1000 JAAR AMSTERDAM
Uitingen van lof kom ik schromelijk tekort om de glamour van dit werk te schetsen. Het kijk- en leesalbum is naar vorm een lust voor ons oog en naar inhoud een streling van ons gemoed. Ik heb het over het 368 bladzijden tellende, rijk geïllustreerde 1000 jaar Amsterdam van de gevierde architectuurhistoricus Fred Feddes en van de alom beminde uitgeverij Thoth. De ondertitel klinkt èn prozaïsch èn poëtisch, want die gaat als ‘Ruimtelijke geschiedenis van een wonderbaarlijke stad’.
Feddes verstaat de kunst het quasi- dorre aspect van het invullen van de ruimte aan de Amstel niet alleen kundig en knap maar ook toegankelijk en sprankelend te verwoorden. Ik vind het van diens grote innerlijke grootheid getuigen dat hij in woorden en beelden luid een loflied aanheft op de genialiteit van denkers en planners door de eeuwen heen van onze hoofdstad. Zonder daarbij de misvattingen en dwalingen die hun zienswijze geregeld vergezelden onder het tapijt te schuiven.
Ik wil de komende weken met u een virtuele tocht door 1000 jaar Amsterdam maken, dat door de originele en prikkelende aanpak van Feddes veel meer is dan een historisch panorama. Mede of juist door de 250 illustraties erin geeft het niet alleen aan hoe innovatief en fascinerend bouwers aan de ruimtelijke geschiedenis van Mokum tewerk gingen, maar ook hoe zij inspireerden en stimuleerden tot het gezicht bepalen ervan. Amsterdam kan terecht bogen op het epitheton ‘wonderbaarlijke’. Ik pluk uit het aanzien van Amsterdam: Albert Cuypmarkt, Anne Frankhuis, Beurs van Berlage, Damrak, De Dam, De Jordaan, De Pijp, De Wallen, Grachtengordel, Kalverstraat, Leidseplein, Melkweg, Negen straatjes, Nieuwmarkt, Noordermarkt, P.C. Hooftstraat, Paleis op de Dam, Paradiso, Rembrandtplein, Rijksmuseum, Stedelijk Museum, Vincent van Gogh Museum, Vondelpark, Waterlooplein. Hoe ze aan de Amstel hun plaats konden krijgen vertelt en toont Feddes. Kijkend naar deze items in dit handzame werk kwam ik onder de indruk van wat er niet alleen in het exterieur maar ook in het interieur veranderd is. Er is veel verdwenen aan moois, er is veel behouden aan schoons. Daar wordt gemist en gekoesterd. Ook schrijnt het boek want het behelst de kaart ‘Verspreiding van de Joden over de gemeente’ uit mei 1941. De Duitse bezetters wilden een getto inrichten maar besloten tot een dodelijke deportatie. Een perverse planning, zegt Feddes.
Om de charme van dit ‘thing of beauty’ dat ‘a joy for ever’ is te demonstreren geef ik u de bijschriften bij twee presente afbeeldingen. Ze laten beide de confrontatie tussen oud en nieuw zien. Zo staat onder kopje ‘De sprong in de polder’ - ‘Toen de sprong over de oude stadsgrens eenmaal was gemaakt, verrezen er naast woningen ook stedelijke voorzieningen zoals het Concertgebouw. Het pad dat op deze tekening van J.M.A. Rieke uit 1886 naar het gebouw loopt, is de huidige Van Baerlestraat. Rechts de destijds beroemde boomkwekerij ‘Pamona’ ter hoogte van de Van Breestraat.’ Zo staat in de marge bij ‘Bescheiden meekijken met Jacob Olie’: ‘Een voorstadboerderijtje aan de Vinkenbuurtsloot in West lijkt te worden overvleugeld door de stedelijke nieuwbouw langs de Hugo de Grootkade op deze foto van Jacob Olie uit augustus 1893. Het contrast daagt ons uit om partij te kiezen: ben je voor het oude huisje of voor de nieuwbouw?’ U blijft net als ik naar de platen kijken. Op de omslag achterzijde treft u ook deze afbeelding. Die van de voorzijde laat een Panoramakaart Noordzeekanaal uit 1876 zien waarop van toen af een rechte weg ‘Holland op zijn smalst’ doorsnijdt, van Amsterdam naar zee. Om u ‘in the mood’ te brengen van 1000 jaar Amsterdam geef ik twee fragmenten uit de Proloog door die de titel draagt van ‘De dam in de rivier’. U zult sowieso onder de indruk komen van hoe soepel en lenig Fred Feddes de taal meester is.
‘Stelt u zich voor dat u op de Dam staat, midden in de Amsterdamse binnenstad. Aan de westzijde torent het zeventiende-eeuwse Paleis boven het plein uit, in het oosten domineert het Nationaal Monument. Daartussen strekt zich een panorama uit van toeristen, levende standbeelden, trams en geparkeerde fietsen. Maar vergeet deze drukte. Zoek een rustige plaats tussen de fietsen. Kijk omlaag. Probeer uw blik meters diep de grond in te sturen. Daar begint Amsterdam. Het is verleidelijk om het ontstaan van een stad te verbeelden als een groot en theatraal gebaar. Een groepje pioniers vestigt zich aan de oevers van een trage laaglandrivier, eerst aan de ene oever en later ook aan de andere. Ze besluiten de twee nederzettingen met elkaar te verbinden. Ze leggen een dam in de rivier en dwingen het uitgaande water zodoende tot de nederige doorgang door een sluis. De aanleg van de dam is een zwaar werk, en we kunnen het ons voorstellen als een blubberige bedoening maar ook als een heldendaad. De muziek zwelt aan en dan is de dam af. Zijn bestaan is al snel vanzelfsprekend. Mensen lopen er zomaar overheen, jong en oud, rijk en arm, achteloos en gedachteloos, iedere dag weer. Ze gaan naar de andere kant om er gewichtige zaken te doen, of voor een onbenullige boodschap, om les te krijgen of verliefd te worden, of zomaar voor de lol. Maar hoe gewoon de dam ook wordt, hij blijft een wonder. Door de aanleg is de wereld gekanteld. Niet langer geeft de rivier de hoofdrichting aan in dit landschap, voortaan doet de mens dat, met zijn dam en zijn wegen. Het land heerst over het water. En de dam krijgt een prominente plaats in de naam van de nederzetting waarvan we niet weten hoe die voorheen heette, maar die in de volgende eeuwen wereldberoemd zal worden: Amsterdam’.
‘Over het Nederlandse laagland kun je mooie mythische verhalen vertellen, maar met Amsterdam ligt dat moeilijker. De werkelijkheid is prozaïsch. We weten dat er een dam in de Amstel is gelegd, en de meeste deskundigen vermoedden dat het tussen 1250 en 1275 gebeurde, maar niemand weet het zeker. In die tijd werden meer dammen in riviermondingen gelegd, en de dam in de Amstel was niet de opmerkelijkste en zeker niet de best gedocumenteerde. Van de dam in de Spaarne, 15 kilometer naar het westen, weten we bijvoorbeeld meer. En de Amstel zelf was ook al geen indrukwekkende stroom. Het was geen Theems, Donau, Rijn, Tiber, Eufraat of Nijl. Het is zelfs de vraag of je de Amstel een zelfstandige rivier kon of kunt noemen. Door het deltalandschap kronkelen vele stroompjes, die in elkaar overlopen en soms hun bedding verleggen, en die niet altijd als afzonderlijke rivieren te isoleren zijn. ‘Amstel’ is ook nu nog de naam van een betrekkelijk willekeurig begrensd stukje van dit netwerk van stroompjes, een stukje water waarvan je de lengte arbitrair op 31 kilometer kunt vaststellen, gerekend vanaf de samenvloeiing van twee vergelijkbare stromen, ‘Drecht’ en ‘Kromme Mijdrecht’. Zelfs de stroomrichting is niet bestendig. Een deel van wat nu de Amstel is, stroomde achthonderd jaar geleden nog naar het zuiden in plaats van het noorden. Het materiaal waarvan je stedelijke ontstaansmythes kunt maken, glijdt hiermee weg als zand tussen je vingers. Het begin van Amsterdam is onaanzienlijk en anoniem. Maar ook al is er geen plaats voor een Amsterdamse mythe, toch heeft deze korte gedachteoefening ons op het spoor gebracht van enkele onderwerpen die door de eeuwen heen herkenbaar zullen blijven. Vanaf het begin is Amsterdam kunstmatig en veranderbaar, vanaf het begin zijn water en land de hoofdpersonen, vanaf het begin wordt aan de stad gebouwd in een wisselwerking tussen krachten ‘van bovenaf’ en ‘van onderop’, vanaf het begin is de nederzetting verbonden met een groter geheel dat we regionaal kunnen noemen, en vanaf het begin is Amsterdam een precaire en onderhoudsintensieve constructie. Dat gaat op voor heel Laag-Nederland, niet alleen voor Amsterdam. Uniek werd Amsterdam pas later.’
MOORD OP EEN ONDERDUIKER
Een onthutsend, bloedeerlijk relaas, uit de eigen familie gegrepen, daar gaat het om. Ik heb het over het 255 bladzijden tellende Moord op een onderduiker van Henny Brandhorst en uitgeverij Walburg Pers met de ondertitel ‘De Deurnse moordzaak en andere oorlogsgeheimen’. Op de cover (en ook in het fotokatern) staat de beeltenis van een jongen die vol verwachting blikt; voorin staat ‘Ter nagedachtenis aan Erwin Michael Joseph 23 september 1925 – 16 september 1942’. Onder die trieste opdracht staan woorden van Voltaire: ‘De levenden is men eerbied verschuldigd, de doden niets dan de waarheid’. Meteen zetten deze zinnen ons in het thema van het in de historie gedrenkte werk, want auteur Henny Brandhorst wil de ware toedracht achterhalen van de gruwelijke daad, die zijn vader Henk, man in het verzet en helper der Joden, zeventig jaar geleden verrichtte. De man sloeg in het Brabantse de Joodse onderduiker Joseph met een hamer dood. In Deurne bevindt zich een Joodse begraafplaats met maar één graf, en wel op een bijzondere plaats: de protestantse dodenakker. Het is de rustplaats van Erwin Michael Joseph die zich in 1942 met moeder Glogau en pleegvader Graumann en familie Heppner in een badhuis van een katholiek zomerkamp schuilhield. Tot het moment waarop zij allen via de hulp van Henk Brandhorst en kompaan José Peerbooms met een tankwagen naar Frankrijk gesmokkeld zouden worden. Zover kwam het echter niet, want beide families vonden een veilig onderdak bij landbouwer Harry Janssen in de Peel, om precies te zijn in Zeilberg. Bij de zes voortvluchtige en door de Duitsers opgejaagde Joden ontbrak echter Erwin Michael, want die werd, naar het lijkt zomaar, door helper Brandhorst om het leven gebracht. Op zijn grafsteen staat derhalve wrang: ‘Jewish refugee from nazism murdered by men promising safety. His parents survived. Hidden by local citizens’.
Vlak na de oorlog werd Brandhorst gearresteerd en veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf. Niet volgens een procedure bij het Bijzonder Gerechtshof vanwege een oorlogsmisdrijf, maar ‘gewoon’ omdat het een commuun geen politiek delict betrof. In 1954 passeerde zijn trouwdag en een van de vier zoons uit zijn huwelijk is Henny die zoveel jaar na dato op zoek ging naar de ware gang van zaken. Hoe was zijn immer over het oorlogsverleden zwijgende vader tot dit misdrijf gekomen? Het getuigt van Henny’s innerlijke grootheid dat hij het aandurfde het omstreden en bewezen verleden van zijn vader te reconstrueren. Uiteraard wil ik u de plot van Moord op een onderduiker niet melden, maar wel wil ik gezegd hebben dat ook nu weer manifest wordt dat in tijden van oorlog en geweld de mens tot het meest afschuwelijke in staat is. In de jaren ’40-’45 waren velen hun anker, boei, houvast kwijt; wat hen niet vrijpleit maar wel in een bepaald licht zet.
De entree van Moord op een onderduiker: ‘Noord-Brabant, woensdag 16 september 1942 ergens tussen zeven en acht uur ’s avonds. Twee mannen fietsen door de Vlierdense bossen bij Deurne. Een van hen heeft voor op de bagagedrager van zijn transportfiets een jongen zitten, die een handkoffer bij zich heeft. Bij een brandgang aangekomen stoppen de mannen. Zij stappen af en terwijl de ene wegloopt en uit het zicht verdwijnt, vraagt de andere de jongen om te gaan zitten op de rand van de greppel. De jongen doet wat hem gevraagd wordt. De man blijft achter de jongen staan en kijkt om zich heen. Hij aarzelt. Na wat een eeuwigheid lijkt, komt de andere man terug en vraagt: ‘Is het nog niet gebeurd?’ Hij krijgt geen antwoord en loopt weer weg. Even later haalt de achterblijver een hamer tevoorschijn, waarmee hij de zittende jongen met volle kracht op de rechterkant van zijn hoofd slaat. De jongen valt voorover: hij verroert zich niet, maar er komt een rochelend geluid uit zijn keel. De man loopt weg in de richting van de zandweg, waar zijn metgezel staat te wachten, maar hij stopt niet en loopt door om pas na tien minuten weer terug te keren naar de plek waar de jongen roerloos op de grond ligt. Hij voelt de pols van de jongen en stelt vast dat de jongen geen tekenen van leven vertoont. Dan dragen hij en zijn handlanger het lichaam van de jongen naar twee reeds gegraven, verderop gelegen kuilen. Nadat zij het lijk in een van de kuilen hebben begraven, gooien zij ook de andere kuil dicht met aarde en zand. Dan maken zij zich uit de voeten. De naam van de jongen die zeventig jaar geleden op die bewuste avond werd vermoord, was Erwin Michael Joseph, roepnaam Michael.
Dit boek gaat over die moord, de omstandigheden die er toe geleid hebben en de gebeurtenissen die er op volgden. Maar het gaat vooral over de dader, want de man die Erwin Michael Joseph met een hamer op het hoofd heeft geslagen en zo van het leven beroofde, was Henk Brandhorst, mijn vader. Mijn vader praatte nooit veel over de oorlog. Thuis kregen wij altijd te horen dat hij bij het verzet in de Zaanstreek had gezeten en banden had met de groep rond Hannie Schaft. Ook werd er wel eens iets gemompeld over het ombrengen van iemand die een gevaar voor het verzet had gevormd, maar de ware toedracht kregen wij nooit te horen. Mijn broers en ik waren toen nog kinderen en drongen niet verder aan. Ook toen wij al wat ouder waren, hebben we er eigenlijk nooit meer naar gevraagd. Groot was dan ook de schok toen ik een reportage in het ‘Eindhovens Dagblad’ onder ogen kreeg, waarin te lezen stond dat Henk Brandhorst na de oorlog was veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar, voor de moord op een zestienjarige Joodse onderduiker.’ Een volgende keer gaat het om de ondertitel: waar staat dat ‘andere oorlogsgeheimen’ voor?
EXTRA TIJD
Op de cover staat het genre van roman aangegeven, maar het verhaal dat volgt zal maar deels verzonnen, naar de hand van de schrijver gezet zijn. Het is een sterk autobiografisch getint relaas. Ik heb het over het 236 bladzijden tellende Extra tijdvan A.H.J. Dautzenberg en van uitgeverij Atlas Contact. De opdracht voorin is meteen al veelzeggend want die gaat als ‘Voor mijn moeder’ en ook vier van de zeven hoofdstuktitels verwijzen naar gepasseerde werkelijkheid. Ze verwijzen naar de strijd tegen degradatie uit de eredivisie die Roda JC in het seizoen 2008/2009 diende te voeren. Om rechtstreekse neerdaling uit het landelijke walhalla te voorkomen tegen Feyenoord en om de nacompetitie te overleven tegen Dordrecht en Cambuur uit de Jupiler League. De wikkel om het toegankelijke, tintelende boek vermeldt hilarisch de quote van collega Arnon Grunberg: ‘Eindelijk bekommert een Nederlandse schrijver zich om Roda JC’.
In het voorwerk van Extra tijd zetten ook de motto’s de toon, want die zijn successievelijk ontleend aan de western The Magnificent Seven van John Sturges uit 1960 en aan de roman Alsof het voorbij is van Julian Barnes uit 2011. Ze gaan als: ‘We lost. We’ll always lose’ en als ‘De geschiedenis die zich onder onze neus voltrekt zou het inzichtelijkst moeten zijn, en toch vervaagt die het snelst’. Wij zijn doorgaans de onderliggende partij en hebben er niet lang notie van. De omslag kent ook een prospectief aspect. Wij zien het silhouet van een mysterieuze zwarte cowboy met de voet op een bal. Het hele boek door doemt deze legendarische revolverheld op in dromen en visioenen die het alter ego van de auteur, Marcel, doormaakt. Deze wordt immers geconfronteerd met het naderende einde van zijn vader Gustaaf, die zeventig jaar is, kanker heeft, voor euthanasie heeft gekozen en zijn heil blijft zoeken bij de voetballers in de oostelijke mijnstreek, De doodzieke man gunt zichzelf extra tijd om zijn favoriete club op radio en televisie te volgen.
Ook wil hij nog één keer de zee zien om op in het zomerhuisje de Zandruiter op Vlieland afscheid te nemen van het gezin. Dat brengt mij op een van de literaire trucs van Dautzenberg, want die doet verslag van het verblijf op het eiland via een filmscript. Kent de aanloop van het verhaal een personale vertelsituatie, behelst het middenstuk een afstandelijke aanpak, de finish herbergt een ‘ik’. Een volgende keer wil ik met u verwijlen bij de originele structuur van Extra tijd. Nu wil ik u in de stemming van het proza en de poëzie van Dautzenberg brengen, opdat u de smaak te pakken krijgt van deze woordkunstenaar. Ik geef u de entree van de roman die naar inhoud tot op het bot gaat en naar vorm heel direct is. Als losse bijlage is daar een bundeltje gedichten op naam van Marcel Meulenberg, die in de loop van het verhaal ook het oorlogsverleden van vader achterhaalt.
‘Indianen huilen niet Feyenoord-Roda JC (10 mei 2009). ‘We schakelen over naar Ron de Rijk in de Kuip, er is gescoord bij Feyenoord tegen Roda!’ ‘Ja, Tom, veertiende minuut, een diepe pass van Kah richting Cissé. Tiendalli stapt te laat uit de verdediging, en niet zo’n beetje ook. Cissé blijft kalm, passeert Henk Timmer en schiet de bal rustig binnen. Een minuut geleden schoot hij net voorlangs, maar bij de tweede kans is het wel raak! Sekou Cissé maakt het keurig af en zet Roda JC in de veertiende minuut op een 1-0 voorsprong.’ Marcel voelt de adrenaline door zijn lijf jagen, Roda staat voor! Hij zet de radio op het klaptafeltje harder, balt zijn rechtervuist en steekt die in de lucht. Zenuwachtig loopt hij door zijn tuin op en neer, terwijl hij met zijn linkerhand aan zijn blonde krullen trekt. Roda moet vandaag winnen, dat beseft hij maar al te goed: anders degradeert de club naar de eerste divisie. Het is de laatste speeldag en Roda staat op de laatste plaats. Alleen bij winst is er kans op lijfsbehoud. Marcel denkt aan zijn vader Gustaaf, een van de grootste fans van de club. In elk geval een van de meest trouwe. Ook hij hangt aan het elastiek. Hij gaat sterven, de artsen geven hem nog enkele weken. Het melanoom is de afgelopen maanden lekker bezig geweest en heeft voor de nodige nakomelingen gezorgd. Die beginnen bescheiden, klein, maar vaak al na een paar dagen bereiken ze hun absolute vorm. Een behoorlijk indrukwekkend verschijnsel. Een Limburgs heuvellandschap, zo typeert zijn vader zijn lichaam. Logisch – hij woont al zeventig jaar in het puntje van de lel die aan Gelderland en Brabant bengelt. Dat leidt uiteraard tot een beperkt aantal metaforen. Met humor bestrijdt zijn vader de harde realiteit. Marcel helpt hem daarbij. Zo houden ze het verdriet op afstand. Het mag toekijken, met knijpende ogen. Zijn moeder en zijn drie minuten oudere tweelingbroer Werner voelen zich een beetje buitengesloten. Zij missen de bevrijdende kracht van hun ironische benadering. Marcel en zijn vader trekken zich daar weinig van aan. Het gaat hier over leven en dood, en dan is àlles toegestaan. Marcel gelooft echter niet in ‘rage – rage against the dying of the light’. Zijn vader mag best ‘gentle’ de ultieme nacht betreden. Dat is wel zo prettig.’
DE ZANDRUITER
alles hier binnen tingelt naar dood
het lepeltje in het kommetje yoghurt
zelfs de wind in de schoorsteen
weet zich niet te beheersen en
zwijgt het leven in een spurt
symbolen staren ons aan alsof
ook wij betekenis kunnen puren
uit schelpenzand en meer; de zwarte vlieg
die schiet ik zo neer met mijn
blauwe ogen, zó
timmeren wij alvast een kist
van goud, van aangespoelde herinneringen straks
die nu nog smaken
naar zout, naar kristallen pijn voor later
wanneer mijn vader
die slaapt heen
door de getijden en terug
naar ’t lijden en zo
voor de laatste keer
de eeuwigheid en weer