Precies geteld 23 verhalen verspreid over 278 bladzijden telt de bundel die van top tot teen tintelen van licht en lucht maar een donkere en drieste onderstroom kennen. Ik heb het over het postuum verschenen Het kauwgomkind van Doeschka Meijsing en van uitgeverij Querido met de sobere ondertitel van ‘De verhalen’. Voor u die glanzende en tegelijk grimmige verhalen tot u neemt, doet u er goed aan achterin het boek te beginnen, want daar voert Xandra Schutte met verve het nawoord. Ik citeer de slotzinnen van Schutte: ‘Het titelverhaal is het laatste dat Doeschka heeft geschreven, buiten zittend in de schaduw van het Spaanse huis waar wij vakantie hielden. Het kauwgomkind refereert aan het bekende gedicht van Jac. van Hattum: ‘Het kauwgumkind weet nog niet goed, hoe of het zich gedragen moet.’ Het zou gaan, dat is zo ongeveer het enige concrete wat ze over de bundel losliet, over een meisje dat een weerspannige verhouding met haar moeder heeft. Uit een kauwgomfamilie, zoals Van Hattum die in zijn gedicht schetste, komt ze niet. Van haar moeder mág ze helemaal geen kauwgom kauwen en dus ontwikkelt ze de stiekeme gewoonte uitgespuugde kauwgom van de stoep te pulken en in haar mond te stoppen. Hoe het verder met het meisje en haar moeder ging is onduidelijk. Het verhaal is in een aanzet blijven steken.’ Aan ons de uitdaging te traceren wat Doeschka Meijsing met de verzen van Van Hattum gedaan zou hebben.
Het gewraakte gedicht gaat zo:
Het kauwgumkind weet nog niet goed,
hoe of het zich gedragen moet.
Vaak kijkt men stomverwonderd toe
en denkt, dat kind lijkt wel een koe.
Het blaast een bobbel voor z'n mond
en kijkt dan heel verdwaasd in 't rond.
Het kind heeft ook een kauwgum-Ma,
en die komt uit Amerika.
De kauwgum-Pa kauwt op kantoor
van negen uur tot zes uur door.
Wanneer er thuis gegeten wordt
legt elk z′n kauwgum naast z'n bord.
En nauw'lijks is het maal gedaan,
of elk vangt weer te kauwen aan.
Eerst als men 's nachts de ogen sluit
spuwt elk verveeld z'n kauwgum uit.
Het verhaal Het kauwgomkind heeft dus echt een open eind, de lezer mag de story afmaken. Met Van Hattums gedicht in het achterhoofd kunt u het verdere verloop breien. De entree is als volgt. Een meisje van vier verhuist met haar ouders en beleeft dat in haar ogen als een gelukkige dag. De rest van het jaar verloopt even gelukkig als de eerste dag. Maar dan en ik citeer: ‘Hun tweede lente in het huis gebeurde er iets. Ze zag het vanaf het grasveld bij de vijver waar ze een armbandje van madeliefjes weefde. Voor haar moeder. Iemand belde aan hun voordeur. Ze kende niemand in deze stad. Er belde nooit iemand aan, behalve de melkboer maar dat was vóór schooltijd. En soms manke Willem, die zijn koffer vol onbegrijpelijke waar opende. Haar moeder kocht altijd twee kaartjes stopwol.’
Het proza en het gedachtegoed van Meijsing deels kennende, heb ik het bruine vermoeden dat het geluk van het gezin verstoord wordt, wat gesuggereerd wordt door: ‘gebeurde er iets’. De komende weken heb ik vrijaf en in die dagen van gewoon geluk heb ik de bundel Het kauwgomkind als bagage. Ik wil namelijk alle verhalen van Doeschka leren kennen, vooral dat kwartet dat zij in haar nieuwe uitgave wilde deponeren, te weten De oude man & het zwijgen, De kinderen en Cadeautje hoort erbij’. De overige negentien verhalen stonden meestal in eerdere bundels. Ook Temporis acti uit 1974, waarbij Schutte in haar ‘Nawoord’ naar mijn idee een schitterende notitie maakt. U hoort dus nog van mij over Het kauwgommeisje.
DE MYTHISCHE OOM
Mooie en meeslepende uren heb ik vertoefd tussen de woorden en zinnen van een 284 bladzijden relaas dat naar mijn idee virtuoos, dus literair en lucide geschreven is. Ik heb het over De mythische oom van Mariët Meester en van uitgeverij De Arbeiderspers met ondertitel ‘Nederlandse immigranten in Amerika: een bloedband’. U weet het: ik bemin werken die tot het non-fictieve genre behoren, op voorwaarde dat ze goed van taal zijn. Dit boek voldoet geheel aan die min. Ik wil u de vorm etaleren waarin Mariët Meester haar De mythische oom vervat. Overigens: de fraaie vrouw is van 1958 en schreef tal van romans, reisverhalen en essays waarbij zij zich vaak direct liet inspireren door beleefde realiteit.
Ik citeer een passage uit het gelijknamige hoofdstuk dat aan het slot de titel verklaart; ‘Ja, dat oom Peter, die ik alleen uit de sterke verhalen kende die over hem rondgingen, nog mythischer voor me werd dan hij al was.’ Vaders broer sprak tot Mariëts verbeelding. In de epiloog van haar zoektocht naar de wederwaardigheden van haar familie zegt Mariët: ‘Nu oom Peter, die zijn levenskracht uit mijn vaders bloed haalt, zijn verhaal aan mij heeft willen vertellen, is hij voor mij geen mythische figuur meer maar een held, juist doordat ik uiteindelijk ook zijn onzekerheid heb mogen zien.’ De vraag van u als goedwillende lezer ligt voor de hand, want hoe zijn de met raadselen omgeven bij leven al legendarische bloedverwant opgelost?
Ik beland zo bij de subtitel. In de jaren vijftig emigreerde oom Peter naar Amerika om in het kielzog van vele landgenoten uiteindelijk te belanden in het stadje Lynden, Washington, vlakbij de Canadese grens. Tot op dag van heden onderscheidt de iets meer dan 11.000 inwoners tellende plaats zich door een groot aantal kerkgenootschappen die zich onderscheiden met etiketten als ‘synodaal’, ‘vrijgemaakt ook wel artikel 31’, ‘baptist’, ‘calvinistisch’, ‘reformatorisch gereformeerd’. Als Mariët dan ook een paar jaar terug Lynden doorkruist, ziet zij doorgaans kleine kerken met daarop bordjes die de algemene ligging van Reformed Church aangeven. De particuliere gezindte wordt echter nader gestipuleerd met American, Christian, Liberated, Protestant, Netherlands, in America, United. Het gaat om totaal 35 optrekjes waarvan de bezoekers zich onderscheiden door opvattingen over doop, wedergeboorte, avondmaal, genade, zondeval, wereldmijding.
De aanleiding van Meesters visite aan haar verwanten in Lynden is een ernstige. Zij wil haar oom Peter ontmoeten - in de States van automonteur opgeklommen tot toxicoloog - die dankzij een stamceltransplantatie leukemie overleefd heeft. Dit voor hem laatste redmiddel kon plaatsvinden omdat zijn broer Jan de vader van Mariët, uit Nederland is overgekomen om als donor te fungeren. De ingreep verloopt zo goed dat de ver in de zeventiger oom op het tennisveld weer actief is. Een volkomen geslaagde verhaaltruc van Meester is dat zij de veertien hoofdstukken om en om in het verleden en heden af laat spelen. Zo start zij met haar Proloog in 1945 in Groningen waar haar oom Peter zijn avonturen met de bevrijdende Canadezen beleeft die hij aan zijn nicht Mariët beschrijft als zij hem in Lynden opzoekt, wat in het volgende hoofdstuk De mythische oom aan de orde komt. Heel magnifiek rakelt zij zo het toen op en heel magistraal verwoordt zij zo het nu. Een volgende keer wil ik met in het spoor van Mariët Meester treden op haar exploratie door Lynden. Ik wil nu al echter gezegd hebben dat zij zich allereerst verwondert over hetgeen zij daar in den vreemde ontmoet, ondervindt, gadeslaat, ontdekt en registreert. Zij oordeelt en veroordeelt als betrekkelijk buitenstaander niet. Zij spreekt met gevoelens van respect over de familie- en landgenoten die ver van het eigen land zichzelf willen blijven. Nu de passage over het Hollandse Lynden.
‘Ik steek over naar het pronkstuk van de straat, een groene molen, die deel uitmaakt van een bescheiden overdekt winkelcentrum. De molen komt authentiek over, voor wie tenminste niet op het bordje met het jaartal 1987 let. Het onderstuk met groen-rood-witte luiken, de houten opbouw,het formaat, alles klopt wel zo’n beetje, hoewel het bovenstuk met de wieken niet kan draaien. Binnen in het winkelcentrum hangt een muffe geur. Wel is het er lekker warm. Klanten zie ik niet in de cadeauwinkels die in de ‘Terpstraat’ en de ‘Kanaalstraat’ liggen. De Kanaalstraat ontleent zijn naam aan een waterpartij die door het winkelcentrum loopt, met een fonteintje, een watervalletje, een ophaalbruggetje en een houten boogbruggetje. In het water van het kanaal zwemmen koikarpers. Er vlakbij staan twee grote, uit hout uitgezaagde klederdrachtpoppen. Op de plaats van hun gezicht hebben ze een gat, zodat je je eigen gezicht erdoorheen kunt steken om je te laten fotograferen. Onder in de molen zijn souvenirs te koop.
‘Its’ tough being Dutch, but somebody gotta do it’, staat op tegeltjes en stickers. En: ‘Opa and oma are the greatest’. Een andere tekst die in verschillende verschijningsvormen wordt aangeboden luidt; ‘I’ve got Dutch roots’. Er staat een plaatje van twee klompen bij om aan te geven dat die ‘roots’ van loodzwaar, onbuigzaam hout zijn. De molenwinkel heeft ook een afdeling met Nederlandse voedselproducten. Zo te zien is Brinta iets waar Nederlanders heel slecht buiten kunnen. Er zijn ook pakjes soep te koop, benodigdheden voor een rijsttafel, poffertjesmix, pannenkoekenmeel, drop in vele varianten. Geen drank, geen jenever of berenburg. Klanten zijn er nog steeds niet. Ik koop ook al niets. Desondanks blijft het personeel in de winkeltjes enorm aardig. Eén verkoopster is nieuwsgierig. Als ik hier op familiebezoek ben, wie mag mijn familie dan wel wezen? ‘The Maystars die in een huis aan de Middle Mud Road wonen,’ zeg ik, want toen mijn oom Amerikaans staatsburger werd heeft er een klein incident plaatsgevonden. Het had met de uitspraak van zijn familienaam te maken, hij vond het vervelend om ‘Miester’ genoemd te worden, zodat de ambtenaar er uiteindelijk Maystar van heeft gemaakt. De mevrouw zegt iets terug waarin de woorden The Guess Who voorkomen. Het huis van mijn oom en tante aan de Middle Mud Road is volgens haar helemaal geen huis maar een ‘estate’, een verkleinde kopie van het Guess Who-pand. Of dat nu klopt of niet, ik heb in ieder geval indruk gemaakt op deze mevrouw.’
SCHRIJF JE ME?
In mijn valies huist een boek dat zeker mijn vrije dagen in den vreemde leesplezier en leesgenoegen maar vooral diepgang en allure zal geven. Ik heb het over het 368 tellende, geïllustreerde Schrijf je me? van Orlando Figes en van Nieuw Amsterdam Uitgevers met de ondertitel ‘Een verhaal van liefde en overleven in de Goelag’. Goelag is een acroniem voor het Russische ‘Hoofddirectoraat voor opvoedings- en werkkampen’ en functioneerde van 1930 tot 1960. De kampen zelf werden ook aangeduid met goelag en vormen de locatie voor Schrijf je me?. Als ik van mijn vakantie weerom kom, geef ik u mijn leeservaringen. Orlando Figes kennende, zullen die heel gunstig zijn. Ik mocht immers van de Britse historicus eerder bij u introduceren Natasja’s dans, Tragedie van een volk, Fluisteraars en De Krimoorlog. Nu geef ik om ‘in the mood’ te komen integraal zijn ‘Voorwoord’
‘Drie oude koffers waren zojuist afgeleverd. Ze stonden in een deuropening en blokkeerden de doorgang naar het drukke vertrek waar mensen uit het publiek en historici werden ontvangen op de Moskouse kantoren van Memorial. Ik was daar die herfst van 2007 naartoe gekomen voor een bezoek aan enkele collega’s op de researchafdeling van de mensenrechtenorganisatie. Toen ze zagen dat ik belangstelling had voor de koffers, vertelden ze me dat die het grootste privéarchief bevatten dat Memorial in de twintig jaar van zijn bestaan had gekregen. Het behoorde toe aan Lev en Svetlana Misjtsjenko, twee mensen die elkaar in de jaren dertig als studenten hadden ontmoet, en daarna gescheiden werden door de oorlog van 1941-45 en Levs daaropvolgende gevangenzetting in de Goelag. Hun liefdesgeschiedenis was, zoals iedereen mij vertelde, heel bijzonder. We openden de grootste koffer, Ik had nog nooit zoiets gezien, enige duizenden brieven, dicht opeengepakt in bundels, bijeengebonden met touw en elastiekjes, notitieboekjes, dagboeken, documenten en foto’s. De waardevolste afdeling van het archief zat in de derde en kleinste koffer, een bruine, multiplex koffer met leer afgezet en met drie metalen sloten die gemakkelijk open klikten.
Niemand kon zeggen hoeveel brieven het waren – we schatten misschien wel tweeduizend – we wisten alleen hoeveel de koffer woog (37 kilo). Het waren allemaal liefdesbrieven van Lev en Svetlana, geschreven toen hij een gevangene was in Petsjora, een van Stalins beruchtste werkkampen in het Hoge Noorden van Rusland. De eerste brief was van Svetlana, in juli 1946, de laatste van Lev, uit juli 1954. Ze schreven elkaar ten minste twee keer in de week. Dit was veruit de grootste verzameling brieven uit de Goelag die ooit gevonden was. Maar wat deze brieven zo opmerkelijk maakte was niet alleen de hoeveelheid: het was het feit dat niemand ze had gecensureerd. Ze waren in en uit het werkkamp gesmokkeld door vrije arbeiders en functionarissen die sympathie hadden voor Lev.
Verhalen over het smokkelen van brieven maakten deel uit van de rijke folklore van de Goelag, maar niemand had ooit kunnen denken aan een illegale postzak van deze grootte. De brieven zaten zo dicht opeengepakt dat ik mijn vingers ertussen moest schuiven om de eerste eruit te krijgen, Dit was van Svetlana aan Lev. Het korte adres luidde: Komi ASSR Kozjva Regio Houtverwerkingsbedrijf Dwangarbeiderskamp Aan Lev Glebovitsj Misjtsjenko.
Ik begon met het lezen van haar kleine, nauwelijks leesbare handschrift op het gele papier dat in mijn handen verkruimelde. 'En hier zit ik dan en ik weet niet wat ik je moet schrijven. Dat ik je mis? Dat weet je. Dat ik nu het gevoel heb dat ik buiten de tijd leef, in een soort entr’acte. Dat wat ik ook doe slechts het doden van tijd lijkt.’ Ik haalde nog een brief uit de bundel. Het was er een van Lev. ’Je hebt me een keer gevraagd wat gemakkelijker is, leven met hoop of zonder. Ik kan geen hoop koesteren, en ik voel me rustiger zonder...’ Ik luisterde naar een gesprek tussen hen. Terwijl ik de brieven doorbladerde groeide mijn opwinding. Levs brieven waren rijk aan details van het werkkamp. Ze waren mogelijk het enige omvangrijke contemporaine verslag van het dagelijkse leven in de Goelag dat ooit naar buiten zou komen. Er zijn veel herinneringen aan de werkkampen van voormalige gevangenen verschenen, maar niets wat te vergelijken is met deze ongecensureerde brieven, geschreven op het moment zelf binnen de prikkeldraadzone. Levs brieven, geschreven om aan die ene bedoelde lezer uit te leggen wat hij doormaakte, onthulden met de jaren steeds meer over de condities in het kamp. Svetlana’s brieven waren bedoeld hem te ondersteunen in het kamp, hem hoop te geven, maar zoals ik al gauw besefte, ze vertelden ook de geschiedenis van haar eigen strijd om haar liefde voor hem levend te houden. Wellicht 20 miljoen mensen, voornamelijk mannen, hadden het zwaar te verduren, in Stalins werkkampen.
Gevangenen mochten gemiddeld eens per maand brieven schrijven en ontvangen, maar al hun correspondentie werd gecensureerd. Het was moeilijk om een intieme band te onderhouden als elke gedachtewisseling eerst door de politie gelezen werd. Een veroordeling tot acht of tien jaar betekende vrijwel altijd het verbreken van relaties; vriendinnen, vrouwen of echtgenoten, hele gezinnen, raakten de gevangenen kwijt. Lev en Svetlana vormden een uitzondering. Ze wisten niet alleen een manier te vinden om te schrijven en elkaar zelfs illegaal te ontmoeten – een buitengewone inbreuk op de Goelagregels waarop strenge straffen stonden – maar bovendien bewaarden ze elke kostbare brief (wat zelfs nog een groter risico met zich meebracht) als een verslag van hun liefdesgeschiedenis. Er breken 1500 brieven in dat kleinste koffertje te zitten. Het kostte meer dan twee jaar om ze allemaal te transcriberen. Ze waren moeilijk te ontcijferen, stonden volcodewoorden en initialen die opgehelderd moesten worden. Deze brieven vormen de documentaire basis van Schrijf je me?, waarvoor ook geput is uit het rijke archief in de andere koffers, uit uitgebreide interviews met Lev en Svetlana, hun verwanten en vrienden, uit de geschriften van andere gevangenen in Petsjora, uit bezoeken aan de stad en interviews met inwoners en uit de archieven van het werkkamp zelf.’