Een kostelijk kijk- en leesalbum is het dat onze kids en kleinkids de heem waarin zij wonen vertrouwd en aantrekkelijk maakt. Het nodigt de peuters uit tot het verkennen van ons land waarbij nijntje de gids is. Ik heb het over het 32 bladzijden tellende, gul geïllustreerde nijntje in nederland van Mercis Publishing. Op de openingspagina stelt het alom geliefde konijntje zich voor en het doet dat naast een gekleurde kaart met daarop dertien provinciale of stedelijke vlaggen. Ik citeer nijntje:
‘Hallo, ik ben nijntje. Dit is een boek over het land waar ik woon: Nederland. Ik wil je graag laten zien waar ik geboren ben en in welke stad Dick Bruna woont. Ook wil ik je laten zien waar ons land bekend om is. Misschien ken je wel de klompen, de kaas en kleurrijke tulpen, maar er is nog veel meer! We hebben mooie kunst en oude en heel nieuwe gebouwen. En Nederland is plat, daarom kun je ze goed fietsen. Veel plezier op je tocht door Nederland!’
Ik geef u de items waar nijntje de metgezel van de kleintjes is en het zit er vervolgens dik in dat de kids u vragen met hen daarheen te gaan. En overal is nijntje de gids! Het bekoorlijke Bruna-beestje brengt u naar ‘Egmond aan zee’ (de geboorteplaats van nijntje), Koeien, kaas en klompen, Rotterdam, Deltawerken, Den Haag, Winter in Nederland, De Betuwe, Utrecht (waar Dick Bruna woont), Kunst, Sport, Amsterdam (waar Mercis Publishing zetelt), De Bollenstreek, De Zaanse Schans, Fietsen in de polder en Meer weten? Zo zien wij nijntje in Utrecht bij de hoogste kerktoren van Nederland, de Domtoren, de stad waar ook het nijntje museum is en het Rietveld Schröderhuis. Ons nijntje gaat op dezelfde bladzijde naar de Hoge Veluwe met het Kröller-Müller Museum zetelt en ook veel mooie beelden buiten staan. Op de volgende bladzijden is nijntje bij een wedstrijd van Oranje op de tribune en is het toeschouwer bij een nationale wedstrijd van hockeyende dames en schaatsende heren. Zo krijgen uw kids met nijntje de smaak te pakken van eropuit gaan!
Ik heb een reisjournaal voor u dat gedrenkt is in het terugroepen van navrante geschiedenis en van het optekenen van zinderende actualiteit, vaak aangereikt door personen die aan den lijve het een en het ander ervaren hebben. Het gaat om het 344 bladzijden tellende De schaduw van de grote broer van Laura Starink en van uitgeverij Atlas Contact. Ja, inderdaad het werk is van de hand van een auteur die wij hier een paar jaar terug met loftuitingen onthaalden, want van zij schreef Duitse wortels. Bij de introductie van dat boek met de ondertitel ‘Mijn familie, de oorlog en Silezië’ gebruikte is – en ik citeer mijzelf – ‘Ik kreeg in handen een schrijnend, authentiek, getrouw, betrokken relaas in handen, vol prachtig proza en naar het leven getekend.’ Uit reacties van u mocht ik opmaken dat u ook deze epitheta na lezing van haar Duitse wortels naar voren schoof. Ik zou derhalve kunnen volstaan met de juichende aankondiging dat De schaduw van de grote broer het licht gezien heeft. Toch wil ik er met uw toestemming een verkennende leestocht er doorheen maken en die plan ik voor de volgende keer. Nu geef ik u bagage voor onderweg mee die bestaat uit de tekst van de cover, de intro’s van de recensenten Elias van der Plicht in Trouw en Henk Kern in NRC Handelsblad en het integraal doorgeven van het eerste stuk van Starink getiteld ‘Omstreden herdenking’.
Op de omslag ziet u een beeld van demonstranten in 2014 op het Majdanplein in Kiev die net gehoord hebben dat president Janoekovitsj gevlucht is. Onder de plaat met verraste gezichten staat ‘Letten en Russen Joden in Polen Duits Kaliningrad Oorlog om Oekraïne’ wat terugkomt in de titels van de vier hoofdstukken. Want, ‘Letland. De Letse legioenen’, ‘Polen. Het verloren land van Jedwabne’, ‘Rusland. Van Königsberg naar Kaliningrad’ en ‘Oekraïne. ‘Oorlog tussen Oost en West’. Van der Plicht schreef 31-1-2015 o.a. ‘Oost-Europa worstelt met Russen en verleden – Van Riga tot Moskou wordt grif ingespeeld op ressentimenten uit Sovjet- en nazitijd. Enerverend boek met een hoofdrol voor de actualiteit: de oorlog in Oekraïne – Het Rusland van Poetin is nooit te beroerd wat olie op het vuur te gooien.’ Kern begint met o.a. ‘Iedereen is slecht behalve wij – Laura Starink reisde door Letland, Polen en andere Oost-Europese landen die in WO II een dubbele bezetting hebben doorgemaakt. Nieuwe tegenstellingen worden versterkt door het verleden – Combinatie van reisverslagen, interviews en historische beschouwingen over de landen tussen de voormalige rijken van Hitler en Stalin.’
‘Omstreden herdenking - Ojars Aleksis zag ik voor het eerst in het voorjaar van 2014 op de begraafplaats van het dorp Lestene, een uur rijden van de Letse hoofdstad Riga. Op een veld naast een kerkje liggen een paar honderd soldaten van de twee Letse SS-legioenen die in de Tweede Wereldoorlog met de Duitsers tegen het Rode Leger vochten. Elk jaar op 16 maart herdenkt een slinkend aantal veteranen hier hun gevallen kameraden. De chirurg Ojars Aleksis is van 1923. Een broze oude man met een vriendelijk en intelligent gezicht. Hij heeft een zwarte winterjas aan en een grijze pet op en loopt wat stijf en stram aan de arm van zijn vrouw. Anders dan de meeste andere veteranen draagt hij niet die rinkelende verzameling eremetaal op zijn borst. In de sneeuwkou luistert hij stil naar de toespraken bij het witmarmeren monument voor de doden. Op een muur rondom staan hun duizenden namen. Er zijn een paar honderd mensen op komen dagen. Nergens komen de meningsverschillen tussen Russen en Letten over de loop van de geschiedenis duidelijker naar buiten dan bij de herdenking van 16 maart. De dag is na de oorlog ingesteld door nationalistische Letse emigrantenorganisaties in het buitenland, omdat 16 maart 1944 de enige keer was dat de twee Letse SS-legioenen gezamenlijk slag leverden tegen het Rode Leger. Direct na de onafhankelijkheid van Letland in 1991 maakte de regering er een officiële aangelegenheid van. Voor Letland luidde de bevrijding door het Rode Leger immers een nieuwe bezetting in, en in de ogen van veel Letten was de collaboratie met de Duitsers te begrijpen als verzet tegen een nog gevreesder vijand. Vechten tegen het Rode Leger geldt in Letland als een net zo grote heldendaad als verzet tegen de nazi’s. Dat is in West-Europa evenwel aan niemand uit te leggen. En aan de Russen die in Letland wonen al helemaal niet. De Sovjetbezetting is in Letland nog steeds een open zenuw. De Letten zijn niet vergeten dat hun intellectuele toplaag werd gedeporteerd, hun taal en cultuur werden onderdrukt, de vrijheid van meningsuiting werd afgeschaft en dat de communistische planeconomie hen op lichtjaren achterstand van Europa zette. De onafhankelijkheid van 1991 was hier een droom die in vervulling ging. In die eerste vrije jaren hoopten veel Letten ongetwijfeld dat de Russen terug zouden gaan naar hun eigen land. Zo’n honderdduizend vertrokken inderdaad, maar de rest bleef. De twee volken waren van rol verwisseld: de grote Russen voelden zich in het kleine Letland gedegradeerd tot tweederangsburgers.
Toen Letland in 2004 lid werd van de Europese Unie leidde de herdenking van de SS-veteranen onmiddellijk tot opgetrokken wenkbrauwen in de hoofdsteden van West-Europa: hoe kan het dat een beschaafd lid van de Europese familie jaarlijks SS’ers door de straten van Riga laat paraderen? Wordt het niet eens tijd dat Letland zijn bruine verleden onder ogen ziet? Leidde het evenement in Europa vooral tot onbegrip en ongemak, de voormalige bezetter Rusland had zijn conclusie allang klaar. Moskou ziet het als het vanzelfsprekende bewijs dat Letland nog steeds een staat is van collaborateurs en neonazi’s.
De Letse overheid zit inmiddels behoorlijk met de kwestie in haar maag en blijft maar uitleggen hoe ingewikkeld de geschiedenis in dit deel van Europa is geweest. De meesten van die Letse legionairs, herhaalt men hier keer op keer, zijn niet vrijwillig tot de SS toegetreden, maar gedwongen gemobiliseerd. Inderdaad, ze hebben aan Duitse zijde meegevochten, maar ze zijn niet verantwoordelijk voor de moord op de Letse Joden. De Letse ss-legioenen zijn pas geformeerd in 1943, toen de Joden van Letland al waren omgebracht. Met de nederlaag bij Stalingrad in februari 1943 begonnen Hitlers kansen tegen de Russen te keren. Op 10 februari 1943 gaf hij het bevel tot de instelling van de twee legioenen, omdat hij vers soldatenbloed nodig had. In Letland werden in de laatste twee jaar van de oorlog in totaal zo’n honderdduizend man onder de Duitse wapenen geroepen. Dat een deel van hen bij de Waffen-SS werd ingelijfd, had volgens de Letten een zuiver formele reden: Duitsland mocht volgens de Conventie van Den Haag (1907) geen ingezetenen van bezette staten voor de Wehrmacht mobiliseren. Dus werden de soldaten aanvankelijk als ‘vrijwilligers’ bij de SS ingedeeld. Maar deze boodschap lijkt in de rest van de wereld niet over te komen. Onder druk van Brussel heeft de Letse regering haar handen inmiddels van de omstreden herdenking afgetrokken. Aan de plechtigheden op 16 maart neemt dan ook geen officiële regeringsdelegatie meer deel. Doorgaans is de jaarlijkse samenkomst op de begraafplaats in Lestene het slotakkoord van een dag van herdenking en rouw, die begint met een mis in de dom van Riga en een stille tocht van de kathedraal naar het Vrijheidsmonument, waar bloemen worden gelegd. De meeste Letten halen hun schouders op over de mars en zijn druk met hun eigen besognes. Ook hier is de oorlog langzamerhand een grijsgedraaide plaat geworden. Maar vandaag is de sfeer anders. Juist op deze zelfde 16 maart 2014 spreekt de overwegend Russische bevolking op de Oekraïense Krim zich in een referendum uit voor aansluiting bij Rusland. De val en vlucht van president Janoekovitsj zijn voor Rusland het alibi geworden om een ‘historisch onrecht’ te herstellen. Twee weken later zal Poetin de Krim inlijven bij zijn land.
‘Wij willen Oekraïne niet verdelen,’ zei Poetin bij die bekrachtiging tegen het jubelende Russische parlement. Dat hebben we niet nodig. Maar wat de Krim betreft, dat was en blijft een Russisch, Oekraiens en Krim-Tataars land. Ik herhaal, zoals het eeuwenlang is geweest zal het een thuisland zijn voor alle volken die er leven. Wat het nooit zal doen is in Bandera's voetsporen treden! De Krim is onze gemeenschappelijke historische erfenis en een zeer belangrijke factor in de regionale stabiliteit. En dit strategische grondgebied moet onderdeel zijn van een sterke en stabiele staat, die vandaag alleen de Russische kan zijn. De schok in Letland is groot. Vóór 1940 had het geïndustrialiseerde Letland maar een kleine 10 procent Russen binnen zijn grenzen, maar na de inlijving bij de Sovjet-Unie verhuisden massa's arbeiders uit het hele land hierheen om te werken in de fabrieken en de havens. In Riga was ook het hoofdkwartier van het Baltische militaire district gevestigd, dat veel Russische militairen een baan bood. Nu heeft Letland van de drie Baltische staten de grootste Russische minderheid: ruim een kwart van de bevolking. In Riga vreest men dat deze grote minderheid zich door Poetins steun voor de Russischtalige bevolking in het oosten van Oekraine gesterkt zal voelen in haar strijd tegen hun vermeende discriminatie. De SS-optocht in Riga leidde dit jaar zelfs tot een politiek relletje: toen de minister van Milieu Einars Cilinskis had aangekondigd mee te zullen lopen in de stoet, werd hij op staande voet ontslagen. In Letland loopt men op eieren. In Lestene is het in de loop van de middag gaan sneeuwen. Op het podium nemen oude legionairs het woord, maar ook nationalistische politici zoeken het oog van de camera's. Zelfs de pastoor, die een Bijbeltekst voorleest, benadrukt niet toevallig dat elk volk het recht heeft op te komen voor de vrijheid van zijn land. De verwijzing naar Oekraine is duidelijk. Een groep militant ogende leden van de rechtse organisatie Daugavas Vanagi (de Haviken van de Daugava, naar de rivier die door Riga stroomt), meest jong en gehuld in zwarte kleren, waarschuwt voor de toenemende agressiviteit van Rusland. Twee mannen staan stram in het gelid naast de sprekers. Ze dragen de rood-witte vlag van Letland en het blauwgouden vaandel van hun club, een havik die met uitgestrekte klauwen op een prooi duikt. De havik staat in het wapen van Daugavas Vanagi, na de oorlog opgericht als Letse welzijnsorganisatie in het buitenland, die de verarmde SS-legionairs financieel ondersteunde. DV was fel anticommunistisch en streed voor herstel van de onafhankelijkheid van Letland. In Russische ogen is deze organisatie het levende bewijs van Letlands fascistische erfenis. Ook Ojars Aleksis heeft vanochtend de dienst in de dom van Riga bijgewoond, maar hij liep niet mee in de stille tocht van de veteranen met hun familie, rechtse politici en Haviken van de Daugava. Hij voert zijn zwakke gezondheid aan als excuus, maar ik zie aan zijn ogen dat hij er gewoon geen zin in had. Aleksis komt niet voor de Bühne, maar voor zijn gevallen kameraden. Hij wil zich niet laten gebruiken voor politieke spelletjes van welke signatuur dan ook. Toen de oproep voor het SS-legioen in de bus viel, was Ojars twintig jaar. Hij studeerde medicijnen in Riga. Weigeren en de bossen in vluchten om je bij de partizanen aan te sluiten was voor hem geen optie, zegt hij. ‘Dan namen ze wraak op je familie.’ Twee jaar werkte hij als ziekenbroeder in een veldhospitaal achter het front bij Leningrad. ‘Wij vochten tot het einde, in de hoop op herstel van de Letse onafhankelijkheid,’ zegt hij verontschuldigend. Er steekt in Lestene inmiddels een venijnig sneeuwstormpje op. Ik noteer Aleksis’ telefoonnummer en besluit hem later in Riga op te gaan zoeken.’
Een vuistdik, meeslepend levensverhaal leg ik voor u op de leestafel, dat een immer tot de verbeelding sprekend historisch personage geheel tot zijn recht en uit de verf laat komen. Het gaat om het 496 bladzijden tellende, royaal geïllustreerde Napoleon van Bart Van Loo en van De Bezige Bij. De ondertitel van dit aansprekende en sprankelende werk ‘De schaduw van de Revolutie’ expliceert de uitgever zelf op de wikkel van het gebonden werk. Ik citeer: ‘Napoleon fascineert. Hij is een van de meest invloedrijke figuren uit de geschiedenis. Maar Napoleon roept ook enorm veel vragen op. Hoe kwam het dat een onbekende Corsicaan erin slaagde om de Franse bevolking ervan te overtuigen dat hij de man was op wie iedereen zat te wachten? Wie was de keizer die vechtend door Europa trok, miljoenen slachtoffers maakte en strandde in een drassige weide nabij Waterloo? Bart Van Loo gaat op zoek naar de mens achter de mythe. Hij vindt antwoorden in de boeiende en uiterst woelige periode van de Franse Revolutie, toen de oude wereld verging en alles anders werd. De schaduw van die revolutie zou altijd over Napoleon blijven hangen.De Franse Revolutie en Napoleon: de twee het meest tot de verbeelding sprekende homerische verhalen uit de westerse geschiedenis in een bevattelijke en meeslepende vertelling. In het rijkelijk geïllustreerde Napoleon. De schaduw van de revolutie schetst Bart Van Loo een weergaloos portret van de man en zijn tijd.’
Op de wikkel staat ook een juichkreet over dit ‘Napoleon’ uit NRC Handelsblad; ‘Wervelend, leest als een trein’. Om de context van deze zin aan te reiken citeer ik de recensie die Bart Funnekotter voorbije november schreef onder de titel van ‘Napoleon was de Verlichting te paard’ over Van Loos magnum opus ‘Napoleon’ en over ‘Napoleon the Great’ van Allen Lane. Maar eerst geef ik u de intro van wikipedia over Napoleon en de titels van de hoofdstukken die het leven van Napoleon pakkend vatten.
De website: ‘Napoleon Bonaparte (Ajaccio, 15 augustus 1769- Sint-Helena, 5 mei 1821) was een Frans militair en politieke leider tijdens de laatste stadia van de Franse Revolutie. Als Napoleon I was hij van 1804 tot 1815 keizer der Fransen. Zijn juridische hervorming, de Code Napoléon, had een grote en blijvende invloed op het recht in vele landen, waaronder Nederland en België. Het best wordt hij echter herinnerd door de rol die hij in de naar hem genoemde Napoleontische oorlogen speelde. Het gelukte hem in het eerste decennium van de 19e eeuw een groot deel van Europa onder Frans gezag te brengen.’
De titels van de vijf chapiters: ‘Van vluchteling tot gevangene’, ‘Van gevangene tot deserteur’,
‘Van deserteur tot dictator’, ‘Van dictator tot verschoppeling’, ‘Van verschoppeling tot mythische held’. Proloog, Epiloog, Chronologie, Kaarten, Register completeren het werk.
Funnekotter: ‘Een Britse historicus en een Vlaamse schrijver buigen zich over Napoleon. Drie miljoen doden. Dat was de rekening in mensenlevens toen op 18 juni 1815 bij Waterloo de kanonnen zwegen. Europa was een kwart eeuw in oorlog geweest. Nu kon de balans worden opgemaakt, in dieprode inkt. Vanaf de bestorming van de Bastille op 14 juli 1789 had Frankrijk bijna onophoudelijk gevochten met de rest van het continent. Het land kon niet meer. De wil van het volk was gebroken – en de macht van zijn heerser ook. Het laatste schot was nog niet gelost of de discussie barstte los over de vraag of de verslagen keizer nu een held of een schurk was. In 1944 maakte de Nederlandse historicus Pieter Geyl de balans op van dit twistgesprek in Napoleon. Voor en tegen in de Franse geschiedschrijving. Hij gaf in dit boek ook een eigen oordeel over de kleine korporaal. Geyl, die in de oorlog in Buchenwald gevangen had gezeten, signaleerde opvallende parallellen tussen Napoleon en Adolf Hitler, hoewel hij schreef de neiging te hebben ‘de schim van Napoleon om vergiffenis te vragen dat men het waagt hem met die ander in een adem te noemen’. De Nederlander was lang niet de enige die in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog Napoleon als een soort proto-Hitler zag. Toch is de Franse keizer nooit een ‘gewone’ schurk geworden. Want anno 2014 is Napoleon niet alleen te vinden in het verdomhoekje van de geschiedenis, maar ook op plekken waar je Stalin en Hitler in beschaafde kringen nooit tegenkomt: computerspelletjes, bierpullen, theedoeken, salmiakballen en cognac. Napoleon is kennelijk ook ‘leuk’. En dan zijn er natuurlijk nog de talloze boeken. Over geen enkele historische figuur is zoveel geschreven als over Napoleon Bonaparte. Aan die oneindige stapel biografieën zijn er de afgelopen maand weer twee toegevoegd. Andrew Roberts, een van de bekendste historici van Groot-Brittannië, publiceerde Napoleon the Great; en de Vlaming Bart van Loo, auteur en conferencier, schreef Napoleon. De schaduw van de Revolutie. Twee moedige mannen, want wie nog wat zinnigs wil toevoegen aan het corpus Napoleonliteratuur moet van goede huize komen. Roberts is het meest ambitieus. Hij begint zijn boek met een beschouwing over het werk van Pieter Geyl en maakt meteen duidelijk dat hij heel anders tegen Napoleon aankijkt dan zijn Nederlandse collega dat zeventig jaar geleden deed. De titel van zijn biografie zegt het al: hij vindt Napoleon een groot man, een van de indrukwekkendste genieën uit de geschiedenis van de mensheid. Die stelling tracht hij 900 pagina’s lang met een brede waaier van feiten en meningen te onderbouwen.
Huisfrancofiel -Van Loo heeft een kritischer boek geschreven, soms op het vileine af – een hoofdstuktitel als ‘Propagandist tot in de kist’ is veelzeggend. Hij heeft ervoor gekozen de opkomst en ondergang van Napoleon te beschrijven als een product van de Franse Revolutie. Hij doet dat in dezelfde wervelende stijl die hij tentoonspreidt als huisfrancofiel van de De Wereld Draait Door. Met rake zinnen weet hij mensen en situaties in één keer neer te zetten.
Alle belangrijke figuren die naast Napoleon het toneel betreden, en vooral zijn ministers Talleyrand en Fouché, komen op de pagina’s van Van Loo tot leven. De lezer heeft een eersterangs plaats rond de slangenkuil van het Parijs in de jaren na de revolutie. Minder trefzeker is Van Loo als hij zich in de richting van het slagveld begeeft. Zo schrijft hij verschillende keren dat het revolutionaire leger op 20 september 1792 bij Valmy de Oostenrijkers versloeg, terwijl de Fransen daar een voornamelijk Pruisisch leger tot staan brachten. En over de slag bij Marengo (14 juni 1800) beweert hij dat Napoleon met een van zijn generaals communiceerde per telegram (die bestonden toen nog niet) en dat de Franse cavalerie een charge uitvoerde met ‘hun bajonet horizontaal voor zich uit’ (dat waren sabels; bajonetten zijn infanteriewapens). Zijn zulke foutjes erg? Aan het betoog van Van Loo doen ze natuurlijk niets af, maar storend is het wel. Problematischer wordt het als onjuistheden onderdeel worden van het punt dat de auteur wil maken. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de beschrijving van een veldslag die vooral door de inbreng van Louis-Nicolas Davout, een van Napoleons maarschalken, werd gewonnen. Van Loo: ‘De dubbelslag Jena-Auerstedt op 14 oktober 1806 was meer een triomf van Davout dan van de keizer zelf, al stak die uiteraard alle pluimen op zijn eigen hoed.’
Dat is niet juist. In het na de slag verschenen Bulletin de la Grande Armée – de berichten waarmee Napoleon de wereld op de hoogte stelde van de verrichtingen van zijn leger – schreef de keizer: ‘Deze maarschalk toonde opvallende dapperheid en een standvastig karakter, de belangrijkste kwaliteiten van een krijger.’ En later benoemde hij Davout ook nog eens tot hertog van Auerstedt. Kortom, hij ging er zeker niet met alle pluimen vandoor. Hier lijkt Van Loo, die in de inleiding nog wel had beloofd niet ‘met het mes tussen de tanden’ te zullen schrijven, zich niet los te kunnen maken van zijn gekozen frame: dat van Napoleon als glorieverslaafde, die zijn ondergeschikten het licht in de ogen niet gunde. Dat was hij natuurlijk óók, maar daarnaast was hij een aanvoerder die met een goed gekozen compliment zijn mannen tot grootse daden inspireerde. Het boek schiet ook op een ander, belangrijker punt tekort. En dat is de analyse van de verhouding tussen Napoleon en de Franse Revolutie. Van Loo beschijft de wisselwerking tussen man en tijdvak voornamelijk vanuit het perspectief van Napoleon. Wat was de situatie die de Corsicaan aantrof, en wat deed hij ermee? Terwijl het interessanter zou zijn om te bezien hoe de revolutie uiteindelijk een keizerrijk baarde. Welke krachten werden er met deze omwenteling ontketend, en leidden die onherroepelijk tot de alleenheerschappij van een militair? Op dit soort vragen biedt Van Loo geen bevredigend antwoord.
Bloed - Andrew Roberts heeft zichzelf een nog moeilijker opdracht gegeven. Hoe toon je aan dat een man die volgens velen het bloed van miljoenen aan zijn handen heeft een ‘groot mens’ is? (Van Loo stelt onomwonden: ‘Napoleon is goed voor minstens 3,25 miljoen doden.’)
Dat doe je ten eerste door het bloed van zijn handen af te halen, en het bij iemand anders op de uniformjas te smeren. Roberts schrijft terecht dat Frankrijk al in oorlog was toen Napoleon ten tonele verscheen. Die oorlogen waren ontketend door de buren van de republiek, die de status quo in Europa trachtten te herstellen. En in de jaren van zijn heerschappij verklaarden andere landen Napoleon vaker de oorlog, dan hij die andere landen. Als er gevochten moest worden, stond er geen maat op de Corsicaan. Roberts’ boek is vooral een lofzang op Napoleon de veldheer. De auteur bezocht 53 van de 60 slagvelden waarop Napoleon zijn kunsten vertoonde en hij beschrijft die gevechten met veel details en levendigheid. Roberts toont zich zeer vergevingsgezind op de momenten dat Napoleon mistast. Over de fatale veldtocht naar Rusland in 1812 schrijft hij dat de keizer verwachtte de strijd binnen een maand met één grote veldslag te kunnen beslissen. Hoe kon hij nu weten dat de Russen zich alsmaar verder zouden terugtrekken en hem die slag zouden ontzeggen? Dat kon hij weten omdat de Zweedse koning Karel XII in 1709 hetzelfde was overkomen (Napoleon kende diens biografie) en omdat zijn ambassadeur in Sint-Petersburg hem ervoor had gewaarschuwd. Toch zette hij de aanval door: formeel om Rusland te dwingen deel te nemen aan het Continentaal Stelsel waarmee hij het Verenigd Koninkrijk op de knieën wilde dwingen, maar toch vooral omdat hij op zoek was naar glorie. Roberts komt hier niet voldoende los van zijn gekozen gezichtspunt.
Napoleons achtergrond als militair was volgens Roberts bepalend voor de manier waarop hij Frankrijk inrichtte en bestuurde, zonder dat hij zich daarbij als een lompe houwdegen gedroeg. Hij schreef wetten die het beste van de revolutie codificeerden en was dol op kunst en wetenschap. Napoleon was, aldus Roberts, ‘de Verlichting te paard’: een man die ook nog eens een fabelachtig geheugen en dito werklust had. Iemand die op zoveel terreinen uitblinkt, die mag je gerust het etiket ‘de Grote’ opplakken, concludeert Roberts. Hij vraagt zich zelfs af of Europa in de negentiende eeuw niet beter af was geweest onder de dominantie van een verlicht Frankrijk, dan onder de laars van het door Pruisen gedomineerde Duitsland. Dat lijkt zo’n gekke suggestie nog niet, totdat je je realiseert dat het Duits nationalisme juist ontwaakte tijdens de Befreiungskriege van 1813-1815. Je zou zelfs kunnen stellen dat Duitsland één werd onder Pruisische leiding omdat het zich wilde kunnen verweren tegen het wapengekletter der Bonapartes (Napoleon en zijn neef Napoleon III). Zo bezien is Napoleon zelfs medeschuldig aan de uiteindelijke opkomst van Hitler. Dat gaat wellicht wat ver, maar het geeft wel aan dat Roberts er met zijn boek in slaagt de lezer aan het denken te zetten. Ook als je het niet eens bent met zijn analyse van de grootsheid van Napoleon, sla je zijn biografie, waarvoor hij een ongelooflijk aantal bronnen heeft geraadpleegd, uiteindelijk tevreden dicht. Meer dan Van Loo daagt Roberts de lezer uit zélf iets van Napoleon te vinden. Is met dit boek dan het laatste woord over de keizer gezegd? Natuurlijk niet. Daarvoor spreekt Napoleone di Buonaparte uit het Corsicaanse Ajaccio te veel tot de verbeelding. Er zullen altijd schrijvers zijn die hun eigen licht over hem willen laten schijnen. En daarom eindigt dit artikel met dezelfde zin als waarmee Pieter Geyl in 1944 zijn studie besloot: de discussie gaat voort.’ De slogan op de wikkel van het gebonden Napoleon en de recensie van Funnekotter in NRC roepen om een reactie van onze kant. Een volgende keer gaan wij die hier geven. Maar nu al Napleon van Bart Van Loo verdient het ten volle tot ons genomen te worden! U kunt dan beginnen met het fotokatern achterin Napoleon.
Een collectie recente epistels heb ik voor die het net voorbije jaar de revue laat passeren. Het gaat daarbij om het collectieve geheugen dus een verzameling herinneringen die wij gemeenschappelijk hebben en die min of meer actief levend in ons geheugen houden. Om vorig jaar gepasseerde items op te rakelen is daar nu in boekvorm vervatte terugblik. Ik heb het over het 206 bladzijden tellende, relevant geïllustreerde Geachte reactie, samengesteld door Anouk van Kampen en uitgegeven door Nieuw Amsterdam. Op de cover staat zeg maar de ondertitel want ‘De meest opvallende, grappige en boze brieven uit NRC in 2014’. Daaronder lezen wij ‘ Weet u nog wat er dit jaar is gebeurd? Hoe de Zwarte Pieten-discussie het land verdeelde? Dat de Olympische Spelen in Sotsji voor ophef zorgden en eindigden met een biertje? Dat Oekraïne werd binnengevallen door de Russen, en de gemeenteraad werd gekozen? Genoeg jaarboeken en overzichtslijstjes die u er aan het eind van het jaar aan zullen herinneren. Maar wat vónden we van 2014? Waar werden we boos over en waar waren we het mee eens? Waarover hadden we het bij de koffieautomaat, aan de keukentafel, in de kroeg? Geachte redactie, maakt het lijstje voor u. De mooiste, meest originele en boze brieven uit ‘NRC Handelsblad’ en ‘nrc.next’ vertellen hét verhaal van 2014.’ Uiteraard herbergt ons persoonlijk geheugen vooral die voorvallen die in het privéleven liggen, maar wanneer wij de maat opmaken kruisen de individueel en collectief opgeslagen voorvallen elkaar.
Samensteller Anouk van Kampen maakt in de Inleiding bij haar verzameling wel een restrictie: ‘Dit brievenboek is geen objectieve weergave van wat er in 2014 gebeurde. De lezer is niet objectief, en ik oud - brievenredacteur – ben dat ook niet. Dit is wat ik grappig, en mooi, en belangrijk vond. Een portret van 2014 door lezersogen, door mijn ogen.’ Om in de persoonlijke schifting van de ingezonden brieven een ordening aan te brengen kwam Van Kampen tot deze indeling in chapiters: U weet het beter – Een ode aan de NRC- lezer, Winter, ‘Dank u wel, meneer Wilders’- Over de verkiezingen en minder Marokkanen, ‘Nachtzweet is geen kunst ‘ – Over kunst, cultuur en verafgode dj’s, Lente, ‘De mondige patiënt’ – Over ziekte, zorg en lijden, ‘Wolf in schaapskleren Poetin’ – Over de omstreden Winterspelen, Oekraïne en MH17, Zomer, ‘Ik ben docent, geen astronaut’ – Over de zesjescultuur en de overwerkte docent, ‘Was will das Weib’ – Over feminisme en het glazen plafond, Herfst, ‘Tijd voor een nieuwe traditie’ – Over Zwarte Piet, Kerst en vuurwerk.
Uit het scala van brieven aan de krant pik ik er nu een viertal en de volgende weer. Opdat u de smaak te pakken krijgt! De opschriften gaan als ‘Dapper en verstandig mens’ (1), ‘Nee, ik wenste zijn dood niet voor mezelf’(2), ‘Gooi problemen van politiek niet over de rechters schutting’ (3) en ‘Trots komt pas na de winst’ (4). U zult met mij niet alleen in de bekoring geraken van het vernuft van de briefschrijvers maar ook van hun taaltalent, originaliteit en opmerkzaamheid. U gaat een goed boek lezen!
1 – ‘Els Borst heeft veel betekend voor mensen met hiv. In de jaren negentig werd duidelijk dat de vermenigvuldiging van het aids-virus met een ‘cocktail’ van drie geneesmiddelen doeltreffend en langdurig kon worden afgeremd. Wij hebben toen met het AidsFonds en de hiv Vereniging Nederland een lobby gevoerd om deze middelen vervroegd toe te laten. De ambtenaren van vws hadden er geen oren naar. Het was om moedeloos van te worden: iedere aids-behandelaar had patiënten die zonder de nieuwe behandeling morgen konden overlijden. Alles veranderde toen we directe toegang kregen tot minister Borst. Zij belegde een bijeenkomst met de relevante ambtenaren, de voorzitter van het AidsFonds, de voorzitter van de hiv Vereniging en ondergetekende. Het leek wederom een patstelling te worden, maar toen een van de ambtenaren voor de zoveelste keer zijn bezwaren begon te uiten, onderbrak zij hem en zei: ‘Maar jij hebt geen aids.’ Ik krijg nog kippenvel als ik aan dat moment denk. De nieuwe hiv-remmers kwamen beschikbaar en tientallen mensen werden gered. Dankzij de verstandige en dappere Els Borst.’ Joep Lange.
2 – ‘In een interview met schrijfster Annemarie Haverkamp over haar gehandicapte zoontje Job (€) stelt Haverkamp dat ouders die de dood voor hun gehandicapte kind wensen dit vooral voor henzelf willen en niet voor het kind. Dit is totaal onwaar en doet al deze ouders tekort. Zelf heb ik 10,5 jaar lang mijn zwaar gehandicapte engeltje Jonathan mogen verzorgen en omringen met liefde. Jonathan heeft 10,5 jaar lang geleden. Het ene uur zwaarder dan het andere, de ene dag meer dan de andere en heel soms een paar dagen achter elkaar niet. Ik leed machteloos mee. Mijn liefde voor hem stroomde ondanks de ongelooflijk zware verzorging. Maar mijn liefde kon zijn lijden niet voorkomen. Ja, ik wenste een einde aan zijn lijden en zag slechts de dood als oplossing. Al wist ik dat mijn lijden met zijn dood niet zou stoppen. Sinds zijn overlijden, nu bijna twee jaar geleden, is Jonathan te moeten missen onverdraaglijk en ondraaglijk. Mijn armen zijn leeg. Mijn buik doet pijn. Ik leef zonder werkelijk te leven. Dat Jonathan nu niet meer lijdt, biedt mij geen enkele troost – maar voor hem weet ik dat er verlossing is gekomen. Ik wenste hem niet dood om mezelf een beter leven te gunnen. Integendeel. En datzelfde geldt voor andere ouders’. Suzanne Kuik, Slochteren.
3. Iedereen voelt wel aan wat de werkelijke reden is waarom sommige politici Volkert van der G. niet op verlof willen zien gaan: men vindt de straf te laag, de woede over het delict is nog onvoldoende gekalmeerd, er is nog niet straf genoeg vergolden. Dat is dan jammer. In een rechtstaat bepaalt immers maar één instantie welke straf in een concreet geval passend is: de strafrechter. Dat is twaalf jaar geleden gebeurd, en het past een staatssecretaris niet met kunstgrepen de boel te traineren, zoals door het oneigenlijk gebruikmaken van de bevoegdheden die hij heeft bij het toekennen van verlof. Traineren is wel precies wat hier gebeurt. Iedereen wist dat Volkert ooit op verlof zou moeten. Hij komt er al ongeveer een jaar voor in aanmerking. In mei komt hij bovendien toch op vrije voeten, en het is voor Volkert én de maatschappij beter, net als bij iedere gedetineerde, als hij niet cold turkey op straat wordt gezet. Het werkelijke probleem is dat staatssecretaris Teeven er niet voor terugdeinst om problemen die zijn imago als crimefighter kunnen schaden als een hete kroket in de handen van de rechter te duwen. Als die dan een beslissing neemt die iedere wel ingevoerde jurist al van kilometers afstand aan had zien komen, veinst Teeven dat hij zeer onaangenaam verrast is. Rutte maakte het met een misschien iets te eerlijk antwoord duidelijk: als Teeven verlof had verleend zou hij ‘een groot politiek probleem hebben gehad. Maar nu ligt er een gerechtelijke uitspraak.’ Dus, zo probeerde Rutte aan het Nederlandse volk uit te leggen, nu kunnen wij politici er ook niets meer aan doen. Reken ons er alsjeblieft niet op af. De rechter is er om te beslissen in situaties waarin twee partijen allebei denken dat ze gelijk hebben, maar het desondanks niet eens zijn. Rechterlijke procedures zijn er niet om nog maar eens een keertje tijd te rekken. En rechterlijke procedures zijn er al helemaal niet voor bedoeld om je eigen problemen over de schutting te gooien zodat je straks de rechter de schuld kan geven als hij zegt wat politici hadden moeten doen.’ Lucas Noyon.
4 ‘De prestatie van Louis van Gaal en zijn mannen is er één van de buitencategorie, dat moge duidelijk zijn. Binnen- en buitenlandse kranten openden zaterdag groots met pakkende koppen, de publieke omroep sprak over kunst, de bbc noemde het Dutch Wonderland: Nederland en de wereld raken niet uitgepraat. We horen weer bij de kanshebbers en we zijn maar wat trots op ónze jongens. Was het Nederlandse volk, dat vrijdagavond de polonaise liep, niet hetzelfde publiek dat de handdoek min of meer al in de ring had gegooid na de stroeve oefenwedstrijden en op voorhand geen cent durfde te geven voor een positief resultaat tegen de Spanjaarden? En werd Van Gaal niet afgeschilderd als een verstrooide prepensionado en bespot om zijn totale mens-principe? Nu er één degelijke overwinning is geboekt staat het volk en medialand plotseling weer als één man achter ‘onze jongens’. Ik durf te wedden dat geen enkele ‘voetbalkenner’, in wat voor voetbalpoultje dan ook, Nederland op winst heeft gezet. Behalve Van Gaal, die nu een lange neus trekt naar heel Nederland.’ Johan Krijger.
Een super gaaf kijk- en leesalbum heb ik voor u een lust voor ieders oog en een streling van ieders gemoed is. Ik haast mij aan de lovende woorden toe te voegen dat het plaatwerk voor jong en oud is. Het gaat om het 78 grote bladzijden tellende, doorlopend kleurrijk geïllustreerde Het meisje met de parel en andere verhalen samengesteld door een fors aantal auteurs van kinderboeken en uitgegeven door Leopold en Mauritshuis. Met de ondertitel ‘Over de meesterwerken van het Mauritshuis’. Op de harde cover - met wat iconen uit het monumentale, markante, majestueuze Haagse museum – staat het: ‘Wat doet die kikker bij de stier van Paulus Potter? Wie heeft zich verstopt om te ontkomen aan de luizenkam? Waarom fluit het puttertje van Carel Fabritius? En wie is verliefd op het meisje met de parel? Over de meesterwerken van het Mauritshuis zijn vele verhalen te vertellen. In dit boek brengen de beste kinderboekenschrijvers de wereldberoemde schilderijen tot leven. Lees je mee?
Onze kleindochter Fien van zeven uit Vleuten kenmerkt zich door het maken van tekeningen op grote witte vellen papier. Zo verheugde zij ons vorige week tijdens een verjaarsparty in het Japanse restaurant Kyoto aan Straatweg 107 in Rotterdam op de silhouetten van alle vijftien tafelgenoten. Het mooie was voor ons als grootouders dat tot in de kleinste details de outfit van de geschetste familieleden weergegeven was. Fien merkt op, legt vast, etaleert en reikt uit. Zodat de gasten op de dag van 14 februari vereeuwigd zijn. Onze oudste kleindochter Sarah van achttien lentes studeert Illustratie aan de Kunstacademie AKV St. Joost in Breda. De keren dat wij als grootouders haar ontmoeten, vertelt zij immer vol geestdrift over de vorderingen aan de Academie voor Kunst en Vormgeving, gehuisvest in een voormalig seminarie aan de rand van de stad. Aan Sarah als kenner legde ik eerder ‘De verbeelders’ en ‘Kinderprenten, Volksprenten, Centsprenten, Schoolprenten’ en zij was enthousiast over opzet en uitvoering van dit memorabele werk over ‘Nederlandse boekillustratie in de twintigste eeuw’.
Het spreekt voor zich dat ik het oogstrelende Het meisje met de parel en andere verhalen ook aan Sarah ter beoordeling ga voorleggen en derhalve is het voor ons wachten op de berichten van haar en Fien. Met hun reacties als bagage gaan wij later een tocht maken door dit werk dat allereerst aan de kids uit de doeken doet hoe te kijken naar meesterwerken uit vooral de Gouden Eeuw. De schare aan 26 auteurs vertelt ieder voor zich een verhaal over een inmiddels beroemd geworden doek van toen. Dat doet o.a. Floortje Zwigtman bij een schilderij van Jan Steen, Anna Woltz bij Hans Holbein de Jonge, Ted van Lieshout bij Carel Fabritius, Gideon Samson bij Johannes Vermeer, Hans Kuyper bij Jacob van Ruisdael, Frank van Pamelen bij Rembrandt van Rijn, Selma Noort bij Gerard ter Borch en Joke Reijnders bij Peter Paul Rubens. Om u de smaak van die honing te doen proeven geef ik u integraal het eerste stuk van Imme Dros. Zij vertelt onder de titel ‘Hier in Delft’ een tintelend verhaal bij ‘Gezicht op Delft’ uit circa 1660 van Vermeer.
Vorig jaar juni, op vrijdag de 20ste om precies te zijn beleefde ik met vele collega’s van de pers de preview van het Hollands- classicistische kloeke, oogstrelende, in gelige kleur gehulde gebouw op het Plein in Den Haag: het Mauritshuis. Na een tijdspanne van een tweetal jaren renovatie en verbouwing was de klus naast het Torentje van premier Rutte geklaard. En hoe! Het museum verdubbelde in die periode in oppervlakte doordat een deel van het Art Deco pand aan de overzijde betrokken kon worden. Ik citeerde bij die happening woorden van de directeur Emilie Gordenker en rakelde ze op. Als hommage aan haar en aan de cover met o.a. de beeltenis van ‘het meisje met de parel’ ga ik terug naar die artistiek getinte ontmoeting. Maar nu wil al gezegd hebben dat ons Het meisje met de parel en andere verhalen zich onderscheidt door prachtige kleurrijke reproducties op glanzend papier. Met als uitschieters de grote items van ‘Gezicht op Delft’, ‘De stier’, ‘Het putterje’ en ‘Gezicht op Haarlem met bleekvelden’. Hoe mooi kunnen ook reproducties zijn!
Bij de preview trok ik in mijn uppie door de gelukkig klein gebleven zalen, naar de optrek met o.a. ‘Meisje met de parel’ en ‘Gezicht op Delft’ van Johannes Vermeer, met de woorden van Emilie Gordenker in het gemoed: ‘We gaan ervoor zorgen dat er niet te veel mensen in één keer in die zaal aanwezig zijn. Ik wil dat mensen de Vermeers tot zich kunnen nemen in een mooie, intieme sfeer.’ Toen ik op de drempel stond om zaal 15 te nemen, vertoefde daar de frêle grande dame om te poseren voor het ‘Meisje’ uit ca.1665. Een paar uur daarna zag ik in NRC Handelsblad de geschoten kiek: een blij kijkende vrouw van nu in pose voor het over de schouder blikkend meisje van toen. Zij brachten elkaar door de tijd een saluut. Dat ‘Meisje met de parel’ verheven is tot het icoon van het Mauritshuis is o.a. hieraan te danken dat het zogenaamde publiek het in 2006 volgens het dagblad Trouw koos als allermooiste van Nederland. Onder het motto van ‘Dit schilderij heeft altijd iets nieuws te vertellen’. In AD De Dordtenaar las ik een dag later een breder bericht onder het kopje ‘Meisje met de parel: tijdloze Mona Lisa’. Ik citeer integraal:
‘Samen met ‘Het Puttertje’ van Carel Fabritius, dat dankzij de gelijknamige bestseller van Donna Tart een sterrenstatus geniet, is Vermeers ‘Meisje met de parel’ uit 1665 het bekendste pronkstuk van het Mauritshuis. Het doek is een zogeheten tronie, ofwel geen portret van een bestaand persoon, maar een studie van een gelaatsuitdrukking of menstype. In een door dagblad Trouw georganiseerde verkiezing werd ‘Meisje met de parel’ uitgeroepen tot mooiste schilderij aller tijden. Ook mondiaal is het doek bekend en geliefd, dankzij de roman Girl With A Pearl Earring van Tracy Chevalier en een verfilming van dat boek, met Colin Firth en Scarlett Joansson in de hoofdrollen. In de kunstwereld wordt deze Vermeer vaak in een adem genoemd met de ‘Mona Lisa’, waarbij over de ‘Mona Lisa’ wordt gezegd dat het een schilderij is van het verleden, terwijl Vermeers ‘Meisje’ wordt gezien als een schilderij van alle tijden. Wat ‘Meisje met de parel’ ook gemeen heeft met de ‘Mona Lisa’ is dat het vragen oproept. Hoe heeft Vermeer het voor elkaar gekregen dat de ogen van het meisje de bezoeker, waar die zich ook in de zaal bevindt, altijd indringend aankijkt? Waarom zijn haar lippen vochtig? Waarom die tulband en exotische kleren? En bovenal: wie is het? Mysteries die uitnodigen tot meerdere kijkbeurten, omdat het telkens iets anders lijkt te zeggen.’
Dat ‘Meisje met de parel’ van Vermeer schrijvers van verzen weet te inspireren wil ik illustreren met twee gedichten: Onmogelijke liefde van Daan de Ligt en Meisje met de parel van Vera De Brauwer.
Onmogelijke liefde
je houdt me met een stille blik gevangen
en staart me met bevroren ogen aan
betoverd blijf ik zwijgend voor je staan
in twijfel tussen schaamte en verlangen
het lijkt alsof je heim’lijk om me lacht
plezier beleeft aan een hardvochtig spelen
een minnaar die je nooit zal mogen strelen
en die zo kansloos op een teken wacht
je schepper is een kunstenaar geweest
op zijn palet begon jouw eeuwig leven
zijn hand werd kalm bewogen door de Heer
als meester van z’n artistieke geest
hij heeft je zoveel schoonheid meegegeven
mijn teer beminde meisje van Vermeer
Meisje met de parel
Hij kiest op zijn palet het zachtste roze
om haar tranen te bedekken
streelt hij met penseel haar wangen
overschildert zorgen
toetst glimlachjes in haar ogen
kaatst zon naar haar weemoed
zij houdt haar lippen licht uiteen
alsof het slechts om een moment
van verbazing gaat en niet om uren
waarin zij voor hem
het meisje met de parel wil zijn
of liever nog de parel
geborgen in het schrijn van zijn vergetelheid
Nu Imme Dros met Hier in Delft:
‘Hannes zegt dat er meer zee is dan land. Hannes is mijn neef en hij weet alles. Hannes is zestien, zie je. Mijn vader wil niet dat ik naar Hannes luistert. Maar Hannes weet dingen. Hannes is verder geweest dan Delft. Toen hij acht was, liep hij weg van huis. Later, toen hij terugkwam, kende niemand hem meer. Alleen mijn tante riep: ‘Hannes! Hannes! Waar was je?’ Hij was op een schip naar de Oost. De Oost is een gruwelijk eind weg. Zegt Hannes. En alles is daar anders. Zegt Hannes. Bomen, huizen, mensen, beesten. Alles. En licht daar, dat is pas licht. En de kleuren daar, dat zijn pas kleuren. Zegt Hannes. Kleuren hier? Waardeloos. Dat zijn toch geen kleuren! Het is toch of er stof op ligt of damp of dat ze in de was zijn verschoten. Kleuren hier zijn vale kleuren, doffe, stoffige, modderige kleuren, schimmen van morsdooie kleuren. Nee, dan daar in de Oost. Daar is blauw allemachtig blauw. Daar is geel verschrikkelijk geel. Daar is rood niet te geloven zo rood. Als je in de leer wil bij een kladschilder dan moet je dat zien. Zegt Hannes. Daarom sta ik bij de Kolk. Hier komen schepen. Ze gaan niet naar de Oost, maar wel naar Delfshaven. Naar schepen die naar schepen gaan die naar de Oost gaan. En ik heb zoveel mogelijk bij me. Hannes zegt dat hij te weinig bij zich had toen hij wegliep, dat hij het nu wel anders zou doen. Alleen werkt hij nu bij de brouwerij. En hij heeft verkering met Betje Jansdochter. Hij hoeft ook niet meer zo nodig. ‘Want,’ zegt Hannes, ‘het gaat er hard toe op een schip. Ze slaan je om alles en het eten is niet te vreten. En er zijn ratten.’ Ik ben niet bang voor ratten. Ik wil de kleuren zien. De zon is allang op en nog steeds wacht ik op een schip. Over het water van de Schie staar ik naar de brouwerij, waar Hannes alweer aan het werk is, en naar de Kethelpoort en de Schiedamse Poort en de Rotterdamse Poort en de toren van de Nieuwe Kerk en weer terug. Tot vervelens toe.
Het is waar wat Hannes zegt. Het licht hier bokst tegen de wolken aan, en de kleuren in al die schaduw eronder zijn troebel als onder modderig water. Ik knijp mijn ogen stijf dicht maar achter mijn oogleden branden nog steeds de brouwerij en de poorten en de toren van de Nieuwe Kerk. Maar dan, als ik weer kijk, zie ik opeens bij stukjes em beetjes kleuren opspatten tussen de donkere schaduwvlekken. Allemachtig blauw, verschrikkelijk geel en niet te geloven rood, in een licht dat zo fel schittert vanachter, vanonder, van boven dunne en dikkere wolken en vanuit het water van de Schie, dat het pijn doet. En in de schaduwplekken verschuilen zich wel honderd kleuren! Mijn vader heeft gelijk. Hannes kan me nog meer vertellen. Ik hoef niet op een rattenschip naar de Oost. Alle kleuren zijn hier. Alles is hier. Gewoon in Delft.’