Piet Kaptein’s Cultuurmix

29-01-2018

COSSEE BROEKZAKBIBLIOTHEEK

Van de door ons zo beminde first lady van promotie en publiciteit Eva Bouman kreeg ik een persbericht dat ik onverkort aan u doorgeef. Wel wil zelf gezegd hebben dat het van innerlijke grootheid getuigt bij een eigen jaardag zelf een geschenk aan te reiken. Ik citeer. ’15 jaar Uitgeverij Cossee, vier met ons mee! Drie literaire juweeltjes voor 5, 99 per stuk.

De geheime brieven – Jane Gardam
Voor de lezers van Gardams Onberispelijke man-trilogie een heerlijke nagalm, voor de Gardam-newcomers een prachtige introductie. Edward Feathers, intussen bijna negentig, en zijn buurman en rivaal Terry Veneering zijn bij een oude vriendin (Betty's vriendin Dulcie) voor een etentje uitgenodigd. De elfjarige kleinzoon uit Amerika is er op vakantie, en Dulcie verlangt in deze koude natte winter in Dorsetshire duidelijk ook nog naar een ander gezelschap dan dat van Little Herman die de rust van Granny Dulcie met zijn drumtoestel grondig verstoort. Bij het feestgezelschap voegen zich bovendien Dulcie's  schoonmaakster uit Litouwen, de stokoude tweeling Olga en Fairy, hun verpleegster Kate en de oude Pater Ambrosius die even door het raam naar binnen kijkt. Ook gaat er iets grondig mis met de paraplu's, het wordt - zoals bij grand old lady Jane Gardam niet anders te verwachten is - een onvergetelijk feest. Ook voor de lezer.


Nietverloren – J.M. Coetzee -
Twee huizen, twee continenten - wat is het eigenlijk precies, dat zich ons in een huis laat thuis voelen? Of juist niet? Als Bill en Jane op bezoek zijn in Zuid-Afrika en Bill haar in de Karoo de farm Nietverloren van zijn grootvader wil laten zijn, is de armoedige boerderij intussen opgeknapt en in een prachtig toeristenresort veranderd. Bill is verbijsterd en verbitterd, het is 'de verbittering van een verslagen liefde'. 'We waren meteen verliefd op het huis,' zeggen vrienden van de verteller in ‘Een huis in Spanje’. Hoe kun je op een huis verliefd raken als het huis niets van dat alles terug kan doen, wil hij antwoorden. Als je verliefd gaat worden op dingen, wat blijft er dan van echte liefde over, liefde van vroeger? Coetzees blik op de vier wanden waartussen wij wonen, is van een serene melancholie én van een pragmatische rationaliteit, en wij kijken achteraf met andere ogen naar ons huis en onze herinneringen aan gelukkige dagen op die plek.


Nacht in Jeruzalem - David Grossman
In een ziekenhuis in Jeruzalem bevindt zich na de evacuatienog maar een handjevol mensen. Als de zestienjarige Avram voor de zoveelste keer uit zijn slaap gewekt wordt door een zingend meisje verderop, besluit hij haar op te zoeken. Avram en Ora vinden elkaar, opgesloten in het donker van een zomernacht, terwijl ze buiten artillerievuur en sireneshoren. Met niet meer gezelschap dan een stille, engelachtige jongen en een huilende verpleegster vertrouwen ze elkaar verhalen toe over zichzelf en wat belangrijk is voor hen. David Grossman voert de lezer mee naar de belevingswereld van twee pubers, die wij in zijn meesterlijke Een vrouw op de vlucht voor een bericht hebben ontmoet. Hij laat ons zien dat zelfs in een geïsoleerde omgeving, waarin koortsdromen en werkelijkheid moeiteloos in elkaar overvloeien, verliefdheid en vriendschap hoop kunnen scheppen. David Grossman kreeg vele literaire prijzen voor zijn werk. In 2017 ontving hij de Man Booker International Prize voor Komt een paard de kroeg binnen. Eerder ontving hij eredoctoraten van o.a. de universiteiten van Leuven en Florence. Zijn werk is in meer dan twintig talen vertaald.

Wij mogen elkaar gelukkig prijzen  dat de voorbije jaren in onze Cultuurmix gerenommeerde auteurs als de Engelse Jane Gardam, de Zuid-Afrikaanse J. M. Coetzee en de Israëlische David Grossman acte de présence mochten geven. Anders gezegd, dankzij Uitgeverij Cossee mochten deze drie schrijvers van naam en faam hun opwachting bij ons maken. Voor een prix d’amis kunnen wij nu een vertelsieraad op onze leestafel leggen. U kunt ze in uw zak steken.
 

GESCHIEDENIS VAN DE VERENIGDE STATEN

Een boek dat iedere Europeaan op het lijf geschreven moet zijn, reikte de man van de post mij voorbije zaterdag aan. Ik had over het in historie gedropte werk al vernomen en omdat het zo up to date is nu wij niet om het doen en laten van president Donald Trump heen kunnen, bericht ik u nu al over het bestaan ervan via een recensie van een deskundige. Het gaat om de 512 bladzijden tellende, royaal geïllustreerde hardcover Geschiedenis van de Verenigde Staten van Amerikakenner bij uitstek Frans Verhagen en van uitgeverij Boom. Om het vorige kracht bij te zetten: het motto gaat als ‘The past is never dead. It’s not even past’. De vaderlandse media buitelen over elkaar heen over negatieve berichtgeving ten aanzien van het fenomeen Trump. Het is goed wanneer wij Trump in het licht van de geschiedenis zien. Verhagen laat dat licht opgaan. Om u nu al warm te doen lopen voor dit actuele geschiedenisboek geef ik integraal de recensie van Leo de Haes zoals die op de site Liberalis onlangs verscheen. Maar eerst geef ik de tekst van Boom op de omslag. Over een paar weken hebben wij het hier nog eens over Geschiedenis van de Verenigde Staten.

Boom: ‘Van Nieuw-Nederland, via de Tweede Wereldoorlog, de Sixties en 9/11 tot nu: de geschiedenis van de Verenigde Staten met on-Amerikaanse scherpte beschreven. Bijna alle geschiedenissen van de Verenigde Staten zijn door Amerikanen zelf geschreven. Frans Verhagen beschrijft vanuit Europees perspectief de geschiedenis van deze wereldmacht. Met de verwondering van een Europeaan onderzoekt Verhagen die vragen die de Amerikanen zelf niet stellen. Hij begint in de zeventiende eeuw bij de kolonies New England en Nieuw-Amsterdam, en voert de lezer via de Onafhankelijkheidsoorlog, de Indiaanse oorlogen, de Burgeroorlog, de entree van Amerika op het wereldtoneel, de Grote Depressie, de New Deal, de Tweede Wereldoorlog, de Sixties, Nixon, Reagan, Clinton en 9/11 naar de Verenigde Staten van nu. Ondersteund met foto's en kaarten krijgt de lezer een alomvattend, goed geschreven verhaal met een duidelijke visie.’

Verhagen: ‘Er  is geen auteur die zo inzichtelijk en tegelijk zo aanstekelijk over Amerika schrijft als de Nederlander Frans Verhagen. Hij heeft er dan ook al meer dan veertig jaar Amerika-ervaring opzitten als student, correspondent en als oprichter en hoofdredacteur van het kwartaalblad ‘Amerika’. Verhagen deelt zijn grondige kennis in lange artikelen in ‘De Groene Amsterdammer’ maar ook in zijn talrijke toegankelijke boeken waarin hij graag allerhande mythes en vooroordelen doorprikt, zoals in ‘Bush is dom en 37 andere clichés over Amerika’. Soms richt hij zich op onderdelen van de Amerikaanse geschiedenis zoals in zijn aanbevelenswaardige biografie van Abraham Lincoln of het vorige jaar verschenen ‘Founding Father’ over de pijnlijke geboorte van Amerika. En nu is er dan de kloeke, rijk geïllustreerde Geschiedenis van de Verenigde Staten. Zonder lidwoord. Verhagen heeft dan ook niet de pretentie om dé geschiedenis van Amerika te vertellen en al evenmin een geschiedenis. Hij begint bij de exploratie van het continent in de vroege zeventiende eeuw, de verdrijving van de indianen, de aanvoer van de slaven en de conflicten tussen de Franse, Nederlandse en Engelse kolonisten. Zoals we van hem gewend zijn, boort hij bij elk onderwerp meteen tot de kern en van daaruit trekt hij grote lijnen naar vandaag. Details zoals de Robber Barons, het apenproces, de drooglegging, Elvis, de ‘Pentagon Papers’ of het Vrijheidsbeeld worden in aparte kadertjes verder helder uitgebeend, om de voortgang van het grote verhaal niet op te houden. Dat brede perspectief zet Verhagen in om op het eerste gezicht onverklaarbare gebeurtenissen zoals de inval in Irak of de verkiezing van Donald Trump te situeren en te doen begrijpen, ook al brengt hij er zelf geen begrip voor op. Verhagen voert de grote maatschappelijke tegenstellingen in Amerika terug op de ‘founding fathers’  Jefferson en Hamilton. Thomas Jefferson, de derde president en hoofdopsteller van de grondwet, wilde de macht delegeren naar de staten, hoe democratischer hoe beter want hij was bang voor tirannie. Hij wilde ook een kleine overheid, grote persoonlijke vrijheid voor de burgers en een politiek systeem van zelfstandig denkende individuen. Bovendien zag hij Amerika als een uitgesproken landbouwnatie.

Alexander Hamilton, de invloedrijke minister van Financiën onder George Washington, wilde de macht per definitie in de handen van een regeringselite concentreren, anders kon volgens hem een republiek niet overleven. Hij was voor law and order en een sterke federale overheid (ten nadele van die van de staten) en wilde vooral Amerika  industrialiseren en tot een sterke handelsmogendheid omvormen. Verhagen: ‘Als de praktijk van ruim 230 jaar Amerikaanse geschiedenis iets laat zien, dan is het de voortdurende poging beide visies in elkaar te schuiven, in wisselende verhoudingen. Deze mengvorm van een ultrademocratisch land met een sterke uitvoerende macht werd het kenmerk van Amerika en zou leiden tot blijvende tweeslachtigheid.’

Na de federalistische presidenten George Washington en John Adams werd Thomas Jefferson zelf president en die legde meteen zijn eigen accenten, die grotendeels ingingen tegen die van zijn voorgangers. Maar ook Jefferson kreeg met een stevige oppositie te maken. Die greep na hem de macht en corrigeerde zijn beleid. En zo ‘ad infinitum’. Kijk maar naar hoe Trump vrijwel alle verwezenlijkingen van Obama, hoe zinnig ook, probeert terug te draaien. Precies die wisselende beleidsvisies maakten en maken Amerika tot een zeer dynamisch en energiek land.
Verhagen voert in zijn Geschiedenis veel van de sleutelmomenten van de Amerikaanse geschiedenis terug op deze tegenstellingen. Neem de Burgeroorlog. In wezen ging dat conflict over de afschaffing van de slavernij die vooral in het zuiden bestond, maar Abraham Lincoln voerde dit niet aan als reden voor de oorlog. Zijn hoofdargument  was dat de Verenigde Staten één moesten blijven, dat staten niet het recht hadden zich af te scheiden  en dat de regelgeving van de (zuiderse) staten per definitie ondergeschikt moest zijn aan de federalistische. Het was bovendien een conflict tussen een uitgesproken landbouwregio met zijn immense katoenvelden en het industrialiserende Noorden, zeg maar tussen het conservatieve platteland en de progressieve metropool. Tot vandaag hebben vele zuiderlingen nog altijd een hekel aan de elite van Washington. Ook de discussie of de overheid groot of beperkt moet zijn, blijft voortdurend oprispen, met de ‘New Deal’ van Franklin Delano Roosevelt en ‘the Great Society’ van Lyndon Johnson als hoogtepunten aan de ene kant en de mantra ‘De overheid is het probleem’ van Ronald Reagan aan de andere kant. De massale tegenstand tegen ‘Obamacare’ is hierop terug te voeren. Het is een ideologische, irrationele loopgravenoorlog,  Dat neemt niet weg dat Amerikanen hierin zeer schizofreen zijn. Ze zweren in goede tijden bij  een ‘minimal state’, maar als New Orleans, mede als gevolg van die kleine overheid, door orkaan Katrina weggeblazen wordt, eisen de inwoners dat de staat de stad (beter) heropbouwt. Eenzelfde soort geluiden hoor je nu in Porto Rico.

Er is nog een andere tegenstelling die Amerika parten speelt. De Verenigde Staten omarmden bij de oprichting geen enkel geloof, wat zeer vooruitstrevend was, maar de grondwet voorzag wel totale godsdienstvrijheid en verbood elke beperking op geloofsuitingen. Dat creëerde een (ook economische) markt voor allerlei sekten, meestal christelijke denominaties, die in concurrentie gingen met gevestigde religies. Hoe zuiverder hoe beter. Dat leidde dan weer tot grote geloofsgolven, de zogenaamde awakenings met alle gevolgen van dien op het politieke en sociale beleid, zowel ten goede als ten kwade. Zo werd onder druk van de ‘Second Great Awakening’ bijvoorbeeld het gevangeniswezen hervormd en de  zorg voor gehandicapten en geesteszieken onder handen genomen. Ook ondersteunden deze christenen de roep tot afschaffing van de slavernij en de drooglegging. Die christelijke onderstroom komt nog geregeld weer boven water en probeert dan grip te krijgen op de politiek. Denk aan de ‘Moral Majority’ (die een minderheid is) of de ‘Tea Party’ met hun acties tegen abortus, homofilie en contraceptie. Zo zijn er nog wel hoofdlijnen in de Amerikaanse geschiedenis aan te wijzen die om beurten om voorrang strijden. Tegenover de hang naar isolationisme (al sinds de Monroedoctrine van rond 1820) die Woordrow Wilson en Franklin Roosevelt deed aarzelen om mee te doen aan Europese oorlogen staat de diepgewortelde idee van exceptionalisme die de Amerikanen haast de religieuze boost geven om orde op zaken in de wereld te zetten. Zie Afghanistan, zie Irak. We zijn vandaag gechoqueerd door Donald Trump die voor protectionisme en invoerrechten pleit, maar Amerika werd pas vrij laat een voorstander van vrijhandel. Sterker, de VS zijn begonnen met hoge invoerrechten op te leggen om de eigen economische opbouw te beschermen. Niemand heeft het beter samengevat dan president Ulysses Grant: ‘Binnen tweehonderd jaar, wanneer Amerika alles uit protectie heeft gehaald wat eruit te halen valt, zal het ook vrijhandel invoeren.’ 

En zo kunnen we doorgaan. Amerika wordt over het algemeen als een vrolijk migratieland beschouwd en er wordt hoog opgegeven over ‘the melting pot’, maar net zo goed kent het anti-immigratiebewegingen en -regelgeving. In de jaren 1850 werd er geageerd tegen (Ierse)katholieken, in 1882 was er de anti-Chinezenwet en na de Eerste Wereldoorlog ontstond een nieuw anti-immigratieactivisme tegen Italianen, Grieken en Duitsers, ‘mislukte mensen uit mislukte rassen, vertegenwoordigers van de ergste mislukkingen in de strijd om het bestaan,’ aldus de president van het ‘Masachusetts Institute of Technology’. Ook hispanics werden algauw als een bedreiging ervaren. Niets nieuws onder de zon dus. En dan is er het racisme, dat eeuwenlang legaal was en dat nog steeds aan grote groepen mensen kleeft en waar politici tot vandaag nog altijd handig op inspelen. Ook daarvan is Donald Trump een voorbeeld met zijn onzinverhaal dat Obama geen Amerikaan is. En een moslim. Want ook samenzweringstheorieën zijn veel Amerikanen niet vreemd, ook al staat het land wetenschappelijk aan de top. Het zijn precies al die tegenstellingen die Amerika tot een dysfunctioneel systeem maken, des te meer daar ze de laatste decennia puur ideologische aangescherpt zijn, vooral door de Republikeinen, die obstructie tot machtsmiddel hebben verheven als de Democraten aan het bewind zijn. En dat is erg, want Amerika is een grootmacht en staat alsnog garant voor de veiligheid van Europa.

Frans Verhagens conclusie van zijn knappe boek is dan ook niet erg optimistisch: ‘De geschiedenis leert dat je de Verenigde Staten nooit moet afschrijven. Het land heeft een opmerkelijke vaardigheid om zichzelf telkens opnieuw uit te vinden, vooral als de problemen het gevolg zijn van eigen excessen. Het is echter te gemakzuchtig om te verwachten dat dit ook nu weer het geval zal zijn. Een wereldmacht in verval of op zijn minst in een midlifecrisis leidt tot een ander verhaal dan de oprispingen van een wereldmacht in opkomst. De grote vraag is of Amerika in staat zal zijn de verdeeldheid te boven te komen waarvan Donald Trump het symptoom is, niet de oorzaak.’’
 

KLAPROOS

En wederom was mij het geluk beschoren een roman in handen te krijgen die mij meteen bij de kladden greep. Ik las het eerste hoofdstuk - met de titel ‘Dingetje doen’ - en kreeg de bemoedigende gedachte dat dit debuut in proza een veroverende entree in de literaire literatuur is. Het gaat om de 176 bladzijden tellende hardcover Klaproos van Anne-Fleur van der Heiden en uitgeverij Nieuw Amsterdam. Ik breng ook u in de roes van een goed boek door ‘Dingetje doen’ aan te reiken maar eerst geef ik de tekst van de uitgever op de omslag. ‘Op haar zesentwintigste verjaardag besluit Noor na een lange periode van stilzwijgen weer contact op te nemen met haar moeder en haar stiefvader Las. Las is terminaal ziek, en Noor kan de confrontatie met hen en met haar jeugd niet meer uit de weg gaan. Anne-Fleur van der Heiden schetst op trefzekere wijze een wereld waarin drugs en onvoorspelbaarheid de dienst uitmaken. Klaproos is een eerbetoon aan ouders aan de rand van de samenleving, en een genadeloze coming of age roman.’

Anne-Fleur van der Heiden: ‘Mijn moeder opent de voordeur en zingt lang-zal-ze-leven. In het trappenhuis voor de deuropening staan een dode plant, een vuilniszak en een pan met aangekoekt vet. Ik wuif mijn handen mee op de maat. Las bromt mee vanuit de woonkamer. Hij blijft zitten waar hij zit, in de hoek van de bank, op het randje naast een antieke kast die van opa en oma is geweest. Onder zijn joggingbroek steken zijn enkels uit, ze glanzen alsof ze met schuurpapier zijn gepolijst. Zijn voeten hebben lichte kuilen in het tapijt gesleten. Achter de bank staat een sterrenkijker, de lens gericht op een hoek van het plafond, de randen langs de hoeken zijn vergeeld. ‘Hallo liefje,’ zegt Las. Ik buig naar hem toe om me drie zoenen te laten geven. De zoenen van een mond zonder tanden voelen anders, het zachte vlees van de binnenkant van zijn lippen raakt mijn wangen. Er staat een stoel bij de salontafel met een sjaal om de rugleuning geknoopt. Op tafel liggen cadeaus, ingepakt met kerstpapier. Ik ga zitten. Las heeft voor taart gezorgd. Hij vroeg welke smaak ik wilde en dat ik wel moest kiezen omdat hij anders de taart door mijn strot zou douwen. Het is een rijstevlaai geworden. Mijn moeder komt de woonkamer binnen met thee. ‘Ondanks het slechte nieuws over Las gaan we er een leuke dag van maken.’ ‘Als je het feestelijk wilt houden, moet je daar ook niet over beginnen,’ zegt Las. Ze komt aan tafel zitten op het witte kinderstoeltje dat vroeger van mij is geweest. Ze zit wijdbeens met haar borsten op haar knieën, haar buik hangt tussen haar benen. ‘Jammer dat Tygo er niet bij is,’ zegt Las. ‘Ja, jammer,’ zeg ik. ‘Lees eerst je kaart maar eens,’ zegt mijn moeder. Uit de envelop haal ik een kaart met een afbeelding van een aap. De aap ligt gebak te eten. ‘Blurp,’ heeft Las erbij gezet. Zijn handschrift ziet eruit alsof het met een bibberpen is geschreven. Op de achterkant van de kaart staat: ‘Zesentwintig! En je hebt al zo veel meegemaakt. Ik hoop dat je weet dat je vanaf nu altijd bij ons terechtkunt. Altijd, Pluisje. Liefs, je mammie en Las’ ‘Leuk hè, die kaart, of vind je hem niet leuk?’ vraagt mijn moeder. Ik knik en kijk naar beneden, naar het tapijt met dikke zwarte vlekken zoals verharde kauwgom op het trottoir. ‘Pak nu je cadeautjes maar uit, ik ben verdomme de hele ochtend bezig geweest met inpakken!’

Uit het pakpapier komt een spaarpot van het Wereld Natuur Fonds en een reep pure chocola van het huismerk van de Lidl op de Spinozaweg waar Las met de straatkrant mag staan. Als laatste pak ik een glaasje uit om een waxinelichtje in te doen. ‘Kon je ma het weer niet laten,’ zegt Las. ‘Jaha, Las,’ zegt mijn moeder. ‘Die was zo leuk, die kon ik niet laten staan. Ik heb nog iets voor je,’ zegt ze tegen mij. ‘Eerlijk zeggen of je het leuk vindt. Ogen dicht.’ Ik doe mijn ogen dicht en concentreer me. Alles wat ik ga zien is leuk. ‘Joe, doe maar weer open.’ Voor mijn neus hangt een kledingstuk aan mijn moeders wijsvinger, half vest, half jas, de binnenkant is gevoerd en de buitenkant is van witte wol met zwarte prints van huilende wolven. ‘Vintage,’ zegt ze. Het is een grote maat, maar als het mijn maat was dan vond ik hem echt leuk. Mijn moeder houdt de jas hoffelijk voor me op. Mijn handen komen niet voorbij het boord van de mouwen. ‘Staat leuk,’ zegt mijn moeder. ‘Ik zou hem ook wel willen hebben, maar voor mij is die te klein.’ ‘Prachtig,’ zeg ik. ‘Fijn,’ zegt mijn moeder. ‘Maar Noor, als je het niet erg vindt, gaan Las en ik nu even ons dingetje doen.’ Las pakt de televisiegids van tafel. Zijn spullen liggen eronder: een mesje, een pijpje, een stukje folie met een zwarte brandplek, gripzakjes met inhoud.

Mijn moeder loopt naar de keuken. Ik loop achter haar aan tot de deuropening en leun tegen de deurpost. In deze keuken bakten we samen koekjes en vlochten we brooddeeg. De keuken is veranderd. Het zeil is eruit getrokken en het fornuis is bruin door het aangekoekte vet. Op het aanrecht staat vuile vaat opgestapeld. Mijn moeder ziet er ondanks alle zooi uit om te knuffelen in haar geruite pyjamabroek. Nu pas zie ik om haar hals de ketting met een hanger van mijn eerste wisseltand. Mijn moeder heeft hem speciaal voor vandaag opgehaald bij pandjeshuis De Lommer. De spuit in haar handen weerhoudt me ervan haar vast te pakken. Ik volg haar handelingen. Met de punt van een aardappelschilmesje haalt ze bruin poeder uit een plastic zakje en doet het op een lepel. Ze voegt er wit poeder aan toe en een beetje water. ‘Wat is dat witte poeder?’ vraag ik. ‘Ascorbinezuur,’ zegt ze. Vroeger zette ik afwasmiddel klaar, of citroensap uit zo’n gele bol met een groene dop. ‘Moes, die dikke Marokkaanse dealer, die komt altijd te laat,’ zegt mijn moeder. ‘Las kan bellen wat hij wil, maar volgens mij is hij nog nooit op tijd geweest. En dan heeft hij ook nog weleens die troep versneden met cafeïne, dan zitten we hier te rillen. Maar goed, Moes is wel de goedkoopste en we mogen tot driehonderd euro bij hem poffen.’ De lepel verhit ze boven het gasfornuis tot het mengsel een bruine vloeistof wordt. Het mengsel trekt ze op in de spuit en voor het groezelige raam houdt ze die omhoog. Met haar nagel geeft ze er een paar tikken tegenaan. Heel even wil ik weten wat het is wat mijn moeder meemaakt, wat zo heerlijk is dat je niks meer voelt.

Ik denk aan een gedicht van een Indiaans meisje in de gevangenis. Just try me once and I might let you go, but try me twice and I’ll own your soul. You’ll regret that you tried me, they always do. But you came to me, not I to you. Niet lang nadat ze vrijkwam vonden ze haar dood met de naald nog in haar arm. Mijn arm trekt, alsof die zich voorbereidt op een naald die in een ader wordt geprikt. Mijn hoofd is brak, doet pijn en perst mijn hersens samen tot het formaat van een rozijn. Wat heb ik eigenlijk te verliezen? Ik heb geen huis, geen kinderen en ook geen vriend meer. Als heroïne nog het enige is waar ik me zorgen om maak. ‘Oké, mam.’ Ik loop de keuken uit en plof op de bank naast Las. Mijn arm trekt nog steeds, alsof het een goed idee is om er een naald in te zetten. Mijn moeder komt de woonkamer binnen en gaat met haar spullen en een riem aan tafel zitten. Las kijkt naar haar. ‘Wat is er?’ vraagt mijn moeder. ‘Het is geen goed idee om hier te gaan zitten, Jossie.’ ‘Oké,’ zegt mijn moeder en ze draait haar rug naar ons toe en bindt de riem om haar arm. Ik doe mijn ogen dicht. Een paar minuten later komt ze naar me toe en geeft me een kus op mijn voorhoofd.’

HET ZWART-WIT DENKEN VOORBIJ

Een essay dat de context van de actuele talk of the town aanreikt leg ik voor u op de leestafel.
Dat doe ik door het eerste stuk integraal aan u door te geven, zodat u ‘in the mood’ van het thema geraakt. Ik heb het over de 158 bladzijden tellende paperback Het zwart-wit denken voorbij van historicus P. C. Emmer en Nieuw Amsterdam Uitgevers met de ondertitel ‘Een bijdrage aan de discussie over kolonialisme, slavernij en migratie’. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik het chapiter ook citeer omdat onze zoon Time in september 2016 een Johan de Wittlezing in Dordrecht mocht houden over het thema van vluchtelingen. Piet Emmer deed dat een jaar later over de nieuwe beeldenstorm onder de titel ‘Waarom het verleden een vreemd land is’. U en ik kunnen er niet omheen Het zwart-wit denken voorbij in februari tot ons te nemen en met elkaar erover hier van gedachten te wisselen.

Emmer: Er raast een nieuwe beeldenstorm door ons land. Tal van standbeelden en straatnamen blijken een eerbetoon aan foute, witte mannen te zijn zoals Jan Pieterszoon Coen in Hoorn, Petrus Stuyvesant en Generaal Van Heutz in Amsterdam, en meer recentelijk Michiel de Ruyter in Vlissingen en Witte de With in Rotterdam. Beide laatsten werden tot voor kort nog als dappere Nederlandse zeehelden gevierd. De huidige beeldenstorm heeft overigens een aantal voorlopers gehad. De bekendste is natuurlijk de Beeldenstorm uit de zestiende eeuw, waarbij vele beelden en muurschilderingen in de kerken zijn vernietigd of eruit zijn verwijderd. Maar ook in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw tijdens de laatste decennia van de Zuid-Afrikaanse apartheids¬politiek werd er door anti-apartheidsactivisten op gewezen dat veel Nederlandse steden een rond 1900 gebouwde Zuid-Afrikaanse buurt hebben, waarvan de straten en pleinen vrijwel zonder uitzondering zijn vernoemd naar de toen in ons land zo populaire voorstanders van een raciaal verdeeld Zuid-Afrika. Vandaar dat in Amsterdam het Pretoriusplein, genoemd naar de stichter van de Boerenrepubliek Transvaal, werd omgedoopt tot Steve Bikoplein, een vermoorde zwarte anti-apartheidsstrijder. Iets recenter is de roep om verwijdering van de grafstenen met runentekens van NSB’ers die tijdens de bezetting overleden en begraven zijn. En vandaag de dag moet de Gouden Koets het ontgelden, want op een deurpaneel zijn gekleurde mensen afgebeeld in een onderdanige positie. Dat lijkt verdacht veel op een verheerlijking van de slavernij en met zo’n koets kan een modern staatshoofd, dat koning wil zijn van alle Nederlanders, toch niet rondrijden? Dat zelfde geldt voor Zwarte Piet: die zwarte knecht lijkt toch verdacht veel op een slaaf?

U wist het nog niet, maar ik neem aan dat vroeger of later ook de naamgever van de lezing waarvan u de tekst nu leest, de beroemde Dordtse staatsman Johan de Witt, gevaar loopt zijn twee standbeelden en zijn nog talrijkere straatnamen kwijt te raken. Het was immers Johan de Witt in zijn functie van raadpensionaris, die zijn handtekening heeft gezet onder het vredesverdrag van Breda in 1667, dat een einde maakte aan de tweede Engels-Nederlandse oorlog. Tot nu toe werd hij juist geprezen om die vrede, want daarbij trok Nederland duidelijk aan het langste eind. En daar zit nu precies de angel. Want in Breda deed de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden afstand van de armlastige kolonie Nieuw-Nederland in Noord-Amerika en behield het Suriname, waar waarschijnlijk veel meer te verdienen zou zijn. En Suriname was een kolonie, die alleen met slaven kon worden geëxploiteerd. Dat wist Johan de Witt en dus heeft hij de Nederlandse slavenhandel en de plantageslavernij willens en wetens bevorderd. Is deze beschuldiging terecht? Heeft deze beroemde raadpensionaris inderdaad de slavenhandel en de slavernij bevorderd en zo ja, is hem dat kwalijk te nemen? Die laatste vraag lijkt overigens eerder afkomstig van een dominee of pastoor dan van een geschiedkundige. Maar het zal u niet ontgaan zijn, dat we tegenwoordig graag veel schuld en boete in ons verleden stoppen, zeker als het gaat om de contacten met de overzeese wereld.

De Witt heeft nooit laten merken dat hij bezwaar had tegen slavernij in verre landen. Maar dat was niet zijn enige makke. Hij maakte evenmin bezwaar tegen kinderarbeid, antisemitisme, roken, de onderdanige positie van de vrouw, de grote ongelijkheid in inkomens en vermogens, de ondemocratische bestuursvormen in het Nederland van die tijd, de hoge kindersterfte, lijfstraffen, en zo zou ik nog wel een tijdje kunnen doorgaan. In andere woorden: Johan de Witt leefde in een vreemd land met heel andere opvattingen over goed en kwaad dan wij er nu op nahouden. Waarom zou Johan de Witt trouwens anders over deze zaken moeten denken dan de andere bewoners van de wereld in de zeventiende eeuw? Pas na het midden van de achttiende eeuw en alleen in West-Europa en Noord-Amerika – een enkele uitzondering daargelaten – kwam er kritiek op de slavenhandel en slavernij, zij het aarzelend. Laten we dus niet vragen waarom De Witt anders dacht over goed en kwaad dan wij op dit ogenblik, maar waarom bijna iedereen anders dacht over slavenhandel en slavernij dan wij nu normaal vinden.

Dat neemt niet weg dat het gemak waarmee de Europeanen zich overzee op de slavenhandel hebben gestort en de slavernij hebben geaccepteerd en gebruikt naar hedendaagse begrippen vreemd aandoet, juist omdat de Europeanen die instituties thuis voor hun eigen soort níet langer gebruikten. De unieke afwezigheid van slavenhandel en slavernij in Europa werd toen gezien als een teken van vooruitgang en beschaving. Blijkbaar waren de Europeanen er diep van doordrongen dat de Afrikanen, Indianen en Aziaten nog niet toe waren aan een vrije-arbeidsmarkt. Als het overzee om arbeid ging, kon je je als Nederlander, Fransman, Portugees, Spanjaard en Engelsman maar het beste aanpassen aan daar bestaande gebruiken en gewoontes. Het was onmogelijk om overal dezelfde maatstaven aan te leggen als thuis. Laat ik toch een poging doen om die dubbele houding te verklaren. Hoe kwam het dat de Europeanen er trots op waren thuis geen slavernij meer te kennen, terwijl ze de slavenhandel en de slavernij overzee hebben omarmd? Voor alle duidelijkheid zeg ik er nog maar eens bij: verklaren is iets anders dan goedpraten. In de eerste plaats is het niet erg zinvol om de vrije-arbeidsmarkt zoals we die vandaag in Nederland kennen tegenover de overzeese slavernij van de zeventiende en achttiende eeuw te plaatsen. Dat is appels met peren vergelijken. Het is juist dat de grootschalige plantageslavernij in de Nieuwe Wereld uniek was, maar een aantal elementen ervan kwam toen ook nog in Europa voor.

Zo was overal in Europa dwangarbeid van straf- en krijgsgevangenen heel gewoon en in de slavernijtijd dwongen in Engeland en Nederland de besturen van weeshuizen een deel van de aan hun zorgen toevertrouwde jongens en meisjes om dienst te nemen bij een baas zonder dat de betrokkenen enige keuze hadden. Een bekende afnemer van weesjongens in ons land was de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), die deze jongens op al haar schepen inzette als kindmatrozen, al waren ze volgens onze huidige maatstaven nog leerplichtig.
Je had in Europa nog wel meer vormen van gedwongen arbeid, waardoor de slavernij overzee minder exotisch leek dan we gewoonlijk aannemen. Zo kon de werkgever in Engeland en Schotland de politie inschakelen om een werknemer terug te halen als deze vóór het einde van zijn arbeidscontract was weggelopen. In Schotland werden bij verkoop van een mijn de mijnwerkers mee verkocht en net als bij de verkoop van plantages en de daarbij behorende slaven, werd er dan precies berekend hoeveel werk iedere mijnwerker nog kon leveren gelet op zijn leeftijd en gezondheid. De eerste emancipatiewet in Engeland uit 1775 had dan ook niet ten doel de slaven in de koloniën te bevrijden, maar de mijnwerkers in Schotland. Weeskinderen in Engeland hadden evenmin als in ons land de keuze waar ze te werk werden gesteld, hele bootladingen werden naar Noord-Amerika gestuurd. En wat te denken van de wetten tegen ‘vagebonden’, waarvoor in Engeland gemakshalve iedereen werd aangezien die weigerde te werken voor een redelijk loon. In Schotland kon iedere mijneigenaar een vagebond ontvoeren en gedwongen in zijn mijn aan het werk zetten. Ledigheid was immers des duivels oorkussen.

Er werd ook dwang toegepast bij de kolonisatie overzee. Als je geen geld had om de dure overtocht te betalen, wilde een werkgever in de kolonie dat wel voorschieten, op voorwaarde dat je vijf of zeven jaar voor hem ging werken tegen alleen kost en inwoning. Weglopen werd bestraft. Soms schoot de kapitein de passageprijs voor en dat gaf hem het recht deze passagiers bij aankomst te verkopen aan de hoogste bieder. Nog één voorbeeld: in Silezië, zoals in heel Oost-Europa, bestond lijfeigenschap. Het Silezische linnen dat de slaven in West-Indië eenmaal per jaar ontvingen om er kleding van te maken, was vervaardigd door textielarbeiders die nauwelijks meer vrijheid hadden dan die slaven. Dit alles toont aan dat er vóór 1800 in Europa weliswaar geen levenslange slavernij meer bestond, maar wel dwangarbeid. Ik wil de snelle acceptatie van de slavernij overzee door de Europeanen niet wegpoetsen, maar juist zij die met de slaven in de overzeese gebieden in contact kwamen – zeelieden, soldaten, kolonisten – wisten wat het was om je vrijheid gedwongen in te leveren in ruil voor werk, waar je jaren aan vastzat.
Waarom hadden de Europeanen al die arbeid overzee eigenlijk nodig? Het lijkt te bizar voor woorden, maar voor wat suiker, tabak en koffie en later katoen hebben de Europeanen grote risico’s genomen, miljoenen mensen tegen hun zin naar een ander continent gebracht en daarbij zowel onder hun eigen mensen als onder de slaven een extreem hoge sterfte getolereerd. En dat allemaal met als resultaat dat in Europa de consumenten van suiker en tabak tegen relatief lage kosten tandbederf en longkanker opliepen. Nu denkt u natuurlijk: in de ogen van de Europeanen waren toen de levens van Afrikanen toch niet veel waard en daarom dwongen de Europeanen hen om die luxeproducten te maken. Maar ook uit Azië haalden de Europeanen alleen maar luxeproducten en ook daar waren de kosten aan mensenlevens bijzonder hoog, dit keer onder de Europeanen. Veertig procent van de één miljoen Europese soldaten en zeelieden, die alleen al de VOC naar Azië vervoerde, is niet levend teruggekomen. Dus de koffie met suiker, die in de zeventiende en achttiende eeuw in gegoede families in mooi Chinees porselein werd geschonken, werd zowel met zwarte als met witte mensenlevens betaald, en laat zien dat de waarde van alle mensenlevens in vroeger tijd veel lager was dan tegenwoordig, ongeacht de huidskleur.

Terug naar Johan de Witt en de Vrede van Breda. Zijn keuze om bij die Vrede Suriname te behouden in plaats van Nieuw Nederland heeft er inderdaad toe bijgedragen dat de Nederlandse slavenhandel explosief toenam: van nog geen 500 slaven per jaar tot 5.000 per jaar. Gelet op deze gegevens kunnen we De Witt aan de schandpaal nagelen. Hij mag dan een knap wiskundige en een beroemd staatsman zijn geweest, maar door zijn politieke keuze is de Nederlandse slavenhandel toegenomen als nooit tevoren. Valt hem dat te verwijten? Mijn antwoord is een hartgrondig nee. Johan de Witt kon geen kennis hebben van onze moderne opvatting dat alle mensen gelijk zijn. Dat betekende dat hij net als zijn tijdgenoten van mening was dat lijfeigenschap en slavernij buiten West-Europa een normaal verschijnsel was, dat vrouwen voor een groot aantal beroepen niet in aanmerking konden komen, dat kinderen al op zeer vroege leeftijd moesten werken, dat Joden en rooms-katholieken geen openbare functies mochten bekleden. Je kunt Johan de Witt nu eenmaal niet kwalijk nemen dat hij niet op de hoogte was van onze huidige normen en waarden. Je zou hem net zo goed kunnen verwijten dat hij zijn contacten met buitenlandse regeringsleiders per brief onderhield en niet per telefoon of e-mail. Wilt u namens hem excuses aanbieden? Dan kunt u de rest van uw leven beter vrij nemen, want er is volgens onze huidige opvattingen in het verleden zoveel verkeerd gegaan, dat je dag en nacht bezig zou zijn om je daarvoor te verontschuldigen. Ik hoop dan ook dat de huidige beeldenstorm weer gaat liggen. Het verleden heeft nu eenmaal andere maatstaven en die moeten we ook gebruiken om dat verleden te beoordelen. Een Engelse auteur heeft dat heel aardig onder woorden gebracht: Het verleden is een vreemd land waar ze zaken anders doen.

HET HUIS AAN HET MEER

Wij staan aan de start van een leesavontuur dat het verleden intrigerend oprakelt. Wij gaan de komende weken een boek tot ons nemen dat op non-fictie gebaseerd is, dat het vaak ruwe, dramatische doen en laten van bewoners van een buurland doet herleven. Ik heb het over de 444 bladzijden tellende, authentiek geïllustreerde paperback Het huis aan het meer van Thomas Harding en van uitgeverij De Arbeiderspers met de ondertitel ‘Een verhaal over Duitsland’. Ik vertel u de aanloop van deze eerste introductie. Ik las recent lovende recensies over Het huis aan het meer, kreeg gisteren het boek door postman Ruud aangereikt, wil het bestaan van dit bij voorbaat boeiende boek niet langer bij u onthouden en geef u derhalve de tekst van de uitgever op de omslag en integraal de bespreking die mij het meest trof: van Kevin Prenger op de site van Historiek en onder de titel ‘Een bouwval als microkosmos van 100 jaar Duitse geschiedenis’.  Het spreekt voor zich dat wij hier na lezing van Het huis aan het meer met elkaar nog te spreken komen. Nu wil ik echteral kwijt: literaire non-fictie is voor mij een must, op voorwaarde dat het thema mij aanspreekt.

De Arbeiderspers: ‘In 2013 bezoekt Thomas Harding het huis van zijn Duitse grootmoeder, gelegen aan de rand van Berlijn, bij de Groβ Glienicker See, die grenst aan de Wannsee. Deze plek, haar 'zielenplek', die zij heeft moeten verlaten toen de nazi's aan de macht kwamen, ligt er vervallen en verlaten bij. Een betonnen voetpad door de tuin markeert waar de Berlijnse Muur bijna drie decennia heeft gestaan. In een poging het huis van de sloophamer te redden, onderzoekt Harding de geschiedenis van de vijf families die hier hebben geleefd: de adellijke landeigenaar die op het landgoed een wijngaard aanlegde, een welvarende Joodse familie die hier de vrije tijd doorbracht, een beroemde componist in dienst van de nazi's, een weduwe en haar kinderen en een informant van de Stasi. Uit al deze aangrijpende en dramatische verhalen doemt een twintigste-eeuwse geschiedenis van Duitsland op.’

Kevin Prenger: ‘Op het oog is er weinig bijzonders aan het houten huis op perceel nummer 101/7 en 101/8 aan de westoever van de Gross Glienicker See aan de rand van Berlijn.  Na eerst door krakers vervuild en vernield te zijn geweest, waren de laatste bewoners een moedervos met haar jongen. Jaren van leegstand volgden, totdat in 2014 de bouwvallige weekendwoning gered werd van de sloop. Na een uitgebreide schoonmaakactie werd tijdens een ceremonie in augustus een bordje aangebracht op de houten gevel met daarop de tekst ‘Denkmal’. Vanaf die dag werd het eenvoudige bouwwerk door de deelstaat Brandenburg officieel erkend als monument. De Britse schrijver en journalist Thomas Harding zag het huis aan het meer voor het eerst in 1993, toen zijn oma hem en haar andere kleinkinderen meenam naar Berlijn, de stad van haar jeugd. Elsie Harding had geweldige herinneringen aan de plek waar ze met haar ouders en broers en zus vele zomers had doorgebracht. Vanuit hun tuin konden ze een duik nemen in het frisse water van het meer en zonnebadend op hun gazon voelden ze zich ver weg van de drukke Duitse hoofdstad. Haar vader, de Joodse arts Alfred Alexander, had het gelijkvloerse huis met negen kamers in 1927 laten bouwen op de grond die hij pachtte van Otto von Wollank, de landheer van landgoed Gross Glienicke. Meerdere Berlijnse notabelen zouden in de daarop volgende jaren eveneens een weekendhuis bouwen aan de oever van het rustieke meer, als statussymbool en ontspanningsplek. Aan de idylle van het onbezorgde landelijke leven kwam voor de Alexanders een eind toen Hitler in 1933 de macht greep.

Bezorgd vanwege het antisemitisme van de dictator en zijn volgelingen ontvluchtten ze in 1936 Duitsland, waarna het huis nooit meer door hen bewoond zou worden. De eerste kennismaking met het huis dat ooit aan zijn familie toebehoord had, liet Harding niet onbetuigd. Het duurde echter nog tot 2013 voordat hij er opnieuw een bezoek aan bracht. Na onder prikkeldraad gekropen te zijn en zich een weg gebaand te hebben door het hoge gras en struikgewas in de verwilderde tuin, was hij bedroefd door de erbarmelijke staat waarin hij het aantrof. In het dak zaten barsten, de bakstenen schoorstenen waren afgebrokkeld en binnen lagen de vloeren bezaaid met bierflesjes, vuile kleding en andere troep. Graffiti en schimmels op de muren bezoedelden de woning die na de Alexanders nog aan drie andere families onderdak had geboden, tot een paar jaar na de val van de Berlijnse Muur. De Brit liet het er niet bij zitten en begon te onderzoeken of zijn familie het huis terug kon claimen, dat zijn overgrootvader onder druk van de nazi’s voor een prijs ver beneden de eigenlijke waarde had moeten afstaan. Daar liet hij het niet bij, want voor zijn boek ‘Het huis aan het meer’ ploos hij de bijna honderdjarige historie van het huis en zijn bewoners uit, vanaf het moment van de bouw tot nu. Behalve het verhaal van een huis en de mensen die er woonden, vertelt zijn boek het verhaal van honderd jaar Duitse geschiedenis.

Het was de succesvolle muziekuitgever August Wilhelm Meisel die met zijn tweede vrouw en hun twee kinderen het huis aan het meer gedurende het nazitijdperk tot het zijne maakte. Harding beschrijft hoe Meisel lid werd van de NSDAP en zijn Joodse artiesten aan de kant zette om zijn bedrijf voort te kunnen zetten. Hij liep altijd netjes in de pas met de instructies van het nazipropagandaministerie van Joseph Goebbels. Na afloop van de Tweede Wereldoorlog kwam het huis in de Sovjetzone te liggen met het meer als grens tussen oost en west. In de tijd van de Berlijnse luchtbrug, van 26 juni 1948 tot 12 mei 1949, raasden Dakota C47-vrachttoestellen over het perceel die landden en opstegen op het nabij gelegen Britse vliegveld Gatow om de door Sovjetleider Stalin geïsoleerde West-Berlijnse bevolking van voedsel en andere voorraden te voorzien. Nadat er eerst al een eenvoudig hek had gestaan, verrees aan de oever van het meer in 1961 een betonnen, zwaar beveiligde muur. Tot 1989 zou de Berlijnse Muur het zicht op het meer vanuit het huis belemmeren en was een duik in het water vanuit de tuin niet langer mogelijk. De Meisels hadden intussen hun weekendwoning ook moeten verlaten, aangezien ze woonden en werkten in West-Berlijn en geen toegang meer hadden tot Gross Glienicke, dat behoorde tot de DDR. Ook het verhaal van de twee families die daarna nog woonden in het huis aan het meer wordt door Harding verteld. Niet langer waren het rijke gezinnen uit Berlijn die hier verbleven. Gedurende een aantal jaren werd het huis zelfs gedeeld door twee families. Het landgoed Gross Glinecke bestond inmiddels ook niet meer. Robert von Schultz (een fanatieke nazi), die in 1929 de leiding had overgenomen na de dood van zijn schoonvader, had het aan de nazi-overheid moeten afstaan ter compensatie van zijn schulden. Het landhuis brandde na de oorlog af, terwijl het eens zo mooie meer vervuild raakte en met algen gevuld. De landelijke idylle die Gross Glienicke eens was geweest was geschiedenis. De betonnen muur met prikkeldraadhekken, wachthonden en patrouillerende grenswachten stond symbool voor een grauwe maatschappij. Onder de communistische regering was de bevolking van het dorp voor hun dagelijkse boodschappen aangewezen op een winkel van de overheid, waarvan het assortiment bijzonder beperkt was in vergelijking met supermarkten in het westen. Voortdurend hield de geheime dienst, de Stasi, een oogje in het zeil, met behulp van vele informanten. Genoeg dorpelingen vonden het echter allemaal wel prima, aangezien de overheid zorgde voor huisvesting, werk, kinderopvang en wat al niet meer.

In het huis aan het meer ging het leven zijn gewone gang, hoewel het zich in de veiligheidszone van de Muur bevond en het daarom niet toegestaan was zonder toestemming gasten uit te nodigen. Toen één van de bewoners, de tiener Bernd, verkering had met een meisje glipte hij met haar langs de wachtposten om haar vervolgens via de tuin van de buren mee naar binnen te nemen. Hoewel hij lid was geweest van de jeugdbeweging van de communistische partij en hij nooit een andere regering had gekend dan die van de DDR, verlangde de jongeman naar het vrije Westen. Hij verweet het zijn ouders dat ze niet naar het westen waren gegaan toen het nog kon, maar die antwoordden dan dat hij er in Gross Glienicke maar het beste van moest maken. Bernd zou nog tot 1989 moeten wachten voordat de Muur viel. Inmiddels met zijn gezin woonachtig in een ander huis aan de oever van het meer sloeg hij de muur in zijn tuin eigenhandig kapot met een moker. Zo lang als hij zich herinnerde was het water van het meer onbereikbaar gebleven, maar nu kon hij met zijn zoontje er eindelijk weer in zwemmen.

Na de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog doorstaan te hebben, raakte het huis aan het meer rond de eeuwwisseling in verval. Harding ontdekte dat er plannen waren om het bouwwerk af te breken en op deze locatie nieuwe woningen te creëren. Met behulp van zijn familieleden en lokale bewoners nam hij het initiatief om het huis en de omliggende tuin grondig schoon te maken en de autoriteiten te overtuigen van het belang van instandhouding. Britten en Duitsers snoeiden gebroederlijk wilde struiken in de tuin, poetsten nog intact serviesgoed en maakten alle kamers vrij van door krakers achtergelaten rommel. Onder de naam Alexander Haus moet het gebouw in de toekomst ruimte bieden voor projecten aangaande educatie en verzoening. Het boek van Thomas Harding, dat met net zoveel vaart geschreven is als een goede historische roman, vormt een overtuigend pleidooi voor dit plan. Op toegankelijke wijze verbindt de auteur persoonlijke verhalen en familiegeschiedenissen met de Duitse historie, waarbij een weekendhuis, dat op het eerste aanzicht slechts rijp voor de sloop is, fungeert als microkosmos. De auteur onthult de boeiende geschiedenis die verscholen gaat achter de afgebladderde verf, het ingezakte dak en de met klimop overgroeide en verroeste dakgoten en dit verhaal is, hoewel het geen nieuwe historische inzichten oplevert, het vertellen waard.’