17-04-2014

Cultuurmix 17 april 2014

OUD WAS IK TOEN IK JONG WAS

Drie persoonlijke relazen herbergt de bundel. Het eerste ervan - De rooie Belg - heb ik nog maar tot mij genomen en toch wil ik u al van het bestaan ervan melding maken. En dat om de ook voor u bemoedigende reden dat er daverend denderende authentieke levensverhalen in prachtig proza vervat zijn. Ik heb het over het 207 bladzijden tellende Oud was ik toen ik jong was van Steffie van den Oord en van uitgeverij Contact met de ondertitel ‘Het leven van een eeuw’. Ik houd van literaire epistels die pogen het gepasseerde alledaagse leven te verwoorden, dat door de reële, zeg maar de grote geschiedenis overrompeld en blijvend getekend wordt. Vandaar dat ik met vurige minne werken bij u introduceerde als Baltische zielen van Jan Brokken, Sonny Boy van Annejet van der Zijl, Dier, bovendier van Frank Westerman, De Sterke van Saeftinghe van Paul de Schipper enHet veer van Istanbul van Irene van der Linde en Nicole Seegers. Laat ik dichter bij (ouderlijk) huis blijven. In de honderden getypte vellen tellende memoires van mijn vader zaliger lees ik hoe hem overkomen gebeurtenissen de man voor immer vergezeld hebben. Zo vielen hem ten deel de armoede in de crisisjaren van het interbellum, het geweld bij de Watersnood van 1953 en de dreiging van de Koude Oorlog. Maar het meest bleef hem bij de executie van zijn baas Wegeling in 1944  in concentratiekamp Vught wegens het drukken van Trouw.

Steffie van den Oord – zij is van 1970 – interviewde mensen die de hele vorige eeuw geleefd hebben en daarin door een wereldcatastrofe ingehaald zijn. Zo sprak zij heel indringend met de 108 jaar oude Jos Wijnant die zij vervolgens verhief tot hoofdpersonage in De Rooie Belg. De stokoude man moest ooit, toen de Eerste Wereldoorlog in de zomer van 1914 losbarstte - met zijn broer vanuit het door zeppelins belaagde Antwerpen bij familie in Den Bosch een heenkomen vinden. Nadat de twee jonge kinderen de grens tussen het door de Duitsers  overvallen België en het neutraal gebleven Nederland gepasseerd hadden, werden zij begroet met o.a. ‘Weg met de Belgen. Ze vreten alles op!’ en later op school werd Jos vanwege zijn Vlaamse tongval uitgemaakt voor ‘Rooie Belg’. Bijna een eeuw later weet hij deze voorvallen in zijn geest terug te halen. Ook de rubriek ‘De Draad des Doods’ over lijken aan de elektrische lijnen bij de grens. Jos belandt als gevorderde eeuweling, dus man van ver in de honderd, in een verpleeghuis en dat brengt hem tot de overpeinzing: ‘Hoe ouder hij werd, hoe meer hij twijfelde. Hoe banger hij werd, hoe jonger eigenlijk. Daar hielp geen Onze Vader meer aan. Als jongen had hij alles geweten. Oud was ik toen ik nog jong was, maar nu? Als er niks is, zie ik ze nooit meer terug.’ Hij treurt om de dood van vrouw Jeanne en zoon Hans, maar ook om de angst van een eeuw terug die hem vroeg oud maakte. De wereldscènes haal ik vooral uit kranten en boeken en het gaat daarbij doorgaans om heel objectief en afstandelijk beschreven verslagen. Sfeffie van den Oord slaagt er echter naar mijn idee grandioos in om haar verhaalfiguren via het grote gebeuren de literatuur in te trekken. Zij plaatst haar personages middenin de happening met de geschiedenis als decor. Ik verheug me dan ook zeer op haar  overige twee verhalen ‘Mme K’ en ‘The Moonlight Serenaders’, waarover later.

Om u het mooie proza van Steffie van den Oord te doen opklinken, ga ik haar citeren met een passage uitDe Rooie Belg. Wij verpozen in het verhaal- nu: ‘Daar kwam ze! Toch, nog, zo laat. In de stilte hoorde hij voetstappen, de hare, steeds dichterbij. ‘Ik ben gevallen!’ Ze knipte het licht aan, daar stond zijn dochter, ver boven hem, was ze echt al bijna tachtig? ‘Ocharme …och, pap toch!’ En in de stille kamer verschenen mensen in het wit en er werd aan hem gevoeld, gesjord. - In nachtgewaad verschenen mannen,vrouwen en kinderen in de straten… ’Z’n heup!’ riep iemand. -  De menschen holden van den eene straathoek naar den anderen, in de hoop zich daardoor veiligheid te verzekeren. Hij verloor haar niet uit het oog. In de ziekenwagen zat ze bij hem, Ria, in het ziekenhuis moesten ze wachten. ‘Mijn vader…’ zei zijn dochter bij een soort loket en nog voordat ze verderging, vroeg een witgeklede lokettist: ‘Wat?!’ Heeft u nog een vader dan?’ De halve nacht wachtten ze, samen. Er was geen bed voor hem en hij ging niet zeggen dat hij oudste man was van het land. Was dat een verdienste? ‘Ze zien je geboortejaar toch?’ dacht zijn dochter hardop. Toen kwam er een bed, en hij viel in slaap. Toen kwam er een dokter aan zijn bed zitten: ‘Er zit een scheurtje in uw heup. We moeten operen. Een pin in uw heup zetten.’ – En in den omtrek van Antwerpen wordt gevochten, en het laffe sluipmoord-luchtschip… Was hij niet te oud voor een narcose? Toen kwam de anesthesist, in het blauw, die lange tijd staarde naar de kaart met zijn geboortedatum: 27 maart 1902. En de man in het blauw stelde toen de vraag: ‘Stel dat u slecht wordt, is het dan goed dat we u…’ ‘NEE’ was hij de man gillend voor. ‘Dat we u… laten gaan?’ ‘Nee!’ Snapten ze het dan niet? ‘Ik wil niet dood!’ ‘Stil nou maar, pap’’Op uw leeftijd,u kunt een hersenbloeding krijgen. Wilt u dan niet…’ ’NEE! NEE!’ hoorde hij zichzelf schreeuwen, te hard, zijn stem mocht niet breken. ‘NEE!’ riep hij hees, Misschien was er niks, misschien zou hij ze nooit meer zien. ‘NEE!’ ’Schreeuw niet zo, pap.’ ‘Ik wil LEVEN!’ Begreep die blauwe vent het nou? ‘Léven.’ Hoe dan ook. Desnoods als plant.’ U zult het helemaal met me eens zijn: Steffie van den Oord stopt literaire getinte, toegankelijke en transparante  woorden en zinnen in haar Oud was ik toen ik jong was. Aanbevolen!

 

Cultuurmix 17 april 2014