25-06-2014

Cultuurmix 25 juni 2014

Ik heb het kijk- en leesboek nog maar net van de postbode ontvangen en nu al wil ik u van het bestaan ervan gewag maken. Waarom zo fris van de lever en zo kort door de bocht? Omdat het zo geweldig en groots, zo teder en tintelend is. Ik heb het over het 386 bladzijden tellende Het grote 50 jaren boek van René Kok, Erik Somers, Paul Brood en van uitgeverij WBooks. De komende weken wil ik met uw goedvinden een rondgang door het album maken dat mij terugwerpt in de tijd.

Mijn jonge jaren bracht ik door in het dorp Kralingseveer aan de Nieuwe Maas op de oostelijke rand van Rotterdam. Gerard Cox, Joke Bruijs, Sjoerd Pleijsier deden ons in hun televisieserie van begin 1994 tot half 2009 geloven dat geluk toen heel gewoon was, maar zij vergaten wel dat je ervoor moest bukken. Zo staat nog op mijn netvlies geprikt het beeld van een trotse opoe, die na jaren van een plee buiten met de buren op het Arkelshof de deur van eigen wc op het knipje mocht doen. Het was eind jaren veertig en de weduwe Kaptein had wel van Willem Drees gehoord maar kon nog niet van hem trekken. Zij voorzag in haar levensonderhoud door voorgaande dominees in het weekeinde kost en inwoning te geven, door voor dokter Zandbergen medicijnen te verzamelen en af te geven, door voor anderen te strijken  en door een bedrag in een zakje te aanvaarden dat wij namens onze ouders wekelijks aan haar dienden af te geven. Maar: klagen deed zij niet. Opoe vond haar gevecht om het bestaan heel gewoon en het woord geluk kwam niet voor in haar vocabulaire. Het gezin van haar jongste zoon, mijn vader zaliger, woonde niet ver bij haar vandaan en zo kon zij de veranderingen meemaken die haar nazaten bijkans aan de lijve ondervonden. 

De jaren vijftig waren van start gegaan en in dat decennium begroetten wij met luid gejuich noviteiten als de komst van wasmachine, stofzuiger, telefoon, bromfiets, televisie, auto en douche. De tijd dat mijn moeder warm water ging halen bij kruidenier Blind was voorbij, ook die van na het eten onder de tafel met veger en blik opereren. De tijd was gekomen dat buren van de overkant bij ons in de voorkamer kwamen bellen, dat verzekeringsagent Van Overvoorde als eerste door ons dorp plofte, dat wij niet meer in de etalage van Jaap Elshout naar voetballen op tv behoefden te kijken, dat vader voorzichtig in zijn Renault plaats nam, dat het baden in de teil passé was’

Denkend aan het eertijds van mijn jeugd vallen vooral dingen op die hun entree deden en aldus onze way of life een wending gaven. Natuurlijk was er de Watersnoodramp, de NAVO en het Warschaupact, de Koude Oorlog, Koreaanse Oorlog, de Hongaarse Opstand, de lancering van de Spoetnik 1, de aankomst van nozems en provo’s, Joseph McCarthy, Martin Luther King. Ik floot ‘Blueberry Hill’ (Fats Domino), ‘Mr. Sandman’ (The Supremes),  ‘Memories are made of this’ Dean Martin. Ik verliet de Lagere School met de Bijbel, doorliep de HBS aan het Henegouwerplein, volgde de Hervormde Kweekschool aan de Binnenrotte,  spendeerde mijn diensttijd deels aan de SROI in Ermelo en stapte over in de jaren zestig. Inmiddels was ik langs jeugdherbergen in eigen land gegaan, had ik liftend door Europa getrokken, was mij geluk ten deel gevallen middels verkering met een mooi meisje dat later mijn vrouw zou worden, had ik me gemeld bij de CHU omdat vader van de ARP was.

Ik wil maar zeggen dat mijn leventje z’n gangetje ging. De context daarvan wordt nu magistraal in woord en beeld gebracht door het kloeke en toegankelijke Het grote jaren 50 boek dat zich niet onderscheidt door verheerlijking van het verleden, door de koestering van nostalgie, maar door een op de heterdaad betrappen van het doen en laten van mensen die de jaren inkleurden. Veelzeggend in deze is dat de wikkel van ons boek een groepje schoolkinderen voor een kerk laat zien. Zij staan mei 1956 in het dorp Dreumel in het Land van Maas en Waal extra feestelijk gekleed te poseren voor de fotograaf, want koningin Juliana komt op werkbezoek. De tweede grote foto laat in 1957 kinderen naar binnen kijken bij de ramen van een nieuwe kleuterschool. Op beide platen staan de kids onbewust maar signalerend model voor de jaren 50: de zuilen staan nog recht overeind, de kerk staat in het midden, vol verwachting blikken zij naar de beloftevolle  wereld. 

Ook u staat veel te wachten en dan heb ik het over de cruise met vele schitterende sightseeings door ons boek, dat een ware caleidoscoop is van een periode die wel achter ons ligt maar die nog heel achterhaalbaar en invoelbaar is. Dat illustreren de acht hoofdstukken die de titels dragen van: ‘Het verdwenen Nederland’, ‘Spannende tijden’, ‘Voor vorst en vaderland’, ‘Handen uit de mouwen’, ‘Leve de verandering’, ‘In de schijnwerpers’, ‘Sport en ontspanning’ en ‘De jeugd vliegt uit’. Elk hoofdstuk kent een finish met een heel tekenende titel: ‘Rook jij al?’, ‘De watersnoodramp van 1953’, ‘Vadertje Drees’, ‘Voor de buis’, ‘Op de scooter’,’Nederlandse films’, ‘Een auto voor iedereen’ en ‘Dansen is plezier voor twee’. Op de dag dat ik veertien werd, gelastte mijn vader te gaan roken onder devies van ‘Het is geen man die niet roken kan’. Pas decennia later zei ik tot hem: ‘Ik heb er tabak van!’. De zeven foto’s  tonen ons genietende rokers die zich van geen kwaal bewust zijn.

 ISAAC ISRAELS

Een sieraad voor het oog en een streling van het gemoed; deze epitheta ornans dienden zich bij mij aan toen ik het artistieke album tot mij nam. Ik heb het over het 144 grote bladzijden tellende Isaac Israels van Willemien de Vlieger-Moll en uitgeverij Thoth met ondertitel ‘In den Haag’. Om maar met de ‘sub’ te beginnen: de schilder Isaac Israels  – hij  leefde van 1865 tot 1934 -  bewoonde en vereeuwigde   voornamelijk de bruisende residentie met als badplaats Scheveningen. Vandaar dat het niet alleen met roemruchte reproducties maar ook met sfeervolle stadsbeelden gelardeerde werk zeven hoofdstukken kent met  de titels ‘De eerste Haagse jaren’, ‘Amsterdam. Nieuwe inspiratie’, ‘Het strand van Scheveningen’, ‘Den Haag’, ‘Indisch Den Haag’. ‘Haagse portretten’ en  ‘De laatste jaren’. Kunstvorser bij uitstek en verbaal sterke De Vlieger-Moll, die veel van Israels bij particulieren ondergebrachte werken achterhaalde, zegt over die nieuwe bezieling in chapiter 2: ‘Na negen jaar hard werken vond hij een manier van schilderen die hij de rest van zijn leven zou blijven volhouden: hij legde momentopnames vast. Later zei hij daarover; ‘Je moet een onderwerp voor jezelf kiezen en je daarbij bepalen. Je moet niet te lang op de dingen doorgaan, want dan krijg je er een dégout van. Vooral niet te veel werken, niet meer dan twee uur achter elkaar, niet te lang peuteren, dan ben je niet fris meer.’ Hij beschouwde zijn werkwijze als ‘tekenen met olieverf’. Behalve het snel vastleggen van zijn onderwerp werd ook zijn kleurgebruik lichter.’ Met andere woorden, Israels ontdekte het Hollands impressionisme, dat op de voor- en achterzijde van ons kijk- en leesboek via afbeeldingen glanst: details van diens ‘Noordeinde Den Haag’ en ‘In de golven’.  Een volgende keer wil ik de schilderijen de revue laten passeren die deze zijde van Israels markeren: die dus de directe impact, de impressie etaleren en niet de realistische weergave.

In het eind jaren vijftig nog geheten  Museum Boijmans liet de gedreven docent P.W.J. Steinz ons  kwekelingen zijnde de wonderwereld van de beeldende kunst betreden. Zo maakten wij lang halt en front voor ‘De  haven van Rotterdam’ van Signac, ‘Papaverveld’ van Monet, ‘Jong meisje in roze, zittend in een landschap’ van Renoir en ‘Een boomgaard in de lente te By’ van Sisley. Nog ben ik de immer charismatische en op zijn wijze charmante cuma-leraar Steinz dankbaar. Hij opende onze ogen, hij leerde ons kijken. Onder de slogan van ‘ik zie, ik zie wat jullie niet zien’ wees hij hinkend van het ene been op het andere ons op niet ontwaarde facetten van de doeken binnen de lijsten. Hij bezorgde ons de sensatie van het blikken naar kunst, hij zette ons aan tot het signaleren van ‘things of beauty’, die in een museale hal voor het oprapen liggen. Er zijn ervaringen die je bepalen bij te kunnen kijken naar schilderijen die naar vorm en inhoud je ontroeren en fascineren. Zo herinner ik mij uur en dag dat mijn echtgenote en ik verwijlden voor het olieverf op doek van 160 bij 300 cm ‘Transport der kolonialen’ dat Israels in 1883 maakte. Wij stonden er na een fietstocht over de paden van de Hoge Veluwe in het Kröller-Müller Museum in Otterlo en voelden bijkans aan den lijve de sociale kant van de man die impressionist werd. Het ging om een militair onderwerp: wij zagen in grauw gehulde en omringde soldaten voor de Leeuwenbrug bij de Boompjes.

Willemien de Vlieger-Moll: ‘Deze kolonialen waren soldaten die in Harderwijk werden opgeleid tot soldaten van het Koninklijk Nederlandsch–Indisch Leger. Na hun training reisden zij met de trein naar Rotterdam waar zij langs de grachten marcheerden op weg naar de transportboten richting Nederlands-Indië. Israels exposeerde het schilderij in 1885 op de Salon van Parijs waar het een eervolle vermelding kreeg.’ O. die fluitist en die trommelaar die op die koude dag die sjofele groep aanvoeren. Een tweede surprise verraste ons daar in het groen verweven parkmuseum en net als bij ‘Transport der kolonialen’ maakten wij er lang halt en front voor, het ging om het doek ‘Mata Hari’ uit 1916 van de hand van Isaac Israels. Ooit kregen wij beginjaren tachtig van onze amice André Zonnenberg op een zondagmiddag het telefoontje dat in de gereformeerde  kerk in Vuren de markante en eigenzinnige ‘preektijger’ Johannes Hendrikus Zelle uit Leeuwarden voor zal gaan. Met mijn leerlingen las ik steevast uit de bundel ‘Het vrome volk’ van Maarten ’t Hart verhaal ‘De neef van Mata Hari’ met als hoofdpersonage de dominee uit Rockanje die tot de familie van de in 1917 te Vincennes gefusilleerde spion Mata Hari behoorde. Wij trokken naar het op de flank van Gelderland gelegen dorp aan de Waal en kwamen onder de indruk van de rijzige figuur op het katheder die frank en vrij, robuust en rommelig, orthodox en vrijzinnig op ons overkwam.

Sinds het lezen van ’t Hart en het horen van Zelle bleef ik de in 1983 achter zijn bureau overleden predikant op afstand volgen. Groot was het derhalve mijn sensatie toen wij op de Veluwe de opgaande dame in zwart en grijs aanschouwden. Bij haar olieverf op doek lees ik van Willemien de Vlieger-Moll op blz. 122: ‘Voor sommige portretten vroeg Israels de artiesten te poseren. Een van de resultaten is een portret ten voeten uit van Mata Hari gekleed in winterjas met mof. Het doek behoorde tot de collectie van Hélène Kröller-Müller en hangt vandaag de dag in het museum op de Hoge Veluwe. Margaretha Geertruida Zelle (1876-1917) zoals ze officieel heette, trouwde in 1985 met de Nederlandse militair Rudolph MacLeod. Na haar scheiding trad Margaretha Zelle vanaf 1904 in Parijs op onder de artiestennaam Mata Hari, wat oog van de dageraad betekent. Haar optredens in het Musée Guimet werden een ware sensatie. Mata Hari, geheel bedekt met juwelen, ontdeed zich tijdens het dansen van haar sluiers en stond uiteindelijk bijna ontkleed voor haar publiek. Hierna danste zij in Madrid, Monte Carlo, Berlijn, Wenen en Rome. Uiteindelijk kwam ze terug in Nederland en kocht zij in augustus 1914 een huis aan de Nieuwe Uitleg 16. Deze gracht ligt op een paar minuten lopen van de Koninginnengracht waar Israels in 1915 weer ging wonen. Haar optreden in de Koninklijke Schouwburg, op 14 december van dat jaar, werd zeer enthousiast ontvangen. De kranten schreven over de drukste maandagavond aller tijden.’ Wij staarden naar de grande dame die nog geen drie jaar later in de slotgracht van het kasteel van Vincennes voor een vuurpeloton omkwam en wier lichaam aan de wetenschap ter beschikking gesteld werd. Haar hoogverraad en doodvonnis werden later bekritiseerd, Ons album ‘Isaac Israels’: hulde.

 RECENSIEKONING RECENSEERT NEDERLAND

m u de smaak ervan te pakken te laten krijgen licht ik integraal, dus kant en klaar, een stuk uit een 176 bladzijden tellende bundel. Ik heb het overRecensiekoning recenseert Nederland van Olaf, 10e, Joost, RuSt, Gustav en Lorenzo en van uitgeverij A.W. Bruna onder label Lebovski. Onder het motto van ‘Here can text come to stand’ reiken de zes u een arsenaal van volkomen willekeurige, vaak satirische recensies aan, die uw komende vrije weken meer licht en lucht zullen geven. Het overkoepelend thema van de talrijke tintelende epistels is Nederland. Aanvankelijk hadden de recensiekoningen andere opties: diepzeevissen, dictatoriale oliestaatjes, knopen leggen bij vrieskou, negentiende-eeuwse woordenboeken Roemeens-Duits, ingeblikte winterkost voor in de tropen en uitroepen van een vijfjarig kind dat door een geit wordt gebeten op een kinderboerderij beginnend met de letter Y. Bruna zag meer in een vaderlands gericht onderwerp. Zo huppelt u van het een naar het ander en steeds is daar de zalige mix van entertainment en informatie. Met andere woorden; op geestrijke wijze wordt u heel onderhoudend weetjes over de dingen binnen de landsgrenzen aangereikt. Van spinazie opnieuw opwarmen, het Drielandenpunt, de Mart Smeetstruigrap, de olifanten van Almere en de Nederlandse monarchie tot fietsen in de sneeuw, kaarsjes in de boom, krabpaal Soestdijk, mooi weer en Vlieland. Ik ga voor het stuk ‘Het schommelschip de Halve Maen’. In vroeger jaren plachten mijn echtgenote en ik met de kleinkinderen Sarah en Doortje een keer per jaar in de zogenoemde grote vakantie een dag naar Kaatsheuvel te gaan om van tien uur in de ochtend tot negen uur in de avond in het pretpark te verwijlen dat de Efteling heet. Ook het gewraakte schip was een vast item van onze visite waarbij oma en opa vanaf de begane grond naar de twee kids bleven zwaaien.

Olaf: ‘Ergens in de jaren ’80 werd de Efteling, toen nog een lieflijk, sprookjesachtig Anton Pieckparkje, uitgebreid met een aantal attracties dat niet zou misstaan in een bruut pretpark. De combinatie van die twee zorgde ervoor dat het park eigenlijk het leukste attractiepark van Nederland werd en nog steeds is. Allereerst verscheen in 1981 de achtbaan de Python, met looping en schroef, gevolgd door de Bobsleebaan, de wildwaterbaan Pirañha en uiteindelijk het grootste schommelschip dat destijds ter wereld bestond: de Halve Maen. We laten de huidige wanorde die aangericht is door het land van Laaf (naar een sprookje van de toenmalige directeur ahum) en het Eftelingtheater buiten beschouwing, maar blijven nog even hangen in de Halve Maen. Niet echt natuurlijk,want dat lijkt me vreselijk. Het schip gaat niet over de kop. Als je dat wilt, ga je maar naar Ponypark Slagharen, maar daar zit je dan weer naast een tokkie die stoïcijns shag rookt en naar zijn zus ruikt. Hier volgen nog enkele tips die je verblijf in het schip de Halve Maen nog meer zullen veraangenamen. (Ze zijn wel een beetje gemeen,) Ten eerste: ga naast wat middelkleine kinderen zitten. Daarmee bedoel ik: kinderen die niet zo jong zijn dat je de rest van je leven last hebt van je geweten en die je huilend in je dromen zullen achtervolgen, maar ook geen kinderen die weer zo oud zijn dat ze je na het ritje opwachten met een groepje om je in elkaar te slaan met een veiligheidsbeugel uit Joris en de Draak. Middelkleine kinderen dus. Wacht dan even tot het schip bijna op het hoogste punt is. Als de kinderen gek worden van de kriebel in hun buik en het bijna niet meer houden, draai je je naar ze toe en begin je te brullen: ‘Ik heb vroeger bij deze attractie gewerkt! Zo hoog gaat ie normaal nooit!’ Ten tweede is het aardig om een slachtoffer uit te kiezen aan de andere kant van het schip, iemand die je dus recht kunt aankijken. Dan wijs je naar voren en roep je: ‘Oh mijn God, die man daar gaat overgeven!’ Het liefst doe je dit samen met een vriend of vriendin die hetzelfde doet. Nog beter is het om het met een hele rij te doen. En masse wijs je dus dezelfde man aan, inclusief aanduiding van kleren: ‘Die man daar, met dat blauwe overhemd en die baard, moet kotsen! ’Het komische gevolg is dat aan de andere kant van het schip iedereen in paniek raakt, omdat ze denken dat ze binnen een minuut onder de poffertjeskots van een gast met een baard zitten. Mijn favoriete moment in de Halve Maen werd veroorzaakt door de medewerker van de Efteling die de attractie bediende. Hij koos een middelklein kind uit dat angstig naar hem keek, elke keer als het schip op het laagste punt voorbij kwam razen. Het kind keek van: ‘Ik wil eigenlijk dat ie stopt!’ Op dat moment wees de medewerker naar het bedieningspaneel en maakte met zijn wijsvinger een rondje in de lucht, ten teken dat het tijd werd voor de hele looping. Vijf halve sterren voor de medewerker, nog eens vijf halve voor de Halve Maen. Vijf sterren dus. *****’