Een kijk- en leesalbum heb ik voor u waarin ik sinds postbode Ruud mij het aanreikte met vreugde verzonken ben. Zo rijk aan informatie, zo’n lust voor het oog, zo strelend van gemoed, zo’n bron van genot is het grote en grootse plaatwerk. Ik leg voor u op de leestafel het 232 bladzijden tellende, doorlopend kleurrijk geïllustreerde Oogst van de veenlandschappen van Hilde E.A. Huizenga en van uitgeverij Blauwdruk. Met de ondertitel ‘Cultuurhistorie en bijna vergeten beheerstechnieken voor opbrengst erf en terrein’. Ik haast mij te zeggen dat de toevoeging aan de titel u niet af moet schrikken, want Oogst is niet alleen een wetenschappelijk naslagwerk – wat het wis en waarachtig ook is – maar is voor ons zogenoemde leken een macht en een pracht van een werk dat de ogen opent voor de heem waarin wij leven. Ook is het een kunstwerk dat met reproducties van schilderijen uit het verleden illustreert hoe onze voorouders met het veenland verkeerden. Opdat wij geïnspireerd worden tot een bewuster, beter: met meer kennis van zaken, omgaan met de eigen inheemse natuur. Als eyeopener voor onze eerst tocht door dit verheven en verheffende album ga ik voor de namen van de schilderijen die in Oogst van de veenlandschappen afgebeeld zijn, waarbij ik naast de naam en eeuw van de maker ook vermeld in welke context de kunstwerken staan. Maar eerst wil ik u de tekst van de harde cover geven en ook de titels van de hoofdstukken want u krijgt aldus een impressie van het boek dat heel toegankelijk geschreven is en van begin tot finish onderhoudend en verdiepend is.
De uitgever op de omslag: ‘Dit boek gaat niet speciaal over de schoonheid van onze Nederlandse veenlandschappen of over onze natuur. Dit boek gaar vooral over de groene cultuurhistorie van onze vele veengebieden. Hoe de bewoners eeuwen geleden hun gebied bewonderenswaardig hebben doorgrond en alle mogelijkheden hebben uitgebuit of naar hun hand gezet. Want er moest worden verdiend aan de grond. Voor alles dat is gebouwd, aangelegd en aangeplant – en juist op die specifieke plek – was een reden. In dit boek ook de fascinerende, bijna vergeten en inmiddels weer nuttige methodes voor inrichting, aanleg en beheer van de verschillende streken. Ze komen uit de literatuur, maar vooral uit gesprekken met inmiddels oude bewoners die nog konden vertellen hoe men het landschap maximaal benutte. Uitgerust met deze kennis zult u voortaan onze historische overblijfselen is het veenland herkennen en meer kunnen oogsten van uw eigen erf en terrein.’ De titels en subtitels van de zes chapiters van Hilde E.A. Huizenga: Bijna vergeten ervaringen – Waarom dit boek Bodem en grondwater, Veenlandschappen – Erf en terrein inrichten begint met oriëntatie, Waarom zijn de landschappen zo? – Historisch gebruik sinds de middeleeuwen, Wat kan ik doen in mijn gebied? – Landschapselementen van de veengebieden, Niet meer gebruikt, wel te beschermen – Vergeten landschapselementen, Soorten, aanleg, beheer en gebruiksmogelijkheden.
Nu presenteer ik de schilderijen met in het achterhoofd de finish van het voorwoord ‘Zorg voor het Nederlandse cultuurlandschap’ van staatssecretaris Sharon Dijksma: ‘Dit deel laat zien hoe eeuwenoude tradities het veenlandschap zijn gezicht hebben gegeven. Wie actief wil zijn in zijn leefomgeving, vindt in dit naslagwerk de kennis die nodig is om aan de slag te gaan.’ Na het noemen van het idee leibomen passend bij het veenlandschap te snoeien en melkstoepen aan te leggen zegt de politica: ‘Met zijn allen zullen we onze prachtige landschappen overdragen aan nieuwe generaties.’ ‘Het Moleneind bij Kortenhoef, met molen De Lelie’ uit de 19de eeuw van Gabriel laat een moeras zien omdat men tot 1900 geen idee had wat veen nou precies was. Mastenbroek schilderde in 1932 steenzetters aan het werk die een dijk aanlegden langs een uitgestrekt laagveenmoeras. Van Vreedenburgh uit de vorige eeuw is het doek ‘Turfstekers. Gabriel vervaardigde ook ‘Hooischelf’ waarop echter een korenmijt waarin de schoven volgens een beproefd systeem werden aangelegd. Van Haanen (1814-1895) is ‘Mand met rozen op een tuinbank’ dat het chapiter ‘Sierteelt’ verlucht. Het schilderij ‘Het laantje van Middelharnis’ uit 1689 van Hobbema doet dat bij het een gezegde over boomkwekerijen. ‘Moestuin bij een molen’ uit de 19de eeuw is van Pieters. ‘Boterbereiding’ uit de 20ste eeuw is getekend door Jetses, ‘Afgemeerde boten in Amsterdam met de St-Nicolaaskerk en de Schreierstoren’ is van Mol en brengt in beeld de handel en industrie die begin vorige eeuw een link hadden met het fenomeen veen. Een anoniem gebleven schilder uit de 17de eeuw schonk ons ‘Gezicht op de polder Het Grootslag nabij Enkhuizen’ bij een tekst over warmoezeniers. Het doek ‘Waterlandschap met wadende koeien’ van Roelofs (1822-1897) staat in het stuk ‘Afscheidingen’, zijn tijdgenoot Bauffe presenteert zich met ‘Landschap met wasvrouw aan een poldervaart’ in ‘Steigers en melkstoepen’. De aquarel ‘Zomerweelde’ van Akkeringa (1861-1942) siert het stuk ‘Bloemen, planten en sierheesters’ en ‘Groentestal’ uit 1618 van Snijders verfraait het proza over Tuinbouw.
Als gezin verbleven wij in vroeger jaren vaak bij de familie Tip aan de Ermermarkerweg 10 in het Drentse Veenoord. Van hun hofstede fietsten wij met ons vijven naar Klazienaveen, Weiteveen en Bargerveen en kerkten en winkelden wij in Hoogeveen. Met de zoons elk afzonderlijk peddelde ik van daaruit door het hele land. Zo arriveerde ik met zoon Muel in Veendam en Vriezenveen. Met zoon Time in Heerenveen en Kamperveen. Met zoon Briam in Amstelveen en Vinkeveen. Toen de kids het ouderlijk huis uit waren koerste ik met echtgenote door plaatsen als Veenendaal, Waddinxveen, Veen, Helenaveen, Griendtsveen en door het veenlandschap bij uitstek De Peel. Of deze toponiemen alle hun oorsprong te danken hebben aan de vroegere presentie van hoogveen of laagveen, ga ik later traceren. Maar ik wil nu alleen illustreren hoe ‘veen’ een substantieel deel is, niet alleen van ons taaleigen maar ook in onze landschappelijk outfit.
Met een knipoog naar onze volgende excursie door Oogst wil ik een aantal termen aan u doorgeven die in dit veenboek in woord en beeld door Huizenga gepresenteerd worden. Ik garandeer u dat die begrippen op een toegankelijk bijschrift kunnen buigen en een nieuw leven door u geschonken worden. Voor de vuist weg: bolster, zwartveen, cope, veenkolonie, overtoom, boekweit, raapzaad, welwater, griend, eendenkooi, turfwinning, briket, beschoeiing, houtwal, achterkade, rietkraag, mede, meiboom, grafheuvel, ze hebben alle een link met veen. Laagveen heeft als belangrijkste kenmerk dat het veen onder invloed van het grondwater is ontstaan in tegenstelling tot hoogveen dat zijn aanwezigheid te danken heeft aan regenwater. Wat deze eigenschappen in de praktijk van ons bestaan betekenen doet Huizenga uit de doeken. Zij kenmerkt zich daarbij door haar deskundigheid en gedrevenheid. Om het eerste aan u te etaleren: die van haar selectie van klassiekers onder de bloemen en planten. En die van soorten en rassen in de tuinbouw. Ik heb alleen maar loftuitingen voor Oogst van de veenlandschappen waarbij u niet alleen dat ‘oogst’ op kunt vatten als ‘opbrengst’ maar ook in de overdrachtelijke betekenis. Het album is een goudvoorraad van kennis, die ons uitnodigt tot het anders kijken naar en hanteren van veen. Jammer vind ik het dat Oogst er nu is. Een uitgave decennia terug had mij nog meer doen genieten van het land waarop en waarvan wij leven. Voorlopig tot slot, Huizenga stond ook aan de bakermat van soortelijke werken over rivieren, kust en zandgronden. En dan te bedenken dat het deel over krijtlandschappen in 2016 het licht geschonken wordt!
De komende weken wil ik met u een tocht maken door zoals de auteur het zelf in de eerste zin omschrijft door een boekenboek. Hij doelt daarmee op het 378 bladzijden tellende, passend geïllustreerde Babyboomboek van Ronald Havenaar en van uitgeverij Van Oorschot met de ondertitel ‘Wat ze lazen, wat hen vormde, hoe ze dachten’. Zin twee vult aan met ‘Het gaat over de Nederlandse romans en non-fictiewerken die tussen 1945 en 1955 is geboren.’ Om het preciezer te zeggen, Havenaar bespreekt 36 werken gelijkelijk verdeeld over romans en studies.
Bij de lectuur van het mij van begin tot eind fascinerende Babyboomboek werd ik teruggezet naar de tijd van studie en leraarschap. Aan Nutsacademie Rotterdam en Rijksuniversiteit Utrecht diende ik lijsten van gelezen werken uit de Nederlandse literatuur aan de professoren voor te leggen, die vervolgens vragen stelden om te peilen of ik de boeken inderdaad tot mij genomen en verstaan had. Op mijn jaren aan scholengemeenschap De Lage Waard testte ik bij examens havo/atheneum of mijn leerlingen dat ook gedaan hadden. Bij het adviseren van de lui in de klas stipuleerde ik doorgaans bij de keuze van door hen te lezen werken verhalen over die de Tweede Wereldoorlog als thema hebben. Klassikaal las ik met hen boeken van Ruylinck, Minco en Anne Frank en uit reacties bleek mij dat hun werken goed overkwamen. Aldus voelde ik mij gesterkt in de signalen die ik uitzond over romans die de jaren 40-45 verwoordden. Eerlijkheidshalve dien ik echter ook te zeggen dat ervaringen uit mijn jonge jaren die voorliefde voor berichten uit de oorlog verklaarden.
Ik ben een paar jaar te vroeg op aarde gekomen om mij te mogen rekenen tot de babyboomers die in de definitie van Havenaar passen. Ik weet zodoende nog de ervaringen van mijn vader zaliger die hij na de oorlogsjaren verhaalde en die ik deels had meegemaakt. Het verraad van zijn baas Wegeling die Trouw drukte, het onderduiken in de kolenkelder, de tochten voor eten, het dienen van zijn broers bij vriend en vijand, de euforie van bevrijding, hij vertelde er niet alleen over maar legde zijn verhalen ook neer in zijn memoires. Met een zekere vorm van graagte las ik derhalve boeken over WOII, vooral omdat ik de tijd van mijn ouders wilde plaatsen. En zo lag het voor de hand dat ik in de klas het met de eigen leerlingen vaak had over werken uit die tijd en ik met hen aan het eind van hun schooljaren daarover een gesprek had. Zelf liet ik mij daarbij leiden door de zogenoemde secundaire literatuur die aangereikt werd door publicisten als De Jong, Presser, Barnouw, Hillesum, Van Liempt en Van der Heijden.
Werken die bij die sessies de revue passeerden waren o.a. Het Achterhuis van Anne Frank, Het bittere kruid - De val van Marga Minco, Pastorale van Simon Vestdijk, De tweeling van Tessa de Loo, De nacht der Girondijnen van Jacques Presser, Kort Amerikaans van Jan Wolkers, De Aanslag - Het stenen bruidsbed van Harry Mulisch, Bezonken rood van Jeroen Brouwers, De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans, Het verdriet van België van Hugo Claus, Wierook en tranen van Ward Ruyslinck en Montyn van Dirk Ayelt Kooiman. Niet alle van de door mij genoemde werken komen in Babyboomboek aan de orde, want zijn van latere datum. Een groot deel ervan komt toch direct of indirect ter sprake. En dat brengt mij op de belijdenis dat ik deze fictieve werken bijna nooit in samenhang met andere werken uit dat genre op school behandelde. Anders gezegd, ik las en besprak de oorlogsromans los van werken uit diezelfde tijd. Dat was een omissie. Ik werd daar helemaal bij bepaald door het leesverslag van Havenaar. De auteur hanteert in Babyboomboek vier delen met de namen ‘Beklemming’, ‘Illusie’, ‘Bevrijding’ en ‘Verval’. De titels staan voor leeservaringen waaraan de babyboomers blootstonden en welke plaats de oorlogswerken daarbij opeisten, probeer ik de volgende keer uit de doeken te doen. Om u te illustreren hoe compact Havenaar de eerste achttien werken naar thematiek weet te vatten geef ik u de intro’s van de chapiters ‘Beklemming’ en ‘Illusie’. Ik begin met het noemen van de subtitel.
‘Stilstand - De stilstand die Wolkers oproept in Terug naar Oegstgeest, een roman die zich vooral afspeelt tijdens de jaren dertig van de twintigste eeuw, wordt bepaald door armoe en trouw aan de bijbel. In zijn voorgeschiedenis van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog, Voorspel, beschrijft historicus L. de Jong het vaderland van die periode als een samenleving van beklemmende immobiliteit. Stagnatie is ook het thema van Bij nader inzien, de roman waarmee J.J. Voskuil een inkijk biedt in het suffe Nederland van na de oorlog. Bekrompenheid - In De koperen tuin is romancier Simon Vestdijk de begeesterde portretschilder van de provinciale bekrompenheid. H.J.A. Hofland beschrijft in Tegels lichten, een levendige mentaliteitsgeschiedenis van de eerste naoorlogs decennia, een nationale samenleving die zich gedraagt volgens de normen van gehoorzaamheid en benepenheid.
De verhalenbundel Dood weermiddel van F.B. Hotz geeft blijk van een fascinatie voor het verzuurde huwelijksleven, dat de echtelijke partners veroordeelt tot kleingeestige pesterijen. Angst - De beklemmende angst voor een nucleaire catastrofe wordt door de Groningse hoogleraar Röling voelbaar gemaakt in Over oorlog en vrede. In de autobiografische roman Op weg naar het einde confronteert Gerard van het Reve zijn lezers met de vreeswekkende realiteit van de menselijke sterfelijkheid. Abram de Swaan ontmaskert in Amerika in termijnen de voormalige bevrijder als een supermacht die de Europeanen angst inboezemt door het gebruik van grof geweld in Vietnam.
Droom - Fritzi ten Harmsen van der Beek voert de lezer in haar verhalenbundel Neerbraak mee naar de wereld die is weggedroomd van de werkelijkheid. Dat ook de wetenschap het domein kan zijn van een verbeelding die wordt geïnspireerd door de waan, bewijst Fred Polak in Prognostica, een ode aan de academische toekomstkunde. Anton Koolhaas roept in zijn roman Vanwege een tere huid een universum op waarin mens en dier verwante wezens zijn die slaapwandelend door bovenaardse sferen trekken. Egomanie - In De getatoeëerde Lorelei laat romanschrijver Jaap Harten zijn lezers kennismaken met een universum dat de hoogstpersoonlijke fascinatie voor homo-erotiek koppelt aan de opkomst van het Duitse nazisme. Jan Foudraine blijkt in Wie is van hout, een pleidooi om psychiatrische patiënten als normale mensen te behandelen, vooral geïnteresseerd te zijn in de lotgevallen van zijn eigen ik. Romanschrijfster Andreas Burnier toont zich in Een tevreden lach bezeten van een egomanische voorstelling met de illusionaire wens van geslacht te veranderen.
Mythe - J.B. Charles is in Van het kleine koude front de strijdbare pleitbezorger van de mythe dat de Duitsers ook na 1945 gevaarlijk blijven: de terugkeer van het fascisme is volgends deze auteur een reële dreiging. In de autobiografische roman Voer voor psychologen schept de literaire illusionist Harry Mulisch een mythische fantasiewereld waarvan hijzelf het middelpunt is. De hoogleraar sociologie W.F. Wertheim schetst in Evolutie en revolutie een politieke mythe die het communistische China een voorhoederol toekent in een radicale ommekeer van de mondiale verhoudingen.’
Het lezen van Babyboomboek van Ronald Havenaar’ vormde voor mij niet alleen een feest van herkenning, het verbreedde ook mijn horizon. Boeken als Een vlucht regenwulpen van Maarten ’t Hart en De man met de witte das kwamen onder één noemer terecht, ook die van Nooit meer slapen van W.F. Hermans en Ondergang van J. Presser. Babyboomboek is een werk dat laat zien hoe de generatie geboren tussen 1945 en 1955 gevormd werd en hoe door haar gedacht werd.
Dat nog steeds werken verschijnen die het leed onze Joodse landgenoten aangedaan tijdens de Holocaust van de Tweede Wereldoorlog toont een roman aan die helaas op non-fictieve gebeurtenissen berust. Ik heb het over het 352 bladzijden tellende Rivka van Femmetje de Wind en van uitgeverij Xander. Bij het introduceren van Babyboomboek van Ronald Havenaar had ik het met u erover dat ik tijdens mijn bestaan van leraar Nederlands vaak mijn leerlingen havo/atheneum aanzette tot het lezen van berichten uit 40-45. De Shoah zal nimmer uit ons collectieve geheugen verdwijnen maar moet wel generatie na generatie opgerakeld worden. Derhalve is deze (volgens Robert Vuijsje) ontroerende familiegeschiedenis Rivka opnieuw een teken aan de wand. Opdat wij decennia na dato niet opnieuw in een dwaze genocide vervallen. Wij hebben de plicht dit verraad aan de mensheid door te geven in de hoop dat de antisemitische verschrikkingen voor eens en voor altijd weggevaagd worden. De volgende keer wil ik met u een tocht maken door Rivka. Om u hiervoor bagage aan te reiken geef ik de tekst van de omslag en reik ik u ‘Proloog Den Haag (1942)’ aan waarbij ik nu al wil wijzen op de zin ‘Samen liepen ze achter de Haagse politiemannen aan door het Noordeinde, waar het druk was op dit uur van de dag. Mensen keken op, ze keken hen na, maar niemand zei iets, niemand zwaaide, niemand protesteerde of greep in. Het was een goedbedoeld gebaar, maar het deed Isaac walgen van onmacht.’
De uitgever op de cover: ‘Rivka Cohen heeft een succesvolle carrière als redacteur en een schijnbaar gelukkig gezinsleven, maar innerlijk knaagt de onrust aan de zorgvuldig opgebouwde buitenkant. Het onverwachte weerzien met haar ex-minnaar de veel oudere, getrouwde en fortuinlijke Daniel Rubinstein overrompelt haar. Als blijkt dat Daniel een geheim op het spoor is dat haar vader aangaat, is de twijfel bij Rivka compleet. Rivka groeide op in een gezin waar haar Joodse vader de oorlog altijd met zich meedroeg. Zijn trauma, dat zich haast ongemerkt in haar heeft vastgebeten, komt tijdens de intense verhouding met Daniel pijnlijk aan de oppervlakte. Rivka kan de vragen over haar identiteit en het verleden niet meer ontlopen. Ze reist naar Israël om de wortels van haar eigen geschiedenis te zoeken. Maar hoe dichter ze bij de waarheid komt, hoe meer ze haar zorgvuldig opgebouwde zekerheden dreigt te verliezen. Hoe ver gaat Rivka in een poging het verleden van haarzelf, haar vader en haar verloren familie te herstellen?’
Femmetje de Wind: ‘Isaac was zestien toen hij opgehaald werd. Twee mannen van de Haagse politie waren kort na sluitingstijd de kapsalon binnengekomen. De salon van Mirjam Cohen, Isaacs moeder, was gevestigd op een van de mooiste plekken aan het Noordeinde in Den Haag. Hij lag op een hoek waar de straat een knik maakt en zich iets verbreedt. Daardoor waren er aan twee kanten ramen en was het pand lichter en luxer dan de andere winkelpanden in de straat. ‘Kan ik de heren van dienst zijn?’ vroeg Isaac. De ene agent, nauwelijks ouder dan hij, haalde een formulier uit zijn borstzak. ‘Ik heb een bevel van de bezetter. We zoeken Isaac Cohen en Mirjam Cohen-de Haan?’ ‘Ik ben Mirjam Cohen,’ zei zijn moeder. ‘Maar ik heb een sper in mijn persoonsbewijs.’ ‘Mama,’ zei Isaac. Hij hief zijn hand om haar tot stilte te manen. ‘Wel of geen sper, u moet gewoon mee,’ zei de agent gapend. ‘En u moet uw koffer meenemen.’ De vluchtscenario’s schoten als een balletje in een flipperkast door Isaacs hoofd. Hij kon het dak op, net als de vorige keer, toen Kaptein hem kwam zoeken en hij net op tijd had weten te ontkomen. Maar zijn moeder kon niet via het smalle dakraam omhoog, daarvoor was ze te stijf, te zwaargebouwd en te gedienstig aan het gezag. ‘We doen nu wat u vraagt,’ zei Mirjam gedecideerd. ‘Als we bij het bureau komen leggen we wel uit dat het op een misverstand berust. We hebben geen officieel bericht gekregen.’ Ze keek naar Isaac. ‘Hans en Rebecca hadden een officiële oproep. Wij niet.’ ‘Opschieten,’ zei de agent, die moe was en naar huis wilde. De kapsalon was verbonden met het woonhuis. Via een deur achter in de salon kwam je in het trappenhuis. Onder aan de monumentale marmeren trap, uit het zicht van de agenten, pakte Mirjam haar zoon vast en drukte hem tegen zich aan. Precies op de plek waar hij talloze keren van de trapleuning gegleden was, op zijn billen geploft en evenzoveel keer door zijn moeder was getroost. Isaac was opgegroeid in dit statige herenhuis. Zonder broer of zus, maar met gezelligheid, liefde en aandacht van zijn ouders in overvloed. En ook van zijn grote familie en alle vriendinnen van zijn moeder die de kapsalon niet alleen bezochten om geknipt te worden, maar ook om met elkaar te kletsen. ‘Wat moeten we doen?’ zei ze. Isaac zweeg. Wat hij had willen doen wist hij wel. Op de vuist gaan met die gasten. Lafbekken. En daarna rennen voor zijn leven. Hij zou ze zeker te snel af zijn, als hij maar alleen was. Misschien was dit Kapteins strategie. Door hem en zijn moeder tegelijk te laten oppakken, maakte hij Isaac vleugellam. ‘Laten we nu doen wat ze zeggen, daarna bedenken we wel iets.’ Isaac liep achter zijn moeder aan naar boven. Op de eerste etage was de slaapkamer van zijn ouders. Hij bleef even in de deuropening staan kijken terwijl zijn moeder de kamer in liep. Naast haar bed lag een in blauw leer gebonden boek, goud op snee met Hebreeuwse preegletters op de rug. Isaac wist dat het een Joodse bijbel was, al had hij zich er nooit voor geïnteresseerd. Zijn moeder nam het boek op en kuste het behoedzaam alsof het een boreling was. Vervolgens pakte ze het kleine koffertje dat reeds ingepakt naast haar bed stond. Ze was voorbereid. Een lijst met instructies voor deportatie was verspreid door de Joodsche Raad. Hoe zwaar men bepakt mocht zijn, wat men mee moest nemen, hoe de bagage te markeren en zelfs hoe de reis naar Westerbork zou verlopen. Vrouwen en meisjes deden er goed aan hun haar te laten knippen voor vertrek. Zelf droeg Mirjam haar lange haar nog steeds hoog opgestoken in een knot. Isaac liep nog een trap op, naar zijn kamer, waar geen koffertje klaarstond. Natuurlijk had hij het formulier van de Joodsche Raad gelezen. ‘Men blijft in Westerbork gewoonlijk ong. 2 dagen. Reisduur ong. 2 dagen.’ Zijn oog was blijven hangen op dat ‘ong’. De banaliteit van het kwaad die in de afkorting besloten lag, trof hem. Men zei dat je te werk werd gesteld. Isaac wist wel beter. Voor de vorm propte hij wat truien in een plunjezak. Op de lijst met instructies had hij gelezen dat je warme kleding mee moest nemen, geschikt voor een koud klimaat. Zijn moeder stond beneden aan de trap op hem te wachten. In haar hand had ze een klein zelfgehaakt portemonneetje. Ze gaf hem het enige biljet dat in het buideltje zat. ‘Hier, hou dit bij je.’ Isaac weigerde. ‘Ik wil dat je het aanneemt.’ Ze hield haar arm uitgestrekt. In haar hand beefde het blauwe briefje van tien gulden. ‘Ik red me wel, mama. En trouwens, we blijven toch bij elkaar. Hou jij het maar.’ ‘Ik heb een berichtje geschreven voor je vader. Hij zal zich ontzettend ongerust maken als hij straks thuiskomt.’ Isaac zuchtte. ‘Laten we hopen dat het op een misverstand berust en dat we snel weer thuis zijn.’
Samen liepen ze achter de Haagse politiemannen aan door het Noordeinde, waar het druk was op dit uur van de dag. Mensen keken op, ze keken hen na, maar niemand zei iets, niemand zwaaide, niemand protesteerde of greep in. Een man nam zijn hoed af. Het was een goedbedoeld gebaar, maar het deed Isaac walgen van onmacht. In plaats van hen naar het politiebureau te brengen, begeleidden de agenten Isaac en zijn moeder naar het ‘Joods Tehuis’ aan de Paviljoensgracht. Daar, waar vroeger cursussen naaien en boekhouden werden gegeven en waar atletiekvereniging Simson – Isaac was nog lid geweest – haar wedstrijden gewichtheffen hield, moesten ze wachten totdat ze met de tram naar station Staatsspoor werden gebracht. In de voormalige synagoge was het vol. Overal stonden mensen met koffers, jassen over hun arm, hoeden in hun hand. Tassen en paraplu’s lagen verspreid over de grond. Kinderen speelden tikkertje, ze trokken met hun spel een luchtig spoor door de benauwde ruimte.
Op Staatsspoor werden door mensen van het kerkbestuur zakken brood, biscuitjes en appels uitgedeeld. Isaac en zijn moeder kregen te horen dat mannen en vrouwen bij elkaar konden blijven gedurende de reis. ‘Over de reis maak ik me geen zorgen, maar wat gaat er gebeuren als we daar aankomen? Met de tewerkstellingen is het gedaan. Ze brengen ons naar Westerbork en vandaar rechtstreeks naar een kamp waar ze ons vermoorden.’ ‘Onzin,’ zei een onbekende man die naast hen stond te wachten. ‘Onze rabbijn heeft verteld dat er brieven zijn gekomen van mensen die al ginds zijn gearriveerd. Het werk is zwaar, maar er is eten, drinken en er zijn barakken waar je kunt slapen. Iedereen heeft een eigen bed.’ Ze reisden in gewone derdeklas coupés, er was een zitplaats voor iedereen. Op station Utrecht stopte de trein. Ze moesten een tijdje wachten. Het was onduidelijk waarop. Na een poosje kwam er een beambte van de Nederlandse Spoorwegen hun coupé in. De man controleerde het treinstel. Hij liep door het gangpad terwijl hij van rechts naar links keek. Daarna verdween hij door de schuifdeuren, naar de volgende wagon. Op dat moment wendde Mirjam zich tot haar zoon en zei: ‘Isaac, als je een kans ziet, vlucht dan. Maak je over mij geen zorgen. Jij hebt nog een heel leven voor je. Wees ze te slim af.’ ‘Maar hoe?’ zei Isaac. ‘De man die net langsliep. Hij heeft sleutels.’ Met een schok kwam de trein in beweging. ‘Te laat,’ zei Isaac. Hij klonk opgelucht. Toen de trein Utrecht Centraal verliet hoorde Isaac de deur van het compartiment weer opengaan. Het was de spoorwegbeambte. Hij kwam opnieuw hun treinstel in en liep nu zonder om zich heen te kijken terug. Hij was vlakbij. ‘Meneer, mag ik u iets vragen?’ De man, een jaar of zestig, droeg een blauwe pet van de Nederlandse Spoorwegen over zijn grijze dunne haar, dat aan weerszijden ongehoorzaam onder de pet uitpiekte. Zijn huid was vaal en zijn donkerbruine ogen lagen diep in zijn oogkassen. Hij zag er ongezond uit, uitgeput, alsof hij de hele nacht wakker was geweest. Isaac wist dat hij in minder dan twee seconden een inschatting moest maken van de situatie. Het lawaai van de locomotief zwol aan. De man boog zich iets naar Isaac toe, zodat hij hem beter kon verstaan. ‘Wilt u alstublieft de deur voor me opendoen?’ De beambte keek hem vragend aan. Hij had hem niet goed gehoord. Isaac probeerde alle overtuigingskracht die hij bezat te verzamelen en terwijl hij de man fixeerde met zijn blik, zei hij: ‘O-pen-de-deur, alstublieft.’ De spoorwegbeambte gaf een kort knikje, draaide zich om en liep terug in de richting waar hij vandaan was gekomen. Isaac keek zijn moeder geschrokken aan. Er was geen tijd om gedag te zeggen. Er was geen tijd om na te denken. In een roes van opwinding en vrees stond Isaac op en volgde de man. De trein was inmiddels redelijk op stoom. Springen was niet ongevaarlijk. Maar hij mocht niet twijfelen. Dit was een goede keus. Zijn moeder had het zelf gezegd. Op het tussenbalkon stopte de man bij het portier. Hij stak een sleutel van zijn enorme bos in het slot en opende langzaam de deur. Een enorm kabaal kwam hun tegemoet. Isaac was doodsbenauwd. Hij moest onwillekeurig denken aan die keer dat hij met zijn vrienden om de pier van Scheveningen was gezwommen en dat Henry, zijn beste chawwer, bijna verdronken was. Hij zat vast in de slurpende tentakels van een mui. Met gevaar voor eigen leven was hij naar Henry toe gezwommen. Hij had hem onder zijn kin gepakt en hem meegetrokken naar rustiger water. Nu deed hij een stap naar voren en nam de deur over van de man in uniform. De wind suisde om Isaacs oren en blies de krullen uit zijn gezicht. Ik durf niet, dacht Isaac. Het gaat te snel. Ik ga dood als ik spring. ‘Ga,’ zei zijn moeder, die ineens achter hen stond. ‘Wacht,’ zei de man in uniform. ‘Verderop is een bocht, daar mindert de trein vaart.’ Hij keek nog een keer achterom.
‘Mama…’ Hij sprong.’ Het vervolg van Rivka kunnen wij niet ongelezen en onopgemerkt laten!
En weer werd mij manifest dat zoals Joost van den Vondel in zijn treurspel ‘Gysbrecht van Aemstel’ in 1637 al suggereerde dat de liefde tot zijn land ieder aangeboren is. Ik voeg daar meteen aan toe dat voor ‘zijn land’ ook ‘ieders regio’ gelezen mag worden. Ik overdacht deze woorden toen ik het 176 grote bladzijden tellende kijk- en leesalbum Drechtsteden vanuit de lucht onder eindredactie van Mark Benjamin, Rita Heiden, Nieky Klaus en Frits Langschmidt uitgegeven door Peter Lodewijks in ogenschouw mocht nemen. Ooit woonde ik aan de boorden van Hollandse IJssel en van Gouwe. Vanuit Kralingseveer en Boskoop toog ik vaak de eigen heem in om zogenoemde kleine en grote items op het netvlies te krijgen. De plassen van Kralingen, de pleinen bij de Coolsingel, de kwekerijen aan de Zijde en het rosarium op de Parklaan ze bekoorden mij en blijf ik die in het gemoed meedragen. Uiteraard verkeerde ik op veel meer stekken. Zo op het ijs van Ottergracht, op het veld van vv. Capelle, in de kerk van Keten, in de school van Schenkel. Sinds 1966 vertoef ik met echtgenote en kids in Papendrecht en ik haast mij te zeggen dat ook deze stek mijn hart gestolen heeft. Hoe heerlijk is het immers de Alblasserwaard te verkennen, de molens van Kinderdijk te aanschouwen, in het Papendrechtse Bos herten te zien, aan de Graafstroom oude en moderne stulpen in het vizier te krijgen, in de Dordtse Voorstraat antiekwinkels te verkennen, onder Grote Kerk omhoog te kijken en bij Groothoofd naar beneden te blikken.
Uren zou ik van u vergen wanneer ik nog meer locaties uit mijn drie verschillende woonomgevingen ga noemen. Ik wil u echter niet vermoeien met mijn individuele kennis van eigen heem. Veel eerder wijs ik u op het oogstrelende en hartverwarmende plaatwerk Drechtsteden vanuit de lucht, dat voor ons ingezeten niet alleen een feest van herkenning is maar ook een festijn van ontdekking vormt. En dat vanwege de 136 platen die voorbije zomer van de Drechtsteden op de wijze van vogelvlucht geschoten zijn. De zes woonsteden aan Merwede, Kil, Noord, Oude Maas die met elkaar in de gemeenschappelijke regeling Drechtsteden samenwerken, komen van boven gezien majestueus in een kleurrijk beeld. Te weten: Dordrecht, Zwijndrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Alblasserdam, Papendrecht en Sliedrecht. Dat doen de zes geliefden gemeenten via de hoofdstukken ‘Water en bedrijvigheid’, ‘Verbindingen en verkeer’, ‘Wonen’ en ‘Groen en recreatie’, waarna ze ieder voor zich nogmaals de gelegenheid krijgen zich in het zonnetje te laten zetten. Mijn eigen domicilie Papendrecht komt in het album, dat sowieso voor de Drechtstedelingen een must is, tegen de vijftien maal in zicht. Ik noem de titels van de platen: Bunkerstation, Slobbengors, brug over de Merwede, aan de A15, Het Eiland, Molenpolder, Oostpolder, Vijverpark, Tiendzone, Atletiekbaan + PKC, Kerkbuurt, Kooij en Middenpolder, De Meent en Markt, Sportcentrum.
Bij het schouwen naar die locaties, die dus binnen mijn handbereik liggen, krijg ik warme gevoelens. Vooral die van het Slobbengors en van Het Eiland. Elke morgen loop ik mijn drie ronden op het groene gebied dat eind negentiende eeuw met zand uit de rivieren Merwede en Noord werd opgespoten. Onze drie zoons kwamen daar jaar en dag binnen de lijnen van voetbalvereniging Papendrecht en nu kijk ik met gevoelens van nostalgie naar de velden met op de achtergrond de fabriekshallen van Fokker. Opeens besef ik bijkans aan den lijve hoe verheffend en verheven het is dat het beeld mij vanuit de lucht aangereikt wordt. Een soortgelijk gevoelen kroop in mij naar boven toen ik de plaat Het Eiland aanschouwde met daarop een zicht op de jachthaven, de etagewoningen aan de Pontonniersweg waar onze zoon Time een decennium woonde, op het Oude Veer, op de Eilandstraat en natuurlijk onze Veerdam die een half jaar geleden nog geheel onder het gebladerte van de kastanjes lag. Nu zijn er vanwege een ziekte bomen gerooid en gesnoeid. Met behulp van een vergrootglas zie ik onze achtertuin met in een cirkelhaag van buxus de fontein. Op de harde cover van Drechtsteden vanuit de lucht blikken wij op de voorzijde naar het hart van de regio, Dordrecht, met daarachter de outfit en de outillage van Zwijndrecht, Papendrecht en Alblasserdam. De achterzijde reikt ons een view aan van Buiten Walevest en Nieuwe Haven Dordrecht. Beide beelden etaleren nog eens ultiem de presentie van het water dat zo prominent in onze regio aanwezig. Wij mogen ons gelukkig prijzen in de fenomenen van brug en waterbus die de zes steden verbinden. Een volgende keer maak ik met uw goedvinden met dit album in de hand een excursie door Alblasserdam en Sliedrecht. Maar nu wil ik al gezegd hebben dat dit fotoboek niet alleen een sieraad is op uw leestafel maar ook een juweel van een geschenk aan dierbaren vormt. Overigens, ik koester goede gedachten aan twee mensen van de redactie van dit ‘gekleurde’ bericht uit onze regio, Rita Heiden en Frits Langschmidt. Zij alleen al staan borg voor kwaliteit, naar vorm en inhoud!