Om het maar meteen te zeggen: de titel van deze introductie is juist weergegeven, dus zonder kapitalen want de maker van dit jubileum kijk – en leesalbum gebruikt in zijn oeuvre consequent geen hoofdletters. Het gaat om de speciale uitgave, 32 grote (!) bladzijden tellende, doorlopend geïllustreerde het feest van nijntje van good old Dick Bruna en van uitgeverij Mercis Publishing. De illustratie op de harde cover is feestelijk uitgevoerd in mat laminaat en spot vernis. Dit allemaal voor de 60e verjaardag van het mondiaal zo populaire konijntje nijntje, ook bekend als nijntje pluis, het hoofdpersonage van de serie kinderprentenboeken. In de jaren vijftig zagen items het licht als nijntje, nijntje in de dierentuin en nijntje in de sneeuw en in het voorbije decennium huppelden boekjes als nijntje in luilekkerland, nijntje en de seizoenen en nijntje wordt kunstenaar. En dit jaar maakt nijntje de opwachting met wat hoor je nijntje?, nijntje in nederland en nijntje danst.
In vroeger jaren hield mijn vader zaliger in de schuur achterin de tuin konijnen behorende tot rassen als vlaamse reuzen en hollandertjes. Voor deze gelegenheid zonder hoofdletters. De goedaardige beesten kwamen hun hokken niet uit, behalve bij keuringen (zzg - zeer zeer goed!), kruisingen en slachtpartijen voor kerstmalen. Vader Kaptein kon toen in zijn stoutste dromen niet bevroeden dat zijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen zo zouden genieten van het konijn nijntje, ras Dick Bruna. Op dit moment van schrijven ontvangt mijn echtgenote Jans via de iphone een afbeelding van zoon Time met daarop kleinzoon Guus van 16 maanden jong die, op de parketvloer van Rode Laan 36 Voorburg gezeten, volop geniet van de tuin van nijntje. Hoe verheffend en verheven vinden zijn grootouders het dat hij zienderogen voluit geniet van de belevenissen van nijntje. En dan te bedenken dat zijn vader Time en zijn moeder Bonnie dat in hun kinderjaren dat ook deden. Zelfs nu nog!
Als hommage aan hen rakel ik het verleden van nijntje op via Wikipedia. ‘In de jaren vijftig kwam er voor het eerst een nijntjeboek uit, naar het verhaal dat Dick Bruna zijn één jaar oude zoontje vertelde over een konijntje dat ze eerder die dag in de duinen van Egmond aan Zee hadden gezien. Andere bronnen geven aan dat nijntje is gebaseerd op het pluche konijn van Bruna's zoon. Nijntje wordt op een basale manier getekend, met enkele lijnen en grotendeels in de primaire kleuren met dikke kaderlijnen. Een nijntjeboek bevat vierentwintig pagina's, met op elke rechterpagina een tekening en op elke linkerpagina vier regels vers. De boeken worden in een klein formaat gedrukt, omdat Dick Bruna het belangrijk vindt dat zijn publiek het gevoel heeft dat de werkjes voor hen gemaakt zijn en niet voor hun ouders. De verhaaltjes van nijntje zijn in veel talen vertaald. In bijna alle talen is haar naam miffy. Bruna controleert de vertalingen streng; als een boekje wordt vertaald in een taal die hij niet kent, dan vraagt hij iemand anders om de tekst terug te vertalen, zodat hij het resultaat kan controleren. Op 16 februari 2006 werd er in Utrecht het Dick Bruna huis geopend, waar veel werk van Bruna te zien is, waaronder uiteraard veel nijntjes. Het maakt deel uit van het Centraal Museum. Ter ere van de opening van het huis werden er een aantal maanden lang verschillende gebouwen in Utrecht (waaronder de Neudeflat) versierd met nijntje-oren. Aan de Lange Viestraat in Utrecht zijn er verkeerslichten met een afbeelding van nijntje. Aan het begin van de Utrechtse Van Asch van Wijckskade aan de Oudegracht is het nijntje-pleintje met een standbeeld van nijntje, gemaakt door Bruna's zoon, de beeldhouwer Marc Bruna. Op 30 juli 2014 werd bekend dat Dick Bruna geen nieuwe nijntjeboekjes meer zal maken.’
Het zal u opnieuw weer manifest worden: nijntje is een icoon. In het feestboek het feest van nijntje geeft hij zijn visitekaart af met ‘Op een dag was nijntje pluis al heel vroeg opgestaan zij waste zich van top tot teen ziezo, dat was gedaan’. U en ik mogen ons gelukkig prijzen dat nijntje in ons leven gekomen is om het meer appetijtelijk te maken. Ik dank Esther de Wit van de Mercis Groep dat zij ons het novum van 60 jaar nijntje gaf!
Een boek dat er echt toe doet en veel langer van gewicht is dan een van de subtitels doet vermoeden heb ik voor u. Het gaat om het 280 bladzijden tellende Dit wil je weten onder redactie van Mark Geels en Tim van Opijnen en een uitgave van Maven Publishing. Met de ondertitels van ‘Nederland in ideeën 2015’ en ‘Wetenschappers, ondernemers en kunstenaars geven adviezen voor het dagelijks leven’ en ’93 toonaangevende denkers geven antwoord op 1 vraag: ‘Welk inzicht uit je vakgebied kan anderen helpen in het dagelijks leven?’ De intrigerende vraag is afkomstig van Paulien Cornelisse, de spraakmakende auteur, cabaretière en columnist met geboortejaar 1976. Van haar mocht ik bij u introduceren de bestseller uit 2009 Taal is zeg maar echt mijn ding, over observaties van het dagelijkse moderne taalgebruik. Ook had ik met u enige keren over haar maandelijkse rubriek in DWDD, waarin zij steevast aan tafel schuift met het item hoe veranderlijk en verraderlijk de taal is. Haar presentatie van nieuwe woorden is daarbij verrassend en horizonverleggend. Geels en Opijnen vroegen Cornelisse om hen te helpen met het formuleren van de vraag die als uitgangspunt zou gelden voor deze editie van ‘Nederland in ideeën’. Zij schreef:
‘Beste denkers, wetenschappers, en mensen die de wereld beter begrijpen dan ik. Welk inzicht uit je vakgebied kan anderen helpen in het dagelijks leven? Ik realiseer me dat deze vraag misschien een beetje irritant overkomt. Stel, u doet theoretische natuurkunde, dan moet u waarschijnlijk op menig verjaardag antwoord geven op de schamperende vraag: ‘En wat hebben wíj daaraan? En misschien komt er dan ook nog iemand om de hoek met “van onze belastingcenten”. Zo is mijn vraag dus niet bedoeld. Waar ik meer in geïnteresseerd ben, zijn specifieke inzichten uit uw vakgebied die u ook als nuttig ervaart in het dagelijks leven. Dit kan een inzicht zijn dat rechtstreeks toepasbaar is, maar het kan ook zijn dat u een onverwachte parallel ziet tussen een inzicht uit uw vakgebied en een situatie in het dagelijks leven. Hoe specifieker hoe beter. Ik zou het heel leuk vinden als u minstens één keer het woord “ik” wilt gebruiken en iets uit uw persoonlijke leven in uw antwoord wilt verwerken. Ik kijk uit naar uw antwoord in honderdvoud. Met vriendelijke groet, Paulien Cornelisse’. Als richtlijnen voor de epistels gaf Maven Publishing mee:
1. De vraag luidt: ‘Welk inzicht uit je vakgebied kan anderen helpen in het dagelijks leven?’ 2. Beperk je antwoord tot maximaal 750 woorden. Korter mag natuurlijk ook. 3. Gebruik minimaal één keer het woord ‘ik’. De lezer is het meest geïnteresseerd in jouw persoonlijke visie, niet die van je organisatie of vakgebied. 4. Vertel iets nieuws, iets dat waar is, iets onverwachts en bovenal iets interessants. Of je nu een thrillerschrijver, entrepreneur of theoretisch fysicus bent, je hebt vast inzichten verkregen door je werk waaruit praktische tips voor anderen te distilleren zijn. 5. Het inzicht dat je beschrijft hoeft niet ‘groots’ te zijn: het kan ook op een heel klein onderdeel van het dagelijks leven van toepassing zijn en als subtiele les voor de lezer dienen. 6. Het inzicht mag, maar hoeft niet, van praktische aard te zijn. Het mag bijvoorbeeld ook betrekking hebben op een manier van denken of een bepaald perspectief dat je de lezer wilt meegeven.7. Onthoud je van zelfpromotie, het refereren aan eigen boeken / artikelen / producten, het ten tonele brengen van stokpaardjes of het bepleiten van partijpolitiek. Ook is dit niet de plek voor een persoonlijke afrekening. 8. Schrijf een op zichzelf staand stuk: gebruik geen voetnoten of hyperlinks en blijf op de pagina.9. Geef je stuk een korte, pakkende titel die betrekking heeft op jouw antwoord, niet op onze vraag. (Anders gaan alle titels op elkaar lijken.) 10. Ten slotte. Bovenaan elke bijdrage komen een paar steekwoorden over de auteur. Doe dit ook voor jezelf in het volgende format.’
Ik geef straks het woord aan twee van de 93 toonaangevende denkers, aan universiteitshoogleraar Henk van Os met zijn bijdrage ‘Kunst en Leven’ en aan hoogleraar neurobiologie Dick Swaab met diens ‘Juist omdat de vrije wil slechts een illusie is, hebben we vrijheid nodig’. Aan u en mij de uitnodiging te traceren of Van Os en Swaab (aan wier boeken wij in onze Cultuurmix brede aandacht destijds schonken) zich aan de tien gulden regels gehouden hebben. Een volgende keer wandelen wij met uw goedvinden door ‘Wie met de tijdgeest huwt, wordt snel weduwnaar’ van Alexander Pechtold, ‘Ontwapenen’ van Ricky Koole, ‘Van verbeelding naar actie: hoe kinderen ons vooruithelpen van Laurentien van Oranje en ‘Bouw niet hoger, maar ook niet lager’ van Zef Hemel. Nog beter is dat u Dat wil je weten bij uw boekhandelaar ophaalt!
Henk van Os: ‘Welk inzicht uit je vakgebied kan anderen helpen? Die vraag is voor mij een gotspe. Mijn vakgebied, de kunstgeschiedenis, heeft zozeer mijn leven bepaald, dat het bijna onmogelijk is om daar één inzicht uit te isoleren. Het heeft me al heel veel moeite gekost om als student mijn beleving van kunst in een wetenschappelijk kader te wringen, en ik koester nog steeds wantrouwen jegens collegae die in hun omgang met kunst niet verder zijn gekomen dan historisch mierenneuken. Het inzicht dat ik aan mijn luisterkijkers via de tv heb proberen over te dragen, is dat een ordelijke omgang met kunst (met behulp van kunstgeschiedenis bijvoorbeeld) je gelukkig kan maken, niet alleen vanwege het esthetisch genieten, maar ook omdat je op een heel indringende manier jezelf kan ontmoeten. Een kunstwerk is bovendien een heel bijzonder historisch feit, omdat het zijn eigen historiciteit overstijgt en daardoor behalve een uniek inzicht in de geschiedenis ook vreugde en troost geeft. Het is te veel, wat ik schrijf, maar minder is het niet, wanneer je al in je puberteit je hart hebt verpand aan de omgang met kunst.’
Dick Swaab: ‘Door onze genetische achtergrond en de daaropvolgende hersenontwikkelingsprocessen zijn we allemaal verschillend. De variatie in al onze eigenschappen is groot en van immens belang: het was immers de motor van de evolutie. De discussie of een eigenschap door ‘aanleg’ of ‘omgeving’ tot stand is gekomen, is achterhaald. Onze hersenen komen vanaf de conceptie tot ontwikkeling door een intensieve interactie tussen de genetische aanleg en de omgeving die in de baarmoeder vooral chemisch is en na de geboorte vooral sociaal. Op het moment van onze geboorte zijn door de ontwikkelingsprocessen de hersenen van ieder kind al uniek. Zelfs als de genetische achtergrond identiek is, zoals bij een eeneiige tweeling, hebben hun hersenen bij de geboorte al een andere structuur waardoor ze later een verschillend karakter hebben. Onze hersenen zijn te complex om zich te ontwikkelen op basis van onze genetische informatie alleen. Ze ontwikkelen zich als een complex, zelforganiserend systeem, waardoor in een chaotisch systeem spontaan structuren ontstaan. Dit principe vind je overal in de natuur, van mierenhopen tot zwermen van spreeuwen. Er wordt in ons brein een overmaat gemaakt aan cellen, vezels en contacten. Vervolgens vindt een competitie plaats waarbij de verbindingen die het beste functioneren winnen. Als cellen een intensief functioneel contact met elkaar hebben, gaan zij met elkaar permanente verbindingen aan. Is het contact zwak, dan zal het verdwijnen, en hiermee verdwijnen ook de bijbehorende hersencellen. Celdood is een normaal proces tijdens de hersenontwikkeling.
Dit proces van ‘survival of the fittest’ wordt ‘neuronaal darwinisme’ genoemd. Vervolgens worden onze hersenen geprogrammeerd door informatie uit de zintuigen en uit het lichaam van het kind en door de hormonen van het kind in de baarmoeder. Door de hormoonwerking op de zich ontwikkelende hersenen worden onze genderidentiteit – het gevoel man of vrouw te zijn – en onze seksuele oriëntatie reeds voor de geboorte vastgelegd in de structuur van onze hersenen. Daar kan de sociale omgeving na de geboorte dan ook geen invloed meer op hebben. Kinderen van twee lesbische moeders of twee homoseksuele vaders hebben niet meer kans om homoseksueel te worden dan kinderen die door een heteroseksueel echtpaar worden grootgebracht. Noch de Russische wetgeving, die ervan uit lijkt te gaan dat je kinderen niet bloot mag stellen aan homoseksualiteit, alsof dit besmettelijk is, noch het standpunt van sommige kerken dat homoseksualiteit een verkeerde keuze is, heeft enige wetenschappelijke basis. Door een combinatie van onze genetische achtergrond, het zelforganiserend vermogen van de hersenen en hun vroege programmering worden onze karaktereigenschappen, talenten en beperkingen al voor een belangrijk deel tijdens de vroege ontwikkeling vastgelegd. Dit geldt niet alleen voor onze seksuele differentiatie, het ochtend- of avondmens zijn, neurotisch, agressief, antisociaal en non-conformistisch gedrag, maar ook voor de kans die we lopen op hersenziekten zoals schizofrenie, autisme, adhd, depressie en verslaving. Na de geboorte heeft het leren van de moedertaal een sterke invloed op de structuur en functie van vele hersensystemen. We hebben allemaal een bepaalde mate van spiritualiteit, dat is de ontvankelijkheid voor religie, die voor 50 procent genetisch is bepaald. Na de geboorte wordt onze spiritualiteit door de lokale religie ingeprogrammeerd.
Alle ontwikkelingseffecten hebben een kritische periode waarin ze een plaats moeten vinden. Daarna liggen ze verankerd in de structuur van de hersenen. De bouw van onze hersenen die tijdens de ontwikkeling tot stand is gekomen, bepaalt hun functie voor de rest van ons leven: wij zijn ons brein. Wij zijn dus niet vrij om te veranderen van genderidentiteit, seksuele oriëntatie, het niveau van onze agressie, van karakter, religie of moedertaal, en experimenten betreffende de ‘Vrije Wil’ laten zien dat de beslissingen die we wél kunnen nemen ook al niet vrij zijn. Mijn conclusie is dat juist omdat de vrije wil slechts een illusie is, we vrijheid nodig hebben. We kunnen slechts plezierig leven als we de vrijheid krijgen ons sociale leven aan te passen aan de wijze waarop ons brein zich heeft ontwikkeld, dat wil zeggen als hetero-, homo- of biseksueel, man, vrouw of transseksueel – in al hun variaties. De belangstelling voor en de optimale uitvoering van ieder beroep, of dit nu boekhouder, ceo, musicus, verpleger, wetenschapper is of kapper, vraagt ook om een bepaalde structuur van ons brein. Tevens moet er voor de pechvogels met een laag IQ plaats zijn in simpele baantjes. De vrijheid van een individu kan echter alleen zo ver gaan als er geen belangrijke schade wordt toegebracht aan anderen in de samenleving. Voortbordurend op Spinoza zou ik willen stellen dat het de plicht van de staat/de politiek is om die vrijheid voor ieder individu te garanderen.’
Een in prachtig proza gedrenkt werk heb ik voor u dat een indringend beeld aanreikt over een aan den lijve, want autobiografisch ervaren verleden. Het aan Shakespeare ontleende motto voorin ‘And meet the time as it seeks us’ komt helemaal tot leven. Ik heb het over het 432 bladzijden tellende De wereld van gisteren van Stefan Zweig en van uitgeverij De Arbeiderspers met de ondertitel ‘Herinneringen van een Europeaan’ en met op de cover ‘Privé-domein’. Het laatste item zegt u hopelijk genoeg want met grote regelmaat mocht ik bij u edities uit die reeks introduceren in onze Cultuurmix. Als u ik de namen noem van Maarten ’t Hart, Atte Jongstra, Arthur Japin, Rosita Steenbeek, Koos van Zomeren, Ronald Giphart, Boudewijn Büch, Rogi Wieg, Jeroen Brouwers, Louis Paul Boon, Willem Kloos, dan heb ik het over uitgaven die u naar eigen zeggen goed deden. En dan heb ik het nog niet over schrijvers van over de grens! Als nummer 168 in Privé-domein verscheen De wereld van gisteren van Stefan Zweig en in 2011 was daar de herdruk waarover ik het me u had. Om niet in herhalingen te vervallen ga ik het gezegde van vier jaar terug. Als u maar weet dat het magistraal meeslepende boek er is, dat is mijn optie. Toch wil ik u in de stemming brengen en geef ik u de tekst van de site Stefan Zweig, die van de uitgever op de omslag en de titels van de zeventien hoofdstukken. Met de belofte aan u dat wij de komende weken een tocht erdoorheen maken.
De cover: Op 22 februari 1942 pleegde de Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig samen met zijn vrouw zelfmoord in Brazilië. Als emigrant op de vlucht voor het naziregime had hij daar kort voor zijn dood zijn herinneringen opgetekend aan een wereld die naar hij vreesde op het punt stond te verdwijnen. De in 1944 postuum verschenen autobiografie biedt een indrukwekkend beeld van het oude Europa waarmee Zweig zich als (geassimileerde) jood, geëngageerd schrijver en humanist sterk verbonden voelde. Op zijn veelvuldige reizen naar Europese metropolen kwam hij in contact met vele invloedrijke intellectuelen en kunstenaars van zijn tijd, zoals Romain Rolland, Maxim Gorki en Einstein. Ook schetst hij een weergaloos, intiem beeld van zijn geboortestad Wenen, dat rond de eeuwwisseling als het onaantastbare centrum van de moderne Europese cultuur gold, met bekende schrijvers als Arthur Schnitzler en Hugo von Hofmannsthal, musici als Gustav Mahler en Arnold Schönberg, en ‘de outsider’ Sigmund Freud. In dat supranationale Wenen werd Zweigs ijveren voor een verenigd Europa geboren.
De titels van de chapiters: Voorwoord, De wereld der zekerheid, De school in de vorige eeuw, Eros Matutinus, Universitas vitae, Parijs, de stad van de eeuwige jeugd, Omwegen op de weg naar mijzelf, Boven Europa uit, Schittering en schaduw over Europa, De eerste uren van de oorlog van 1914, De strijd om de geestelijke broederschap, In het hart van Europa. Terug in Oostenrijk, Nogmaals de wereld in, Zonsondergang, Incipit Hitler, De doodsstrijd van de vrede. De volgende keer maken wij vooral halt en front in ‘Incipit Hitler’(incipit staat voor ‘het begint’. De site: ‘Stefan Zweig werd in een welgestelde joodse familie geboren. De familie was niet religieus en Stefan Zweig noemde zich later een "jood door toeval". Al tijdens zijn studie gaf hij gedichten uit die de invloed van Rainer Maria Rilke en Hugo von Hofmannsthal laten zien. In 1904 verscheen zijn eerste novelle, een genre waarmee hij zijn grootste roem zou krijgen. Stefan Zweig meldde zich bij het begin van de Eerste Wereldoorlog vrijwillig bij de oorlogspers. Het verloop van de oorlog maakte hem echter steeds meer een oorlogstegenstander, wat nog eens versterkt werd door de invloed van zijn vriend, de Franse pacifist Romain Rolland. In 1917 werd Zweig van zijn dienst bij de oorlogspers vrijgesteld, en later helemaal ontslagen. Hij verhuisde naar Zürich, in het neutrale Zwitserland, werkte er als correspondent voor de Weense Neue Freie Presse en publiceerde ook in de Hongaarse Duitstalige krant Prester Lloyd. Deze bezigheden gebruikte hij om o.a. zijn partijloze mening te uiten.
Na het einde van de Eerste Wereldoorlog keerde Zweig terug naar Oostenrijk en woonde in Salzburg. Het uiteenvallen van het Habsburgse rijk in 1918 was voor hem een verbijsterende ervaring. Zo schreef hij later: ‘Vandaag, nu het grote noodweer haar allang verwoest heeft, weten we eindelijk dat die wereld van zekerheid een luchtkasteel is geweest. Maar toch, mijn ouders hebben erin gewoond als in een huis van steen’. In 1920 trouwde hij met Friderike von Winternitz. Als geëngageerde intellectueel trad Zweig tegen het nationalisme en revanchisme op en bracht hij zijn idee van een geestelijk verenigd Europa naar voren. Hij schreef veel in zijn Salzburger tijd: verhalen, drama's, novellen en historische romans. In de jaren twintig gold Zweig als een van de meest succesvolle Duitstalige schrijvers, op een zeker moment in elk geval de best verkopende. De historische momentopname Sternstunden der Menschheit uit 1927 haalde bij verschijning recordoplagen en geldt nog steeds als zijn meest succesvolle boek.
Nadat de Nationaalsocialisten in 1933 in Duitsland de macht hadden gegrepen en ook hun invloed in Oostenrijk voelbaar werd, emigreerde Stefan Zweig naar Londen. Bij zijn uitgever in Leipzig mocht Zweig niet meer publiceren. Hij vond echter nog een uitgever in Wenen. In 1936 werden Zweigs boeken in Duitsland verboden en belandden ze tijdens openbare boekverbrandingen zelfs op de brandstapel. Zijn huwelijk werd in 1938 ontbonden; in 1939 hertrouwde hij met Charlotte Altmann. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog nam hij de Engelse nationaliteit aan. Hij verliet Londen en kwam via New York, Argentinië en Paraguay in 1940 in Brazilië terecht. Samen met zijn tweede vrouw koos Zweig op 22 februari 1942 ervoor om vrijwillig een einde te maken aan hun leven. Of zoals hij zelf schreef: ‘aus freiem Willen und mit klaren Sinnen’ vanwege zijn treurigheid over de vernietiging van zijn "geistige Heimat Europa". Zweig besefte dat hij, ook bij een eventuele overwinning op Hitler-Duitsland, vertegenwoordiger van een voorbije wereld zou zijn (Die Welt von Gestern, titel van zijn laatste boek), en hij wenste dit niet bewaarheid te zien worden. Die Welt von Gestern, de kort voor zijn zelfmoord geschreven autobiografie van Stefan Zweig, wordt vandaag de dag gezien als een van de meest treffende en best geschreven tijdsbeelden van de periode 1900-1940.Met grote vanzelfsprekendheid reisde en werkte Stefan Zweig op zijn geboortegrond in het Habsburgse rijk en in Frankrijk, Nederland, Zwitserland, België, Italië, Duitsland en Groot-Brittannië. Voor hem was Europa één samenhangend cultuurgebied waar hij vrij toegang tot had. Hierbij moet opgemerkt worden dat hij in een goed daglicht stond door zijn betrokkenheid bij de Europese kunstenaarselite en de ruime financiële middelen waarover hij beschikte.’
Een fenomenaal kijk- en leesalbum heb ik voor u, want het is een lust voor het oog en een streling van het gemoed. Het gaat om het 144 grote bladzijden tellende, doorlopend geïllustreerde Carthago onder redactie van Roald Docter, Ridha Boussoffara en Pieter ter Keurs en van Walburgpers met de ondertitel ‘Opkomst en ondergang’. De harde cover voorzijde zet meteen de toon: een kleurrijke afbeelding van de godin met een leeuwenhoofd Thinisstut uit de eerste eeuw voor Christus. Op de achterzijde staat zij ook, maar dan in gezelschap van andere iconen. In mijn jaren van scholier aan de Eerste Christelijke HBS in Rotterdam mocht ik het genoegen hebben het vak geschiedenis aangereikt te krijgen door leraren die de kunst van vertellen verstonden. Zo herinner ik mij bijna aan de lijve hoe docenten als Verseput, Van Alkemade en Kouwenhoven ons in de tijd terugplaatsten door in bloemrijke taal het gepasseerde verleden op te roepen. Ik noem in deze één voorbeeld: de laatste van de drie heren verwoordde met verve het doen en laten van Hannibal, de generaal uit de oudheid in Carthago op dat andere continent. Een van de facetten van lezen van werken uit het non-fictieve genre is dat het geheugen opgefrist wordt. Natuurlijk is er veel van het door de jaren heen aan mij geboden kennis in het vergeetboek geraakt, maar ik vind het altijd verheugend te traceren hoe veel er toch in de krochten van de herinnering is blijven hangen. Anders en relevanter gezegd: wat leraar Kouwenhoven aan het Henegouwerplein ons leerlingen aanbood over de items Hannibal en Carthago komt door het album Carthago weer boven.
Ik start mijn introductie met de tekst van de uitgever op de omslag: ‘Carthago is vooral bekend als de stad die in 146 v. Chr. vernietigd werd door de Romeinen. Dit boek laat zien dat er meer te melden is over deze fascinerende stad die eeuwenlang het centrum was van een uitgebreid handelsnetwerk in het Mediterrane gebied. Van oorsprong Fenicische migranten vestigden zich waarschijnlijk in de 9e eeuw v. Chr. in het noorden van het huidige Tunesië. De strategische ligging van de stad was van groot belang, want zowel de handel over zee als de handel met het Afrikaanse achterland kon van hieruit gedomineerd worden. In dit boek komen de nieuwste inzichten aan bod over de Carthaagse samenleving, handel, sociale organisatie en politiek. Een keur van specialisten beschrijft de oorsprong van Carthago, de handels- en de oorlogsvloot en de vernietigende oorlogen met Rome. Natuurlijk wordt ook de beroemde tocht die de Carthaagse veldheer Hannibal over de Alpen maakte besproken. Hannibal bedreigde met zijn olifanten Rome, maar wist uiteindelijk geen beslissing te forceren. Tunesische specialisten beschrijven het door Keizer Augustus herbouwde Romeinse Carthago en staan stil bij de latere christelijke periode. Tenslotte vindt de lezer veel informatie over de Europese beeldvorming over Carthago, van 16e eeuwse prenten tot aan de stripverhalen van Alex.’ U hebt zojuist in a nutshell de rijke inhoud van het album Carthago tot u genomen.
Om het thema ervan met andere woorden te scheten geef ik u een tekst uit Leiden want daar is in het Rijksmuseum voor Oudheden de expositie Carthago! Ik citeer de site: In deze grote tentoonstelling over Carthago maakt u kennis met de archeologische rijkdom en roemruchte geschiedenis van een van de spraakmakendste havensteden uit de oudheid. U ziet meer dan driehonderd voorwerpen, met vele topstukken uit de collecties van gerenommeerde internationale musea. Tijdens de looptijd van deze tentoonstelling (27 november 2014 t/m 10 mei 2015) geldt voor de museumentree een toeslag van € 2,50 (vanaf 18 jaar). t/m 7 mei 2015 is het museum EXTRA open op donderdagavond van 17.00 tot 21.00 uur, incl. gratis introductielezing (19.00 uur). Carthago: derde stad van het Romeinse rijk. Carthago werd rond de negende eeuw v.Chr. gesticht door de Feniciërs. Na de verovering door de Romeinen groeide de plaats zo'n tweeduizend jaar geleden uit tot derde stad van het Romeinse rijk, na Rome en Alexandrië. Carthago lag aan de kust van het huidige Tunesië. Het was eeuwenlang een van de spraakmakendste handels- en havensteden van de oudheid. Topstukken uit Tunesië, Louvre, British Museum Nooit eerder was in Nederland een grote tentoonstelling over Carthago te zien. De komst van vele topstukken uit o.a. Tunesische musea, het Louvre en het British Museum maken een grote overzichtstentoonstelling mogelijk. De voorwerpen worden gepresenteerd in een mediterraan decor van de antieke haven en de stadsruïnes. Die zijn nog altijd te zien aan de Tunesische kust.
Bijzondere voorwerpen en beroemdheden uit de oudheid Blikvangers in de tentoonstelling zijn onder andere kleurrijke mozaïeken, marmeren en bronzen sculpturen, grafmonumenten, juwelen, glaswerk en de opgedoken kostbaarheden uit een scheepswrak. In de expositiezalen wordt de fascinerende en veelbewogen geschiedenis van de stad verbeeld door historische en mythische Carthagers, koningin Dido, de Trojaanse held Aeneas, krijgsheer Hannibal, keizer Augustus en kerkvader Augustinus. Hun verhalen beginnen bij de stichting van Carthago in de negende eeuw v.Chr., gevolgd door de verwoesting en wederopbouw door de Romeinen. Vanaf de zevende eeuw na Chr. raakte de stad langzaam in de vergetelheid. Pas in de vroege negentiende eeuw werden Carthago's ruïnes herontdekt.’
Om u in het plaatje te brengen van Carthago en Hannibal pluk ik van Wikipdia. ‘Carthago was een belangrijke Fenicische handelsstad in Noord-Afrika. In de oudheid was Carthago de hoofdstad van het Carthaagse Rijk, waarvan de inwoners door de Romeinen Puniërs werden genoemd. In de 3e eeuw v.Chr. was het Carthaagse Rijk de grootste rivaal van het Romeinse Rijk. Nadat Carthago in de Punische oorlogen door de Romeinen was verslagen werd het Carthaagse Rijk als provincie Africa onderdeel van het Romeinse Rijk. Carthago werd door de Romeinen in 146 v.Chr. geheel verwoest, maar in 44 v.Chr. werd de stad door diezelfde Romeinen weer opgebouwd en groeide ze uit tot de derde stad in het Romeinse Rijk van de eerste eeuwen na Christus (na Rome zelf en Alexandrië). De resten van het oude Carthago liggen ongeveer 10 km ten oosten van het huidige Tunis, de hoofdstad van Tunesië .’ En: ‘Hannibal Barkas (247 v.Chr. -183 v.Chr.) was een Carthaagse generaal. Hij was de zoon van Hamilcar Barkas eveneens een Carthaags legeraanvoerder. Hannibal is bekend geworden als briljant generaal en grote tegenstander van de Romeinen in de Tweede Punische Oorlog. Zijn geniale tactiek leverde hem de bewondering op van vele latere legeraanvoerders zoals Napoleon, de hertog van Wellington en generaal H. Norman Schwarzkopf de Amerikaanse bevelhebber tijdens de Golfoorlog van 1991. Tijdens de Tweede Punische Oorlog trok hij met zijn leger vanuit Iberia naar Italië over de Pyreneeën, de Rhône en de Alpen. In Italië behaalde hij veel overwinningen, maar kon of wilde Rome zelf niet belegeren. Na 16 jaar omzwervingen in Zuid-Italië werd hij onverrichter zake teruggeroepen naar Carthago, waar de Romeinen inmiddels een acute bedreiging vormden, en werd in de Slag bij Zama Regia verslagen. Na de oorlog was Hannibal korte tijd als burgerlijk bestuurder werkzaam in Carthago. Omdat Rome zijn uitlevering verlangde, moest hij vluchten naar Syrië en later naar Bithynië. Hij heeft nog vele jaren als rebel gevochten tegen de Romeinen, en collaboreerde met iedereen die Rome als zijn vijand zag. Uiteindelijk, op redelijk hoge leeftijd (+/- 60 jaar) kwam hem ter ore dat Rome op de hoogte was van zijn vaste verblijfplaats. Liever dan terecht worden gesteld door zijn aartsvijanden, maakte Hannibal door middel van gif een eind aan zijn leven.’
U zult het met mij geheel eens zijn wanneer ik uitroep: wij kunnen Carthago niet ongelezen en ongezien (!) laten. Vandaar dat ik de zeventien titels uit het werk geef: Carthago: Mythe en werkelijkheid, Phoenicia: Van doorgeefluik tot handelsmacht, Het Punische Carthago. Het Punische schriftsysteem, De ‘tophet’ van Carthago, Egypte in Carthago, De zeemacht Carthago, Carthago en de Libisch-Numidische plaatselijke bevolking, De Punische Oorlogen, Het schip bij Mahdia, Romeins-Carthago: Geschiedenis en monumenten, Christelijk Carthago: Het christelijke Carthago, Dido en Hannibal gezien door westerse ogen, Buitenlanders op een vreemde kust: De herontdekking van Carthago, Carthago in de spiegel van de 19e-eeuwse kunst, Carthago in de 20e - en 21e-eeuwse verbeelding: Films, stripverhalen en gezelschapsspelen, Carthago en wij: Een tijdloze boodschap. Als wij een andere keer een tocht maken door Carthago zullen wij als pleisterplaatsen hanteren de pagina’s die over Hannibal verhalen. Door het hele boek heen volgens de Index achterin!
Een meeslepend en oogstrelend kijk- en leesalbum heb ik voor u, want zo tintelend en horizonverleggend is de tekst en zo mooi en relevant zijn de beelden. Een plaatje van een boek, zeg ik. Ik heb het over het 144 grote bladzijden tellende, doorlopend geïllustreerde Spinoza’s achtbaan van Erik Bindervoet & Saskia Pfaeltzer en van uitgeverij Wereldbibliotheek. Op de wikkel maakt Bindervoet (1962) zijn opwachting; schrijver, tekenaar, dichter en vertaler en Pfaeltzer (1955) met: beeldend kunstenaar met een internationale reputatie. Ik zeg het maar meteen: in het machtige en majestueuze Spinoza’s achtbaan geven Erik en Saskia hun visitekaart met verve af. Zij slagen er naar mijn idee in de volgens velen bekendste en grootste wijsgeer, die het licht zag tussen 1632 en 1677, onder ons mensen van nu te brengen. En dan zo dat Spinoza opnieuw tot ons gaat spreken, met de kennis die onze voorouders en wij sinds die decennia uit de Gouden Eeuw opgedaan hebben. Anders gezegd: de boodschap van Spinoza wordt actueel, dus weer in praktijk gebracht. Bindervoet trekt ons het doen en laten, het gedachtegoed van Spinoza in via vier hoofdstukken. Ze dragen de titels van ‘Van horen zeggen’, ‘Flarden van Onvolledige kennis en Inadequate ideeën – via de zintuigen’, ‘Het wezen van de zaak uit iets anders afgeleid – Spinoza’s leven zoals naverteld door Janus Dullemondt’ en van ‘Janus Dullemondts eigen kleine Ethica’.
Bindervoet gaat virtueel de straat op om te vragen wat de passanten weten van Spinoza (1); wat er van hem over is en wat de concrete sporen van Spinoza anno nu zijn (2); de wiskundeleraar Dullemondt verhaalt het leven van Spinoza en zegt meteen dat hij zijn levensmotto, doe goed en wees blij, aan zijn grote hobby Spinoza ontleend heeft, hij graag met Spinoza in een achtbaan gezeten had en hij net als Spinoza geboren is als een schakeltje in een eindeloze keten van oorzaken en gevolgen die ook maar weer oorzaken en gevolgen zijn van oude en nieuwe oorzaken en gevolgen als een slang die in z’n eigen staart bijt. Spinoza wilde leven als een slang die aan het eind van het jaar zijn staart in de mond heeft (3); wat Dullemondt ervan begrepen heeft (4).
Bij het introduceren bij u van literatuur en lectuur laat ik mij het liefst leiden door passages uit mijn eigen leven. Zo wandelden mijn echtgenote en ik in het spoor van zoon Time, diens vrouw Bonnie en zoon Guus door Voorburg waar de drie sinds kort aan de Rode Laan hun stek hebben gevonden. Wij hielden in het park ’t Loo tegenover de Spinozaflat halt en front voor het standbeeld van de filosoof die in 1663 na een conflict met de Joodse gemeente in Amsterdam daar was komen wonen. Even later tippelden wij vijven door de Kerkstraat waar Spinoza in huis De Poort naarstig werkte aan zijn levenswerk ‘Ethica’ waarin hij zijn filosofie samenvatte. Ik vertelde ondertussen over het door vele recescenten en mij met loftuitingen onthaalde Het noodlot van een ketter van mijn oud-leerling Bart Leeuwenburgh. Het boek over de gedreven vrijdenker Adriaan Koerbagh (1633-1669), die in de ogen van zijn tijdgenoten nog radicaler in zijn opvattingen was dan Spinoza, zet uiteen waarom hij tot tien jaar opsluiting in het rasphuis veroordeeld was. Ik memoreerde ook tegenover mijn wandelgenoten hoe ik in 2013 met veel interesse tot mij genomen had het persoonlijke document Wat is God? van Ton de Kok met als ondertitel ‘Filosofen & schrijvers op zoek’.
Bij mijn presentatie aan u over de bestaansworsteling van bijna veertig denkers en auteurs zei ik dat ik vooral in de ban was geraakt van het chapiter ‘Baruch Spinoza’ dat begint met een citaat uit een banvloek over de man. ‘Een aarts atheïst; de belangrijkste, schandelijkste en gevaarlijkste.’ Als uitsmijter had ik het met de familie over de achtbaan die vooral in attractiepark de Efteling ons zo in de ban had. De opzet bij deze constructie was oorspronkelijk een weg of spoor in de vorm van het cijfer 8, waarbij op de knoop een brug staat, zodat de ene lus onder de andere kan doorrijden. Het bijzondere van de achtbaan is dat begin en eind in elkaar overlopen en het opmerkelijke is dat door Bindervoet op blz. 107 verteld wordt dat bij het heengaan van Spinoza een enorm staketsel gebouwd wordt dat op een 8baan lijkt. Ik nodig u uit om met mij de komende weken een tocht te maken door Spinoza’s achtbaan. Wij starten dan bij de wikkel om de harde cover waarop een illustratie met schrijver en meisje, die wij terugvinden even verderop met de passage: ‘Spinoza was eens verliefd. Op een meisje van 13, Klaartje. En hij was 25. Dus dat zou nu strafbaar zijn. Maar hij heeft haar niet ontvoerd of zo. En vroeger werden de mensen niet zo oud, dus je moest jonger beginnen. Julia van Romeo van Romeo en Julia was ook nog maar 12 of zoiets. Afijn, het werd zomer en Klaartje ging er uiteindelijk vandoor met een vriend van hem die een parelketting in de aanbieding had. Zo word je wel een kenner van de menselijke harstochten, i.h.b. de vrouwelijke.’ Op de in blauw gehulde cover zien wij een embleem met daarin onder een bloem het Latijnse woord ‘caute’, dat staat voor ‘behoedzaam’, het levensmotto van Spinoza. Ik kan mij voorstellen dat niet bij ieder van u het doen en laten van de wijsgeer Spinoza in het gemoed ligt en daarom geef ik de tekst van wikipedia aan u door.
‘Baruch Spinoza, ofwel Benedictus de Spinoza in het Latijn en Bento de Espinosa of d'Espinosa in het Portugees (Amsterdam,1632 – Den Haag, 1677), was een Nederlands filosoof, wiskundige, politiek denker en lenzenslijper uit de vroege Verlichting van Sefardisch-Joodse afkomst. Hij is de grondlegger van de dubbel-aspecttheorie. Onder de natuurfilosofen is hij een radicaal die de wonderen van Christus ontkende en geen andere verklaring accepteerde dan die gebaseerd op de rede. Hij stelde dat de Bijbelse profeten gewone mensen waren met een uitzonderlijke verbeeldingskracht die niet namens God spraken. Spinoza ontwikkelde een filosofie waarin theologie geen rol speelde en ongeacht welke religie toepasbaar is. Hij stelde dat God en natuur hetzelfde zijn en dat inzicht in de natuur ook de kennis van het goddelijke verhoogt. Zijn boeken waren tweehonderd jaar lang verboden in Europa, omdat zijn historisch Bijbelkritiek zou leiden tot atheïsme en fatalisme. Als politiek denker vond hij dat de macht van de staat nooit aan een enkeling toevertrouwd mocht worden, omdat daar misbruik van gemaakt zou worden. Vanwege zijn grondige kennis van het Hebreeuwse idioom is Spinoza van belang geweest voor de Bijbelwetenschap. Spinoza was een volgeling en criticus van René Descartes en een tijdgenoot van Nicolas Malebranche en Gottfried Wilhelm Leibniz, eveneens rationalisten van de vroege moderne filosofie. Spinoza noemde zichzelf met de voornaam Bento, dat ‘gezegende’ betekent. Ook zijn vrienden spraken hem zo aan. De brieven die bewaard zijn gebleven, alle na 1660, ondertekende hij steevast met Benedictus. Ook het enige werk waar hij zijn naam onder zette, ondertekende hij met Benedictus. Zijn levensmotto was Caute (behoedzaam). Tijdgenoten omschreven Spinoza als een zachtmoedig, rustig en bescheiden mens. Veel van wat over Spinoza's privéleven geschreven is, lijkt verzonnen te zijn om hiaten op te vullen. Desondanks zijn de verhalen vaak verworden tot legendes. Alleen wat vermeld is in de inleiding van zijn ‘Opera Postuma’, in zijn brieven en in officiële documenten is controleerbaar. Aan de rest mag getwijfeld worden.’