De komende weken wil ik hier ter plekke een verkennende tocht maken door twee boeken die qua genre haaks op elkaar staan maar die qua inhoud goed met elkaar sporen. Allereerst is daar het 382 bladzijden tellende, rijk geïllustreerde non-fictieve De rechter die geen ontzag had van Hugo Röling en van uitgeverij Wereldbibliotheek met de ondertitel ‘Bert Röling en het Tokiotribunaal’. Het tweede werk is de roman De offers van Kees van Beijnum en komt in het volgende item aan de orde. Al jaar en dag kom ik tegenover u voor mijn liefde uit die ik koester voor in literatuur vervatte non-fictie. Ik hecht dus aan goed geschreven boeken die het historische verleden weten te vangen. Natuurlijk kan er wel eens frictie ontstaan tussen een verslag dat zo dicht mogelijk schuurt langs de in proza achterhaalde realiteit en een verzonnen verhaal dat uitdrukkelijk gedrenkt is in een aan den lijve ondervonden gebeuren. Enerzijds de documentaire De rechter die geen ontzag had en anderzijds De offers. Om elkaar te prepareren op onze gezamenlijke excursie door deze twee recent verschenen boeken geef ik de tekst van de omslag en een fragment van het boek dat zoon Hugo over vader Bert schreef. Naar mijn idee is deze bagage ruim voldoende voor een horizonverleggende tocht. Dat het overigens niet om een hagiografie gaat illustreert meteen de eerste zin van de uitgever, want: ‘Het waargebeurde verhaal van een rechter die koos voor zijn geweten, maar aan andere verleidingen geen weerstand kon bieden.’ De uitgever:
‘In 1946 willen elf landen die in de Tweede Wereldoorlog hebben gevochten tegen Japan, het land en zijn leiders tijdens een tribunaal berechten. De jonge jurist Bert Röling wordt door de regering naar Tokio gestuurd om de Nederlandse stem te laten horen. Tijdens dit tribunaal, dat twee jaar duurt, komt hij echter tot inzichten die radicaal verschillen van die van zijn tien mederechters, en die de Nederlandse regering in een lastig parket brengen. Er wordt grote druk op hem uitgeoefend om zijn standpunt te herzien, maar hij wijkt niet. Terwijl Bert Röling tussen de zittingen door een leven vol glamour leidt in Tokio, heeft zijn vrouw Lies de grootste moeite om in het naoorlogse Nederland de touwtjes aan elkaar te knopen. Er is gebrek aan alles en het geld dat haar echtgenoot naar huis stuurt, is nauwelijks voldoende om haar en hun vijf kinderen in leven te houden. Bovendien is het onderhouden van een huwelijk via brieven en met een enkel bezoek niet makkelijk. Temeer daar Bert Röling verleidingen opzoekt waartegen hij geen weerstand heeft. Hugo Röling, hun jongste zoon, geeft in dit boek een rijk gedocumenteerd beeld van binnenuit van een belangrijke periode direct na de Tweede Wereldoorlog en van de familiegeschiedenis rond zijn vader een rechter die geen ontzag had voor de gevestigde orde.’ De Inleiding van Hugo Röling start met een exposé over dat andere tribunaal dat er na de afloop van de Tweede Wereldoorlog moest komen, dat in Neurenberg waar de nazi’s berecht werden vanwege hun agressieve oorlog en genocide. Ik citeer;
‘Toen de geallieerden het eens geworden waren over Neurenberg, kon het proces over de oorlog in Azië niet uitblijven. In Tokio gingen ze het nog eens op zelfs grotere schaal overdoen: het tribunaal moest het Japanse volk opvoeden tot besef van de misdadigheid van het militarisme dat Japan in de oorlog had gestort. Wat had het keizerrijk niet al misdreven? Japanse oorlogsmisdaden in China in de jaren dertig waren niet vergeten. Met de overval zonder oorlogsverklaring op Pearl Harbor in december 1941 breidde Japan de wereldoorlog in het oosten uit. Al tijdens de oorlog kwamen er verontrustende berichten door over onmenselijke behandeling van krijgsgevangenen en burger-geïnterneerden. Na de bezetting van Japan door de Amerikanen begonnen vanaf september 1945 de voorbereidingen. In Neurenberg waren alleen de grote landen die Duitsland verslagen hadden in het tribunaal vertegenwoordigd: Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Ook Frankrijk mocht aanschuiven.
In Japan, waar alleen Amerikaanse troepen aanwezig waren en waar Douglas MacArthur als Supreme Commander of the Allied Powers de alleenheerschappij uitoefende, was het Amerikaanse overwicht ook zichtbaar in het International Military Tribunal for the Far East (imtfe). Het werd groot opgezet. Hier zouden alle landen die met Japan in oorlog waren geweest en de capitulatie van Japan hadden ondertekend, een rechter sturen. Aan deze negen landen werden later nog rechters uit twee landen die tijdens het proces onafhankelijk werden toegevoegd (India en de Filipijnen). Voorzitter werd de door MacArthur uitgekozen Australiër sir William Webb. Als grondslag voor het tribunaal werd praktisch onveranderd het Handvest van Neurenberg overgenomen. Het openbaar ministerie kwam onder Amerikaanse leiding met één hoofdaanklager en assistenten uit de in het tribunaal vertegenwoordigde landen. Nederland, dat in zijn kolonie Nederlandsch-Indië met Japan in oorlog was geraakt, mocht ook een rechter sturen en zou in de aanklacht bijdragen. Hier deed zich een probleem voor in Den Haag: enkele ervaren oudere rechters bedankten voor de eer. Er moest echt snel iemand naar Tokio gestuurd worden, als Nederland zijn recht niet wilde verbeuren in het tribunaal mee te doen. Rondbellend langs rechtbanken en universiteiten viel de naam van een jonge rechter in Utrecht, die ook nog een leeropdracht Indisch recht had. In januari 1946 werd Bert Röling gevraagd en binnen een maand zat hij in het vliegtuig naar Japan.
Bert Röling (1906-1985) heette officieel Bernard Victor Aloysius, maar hij had het land aan die katholieke namen en noemde zich Bert. Zijn vrouw Louise Henriette (Lies, Liesje of Lieske) Sloth Blaauboer (1911-1989) noemde hem Berry, wat gespeld Berrie ook zijn naam in zijn ouderlijk huis was geweest. Vrienden noemden hem Bert. Zijn kinderen noemden hun ouders vader of parre en moeder of marre. Ik zal al die namen door elkaar gebruiken in dit boek: Röling in de weergave van zijn juridische werk, Bert of Berry en Lies in de observaties over hun persoon en vader en moeder in mijn herinneringen aan hun verhalen over Tokio. Zijn verblijf in Tokio als rechter in het grote proces tegen Japanse leiders in de Pacific War werd een keerpunt in hun leven. Op 11 februari 1946 vertrok hij naar Tokio. Thuis bleven achter Lies en hun vijf kinderen Ineke, Wiek, Jet, Matthijs en Hugo. De verwachting was dat het proces een half jaar zou duren, maar het werden er bijna drie. In 1947 verbleef ook Lies ruim een half jaar in Japan. Na hun idyllische hereniging volgde nog een jaar scheiding: de einduitspraak van het tribunaal vond uiteindelijk op 12 november 1948 plaats. Op 18 december 1948 was Bert weer thuis. Gedurende deze periode was het contact tussen de familieleden beperkt tot brieven. Enkele malen was een kort telefoongesprek mogelijk, maar door oplopende zenuwen waren dat onbevredigende aangelegenheden. Al voor zijn vertrek is Bert enthousiast een dagboek begonnen waarin hij nog schreef over zijn bezoek aan het proces in Neurenberg en over de voorbereidingen van zijn reis, maar al in augustus 1946 begon de regelmaat sterk terug te lopen en in september 1946 stopte hij ermee: hij bracht het niet meer op zijn verhalen in brieven naar huis te schrijven en in zijn dagboek te herhalen. ‘Bewaar je mijn brieven? Het zou wel prettig zijn, want van mijn dagboek komt de laatste maanden niets meer en ik zou het toch wel genoeglijk vinden om later deze tijd nog eens voor de geest te kunnen halen.’ Hij wilde die ook als houvast hebben voor het boek over het proces dat hij van plan was te schrijven. Het is er nooit van gekomen.
Hoeveel brieven zijn er gewisseld? Brieven deden er anderhalf à twee weken over, maar soms waren de verbindingen ongeregeld en moest er een maand op de volgende brief gewacht worden. Zo schrijft Bert op 11 augustus 1946: ‘Je laatste brief was van 15 Juli. Je brieven over Engeland doen er ± 5 weken over, je brieven met 7½ of 12½ cts port ± 4 weken, air mail brieven met een klein kapitaal aan postzegels ± 2 weken.’ Zestig cent moest er op een luchtpostbrief, dat komt nu toch neer op ruim 6 euro. Een brief die in een week overkwam, was een met verbazing opgemerkte uitzondering. Het lijkt erop dat Berry en Lies elkaar minstens één maal per week geschreven hebben, soms vaker, maar naarmate het langer duurde nam de regelmaat van de correspondentie iets af. Niet alle brieven kwamen ook werkelijk aan. Nu ik probeer het verhaal van Bert en Lies alsnog in kaart te brengen, moet ik hier al even kwijt dat het met het bewaren van de brieven niet helemaal goed is afgelopen. Dat het onder ogen zien van het verleden pijnlijk kan zijn, is een oud cliché. Of het nu je eigen geschiedenis of het wereldgebeuren betreft. Dit verhaal zal daar vele voorbeelden van opleveren.
Mijn bedoeling met dit boek is op grond van deze persoonlijke documenten een beeld te geven van hun leven tussen 1946 en 1948. De samenhang van huwelijk, gezin, leven en werk was verstoord. Het moest langs elkaar heen beleefd worden, gescheiden door twee oceanen, zoals ze vaak schreven. Waar Bert de grote lijnen van de oorlogsgeschiedenis in kaart probeerde te brengen terwijl hij meegezogen werd in een voor hem onbekend societyleven, werd Lies geheel in beslag genomen door het huishouden met vijf kinderen in het moeizaam op gang komende Nederland. Het was verwarrend en overweldigend.’
De vorige keer kondigde ik het u al aan: nu ruim baan voor de zeg maar tegenpool en toch evenknie van De rechter die geen ontzag had van Hugo Röling. Het gaat om de 512 bladzijden tellende roman De offers van Kees van Beijnum en van uitgeverij De Bezige Bij die sinds de maand van eerste publicatie, september, met veel loftuitingen in den lande onthaald werd. Om maar meteen in de door ons reeds gesignaleerde vermeende frictie te stappen, geef ik de zinsnede op de titelpagina: ‘Deze roman heeft een historisch feit als uitgangspunt maar is fictie en staat los van de werkelijkheid. Voor zover verhaallijnen raakvlakken hebben met gebeurtenissen uit het verleden, geldt dat de auteur deze geheel naar zijn hand heeft gezet en tot fictie heeft gemaakt. Datzelfde geldt voor in het boek voorkomende personen en plekken.’ Met mijn eigen woorden: Van Beijnum creëerde als hoofdpersonage de jurist Rem Brink, die echter als twee druppels water lijkt op alter ego Bert Röling. Uiteraard kunnen wij op een later tijdstip niet heen om de controverse tussen Röling en Van Beijnum van wie ik eerder in deze Cultuurmix melding maakte van werken als Over het IJ, Dichter op de Zeedijk. De oesters van Nam Kee en Paradiso. Wij zeiden bij die gelegenheden dat in het oeuvre van Kees van Beijnum duidelijk sporen van een beleefd ervaren verleden te traceren waren. Röling verwijt nu Van Beijnum dat hij ongevraagd misbruik heeft gemaakt van dagboekfragmenten en briefwisselingen van vader. Het toeval (?) wil dat Rölings ‘De rechter die geen ontzag had’ en Van Beijnums De offers bijna gelijktijdig het licht zagen. Vandaar dat de Volkskrant o.a. kopte met werd ‘dé literaire rel van 2014’ en Trouw met ‘Japanse agressie en geheime liefdes: een roman en een non-fictieboek over Bert Röling’. Hoe het in deze ook zij, wel wil ik nu al kwijt dat Van Beijnum wederom een macht en een pracht van een literair werk op zijn naam heeft staan. Om dat te illustreren geef ik de entree weer. Maar eerst de tekst van de uitgever op de site:
‘Tokio, 1946. Een jaar na de capitulatie van Japan is het Tokio Tribunaal in volle gang. De Nederlander Rem Brink is een van de rechters die een vonnis moeten vellen over de belangrijkste Japanse oorlogsmisdadigers. Ter afleiding van de machtsspelletjes en voortdurend wisselende allianties van zijn collega's probeert Brink het hem volstrekt vreemde en totaal verwoeste land te verkennen. Als Brink de Japanse sopraan Itchiko leert kennen, die tijdens de bombardementen op Japan haar ouders heeft verloren ontluikt er een tedere, geheime liefde die niet zonder gevaar is. Wanneer deze relatie is uitgekomen verliest Itchiko het protectoraat van haar westerse weldoenster. Haar beloftevolle toekomst ligt aan duigen en ze vertrekt zwanger naar haar geboortedorp in de bergen. Het is juist dat dorp waar vlak daarvoor in stilte gruwelijke oorlogsmisdaden hebben plaatsgevonden. Kees van Beijnum sleept de lezer mee in de grote morele worstelingen van zijn personages. Hij stelt onnadrukkelijk maar stellig de vraag naar goed en kwaad, en naar de morele verantwoordelijkheid van het individu.
De entree: ‘Het is donderdag, vanavond zal hij haar ontmoeten. Een uur per week een zachtaardige onderbreking van de rechtbankzittingen en de dossiers. Meer verwacht hij niet. Meer wenst hij niet. Brink sluit zijn ogen. In gedachten ziet hij de schaduw van haar schouders, de kleine borsten, die, naar hij heeft begrepen, tot het traditioneel Japans ideaal van vrouwelijke schoonheid behoren. Het kost hem moeite om zijn aandacht bij Keenan, de Amerikaanse hoofdaanklager, te houden. Uit de gewelddadige voorstellingen die de woorden van de hoofdaanklager oproepen, de rokende puinhopen van Nanking, stijgt zij op als een lichtgevende lelie. In de getuigenbank neemt een inwoner van Nanking plaats. De stem van de Chinese jongeman klinkt zo zacht en fragiel dat Keenan hem tot tweemaal toe moet verzoeken luider te spreken, omdat de tolk hem niet kan verstaan. Met zijn blik omlaag gericht vertelt de getuige hoe hij zich urenlang in een heuvel van lichamen schuil had weten te houden. Brink maakt aantekeningen en observeert de verdachten, achtentwintig in totaal. In rijen achter elkaar, als toeschouwers in een klein theater, zitten ze tegenover hem. Hun gladde gezichten, bleek door maanden van opsluiting in de Sugamo-gevangenis, bijten spookachtig wit uit in het felle licht van de lampen aan het plafond. Ondoorgrondelijkheid als eerste en laatste verdedigingslinie tegen de rechters, griffiers, aanklagers, advocaten en journalisten, fotografen en cameramannen.
Op de tribune zijn de Japanse toehoorders van de westerse gescheiden. De Chinees vertelt dat een Japanse officier zijn leren laarzen inwisselde voor rubberen en over de berg lichamen liep. De overlevenden schoot hij met een pistool door het hoofd. Door hun koptelefoons luisteren de verdachten naar de vertaling van zijn woorden. Of ze doen alsof. Tot het moment van de uitspraak is hun wereld behalve onzeker en bedreigend, vooral eentonig en beperkt. In de gevangenis worden ze in leven gehouden om hier dagelijks te verschijnen. De tijd van generaalsuniformen en ministersposten, van mythes en doctrines, is voorbij. Zij bestaan nog slechts als oorlogsmisdadigers ‘categorie a’, verantwoordelijk gehouden voor twaalf miljoen slachtoffers – het kan een miljoen meer of minder zijn. Voor de duur van het tribunaal zijn hun levens verbonden met dat van hem, Brink, de jongste van de elf rechters.
Na de zitting vertrekt hij niet meteen naar Ginza, waar hij haar zal ontmoeten. Hij hecht eraan de dingen volgens een vaste volgorde te doen en leeft naar een dagindeling die hij in het halfjaar dat hij hier nu verblijft heeft gevormd. Meer uit routine dan uit noodzaak. Omdat het donderdag is, drinkt hij eerst aan de bar van het Imperial Hotel een whisky met ijs, één glas, niet meer. Tijd, de hoeveelheid die je is toebedeeld en wat je daarin tot stand kunt brengen, is de basis van alle plannen, groot en klein. Twee weken geleden is een nieuw element aan zijn agenda van regelmaat en discipline toegevoegd. Het was de dag waarop zijn zelfopgelegde periode van onthouding verliep. Precies een halfjaar was hij in Tokio. Hij stond zichzelf een meisje toe. Naast hem neemt zijn collega Higgins plaats, een man met een kaarsrechte rug en een smal, schrander gezicht. Higgins vist zijn sigarettenkoker uit de binnenzak van zijn colbert en steekt een Lucky Strike op. ‘Volgende week ga ik terug naar Boston.’ Higgins blaast de rook langs zijn vooruitgestoken onderlip omhoog. ‘Terug?’ reageert hij verbaasd. ‘Ik heb een rekensomgemaakt,’ zegt de Amerikaan. ‘Gelet op het tempo van de aanklagers gaat het minstens nog een halfjaar duren voor de verdediging aan zet is…Achtentwintig advocaten die iedere letter van de bewijslast zullen proberen te ontkrachten…Tel daarbij op het reces, de kruisverhoren, het requisitoir en de pleidooien, dan ben je algauw een jaar onderweg. En dan heb ik nog niet eens het vonnis meegerekend. Het klinkt misschien niet erg loyaal,maar het niveau van sommige collega’s, en de ego’s van andere, doen het ergste over de samenwerking vrezen.’ ‘Je kunt het nu toch niet meer in de steek laten?’ houdt hij Higgins voor. ‘Mij was verteld dat het een halfjaar ging duren,’ zegt de Amerikaan. Ook Brink was door Buitenlandse Zaken voorgehouden dat hij een halfjaar van zijn vrouw en kinderen weg zou zijn. ‘Weet je, Brink, het heeft me vijftien jaar gekost om een van de best lopende advocatenpraktijken in Boston op te bouwen. Ik weiger mezelf te ruïneren. En als ik jou was, zou ik mijn voorbeeld volgen. Nu het nog kan.’ ‘We hebben deze opdracht toch aanvaard,’ werpt Brink tegen, ‘juist omdat we niet alleen maar verantwoordelijk willen zijn voor onszelf, voor ons kantoor of voor ons land.’ Higgins knikt langzaam en grijnst. ‘Het enige wat erger is dan omgaan met naïevelingen, is er zelf een zijn.’ Dat haat en bewondert hij in de Amerikanen, hun gevatheid, hun gebrek aan schuchterheid. ‘Dit is ons werk,’ zegt hij. ‘Wat,’ vraagt Higgins luchtig, ‘je carrière naar de filistijnen helpen?’ ‘Nee, de jappen die miljoenen onschuldige mensen de dood in hebben gejaagd berechten. Hoop brengen waar wanhoop heerst, rechtspreken waar onrecht regeert?’ De nauwelijks verholen spotlach van Higgins doet zijn woorden nog hoogdravender lijken dan hij ze zelf al vindt klinken. Maar, zedenprediker of niet, hij meent ze wel. Een voorwaarde voor beschaving is dat de schuldigen zich moeten verantwoorden. ‘Je hebt mij niet horen zeggen dat ik tegen dit tribunaal ben.’
Higgins’ ogen dwalen lui door de ruimte die langzaam volloopt op dit borreluur. Soms lijkt het of de bar en de lobby van het Imperial Hotel het eigenlijke middelpunt van het tribunaal zijn. Elke dag opnieuw worden hier zittingen besproken, verdachten gewogen, voorschotten op het vonnis genomen door rechters, aanklagers, deskundigen en Amerikaanse stafleden van General Head Quarters, GHQ. ‘Ik pik zaterdag nog wel de excursie naar de bergen mee, die wil ik niet missen,’ zegt Higgins. ‘Hebben jullie in Holland watervallen?’ Brink schudt het hoofd. ‘Nee? Let op mijn woorden: je zult het geweldig vinden.
Een meer dan een vuistdik boek heb ik op mijn schrijftafel liggen waarin ik sinds een paar dagen niet uitgelezen en niet uitgekeken raak. En dat genot zal naar mijn idee mij nog lang beschoren zijn. Het gaat om het 1004 (!) bladzijden tellende, doorlopend geïllustreerde Kinderprenten, Volksprenten, Centsprenten, Schoolprenten van Nico Boerma, Aernout Borms, Alfons Thijs, Jo Thijssen en van uitgeverij Vantilt met de ondertitel ‘Populaire grafiek in de Nederlanden 1650 -1950’. Onze oudste kleindochter Sarah van achttien lentes studeert het vak Illustratie aan de Kunstacademie AKV St. J oost in Breda. De keren dat wij als grootouders haar in thuishaven Sliedrecht of in onze eigen stek ontmoeten, vertelt zij immer vol geestdrift over de vorderingen aan de Academie voor Kunst en Vormgeving, gehuisvest in een voormalig seminarie aan de rand van de stad. Aan Sarah als kenner legde ik eerder De verbeelders van Saskia de Bodt en zij was enthousiast over opzet en uitvoering van dit memorabele werk over ‘Nederlandse boekillustratie in de twintigste eeuw’. Het spreekt voor zich dat ik het kloeke Kinderprenten, Volksprenten, Centsprenten, Schoolprenten aan Sarah ter beoordeling ga voorleggen en derhalve is het voor ons wachten op haar bericht. Om haar oordeel te kwalificeren geef ik u de inhoud van haar studie aan St. Joost.
‘Als illustrator vertel je verhalen in beelden. Je wilt communiceren met een publiek. Om met een gerichte boodschap het publiek te informeren, vermaken, verleiden of om kritisch de wereld te becommentariëren. In opdracht of als auteur van een eigen project. Als illustrator heb je naast een algemene brede ontwikkeling vooral een bijna dichterlijk gevoel voor taal en beeld. je ziet de nuances van een verhaal en kan deze op waarde schatten en verbeelden. Je zet op een geheel eigen wijze ideeën en concepten, vormgeving, techniek en stijlmiddelen in bij het maken van beelden en producties. En benadert een opdracht op een unieke manier. Door dat eigen handschrift, een sterke visie, verbeeldingskracht en de manier waarop je werkt, val je als illustrator op binnen de beroepspraktijk en haal je daarmee opdrachten binnen. Het medialandschap waarin een illustrator opereert, is de afgelopen jaren ingrijpend veranderd door de komst van digitale media. Het is breder, complexer en meer divers geworden. Traditioneel is illustratie verbonden aan drukwerk; kranten, tijdschriften, kinder- en educatieve boeken of verpakkingen. Daar zijn diverse digitale media bijgekomen, zoals internet, mobiele platforms, online sociale netwerken, (animatie)films, games, digitale boeken en andere toepassingen.
De technologische ontwikkelingen beïnvloeden de manier waarop je iets kunt vertellen met beeld. Als illustrator moet je dus kennis hebben van de werking van de nieuwe media. Ook het type opdrachten verandert in hoog tempo. Illustratoren, animatoren en andere disciplines werken steeds vaker intensief samen. Om jou als student zo goed mogelijk voor te bereiden op je toekomstige beroepspraktijk, zul je vanuit je studie Illustratie intensief gaan samenwerken met studenten Animatie. Het gaat om: 1. Verhalen vertellen in tekst en beeld met een duidelijke communicatieve werking en op een authentieke manier 2. Een eigen handschrift ontwikkelen waarmee je werk herkenbaar is en unieke verbeeldingskracht heeft 3. Kennis hebben en mogelijkheden kennen van digitale technieken en platforms 4. Professionele tekenvaardigheden ontwikkelen die breed inzetbaar zijn, zoals tekenen naar de waarneming, visualisatie, verhalend beeld 5. Breed inzetbare ontwerphouding- en ontwerpmethodiek ontwikkelen.’
Ik stel u voor als leidraad voor een tocht door dit Vantilt-album de vijf doelstellingen van de AKV Illustratie te hanteren. Om u wegwijs te maken zijn hier de titels van de zes delen: ‘De prent als populaire grafiek’, ‘Drukkers en uitgevers’, ‘Thema’s en beelden’, ‘Platenatlas’, ‘Bijlagen (lijsten)’ Ook reik ik u de tekst van de omslag van het gebonden kunstwerk dat een loflied zingt op ons verleden toen het kijken een lust voor het oog en een streling van het gemoed was. Ter lering en vermaak! Op de hardcover: ‘Eeuwenlang waren kinder- en volksprenten met voorstellingen van Luilekkerland, Tijl Uilenspiegel, abc's en Sint-Nicolaas niet weg te denken uit de Nederlandse samenleving. Kinderen kregen de prenten als beloning voor goede schoolprestaties. Voor volwassenen waren er katholieke heiligenprenten, levenstrappen en allerlei spotprenten. De prenten werden met simpele middelen gedrukt en eventueel handmatig ingekleurd. Ze waren goedkoop en meestal geen lang leven beschoren. Daardoor zijn ze nu zeer zeldzaam. Aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw werden ze geleidelijk verdrongen door prentenboeken en strips. Kinderprenten, volksprenten, centsprenten, schoolprenten is een groots opgezet en omvangrijk naslagwerk waarin alle aspecten van deze prenten aan bod komen: van uitgevers en drukkers, productietechnieken en prijzen tot thematiek, censuur, verspreiding en gebruik. Vorstenportretten, de verkeerde wereld, volksfeesten, kermis en vermaak: het is maar een kleine greep uit de onderwerpen die aan bod komen. In het boek zijn bijna 500, dikwijls niet eerder vertoonde afbeeldingen van prenten opgenomen. Dit uitputtende overzichts- en naslagwerk is een must have voor elke boeken- en prentenliefhebber. Door de opzet, vormgeving en talloze illustraties vormt het een ideale kennismaking met een bijzonder hoofdstuk uit de Nederlandse volkscultuur.’
In mijn euforie over Kinderprenten, Volksprenten, Centsprenten, Schoolprenten sta ik niet in mijn uppie. Zo nam ik tot mij de recensie ‘Twee schitterende kijkboeken tonen de ontwikkeling van de Nederlandse illustratie’ van Paul van der Steen in dagblad Trouw van 15 november en ‘Van vrome vrouwen die de roede verdienden’ van Atte Jongstra in NRC Handelsblad van 19 december. Ik geef die van Atte Jongstra onverkort aan u door, die van Paul van der Steen houdt u nog tegoed.
Jongstra: ‘Volks- en kinderprenten - In een briljante studie zijn alle volks- en kinderprenten uit de Nederlandse geschiedenis gerangschikt. Het boek geeft een zeldzaam heldere indruk van drie eeuwen grafische industrie met al zijn (on)deugden. De overheersende beeldcultuur van de nieuwe media en de zorg daarover in schriftculturele hoek doen soms vergeten dat in vorige eeuwen ook een bijzonder levendige, populaire beeldcultuur bestond. Al vanaf 1650 werd het volk op een ruime manier bediend in haar behoefte aan plaatjes. Gek genoeg heeft het lang geduurd voor er een boekwerk verscheen waarin die vloed aan houtsneden en steendrukken wordt beschreven. Dat is er nu. Nico Boerma, Aernout Borms, Alfons Thijs en Jo Thijssen publiceerden een turf van 1001 pagina’s die zo ongeveer alles over dit rijke onderwerp biedt: Kinderprenten, volksprenten, centsprenten, schoolprenten. Populaire grafiek in de Nederlanden 1650-1950. Het gaat hier om op de voorzijde van één vel papier afgedrukte houtsneden, en later via steendruk vermenigvuldigde voorstellingen. Goedkoop verspreid: vandaar ‘centsprent’, al kostten ze vaak minder. Simpele plaatjes, niet zelden buiten de lijntjes ingekleurd, bedoeld ter lering of vermaak en vaak beide. Hergebruik van beeldmateriaal hoefde niet op uitgeversscrupules te stuiten. Bij voorbeeld de ‘heldendaad’ van kannoneerbootje-kapitein Jan ‘dan liever de lucht in’ van Speijk (1831) werd door een vrijmoedige uitgever opgeluisterd met beelden van het exploderen in 1619 van schipper Bontekoe’s Oost-Indiëvaarder – boem is boem, nietwaar?
Minutieus - De vier auteurs van dit uitputtend overzichts- en naslagwerk omtrent populaire grafiek hebben met bijna negentiende-eeuwse grondigheid en allure álle drukkers/uitgevers van populaire prenten beschreven. Van Mindermann, Muys, Brepols, Hand, Kannewet, Kanjewiele en Noman en Noman & Zoon tot Hollingerius Pijpers, Bontamps, Hurez, een opsomming van 220 pagina’s. Dor? Niets is minder waar. We krijgen een zeldzaam heldere indruk van drie eeuwen grafische branche, met inbegrip van uitgeverij, boek- en kantoorboekhandel. De naslagwerkers onder ons worden daarbij op hun wenken bediend in de bijlagen (270 klein gedrukte bladzijden), waarin niet alleen álle bekende kinder- en volksprenten per drukker/uitgever zijn gerangschikt, maar ook op thema, zodat te zien is hoe populair een bepaald (al dan niet actueel) onderwerp was. Los van de vele verspreide zwartwit-illustraties zijn dan ook nog eens 130 pagina’s ingeruimd voor kleurenweergave van een aantal typerende topstukken uit dit prentkunstgenre. Bijbelcentsprenten met een enkele voorstelling of een reeks daarvan, levenstrappen, vorstenkoppen, historieprenten, vrijer of vrijster aan de fruitboom (‘wie plukt wie?’), beelden uit Luilekkerland, ‘bedorven huishoudens’, snakenprenten. Fascinerend ook zijn de humoristische en satirische neuzenprenten. Het blijkt dat er heuse ‘neuzengildes’ hebben bestaan, feestverenigingen waarvan het lid met grootste gok de meeste contributie moest afdragen. Er is al een Duitse neuzenprent uit 1534, ‘Der Nasentanz zu Hümpelsbrunn’ – huppelboeren en een huppelboerin, allen met een forse snufferd rond een paal waaraan een neusfoedraal, een broek en een krans. Nederlandse neuzenprenten zijn er uit de achttiende eeuw, zoals ‘Het neuzengeslacht’ van drukker Noman te Utrecht.
Verlostang - Merkwaardigerwijs ontbreekt in de beschouwing van de heren samenstellers het fallisch aspect van het menselijk reukorgaan, terwijl dat in de neuzenprenten vast een (hoofd-)rol zal hebben gespeeld. Ik noem maar de roman van achttiende-eeuwer Laurence Sterne, waarin de jonge hoofdpersoon Tristram Shandy zijn ingedrukte neus dankt aan de verlostang van de vroedmeester, maar later zijn voortplantingsorgaantje door een vallend schuifraam aan de vensterbank verliest.Op een zeldzame achttiende ‘snakenprent’ vinden we een zekere broeder Cornelis. Deze wordt in dit boek vakkundig teruggebracht tot de zestiende-eeuwse minderbroeder Cornelis Adriaensen te Brugge, een goeroe-achtige prediker die ter stede een klooster vol vrome vrouwen bestuurde, die hij ambtshalve soms met de roede op het blote lijf moest tuchtigen. Dat mag men snaaks noemen. Een heerlijk ouderwets standaardwerk, dit boek van Boerma, Borms, Thijs en Thijssen. Het is een wonder dat het op papier is verschenen, in onze tijd van moderne media.’
Ik onderschrijf de laatste zin van Jongstra van ganser harte, En derhalve, dit luisterrijke werk is een plaatje dat wij sowieso niet ongezien mogen laten!
Een zogenoemd bladerboek heb ik dit keer voor u, waarin er voor het oog en voor het gemoed veel te genieten is. Het gaat om het 92 bladzijden tellende, twaalf illustraties van gezaagd multiplex bevattende Brein & Zijn van Marije van Beilen, Hans Broekhuis, Reinier van den Berg en van uitgeverij Philip Elchers uit Groningen. Om het maar meteen te zeggen, het dozijn afbeeldingen brengen het eerste deel van de titel in beeld. Het tweede component wordt verwoord in poëzie en proza. Een vijftal jaren geleden introduceerde ik bij het spraakmakende en opzienbarende Wij zijn ons brein van de nerobioloog Dick Swaab. Daarvoor legde ik in deze Cultuurmix publicaties aan u voor van de psycholoog Piet Vroon. Ik mocht toen tot mijn vreugde constateren dat deze hersenbrekende werken door u met instemming begroet werden. Dat sterkt mij als ik integraal de tekst van de hardcover van Brein & Zijn aan u doorgeef en die van het Voorwoord. Ik citeer:
De uitgever: ‘Geloof ik in God omdat mijn hersenen extra actief zijn, of zijn ze extra actief wanneer God bij mij is? Vind ik mijn vrouw minder sexy doordat mijn hersenen gewend zijn aan porno, of ging ik porno kijken omdat ik mijn vrouw minder sexy vond? Begrijp ik niet waarom de tijd niet stopt, of gaat de tijd slechts zo snel als mijn brein het voelen kan? Toen Dick Swaab zijn Wij zijn ons brein schreef, deed dit boek aardig wat stof opwaaien. De neurowetenschappen zijn hip en komen vaak terug in de media. Ze gaan over onszelf, ook over de vragen die wij hebben. Vragen over de wereld, de liefde, of het geloof. Een beeldhouwer, een schrijver en een onderzoeker laten in dit boek zien hoe de hedendaagse kennis over ons brein tot de verbeelding spreekt. Hoe die ons raakt, ons aanzet tot bezinning en hoe die ons uiteindelijk rauw achterlaat. De wetenschap is dichterbij dan we denken en laat zich vertellen in vele talen, zo blijkt uit dit lekker leesbare bladerboek.’
Het Voorwoord: ‘Ik sta in de keuken het avondeten te maken. Mijn zoon Wouter van vijf komt met grote bange ogen op mij afgeschuifeld en ik zie dat het menens is. Als ik op mijn hurken ga zitten om hem in de ogen te kunnen kijken, vraag ik wat er is. ‘Mamma,’ zegt hij met bibberende kleuterlipjes, ‘als ik tien ben, ben ik dan nog wel Wouter?’ Dit boek gaat niet alleen over ons geheugen, en hoe het geheugen ervoor zorgt dat we als we tien zijn nog steeds het gevoel hebben dezelfde mens te zijn als toen we vijf waren. Dit boek gaat ook over de vraag wat überhaupt de definitie is van ‘iemand zijn’ of het nut van je ‘iets herinneren’.
Reinier van den Berg, grafisch vormgeven en beeldend kunstenaar is gefascineerd door de mens en wat hem of haar drijft. Zo’n tien jaar geleden pakte hij zijn zaag en begon een serie hersenen te zagen die hij de naam ‘Gehirn’ gaf. Geïnspireerd door boeken van bekende hersenonderzoekers zoals Piet Vroon of Dick Swaab, besefte hij dat het brein de universele basis vormt, waarbinnen eenieder zijn eigen zoekt. De zijnstoestanden, gedachten waarmee we worstelen, die zomaar in ons opkomen en die ons in beslag kunnen nemen, heeft hij in vorm en kleur gestalte gegeven. Hans Broekhuis is schrijver. Met taal legt hij zijn gedachten stil op papier, omdat taal vragen kan stellen over diezelfde gedachten. Taal schreeuwt om beeld, vindt Hans, maar in dit geval was het andersom en vroegen de zagerijen van zijn vriend Reinier hem om ze in taal uit te leggen. De twaalf beelden nestelden zich in zijn hoofd en maanden hem tot het stellen van preciezere vragen. Het dozijn gedichten zijn net als het brein zelf: ze volgen een vast patroon, die van het sonnet, maar elk wijkt daar op zijn eigen unieke manier van af. Zie het als een vertaling van de ongerijmdheden van de menselijke geest, die van Hans in het bijzonder. Marije van Beilen, psycholoog en neurowetenschapper aan de Rijksuniversiteit Groningen, schrijft over de doodnormale dingen die zij tegenkomt: op de bank achter de tv, in gesprek met haar eigenwijze kleuter, of op de werkvloer. Zij gelooft niet in God, maar probeert haar existentiële vragen te beantwoorden met de kennis over de hersenen. Toen Hans Broekhuis haar – de dochter van een vroegere collega en vriend – na jaren tegenkwam in de krant, vroeg hij haar om twaalf essays te schrijven bij de kunstwerken van Reinier en zijn eigen gedichten. Marije werd geraakt toen ze zag hoe het brein – voor haar dagelijkse kost – anderen wezenlijk raakt en tot zagen of dichten inspireerde. Ze besefte dat haar dagelijkse Viva-Linda-Libelle- leventje doorspekt is met neuro(n)zin. Ontluisterend, dichtbij en fundamenteel, Dit is een boek om steeds weer even op te pakken.’ Een volgende keer nemen wij Brein & Zijn weer in de hand om dat ‘ontluisterend’, ‘dichtbij’ en ‘fundamenteel’ te traceren. Voorlopig gaat er niets boven Groningen!
De naam heb ik bij mijn introductie van een dikke tien jaar terug met hoofdletters geschreven en dat omdat de drager ervan een literair werk uit de jaren veertig een nieuw elan bezorgde. Het gaat om de uit 1943 daterende striptekenaar Dick Matena, die eind vorig jaar bekroond werd tot levend erfgoedhouder. Aan de illustere man is nu een glossy gewijd, maar dan niet in de outfit van een tijdschrift maar als hardcover plaatwerk. Het gaat om het 114 bladzijden (!) tellende 100 pagina’s Dick onder eindredactie van Rimke de Groot en uitgegeven door Personalia. In mijn jaren van studie waagde ik mij aan het lezen voor de lijst aan de debuutroman van Gerard Reve De Avonden. Ik durfde dat ondanks of dankzij de vragen die het controversiële winterverhaal bij recensenten opriep over tien dagen uit het leven van de 23-jarige kantoorklerk Frits van Egters aan de Amsterdamse Schilderskade. De openingszin repte wel van ‘de held van deze geschiedenis’ maar thema’s als eenzaamheid, angst, verveling, desillusie, schuld overwoekerden het heldendom. Op bladzijde 91 van 100 pagina’s Dick staat in een kader boven een strip ‘2003 De Avonden – Al zijn leven lang is Dick Matena een groot bewonderaar van Gerard Reve’s De Avonden en wilde hij iets met de roman doen. Dat resulteerde in een verstripping van 341 platen waarin, voor het eerst in de stripgeschiedenis, de integrale tekst werd opgenomen. De Avonden verscheen eerst in ‘Het Parool’, daarna in 2003 en 2004 in vier boeken’. Het prachtige proza is dus ongeschonden uit de versie van Dick gekomen! Zo de openingszin ‘Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de twee en twintigste december 1946 in onze stad op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, ontwaakte.’
Een van de grootste verdiensten van Dick Matena is dat zijn aanpak getuigt van respect voor het oorspronkelijke werk. Vandaar dat ik met grote graagte andere door hem verpakte literaire werken tot mij nam. Van Kort Amerikaans van Jan Wolkers tot Kees de Jongen van Theo Thijssen. Met daartussen Kaas en Het Dwaallicht van Willem Elsschot. En dan te bedenken dat uitgeverij Personalia werken van Bomans, Carmiggelt, Couperus en Van de Hulst ook recent verstript heeft of gaat verstrippen. En ook Turks fruit van Wolkers! Ik wil maar zeggen dat Dick Matena zijn sporen ook in de officiële letterkunde verdiend heeft. Zonder dat hij daarbij oldtimers en fellow travellers als Heer Bommel, Tom Poes, Kleine Boze Wolf, Broer Konijn, Hiawatna, Knabbel en Babbel, Kruimeltje uit het oog verloor. Matena verwierf ook dank en roem met zijn creaties in de Donald Duck. Op zolder liggen in mappen en ordners verzameld edities van het blad met als hoofdpersonage de fictieve eend van Walt Disney. Opwachting bij het beest maakten ook door toedoen van Dick verhaalfiguren als Dik Trom en Pietje Bell. En als uitschieter in het tijdschrift de 45 platen naar aanleiding van de jeugdroman Afke’s Tiental van Nienke van Hichtum. Ik zeg het zo; Dick Matena heeft ons erfgoed een eigen look gegeven. Om nu de titel 100 pagina’s Dick te ‘deuten’: van elk creatie van Matena is een bladzijde weergegeven. Daar is het niet bij gebleven want begeleidende chapiters dragen opschriften als ‘Never a dull moment – Ontmoetingen met Dick Matena’, ‘De Dikke Matena’, ‘In Den Haag geboren en in Amsterdam gestorven – Interview met Dick Matena’, ‘Biografie’ en ‘Stripografie’. Overigens, op de harde cover prijkt Dicks knoestige kop met daaronder de juichkreet van A. F. Th. van der Heijden ‘Dick Matena is de meest literaire tekenaar die ik ken’. Waarvan akte.