Een litanie, in de betekenis van klaagzang of weeklacht, heb ik voor u die de afwezigheid van een gestorven geliefde tracht te verwoorden. Ik heb het over het 144 bladzijden tellende Uit de tijd vallen van David Grossman en van uitgeverij Cossee met de ondertitel ‘Een verhaal van stemmen’. De komende weken wil ik frasen van dit lied hier laten opklinken, want het gaat er mij om dat u het poëtisch getinte proza in u opneemt, opdat het in u rond blijft zingen. Uw leven lang. De te Jeruzalem in 1954 geboren Hebreeuwse auteur David Grossman staat bekend als vredesactivist, is kritisch over de Israëlische strijd met de Palestijnen en riep in augustus 2006 samen met Amos Oz regeringsleider Ehud Olmert op om de aanvallen op Libanon te staken. Twee dagen later sneuvelde Grossmans op een na oudste zoon in dezelfde Libanese oorlog, terwijl hij schreef aan een roman over een vrouw die bang was haar zoon te verliezen in de oorlog. Het gaat om Een vrouw op de vlucht voor een bericht uit 2009 waarover hij in een interview zegt: ‘Wat gebeurde, gebeurde. Na de zeven dagen lamenti ben ik weer gaan schrijven. Ik weet geen andere manier van omgaan met de wereld. Ik begrijp de wereld dóór mijn schrijven’. De tank waarin de soldaat Uri zat werd in Zuid-Libanon door een granaat getroffen. In Uit de tijd vallen probeert hij op poëtische wijze het niet-zijn van Uri te herscheppen zonder hem bij name te noemen.
Met u verwijlde ik in proza dat een uit het leven gerukt kind op heterdaad wilde betrappen. Zo was daar Contrapunt van Anna Enquist over haar dochter Margit die door een vrachtwagen zonder dodehoekspiegel op de Dam overreden werd. Zo was daar Tonio van A.F.Th. van der Heijden over diens in de titel genoemde zoon die op de Stadhouderskade door een auto geschept werd. In beide, zeg maar requiemromans, wil de overlevende ouder een stem geven aan het overleden kind. Hoe anders in Grossmans boek dat vooral het aan den lijve gevoelde gemis wil oproepen en bezweren. Een verbijsterde man verklaart in de entree aan zijn ontredderde vrouw dat hij op weg moet hun vijf jaar geleden uit het leven gesleurde zoon ergens, een ‘daar’ op te zoeken. Op zijn kruistocht ontmoet hij personages die ook een kind hebben verloren: een stadschroniqueur, een schoenmaker, een vroedvrouw, een centaur, een hertog, die één ding gemeen hebben: het rouwen om een nazaat.
U verstaat titel en ondertitel van dit tot op het bot schrijnende boek dat door u echt veroverd dient te worden. Zo dichterlijk van vorm, zo complex van inhoud is het. Om u die facetten te illustreren ga ik citeren. En wel als de ouders in de nacht het bericht uit de oorlog aangezegd krijgen dat hun zoon omgekomen is. Ik vind het van innerlijke grootheid van de door mij zo beminde uitgeverij Cossee getuigen dat zij zo’n fijnbesnaard aandoenlijk boek u en mij aanbiedt.
Man
’s Nachts kwamen mensen,
in hun mond een bericht.
Ze hadden een lange weg afgelegd,
ernstig gezwegen en wellicht
ondertussen steeds geproefd, gelikt.
Kinderlijk verbaasd erkenden ze:
je kon de dood in de mond houden,
als was die een snoepje van gif,
en waren zij door een wonder immuun.
Wij openden de deur voor hen, deze deur,
hier stonden wij, jij en ik,
schouder aan schouder,
daar, op de drempel, zij,
wij tegenover hen,
en zij, met mededogen,
afgemeten, stil,
stonden er
en bliezen ons
de geest der doden in.
Vrouw:
Er heerste een verschrikkelijke stilte.
Rondom likte een koud vuur.
Ik zei: ‘Ik wist het,
vanavond zouden jullie komen,’
Ik dacht: kom, woestenij en ledigheid.
Man:
Ergens, van ver weg,
hoorde ik je stem.
Je zei: ‘Geen angst,
toen ik van hem beviel
heb ik niet geschreeuwd,
en nu zal ik dat ook niet doen,’
Vrouw:
Ons oude leven groeide
nog even in ons door.
Het praten, de gebaren
de gelaatsuitdrukkingen -
Man en vrouw
Nu, heel even, gaan we erin onder.
We zwijgen beiden in dezelfde woorden.
Niet hem bewenen we op dit moment
de melodie van het oude leven bewenen we.
het wonderbaarlijk simpele, de lichtheid,
het gezicht, dat vrij was nog van rimpels.’
365 ik@jes
Een dot van een reader heb ik voor u waarvan u veel langer dan 52 weken, dus jaar en dag, kan genieten. Ik heb het over het superbe 408 bladzijden tellende 365 ik@jes onder redactie van Arjen Ribbens en uitgeverij De Harmonie met de ondertitel ‘Het beste vanik@nrc.nl.’ Onder het devies ‘geluk ligt op straat alleen moet je ervoor bukken’ of beter nog ‘soms moet je bukken om het geluk te plukken’ reik het boek een scala van immer in sprankelende taal vervatte anekdotes uit het leven gegrepen. Ik schets u de originele formule, de format van de even voorkomende als voortvarende persdame Elsbeth Louis van De Harmonie die onze cultuurmix steevast van toegankelijke en tintelende items voorziet. Al zo’n tien jaar schetsen de lezers van ‘NRC Handelsblad’ en ‘nrc.next’ een portret van Nederland. Dat doen zij op de Achterpagina van de krant in de rubriek ik@nrc.nl, een vrijplaats voor opvallende gebeurtenissen uit het dagelijks leven in maximaal 120 woorden. Het is een populair hoekje: in dat decennium ontving de krant zo’n 50.000 inzendingen. Net als De dikke ik, de eerste selectie uit ik@nrc.nl die in 2008 verscheen, wil 365 ikjes een bonte verzameling bieden van muizenissen, klein leed en andere trivialiteiten die met elkaar een beeld geven van ons land op z’n smalst. Op z’n smalst in de betekenis van miniatuurtjes maar dan geen afbeeldingen uit middeleeuwse handschriften. Het zijn in het klein verwoorde trouvailles.
Ik zal u enkele proeven van kunne uit de bundel doorgeven. Opdat u de smaak ervan te pakken krijgt. Met de titel wordt gesuggereerd dat u elke dag van het jaar een ‘ikje’ tot u gaat nemen. In no way, want het zit er dik in dat u na één epistel de geur van hoger honing proeft. U wilt gewoon blijven lezen, dus deze bundel niet op het nachtkastje naast uw sponde, op de leestafel naast uw bank. Succes overigens verzekerd, want toen ik editie nummer 1 aankondigde, was u in euforie. Ik vind het razend knap als iemand het leven op heterdaad betrapt, dat in taal weet te vangen en dan publiekelijk prijsgeeft. Zo draagt de als laatste opgenomen ‘ik’ de titel van ‘Signeren’ waarin de scribent verwoordt hoe hij bij toeval jaren terug een boek laat ondertekenen door de enige zoon Tonio van A.F. Th. van der Heijden, die een paar terug in Amsterdam op straat om het leven kwam en die in de requiemroman Tonio vereeuwigd werd. Remco Buisman aan het woord met Signeren.
‘Vandaag begin ik aan een nieuw boek, een requiemroman. Eergisteren gekocht op Schiphol, voor mijn terugreis naar huis in Shanghai. Ik herinner me ineens Koninginnedag van jaren geleden. ‘s Ochtends in het Vondelpark bestudeerde ik een bak met boeken, nieuw en gesigneerd door de auteur. ‘Hoe kom je aan deze handel?’ vraag ik het jongetje dat ze verkoopt. ‘De schrijver is mijn vader,’ antwoordt hij een beetje schuchter. ‘Eigenlijk heb ik ze allemaal al, maar als ik er nog eentje koop,wil jij hem dan ook signeren?’ vraag ik hem. Hij knikt en signeert het boek. Onder zijn vaders naam schrijft hij ‘Tonio’’.
Kees van Katwijk met Woonwagenkamp. ‘In mijn spreekkamer, op de polikliniek gynaecologie, verschijnen een man en een vrouw, afkomstig uit het woonwagenkamp. Hij houdt zijn bromfietshelm vast, als was het zijn kostbaarste bezit. De reden van de komst is een uitblijvende zwangerschap. Ik kijk haar na en vraag aan de man of ik even de grootte van zijn testikels mag voelen. Hij laat het zonder morren toe. Vervolgens spreek ik laboratoriumonderzoek af en stel voor dat ook zijn zaad wordt nagekeken. Dan merkt hij aarzelend op: ‘Eh, dokter, even voor de duidelijkheid, ik ben niet haar man hoor, maar de enige in het kamp met een brommer.’
Esther Naomi Perquin schreef Geitenwei: ‘Fietsen langs de Rotte: stralende zon, nauwelijks tegenwind – zo mooi krijgen we het maar zelden. Voor zulk geluk, denk ik wollig, hoeven wij toch helemaal niet op vakantie? Bij de geitenwei staat nog een moeder, zichtbaar minder tevreden met haar bestaan. Een geit heeft het Feyenoord–T–shirt van haar zoontje stukgetrokken. Hij huilt vol overgave. ‘Hou op met janken,’ zegt moeder. ‘Volgende keer moet je die kutgeit gelijk een rotschop verkopen!’
Marijn de Jong stuurde op Gevangenis: ‘In de schemer op weg naar huis, fiets ik langs het gevangeniscomplex en kijk naar de verlichte, betraliede raampjes. Net als ik me afvraag wat zich daarachter afspeelt, hoor ik luid geroep uit de richting van het gebouw. Op de stoep, bij het hek langs het gevangenisterrein, staat een vrouw met een hond. Dan zie ik voor een van de verlichte raampjes een silhouet verschijnen. Er klinkt geschreeuw. Wat de boodschap uit het gevang is, kan ik niet verstaan, maar voor de vrouw op de stoep is het duidelijk. Ze roept: ‘Ik ook van jou.’
Riëtte Kuin zorgde voor Naam: ‘Zondagavond in de tram. Achter mij een hoogzwangere Marokkaanse vrouw. Naast haar gaat een Marokkaanse vriend zitten. Hij: ‘Alles goed met je?’ Zij: ‘Ja, gelukkig prima.’ Hij: ‘Wanneer komt de baby?’ Zij: ‘Over twee maanden.’ Hij: ‘Over twee maanden al? Dan weten jullie vast als de naam,’ Zij: ‘Voor een meisje zijn wij eruit: Hoda. Maar als het een jongen is, weten we het nog niet. Of Omar, of Abdallah, of Mohammed,, maar misschien ook wel Jan.’ ‘Jan…’ herhaalt de vriend nadenkend. En dan opeens, enthousiast: ‘Jan, ja die naam moet je doen. Best apart!’’ 360 opgeraapt goud staat u nog te wachten!
HET FEEST ACHTER DE GORDIJNEN
Negen keer neemt zij u bij de hand om u halt en front te laten maken voor schilderijen die èn herkenbaar figuratief zijn èn een traceerbaar bericht hebben. Ik heb het over het 220 bladzijden tellende, rijk geïllustreerde Het feest achter de gordijnen van Mariëtte Haveman en uitgeverij Kunst en Schrijven met de ondertitel ‘Schilders van de negentiende eeuw’. Ik bemin vurig werken die artistieke schoonheid willen etaleren en grootse geheimen van het leven trachten te onthullen. Bij de entree van haar zeer toegankelijke en tintelende boek legt kunsthistorica en schrijfster Haveman haar titel uit. Een bezoeker van een museum voor moderne kunst komt in een uithoek, in een zaaltje terecht met aan het uiteinde een groot dik aluminiumachtig gordijn. Achter dat voorhangsel zet het museum zich voort maar op geheel andere wijze. Specimina van de kunst van de negentiende eeuw is daar weggestopt en met Haveman als gids wordt de karakteristiek ervan aan de man gebracht. In woord en beeld passeren dan de revue Jean-Léon Gérôme, James Tissot, Jules Bastien-Lepage, Arnold Böcklin, William-Adolphe Bouguereau, Albert Anker, Rosa Bonheur, Hans Makart en Lourens Alma Tadema. Wellicht zeggen deze namen u niet veel maar ik verzeker u dat na het lezen en bekijken van Het feest achter de gordijnen u deze schilders zult omarmen. Door toedoen van Mariëtte Haveman, want zij verstaat de kunst van het kijken en van het verwoorden. Ik wil met uw goedvinden later een tocht maken langs deze negen ‘oldtimers’ die dankzij hun virtuositeit veel tot u te zeggen hebben. Zo Tissot wiens ‘Mlle L.L. (Jeune Femme en veste rouge) de omslag siert. Om met Haveman te spreken: adembenemend, prachtig is het schilderij dat van een gelaten zwaarmoedigheid doortrokken is, in het licht, in de houding en blik van het vrouwelijke personage, En die mooie ouderwetse stilte.
Om in the mood te komen geef ik u integraal het Voorwoord. ‘Dit boek is in de eerste plaats bedoeld voor het plezier. Daarnaast zijn er ook andere motieven die mij ertoe hebben aangezet om het te schrijven, zoals nieuwsgierigheid, en liefde voor een bepaald soort plaatjes. De oorsprong van de hele onderneming ligt in 1981, toen ik begon aan een scriptie over de schilder Arnold Böcklin. Ik had hem gekozen om een negatieve reden: ik beschouwde hem, terecht of niet, als de meest gehate kunstenaar aller tijden. Iemand die zo’n emotie wist te wekken, dat moest interessant zijn. En het bleek ook interessant. Ik had het gevoel dat ik iets ontdekte: de speciale grootheid en heroïek van de groep kunstenaars die in hun eigen tijd enorme successen boekten maar die sinds de overwinning van het impressionisme van de tafel waren gevallen. In de kunsthandel was die wetenschap in 1981 al een paar jaar doorgedrongen, maar daarbuiten kon je nog weinig medestanders voor die liefhebberij vinden. Voor bepaalde kunstenaars, onder wie Böcklin, Albert Anker en Bouguereau, geldt dat nog steeds. Inmiddels is er al geruime tijd opnieuw belangstelling voor negentiende-eeuwse kunst. Dit boek vormt een klein onderdeel van die ontwikkeling. Als er iets ongewoon aan is, dan schuilt dat in de benadering. Het is niet geschreven in een ‘historisch kader’, ik heb me bijvoorbeeld niet veel aangetrokken van de kunsthistorische dwang om bij elke kunstenaar alle mogelijke invloeden en verwantschappen ter sprake te brengen.
Uit de ervaring als redacteur bij een kunsttijdschrift weet ik hoe sterk die dwang kan zijn, en ook hoe storend. Niet dat ik niet in invloeden en verwantschappen geloof, hier en daar zullen ze ook in dit boek wel opduiken. Alleen geloof ik niet dat ze er op elk moment van de dag toe doen. De gedachte dat bepaalde dingen automatisch gezegd moeten worden wanneer een bepaald onderwerp ter sprake komt, heeft het schrijven over kunst meer kwaad gedaan dan wat ook. Er is nog een gangbare opvatting die ik naast me neer heb gelegd. Dat is het idee dat de biografie van een kunstenaar hooguit van zijdelings belang zou zijn voor het begrip van zijn of haar kunst. Ongetwijfeld is het wetenschappelijk niet voldoende om te zeggen dat Mondriaan zulke schilderijen maakte omdat hij nu eenmaal Mondriaan was. Maar ik ben geen wetenschapper, en ik zie niet in hoe je de ossen van Rosa Bonheur anders moet begrijpen dan als een voortbrengsel van haar biografische achtergrond. Natuurlijk zijn het ook typische scheppingen van de tijd waarin ze gemaakt zijn, maar de neiging om grote dieren te schilderen in plaats van bossen bloemen of dansende nimfen, die was van haar. De keus van kunstenaars in dit boek is gebaseerd op affiniteit en een streven naar variatie; ik wilde alle mogelijke kwaliteiten aan bod laten komen, om te laten zien hoe veelzijdig de algemeen erkende kunst van de negentiende eeuw was. Sommige namen, zoals Gérôme en Bouguereau staan in alle overzichten die negentiende-eeuwse auteurs van de kunst van hun eigen eeuw gaven (die trouwens ook onderling variëren). Maar voor de meeste geldt dat niet. Hen heb ik gekozen omdat ik hen beschouwde als de beste in hun soort, en omdat het soort me interesseerde. Tot slot nog iets over het standpunt van waaruit dit boek is geschreven. Het is bijna onmogelijk om over dit onderwerp te schrijven zonder de termen ‘modernisme’ en ‘post- modernisme’ te gebruiken. De benoeming van die ontwikkelingen tot een ‘isme’ heeft allerlei praktische gevolgen gehad. In naam van het modernisme zijn prachtige kunstwerken gemaakt, maar tegelijkertijd is een immense hoeveelheid even waardevolle kunst uit de geschiedenis weggeveegd en tot afval bestempeld omdat die zich niet liet rijmen met de leerstellingen van dat zelfde modernisme. Vandaar dat ik weinig sympathie heb voor die leerstellingen.
Het post-modernisme heeft daar totnogtoe weinig verandering in gebracht. Wat post- modernisme genoemd wordt komt vaak neer op een compromis, een nieuw dogma of een sophisticated spel met beelden en ideeën. Vaak is het een etiket voor slechte kunst die zichzelf rechtvaardigt onder verwijzing naar een chic of arrogant denkbeeld. Bijna nooit leidt het tot kunst die zegt: ik ben niet modernistisch en niet postmodernistisch, maar eenvoudig, goede kunst. Als de kunst zich van iets moet ontdoen is het wel van het ‘isme’, van de dwang om zich aan een eigentijdse etiquette te houden.’