Piet Kaptein’s Cultuurmix

26-02-2018

IK MOEST ALLEEN KOMEN

Ik wil u in een document leiden dat een actuele kwestie als thema heeft. Ik leid u een boek in dat de pit van het jihadisme blootlegt. De ondertitel spreekt in deze boekdelen. Het gaat om de 336 bladzijden tellende paperback Ik moest alleen komen van Souad Mekhennet en uitgeverij Nieuw Amsterdam met de ondertitel ‘Reizen naar het front van de jihad’. Ik neem dit bij voorbaat intrigerende en onthullende werk in mijn reiskoffer en na de voorjaarsvakantie wisselen wij hier onze leeservaringen met elkaar uit. Als bagage tot die week vrijaf geef ik u de tekst op de site van de uitgever en het eerste deel van de proloog die de titel draagt van ‘Ontmoeting met IS Turkije, 2014’. Het tweede deel volgt over een week.
Nieuw Amsterdam: ‘Wat speelt zich af in de hoofden van jihadisten en waarom gaan ze tot geweld over? In dit spannend geschreven boek voert Souad Mekhennet ons mee op haar dappere en gevaarlijke zoektocht. Van de Duitse steden waar de 9/11-samenzweerders radicaliseerden naar het Turks-Syrische grensgebied met een permanente aanwezigheid van IS. Van Noord-Afrika en het Midden-Oosten naar Europa, waar de terreur tot in het hart van de westerse beschaving is doorgedrongen. Mekhennet neemt grote risico’s om de belangrijkste figuren bij Al Qaida, Taliban en IS te interviewen. Als haar gevraagd wordt alleen naar een interview te komen, weet ze nooit wat haar te wachten staat. Met Ik moest alleen komen wil Souad Mekhennet de opkomst van het islamitische radicalisme verklaren en een brug slaan tussen de islamitische en westerse wereld.
Souad Mekhennet: ‘Ik moest alleen komen. Ik mocht geen legitimatie bij me hebben en moest mijn mobiel, opnameapparaat, horloge en portemonnee achterlaten in mijn hotel in Antiochië, in Turkije. Het enige wat mee mocht waren mijn opschrijfboekje en een pen. In ruil daarvoor wilde ik iemand met gezag spreken die me de langetermijnstrategie kon uitleggen van Islamitische Staat van Irak en al-Sham, oftewel ISIS of is.

Het was ergens in de zomer van 2014, drie weken voor die groepering een begrip zou worden doordat ze een filmpje vrijgaf van de onthoofding van de Amerikaanse journalist James Foley. Toen al vermoedde ik dat is een belangrijke rol zou gaan spelen in de wereldwijde jihad. Ik schreef als journalist voor The New York Times, gezaghebbende Duitse media en in dit geval The Washington Post over moslimextremisme in Europa en het Midden-Oosten en had de groepering zien opkomen in de wereld van na de aanslagen van 11 september 2001, twee door Amerika geleide oorlogen en de omwenteling die bekendstaat als de Arabische Lente. Ik sprak al jaren met mensen die zich er later bij zouden aansluiten. Ik liet mijn contacten bij is weten dat ik elke vraag wilde kunnen stellen, geen citaten liet autoriseren en het artikel niet voorafgaand aan de publicatie zou voorleggen. Ook wilde ik de garantie dat ik niet zou worden ontvoerd. En omdat me te verstaan was gegeven dat er niemand anders van ‘de Post’ bij mocht zijn, vroeg ik of ik degene mocht meenemen die me had geholpen het interview te regelen en in wie zij vertrouwen hadden. ‘Ik ben niet getrouwd,’ zei ik tegen de leiders van IS. ‘Ik mag niet alleen met jullie zijn.’ Als islamitische vrouw van Marokkaans-Turkse komaf, geboren en getogen in Duitsland, ben ik een uitzondering onder journalisten die verslag doen van de wereldwijde jihad. Maar sinds ik als student begon te schrijven over de kapers die achter de aanslagen van 11 september zaten, verschaft mijn achtergrond me unieke toegang tot in het geheim opererende militante leiders, zoals de man die ik op die julidag in Turkije zou ontmoeten. Ik wist dat IS journalisten gijzelde. Wat ik niet wist was dat degene die ik te spreken zou krijgen, leiding gaf aan het gijzelingsprogramma van de groepering en de baas was van de moordenaar met het Britse accent die in de filmpjes opdook en die bekend zou worden als Jihadi John. Pas later zou ik horen dat de man die ik die zomer had gesproken, die Abu Yusaf werd genoemd, een vooraanstaande rol zou spelen in het martelen van gijzelaars, onder andere door ze te waterboarden. Ik had gevraagd of ik Abu Yusaf overdag in een openbare gelegenheid te spreken kon krijgen, maar er werd me te verstaan gegeven dat dat onmogelijk was. De ontmoeting zou ’s nachts plaatsvinden, in het geheim. Een paar uur van tevoren werd het tijdstip vervroegd naar half twaalf ’s avonds. Dat was geen geruststellende ontwikkeling.

Een jaar eerder hadden leden van een Duitse antiterreureenheid bij me thuis aangeklopt. Ze vertelden me dat ze berichten hadden opgevangen over een moslimextremistisch plan om me onder het mom van een exclusief interview naar het Midden-Oosten te lokken en me vervolgens te ontvoeren en te dwingen met een moslimstrijder te trouwen. Ik moest daar weer aan denken toen ik me afvroeg of het geen waanzin was waar ik aan begon. Ook al was ik nerveus, ik zette door. Als alles volgens plan verliep zou ik de eerste westerse journalist zijn die een hoge IS commandant interviewde en het kon navertellen.

Het was een warme dag aan het einde van de ramadan en ik had een spijkerbroek en een T-shirt aan toen ik mijn vragen zat voor te bereiden in het hotel in Antiochië. Voor ik de deur uit ging trok ik een zwarte ‘abaja’ aan, een traditioneel Midden-Oosters gewaad dat het hele lichaam bedekt, behalve gezicht, handen en voeten. Een van de medewerkers van Al-Qaidaleider Abu Musab al-Zarqawi had het jaren eerder voor me uitgezocht toen ik al-Zarqawi, die later bij een bombardement zou omkomen, opzocht in zijn woonplaats Zarqa, in Jordanië. De medewerker had opgeschept dat de ‘abaja’, met roze borduurwerk erop, een van de mooiste uit de winkel was en dat de stof zo dun was dat hij zelfs bij warm weer lekker zat. Sindsdien is die ‘abaja’ een soort mascotte voor me geworden. Ik trek hem altijd aan als ik een lastige afspraak heb. We zouden Abu Yusaf ontmoeten aan de Turks-Syrische grens, niet ver van de grensovergang bij Reyhanli. Ik kende het gebied goed: mijn moeder was er in de buurt opgegroeid en ik was er als kind vaak geweest. Ik nam afscheid van mijn collega bij de Post, Anthony Faiola, die in het hotel achterbleef met telefoonnummers waarmee hij mijn familie kon bereiken als er iets misging.

Rond kwart over tien kwam de man die me had geholpen het interview te regelen en die ik Akram zal noemen me bij het hotel ophalen. Na een autorit van drie kwartier parkeerden we op de parkeerplaats van een hotel-restaurant aan de grens en wachtten. Het duurde niet lang of er doemden twee auto’s uit het donker op. De chauffeur van de voorste auto, een witte Honda, stapte uit, Akram en ik stapten in. Akram nam plaats achter het stuur, ik ging op de bijrijderstoel zitten. Ik draaide me om naar de man die ik kwam interviewen. Abu Yusaf zag eruit alsof hij zeven- of achtentwintig was, had een wit honkbalpetje op en droeg een bril met getinte glazen die zijn ogen aan het zicht onttrokken. Hij was lang en goedgebouwd, had een stoppelbaard en lang, krullend haar dat tot op zijn schouders viel. Met zijn poloshirt en kakibroek met grote zakken erop zou hij in een willekeurige Europese straat niet zijn opgevallen. Drie oude Nokia- en Samsung-mobieltjes lagen op de stoel naast de zijne. Om veiligheidsredenen, legde hij uit, gebruikte niemand in zijn positie een iPhone, die hem gemakkelijk te traceren maakte. Hij had precies hetzelfde digitale horloge om als ik Amerikaanse soldaten in Irak en Afghanistan had zien dragen. Er zat een bobbel in zijn rechterbroekzak; ik ging ervan uit dat hij een pistool bij zich had. Ik vroeg me af wat er zou gebeuren als de Turkse politie ons aanhield. Akram startte de auto en we reden in het donker langs de Turkse kant van de grens, soms door kleine dorpjes. Ik hoorde de wind langs de ramen gieren. Ik probeerde bij te houden waar we waren, maar het gesprek met Abu Yusaf eiste al mijn aandacht op. Hij sprak zacht en bedaard. Hij probeerde te verhullen uit welk Europees land hij kwam en dat hij Marokkaans was, maar het viel me op dat hij er Noord-Afrikaans uitzag, dus toen ik van klassiek Arabisch op Marokkaans Arabisch overschakelde begreep hij dat en gaf hij antwoord in dezelfde taal. Hij bleek in Marokko te zijn geboren maar was als tiener naar Nederland verhuisd. ‘Als je wilt weten of ik ook Frans spreek, dan zeg je het maar,’ zei hij met een glimlach. Hij sprak ook Nederlands. Later hoorde ik dat hij was afgestudeerd als ingenieur.

Onder het rijden zette hij zijn visie uiteen. IS zou de moslims van Palestina tot Marokko en Spanje verlossen en daarna de islam over de wereld verbreiden. Iedereen die zich verzette werd als vijand beschouwd. ‘Als de Verenigde Staten ons met bloemen treffen, zullen we met bloemen terugslaan,’ zei Abu Yusaf. ‘Maar treffen ze ons met vuur, dan slaan we terug met vuur, ook in hun eigen land. En dat geldt voor elk westers land.’’
 

IK MOEST ALLEEN KOMEN

HET VERDRIET VAN WILHELMINA

Vorige week kondigde ik bij u aan het bestaan van de nieuwe thriller van good old Tomas Ross; Het verdriet van Wilhelmina met Cargo als uitgeverij. Ik wil u nu kennis doen maken met het eigene van deze schrijver met geboortejaar 1944 van misdaadromans, dat van faction, deels fictie, deels realiteit. Twee van de dramatis personae zijn namelijk koningin Wilhelmina en François van ’t Sant, vertrouweling van Wilhelmina en die treden op meteen in het begin van het verhaal vol suspense. U weet dat ik al jaar en dag non-fictie bemin op voorwaarde dan dat het thema mij bekoort en dat de stijl dat ook doet. Bij Het verdriet van Wilhelmina schuren echter fictie en non-fictie langs elkaar en door elkaar, maar dan zo dat het feitelijk gepasseerde goed uit de doeken gedaan wordt. In het verleden mocht ik bij u werken introduceren die cirkelden om koningin Wilhelmina en François van ’t Sant. Veel woorden waren nodig om de dame en de heer neer te zetten, Tomas Ross weet echter met weinig woorden een karakterschets van Wilhelmina te geven. Om dat te illustreren citeer ik de eerste drie van 382 bladzijden. Als binnenkomer geef ik u de tekst op de omslag van deze paperback. Uiteraard ontmoeten wij elkaar hier weer om de thriller  die de dertigste plaats inneemt in het favoriete genre van Ross, faction.

Cargo: ‘Eind november 1941. Na de Duitse opmars in Europa is de angst groot dat Nederlands-Indië zal worden aangevallen door Japan. In Engeland krijgt koningin Wilhelmina op haar landgoed Stubbings House bezoek van de Britse premier Winston Churchill. Hij stelt haar voor een onverwacht en verschrikkelijk dilemma. Tot haar wanhoop zal Wilhelmina moeten instemmen met zijn geheime verzoek, waardoor de oorlog een totaal andere wending zal krijgen. Acht jaar later: Nederland vecht een eigen oorlog in Nederlands-Indië, waar de nationalisten van Soekarno de onafhankelijke Republik Indonesia hebben uitgeroepen. Voormalig inlichtingenofficier Arnie Springer hoort dat zijn oude liefde op Java is verdwenen nadat ze samen werd gezien met de beruchte Nederlandse deserteur Poncke Princen. Hoewel Arnie na de gruwelen van de jappenkampen gezworen heeft nooit terug te gaan, vliegt hij in april 1948 naar Batavia. In de tropische hitte onderneemt hij een levensgevaarlijke zoektocht, en belandt in een mijnenveld van intriges waarin alles verband lijkt te houden met het pact van Wilhelmina en Churchill in Stubbings House.’

Tomas Ross: ‘Engeland, vrijdag 28 november 1941 - ‘Met verschuldigde eerbied, mijne heren, maar om een oud-collega aan te halen, is Hare Majesteit wel geheel normaal?’ Het kwam zelden voor dat de Sfinx lachte, en François van ’t Sant zou dat ook niet hebben gedaan als hij erbij was geweest toen die vraag vanmiddag werd gesteld. Maar nu, anderhalf uur laten aan het stuur van zijn Humber op de terugweg naar de Majesteit, lachte hij wel, een grimmig, voldaan lachje. Niet om die opmerking, maar om de voorspelbare reactie van Wilhelmina. Sinds het voorjaar zag Hitler in dat Duitsland de slag om Engeland had verloren en waren de bombardementen op Londen gestopt, maar de vraag van de minister tijdens de wekelijkse kabinetsborrel was ingeslagen als een 500-ponder. Niet bij alle bewindslieden, al veinsden ze dat wel en hadden sommigen die vraag eerder gesteld. Altijd in hun besloten kringetje, maar dat was geen probleem voor Van ’t Sant, die ook wel het ‘Oog en Oor’ van de koningin werd genoemd. Afgelopen zomer had Wilhelmina op zijn advies daarom drie ministers de laan uitgestuurd, formeel om andere redenen, en vanzelfsprekend met eervol ontslag. Hij had van alle drie hun bloed wel kunnen drinken. Zeker van Dijxhoorn, minister van Oorlog, die uit afgunst over zijn nauwe band met haar ervan had beschuldigd heimelijk contact te hebben met de nazi’s en ervoor had gezorgd dat hij niet langer hoofd was van de Hollandse veiligheidsdienst hier in Engeland. Wat zelfs Wilhelmina niet had kunnen verhinderen. Het was nota bene Dijxhoorn die zich had uitgesproken voor een pact met nazi-Duitsland. Als Londen een slangenkuil was, bedacht Van ’t Sant terwijl hij tussen de zwiepende ruitenwissers naar het besneeuwde landschap tuurde, dan was de Nederlandse kolonie er een dorp kannibalen die elkaar opvraten. Maar ook besluiteloze oude mannen die zich meer bekommerden om hun sigaar of glas cognac dan om het lot van hun miljoenen landgenoten in het bezette Nederland. Het was dan ook geen wonder dat de Britten het Hollandse kabinet in ballingschap nauwelijks serieus namen. Net als Wilhelmina, die het minachtend had over ’t oudemannenhuis’ of ‘dat stel lammelingen’. Met uitzondering van premier Gerbrandy, die ‘wij recht in de ogen kunnen kijken’. Maar ook dat was, zoals zoveel bij haar, betrekkelijk en hoofdzakelijk omdat beiden dezelfde geringe lichaamslengte hadden.

‘Mijnheer Van ’t Sant,’ zei ze dikwijls, ‘wat zou het toch een uitkomst zijn wanneer wij van die huilende heertjes af zouden zijn!’ Dat laatste sloeg op sommige ministers die na de inval van de Duitsers tot haar woede hulpeloos in tranen waren uitgebarsten. ‘Ik heb mijn best gedaan met de heer Dijxhoorn, mevrouw.’ ‘Foei, meneer Van ’t Sant!’ had ze berispend gezegd, maar wel op haar manier ondeugend bij gekeken. “Wraak is niet aan om mensen, zoals geschreven staat in Hebreeën 10 vers 30: ‘Mij is de Wrake, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere.’ ‘Zeker, mevrouw, maar we kunnen de Heere immers ook een handje helpen, nietwaar?’ Besmuikt had ze wat boven haar breiwerkje gelachen. Shawls voor het verzet. Wás de ‘Majes’ normaal? Wat was normaal? Een goeie vraag, zeker in deze chaotische tijd van oorlog, Sinds hij begin jaren twintig als politieman door Wilhelmina  in dienst was genomen om de amoureuze perikelen van haar echtgenoot hendrik toe te dekken, had hij weliswaar groot respect voor haar daadkracht gekregen maar zichzelf toen al die vraag gesteld. En zeker sinds hij haar particulier secretaris en vertrouweling was geworden die haar financiën beheerde. Een vorstin die nauwelijks luisterde naar haar adviseurs maar ’s nachts te rade ging bij het portret van haar verre voorvader Willem van Oranje; een diepgelovige vrouw maar ook een vrouw die dweepte met de warrige filosofieën van mystici, die met bomen en vlinders sprak, in reïncarnatie geloofde en Koninklijke onderscheidingen wilde geven aan oosterse charlatans. Hoe kon iemand normaal zijn die van jongs af aan was geïsoleerd, geperst in een keurslijf, opgevoed in het heilig geloof dat zij door God zelf was uitverkoren en alleen aan Hem verantwoording schuldig was.
Eigenwijs, koppig en driftig, net als wijlen haar vader koning Willem III, met bloed van haar andere voorvaderen, de Romanovs. En het was wáár dat ze zich de afgelopen maanden steeds minder beheerste, vertwijfelder was, warriger en zich meer en meer afzonderde in Stubbings House,  het sombere landhuis aan de Theems bij Maidenhead, zo’n dertig mijl westelijk van Londen, waar ze haar intrek had genomen sinds de bombardementen op Londen. Mogelijk kwam het ook door het gebruik van verslavende medicijnen.

De Britse premier Winston Churchill had al eerder zijn zorgen over haar geuit na een bezoek aan haar waarbij ze woedend had gereageerd op zijn twijfels over de betrouwbaarheid van het Nederlands verzet. Churchill had gelijk, wist Van ’t Sant. Het verzet in Nederland stelde bitter weinig voor, een zootje en zo lek als een mandje voor verraders. Ook hij had haar ervoor gewaarschuwd maar zelfs naar hem had ze niet willen luisteren. Het was 28 november, een vroege vrijdagavond. Het sneeuwde al dagen en het landweggetje naar Stubbings House was nauwelijks herkenbaar. Hij reed hier dagelijks naar kantoor in Londen en weer terug, dikwijls opgehouden door Londenaren die de stad vanwege de bombardementen ontvluchtten maar vandaag had het hem door het slechte weer tweemaal zo lang gekost.

 

HET VERDRIET VAN WILHELMINA

BROOD

Ik wil u een roman binnenloodsen die garant staat voor een goede vaart erdoorheen. U zal met mij meteen in de ban raken van prachtig proza. Het thema verwoordt de uitgever op de wikkel. Het gaat om de 128 bladzijden tellende hardcover Brood van Elvis Peeters en uitgeverij Podium. Als u de volgende zes bladzijden tot u genomen hebt, zult u hetzelfde overkomen wat mij geviel: de drang tot verder lezen!  Podium: In Brood verplaatst Elvis Peeters zich in een jongen die niet anders kan dan zijn door oorlog geteisterde land ontvluchten. Na een barre overlevingstocht begint hij aan zijn leven in een nieuwe samenleving. Maar voor hij het weet loopt het uit de hand. Brood is een met bijzonder inlevingsvermogen geschreven vertelling over het onzekere bestaan van een jonge vluchteling.

Elvis Peeters: ‘—De nachthemel, daar moest ik aan wennen. Thuis leken de sterren altijd van goud, zacht glinsterend. Hier lijken ze van zilver, en veel verder weg. Minder glinsterend, eerder bevend, alsof elk ogenblik de stroom kan uitvallen. Niet alleen de hemel, ook de nacht is anders. Met dubbele, soms driedubbele schaduwen, of meer. Door de lampen, de overal aanwezige schrille lampen. De schaduwen weten niet welke kant ze uit moeten springen. Soms voel ik me een schaduw. Maar ik ben van vlees en bloed. Met een onsterfelijke ziel, wordt gezegd, al wil niet iedereen dat geloven. Er zijn er die beweren dat de ziel slechts een woord is omdat we er geen betere omschrijving voor hebben, en dat ze zelfs dan niet is wat het woord wil zeggen. Dat we stamelen. Naargelang de straat waar ik door loop, kan ik de schaduwen voorspellen. Omdat ik de lichten ken, elke lamp. Op een dag komt het me van pas. Dat zeg ik niet, dat denk ik. Soms is het goed dingen te denken die je niet hoeft te zeggen. Soms weet ik niet in welke taal ik moet denken. Het mooiste is toch dat mensen je begrijpen. Niet altijd gemakkelijk. Niet altijd.
Uiteindelijk heb ik geleerd te zeggen wat mensen willen horen. Onvoorstelbaar wat mensen allemaal willen horen. Doe normaal. De mensen weten niet hoe graag ik normaal wil zijn.

Als het echt hard regent, houdt karton het amper een kwartier uit. Tegen de gewone kou en het snerpen van de wind kan het helpen. Tegen de bittere kou is het niet opgewassen. En als de bittere kou in jezelf zit, heb je er al helemaal niets aan.
 — Ik was tien. Misschien elf. Misschien negen. Misschien twaalf. Mijn precieze geboortedatum heeft niemand me ooit verteld. Thuis hielden we geen register bij. Ik was zo oud als het uitkwam. Hij is groot genoeg om te helpen, zeiden ze. En dan moest ik helpen. Hij is oud genoeg voor de school, zeiden ze. En dan mocht ik naar school. Kun je lezen, vroegen ze. En dan las ik voor wat ik had leren lezen. Maar welke leeftijd ze me ook gaven, ik wilde spelen, plezier maken.
Soms ravotten we met twee of drie, soms met veel. We telden elkaar zelden. We zaten achter elkaar aan, wierpen met stenen, maakten samen een vlieger, trokken hem uiteen, staken hem opnieuw in elkaar, gooiden hem in de lucht, lieten hem liggen, bouwden een boot. We vochten met elkaar. We lieten elkaar struikelen. We lachten elkaar uit. We lachten om de meisjes, ze waren kippen. Ze kakelden. Ik was elf. Misschien tien. Misschien twaalf. Misschien negen. Ik wist niet waar ik moest beginnen met tellen. De school was al een half jaar gesloten. De maanden daarvoor was ze ook geregeld voor een of twee dagen dichtgegaan. De school werd gevaarlijk. Toen hoorde ik voor het eerst praten over vertrekken. In ernst. De stem van vader, de stem van moeder, die van mijn grote broer. Mijn oudste zus zweeg. Mijn kleine broer en twee kleine zussen sliepen. Nog dezelfde maand werd er opnieuw over gepraat. De bezwerende stem van vader, de zoekende stem van moeder, de afgemeten stem van mijn broer. Mijn oudste zus zweeg, maar haar zwijgen was hoorbaar zoals wind die er nog niet is en elk ogenblik kan opsteken.
— We hoorden het rommelen in de heuvels. Een feest, dachten mijn vrienden en ik. Of onweer.

Maar de volwassenen wisten beter. Eerst bleef het in de heuvels. Of eerder achter de heuvels, want de lucht was helblauw aan onze kant, met bolle witte wolken. Damp, waar geen regen in zit. We zagen alleen het stof opwaaien. En als je goed keek, kon je de vuurmonden zien, de vuurflitsen, en daarna hoorde je de knal die langs de helling rolde. Carnaval. Oudjaar. Die feesten kennen ze hier. Dat weet ik. Dat weet ik nu. Weten mijn handen wat ze deden? Kun je een ziel schenden die je niet bezit? Wij kenden andere feesten. De brug over het dal werd versierd met wimpels. Vanuit ons huis zagen we aan de overkant van het dal de lampionnetjes op het dorpsplein wiegen in de zoele wind die van de heuvels stroomde. Onder de brug lagen houten staketsels waar waaghalzen langs de hellingen naartoe kropen om er vuur te maken met gekleurde rook. Voor ons was er snoep en gebak en zelfgemaakte limonade. Er werd gedanst en gezongen, en gerookt en gekauwd. Er werd geblinddoekt naar een goudvis gegrepen in een grote kom water. En wij, kinderen, zaten achter elkaar aan, we verstopten ons, rolden door het stof.

We gooiden niet met stenen, want het was feest. Ik zat met een meisje achter een muurtje. Degene die zocht, hoorden we rondstruinen over het grind. We hielden onze adem in, het meisje kneep in mijn arm. We wilden ons niet als eersten laten snappen, we maakten ons zo klein mogelijk, ons hoofd en onze schouders tegen elkaar. Ze rook zoet, haar armen voelden knokig.
De jongen die zocht, verwijderde zich en we maakten ons los uit elkaar. Haar haren plakten aan mijn lippen. We keken omhoog, naar de zwaluwen die daar scheerden. Ik voelde haar knoken nog tegen mijn ribben. Ze moest plassen, van de spanning, maar we durfden niet bij het muurtje vandaan. Ze draaide zich met haar gezicht van me weg, schortte haar jurk op en trok haar onderbroek naar beneden. Ze plaste gehurkt in het zand. Het geurde warm en zout, zoals van koeien. Plots klonk de kreet van diegene die als eerste was gevonden. Opnieuw kropen we tegen elkaar aan, ik rook dat ze had geplast. Toen vonden ze ons. Dat moet het laatste feest zijn geweest. Daarna zakte het gedonder de heuvels af.’

BROOD

ZES KANJERS OM DE GEVOELSTEMPERATUUR TE LATEN KLIMMEN

Op het moment van schrijven wijst de thermometer buiten een paar graden onder nul aan. En de verwachtingen zijn dat het kwik de komende dagen nog meer zal zakken. Om de kilheid te verdrijven leg ik een zestal boeken voor u op de leestafel. Ik laat het noemen van titel, auteur, ondertitel of genre en uitgever volgen door het thema dat op de omslag verwoord is. Gaarne verneem ik van u in hoeverre de koude door het lezen van een boeiend boek verdreven is.

1) Zuurstofconfetti – Elma van Haren – Gedichten – De Harmonie
Eindelijk nieuwe poëzie van Elma van Haren! Haar laatstverschenen bundel was Flitsleemte, alweer jaren geleden, een bundel vol 'spontane, schotse en scheve gedachten vol zintuiglijke beleving en mentale gewaarwording die je zo een-twee-drie niet in de poëzie verwachtte' (Vrij Nederland). Poëzie dus, die je wél van Elma van Haren kan verwachten. Ook Zuurstofconfetti belooft weer een bundel te worden waar u watertandend naar uit kunt kijken. Bovendien wordt het een extra dikke bundel dit keer.

2) Lastige zaken – Trudeke Sillevis Smitt – Brukkeler & Bordelain  Advocaten – Van Gennep
Bij advocatenkantoor Brukkeler & Bordelain houden ze het hoofd nauwelijks meer boven water. Max Brukkeler denkt erover te stoppen, en Henriette Bordelain verslikt zich steeds vaker in een venijnige cocktail van stress en eenzaamheid. Hun hoop voor de toekomst is de jonge ambitieuze Thieu. Maar is Thieu wel wie zij denken dat hij is? Moet Max wel met pensioen? En wat komt de zus van Henriette doen? Als de lastigste cliënte van het kantoor een klacht indient, staat de deken op de stoep. Een tuchtzaak is onvermijdelijk...

3) De baanbreker – Henning Mankell – Roman – De Geus
De jonge Oskar Johansson heeft een gevaarlijke baan als springmeester: hij blaast rotsen op voor spoorwegtunnels. Nadat hij een zwaar ongeluk ternauwernood heeft overleefd, weet hij toch nog een hoge leeftijd te bereiken. Via Oskars levensverhaal neemt Henning Mankell de lezer mee door het Zweden van de vroege twintigste eeuw: de opkomst van de arbeidersbeweging, de crisisjaren, de Tweede Wereldoorlog en daarna de opbouw van de verzorgingsstaat. Een prachtig gecomponeerde, poëtische debuutroman, waarin Mankell zijn vermogen om de lezer het verhaal in te trekken en mensen van vlees en bloed neer te zetten al duidelijk etaleert.

4) Arc de Triomphe – Erich Maria Remarque – Roman - Cossee
Arc de Triomphe was Remarques tweede wereldsucces na Van het westelijk front geen nieuws. De roman behoort tot zijn drie grote, in ballingschap in de Verenigde Staten geschreven exile-novels (De nacht in LissabonArc de TriompheDe zwarte obelisk). Deze drie romans worden door velen als het hoogtepunt van Remarques oeuvre beschouwd. Arc de Triomphe vertelt het verhaal van de vrouwenarts Ravic die in 1941 uit de Gestapo-gevangenis is ontsnapt en in Parijs in dubieuze hotels en nachtclubs is ondergedoken. Een gewetenloze Franse arts laat de moeilijkere operaties van rijke vrouwen en arme hoeren graag aan Ravic over. Op een dag ontmoet Ravic een Italiaanse zangeres die net Mussolini's Italië is ontvlucht. Hij dacht dat hij na de dood van zijn vrouw nooit meer echte gevoelens kon opbrengen voor een ander, maar zoekt (tot zijn eigen verbazing) meer en meer het gezelschap van de zangeres. Maar deze relatie wordt bruut verstoord als Ravic zijn Gestapo-verhoorder ontmoet, diegene die bovendien verantwoordelijk is voor de dood van Ravic' vrouw. Hij twijfelt: wraak nemen of wederom proberen te vluchten? Welke toekomst ligt er voor hem in het verschiet? Is er überhaupt een toekomst? Niemand heeft de emoties en de gevolgen van een ballingschap zonder uitweg of toekomstperspectief zo indrukwekkend beschreven als Remarque; en er zijn weinigen die dat zo concreet, meeslepend en empathisch hebben gedaan als hij.

5) De deugden van een wetenschapper – Herman Paul – Karakter en toewijding in de geesteswetenschappen 1850 – 1940 – AUP
Waarom spraken negentiende-eeuwse wetenschappers zo graag over toewijding, vlijt en ijver? Waarom wijdde Robert Fruin zijn oratie aan onpartijdigheid en riep Abraham Kuenen zijn studenten op tot waarheidsliefde? Vaak zijn deze deugden weggezet als naïeve idealen, die kentheoretisch allang achterhaald zijn. Daar tegenover stelt dit boek dat negentiende-eeuwse wetenschappers over deugden spraken omdat zij waarde hechtten aan een wetenschappelijke attitude. Het ging hen niet om kentheorie, maar om wetenschapsethiek ‘avant la lettre’. Herman Paul betoogt dat het cultiveren van zo’n wetenschappelijke attitude in allerlei vakgebieden, binnen en buiten de geesteswetenschappen, van belang werd geacht. Daarom is het thema van wetenschappelijke deugden en ondeugden bij uitstek geschikt voor een discipline-overstijgende geschiedenis van de (geestes)wetenschappen. De deugden van een wetenschapper zet een originele onderzoekslijn uit, geïllustreerd met voorbeelden uit Nederland, België en Duitsland. Ook houdt het boek een interessante, negentiende-eeuwse spiegel voor aan hedendaagse wetenschappers. Valt er van Fruin en Kuenen iets te leren, bijvoorbeeld met het oog op wetenschappelijke integriteit?

6) De ruimtemakers – Tim Verlaan – Projectontwikkelaars en de Nederlandse binnenstad 1950 – 1980 – Vantilt
Nederlandse binnensteden stonden in de jaren vijftig en zestig voor een enorme opgave. De naoorlogse welvaartsgroei leidde tot een explosieve toename van het aantal auto's en een snelgroeiende vraag naar moderne kantoor- en winkelruimte. Wilden lokale bestuurders hun binnensteden klaarstomen voor het magische jaar 2000, dan moesten zij met spoed ruimte gaan maken. Projectontwikkelaars gaven met plannen als het Utrechtse Hoog Catharijne een daadkrachtig antwoord op de vraag hoe de binnenstad van de toekomst vorm en inhoud moest krijgen. Het zou echter niet lang duren voordat burgers in verzet kwamen tegen hun visioenen, waardoor in de jaren zeventig een onstuimige discussie op gang kwam. In De ruimtemakers onderzoekt Tim Verlaan de geschiedenis van dit conflict. Voor het eerst staan hierbij de visies van flamboyante projectontwikkelaars en machtige bouwondernemingen centraal. Hoe en waarom wilden bestuurders met hen samenwerken, en waarom botsten zij uiteindelijk met burgers? Het gebruik van nieuw bronnenmateriaal leidt tot verrassende inzichten. Zo was Hoog Catharijne niet altijd de lelijkste plek van Nederland, zijn vastgoedschandalen van alle tijden, en kunnen we de toenemende druk op de stedelijke woningmarkt verklaren uit het succes van radicale actiegroepen.