spraakmakend is. Vandaar dat alom recensies aan dit fenomeen gewijd zijn: hier drie bewijzen.
In NRC Handelsblad fourneert Jolande Withuis haar recensie met de koppen ‘Dappere feministe achter de troon’, ‘Het vrije denken van Cary van Bruggen en Frans Coenen vormde haar’, ‘Marie Anne Tellegen Zij was directeur van het Kabinet der Koningin, de interessantste voorvechtster van de vrouwenzaak, En dat alles in een zelfvoldane mannenwereld’ en ‘Deze in alle opzichten moedige vrouw had zich geen betere biograaf kunnen wensen. Het boek was gebaat geweest bij meer persoonlijke gegevens en enige verontwaardiging’. In Trouw geeft Meindert van der Kaaij zijn introductie de koppen mee van ‘Een vrouw met ballen’, ‘Juffrouw Tellegen had alleen een zwak voor ‘Lieve Bernhard’ en ‘Redenen genoeg om dit boeiende levensverhaal vast te leggen in een biografie’. Jan Tromp voorziet zijn verhaal in de Volkskrant met de kop ‘Hoe Juffrouw Tellegen de oren en ogen van de koningin werd’. En de drie recensenten gingen allen met de foto van de vrouw staande achter het bureau ziende hoe de majesteit een document tekent. De titels van de hoofdstukken waarvoor Weenink tekende gaan als ‘Tegendraads en vrijgevochten’, ‘Zeg neen – oorlog en verzet’, ‘Twee sterke vrouwen’ en ‘Lieve chef’. In die stukken vragen vooral onze aandacht die van ‘Strijden voor rechten van vrouwen’, ‘Verdeeld verzet’, ‘Worsteling met Indië’ en ‘Op de bres voor Bernhard’. Bij onze gang door Vrouw achter de troon zullen wij met elkaar traceren wat voor ons de toegevoegde waarde in van Tellegen. In het recente verleden passeerden deze items hier bij de introductie van andere werken.
Om u de nodige bagage voor onze tocht mee te geven, geef ik de tekst van Wikipedia aan u door.
‘Marie Anne Tellegen (Arnhem, 30 december 1893 - Amsterdam, 23 april 1976) was een Nederlandse feministe, verzetsstrijdster en directeur van het Kabinet der Koningin. Tellegen was een dochter van ir. J.W.C. Tellegen (1859-1921), burgemeester van Amsterdam (1915-1921), en Alida Johanna Jacoba Fock (1865-1941). Haar grootvader van vaderskant was prof. mr. Bernardus Tellegen (1823-1885), hoogleraar staats- en volkenrecht in Groningen. Haar grootvader van moederskant was Cornelis Fock (1828-1910), ook burgemeester van Amsterdam, minister en Commissaris van de Koningin in de provincie Zuid-Holland. Na de middelbare school in Amsterdam studeerde zij rechten in Utrecht (1914-1919), waar zij in 1920 promoveerde op stellingen. In deze stellingen betoogde zij onder meer dat bij fabrieken crèches moesten worden ingericht voor zuigelingen van werkneemsters. Ze was actief lid was van de Utrechtse Vrouwelijke Studenten Vereeniging (U.V.S.V.). In haar studietijd ontwikkelde zij een grote belangstelling voor literatuur en kunst, in het bijzonder toneel. Als lid van Concordia Crescamus vertolkte zij de (mannelijke) hoofdrol in Den Spyeghel der salicheyt van Elckerlijc. Ze raakte bevriend met Carry van Bruggen en met Frans Coenen, die van grote invloed waren op haar intellectuele vorming. Met Frans Coenen had zij ruim twaalf jaar een verhouding (tot 1931).
Na haar promotie (op stellingen) in 1920 vond Tellegen een baan bij de griffie van de Provincie Utrecht. Een jaar werd ze (tijdelijk) aangesteld in een functie bij de Utrechtse gemeentesecretarie; zij werd later hoofd van de afdeling Maatschappelijke Aangelegenheden en Statistiek. Ze noemde zichzelf geen feministe, maar werd in 1934 wel voorzitter van de ‘Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwen met een Academische Opleiding’ (V.V.A.O.).
Ze voerde in 1938 verzet tegen het wetsvoorstel van de katholieke minister Romme om, als maatregel voor de crisisbestrijding, gehuwde vrouwen alle arbeid buitenshuis te verbieden. Toen het Kabinet-Colijn IV op 29 juni 1939 viel en het Kabinet-Colijn V aantrad, al snel gevolgd door het Kabinet-De Geer II, trok zijn opvolger in dat laatste kabinet, de socialist Jan van den Tempel, het wetsvoorstel in. Nadat de Duitsers Nederland hadden bezet en maatregelen begonnen te nemen die onder andere het lidmaatschap van joden van de V.V.A.O. onmogelijk maakten, nam Tellegen het initiatief deze vereniging op te heffen omdat zonder de joodse leden, de doelstelling van de organisatie niet meer kon worden bereikt. In 1942, onder de nieuwe Utrechtse NSB-burgemeester Cornelis van Ravenswaay, kreeg ze ontslag uit gemeentelijke dienst en vier jaar wachtgeld. Daarna raakte zij langzamerhand betrokken bij het verzetswerk tegen de bezetter. Eerst als helper bij de onderduik van joden, vooral kinderen, en later als hoofdverspreidster voor de provincie Utrecht van het illegale blad Vrij Nederland. Zij gebruikte de verzetsnamen "Dr. Max" en "Judith". In februari 1944 trad zij toe tot de leiding van het Nationaal Comité van Verzet. Zodoende was zij actief betrokken bij de organisatie van de Spoorwegstaking van 1944. In 1944 was zij een van de oprichters van het Nederlands Vrouwen Comité (N.V.C.), en tot 1956 was zij de eerste voorzitter van deze overkoepelende vrouwenorganisatie. In 1953 werd Tellegen voor haar verzetswerk onderscheiden met de Medal of Freedom.
Na de oorlog werd zij benoemd tot directeur van het Kabinet der Koningin (1945-1959). Zij was hiermee de eerste vrouw en de eerste persoon die niet van adel was, die werd benoemd in deze functie. In deze vertrouwensfunctie als verbindingsschakel tussen het staatshoofd en de ministers heeft zij door haar krachtige persoonlijkheid grote indruk gemaakt. Haar verhouding met koningin Wilhelmina werd gekenmerkt door wederzijds respect. Met koningin Juliana was de relatie hartelijker, ook nadat Tellegen met pensioen was gegaan. Met prinses Beatrix, aan wier staatkundige vorming zij had bijgedragen, was de omgang ontspannen; zij logeerde regelmatig op Drakestein en trad op als raadgever van de prinses en haar gezin. Na haar pensionering in 1959 verhuisde Tellegen van Den Haag naar een huis op het landgoed Weldam bij Goor. In 1963 werd zij lid van de Commissie-Houben die het decoratiestelsel onderzocht.’ Om voorlopig te eindigen met een slotzin uit de Inleiding van Weenink: ‘Het boek schildert een portret van een vrouw die er op beslissende momenten is, haar keuzes maakt, en ‘nee’ zegt als het nodig is.’
Met u wil ik de komende weken een gang maken door een bundel interviews met tegen de twintig Friezen die tijdens de zogenoemde politionele actie van zeventig jaar terug naar een dorpsstreek op het platteland van het huidige Indonesië gestuurd werden. Het gaat om 318 bladzijden tellende, authentiek geïllustreerde Op klompen door de dessa van Hylke Speerstra en van uitgeverij Atlas Contact met de ondertitel ‘Indiëgangers vertellen’. De titel verklaart de auteur zelf op de cover. Ik citeer: 'Willem Twijnstra deed na Indië zo raar. ‘Hij moet een schop onder de kont hebben en dan aan het werk," zeiden ze in de polder.' De jongens van toen zijn oude mannen geworden, maar ze zijn helder genoeg om de waarheid te vertellen. En die is hard, niet zelden verbijsterend en vaak ontroerend. De achtergrond is bekend: het Nederlandse militair optreden in Nederlands-Indië kort na de Tweede Wereldoorlog was in feite een koloniale oorlog. Op klompen door de dessa vertelt wat die oorlog betekende voor de mannen die het vuile werk moesten doen. Een enkeling, vooral uit het hogere kader, vindt nog altijd dat het goed is geweest. Maar de meeste jongens hebben hun trauma's nooit verwerkt. Letterlijk op klompen banjerden ze door de dessa - ze hadden geen idee wat hun te wachten stond: guerrilla, executies, oorlog dus, terwijl ze die in Nederland net achter de rug hadden. De mannen zijn nu ver in de tachtig en willen eindelijk hun hele verhaal kwijt. In Hylke Speerstra troffen ze iemand die goed kan luisteren en meesterlijk kan vertellen.’
In de vaste rubriek ‘Vandaar dit boek’ reikte journalist en schrijver Speerstra een paar weken terug zijn geloofsbrief af. Onder de titel en subtitel resp. ‘Zingend voeren ze naar Indië, zwijgend keerden ze terug’ en ‘’t Is weest’ zeggen ze in de Friese Zuidwesthoek, ‘net oer prate’. Overigens heeft Speerstra bij u eigenlijk geen nadere introductie van node daar u een paar jaar terug met mij heel enthousiast was over diens speurtocht naar de twee arme families uit Hichtum in De Troostvogel. Speerstra: ‘Tussen neus en lippen door vertelde Ale van der Meer me dat hij in Indië een twaalfjarig jongetje van een dak had geschoten. Hij had er zestig jaar later nog altijd last van. Zijn vrouw ook. Op een nacht werd ze wakker met een bloedneus, omdat Ale in een droom over die wilde jongen om zich heen had geslagen. Ik ontmoette Ale en zijn vrouw bij vrienden, ik kon niet geloven dat deze sterke en ogenschijnlijk stabiele man al jarenlang zulke vreselijke geheimen met zich meedroeg. Hij was een grootmeester in het opkroppen. Tussen 1945 en 1950 trokken honderdduizend jongens naar Indië, onder wie zesduizend Friezen. Ale van der Meer was niet de enige die bij thuiskomst zweeg, zo merkte ik toen ik nog een twintigtal oud-Indiëgangers interviewde. De meesten van hen spraken pas voor het eerst over de oorlog. Nu ze tachtig, soms bijna negentig waren, drongen zich plotseling de herinneringen aan Indië scherp op, alsof zich in het geheugen een venstertje had geopend waardoor die periode weer zichtbaar werd. Het reminiscentie-effect, zo leerde ik van geheugenpsycholoog Douwe Draaisma, die sprak bij de presentatie van mijn boek.
De 95-jarige Harke Hibma vertelde me dat hij eind ’45 vrijwillig naar Indië was getrokken, geleid door onrust in de kop. De Canadezen die Noord-Friesland hadden bevrijd, zag Hibma als helden. Hij voelde zich schuldig, zelf had hij niet gevochten tijdens de Tweede Wereldoorlog, hij had er, vond hij, maar een beetje bij gehangen. Nu trok hij alsnog ten strijde, niet wetende dat hij en zijn maten – kindsoldaten, in feite – zouden worden meegesleept in een guerrillaoorlog. In het dagboek van Freark Beuckens uit Nijemirdum las ik iets soortgelijks. Hij wilde boer worden, maar zat ineens in Indië. Plotseling liep hij patrouilles en was hij onderdeel van verschrikkingen. Hij noteerde dat hij Sinterklaas vierde in Indië – hij kreeg ‘een potje wijnperen op sap. Vier rollen King-pepermunt en twee pakjes shag’ – en schreef vijf bladzijden verder hoe hij en zijn maten een Indonesische verzetsstrijder oppakten, tot bloedens toe met beide vuisten sloegen en ten slotte, in opdracht van de sergeant, fusilleerden. ‘God, waar ben ik in beland’, schreef Beuckens bij terugkomst in het kampement in zijn dagboek. Alle Friezen die ik interviewde, kwamen anders thuis dan ze waren vertrokken: ze waren zingend naar Indië getrokken en keerde zwijgend terug. Hun oorlog was een andere dan wij hier hadden gedacht. De thuisblijvers was steeds voorgehouden dat hun zonen in Indië waren om orde en rust te bewaren, De jongens hadden dat anders beleefd. Ze kregen niet de ontvangst die ze verdiend hadden. Willem Twijnstra had in Indië, terwijl hij werd achtervolgd door vijandelijke strijders, met zijn legervoertuig een paar kinderen in een kampong doodgereden. Thuisgekomen in Heidenskip deed hij vreemd. Hij durfde het erf niet meer af. De buren vonden dat hij aan het werk moest. Hij had drie jaar in de zon gelopen, nu had hij een schop onder de kont nodig. Niemand vroeg hoe het echt was, in Indië. ‘’t Is weest’, zeggen ze in de Friese Zuidwesthoek, ‘net oer prate.’De jongens leerden leven met een verhaal waarmee ze niemand wilden lastigvallen. Het zwijgen kwam van twee kanten, zo begon ‘een lange periode van uitwendige stilte en innerlijk tumult’, concludeert Draaisma. Voor mijn werk als journalist en schrijver van non-fictie heb ik veel mensen gesproken, maar niet eerder ervoer ik zozeer de diepe intimiteit en openhartigheid in interviews. Ik ben blij dat nu de harde waarheid over deze verzwegen oorlog boven tafel is.’
Mijn neef Jan kwam eind jaren veertig terug uit het toen nog door vele vaderlanders genoemde Nederlands-Indië. Ik kan mij nog levendig herinneren hoe de zoon van Oom Jo en tante Dien in Kralingseveer in de avond met muziekklanken overladen werd, staande in het gat van de voordeur. Ook weet ik nog hoe sterk in die kleine gemeenschap het verdriet van de familie Iedema om zoon en broer Koos rondwaarde en meebeleefd werd. Jan en Koos waren beiden Indiëgangers. In Papendrecht woont al jaar en dag Koos’ zus Maartje. Als ik haar zie en begroet moet ik immer denken aan de woorden van mijn vader in diens memoires. Ik citeer: ‘De oudste zoon van zus Dien en zwager Jo, Johannes Jan, verdween in gezelschap van zijn vriend, Koos Iedema, op een avond in oktober 1944. Zijn broer Joop kwam dit thuis vertellen en gaf als reden opdat zij ruzie met een Duitser hadden gekregen en hem een klap hadden toegediend. Om een eventuele represaille te ontkomen waren zij met een bootje naar IJsselmonde overgevaren. Beiden waren 16 jaar jong en voor zus Dien en zwager Jo en de familie Iedema volgden vele maanden van spanning en onzekerheid over hun lot. En, om op deze memoires vooruit te lopen: op 14 mei 1945, de dag dat onze Bernhard het levenslicht aanschouwde, dus tien dagen na onze bevrijding, kwamen ze ‘boven water’ in geallieerd uniform. Nog zie ik hen beiden aan het kraambed van moe staan. Hun verhaal van die Duitser was indertijd gefantaseerd, hun doel was zich te voegen bij de geallieerde legers in Brabant, en via de Biesbosch is hun dat ook gelukt en zo namen deze jeugdige avonturiers dienst bij de geallieerden. Twee jaar later namen zij vrijwillig deel aan de politionele actie in ons Indië, waarbij Koos op zekere dag sneuvelde. Met hem zijn daar veel van onze jongens – het overgrote deel verplicht – daar ter ruste gelegd in ‘de groene gordel van smaragd’, zoals Multatuli ons Indië zo fraai wist te betitelen. Zij liggen daar alleen als symbool van zinloos, tot mislukking gedoemd besluit van onze toenmaals ministerie/regering. Een regering die drommels goed wist of had kunnen weten dat de grote mogendheden dit prachtige land al tijdens de Japanse bezetting, verkwanseld hadden aan de man die met hen had samengewerkt. Dat wisten onze idealistische jongens toen nog niet, die dachten in hun naïviteit dat zij die Indiërs van de Jappen moesten gaan bevrijden, zoals zij zelf van de moffen waren bevrijd. Als we alles wat zich achter de schermen afspeelde van tevoren eens wisten, hoe anders zou onze houding tegenover bepaalde zaken zijn. Jan mocht, gezond naar lichaam en geest, teugkeren. Dat was een groot feest aan de Buffelstraat, waar zijn ouders toen woonden. Zelfs de Harmonievereniging ‘Kralingse Veer’, in de volksmond beter bekend als ‘Toet en Blaas’, kwam een serenade brengen.’
Neef Jan van Campen (87) blikte een paar terug in een Veteranenkrant onder de titel ‘De kameraadschap is zo groot, daar is niets mee te vergelijken’. ‘In 1944 bood Jan Johannes van Campen (81) zich aan als vrijwilliger om in dienst te gaan. ‘Samen met een vriend stak ik de grens bij België over. Daar werd een Nederlands bataljon opgericht: het bataljon derde regiment infanterie. Ik was toen nog maar 16 jaar, de jongste van het bataljon’, vertelt Van Campen. Tweede Wereldoorlog – Van Campen volgde verschillende opleidingen nadat hij zich had aangemeld als vrijwilliger. Hij kreeg onder andere een opleiding voor Nederlandse mariniers in St. Nicolaas. Vervolgens moest hij in Zeeuws-Vlaanderen bunkers zuiveren van de Duitsers. ‘De Duitsers hielden zich op in de bunkers. Om ze te doden, gooiden we granaten naar binnen.’ Naast de opleiding voor Nederlandse Mariniers volgde Van Campen een Engelse commando-opleiding in België. Later werd hij in Coevorden ingedeeld bij het eerste Canadese leger. In Duitsland diende hij nog in de Engelse Welsh Division. Ontsnapt aan de dood – Na de Tweede Wereldoorlog meldde Van Campen zich aan voor Nederlands-Indië. Toen ik naar Nederlands-Indië ging, heb ik eerst een tropenopleiding op Malakka gekregen. Na die opleiding heb ik heel veel meegemaakt. In de Tweede Wereldoorlog natuurlijk ook al, maar vooral in Nederlands-Indië. Zo ben ik meerdere malen op een mijn gereden. Een keer heb ik heel veel geluk gehad. Juist voordat we op de mijn reden, was ik van plaats gewisseld. Ik zat rechts achterin en besloot naast de chauffeur te gaan zitten, omdat ik geen wapen ter beschikking had. Mijn wapen was kapot en werd gerepareerd. Plotseling hoorden we een knal bij het rechterachterwiel. Als ik niet voorin was gaan zitten, was ik nu dood geweest,’ Eén groot front – Van Campen raakte betrokken bij veel gevechten. ‘Soms werden we, wanneer we op patrouille waren, ingesloten door de Indonesische antikoloniale strijders. We verdedigden ons met granaten en geweren. We waren gelukkig goed bewapend’, merkt Van Campen op. ‘In Nederlands-Indië leek het hele gebied op een front. Ze gebruikten gewoon vrouwen en kinderen als schilden’, vervolgt hij. Ook herinnert Van Campen zich nog vreselijk toegetakelde mensen. ‘Soms werden lichaamsdelen afgesneden. Een verschrikkelijk gezicht.’ Terug in Nederland – Toen Van Campen terugkeerde naar Nederland was er niets voor veteranen geregeld. ‘Dat bestond toen nog niet. Je kwam gewoon terug en pakte je leven weer op. Maar ik heb gelukkig ook niets aan mijn diensttijd overgehouden. Na terugkomst heb ik eerst gewerkt. In de jaren vijftig ben ik nogmaals in dienst gegaan. Op de beroepskaderschool heb ik mensen die beroepssergeant wilden worden opgeleid.’ Reünies – ‘Tegenwoordig bezoek ik veel reünies, Ieder jaar in oktober is er een bijeenkomst van de jongens waarmee ik in Nederlands-Indië heb gezeten. Dat vind ik hartstikke mooi. Zó mooi, dat ik er nog naartoe ging al kostte het 300 euro! De kameraadschap is zo groot, daar is niets mee te vergelijken. De Veteranendag in Capelle a/d IJssel noemt Van Campen een ‘geweldig initiatief’. ‘Ik bezoek zowel de landelijke als de regionale veteranendagen.’
Een in fraai, lichtvoetig gedrenkt proza verhaal heb ik voor u dat een gepasseerde liefde oprakelt ten tijde van schrikwekkende gebeurtenissen, toen de wereld woedde. Het gaat om het 326 bladzijden tellende, authentiek geïllustreerde Hoe mooi alles van Mirjam van Hengel en van uitgeverij Querido met de ondertitel ‘Leo en Tineke Vroman, een liefde in oorlogstijd.’ Op de cover zien wij de twee geliefden en het slot van het eerste hoofdstuk ‘Lang en gelukkig’ lezen wij waarvoor de titel staat. ‘Na de hotelnacht voorafgaand aan hun huwelijksdag op 10 september 1947, werd het uiteindelijk dan toch ochtend. Het licht kierde door de gordijnen, ze hadden hooguit een heel klein beetje geslapen, misschien waren Tinekes ogen nog gesloten terwijl Leo naar haar lag te kijken. ‘We waren vast al wakker, toen, bijna de hele nacht geloof ik’, schrijft hij op de even vroege ochtend zevenenvijftig jaar later in zijn dagboek – ‘en wat was ze dichtbij, ik moest nog wat wennen, ook aan de lengte van haar haar, en hoe mooi alles’.
In de meidagen las ik met mijn leerlingen havo/atheneum bovenbouw op De Lag Waard steevast Vromans superbe gedicht ‘Vrede’ zoals dat in 1957 gepubliceerd werd in diens bundel Uit slaapwandelen. Dat als finish de daarna iconisch geworden versregels ‘‘Kom vanavond met verhalen / hoe de oorlog is verdwenen, / en herhaal ze honderd malen: alle malen zal ik wenen.’ De uitdaging was al die jaren hoe dit gedicht aan de leerlingen in de klas aan te reiken. Die alledaagse woorden in een zinderend verband! Ik wil in de komende kolommen van deze Cultuurmix met u aan mijn zijde een tocht door dit van mooie taal tintelende boek maken. Om u de nodige bagage voor onderweg te verschaffen volgen nu integraal de tekst van de uitgever op de omslag, deels die van Wikipedia en geheel die van het gedicht ‘Vrede’. Ik verzoek u nu al daaruit te onderstrepen de verzen ‘Sinds ik mij zo onverwacht / in een taxi had gestort / dat ik in de nacht een gat / naliet dat steeds groter wordt,’. Dat ‘taxi’ stelde mij destijds voor de klas voor vraagtekens. Nu niet meer!
De uitgever: ‘Op 14 mei 1940, de dag dat Nederland capituleert, besluit de Joodse biologiestudent en beginnende dichter Leo Vroman dat hij weg moet uit Nederland. Hij vlucht per boot naar Nederlands-Indië, waar hij onder de wapenen geroepen wordt in een oorlog die hij dacht verlaten te hebben. Lange jaren in Japanse kampen volgen. In Nederland weet zijn geliefde, Tineke Sanders, algauw niet meer waar hij is en hoe het hem vergaat. Ze blijft wachten. Maakt haar medicijnenstudie af en schrijft brieven die haar verloofde nooit bereiken. Pas twee jaar na de oorlog, in september 1947, zien ze elkaar weer, in de haven van New York. De liefde blijkt onaangetast – en duurt een leven lang. Met behulp van brieven, dagboeken en gesprekken met Leo en Tineke Vroman reconstrueert Mirjam van Hengel het begin van dit indringende liefdesverhaal, dat zich afspeelt in het brandpunt van de wereldgeschiedenis.
Wikipedia: ‘ Leo Vroman (1915-2014) was van Joodse afkomst en woonde tot aan het begin van de Tweede Wereldoorlog aan de Krugerlaan 87 in Gouda. Hij studeerde, na de Rijks-HBS in Gouda, van 1932 tot 1940 biologie in Utrecht. Tijdens zijn studie leerde hij Albert Alberts, Kees Stip en Anton Koolhaas kennen op studentenvereniging Unitas. Met zijn vriend Anton Koolhaas maakte hij voor de Tweede Wereldoorlog strips voor kranten. Na de inval van de Duitsers op 10 mei 1940 vertrok Vroman op 14 mei met een taxi vanuit Utrecht naar Scheveningen. Onderweg deed hij zijn ouderlijk huis in Gouda aan en nam hij afscheid van zijn ouders, die een paar honderd gulden en zijn paspoort hadden klaargelegd. Met een zeilboot wist Vroman naar Engeland te ontkomen. Vandaar reisde hij naar Nederlands-Indië. In Batavia voltooide hij zijn studie. Toen de Japanners Nederlands-Indië binnenvielen, werd Vroman geïnterneerd en verbleef in verschillende jappenkampen (onder andere in Bandoeng, Tjilatjap, Batavia en en Singapore). In 1943 werd hij per boot overgebracht naar een kamp in Osaka. Hij kwam er in de droogdokken te werken. Een zware longontsteking en een Schotse medegevangene redden hem daar het leven. Toen hij dankzij de Schot in een ziekenhuis werd opgenomen, werd de barak waar hij normaal gesproken verbleef, getroffen door een brandbom. Ook in Nagaoka verbleef hij in een kamp. Na de Tweede Wereldoorlog, toen hij na zijn gevangenschap in Manilla verbleef, wou de Nederlandse overheid hem als soldaat naar Nederlands-Indië sturen. Hij weigerde en op advies van een oom vertrok hij naar Amerika, waar hij in New York terechtkwam en werkte als wetenschappelijk onderzoeker (hematoloog) op het gebied van de bloedstolling.
Vroman trouwde op 10 september 1947 met de antropologe Tineke Sanders, met wie hij sinds 1938 verloofd was geweest. Vanwege de oorlog hadden zij elkaar jarenlang niet gezien. Ze kregen twee dochters: Geraldine in 1950 en Peggy Ann in 1952. Vanaf 1951 was Vroman Amerikaans staatsburger. In de Verenigde Staten had hij heimwee naar Holland. Dit bracht hem tot de – intussen gevleugelde en veel geciteerde – woorden: 'Liever heimwee dan Holland.'
VREDE
Komt een duif van honderd pond,
een olijfboom in zijn klauwen,
bij mijn oren met zijn mond
vol van koren zoete vrouwen,
vol van kirrende verhalen
hoe de oorlog is verdwenen
en herhaalt ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.
Sinds ik mij zo onverwacht
in een taxi had gestort
dat ik in de nacht een gat
naliet dat steeds groter wordt,
sinds mijn zacht betraande schat,
droogte blozend van ellende
staan bleef, zo bleef stilstaan dat
keisteen ketste in haar lenden,
ben ik te dicht en droog van vel
om uit te zweten in gebeden,
kreukels knijpend evenwel,
en 'vrede' knarsend, 'vrede, vrede'.
Liefde is een stinkend wonder
van onthoofde wulpsigheden
als ik voort moet leven zonder
vrede, godverdomme, vrede;
want het scheurende geluid
waar ik van mijn lief mee scheidde
schrikt mij nu het bed nog uit
waar wij soms in dromen beiden
dat de oorlog van weleer
wederkeert op vilten voeten,
dat we eigenlijk al niet meer
kunnend alles, toch weer moeten
liggen rennen en daarnaast
gillend in elkanders oren,
zo wanhopig dat wij haast
dromen ons te kunnen horen.
Mag ik niet vloeken als het vuur
van een stad, sinds lang herbouwd,
voortrolt uit een kamermuur,
rondlaait en mij wakker houdt?
Doch het versgebraden kind,
vuurwerk wordend, is het niet
wat ik vreselijk, vreselijk vind:
het is de eeuw dat niets geschiedt,
nadat eensklaps, midden door het huis,
een toren is komen te staan van vuil,
lang vergeten keldermodder,
snel onbruikbaar wordend huisraad,
bloedrode vlammen en vlammend
rood bloed, de lucht eromheen behangen
met levende delen van dode doch
aardige mensen, de eeuwige stilte voor-
dat het verbaasde kind in deze zuil
gewurgd wordt en reeds de armpjes
opheft.
Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.
Een grandioos plaatwerk kreeg ik gisteren door postman Ruud aangereikt en sindsdien blijf ik genieten van de kunstenaar die de wending bewerkstelligde van naturalist tot modernist. Het gaat om het 392 grote bladzijden tellende, doorlopend geïllustreerde Piet Mondriaan samengesteld door Cees W. de Jong en uitgegeven door A.W. Bruna met de ondertitel ‘Leven en werk’. De Mondriaankenners bij uitstek, Katjuscha Otte, Ingelies Vermeulen, Robert P.Welsch, Marty Bax en Marjory Degen assisteerden De Jong bij het vervaardigen van dit magnum opus.
Hans den Hartog Jager gaf in 2008 in zijn publicatie ‘Dit is Nederland – In tachtig meesterwerken’ een naar mijn idee sublieme typering van het kunstenaarschap van Mondriaan: ‘Pieter Cornelis Mondriaan (1872-1944) was een zoeker. Er zijn dan ook maar weinig beroemde en invloedrijke schilders wier carrière zo traag op gang kwam als die van hem – zelfs een notoire laatbloeier als Vincent van Gogh ontwikkelde zich sneller. Toch lijkt het erop dat juist die trage zoektocht Mondriaan uiteindelijk zijn status heeft gebracht: die van een van de meest vernieuwende kunstenaars van de twintigste eeuw, een schilder die radicaal durfde te breken met de zichtbare werkelijkheid en een heel nieuwe, eigen wereld opbouwde die tot op heden in de Nederlandse cultuur doorklinkt.’ Den Hartog Jager adstrueert zijn bewering vervolgens met het aan de man of vrouw brengen van de drie Mondriaans ‘Avond, de rode boom’ uit 1910, ‘Tableau I with red, black, blue and yellow’ uit 1921 en ‘Victory Boogie Woogie’ (unfinished) uit 1944.
De volgende keer wil ik met hopelijk u aan mijn zijde een tintelende tocht maken door dit album dat naast korte biografische stukjes over Mondriaan, vele foto’s uit zijn leven, door de Jong geselecteerde afbeeldingen in kleur, artikelen, essays ook in 1.100 zwart-wit miniaturen het hele werk van Mondriaan laat paraderen. Van figuratief tot abstract. Om de ontwikkeling van Mondriaan weer te geven reik ik u deels het gezegde op Wikipedia aan, opdat u het juiste schildersgereedschap hebt. Maar eerst dit. Gaande door het kijk- en leesalbum van De Jong kwam ik wederom in de ban van Mondriaan. Om bij zijn beginjaren te blijven: ‘Vrouwen die de was doen’, ‘Op de Lappenbrink’, ‘Passiebloem’. ‘Hooischelf’, ‘Kindje’, ‘Boerderij aan een kanaal’, ‘Droogdok in Durgerdam’, ‘Huis aan de Gein’, ‘Bleekerij aan het gein’, ‘Boerderij in Duivendrecht’, ‘De Winkel Molen in zonlicht’, ‘Zeeuwse kerktoren in Domburg’ en ‘Vuurtoren in Westkapelle in rose’. Deze schilderijen en andere bevestigen wat Keats in een eerste regel zei ‘A thing of beauty is a joy for ever’.
Om ‘in the mood’ te komen van de metamorfosen die Mondriaan onderging, beter; initieerde geef ik u het fragment van Wikipedia. ‘In Parijs veranderde Mondriaan vrijwel onmiddellijk zijn achternaam in Mondrian. Na een verblijf op het hoofdkantoor van de Franse afdeling van de Theosofische Vereniging en het atelier van de Nederlandse schilder Peter Alma betrok hij in mei 1912 een atelier aan Rue du Départ 26, waar later ook Kickert en Leo Schelfhout gingen wonen.
In Parijs leerde hij Henri le Fauconnier, Fernand Léger en Gino Severini kennen, die allen in expressionistisch-kubistische stijl schilderden. Het lukte hem niet Picasso en Braque te ontmoeten; wel was hij, om toch wat bekendheid te krijgen, vaak aanwezig op openingen, waardoor hij al snel de bijnaam 'Piet-zie-je-me-niet' kreeg. Hij stortte zich vol overgave in het kubistische avontuur. Braque en Picasso fragmenteerden in hun werk de zichtbare werkelijkheid en waren van mening dat de tekening belangrijker was dan kleur. Mondriaan volgde hen in die zin na door te schilderen met zwarte lijnen, vrijwel zonder kleur, in vooral bruin en grijs. Een belangrijk verschil tussen Mondriaan en de kubisten was echter dat hij deze gefragmenteerde 'werkelijkheid' verbond aan zijn theosofische opvattingen. Dit blijkt uit zuiver theosofische notities afkomstig uit zijn schetsboek, dat hij tussen 1912 en 1915 gebruikte, zoals: "Men ziet in de kunst de langzame groei naar ’t geestelijke, terwijl de makers onbewust er van zijn. De bewuste weg der leering lijdt in de kunst meest tot verbastering derzelve. Gaan deze twee wegen samen, d.w.z. dat de maker op de trap der evolutie is waar de bewuste geestelijke direkte werkdadigheid mogelijk is, dan heeft men de [...] [ideale] kunst. Hij schilderde in Parijs vooral bomen en boomgaarden, waarbij zijn werk steeds minder naturalistisch werd. Hij gaf zijn schilderijen titels als ‘Compositie nr. 9’. Maar nog altijd liet Mondriaan zich door de werkelijkheid inspireren, bijvoorbeeld door een blinde muur vlak bij zijn atelier, of door de zee. Maar ook in zijn latere leven zou hij zichzelf als realist zien: 'abstract-realist'. In 1914 schreef hij de invloedrijke kunstpedagoog H.P. Bremmer een verhelderende brief: 'ik construeer op een plat vlak lijnen en kleurcombinaties met ’t doel algemeene schoonheid zoo bewust mogelijk uit te beelden. [...] ik wil de waarheid zoo dicht mogelijk benaderen en daarom alles abstraheeren tot ik kom tot het fundament [...] der dingen. [...] Ik vermeen dat 't mogelijk is door horizontale en verticale lijnen, geconstrueerd bewust maar niet berekenend [...] zoonodig aangevuld door andere richtingslijnen of gebogen lijnen, desnoods, te komen is tot een kunstwerk even sterk als waar'. Kenmerken van het neoplasticisme: rechte lijnen, primaire kleuren, asymmetrie en een duidelijke vlakverdeling.
Toen Mondriaan in 1914 zijn zieke vader in Nederland bezocht, brak de Eerste Wereldoorlog uit, waardoor hij niet terug naar Parijs kon keren. Hij ging daarom een tijdje werken in Domburg waar hij onder meer contact had met de schilder Jan Toorop. Hij begon met schetsen van het kerkje en de zee die uiteindelijk uitmondden in zijn eerste abstracte werken, waaronder de serie ‘Pier en Oceaan’. Die werken werden later aangekocht door Helene Kröller-Müller, van wie hij, op advies van Bremmer, een toelage ontving. Deze werken exposeerde hij vanaf 3 oktober 1915 op de tentoonstelling 'Moderne Kunst' in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Mondriaan vestigde zich in de 'kunstenaarskolonie' Laren.
In januari 1915 ging hij wonen op de Oude Naarderweg 12 in het pension van Catharine Hannaert. In juli 1915 verhuisde hij naar de Pijlsteeg (nu Groene Gerritsweg 17), waar hij samen met de componist Jacob van Domselaer ging wonen. Van Domselaer schreef onder invloed van Mondriaan zijn compositie 'Proeven van Stijlkunst’: de enige verwezenlijking van Mondriaans ideeën in muzikale vorm. De oorlogsjaren waren voor Mondriaan zeer inspirerend. Hij vond nieuwe klanten, zoals de kunsthandelaar Sal Slijper, gaf les op een school in Amsterdam en kopieerde eerder werk als zijn gezichten op het Gein en Duivendrecht. In Laren werkte hij ook zijn kunstopvattingen uit. Hij werd hierin gestimuleerd door de eveneens in Laren wonende schilder Bart van der Leck en de kunstenaar recensent Theo van Doesburg die eerder een lovende recensie over Mondriaan schreef in het tijdschrift ‘Eenheid’, waarna een briefwisseling tussen de twee ontstond, en ze elkaar op 6 februari 1916 ontmoetten.
Omstreeks 1916 leerde hij ook de schilder Vilmos Huszár kennen. Mondriaan had grote bewondering voor Van Doesburg als onvermoeibaar organisator en schrijver, terwijl Van der Leck vooral een artistiek klankbord voor Mondriaan was. De wisselwerking tussen deze vier kunstenaars leidde tot een radicalisering van de beeldingsmiddelen kleur, vlak en lijn en een 'onsentimentele' verfbehandeling.Vanaf 1917 verdween elk naturalisme uit het werk van Mondriaan, en langzamerhand ook elke beweging en diepte. Zo maakte hij in 1917 een serie schilderijen van 'dansende', ritmisch geordende kleurvlakjes. Om elke associatie met de 'natuur', de waarneembare werkelijkheid, te voorkomen paste hij voortaan alleen nog de 'primaire kleuren’ rood, blauw en geel toe, aangevuld met niet-kleuren als grijs, wit en zwart. Soms werden de roden en blauwen nog wat afgezwakt met extra wit, maar dit werd steeds minder. Bovendien rangschikte hij vlakken en/of lijnen sindsdien volgens een orthogonaal systeem en liet hij iedere andere richtingslijnen dan de horizontale en verticale los. Mondriaan werd hierop geschrapt van de lijst van te ondersteunen kunstenaars door Bremmer.’ U verstaat het: Mondriaan kunnen wij niet alleen ongezien maar ook niet onbesproken laten!