16-07-2014

Cultuurmix 16 juli 2014

Op dit moment van schrijven heeft zojuist de man van de pakjespost mij een boek aangereikt dat naar vorm een bruisende beauty en naar inhoud een klaterende bron is. Ik heb het over het 304 bladzijden tellende Rond de 40 van Mart Smeets en van uitgeverij Nieuw Amsterdam. Als een soort van motto staat helemaal voorin het met glanzende foto’s gelardeerde werk als visitekaartje en geloofsbrief: 39 jaar 220.000 kilometer 750 verschillende hotels 1200 verschillende restaurants.

Het was in het jaar 2009 dat ik in Museum Beeld en Geluid in Hilversum Mart Smeets in levenden lijve mocht ontmoeten. Het tv-programma NOS Studio Sport vierde zijn gouden jubileum en om die mijlpaal nog meer luister te geven was daar een terugblikkende tentoonstelling. Smeets was in het kader daarvan die maandagmorgen nog druk doende en mij ronddolende ziende in de nog lege ruimtes, vroeg hij mij of ik de naam wist van de vroegere turncommentator. Uit mijn geheugen diepte ik de naam van Klaas Boot en ik zei Smeets dat zijn in 2003 overleden collega mij enthousiast gemaakt had voor een sport waar ik weinig mee had; turnen. Meer dan 25 jaar was de man presentator bij Studio Sport, zo voegde ik eraan toe, maar dat wist Mart wel. Een andere vroegere collega overigens was Jan Cottaar die van 1949 tot 1959 mij via KRO- radio in de ban bracht van de Tour de France met als puike renners Wim van Est en Wout Wagtmans.

Decennia lang volgde ik met verve de verrichtingen van dit wielerspektakel. Ook live. Zo zag ik in 1954 de renners voorbij snellen ten noorden van Rotterdam, toen zij de eerste etappe van Amsterdam naar Brasschaat als uitdaging hadden, die door Wagtmans in de sprint gewonnen werd. Zo stonden wij in 1987 op de top van de Mont Ventoux om tijdens een tijdrit Bernard zien winnen. Zo stonden wij net buiten de muren van Avignon om de mannen na 239 km uit Millau te zien arriveren. Vandaag is het de eerste rustdag in deze Tour die in 1903 voor het eerst verreden werd. Het eclatante boek Rond de 40 komt dus zeer gelegen, want ik heb de volle tijd om door het schitterende werk te dwalen. Mart Smeets slaagt erin niet alleen zijn per jaar zijn verhalen te vertellen maar die ook op te sieren met een scala aan wetenswaardigheden en zogenoemde eigen prullaria als foto’s, lijstjes, knipsels en Tourattributen. Een volgende keer daarover. Nu het eerste fragment van de inleiding.

‘Eigenlijk is het de schuld van Kees Buurman van de NOS- radio. In de zomer van 1973 stuurde hij me naar de Tour om het verslaggevervak te leren. Er was niemand anders. Als het toen Wimbledon was geweest, was ik daar hoogstwaarschijnlijk ook met veel plezier naartoe gegaan en was ik dáár blijven hangen. Het werd de Ronde van Frankrijk. In alle hoedanigheden heb ik deze fietsronde meegemaakt: achter op de motor voor de radio, als televisiecommentator, als aangever, als inkopper, als interviewer, als stukjesmaker, als inspreker, als gast van een late avondshow, als presentator, als haarlemmerolie, als sjouwer, als redactielid, als journalist vooral. Ik volgde de Tour blij, bijna euforisch, kwaad, bedroefd en doodziek. Ik was jubelend, streng, grimmig en elke keer vroeg ik me af: waarom reis ik iedere zomer naar Frankrijk, hang daar een kaart om mijn nek en ga ik leven in een rondreizend circus met eigen kleine wetten en regels? Wat is er zo aantrekkelijk aan het slapen in kamer 314 van de Ibis van Béziers, een kamer waar je de kont niet kunt keren, waar de lakens vuil zijn en waar je altijd de buren aan het werk hoort? Wat is de charme van lange, nachtelijke ritten van finishplaats naar uitzendstadje, over wegen die Tom Tom niet kent? Waarom doet slapen er op een gegeven moment niet meer toe?

Op den duur ga je stokbrood van anderhalve dag oud zelfs acceptabel vinden. Je toert door een wonderschoon land met alle denkbare landschappen. Je zit vast in alle mogelijke files. Je koopt landwijn van 2,95 euro per fles en die smaakt ook nog; je doet het omdat je iets wilt drinken terwijl je in de samenvatting in razend tempo zit te monteren. Koppijn, ach wat. Dan maar weer aspirines als ontbijt. Nog zo’n vraag die me vaak heeft beziggehouden: waarom kennen we allemaal de Tour en weten we niets van de Giro d’ Italia en nog minder van de Vuelta a España? In Italië rijdt men in de maand mei en dan letten wij in de Nederlandse sportjournalistiek niet op een grote wielerronde. Dezelfde desinteresse bestaat bij de Vuelta in augustus en begin september. Ik durf te stellen: de Giro is zwaarder dan de Tour, in de Vuelta kan je veel lekkerder werken en in beide rondjes sta je minder onder druk. In de Tour word je geleefd en ren je achter jezelf aan. In Italië en Spanje blijf je mens, in Frankrijk verander je. Haast, ergernis, maar ook het prettige gevoel van een goed verlopen uitzending of het zien van wonderlijk mooie beelden van een van de camerajongens, alles grijpt in elkaar. Ik raak aan de Tour gewend, verslaafd zelfs. Ik ken collega’s die na zes ronden al amechtig opstapten en mistroostig uitgezwaaid werden. De spanning was hen te veel. Diezelfde lieden zeiden dat ze volgend jaar in juli in een klein bootje op de Fluessen gingen varen. Lekker rustig. Vanaf 1973 heb ik in de heerlijke chaos van de Tour geleefd. Deo volente wordt het in juli mijn veertigste. Zoals mijn vrouw pijnlijk hard kan stellen: ‘Als je maar lang genoeg verslaafd blijft en blijft zitten.’ Zo is het wel. Ik heb 39 maal de NOS vertegenwoordigd in La Grande Boucle en er is een band ontstaan tussen die ronde en mij. Of ik zonder kan? Ik denk het wel, anderen schreeuwen van ‘nee’. Ik ken collega’s die het heel lang deden en die op enig moment de karavaan los moesten laten. Twee jaar later waren ze dood. Het leven in juli had geen zin meer. Dat is natuurlijk allemaal onzin, maar toch schuilt er een kleine kern van waarheid in.’

ENDURING SREBRENICA

In woord en beeld getuigt dit relaas van een drama dat reeds zeventien jaar onze gemoederen bezig dient te houden. Ik heb het over Enduring Sebrenica van Claudia Heinermann en van Epos Press te  Zwolle met het motto ‘When I go to bed at night, all the memories and fears come back – and then I can get no peace’, Woorden die  de Bosnische Mejra Dogaz sprak eind november 2010 toen zij door de fotografe Heinermann geïnterviewd werd over de gruwelen in de ‘zilveren plaats’. Halverwege komt de vrouw weer aan het woord en zien wij haar op de foto ernaast voor een raam staan. Haar tekst gaat als: ‘I lost my husband and three children. It is dreadful to have to carry on living. The most difficult thing for me is that the murderers are still alive, have jobs and are left in peace. I see them walking free on the streets and it is unbearable.’ Op de twee afbeeldingen daarna betuigen op een begraafplaats eer aan vermoorde jongens en mannen uit Srebrenica.

Heinermann ging na zoveel jaren naar de vroegere enclave waar mensen dachten voor het geweld van oorlog veilig te zijn. Om u in een goed begrip van haar in het Engels verwoorde ervaringen te plaatsen geef ik de context van de rampspoed van 1995 weer. Maar eerst wil ik gezegd hebben dat ‘enduring’ uit de titel staat voor vele betekenissen. Zo achterhaalde ik: ondergaan verdragen tolereren toelaten dragen naar buiten brengen uithouden doorstaan dulden. En ook: harden uitstaan lijden velen voortduren standhouden duren beklijven aanhouden verduren aanzien. Aan u het te traceren hoe de titel het best verstaan kan worden. Ik ga zelf voor ‘lijden’, wat op de foto’s van Heinermann ons toeslaat. De kilheid van de bossen om Srebrenica, de kapotgeschoten woningen in de vlakte, de bomen met daarop bordjes ter waarschuwing voor mijnen, de stille straten, het geruïneerde asfalt op de wegen, de muren met gaten van kogels. En: de vergeten prikkeldraadversperringen, het gekalkte Dutchbat op een muur, de verbleekte bloedvlekken op de wand, de rijen foto’s van omgebrachte zonen en vaders, de zoekende hulpverleners naar menselijke resten, de opgeslagen linnen lijkzakken, de opgegraven botten, het verweerde horloge, de in groen gehulde doodskisten, de massale begraafplaatsen met de witte tekens van steen, de man met een metaaldetector in een open bos, de verlaten grijze oorden. Maar vooral die vrouwen met lege ogen, verbijsterd door wat er gebeurd is in juli van 1995, die door het duistere verleden immer achterhaald worden. Om met Jan Pronk te spreken die het woordwoord schreef: ‘The book of Srebrenica cannot be closed’, Respect voor Claudia Heinermann die in een mozaïek van tientallen beelden het leed vastlegde dat mensen elkaar aandeden. Haar Enduring Srebrenica is een roep die gehoord moet blijven worden. Nu de canon van toen.

‘Op 6 juli 1995 trokken de troepen van de Bosnisch-Servische generaal Mladic op naar de door Dutchbat-III beveiligde enclave Srebrenica. Zonder veel tegenstand liepen de aanvallers de veilige plaats voor moslims zes dagen later onder de voet. De meeste moslim-mannen hadden de enclave eerder verlaten in een poging te ontsnappen. Het merendeel van hen was echter buiten Srebrenica in handen van de Serviërs gevallen. De Serviërs voerden de resterende moslims in bussen af nadat ze eerst met behulp van de Nederlandse militairen de aanwezige mannen van de vrouwen en kinderen hadden gescheiden. Ze werden samengevoegd met de groep eerder gevangen vluchtelingen en even later werden de meeste mannen (ten minste 7000) door de Serviërs geëxecuteerd. De Nederlandse soldaten, van wie sommigen vermoedden wat er te gebeuren stond, maar die geen getuige waren van de moorden zelf, kregen een vrijgeleide naar Zagreb, waar ze door premier Kok en prins Willem-Alexander werden verwelkomd. Toen in Nederland was doorgedrongen welke ramp zich ‘onder de ogen van Dutchbat’ had voltrokken, rees de vraag of de Nederlandse soldaten de enclave niet hadden moeten beschermen tegen de Serviërs en zo misschien deze genocide hadden kunnen voorkomen. Aanvankelijk werd vooral naar de militairen gekeken, maar al snel bleek dat de verantwoordelijkheid niet bij hen kon worden neergelegd. Hun mandaat verbood hen mee te doen in de oorlog. In september 1996 kreeg het NIOD van de regering de opdracht onderzoek te doen naar de precieze toedracht. Toen het NIOD-rapport in 2002 verscheen, nam premier Kok de politieke verantwoordelijkheid voor de ramp in Srebrenica, en trad af.Het Nederlandse leger heeft vanaf het eerste uur meegedaan aan vredesoperaties van de Verenigde Naties, waarbij troepen namens de VN toezien op naleving van vredesakkoorden in verschillende gebieden. De eerste was in 1948, in Israël. Een van de terugkerende problemen bij deze operaties is de zogenaamde geweldsinstructie. Wat mag het leger wel en wat niet doen in zo’n gevaarlijk gebied?De Tweede Kamer heeft over het sturen van de Nederlandse militairen het laatste woord. Zij moet instemmen met afspraken tussen de regering en de VN over de mate van de bewapening en het soort geweld dat het leger mag gebruiken. Dat betekent dat in de Tweede Kamer uiteindelijk de afweging plaats heeft van de taken van de troepen en de gevaren die ze daarbij zelf lopen. Na de gebeurtenissen in Srebrenica is nog maar eens vastgesteld,dat de Kamer daarover zo goed mogelijk geïnformeerd moet worden. Srebrenica heeft diepe sporen nagelaten in Nederland. Het heeft geleid tot grotere huiver en meer voorzichtigheid bij het uitzenden van troepen. Maar het heeft niet tot gevolg gehad dat Nederland zich afzijdig houdt en internationale verzoeken om militaire steun afwijst. Want Nederland wil een rol blijven spelen in de internationale (vredes)politiek. Enduring Srebrenica ziet het gebeuren uit het lokale perspectief.

STALIN EN HITLER KOMEN IN DE HEMEL

Maar liefst 486 bladzijden telt het boek van deze week en u zult ze alle tot u nemen, want zo verfrissend en onderhouden zijn ze. Ik heb het over Stalin en Hitler komen in de hemel van Dick Berents en van uitgeverij Aspekt met de ondertitel ‘De hele geschiedenis aan de hand van moppen en misvattingen’. Op de omslag staat een spotprent met beide tirannen al koddig dansend met de een op de mouw een hamer en sikkel en met de ander op de arm een swastika of hakenkruis. Ik houd van de geschiedenis in die betekenis dat ik graag verneem wat het verleden al zo in petto had. Vooral de onderwijzers op de Lagere School, Van Velzen en Molenaar, de leraren op de H.B.S.. Van Alkemade en Kouwenhoven en die op de Koningin Wilhelmina Kweekschool, Bron en ….. brachten mij die min voor het voorbije bij. Maar allereerst was het mijn vader die op de vliering dozen en mappen vol had met krantenknipsels die het gepasseerde zo konden doen herleven. Vader was een trouw en overtuigd lid van de Anti - Revolutionaire Partij en had het Huis van Oranje heel hoog in het vaandel staan. Zo deed het hem deugd dat de vroegere staatsman Colijn ons volk in 1936 al gewezen had op internationale spanningen en dat de Vader des Vaderlands, Willem van Oranje in 1584 aan het Prinsenhof te Delft aan de kogels van Balthasar Gerards bezweek maar niet voordat hij gezegd had: ‘Mijn God, Mijn God, heb medelijden met mij en dit arme volk’.

Ik roep deze twee incidenten in mijn geheugen terug omdat ze beide manifesteren hoe de geschiedenis vervormd wordt om de eigen ideeën en opvattingen meer plausibel te maken. Het ‘Gaat u maar rustig slapen’ van Colijn werd door velen de man later verweten, want hij zou die sussende woorden gesproken hebben in 1940 aan de vooravond van de Duitse bezetting en niet een viertal eerder toen het Rijnland door Hitler bezet was, wat een schending van het Verdrag van Locarno betekende. Colijn zei in zijn radiotoespraak o.a.: ‘Daarom maan ik nog eens aan om zich niet te laten verontrusten’ en hij beëindigde zijn rede zo: ‘Ik verzoek den luisteraars dan ook om wanneer ze straks hunne legersteden opzoeken, even rustig te gaan slapen als ze dat ook andere nachten doen. Er is voorshands nog geen enkele reden om werkelijk ongerust te zijn.’ De minister-president wilde aankondigen dat de winterlichting 1935 langer onder de wapenen diende te blijven. De laatste woorden van Willem van Oranje: volgens een bekritiseerd onderzoek dat in maart 2012 werd gepresenteerd was het vrijwel zeker dat hij die niet meer heeft kunnen zeggen. Met het schot dat Gerards loste kwamen drie kogels vrij. Eén hiervan ging door zijn hart waarna hij vrijwel zeker op slag dood was. De onderzoekers baseerden zich hierbij onder meer op het oorspronkelijke Latijnse sectierapport dat Pieter van Foreest en Cornelis Buyssen na Oranjes dood opstelden.

De geschiedenis wordt niet alleen geweld aangedaan door misvattingen maar ook via anekdotes en moppen, wat het voornaamste item is van de tocht door het gemeenschappelijk verleden van Dick Berents. Het is een geweldige ervaring om hem te volgen op zijn speurtocht naar historische gebeurtenissen die door korte, grappige verhalen over bekende (anekdotes) en minder bekende (moppen) personen meer aansprekend worden. De waarheid ligt dan niet in het midden! Ik stel u voor dat wij de komende weken op excursie gaan inStalin en Hitler komen in de hemel. Nu wil ik u de smaak ervan te pakken laten krijgen door wat anekdotes en moppen te citeren uit de chapiters van Berents die na de ‘Inleiding’ lopen van ‘De oudheid’, ‘De middeleeuwen’ en ‘De vroegmoderne tijd’ tot ‘De koude oorlog’, ‘En daarna’ en ‘Het verhaal van de humor’. U ziet het: de historicus met gevoel voor humor struint de hele geschiedenis door.

Uit de middeleeuwen. ‘Een Frankische legeraanvoerder keert met zijn mannen terug na een veldtocht. Koning Chlodorik ontvangt hem en vraagt: ‘Hoe staan we ervoor?’ ‘Majesteit’, zegt de veldheer, ‘ik heb vorige week de vijanden in het zuiden verslagen en deze week heb ik de dorpen en kloosters geplunderd van uw vijanden in het westen.’ ‘Wat?’ riep de koning. ‘Ik heb helemaal geen vijanden in het westen,’ ‘O’, zei de legeraanvoerder beteuterd. ‘Nu dus wel.’  Uit de vroeg moderne tijd: ‘Zodra Cromwell aan de macht was, moest er ook nieuw geld met een ander opschrift worden geslagen. Op de ene kant stond ‘God met ons’ en op de andere ‘De Republiek van Engeland,’ Een oude edelman die aanhanger van de monarchie en een grote hekel had aan de puriteinen, bekeek het geld en zei: ‘Het is heel passend dat God en de republiek aan verschillende kanten staan.’ Ook nu weer vertelt Berents de context. Uit de wereldoorlogen en Duitsland: ‘Hitler was erg bijgelovig. Op een dag ontbood hij een astroloog. ‘Op wat voor dag zal ik sterven?’ Na een blik op de hemelkaarten zei de astroloog: ‘U zult sterven op een joodse feestdag.’Hitler vroeg: ‘Maar op welke joodse feestdag dan?’ ‘Dat weet ik niet’, zei de astroloog. Hitler keek boos. ‘Ik moet het weten’, zei hij, ‘ik sta erop de waarheid te horen.’ ‘Ik weet het echt niet,’ zei de astroloog, ‘want de dag waarop u dood gaat, zal per definitie een joodse feestdag zijn.’ Uit de Verenigde Staten: ‘Twee zwarte mannen bevinden zich in een hotel in Mississippi. Ze vervelen zich en de ene zegt: ‘Zullen we de balie eens opbellen en vragen of ze een paar blanke meisjes kunnen sturen? De andere schrikt. ‘Wat zeg je nou? Ben je gek geworden? Blanke meisjes in Mississippi, dat is vragen om moeilijkheden!’ De ander zegt: ‘Waarom niet? Ik wil alleen maar met ze naar bed, ik wil niet met ze naar school gaan!’