
Een kijk- en leesalbum heb ik voor u dat een wervelende, lees: kleurrijke, blik achter de coulissen van een arsenaal van rondtrekkende attracties en kramen in de openlucht offreert. Het gaat om het 208 grote bladzijden tellende Van de reis van foto-essayist Jac. Weerts en van uitgeverij Thoth met de ondertitel ‘De kermis, het circus en de mensen’. Om de sfeer meteen te zetten staat op de harde cover de beeltenis van David Prostetsov bij Circus Renaissance. In zijn karakteristieke outfit, omringd door circusattributen, is hij een van de dragers van ‘immaterieel erfgoed’. Om het laatste in mijzelf een plaats te geven ga ik terug in de tijd. Mijn jonge jaren mocht ik doorbrengen in Kralingseveer en een van de hoogtepunten uit dat dorpse bestaan was de kermis op het weiland van boer Arie van der Helm. Elk jaar weer arriveerden op het veld achter het terrein van voetbalvereniging CKC de wagens met hun bewoners die ter vertier van ons een paar dagen hun opstallen met toebehoren buiten zetten. Nog zie ik voor mij het lege land na hun vertrek naar elders om daar de boel op te vrolijken. Sinds mijn heerlijke uren uit mijn jeugd op het groene gras met daarop die items van amusement heb ik een zwak voor die ‘places to be’. De draaimolens, rupsbanen, botsauto’s en spookhuizen maar ook schommels zoals de frisbee, een schommelende klepel met daaraan draaiende gondels, de Breakdance, afgeleid van de Calypso, de Triprides, de Boosters en de Capriolo's. O, ze brachten wat ze beloofden: vertier. Of het nu in Kaatsheuvel, Tilburg, Zuidlaren, Praag, Wenen of Moskou was. Dezelfde formule had steeds wel een andere uitpak.
De volgende keer wil ik met u een tocht maken door dit album dat in woord en beeld een hommage is aan de ingezetenen van kermis en circus. Vooral is het circus dan mijn optie, nu gaat het mij vooral om de kermis. Op de HBS leerde ik al van leraar De Groot dat een kermis van oorsprong een jaarmarkt is ter gelegenheid van de wijdingsdag van de parochiekerk van een plaats. Kermis is dan ook een verbastering van kerkmis of kerke-misse. Op die dag stroomde het volk samen om de patroonheilige te vereren en om zich te vermaken. In stedelijke gebieden verloor de kermis vaak zijn band met het religieuze feest dat eraan ten grondslag lag, maar in vele dorpen gaan beide nog hand in hand en gaat er op de wijdingsdag een processie uit. Kermis wordt gedurende enige dagen gevierd en het heeft zich ontwikkeld tot een commercieel evenement. Vroeger was de kermis vaak een van de weinige uitgaansmogelijkheden. Decennia terug beleefden wij naast een camping in Normandië een stille omgang achter Maria met als finish het plein van de kermis. Uiteraard ging ik met de gezinsleden met de tijd mee en ontdekten wij andere attracties als gokspellen en spelletjes waar behendigheid een rol speelt, zoals de gokautomaten, schiettenten, hijskraanautomaten, lijntrek en het eendjes vissen . Ook bekoorden ons de attracties waar zoetigheden worden verkocht. De suikerspin en zuur- en kaneelstokken zijn bekend snoepgoed op de kermis. Verder staat er doorgaans ook een gebakkraam (oliebollen), en soms een vis- of palingkraam. En ook op sommige kermissen kroegen en restaurants!
Ik wil met de uitgever zeggen dat Van de reis een metafoor is voor de zoektocht naar de plek die mensen zich in competitie moeten veroveren in een steeds veranderende wereld. Het is tevens een kleur- en contrastrijke ode aan de mensen die de wereld van vermaak, kunst en illusie op locatie tot leven wekken.’ Om dat ‘in competitie’ te verduidelijken: de Rijdende School, die de kids uit het kermis- en circuswezen bij de les houdt, heeft een onmisbare taak in deze tijden van tanende culturele en economische teruggang. Om de rijkdom en diversiteit van Van de reis te illustreren geef ik u de titels van de tien chapiters met hun scribenten. ‘Dragers van immaterieel erfgoed’ – Ineke Strouken, ‘Schouwplaatsen’ – Karel Loeff, ‘Het kind van de reis: wonen in het licht’ – Vera Mulder, ‘Vrouw van de reis’ – Kokkie Kroon, ‘Zestig jaar jongleren’ – Mathijs van den Bos, ‘Geloof’ – B. E. M. van Welzenes, ‘Vermaak, kunst en illusie’ – Wim Post, ‘The show must go on’ – Arnon Grunberg, ‘Fabeltjes en feiten’ – Jet Bakels en ‘Op- en afbouwen’ van Karel Loeff. De mensen van kermis en circus zijn immer op reis om ons te plezieren. Als een blijk van respect en dank is daar nu Van de reis dat in uitgezochte en uitgekiende woorden en beelden een loflied brengt aan die mannen en vrouwen.
Om u dit album definitief in te lokken geef ik integraal de tekst van de uitgever op de omslag. Ik had het met u over ‘immaterieel erfgoed’, het is verheven en verheffend dat wij de traditie, waarmee wij Nederlanders ons al generaties lang verbonden voelen, in Van de reis hoog houden. ‘Steeds onderweg, reizend van stad naar stad en van dorp naar dorp. Dat is het opvallendste element in het leven van kermisexploitanten, circusmedewerkers en hun kinderen. Velen staan jaar in jaar uit op meer dan veertig verschillende kermis- of circusterreinen. Het is een leven van opbouwen, kermis draaien of een circusvoorstelling geven en weer afbreken. Een bestaan van afwisseling en mobiliteit. Van de reis biedt een bijzondere kijk achter de schermen van deze geheimzinnige wereld van vermaak, kunst en illusie. Documentair fotograaf Jac Weerts heeft jarenlang in zijn caravan tussen de woonwagens geleefd - onder andere als leerkracht van de Rijdende School (een school voor kinderen van kermisexploitanten en circusmedewerkers) - en deel uitgemaakt van deze specifieke gemeenschap. Door zijn vele ontmoetingen heeft hij op diverse locaties het reizende volksvermaak op prachtige wijze weten vast te leggen. Van opbouwers, clowns en acrobaten tot circustenten, salonwagens en de ijzeren discipline van de artiesten. Dynamische, realistische en ontroerende beelden. De thematisch ingedeelde foto-essays beginnen met korte verhalen van diverse schrijvers, waaronder Jet Bakels en Arnon Grunberg.
Jac Weerts gunt de 'burger' een fascinerende blik in het leven rondom het 'Chapiteau' (circustent), het 'spul' (de attracties op de kermis) en de salonwagen (luxe woontrailer).’ U zult het met mij eens zijn als ik zeg dat wij Van de reis niet ongelezen en zeker ook niet ongezien mogen laten!

Het valt mij af en toe ten deel dat ik een dichtbundel aangereikt krijg waarvan het eerste brok verzen mij meteen naar de keel grijpt. Dat overkwam mij toen postman Ruud een pocket in het mandje voor de deur had gedropt. Ik heb het over 116 bladzijden tellende Een dichter in mijn voorgeslacht van Jan Kal en van uitgeverij Nijgh & Van Ditmar met de ondertitel ‘71 sonnetten’.
Om meteen de toon te zetten staat op de omslag een miniatuur van Willem IX de Troubadour van Aquitanie (1071-1126). Meer dan een decennium terug nam een bevriende kennis per telefoon afscheid van mij. De goede man had besloten een week later in een kleine kring van vrienden en familieleden het leven waarwel te zeggen met de hulp van een arts. Hij wilde door euthanasie – Grieks voor ‘een goede dood’ – op eigen verzoek de dood bespoedigen. Het lijden aan de ziekte en het dragen van de pijn was hem te veel geworden. Op de oktobernamiddag van zijn verscheiden liep ik in mijn uppie langs zijn etagewoning De waarde van poëzie ligt voor mij vooral in de herkenbaarheid ervan. Ik neem graag verzen tot mij die mijn eigen bestaan verwoorden. De inhoud van de gedichten moet mij aanpreken en als het even kan mijn horizon verleggen. Als dan de vorm waarin de gedachten gegoten zijn mij ook nog gerieft, zit ik helemaal goed. Zoals de ondertitel al suggereert geeft Jan Kal sonnetten af, dus vervat hij zijn ideeën en gevoelens in veertien versregels, verdeeld over twee kwatrijnen en twee terzinen. Met vaak een wending, val of chute tussen octaaf en sextet.
Ik stel voor dat wij gezamenlijk de komende week een poëtisch getinte visite brengen aan het nieuwe oeuvre van Jan Kal van wie ik in 1997 zijn zeg maar erfstuk 1000 sonnetten bij u mocht introduceren. Nu geef ik u twee klinkdichten uit de bundel Een dichter in mijn voorgeslacht. Het ene vers schokte mij vanwege een triest afscheid van een kennis, het andere verduidelijkt de titel. Het gaat om Stamboomsonnet 1 ‘De aanstaande dood van mijn moeder’ en om Stamboomsonnet 12 ‘Hertog Jan van Brabant (1254-1294). Maar eerst de tekst van de omslag. De uitgever: ‘Jan Kal is de laatste tien jaar, zoals velen, gegrepen door de genealogie, het voorouderonderzoek. Daarbij kwam hij tot de ontdekking onder meer af te stammen van Jan van Brabant, de middeleeuwse hertog die enkele gedichten heeft nagelaten, onder meer een lentelied waarin hij zingt: ‘Harba lori fa’, wat volgens sommige geleerden Occitaans is voor: `Het gras heeft bloemen gemaakt.’ - occitaans: taal uit het zuiden van Frankrijk - Deze bundel bestaat uit vijf afdelingen. In de stamboomsonnetten wordt een flink aantal voorouders uit dertien eeuwen bezongen, vergezeld door een afstammingslijn. Vervolgens wordt het vertrouwde verhaal van Kals woonplaatsen Haarlem en Amsterdam voortgezet, zijn er vertalingen in sonnetvorm van Dylan-songs en ten slotte een aantal sonnetten over verschillende onderwerpen onder de titel ‘Schaken met de dood’. Nu de twee beloofde sonnetten als smaakmakers.
De aanstaande dood van mijn moeder
Zo zal het gaan: de kleinkinderen komen
zondag en maandag voor de laatste keer
bij Oma, Daarna zien ze haar niet weer,
niet wetend welk besluit zij heeft genomen.
Van deze uitzaaiing zijn de symptomen
ontluisterend; er is geen uitzicht meer.
Vanmiddag heeft ze zelf bepaald wanneer
de dodelijke druppels haar doorstromen.
We zullen om haar heen staan, dinsdagmorgen,
drie zoons, twee schoondochters, en o, mijn vader,
zevenenvijftig jaar met haar getrouwd.
Hoe zullen wij ons houden, welbeschouwd,
beseffend heel de week: het uur komt nader
dat haar ’t verlossend eind zal bezorgen.
Hertog Jan van Brabant (1254-1294)
Ik heb een dichter in mijn voorgeslacht!
De een zingt voor, de andere zingt na.
Juist, Jan van Brabant. Wie had dat gedacht?
Zo zong de hertog: ‘Harba lori fa.’
O mijn edeloudovergrootpapa,
de Slag bij Woeringen bewees uw macht:
u voegde Limburg bij Brabantia,
maar werd in een toernooi ter dood gebracht.
U leeft ook voort als bierpatroon Gambrinus,
een naamsverbastering van u, Jan Primus.
Na zevenhonderd jaren – straks nog langer –
blijkt u springlevend, ook als minnezanger.
Op ‘t bierflesetiket heft u de kan.
Waar is de opener? Proost, hertog Jan.

Nog geen uur terug legde de man van de pakjespost een vuistdik boek in de mand voor de deur en nu al wil van het bestaan ervan bij u gewag maken. En dat vanwege de importantie ervan want het zicht op een van onze grootste schilders zal nog helderder worden. Het gaat om het 596 bladzijden tellende, geïllustreerde Een leven in brieven samengesteld door Jan Hulsker en uitgegeven door Meulenhoff met de alleszeggende ondertitel ‘Vincent van Gogh 1853-1890’, Op de wikkel om de gebonden bundel staat de scribent op ‘Zelfportret met vilten hoed’ uit 1888.
In vroeger jaren beleefden wij als gezin hoogtijdagen op de hoeve van de familie Harm Tip aan de Ermermarkerweg 18 in het Drentse Veenoord. Een traditie van onze gastheer was dat hij zijn festiviteiten organiseerde in een gerenommeerd etablissement in het hart van het dorp, daar waar de Schooldijk uitliep op de Vaart Zuidzijde. Van de restauranthouder vernamen wij zo terloops dat Vincent van Gogh in de jaren tachtig van de eeuw daarvoor het grootste gedeelte van zijn Drentse tijd had vertoefd in zijn domein dat ooit de naam droeg van logement Scholte.
Tegenwoordig staat dit bekend als het Van Gogh Huis. Er wordt beweerd dat Van Gogh de huur betaalde met schilderijen, maar dat de verhuurder deze niet kon waarderen en daarom als brandhout gebruikte. De juistheid hiervan is echter niet vastgesteld. Van Gogh schilderde onder andere 'Ophaalbrug in Nieuw-Amsterdam' in de Drentse plaats. De gemeente Emmen wilde aanvankelijk het Van Gogh Huis slopen, maar dit kon op het laatste moment worden voorkomen. Heden ten dage doet dit opnieuw dienst als restaurant en is ook museum. In de herfstmaanden van 1883 werkte en woonde Vincent twee maanden lang in het logement en het is de uitvalsbasis voor zijn ontdekkingstochten door het veengebied. Zijn doel is om de ´gewone´ mens, en dan met name de landarbeider, te schilderen. In het Van Gogh Huis kunnen wij nu halt en front maken in de kamer waar Vincent van Gogh logeerde. Zijn bed staat nog op dezelfde plaats, de tekendoos is open, het verfpalet klaar voor gebruik. ‘Misschien maakt Van Gogh een lange wandeling door het veen, het lijkt alsof hij elk moment weer terug kan komen...’ Wij konden in de jaren bij de Tips niet vermoeden dat daar waar wij vaak ‘huishielden’ aan de Vaart, ooit Vincent van Gogh op een van de kamers boven zijn brieven schreef. Die epistels vormen nu voor mij een ware taalschat want ze illustreren niet alleen dat het schrijven ervan vroeger een ware kunst was maar geven ook zicht op de schilderijen die de geniale man in Drenthe schilderde. Een specimen daarvan zien wij in het fotokatern, op het doek ‘Twee vrouwen in het veen’. Als hommage aan Van Gogh en Veenoord citeer ik uit een van de brieven, maar eerst geef ik het woord aan de uitgever.
‘Vincent van Gogh (1853-1890) is een van de grootste schilders van de negentiende eeuw. Maar weinig mensen weten dat hij ook honderden prachtige brieven schreef, voornamelijk aan zijn broer Theo. In deze brieven, die gerekend worden tot de mooiste in de Nederlandse literatuur, schrijft Van Gogh openhartig over zijn emotionele en financiële problemen, over zijn passies en idealen en over zijn vriendschap met Gauguin. De bezieling waarmee hij, ondanks de miskenning, in zijn werk volhardt, spat van de pagina's. ‘Vincent van Gogh. Een leven in brieven geeft een uniek beeld van Van Goghs korte maar veelbewogen leven en zijn schilderijen krijgen zo een extra dimensie. Er is geen beter middel om Vincent van Goghs leven en de achtergrond van zijn werk te leren kennen dan het lezen van deze brieven.’ Dat uitgeverij Meulenhoff het gelijk aan haar zijde heeft etaleert de ouverture die Vincent aan Theo schreef op 3 oktober 1883. Wellicht is het goed dat u na het lezen van deze passage blikt naar ‘Twee vrouwen in het veen’.
Vincent van Gogh: ‘Ditmaal schrijf ik u heel uit de achterhoek van Drenthe, waar ik gekomen ben na een eeuwig lange vaart in de trekschuit door de heide. Het land u te beschrijven zoals ’t zou behoren gedaan te worden, zie ik geen kans toe, daar de woorden mij ontbreken, maar stel u voor de oevers van ’t kanaal als mijlen Michels of Th. Rousseaus bv., Van Goyens of PH. De Konincks. (Franse en Nederlandse landschapschilders uit resp. 18de en 17de eeuw) Vlakke plannen, of stroken verschillend van kleur, die smaller en smaller worden naarmate ze de horizon naderen. Hier en daar geaccentueerd door een plaggenkeet of kleine boerderij, of een paar schrale berkjes, populieren, eiken – overal stapels turf, en telkens vaart men schuiten met turf en lis uit de moerassen voorbij. Hier en daar magere koeien van fijne kleur, dikwijls schapen, varkens. De figuren die nu en dan verschijnen in de vlakte zijn van een groot karakter meestal, soms hebben ze een machtig fijne charme, ik tekende o.a. een vrouwtje in de trekschuit met krep om haar oorijzers wegens ze in de rouw was, en later nog een moeder met een kindje; deze had een paarse doek om ’t hoofd. Er lopen een boel Ostade-typen onder; fysionomies die aan varkens of kraaien herinneren, maar zo nu en dan een figuurtje dat als een lelie onder de doornen is. Enfin over deze tocht ben ik erg blij, want ik ben vol van wat ik gezien heb. Vanavond was de heide ongemeen mooi. In een van de ‘Albums Boetzel’ staat een Daubigny, die precies dat effect uitdrukt. De lucht was van een onuitsprekelijk fijn lila wit, geen schapewolken, want het zat meer aan elkaar en bedekte de gehele hemel, maar vlokken meer of minder tonig lila, grijs, wit, een enkel scheurtje waardoor ’t blauw heen schemerde. Dan aan de horizon een rode schitterende streep, daaronder de verbazend donkere vlakte bruine heide, en tegen de rode lichtende streep uit, een menigte lage daken van kleine keten.’ Het verheffende en verhevene van de brieven van Vincent van Gogh is dat ze zijn schilderijen en tekeningen ons doen verstaan. Hij schildert in woorden! Om dat nog een keer te illustreren reik ik u de volgende keer passages aan uit een brief van 16 november 1883 aan broer Theo waarin Vincent een tocht door de hei tussen Veenoord en Zweeloo beschrijft. In een open karretje ‘Over een weg of ‘diek’ zoals ze hier zeggen,waarop men in plaats van zand modder had gebracht, om hem op te hogen.’ Onze boer Tip had het in zijn dagen steevast over dat ‘diek’!

Ik wil u de voorsmaak aanreiken van een reisjournaal dat een vroegere gevierde sportdame die na haar carrière sinologie en oosterse filosofie om de vele contacten met haar Chinese tafeltennissters levendig te houden. Het gaat om het 272 bladzijden tellende, adequaat geïllustreerde Dochters van Mulan van Bettine Vriesekoop en van uitgeverij Brandt met de ondertitel ‘Hoe vrouwen China veranderen’. Op de cover prijkt een schilderij van de Chinese artieste Wang Yidong (1955): Yulan Magnolia, de struik met bloemkleur wit en zeer winterhard. Dat Bettine Vriesekoop het pingpongballetje virtuoos de baas was heeft zij in haar gloriejaren ruimschoots bewezen. Dat de in 1961 geboren grande dame ook meesteres over de pen is, heeft zij de voorbije twee decennia in krant en boek aangetoond. Om u de smaak van Vriesekoop te pakken laten krijgen geef ik u een citaat door dat mij gezonden werd door de persdame van Brandt, Cathelijne Esser. Het gaat om de entree van het vierde chapiter ‘De ijzeren lotusvoetjes van grootmoeder’, Mijn optie is dat wij de komende weken in de Aziatische voetsporen treden van Vriesekoop waarbij het heel manifest zal worden dat zij niet alleen onderhoudend en informatief schrijft maar ook tintelend en horizonverleggend. Om nu al de titel te plaatsen: Hua Mulan was een heroïsche vrouw die in het leger ging om China te beschermen tegen de Xiong nu. Beide personen worden beschreven in een ballade die bij de finish van dit boeiende boek in het geheel present is.
Als aanloop de tekst van de omslag: ‘In de jaren die volgen op haar China-correspondentschap voor NRC Handelsblad reist Bettine Vriesekoop regelmatig terug naar Peking. Zij is in deze periode vooral gefascineerd door de rol van de vrouw in de Chinese samenleving, vroeger en nu. Vertrekpunt is haar bezoek aan de graftombe van Qiu Jin, feministe van het eerste uur in China. Net als de legendarische Mulan en haar nazaten was zij een zwaardvrouw, een vechtjas. Maar hoe profileren vrouwen zich in het moderne China? Welke invloed hebben het taoïsme en het confucianisme nog op de seksualiteit van de vrouw? Vriesekoop ontmoet vrouwen en meiden, studentes, feministes, lesbiennes, een plastisch chirurg, een oud-prostituee, genderdeskundigen en een moderne 'zwaardvrouw'. Zij vormen de voorhoede van een emancipatiegolf die na de opendeurpolitiek van Deng Xiaoping, de eenkindpolitiek en de studentenopstand van 1989 op gang is gekomen. Maar hebben ze werkelijk invloed? Is de seksuele revolutie aan de huidige generatie vrouwen voorbijgegaan, of zijn de dochters van Mulan bezig China te veranderen? Bettine Vriesekoop debuteerde als schrijfster in 1996 met Heimwee naar Peking. Daarna volgden Bij de Chinees, Het Jaar van de Rat en Duizend dagen in China. Van 2006 tot 2009 was Vriesekoop correspondent voor NRC Handelsblad in Peking. Voor de Leonardoleerstoel 2013 deed zij met een groep masterstudenten aan de Universiteit van Tilburg onderzoek naar de emancipatie van de Chinese vrouw. Naast het schrijven van boeken en artikelen is Bettine Vriesekoop een veelgevraagd spreekster. Sinds 2014 presenteert ze het radioprogramma OBAlive voor de Boeddhistische Omroep.’
Nu de beloofde passage: ‘De volgende ochtend lopen Hu Ye en ik vroeg via de binnentuinen van het Double Happiness Hotel de hutongs in, onze neus achterna om ergens te gaan ontbijten. Voor ons lopen een paar jonge meiden in hotpants en op schoenen met plateauzolen – een hoerenoutfit naar Amsterdamse begrippen, maar zou dat hier ook zo zijn? Ik kijk het buitenissig uitgedoste tweetal over mijn schouder na terwijl we doorwandelen. Hu Ye merkt het op en begint te lachen. ‘Vraag je je af wat dat voor meisjes zijn?’ raadt ze mijn gedachten. ‘Ik kan het je niet met zekerheid zeggen. Het kunnen meisjes zijn die op weg zijn naar hun werk in de schoonheidssalon, maar evengoed studentes die vandaag niet naar college hoeven en eens lekker willen gaan winkelen in een warenhuis.’ ‘In 2011 interviewde ik Xinran, een Chinese schrijfster die in Londen woont,’ vertel ik. ‘Zij vond dat veel jonge Chinese vrouwen in de stad de weg kwijt zijn en erg individualistisch en materialistisch zijn, terwijl ze maar weinig zelfvertrouwen hebben. Zonder merktas om hun schouder, echt of nep, hebben ze geen geloof in zichzelf.’ Hu Ye knikt en zegt fel: ‘Ik snap die obsessie voor geld en peperdure dingen totaal niet. Veel vrouwen doen alles om een rijke man te krijgen en vertrouwen niet op hun innerlijke kompas. Omdat ze denken dat hun identiteit van geld en schoonheid afangt.’ Hu Ye trekt aan mijn arm. ‘Hierheen,’ zegt ze terwijl we een steeg in lopen. Even verderop hangt een verschoten luifel aan een gevel met een onbestemde kleur. De baklucht van de wok en de weeë geur van jasmijnthee prikkelen mijn neus als we het morsige tentje binnenstappen. We gaan tegenover elkaar aan een formicatafeltje bij het raam zitten, een plastic houdertje met dunne papieren servetjes tussen ons in. Een opmerkelijk schoon en fris meisje komt ons bedienen. We bestellen stoombroodjes, gepocheerde eieren en een pot bloementhee. Een hond piept met zijn snuit door de slierten van het plastic vliegengordijn in de deuropening, maar wordt weggejaagd door het meisje. Als we aan de stoombroodjes zitten, vraag ik aan Hu Ye of er in haar familie vrouwen waren met gebonden voeten. Dan vertelt Hu Ye over haar grootmoeder die gebonden voeten had. ‘Mijn oma was trots op haar gebonden voeten; zonder die zou ze zich minderwaardig en minder vrouwelijk hebben gevoeld. Wanneer de voetjes slechts zeven centimeter lang waren, zo groot als een duim, sprak men van gouden lotusvoetjes, bij tien centimeter van zilveren voetjes en bij twaalf centimeter en langer van ijzeren voetjes. Mijn grootmoeder had ijzeren voetjes.’ Hu Ye vertelt dat haar oma uit een boerenfamilie kwam en met haar ijzeren voetjes op het platteland moest werken. Daarom waren haar voeten minimaal afgebonden. Toch heeft ook zij veel pijn moeten lijden om bij een huwelijkskandidaat in de smaak te vallen.
Op de avond van de drieëntwintigste dag van de achtste maand van het vijfde levensjaar van hun dochter legden alle moeders in het dorp geborduurde lotusschoentjes op het altaar van Guanyin, de Godin van de Barmhartigheid. De volgende dag werden de voeten dan voor de eerste maal behandeld. Het binden moest beginnen voordat de binnenkant van de voet was volgroeid. ‘Mijn overgrootouders waren simpele akkerbouwers en woonden in een lemen huis in een boerendorp in de provincie Hebei, niet zo ver van Peking. In de winter was het min twintig graden en een potkachel verwarmde het huis. De winter was het goede seizoen om met het binden van de voeten te beginnen, omdat die dan verdoofd waren door de kou en de pijn draaglijker was. Opoes voetjes werden in kruidenwater geweekt en de teennagels werden kort geknipt om ingroeien en infectie te voorkomen. De voet werd dubbel gebogen onder de voetzool.’ Met haar linkerhand drukt Hu Ye de vingers van haar rechterhand naar beneden en vouwt ze in haar handpalm om aan te geven hoe de tenen onder de voet werden gebonden. De grote teen werd iets omhoog gebogen zodat de vrouw haar evenwicht kon bewaren. Hu Ye vertelt dat opoes voetjes bijna iedere dag door haar moeder werden verzorgd. Meestal was het proces van afwikkelen en binden het werk van een oudere vrouw in de familie of een professionele voetbinder die langs de deur kwam. Ze haalde de windsels eraf, knipte de teennagels, verwijderde het pus en stukjes rottend vlees. Dan depte ze de voetjes met aluin en sprenkelde er parfum overheen om de geur van vleesrot te verdrijven. Na een paar weken moesten de meisjes leren lopen. Onder de druk van hun lichaamsgewicht voelden en hoorden zij hun tenen dan breken. Na verloop van tijd ontstond er een gleuf tussen de weggedrukte tenen en de omhoog gebogen hiel. Na twee jaar was de ideale puntvorm van de denkbeeldige lotusknop bereikt. De breuken in de lotusvoetjes konden niet genezen, omdat de bloedtoevoer naar de tenen was afgekneld door de strak aangetrokken bandages. Infecties, kneuzingen en zwellingen waren niet te voorkomen, de tenen rotten weg en stierven af, soms met dodelijke afloop. Ongeveer tien procent van de vrouwen met gebonden voeten overleed aan bloedvergifiging. De voetbeentjes konden jaren gebroken blijven, maar soms heelden ze, vaak als een meisje in de puberteit kwam. Dan moesten die botten opnieuw worden gebroken. De voetbeentjes van oudere meisjes groeiden niet meer, dus vanaf het dertiende of veertiende jaar werd er gestopt met het binden en was het leed geleden. Vrouwen met gebonden voeten liepen slecht en braken op oudere leeftijd vaker een heup of been. Vanaf de zeventiende eeuw gold er een algemeen verbod op het voetbinden. Desondanks liep tot eind negentiende eeuw tachtig procent van de vrouwen met gebonden voeten rond. In de hogere milieus bonden alle vrouwen hun voeten, zonder uitzondering. Voelden zij zich elegant en sexy op hun stinkende stompjes? Het verbod is ingesteld door de Mantsjoe-minderheid van de Qing. Die moest niets hebben van het Chinese voetbinden. Vrouwen met gebonden voeten mochten de Verboden Stad niet betreden. Al zwichtten de keizers wel voor hun Chinese concubines met lotusvoetjes.’ Inderdaad, Dochters van Mulan kunnen wij niet ongelezen en ongezien laten!