20-08-2014

Cultuurmix 20 augustus 2014

Wat een echte pageturner is beleefde ik die zonnige dag in onze achtertuin. Ik las de 216 bladzijden van de psychologische thriller in één ruk uit. Ik heb het over Het appartement van Tatiana de Rosnay en van uitgeverij Artemis & co. Als er bij u een bel gaat rinkelen is dat terecht, want van deze Franse schrijfster met geboortejaar 1961 en met Engelse, Franse en Russische roots mocht ik eerder bij u introduceren de romans Haar naam was Sarah en Het huis waar jij van hield.

In het zogenoemde voorwerk geeft de schrijfster van alleen maar bestsellers haar credo af en weer blijkt dat zij in de werkelijkheid de inspiratie vindt. Maar nu niet in die van anderen in het verleden maar in die van het eigen heden. Op de omslag zien wij een fraai gevormde vrouw een stenen trap op gaan, in de opdracht lezen wij dat de ex-buurman meneer X Tatiana een heel jaar lang uit de slaap heeft gehouden en zo haar zonder dat hij wist op het idee gebracht heeft van deze roman. Ook vernemen wij dat Het appartement tevens is opgedragen aan Tatiana’s huisgenoten. De drie motto’s wekken ook de spanning, dus de drang om verder te lezen, want die gaan als: ‘De hel, dat zijn de anderen’, ‘Komt de nacht, slaat het uur’ en ‘Strafbaar is eenieder die in de privé- dan wel openbare ruimte zo veel geluid veroorzaakt dat het aanhoudende karakter, de herhaling en de sterkte ervan een bedreiging vormen voor de rust en de gezondheid van de omwonenden.’

Dan begint de story met een soort van proloog waarin een ‘zij’ bijkans door een bedspiraal tegen de grond wordt gedrukt door een ‘hij’. In het verhaal zelf komen illustratie, opdracht, motto’s en voorspel bij elkaar. Hoofdpersonage Colombe Barou, huisvrouw en ghostwriter, verhuist met echtgenoot Stéphane en tweeling Oscar en Balthazar naar een appartement aan de Avenue de La Jostellerrie in Parijs en wordt voortdurend midden in de nacht gekweld door bovenbuurman arts Faucleroy. De man wordt een obsessie voor Colombe, die door het leven dient te gaan als een vrouw van de schaduw, zo’n vrouw die zelden uit haar vel springt en altijd klaarstaat voor een ander, de ideale buurvrouw. Colombe is onopvallend, de blik van anderen blijft niet op haar rusten, wordt door niets geboeid. En zij doet niets om hem vast te houden, In het doen en laten van deze keurige persoon van in de dertig barst de bom als zij in de ban en obsessie geraakt van een belagende man.

Het gaat niet aan dat ik u het verloop van Het appartement vertel, want het is een thriller die voor u spannend moet blijven. Ik wil wel gezegd hebben dat Tatiana de Rosnay zich heeft laten leiden door eigen ervaringen, dat zij soepel schrijft, dat zij haar verhaal goed opbouwt en dat zij een meesteres in taalvondsten is. Zelf bleef ik na lezing met een open eind zitten: is Colombe het slachtoffer van waanideeën of van werkelijke tirannie? Ik ga voor mijn eerste optie. En u?

Nu een van de eerste nachtelijke kwellingen van Colombe. Ik citeer:

‘Colombe schiet overeind, doet haar ogen open. Een elektrische gitaar verscheurt de stilte. 03:16. Begint het weer? Deze keer hoeft ze het licht niet aan te doen. Het komt van boven, het is muziek, rockmuziek. Rechtop zittend in bed luistert ze. Het klinkt steeds luider, de gitaar speelt steeds harder, de bas valt in, de drum volgt. Wat is daarboven gaande? Wie luistert er nu op zo’n onchristelijk uur naar zulke muziek? Dat kan toch niet, daar wordt de tweeling wakker van en die moet morgen naar school. Ze springt uit bed en loopt de gang op. Maar daar klinkt de muziek al veel minder hard. Voor de deur van de jongens aan de andere kant van het appartement is hij niet meer te horen. De muziek komt van de kamer direct boven die van Colombe. Woedend kruipt ze weer in bed. Hoe kan ze slapen met zo’n herrie? Oordopjes? Nee, dan hoort ze het niet als een van de kinderen haar nodig heeft. En zoals gewoonlijk is Stéphane niet thuis. Wat moet ze doen? Ze kan toch moeilijk in haar T-shirt naar boven gaan en aankloppen bij een buurman die ze nog nooit van haar leven heeft gezien. Een arts, herinnert ze zich ineens. Dat hadden de jongens verteld op de dag van de verhuizing. Wel een rare arts. Heeft hij enig idee hoeveel lawaai hij maakt? De cd is afgelopen, geen muziek meer. Colombe wacht, hoopt en glimlacht dan. Mooi, het is voorbij, ze kan weer gaan slapen. Ze trekt het dekbed over zich heen en doet haar ogen dicht. Maar dan wordt de cd weer opgezet en klinkt de muziek nog harder. Verward tilt ze haar hoofd op van het kussen. De muren trillen van de bassen; die hebben de kracht van een Dikke Bertha. Colombe voelt ze in de veren van haar matras, zelfs in haar ruggenmerg. De zanger brult, alsof hij daar, pal voor Colombes bed, alleen voor haar in zijn microfoon staat te schreeuwen. Hij heeft een bijzondere stem. Nog voor ze op zijn naam komt, ziet Colombe ineens een enorme mond met sensuele lippen, en suggestieve heupbewegingen. Natuurlijk! Mick Jagger. The Rolling Stones. I can’t get no satisfaction I can’t get no satisfaction And I try and I try and I try and I try I can’t get no satisfaction. 

Een verkrachting van het gehoor. Keihard penetreren de decibellen haar lichaam. In het holst van de nacht doet de vijand een inval, als de geallieerden op Omaha Beach. Hij neemt bezit van haar slaap, van haar bed, van haar oren. Daar valt niet tegen te vechten. Ze moet wachten tot het voorbij is. Verlamd en gek van het oorverdovende lawaai herhaalt ze steeds weer: wachten, en dan slapen. Wachten. Slapen. Maar Jagger schreeuwt drie, vier, vijf keer achter elkaar dat hij niet is bevredigd. Tot vier uur ’s ochtends.’ 

 OORLOGSMYTHEN

Een boek dat de maanden oktober en november van dit jaar u meer vreugde en inzicht zal geven heb ik voor u. In die periode wordt immers in het kader van de zevende editie van de manifestatie Nederland Leest de roman De donkere kamer van Damocles van W.F. Hermans uit 1958 aan de leden van de openbare bibliotheken ten geschenke gegeven. Om uw leesplezier en perceptie nog te vergroten is daar nu al Oorlogsmythen van Ewoud Kieft en uitgeverij De Bezige Bij. De ondertitel van het 286 bladzijden tellende werk dat ik in één ruk tot mij nam, illustreert de relevantie en de actualiteit ervan, want die gaat als ‘Willem Frederik Hermans en de Tweede Wereldoorlog’.

En ook het terugwerkende effect: had ik immers bij mijn eerste lezing van De donkere kamer van Damocles kennis van het gedachtegoed van Kieft gehad, dan had ik geen bokken geschoten op het kandidaatsexamen Nederlandse Taal- en Letterkunde op de Utrechtse universiteit. Het was 1972 en professor Sötemann vroeg Wittgensteins citaat te parafraseren dat Hermans het jaar daarvoor aan de tiende druk van zijn De donkere kamer toegevoegd had: ‘Ik kan hem zoeken als hij er niet is, maar hem niet ophangen als hij er niet is. Men zou kunnen willen zeggen: ‘Dan moet hij er toch ook zijn als ik hem zoek.’ Dan moet hij er ook zijn als ik hem niet vind, en ook als hij helemaal niet bestaat.’ Het antwoord waarop vergeefs gewacht werd was: taal verwijst niet naar werkelijkheid. Ik kwam er toen niet uit en al die decennia daarna eigenlijk ook niet, tot Kieft mij deze week op zijn blz. 163 aan de hand deed dat de filosoof wilde zeggen dat ons brein de neiging heeft om eigen waarheden te creëren. Met andere woorden; iedereen kijkt op de eigen wijze naar de werkelijkheid, nog preciezer: elk mens schept de realiteit die met woorden niet te vatten is.

Zo kom ik op een schrijnend gebeuren dat zich op 17 juni 1944 voordeed in mijn geboortedorp Kralingseveer. Ik herinner me levendig hoe ik in de voorkamer naast mijn vader stond, die verbijsterd toekeek naar wat zich in de namiddag op het Elandplein voordeed. In een groengrijze Duitse overvalwagen werd zijn baas Hendricus Wegeling met de handen in de nek ruw over de laadklep geduwd. De veertiger en zijn kompanen waren in de drukkerij op heterdaad betrapt toen zij het illegale blad Trouw aan het vervaardigen waren. De SD en de SS hadden weer vuil werk verricht. De mannen werden naar Kamp Amersfoort weggevoerd en belandden daarna in het concentratiekamp Vught waar zij op 11 augustus geëxecuteerd werden. Wegeling was het slachtoffer van een verrader die later door het verzet geliquideerd zou worden. Nu de visies op het noodlottige voorval. Mijn vader heeft het in zijn memoires over het verzoek dat Wegeling aan hem die zaterdagmorgen in juni aan hem richtte om een hand te helpen bij het voor de eerste keer drukken van Trouw. Mijn vader weigerde met de woorden dat hij de zaak niet vertrouwde omdat hij een groepje mannen op de dijk een paar dagen daarvoor zich wat vreemd had zien gedragen. Vader hielp wel een paar uur Wegeling op weg omdat die al lang niet meer achter de drukmachine gestaan had, maar vertrok toen de echte klus begon. Vader Kaptein ging niet in het verzet, mede omdat hij thuis aan de Lamastraat een vrouw met twee kinderen had. Hij bleef later met zijn weigering vrede houden.

Op internet lees ik een neef van Wegeling dat bij de arrestatie van zijn oom een bedrag van bijna drieduizend gulden gevonden was, dat hij waarschijnlijk ontvangen had als betaling voor het drukken van Trouw. Ook zou Wegeling volgens de oma van de neef op transport naar Duitsland gesteld zijn, wat overigens in het stuk weersproken wordt. In een editie van het blad IJssel- en Lekstreek uit 2010 lees ik een passage uit een brief die Wegeling vanuit Amersfoort naar zijn vrouw stuurde, Daarin staat o.a. dat hij zijn heil zoekt bij God. Het is heel goed mogelijk dat hij bij zijn activiteiten geïnspireerd werd door zijn geloof, dat hij zich liet leiden door hogere idealen. Zijn schoondochter Jenneke Wegeling-Klingenberg zegt in het bijbehorende artikel dat de burgemeester van Capelle a/d IJssel Verloop in de loop van augustus 1944 aan mevrouw Toos Wegeling kwam vertellen over de fusillade van haar man. Mijn vader heeft het over 1945, dus na de bevrijding. 

Ik wil maar zeggen dat iedereen zijn eigen perceptie van de werkelijkheid heeft en dat iedereen vrij is in de keuze van zijn daden. Zo kom ik bij thema’s die Kieft stelt: zijn de burgers in de jaren ’40-’45 het verzet ingerold, hebben zij bewust ervoor gekozen, hebben zij het uit winstbejag gedaan, hebben zij vanwege het geloof die kant gekozen, hebben zij ervan afgezien vanwege hun geliefden, handelde het verraad uit het principe van het nazisme of wilde men het hachje redden? Een volgende keer wil ik met u een tocht maken door Oorlogsmythen dat na de Inleiding vijf hoofdstukken kent: De mythe van het verzet, Idealisme en totale misantropie, De onkenbaarheid van de geschiedenis, De oorlog en de politiek, De mens zonder mythen. Waarbij ik gezegd wil hebben dat Kieft een andere visie op het oorlogsgebeuren suggereert dan Hermans: de mannen en vrouwen die al of niet in het verzet gingen of landverraad pleegden, hebben daar bij het volle verstand voor gekozen. Zo diens grootvader die uit geestelijke overtuiging voor weerstand tegen de Duitsers koos en dat met de dood moest bekopen. Ik haast mij echter te zeggen dat alleen de ware motivatie van de opa niet te achterhalen is. Hoogstens kunnen wij gissen. Ik las vorige week het stuk; ‘Het enige pistoolschot’ uit de bundel Door gevaarlijke gekken omringd uit 1977 van Hermans. De schrijver herinnert zich een voorval van dat op de tweede dag voorviel in de Amsterdamse Pieter Langendijkstraat. Hermans heeft het over een NSB-boekhandelaar die gezocht wordt door de politie. Als een agent onverrichter zake uit diens winkel komt en op de fiets wegrijdt, haalt hij zijn pistool tevoorschijn en schiet in de lucht. Tot op de dag van schrijven is het Hermans het waarom niet duidelijk. Overigens: hij begint zijn terugblik met: ‘De meimaand nadert en dan gaan de gedachten van iedereen die in 1940 al met open ogen rondliep, terug naar onze vijfdaagse heldenstrijd tegen de ‘horden van Hitler’’. Hermans’ entree loopt over van cynisme, waardoor hij ons op het verkeerde been kan zetten. Zo ook met de ouverture van De donkere kamer van Damocles: ‘Dagenlang zwierf hij rond op zin vlot, zonder drinken. Hij stierf van dorst want het water van de oceaan was zout. Hij haatte het water dat hij niet drinken kon. Maar toen de bliksem in zijn vlot sloeg en het vlot in brand vloog, schepte hij dat gehate water met zijn handen op, om te proberen de brand te blussen!’ De werkelijkheid is hier ongrijpbaar. 

HALVERWEGE DE HEUVEL

Met de regelmaat van een goedlopende klok reikt de postbode een boek aan dat mij van meet af aan in de ban heeft. Die heerlijke happening overkwam mij deze week toen de immer voortvarende en voorkomende man mij de romanHalverwege de heuvel van Gio Lippens en van uitgeverij Atlas Contact in de handen schoof. Het verhaal op de 237 bladzijden bood mij naar vorm en naar inhoud een ware surprise, want het echt spannende verhaal is in literaire taal verpakt.

Om maar bij dat ‘spannend’ te beginnen. Ik voelde steevast de drang om verder te lezen, want Lippens had mij in de greep met zijn relaas over de lotgevallen binnen een en dezelfde familie in de mijnstreek van Limburg, waar geregeld tijdens koersen op de pedalen gestaan wordt. Zo ook door de broers Albert en Frans die elkaars kompanen op het zadel en tussen de wielen zijn. Zij figureren respectievelijk als de vader en de oom van de ‘ik’, wiens moeder Ana Maria de vierde in het taalspel is. Voor ik aan een boek begin laat ik mij leiden door de zogenoemde voorinformatie. De auteur Gio Lippens deed bij mij geen bellen rinkelen, de uitgeverij koester ik omdat zij een fonds heeft opgebouwd van werken die er echt toedoen. Vervolgens  zijn er illustratie en tekst op de omslag die wel eens functioneel zijn, dus iets zeggen over het verhaal zelf. Ik zag het oogstrelende beeld van een fiere, in blauw gehulde naar de verte blikkende jonge vrouw voor een wei met prikkeldraad. Zo las ik de lovende zin van de schrijvende sportfanaat Bert Wagendorp: ‘Wat een prachtig en meeslepend verhaal. Het leven, de koers en de klassieke thema’s liefde, verraad en wraak, even soepel als gruwelijk in elkaar geschoven.’ Zo las ik de wervende zin van een van mijn favoriete  schrijfsters Yvonne Kroonenberg: ‘Ik zag ze voor me: die bonkige vader, die geschonden zoon, hulpeloos met elkaar verbonden door hun liefde voor de moeder, wielrennen en een gruwelijk geheim.’

Het gaat niet aan dat ik in extenso verslag doe van mijn tocht door Halverwege de heuvel. Dan neem ik de spanning weg. Wel wil ik gezegd hebben dat Gio Lippens meesterlijk de literaire stijlmiddelen beheerst als daar zijn thema, motieven, vertelinstantie, karakterbeschrijving, tijd, ruimte en verhaalconventie. Het is adembenemend hem te zien jongleren met bijvoorbeeld motieven als verkrachting, abortus, overspel, suïcide, passie, liefde, genegenheid, relatie ouder/kind. Lippens – hij is van 1958 – doseert uitbundig met elementen die het verhaal op gang moeten houden. Hij doet dit echter zo vakkundig en zo doordacht dat ik tot  het opbeurende inzicht gekomen ben dat ik in hem een groot schrijver van eigen bodem heb leren kennen. Hij verstaat de kunst een goed verhaal te vertellen en dat in taal die klip en klaar is maar zonder ophouden mooi en machtig straalt. Ik zal u dit etaleren door de proloog te citeren die zeker bij u spanning zal wekken.

Gio Lippens begint zijn Halverwege de heuvel zo: ‘Ana Maria schrok van een geluid in de gang, beneden in het huis halverwege de heuvel. Ze sloop op blote voeten de slaapkamer uit en hoorde voetstappen, klikkend als het onhandige loopje van een wielrenner op koersschoentjes. Dat was vertrouwd, maar het kon hem niet zijn. Albert was aan het werk. Gespannen wachtte ze op wat komen zou. Een deur ging open en weer dicht. Het geklik kwam dichterbij. Nog even, dan zou ze zien wie er onder aan de trap zou verschijnen. Ze was lichtelijk nerveus, maar had geen angst. Een vage glimlach verscheen rond haar mond toen ze zijn stem hoorde. ‘Ana Maria, ben je daar?’ Ze reageerde niet. Klik, klik, klik, klonk het van beneden. Hij stak zijn hoofd om de hoek van de trapopgang en keek onzeker naar boven. Zijn blik gleed schichtig langs haar lichaam. Het was alsof zijn slanke vingertoppen haar huid beroerden. Toen pas besefte ze dat ze nauwelijks gekleed was. Een dun wit nachthemdje met lichtblauwe bloemetjes. Een slip. Verder niets. Ze voelde geen schaamte, toch rilde ze. Hij was gewond. Bij zijn schouder was het wielershirt gescheurd en had zich een bloedrode vlek gevormd. Ze huiverde even toen ze geschaafd vlees zag. Het liefst zou Ana Maria de trap afstormen, zo snel mogelijk naar hem toe. Toch zette ze uiterst beheerst de tenen van haar rechtervoet op de bovenste trede. Gracieus schreed ze naar beneden, stapje voor stapje.’

Mijn bedoeling is dat u de smaak van Gio Lippens te pakken krijgt. U wilt gewoon weten wie daar gehavend de trap in het huis van echtgenote en moeder Ana Maria opkomt om zich te laten verzorgen. Aan het finish van het verhaal - dat een gesloten eind kent omdat alle vragen van een goedwillende lezer opgelost zijn – komt deze scène terug. Het is oom Frans die het spel van de overspelige passie speelt en daarmee zijn broer Albert opzij zet. Het ik-personage ontdekt dan een familiegeheim.