Piet Kaptein’s Cultuurmix

15-10-2018

Sterven

Een novelle leg ik voor u op de salontafel (om in de sfeer te blijven) die trilt van nervositeit, gedoemd zijn, romantisch verlangen, ziek zijn, noodlot, drama en doodsbesef. Maar bovenal trilt het verhaal van een proza dat doet denken aan dat van Louis Couperus met zijn debuutroman Eline Veere uit 1888. Al lezend moest ik immer denken aan het fatale leven van de dame uit het Haagse. Ik heb het over de 158 bladzijden tellende hardcover Sterven van de Oostenrijker Arthur Schnitzler en uitgeverij Aspekt. Indien u de eerste drie bladzijden tot u genomen, beter: geproefd heb, zult u met mij in de bekoring geraken van de lotgevallen van Felix en Marie en van de verhaaltrant van Schnitzler. Maar eerst geef ik u de tekst van Aspekt op de omslag en doe ik de mededeling dat ook gelijktijdig bij de uitgeverij verschenen is de novelle Beate en haar zoon, waarover ik het de volgende keer met u wil hebben.

Aspekt: ‘Arthur Schnitzler (1862-1931) was de belangrijkste en meest controversiële Oostenrijkse schrijver uit het fin de siècle. Het is merkwaardig dat zijn eerste grote prozawerk, de debuutnovelle Sterven uit 1893, tot op heden nooit in het Nederlands in boekvorm is verschenen. Sterven is een melodramatisch verhaal over een jongeman die te horen krijgt dat hij nog slechts één jaar heeft te leven. Zijn vriendin Marie dreigt in zijn noodlot te worden meegezogen. Schnitzler vertelt dermate beklemmend, dat Sterven ook gezien kan worden als een literaire thriller avant la lettre.
A. Braam, de letterkundige die in de jaren vijftig enige novellen van Schnitzler in het Nederlands vertaalde, waagde zich destijds niet aan Sterven: te subtiel, te precair, te Weens, maar hij vond het wel een meesterwerk: ‘In zijn allereerste novelle, het in prachtige weemoedige grijzen gehouden Sterven, zet Schnitzler de koers uit, die hij ook in zijn volgende vertellingen niet meer zal verlaten.'

Arthur Schnitzler; ‘Het begon al te schemeren, en Marie stond op van de bank, waarop ze een halfuur lang gezeten had, eerst in haar boek lezend, maar daarna met haar blik gericht op het begin van de laan, waardoor Felix gewoonlijk kwam. Anders liet hij het niet lang op zich wachten. Het was iets koeler geworden, maar toch had de  lucht nog de zachtheid van de aflopende middag. Er waren niet veel mensen meer in het park, en de stoet van wandelaars begaf zich in de richting van de poort, die spoedig gesloten zou worden. Marie was al in de buurt van de uitgang toen ze Felix in het oog kreeg. Hoewel hij later was dan anders, liep hij langzaam, en pas toen zijn ogen de hare ontmoetten, haastte hij zich een beetje. Ze bleef staan, wachtte op hem, en toen hij glimlachend haar hand vastpakte, die ze nonchalant naar hem had uitgestrekt vroeg ze hem met een lichte onvrede in haar toon: ‘Heb je dan tot nu toe moeten werken?’ Hij reikte haar de arm en zei niets. ‘Nou?’ vroeg ze. ‘Ja, kindje,’ zei hij toen, ‘en ik heb helemaal vergeten op de klok te kijken.’ Ze nam hem van bezijden op. Hij leek bleker dan anders. ‘Geloof je niet,’ zei ze lievig, ‘dat het beter zou zijn, als je je nu eens een beetje meer aan je Marie zou wijden? Laat je werk toch een tijdje rusten. We zullen vanaf nu vaker gaan wandelen. Ja? Voortaan ga je altijd met mij de deur uit.’ ‘Zo…’Ja, Felix, ik zal  je helemaal niet meer alleen laten.’ Hij keek haar snel, als geschrokken aan. ‘Wat heb je nou?’ vroeg ze. ‘Niets.’

Ze waren bij de uitgang aangekomen en vrolijk avondlijk straatrumoer omgaf hen. Er leek over de stad iets van dat algemene, onbewuste geluk te liggen, dat het voorjaar altijd meebrengt. ‘Weet je wat we zouden kunnen doen?’ zei hij. ‘Nou?’ ‘Naar het Prater gaan.’ ‘He, nee, daar beneden was het laatst zo koud.’ ‘Maar kijk nou. Het is bijna zwoel hier op straat. We kunnen meteen weer omkeren. Laten we maar gaan.’ Hij sprak afgemeten, verstrooid. ‘Ja, zeg, hoe zeg je dat nou, Felix?’ ‘Hoezo?’ ‘Waar zijn je gedachten? Je bent bij mij, bij je meisje.’ Hij keek haar aan met een starre, afwezige blik. ‘Jij.’ riep ze angstig en drukte zijn arm steviger tegen zich aan. ‘Ja, ja,’ zei hij, tot zichzelf komend. ‘Het is zwoel zeer zeker. Ik ben niet verstrooid. En als ik het wel ben, mag je het mij niet kwalijk nemen.’ Ze namen de weg door de zijstraten in de richting van het Prater. Felix was zwijgzamer dan anders. De lichten in de lantarens brandden al. ‘Ben je vandaag bij Alfred geweest?’ vroeg ze plotseling. ‘Waarom?’ ‘Nou, dat was je toch van plan.’ ‘Hoezo?’ Je voelde je gisterenavond zo mat.’ ‘Inderdaad.’ ‘En je bent niet bij Alfred geweest?’ ‘Nee.’ ‘Maar zie je, gisteren was je nog ziek, en nu wil je naar dat vochtige Prater. Het is werkelijk onvoorzichtig.’ ‘Ach, het maakt allemaal niks uit.’ ‘Praat toch niet zo. Je zult je nog geheel te gronde richten.’ ‘Ik smeek je,’ zei hij met bijna huilerige stem, ‘laten we gaan. Ik verlang naar het Prater. We zullen naar die plek gaan, waar het laatst zo mooi was. Weet je, naar die tuinsalon, daar is het immers ook niet koud.’ ‘Ja, ja.’ ‘Echt niet. En vandaag is het zeker warm. We kunnen toch niet thuis gaan zitten. Het is te vroeg. En ik wil ook niet in de stad rondhangen, omdat ik vandaag geen zin heb in een café te gaan zitten, dan heb ik last van de rook, - en ik wil ook niet veel mensen zien, dat kabaal doet me pijn’ – In het begin had hij snel gesproken en luider dan normaal. Maar zijn laatste woorden liet hij zachtjes wegsterven. Marie haakte zich vaster aan zijn arm.

Ze was bang, ze praatte niet meer, omdat ze tranen in haar stem voelde. Zijn terugverlangen naar die stille uitspanning in het Prater, naar die lenteavond tussen het groen en de stilte, voelde zij nu ook. Nadat ze beiden een tijdje gezwegen hadden, zag ze op zijn lippen langzaam een zwak glimlachje verschijnen, en toen hij zich naar haar keerde, probeerde hij in zijn glimlach een uitdrukking van geluk te leggen. Maar zij, die hem goed kende, doorzag het gedwongene.’

Een iets beschuttere plek misschien

Ik leg een bijna vuistdikke pil van een naar inhoud kolossaal boek bij uw bagagemand neer voor de nakende herfstvakantie. Ik leg voor u op de leestafel - indien u die vrije week thuis viert – een schat van inspirerend en verheffend werk. Het gaat om de 564 bladzijden tellende, authentiek geïllustreerde paperback Een iets beschuttere plek misschien van Cyrille Offermans en De Arbeiderspers met de ondertitel ‘Journaal 2017’. Postbode Petra reikte mij dit boek voorbije vrijdag aan en nu haast ik mij al u van het bestaan ervan u kond te doen. Dat kan ik met een gerust hart doen, omdat Cyrille Offermans (met geboortejaar 1945) himself in het culturele maandblad Zuiderlucht zijn pennenvrucht aan ons presenteert. Ik citeer de schrijver deels en wil met u uiteraard na de periode van verlof een verkennende tocht maken door dit jaarboek.

Offermans ‘Heel 2017 heb ik een journaal bijgehouden, meer precies: een cultureel of intellectueel journaal. Aan het eind van het jaar lagen er na schifting 170.000 woorden observaties, herinneringen, commentaar, essayistiek over alle denkbare onderwerpen: een zwarte zangeres die weigerde op te treden voor de ongelikte beer in Washington, het verband tussen carnaval en de twintigste-eeuwse avant-garde in de kunst, de hypocrisie van Moeder Teresa, de bedenkelijke smaak van prosecco, de afnemende tekenvaardigheid van de schooljeugd, literaire omkooppraktijken, een moedige diplomaat, de dood van een vriendin en de geboorte van een kleinkind, het verlangen naar sneeuw, enzovoorts. Er is alles in de wereld, zei Lucebert. En er is alles in dit boek. Niet verwonderlijk dat het begint en eindigt met de onbeschrijflijke oorlogsellende in Syrië en elders, waarvan wij, rijke westerlingen, niet meer de geruststellende illusie kunnen koesteren dat die zich ver van ons bed afspeelt.

Of we het nu leuk vinden of niet, het gaat ons allemaal aan: de vluchtelingen aan de Hongaarse grens, de verdwijnende tropische regenwouden, de mensonterende omstandigheden in de naaiateliers in Bangladesh, de stille armoede, óók in de westerse wereld, de oplopende zelfmoordpercentages onder zowel de kleine boeren in India als de Nederlandse jongeren – bij elke handeling die we verrichten en elke keuze die we maken dringt de wereld zich aan ons op en geven wij een signaal aan de wereld, hoe minimaal ook. Dat laatste kan tot het cynisme leiden van ‘na ons de zondvloed’ of tot het kortzichtige egocentrisme van populisten en nationalisten – maar ook tot een poging (het Franse ‘essai’ betekent probeersel, proeve, experiment) de demonen in de ogen te zien. Die poging wordt in Een iets beschuttere plek misschien met de middelen van de literatuur ondernomen. In alle onderwerpen die het aansnijdt, gaat dit boek uiteindelijk, impliciet, om niet minder dan een morele houding in de wereld – tegen de domheid, tegen de overspannen beloften van politieke charlatans, tegen de deprimerende onverschilligheid van de vermoeide consument voor wie ‘het’ allemaal lood om oud ijzer is. Beschaving is het leren zien van verschillen – en daarnaar te handelen. Hoe dichtgemetseld de wereld ook lijkt, er zijn altijd barsten waarneembaar die de verbeelding, in theorie en praktijk, kansen bieden. Het boek is te dik en te pluriform om er in één artikel een representatief beeld van te kunnen geven. Daarom heb ik twee fragmenten gekozen waarvan ik ook zelf pas bij herlezing ontdekte dat ze allebei bescheiden voetnoten vormen in een denkbeeldige encyclopedie van de utopische stad. Het eerste fragment, begin september 2017 geschreven, gaat over Sittard, mijn woonplaats ‘Over de effecten van slecht bestuur’.

Cyrille Offermans: ‘Het was echt een aardig museum. Nog geen top, uiteraard niet, daarvoor waren omvang en middelen te beperkt. Maar dankzij aan de weg timmerende conservatoren als Stijn Huijts en Roel Arkesteijn bevrijdde Het Domein zich vooral in het tweede decennium van zijn twintigjarige bestaan van zijn stoffige, regionale imago. Tentoonstellingen van Charlotte Seifert, The Yes Men, Eugenio Dittborn en Herman de Vries bezorgden het museum een eigenzinnige reputatie. Ook de kunstcritici van de landelijke dagbladen wisten al gauw de weg te vinden naar het weinig opzienbarende gebouw in het historische stadshart van Sittard. Maar zo zou het niet blijven. Zoals in zoveel gemeenten werden ook de Sittardse bestuurders in het begin van het nieuwe millennium uit hun slaap gehouden door grootse visioenen. De stad moest op de kaart gezet, nationaal en internationaal, hij moest aantrekkelijk worden voor avontuurlijke investeerders en creatieve ondernemers. Tijdens gemeentevergaderingen stookte het woord city branding de verwachtingen nog wat op. Er moest gebouwd worden, liefst door een architect van naam. Buurtgenoot Jo Coenen stond garant voor de supervisie. Jeanne Dekkers’ prijswinnende ontwerp van een ‘multifunctionele accommodatie’ net buiten de oude stadswallen zou de magneet worden die het zo vurig gewenste geld en talent naar het ingedommelde stadje zou trekken. Even leek de droom door de economische crisis wreed te worden verstoord. Elders in het land werden soortgelijke plannen afgeblazen, bang als men was voor een financieel debacle.

Zo niet in Sittard. Dat gebouw, om onnaspeurlijke redenen Ligne gedoopt, zou en moest er komen, al was nog niet één van de vele duizenden vierkante meters bedrijfsruimte verhuurd. Maar zo kortzichtig waren de stadsbestuurders niet dat ze de donkere wolken van leegstand en tekorten niet boven hun prachtgebouw zagen hangen. De crisissfeer vereiste bestuurlijke moed en doorzettingsvermogen. Nog voor de eerste schop in de grond ging, in november 2013, broedde men op reorganisatie- en bezuinigingsplannen. En daarvan werd museum Het Domein het belangrijkste slachtoffer. Het museum werd samen met de belangrijkste culturele instellingen van de stad – de schouwburg, het filmhuis, de bibliotheek, de muziek- en dansschool en het Euregionaal Historisch Centrum – ondergebracht in een overkoepelende organisatie met de weinig geruststellende naam ‘Het Cultuurbedrijf’. De nieuwe koers moest uiteraard minder elitair, meer markt- en klantgericht zijn. Als bedrijfsleider werd een ‘echte ondernemer’ gezocht, maar wel ‘een teambuilder met affiniteit voor cultuur’. Dat waren kwaliteiten waar de zittende directeuren kennelijk niet over beschikten, zij werden ontslagen en kwamen niet in aanmerking voor die functie. Tegen die absurde gang van zaken werd geprotesteerd door kunstenaars, door musea en kunstinstellingen elders in het land, door de ‘Vrienden van Het Domein’, door journalisten – en ook, in een rechtstreeks, op het scherp van de snede uitgevochten radiodebat met de beoogde nieuwe directeur, door mij.

Maar het mocht allemaal niet baten. De reorganisatie ging door volgens plan. Het Domein werd onderdeel van De Do MIJN en – een gespatieerd taalgedrocht dat blijkbaar de herinnering in leven moest houden aan die ellendige kolenmijnen die hier al bijna een halve eeuw geleden zijn gesloten. De teamleider met affiniteit voor cultuur leek uit diezelfde donkere jaren afkomstig. Hij ontpopte zich alras als de ouderwetse potentaat die zijn gebrek aan vanzelfsprekend gezag amechtig probeert te compenseren met botte decreten. In korte tijd slaagde hij erin zowat alle medewerkers tegen zich in het harnas en de ziekenboeg in te jagen; de bevlogen conservator moderne kunst van het voormalige Domein schijnt daar tot op de dag van vandaag te overwinteren. Museum Het Domein is met succes om zeep geholpen. Het gebouw in het centrum van de stad is er nog, maar wordt nu alleen nog gebruikt voor tentoonstellingen van lokaal of regionaal belang. Zeker, erg geschikt als huisvesting voor een eigentijds museum van moderne kunst was het voormalige schoolgebouw allerminst. Er was geen behoorlijke entree, geen logisch gestructureerde expositieruimte, geen restaurant of iets wat daar op leek, geen museumwinkel, zelfs geen behoorlijke garderobe en geen toiletten. Wie erheen ging moest genoegen nemen met wat er te zien was. Dat lijkt eeuwen geleden, die haast ascetische afwezigheid van verleidelijk comfort, het is al bijna niet meer voorstelbaar dat kunst als zodanig ooit zo belangrijk gevonden werd. Elke deskundige kan je vertellen dat een museum dat niet primair dient als prettige ontmoetingsplaats de tekenen des tijds niet verstaat en dus zijn eigen graf graaft. Of er ooit sprake zal zijn van een wederopstanding van Het Domein in Ligne mag daarom met reden worden betwijfeld. Evenzeer mag worden betwijfeld of de multifunctionele accommodatie Ligne het in economisch opzicht zal redden.

De leegstand in de binnenstad was al enorm toen het gebouw de tekentafels nog niet had verlaten. De verwachting dat het in de slag om de consument, eenmaal in vol bedrijf, een verpletterende dreun zou uitdelen aan de concurrerende gemeenten in de omgeving, blijkt op niets gebaseerd. De gigantische parkeergarages in het souterrain maken een spookachtig lege indruk. Opzichtig illustreren ze de overspannen verwachtingen van de opdrachtgevers. Ze zouden de perfecte locatie vormen voor een vlammend leerstuk over de effecten van slecht bestuur.’

De Opstand in de Nederlanden 1568-1648

Ik leg een kijk- en leesalbum voor u op de tafel voor de teevee, dat verbeeldt en verwoordt hetgeen wij in de nog lopende beeldbuisserie ‘80 jaar oorlog’ aanschouwd hebben. Op het moment van dit schrijven aan u, lees ik dat vrijdagavond 12 oktober deel 3 aan de orde is onder de titel van ‘Burgeroorlog in de Nederlanden’. Ik breng onder uw aandacht het bestaan van De Opstand in de Nederlanden 1568-1648 van Anton van der Lem en uitgeverij Vantilt met de ondertitel ‘De Tachtigjarige Oorlog in woord en beeld’. In mijn gids staat dat de derde aflevering laat zien hoe de strijd verhardt. Ook tussen burgers van de Nederlanden onderling. Sommigen houden vast aan het gezag van de Spaanse koning, terwijl anderen zich aansluiten bij de Optand. Van de door ons zo geliefde uitgeverij uit Nijmegen kreeg ik dit eclatante werk begin deze week toegezonden en derhalve heb ik nog geen oordeel erover. Maar Vantilt kennende zitten wij goed. Als eerste binnenkomer geef ik de tekst op de omslag en de recensie zoals die staat in ‘De Leesclub van Alles’ van Wouter van Dijk’. Mijn optie is nu vooral dat u weet dat dit album, waarin ook vele tv-beelden staan, bestaat. U krijgt blijvend in boekvorm wat u zag en gaat zien.

Vantilt: ‘Voor elke Nederlander en Vlaming die in dit herdenkingsjaar snel wil achterhalen waar de Tachtigjarige Oorlog precies over ging, is dit het perfecte boek. De kern van de strijd lag in drie fundamentele rechten: vrijheid van godsdienst en geweten, recht op zelfbeschikking en recht op inspraak. Vanuit deze actualiteit weet Anton van der Lem een ingewikkelde geschiedenis in kort bestek helder te presenteren en te illustreren met prachtige afbeeldingen. Hij zet de ingewikkelde politieke, religieuze en sociale oorzaken van de Opstand duidelijk uiteen en daarmee de scheiding tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden. Rake portretten van de hoofdrolspelers aan beide zijden verlevendigen zijn verhaal. De schrijver staat aan de kant van de katholieken én de protestanten, belicht aanhangers van de Republiek én de koningsgezinden. Daarnaast was de Tachtigjarige Oorlog niet alleen een strijd om vrijheden, maar net zo goed een burger- en belangenoorlog die steden, regio's en families uit elkaar dreef.

Niet alleen de belangen van de Lage Landen stonden op het spel tijdens de Opstand, maar de normen en waarden in heel Europa. Vandaar de vertalingen van De Opstand in het Duits (2016) en het Engels (2018). Deze tweede, geactualiseerde druk verschijnt op groter formaat, met nog meer verrassende afbeeldingen.

Wouter van Dijk: ‘De Nederlandse Opstand, of de Tachtigjarige Oorlog zoals hij vroeger genoemd werd, is misschien wel de meest belangrijke episode in onze vaderlandse geschiedenis. Cruciaal in het proces van staat- en natievorming dat al sinds de Bourgondische periode aan de gang was, en bepalend voor de, zo bleek later, blijvende scheiding tussen de Noordelijke en Zuidelijke gewesten van de Nederlanden. Anton van der Lem heeft de taak opgevat deze interessante maar ingewikkelde periode in de Nederlandse geschiedenis op overzichtelijke en bondige wijze bij het grote publiek onder de aandacht te brengen. Van der Lem is conservator oude drukken bij de Universiteitsbibliotheek Leiden en als zodanig als geen ander op de hoogte van de schat aan interessante documenten over de Opstand die daar bewaard worden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het boek vol zit met prachtige, weinig bekende, afbeeldingen waarvan er vele afkomstig zijn uit de Leidse Universiteits-bibliotheek.Van der Lem vertelt in acht beknopte hoofdstukken de aanloop naar, het verloop van, en de resultaten van de Opstand of Tachtigjarige Oorlog. 

Op chronologische wijze beschrijft hij eerst de eenwording van de Nederlanden onder de Bourgondische vorsten, en laat vervolgens zien hoe aanvankelijk loyale interne oppositie tegen het door Filips II gevoerde beleid hard wordt afgestraft, hetgeen alleen maar contraproductief bleek. Van der Lem stelt dat de Opstand een conflict was dat gedurende zijn verloop telkens is terug te voeren op een van drie hoofdredenen, namelijk de strijd om vrijheid van godsdienst en geweten, het recht op zelfbeschikking en het recht op medezeggenschap. Na de eerste hoofdstukken over het begin van het verzet tegen de autocratische regeerstijl van Filips II volgt de komst van Alva, die wanneer je Van der Lems boek leest misschien wel het meest bepalend bleek te zijn bij het uit de hand doen lopen van het Nederlands verzet tegen de Spaanse vorst. Nu voor de Nederlandse adel bleek dat er voor hun grieven geen redelijkheid van Filips’ kant viel te verwachten en hij er niet voor schroomde ook de hoogste edelen met hun hoofd op het hakblok te leggen, zoals de graven Egmond en Horne gebeurde, bleek er voor degenen die hun onvrede geuit hadden geen reden zich niet tot het uiterste te verzetten. Verzoening met de koning in Spanje was immers geen optie gebleken, hoe licht een vergrijp ook geweest was. Van der Lem laat zien dat het verschil binnen de Habsburgse Nederlanden niet zozeer lag tussen bijvoorbeeld enerzijds Friesland en Groningen en anderzijds Henegouwen en Namen, maar juist tussen de aan de zeekant gelegen verstedelijkte gewesten zoals Holland, Vlaanderen en Brabant aan de ene kant en de landinwaarts gelegen perifere gewesten aan de andere kant. Daarbij komt de rechtlijnige houding op godsdienstig vlak van zowel Filips II aan de rooms-katholieke kant, als van de calvinisten die wanneer zij ergens de dominante groep vormden ook geen godsdienstvrijheid aan andersdenkenden wilden toestaan.

De auteur schetst in een zeer heldere stijl het verloop van de langdurige strijd, en behoudt daarbij de nodige afstand tot het onderwerp. Dit maakt De Opstand in de Nederlanden een erg prettig leesbaar boek. Van der Lem toont aan dat de oorlog, zeker in de beginfase, meer de kenmerken had van een burgeroorlog dan een rebellie van een gehele natie tegen een ‘vreemde’ onderdrukker. Ook de scheiding tussen een noordelijke protestantse zone en een zuidelijke katholieke is een gevolg geweest van de staatkundige verdeling zoals die op militair gebied tot stand kwam, en niet een oorzaak waardoor de Nederlanden in deze twee staatjes uiteen vielen. Van der Lem is er uitermate goed in geslaagd in het kleine beslag van zo’n 200 pagina’s toch een heel compleet beeld van de Opstand met alle belangrijke spelers, oorzaken, onverwachte gevolgen en ontwikkelingen te geven. Het wordt duidelijk dat het verhaal van de Opstand niet verteld kan worden zonder ook te wijzen op de veelvuldige toevallige loop van omstandigheden, en de vele punten in de strijd waarop deze ook zomaar een andere wending had kunnen krijgen. Niet dat het zo zinvol is om what-if-geschiedenis te bedrijven, maar wel om altijd in het achterhoofd te houden dat de Opstand in de eerste plaats geen oorlog tussen Nederland en Spanje was, maar een zeer gecompliceerd conflict waarbij vaker het geval was dat buren in de Nederlanden elkaar naar het leven stonden dan dat ze eensgezind de ‘buitenlandse’ Spanjaard tegemoet traden. Een boodschap die Van der Lem uitstekend overbrengt.

De Opstand in de Nederlanden 1568-1648

De rechtvaardigen

U hebt wis en waarachtig van mijn collega-recensenten al vernomen dat de gerenommeerde auteur van vooral historisch getinte werken weer van zich doet spreken, Een nieuw boek van de man is bij voorbaat een literaire gebeurtenis in het non-fictieve genre. Nu wil het dat de schrijver 13 maart volgend jaar zijn opwachting in de regio maakt, op uitnodiging van de Culturele Raad Papendrecht. Het vereert mij u te mogen begroeten met de 502 bladzijden tellende, authentiek geïllustreerde paperback De rechtvaardigen van Jan Brokken en Atlas Contact met de ondertitel ‘Hoe een Nederlandse consul duizenden Joden redde’. Een belangrijk facet van het schrijverschap van Brokken is dat hij de tijd neemt, dat wil zeggen dat hij aan zijn personages de couleur locale geeft. Om dat nu al te illustreren geef ik integraal het eerste van de 47 hoofdstukken. Als binnenkomer reik ik eerst de tekst van de uitgever op de omslag aan en roep in uw herinnering de lovende woorden die wij met elkaar uitwisselden omtrent Brokkens Baltische zielenDe vergeldingDe Kozakkentuin en De gloed van Sint-Petersburg. Als voorbereiding voor woensdag de dertiende van maart schuiven wij de komende weken door De rechtvaardigen

Atlas Contact: ‘In De rechtvaardigen beschrijft Jan Brokken het verhaal van de Nederlandse consul, Jan Zwartendijk. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog ontdekte deze consul in Kaunas (Litouwen) een manier om duizenden uit Polen gevluchte Joden het leven te redden: hij schreef voor hen een visum uit voor Curaçao. Daarmee reisden de Joden met de Trans Siberië Express naar Japan, van waaruit ze zich over de hele wereld verspreidden – vrijwel allen overleefden de oorlog. In korte tijd schreef hij koortsachtig duizenden visa uit. Jan Brokken beschrijft het leven van Jan Zwartendijk en de lotgevallen van veel van de ontkomen Joden in een meeslepend epos, waarin een treffend beeld wordt geschetst van een wanhopige tijd.
De rechtvaardigen is een les in moed, in het maken van de juiste keuzes op het juiste moment.’

Jan Brokken: ‘Mr Radio Philips Alles van belang begint onverwacht en maakt je achterdochtig. Soms word je voor een onmogelijke keuze gesteld en moet je in een fractie van een seconde beslissen. Je weet het nog niet, maar je voorvoelt al wel dat de rest van je leven ervan af kan hangen. Hoe reageer je dan? Ik zou het van mezelf niet weten, en misschien heb ik me daarom als een mol in deze geschiedenis gegraven. Jan Zwartendijk hoorde de telefoon rinkelen. Hij stond al buiten met zijn tas onder de arm en een sleutel in zijn hand; hij had net de showroom en het kantoor afgesloten. Het liep tegen zes uur, OostEuropese zomertijd. De zon scheen onder de kruinen door van de bomen aan de Laisvés aléja, Vrijheidslaan, de langste en breedste boulevard van Kaunas. De radio’s glommen in de etalage; hun emblemen – vier sterren en drie golven – leken van zilver. Mr Radio Philips noemden ze hem in de stad, en altijd klonk er iets van bewondering in door, alsof hij de toestellen zelf in elkaar had geschroefd en van een elektronenbuis en luidspreker had voorzien. Meer nog dan in Nederland golden radio’s hier als voorbodes van de moderne tijd. Achterlijk kon je Kaunas allang niet meer noemen, maar het aantal telefoonaansluitingen vulde slechts een dunne gids. Iets zei hem dat het niet zonder consequenties zou zijn als hij de hoorn opnam. De datum flitste als een waarschuwing door zijn hoofd: 29 mei 1940. Hij mocht dan een doorsnee zakenman zijn – drieënveertig jaar oud,  getrouwd, drie kinderen – hij was ook een buitenlander die nooit precies wist wie hij geloven moest in Litouwen. Als het even kon, hield hij een veilige afstand aan. Door de deur te ontsluiten, terug te lopen naar zijn bureau en de hoorn op te nemen zou hij alle gevaren binnenlaten van een stad die op de rand van oorlog balanceerde.

Voor heldhaftigheid was hij niet in de wieg gelegd. Hij miste de ambitie. Het liefst was hij zo snel mogelijk naar huis gegaan. Een uurtje ontspanning in de tuin met Erni en de kinderen, voor ze aan tafel zouden gaan. Het was alweer zijn derde jaar in Kaunas en hij wist dat je van de warme zomeravonden moest genieten, anders kwam je de lange winter niet door. Onder de appelbomen zou de dolgedraaide wereld verschrompelen tot een wolk in de verte. Hij kon het soms niet nalaten om weg te vluchten uit de realiteit, ook al was het stompzinnig om in vrede te blijven geloven. De hele middag had hij spanning gevoeld op de zaak. Ogenschijnlijk was er niets aan de hand geweest, als je de overvolle asbakken over het hoofd zag. Geen klanten, geen bestellingen. Een landerig soort rust. Hij had De Haan en Van Prattenburg om halfzes naar huis gestuurd. De Haan, die leidinggaf aan de radioassemblagefabriek, sleet zijn dagen op het kantoor. Sinds de productie was gestaakt liet hij zich alleen ’s morgens even zien op de werkvloer om het personeel te laten weten dat hij nog altijd bestond. Van Prattenburg deed de administratie en was de financieel directeur. Alleen aan het einde van de week had hij het druk, als de lonen uitbetaald moesten worden. Veel meer dan nerveus sigaretten roken en om de andere minuut naar buiten kijken hadden de heren niet gedaan.

Iedereen in de stad verwachtte het Rode Leger. Maschewski was nog even gebleven, tot hij een vrouw in een veel te luchtige zomerjurk voor de etalage van de showroom had zien staan: hij was op haar afgestapt alsof ze een potentiële klant was en had hij een praatje met haar gemaakt. In het Duits, Litouws, Pools of Russisch – dat had Zwartendijk niet kunnen horen, maar hij was er wel zeker van geweest dat Maschewski vooral naar buiten was gelopen om zijn zenuwen tot bedaren te brengen. In Kaunas heerste de stilte voor de storm. De tanks konden ieder moment de stad binnenrollen om zich bij de bruggen over de Neris en Nemunas te posteren. Hij zag al voor zich hoe de Russische soldaten over de twee kilometer lange Laisvés aléja zouden marcheren die, o ironie, in de tsaristische tijd was aangelegd om meer luister te geven aan militaire parades. Het kon vandaag of morgen gebeuren. Vanaf dat moment zou het definitief gedaan zijn met het vrije, zelfstandige Litouwen. Het land zou ingelijfd worden bij de Sovjet-Unie, daar bestond geen twijfel over.

De telefoon bleef maar rinkelen. De hele week was hij nog niet één keer overgegaan. Eindelijk een order dan? Door de oorlogsdreiging maakten ze opnieuw nul omzet; het ging even beroerd als tijdens de crisisjaren die in Litouwen tot 1937, 1938 hadden voortgeduurd. Hij had vijftien werknemers van de assemblagefabriek naar huis moeten sturen en de overige twintig op non-actief gesteld. In de hele maand mei hadden ze niet één radio verkocht. De overgebleven personeelsleden hingen maar wat rond bij de lege montagetafels in afwachting van wat komen zou. Zoekend naar nieuws luisterden ze naar alle zenders die ze op de korte golf konden vinden. Volgens De Haan draaiden ze de volumeknop hoger als ze Hitler hoorden. Een order kon het niet zijn. Wie belde er nu op een doordeweekse dag even voor zessen om een gloednieuw apparaat aan te schaffen? Eindhoven was het evenmin: met het hoofdkantoor handelde hij alles schriftelijk af want internationaal telefoneren kostte evenveel als een treinreis naar Berlijn. Het moest iets anders zijn, iets wat geen uitstel duldde. Slecht nieuws ongetwijfeld. Hij hoopte dat het niet van Piet kwam. Met zijn eeneiige tweelingbroer was hij zo sterk verbonden dat hij begon te niezen als Piet tweeduizend kilometer verderop verkouden werd. Sinds de vorige maand had hij niets meer van zijn broer vernomen. Was Piet in Rotterdam geweest, op de 14de mei? Als hij niet opnam, zou hij zich de hele avond en hele nacht afvragen wat hem was overkomen. Of hield het toch verband met de dreigende situatie? En was het dan niet slap om net te doen alsof er niets aan de hand was?

Hij stak de sleutel in het slot, duwde de deur open, liep de showroom door, spurtte de trap op naar het kantoor op de bel-etage, tilde de hoorn van het bakelieten toestel en hijgde: ‘Hallo... Lietuvos Philips...’ ‘Zwartendijk?’ Een Nederlander, wiens ‘r’ op zuidelijke wijze rolde. Hij bromde instemmend en trok met zijn ene vrije hand zijn stropdas wat losser – hij had de hitte mee naar binnen genomen. ‘De Decker...’ De naam zei hem niet onmiddellijk iets. ‘Nederlands gezantschap in Riga...’ Ah ja, die De Decker. ‘Excellentie...’ ‘Laat u dat maar achterwege, de tijden zijn er niet naar.’

Hij had De Decker slechts één keer ontmoet, tijdens de receptie op het presidentiële paleis, toen de ambassadeur zijn geloofsbrieven was komen aanbieden. De Baltische landen waren toen nog zelfstandig; het was ergens in het voorjaar van 1939 geweest, een paar maanden voor Hitler en Stalin hun duivelspact hadden gesloten en Polen en de Baltische landen als tijdens een potje monopoly onder elkaar hadden verdeeld. De Decker was benoemd tot ambassadeur in Letland, Estland en Litouwen. In elk van die landen had hij zich aan de president en de voorzitter van het parlement moeten voorstellen. Een vroegoude man, nog geen zestig, getekend door het leven. Kort na aankomst in Riga was zijn vrouw overleden. Geen kinderen... Hoe voel je je dan in een land waar je geen mens kent? Als directeur van een van de weinige Nederlandse bedrijven in de regio had Zwartendijk het als zijn plicht gezien acte de présence te geven, ook al had hij een hekel aan recepties. Kaal. Langgerekt gezicht, kromme neus, ingevallen wangen. Op de receptie had hij gehoord dat de nieuwe ambassadeur Belg van geboorte was – wat hem verwonderd had. Geen Bourgondiër in ieder geval. Meer een type dat nooit de bloemetjes buitenzette, en nooit uit onderhandelingen wegliep voordat er resultaat was geboekt. Een man van weinig woorden ook. Na het voorstellen had hij gemompeld: ‘Ah, Philips... Uw hoeveelste post in het buitenland?’ Hij had niet willen uitweiden en alleen gezegd: ‘Lange tijd Praag... Toen Hamburg.’ Deed er niet toe dat dat voor een andere firma was geweest... De ambassadeur had hem even aangekeken. ‘Hamburg? Ik heb er net zeven jaar Düsseldorf op zitten als consul-generaal. Leuk, Duitsland... Heeft u ook zo genoten? Of werd u een beetje moe van al die gestrekte armen?’ Dat hij er niet bij grinnikte, was hem bevallen. Na de Hollandse capitulatie, die veel sneller kwam dan verwacht, was De Decker op zijn post gebleven. Het Koninkrijk der Nederlanden was nog niet in zijn geheel onder de voet gelopen – Indië, Curaçao en Suriname waren er nog, en de regering en de koningin waren niet afgetreden maar in ballingschap gegaan. 

Een paar dagen na de overgave had de ambassadeur hem in een telegram gevraagd of Philips in Litouwen openbleef. Hij had een telegram teruggestuurd: ‘Geen order tot sluiting uit Eindhoven.’ Ze hadden nooit eerder met elkaar gebeld. ‘Zwartendijk, om met de deur in huis te vallen: ik heb u nodig. Ik zit te springen om een consul in Kaunas.’ Hij zei even niets. Toen: ‘We hebben Tillmanns toch?’ ‘Een Duitser. Waanzin om Nederland na de inval en de capitulatie door Herr Doktor Tillmanns te laten vertegenwoordigen! En wat voor een Duitser! U weet...’ ‘Dat is meer zijn vrouw, die zou Hitler het liefst morgen met een bos bloemen begroeten. Tillmanns valt geloof ik wel mee. Hij woont al lang in Litouwen.’ ‘Alle Duitstaligen in Litouwen zijn pro-nazi, dat weet u beter dan ik. Goed, doet er niet toe, ik hoefde de consul niet eens de laan uit te sturen, Tillmanns heeft op de dag van de Duitse inval zijn functie neergelegd – echt op de dag zelf, op 10 mei –, wat voor de man pleit... Het ontslag van Tillmanns is nog niet bekrachtigd. Ik kan daar niet op wachten, ik heb stante pede een waarnemer nodig. Mijn keuze was snel gemaakt.’ ‘Kijk eens aan. Wat een eer!’ Hij vroeg zich af of het ironisch genoeg klonk. ‘Dan hebben we meteen een kantoor. Begrijpt u?’ Ah, was dat het! ‘... Tillmanns verschaft ons niet langer onderdak. We moeten zijn pand per direct verlaten. Uw zaak zou prima als consulaat kunnen dienen.’ ‘U gaat ervan uit dat Eindhoven dat goedkeurt?’ ‘De hele top van Philips is naar Londen uitgeweken, net als onze regering en Hare Majesteit de Koningin.’

‘De hele top, op Frits Philips en Guépin na, die zijn op hun post in Eindhoven gebleven. Guépin is mijn directe baas. Ik ontving gisteren een bericht van hem dat hij naar alle buitenlandse vestigingen heeft gestuurd.’ ‘En?’ ‘Het hoofd koel houden en doorgaan op de oude wijze.’ ‘Dat lijkt me een illusie, Zwartendijk. Philips is onder Duits beheer gesteld, zoals alle grote bedrijven in Nederland. Maar als ik me niet vergis staat u als directeur van Philips Litouwen aan het hoofd van een zelfstandige onderneming en heeft u een zekere vrijheid van handelen?’ ‘U bent goed ingelicht, meneer De Decker.’ ‘De opengevallen post moet zo snel mogelijk bemand worden. Begrijpt u?’ ‘Ik wil niet flauw doen, mijnheer de ambassadeur...’ ‘Gezant. Het Koninkrijk der Nederlanden heeft gezanten, geen ambassadeurs.’ ‘Wat is het verschil?’ ‘Kleine mogendheden hebben gezanten, grote ambassadeurs. Sinds het Congres van Wenen van 1815 heeft Nederland de status van “kleine mogendheid”. Een ambassadeur heeft voorrang boven een gezant, hij geniet “préséance”. Voor de ambassadeur van Duitsland, Frankrijk of Groot-Brittannië moet ik een stapje terug doen.’ ‘Zo ziet u maar, ik weet er helemaal niets vanaf.’ ‘Beschouw me als ambassadeur, maakt niet uit, zo word ik hier overal genoemd.’ ‘Ik wil u graag van dienst zijn, meneer De Decker, maar ik heb geen enkel benul van diplomatieke of consulaire zaken. Ik weet gewoon niet wat het inhoudt en wat het met zich meebrengt.’ ‘Vrijwel niets. Een enkele landgenoot wiens paspoort verlengd moet worden, of die hulp en bijstand nodig heeft. Misschien een firma die vraagt om bemiddeling. Het stelt weinig voor.’ De ambassadeur kuchte even alsof hij zelf in de gaten had dat hij een te simpele voorstelling van zaken gaf. 

‘Waar het om gaat, Zwartendijk, is dat Nederland in Litouwen vertegenwoordigd blijft. Als we het consulaat sluiten, zijn we weg uit deze contreien. Ik heb het consulaat in Tallinn ook opengehouden, en het gezantschap in Riga... Ik voel me zo’n beetje als kapitein op een zinkend schip. Ik heb hulp nodig, in mijn eentje red ik het niet... Er zullen veel dingen op ons afkomen... De nationalisaties... De mensenstroom... Iedereen is op drift geraakt in de regio. Ik vraag of u onze man in Kaunas wilt zijn.’ ‘Alles best en wel, excellentie, maar ik weet werkelijk niet hoe ik dat moet aanpakken, wat ik precies moet doen...’ ‘Tillmanns zal u de bescheiden en de stempels geven. En het archief. Ik stuur u de consulaire handleiding en instrueer u verder per brief. Als u er niet uit komt, kunt u me te allen tijde bellen op mijn kosten. Ik wil niet dramatisch doen, maar helpt u me in godsnaam. Er staan hier vreselijke dingen te gebeuren.’ ‘Het wordt oorlog, ja.’ ‘Niet alleen oorlog, het wordt...’ ‘Ondergang.’ ‘Juist, Zwartendijk, we moeten het ergste vrezen.’ ‘U kunt op me rekenen.’ ‘Versta ik het goed?’ ‘De consequenties ontgaan me nog grotendeels maar ik wil er verder niet over nadenken.’ ‘Ah, superbe, Zwartendijk. Dan bent u vanaf nu de waarnemend consul van het Koninkrijk der Nederlanden in Litouwen. Ik beëdig u per direct, vraag de regering in Londen het besluit te bekrachtigen en meld u aan bij de overgangsregering van Litouwen. Ga morgen direct bij Tillmanns langs en neem alle bescheiden van hem over.’ ‘Eén vraag toch: mijn vrouw heeft Duits als moedertaal. Ze is op de grens van Polen en Tsjechië geboren in een stadje dat tot het Oostenrijkse Keizerrijk behoorde. Hoe weet u dat zij deugt? Mijn kinderen zitten op een Duitse school, de oudste op het Duits gymnasium. Hoe weet u dat ik deug?’ Een kort lachje. ‘Mensenkennis, Zwartendijk. Een blik op u was voldoende.’ 

Zesenzeventig jaar sta ik in Kaunas op de Laisves aleja 29 en kijk door de winkelruit naar de plek waar Zwartendijk de telefoon opnam. Zijn dochter Edith staat naast me. Ze was dertien destijds, inmiddels is ze negenentachtig. Ze houdt mijn arm vast om haar evenwicht te bewaren en zegt met vaste stem dat het hier allemaal begonnen is op die bewuste avond in mei. Haar vader had net de showroom afgesloten toen hij de telefoon hoorde rinkelen. Vreemd genoeg is er niets veranderd aan het interieur. Dezelfde lichtbruine lambrisering, dezelfde houten trap van de showroom naar de bel-etage. Ik zie Zwartendijk daar staan, met de bakelieten hoorn in de hand. Edith maakt hem nog zichtbaarder. ‘Pa had direct een groot vertrouwen in De Decker. Dat was wederzijds. Later, toen de situatie explosief werd, belde hij vaak met de ambassadeur. Meestal ’s avonds, als hij afgepeigerd thuis was gekomen. Het toestel hing in de gang aan de wand, hij maakte wilde gebaren, trapte tegen de muur. Na een paar minuten zag ik hem kalm worden.’

De rechtvaardigen

Een zestal voor de vrije herfstweek

De oktoberweek van vrijaf is komende en om die nog meer allure te geven, leg ik zes boeken op de tafel of bij de bagage, die gemeen hebben dat ze met z’n zessen uw herfstvakantie nog meer glans geven. Ik zet op een rij titel, auteur, ondertitel of genre en uitgever en laat die volgen door de tekst op de omslag, opdat u weet welk thema u te wachten staat. Eind van deze maand wisselen wij onze leeservaringen met deze zes uit. Goede leesdagen.

1) Een Duits meisje – Heidi Benneckenstein – Mijn leven in een neonazifamilie – De Arbeiderspers
Heidi Benneckenstein (1992) groeit op in een gezin dat de nazi-ideologie omarmt. De boeken die ze leest, de liedjes en gedichten die ze leert, de verhalen die ze hoort over de geschiedenis van Duitsland: alles is nationaalsocialistisch gekleurd. Als kind gaat ze op zomerkamp bij de "Heimattreue Deutsche Jugend', waar jongens en meisjes "völkisch' worden opgevoed en op paramilitaire wijze worden gedrild. Als vijftienjarige marcheert ze mee in demonstraties van neonazi's en slaat ze een fotojournalist in elkaar. Als ze negentien is, besluit ze samen met haar vriend om met het nazimilieu te breken, een besluit waar veel moed voor nodig is. In dit boek blikt ze nog eenmaal terug in de afgrond van deze parallelle wereld.

2) De mantel van astrakan – Piero Chiara – Romen – Serena Libri
De naamloze 'ik' besluit een paar maanden naar Parijs te gaan om zich in het mondaine leven te verdiepen. Hij trekt in bij een weduwe, madame Lenormand, die zich beklaagt over haar zoon, en bij Domitien, een ongenaakbare kat die zich niets laat aanleunen. De zoon is er met een Indochinese vandoor gegaan en laat niets meer van zich horen. Hij heeft een jas van astrakan achtergelaten. De ik maakt kennis met Valentine, een aantrekkelijke jonge vrouw, en na verloop van tijd krijgen ze een verhouding. Dan loopt het mis.  Maurice, de zoon van mevrouw Lenormand, is niet in Indochina. Hij zit in de gevangenis waaruit hij ontsnapt en Valentine raakt daarbij betrokken. Sliep ze met Maurice? Mismoedig slaapt hij met een majoor van het Leger des Heils. Van wie houdt Valentine?

3) 67 seconden – Jason Reynolds – Verzen – Blossom Books
"Mensen houden altijd meer van mensen als ze dood zijn.' Zestig seconden. Zeven verdiepingen. Drie regels. Een wapen. Will staat 67 seconden in de lift naar beneden, met in zijn broekband een pistool. Zijn broer Shawn is vermoord, en Will weet wat er van hem verwacht wordt. Niet snitchen. Niet huilen. Wraak. Het boek is geschreven in vrije versvorm en oorspronkelijk in het Engels, maar de vertaling is bijna net zo briljant als het origineel moet zijn. Het verhaal komt, mede door de versvorm, heel hard binnen en heeft op mij heel veel indruk gemaakt. Ik heb het hele boek lang mijn adem ingehouden en had aan het einde echt dat doffe gevoel, alsof er ineens iets wegviel. Een enorme aanrader, zeker ook voor mensen die moeilijk door boeken heen komen. De teksten zijn kort en behapbaar en ingedeeld in hele kleine stukjes. Hierdoor is het ook voor niet-lezers volgens mij heel geschikt! Jason Reynolds (1983) is een Amerikaanse auteur. De bestverkopende auteur van de New York Times. Bekend vanAll American Boys, de Track-serie, Long Way Down, For Everyone en Miles Morales-Spiderman. Hij schrijft voor jongvolwassenen, omdat hij weet dat een heleboel jongeren niet van lezen houden, omdat ze boeken saai vinden. Jasons missie is dan ook: geen saaie boeken schrijven. 67 seconden heeft echt enorm veel prijzen gewonnen en daarnaast zijn de filmrechten ook al gekocht door Universal.

4) Hoor me – Yolanda Hadid – De strijd tegen de onzichtbare symptomen van Lyme – Pepper Books
Yolanda Hadid werd wereldberoemd als model, Real Housewife of Beverly Hills en moeder van Bella en Gigi Hadid. Ze was ook ziek, en lange tijd wist niemand wat er met haar aan de hand was. Opgegroeid op een kleine boerderij in het Zuid-Hollandse Papendrecht, brengt Yolanda Hadid haar jeugd door met paardrijden, turnen en een bijbaantje bij de HEMA.
Op haar zestiende wordt ze gescout door een modellenbureau. Voor ze het weet vliegt ze als model de hele wereld over. Ondertussen gaat Yolanda's gezondheid achteruit. Haar lange zoektocht naar de juiste diagnose begint. Pas vele jaren later wordt vastgesteld dat ze leidt aan de chronische ziekte van Lyme. Medicijnen en behandelingen volgen, terwijl ze inmiddels ook een gezin heeft en onderdeel is van de realityserie The Real Housewives of Beverly Hills.
Ondanks alles lijkt Yolanda Hadid nooit de hoop te verliezen. Haar positie als beroemdheid gebruikt ze om meer bewustzijn te creëren rondom de ziekte van Lyme. Hoor me is het levensverhaal van Yolanda Hadid.

5) Brieven aan Koos – Tim Fransen – Avonturen van een zolderkamerfilosoof – Das Mag
Moeten we een gelukkig, of eerder een waardevol leven nastreven? Wat is er überhaupt van waarde, in het licht van onze eindigheid?  En  waarom drinken mensen wijn terwijl druivensap overduidelijk zoveel lekkerder is? Cabaretier en filosoof Tim Fransen verlaat zijn veilige plekje  in de bibliotheek en trekt erop uit, vastbesloten de antwoorden te vinden op de grote vragen van het leven. Terwijl hij zijn filosofische helden achterna reist – Immanuel Kant, Karl Marx, Friedrich Nietzsche, Albert Camus – belandt hij in onverwachte avonturen. Hij legt bloemen bij het graf van een onbekende man, rent angstig door een steeg in de hoerenbuurt van Leipzig en verzorgt bejaarden in een Russisch tehuis.
Zijn lessen  tekent hij op in brieven aan zijn goede vriend Koos; brieven die een even grote schat aan wijsheid als klunzigheid bevatten. 
‘Ontroerend en onweerstaanbaar grappig.’– Theo Maassen 

6) Schokland – Saskia Goldschmidt – Roman – Cossee
De grond onder het Hogeland van Groningen beeft. Eerst nauwelijks voelbaar, maar langzaamaan wordt het sterker. Als de bodem onder hun voeten steeds instabieler wordt, proberen Femke, haar moeder Trijn en haar grootvader zowel de boerderij als hun eigen leven onder controle te houden. Femke is in haar element tussen de dieren op de boerderij en de gedroomde opvolger van de melkveehouderij van haar grootouders. Haar moeder daarentegen deed ooit een poging aan het boerenbestaan te ontsnappen maar is tegen haar zin teruggekeerd. Sindsdien is ze nooit meer van het erf afgekomen. De spanning tussen moeder en dochter over de te volgen koers groeit. Femke wil verduurzamen, Trijn ziet dit als een aanval op de traditie.

Van oudsher ontvlucht Femke de wrokkige stiltes door het uitgestrekte rietland in te gaan, waar ze tussen de kuifeenden en reigers haar weg hervindt. Terwijl de scheuren in hun muren groter worden, staat een bewoner verslagen voor zijn gesloopte boerderij, raakt Femke onder invloed van een ambitieuze jonge boerin en moet de gemeenschap zich verzetten tegen de bedrijven die van hun grond willen profiteren. Voor haar nieuwste roman verhuisde Saskia Goldschmidt naar het door aardbevingen getroffen Groningse platteland. Ze woont daar inmiddels twee jaar, heeft tientallen bewoners gesproken en hielp mee in de stallen van verschillende melkveehouderijen. In Schokland onderzoekt ze wie je bent als je identiteit intens verstrengeld is met je geboortegrond. En hoe je overeind blijft staan als de wereld langzaam instort.

Een zestal voor de vrije herfstweek