09-02-2015

DE OORLOG VAN ISIS

CULTUURMIX 9 FEBRUARI 2015

Een boek dat voor u en mij als geroepen komt heb ik voor mij liggen op de leestafel. Geroepen, omdat het zo actueel, uit de eerste hand, informatief en plaatsbepalend is. Het gaat om het 214 bladzijden tellende, rijk geïllustreerde De oorlog van ISIS van journalist Judit Neurink en van uitgeverij Conserve. Als ik bij mij eerste introductie aan u de tekst op de cover en het Voorwoord aanreik, zult u instemmen met mij als ik voor het boek de epitheta relevant, eigentijds, objectief en subjectief een volgende keer ga hanteren. De net voorbije jaren was een vast item in de media het verschijnsel van ISIS en IS. Deze letterwoorden lieten zich gemakkelijk verklaren want bepalend is daarin de I als aanduiding voor islamitisch. Andere termen uit de berichtgeving uit het Nabije Oosten waren voor mij en wellicht ook u lastiger te verklaren. Kalifaat, kalief, jihad, jihadist, soennieten sjiieten, jezidi’s, de begrippen rolden voorbij en de verklaring was vaak gissen en zoeken. In De oorlog van ISIS reikt Judit Neurink (1957) die in een juiste context aan. Symbolisch in deze is dat zij haar bericht van het front afrondt met de stukken ‘Belangrijke data’ en ‘Woordenlijst’. Daarvoor vertelt zij haar eigen verhaal in elk hoofdstukken met titels als ‘Op zoek naar het paradijs’, ‘De moordmachine’, ‘Opstand in Irak’ en ‘Streep in het zand’. U signaleert meteen dat Judit Neurink op originele wijze de taal hanteert via sprekende typeringen. Uit het integraal citeren van haar Voorwoord zal ook blijken dat zij heel toegankelijk en tintelend haar ervaringen weet te verwoorden.

De uitgever op de flap: ‘Opeens waren ze overal in het nieuws: de radicale strijders van ISIS. Met zwarte vlaggen, hun gezichten verborgen onder sjaals, reden ze in colonne via de tv de huiskamers binnen als het nieuwe, islamitische gevaar. Ze veroverden grote steden in Syrie en Irak en legden de bewoners de strenge islamitische wetgeving op. Ze riepen een eigen islamitische staat uit en probeerden die met moderne wapens die ze onderweg buit maakten uit te breiden. Hele groepen mannen - soldaten en burgers - werden afgeslacht, westerlingen werden ontvoerd en onthoofd, en vrouwen en kinderen buitgemaakt. De vrouwen misbruikt en verhandeld als seksslaven, de kinderen klaargestoomd in ISIS' extreme vorm van de islam. Wat is ISIS eigenlijk - of IS, naar de islamitische staat die ze uitriep? Waar komt de organisatie vandaan, wat wil ze eigenlijk en waarom? Wat maakt deze groep agressieve baardmannen zo aantrekkelijk voor de jonge mannen en zelfs vrouwen die zich naar Syrie en Irak laten lokken? En wat houdt die oorlog van ISIS eigenlijk in?’

Het voorwoord van Judit Neurink: ‘Het duistere kalifaat Iedereen weet hoe ze eruitzien, de strijders van ISIS. Hun zwarte kleding, de bivakmutsen met het Arabische handschrift, de vlag met de geloofsverklaring van alle moslims – we hebben de beelden ervan de afgelopen maanden duizenden keren voorbij zien gaan in het nieuws. In relatief korte tijd wist een groep jihadisten de aandacht van de wereld op zich te vestigen door een eigen staat te vestigen, aanhang in het Westen te rekruteren en grootse plannen te presenteren. Hun staat zou grote delen van het Midden-Oosten moeten beslaan, en de vibraties ervan zouden zich tot diep in het Westen moeten laten voelen. Wie zijn die jihadisten, hoe kwamen ze aan hun ideeën, hoe gaan ze te werk en zijn ze echt zo gevaarlijk als ze de wereld willen doen geloven? Dat waren de belangrijkste vragen die ik mezelf stelde toen in aan het schrijven van dit boek begon. Het eerste probleem waarop ik stuitte was de naam. De groep jihadisten die in Syrië vooral strijd leverde tegen andere verzetsgroepen, noemde zichzelf ISIS, de Islamitische Staat van Irak en Syrië. De Arabische wereld plakte de beginletters van de Arabische naam aan elkaar en kwam tot Daesh. Daarentegen sprak de Amerikaanse overheid over ISIL, waarbij de laatste letter slaat op Levant, de correcte vertaling van het Al-Sham uit de oorspronkelijke, Arabische naam. Toen riep de groep een eigen staat uit, en gaf aan vooral Islamitische Staat genoemd te willen worden. Hoewel die staat nergens erkend is en niet kan bogen op een volksstemming, noch op grote burgerlijke steun, gingen de media gehoorzaam over op alweer een nieuwe naam. In zijn korte bestaan kan de staat van ISIS al bogen op een aantal bijnamen. Allemaal negatief. Het duistere kalifaat. De bandietenstaat, De zwarte staat. Het kalifaat van de waanzinnigen, despoten, gekken. De maffiastaat. Maar er was een genocidale campagne tegen yezidi’s voor nodig om de wereld wakker te schudden en ervan te doordringen dat ook naar het oordeel van de meerderheid van de moslims ISIS de naam islamitische staat misbruikte en bezoedelde. Daarom heb ik gekozen om terug te gaan naar de vorige naam, ISIS. Met kapitalen. We hebben het immers niet over de Egyptische godin Isis. Waar ik woon zijn samenzweringstheorieën erg populair. Irakezen spreken me aan: denk ik dat Amerika achter Daesh zit? Of de CIA? Is ISIS-leider Al-Baghdadi geen Israëlische spion, is hij niet door Israel opgeleid? Ik probeer die mensen ervan te doordringen dat de werkelijkheid  niet alleen ingewikkelder, maar vooral ook interessanter is. 

Dit boek moet daarbij helpen, al zal het nog wel even duren voor alles over ISIS helemaal duidelijker wordt. Ik heb veel bronnen gebruikt; te veel om allemaal op te noemen. Mijn eigen, zoals de verhalen die ik de afgelopen maanden heb gemaakt, maar ook interviews die ik voor het boek hield. En daarnaast baseerde ik me op een aantal boeken die over ISIS en Al-Qaida zijn gepubliceerd, en op artikelen en programma’s die over het nieuws en de achtergronden zijn gemaakt. Om de leesbaarheid te bevorderen, zijn niet al die bronnen in de tekst weergegeven. Dit is nog geen afgerond verhaal. Bij het ter perse gaan van dit boek was ISIS nog op vele fronten actief en allerminst verslagen. Dit boek kan dan ook niet meer zijn dan een beeld van de opkomst en groei van een gewelddadige groep onder de vlag van de islam. Wordt vervolgd.’ Dat ‘wordt vervolgd’ gaat ook voor mij op want de volgende keer verkennen wij hier het relaas van Neurink. Uitgeverij Conserve heeft weer een parel in haar snoer geregen. Uit haar Voorjaarsbrochure blijkt dat er nog meer juwelen van boeken volgen. Ik houd u op de hoogte!  

 

VEERTIG JAAR PSYCHIATRIE

Een persoonlijk bericht uit het werkveld van een gerenommeerd psychiater heb ik voor u dat ons bepaalt bij de spanningen die zijn werk eigen zijn. Het gaat om het 290 bladzijden tellende Veertig jaar psychiatrie van Jan Pols en uitgeverij De Tijdstroom met de ondertitel ‘Een dynamisch doolhof’, die het spanningsveld goed verwoordt. De psychiater Pols ziet om in verwondering en verbazing naar zijn immer in beweging zijnde professie  waarin de uitdaging is de juiste weg te vinden. Een jaar geleden had ik het met u over ‘DSM’ van Peter de Wit. Ik zei toen o.a.: ‘Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (kortweg DSM) is een Amerikaans handboek voor diagnose en statistiek van psychische aandoeningen, dat in de meeste landen als standaard en leidraad in de psychiatrische diagnostiek dient. Voorbije mei 2013 was er de vijfde editie, de DSM-5. De wetenschappelijke publicatie was noodzakelijk geworden om een einde te maken aan de zeer grote internationale spraakverwarring in de literatuur over psychische aandoeningen. Termen als ‘depressie’ of ‘psychose’ werden door verschillende auteurs heel anders ingevuld en waren vaak ook nationaal gekleurd. Zo kon met de DSM veel meer eenheid gebracht worden in diagnosen: het was nodig om alle symptomen duidelijk te omschrijven, en precies te definiëren welke symptomen kunnen voorkomen bij een ziektebeeld, en hoeveel symptomen aanwezig dienen te zijn, voordat er gesproken kan worden van een bepaald syndroom of ziektebeeld bij een patiënt.

De DSM wordt gebruikt om in enkele woorden en op overzichtelijke wijze duidelijk te maken waar de problematiek van de patiënt over gaat, met als doel een passende behandeling te kunnen geven. Vooral in de huidige maatschappij met de vaak wisselende zorgverleners is het wenselijk om in één oogopslag de basisproblematiek te overzien. Maar er is ook kritiek: Het gebruik van DSM- categorieën (hokjes) kan echter leiden tot een beschrijving van het ziektebeeld die tekortdoet aan de complexiteit ervan. Dit heeft als risico dat de behandeling tevens tekortschiet, aangezien deze is gebaseerd op een te eenvoudig idee over de patiënt en zijn ziektebeeld. Desondanks is een behandeling van patiënten die slechts weinig criteria scoren voor een bepaalde DSM- ziektecategorie toch vaak effectief, wanneer deze behandeling specifiek is gericht op de gehele ziektecategorie. Behandeling volgens DSM-criteria is dus niet verkeerd , maar die zou kunnen worden aangescherpt een meer genuanceerde indeling van psychiatrische ziektebeelden te gebruiken. De DSM-5 bevat een dimensionale indeling van persoonlijkheidsstoornissen, bevatten, voor stoornissen zoals depressies en psychotische stoornissen wordt nog steeds een categoriale indeling  verwacht. Ik zie het zo: de psychische hulpverleners willen hun diagnose, hun veronderstelling  concretiseren door een etiket, een label aan hun patiënt te hechten.’ Ik stel u voor dat wij een volgende keer het hoofdstuk ‘De DSM’ van de kenner bij uitstek Pols naast het zojuist door mij gezegde leggen. 

Om u dit heel toegankelijke werkverslag in te praten geef ik u de tekst van de omslag. De uitgever: ‘In dit boek vertelt Jan Pols over de ervaringen die hij opdeed in de ruim veertig jaar dat hij psychiater was, vanaf het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw. Een geschiedschrijving van binnenuit en een reflectie op wat er in de psychiatrie plaatsvond. Veertig jaar psychiatrie is een kritische beschouwing over de psychiatrie als praktijk, als wetenschap en als professie in deze jaren. Met dit boek wil Pols de belangstelling vergroten voor de bewogen geschiedenis van de psychiatrie en daardoor ook de kritische blik op de actualiteit aanscherpen. In talrijke praktijkvoorbeelden wordt verhelderd hoe alle veranderingen hebben doorgewerkt in de behandeling van patiënten. Het boek is geschreven voor iedere geïnteresseerde lezer en vooral voor alle professionals die in de ggz werkzaam zijn.’ Vervolgens de reacties van collega’s op Veertig jaar psychiatrie’. 'De auteur doet op inspirerende wijze verslag van de psychiatrie in de woelige periode van 1960 tot aan het begin van deze eeuw. Hij beschrijft op meeslepende wijze zijn 40-jarige carrière in de psychiatrie waarin hij onder andere als A-opleider een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de vorming van een nieuwe generatie psychiaters. Het boek leest als een spannende roman. 

'Dr. Max Wiznitzer, forensisch kinder- en jeugdpsychiater: 'Het persoonlijke verhaal van Jan Pols over zijn loopbaan biedt een uniek inzicht in de wijze waarop een psychiater in het spanningsveld tussen medisch en menselijk steeds op zoek is naar de voor de patiënt gunstigste combinatie van nieuwe opvattingen en praktijken enerzijds en oude inzichten en persoonlijke ervaringen anderzijds.' Prof.dr. Paul Schnabel, socioloog: 'Als de psychiater met Jan Pols terugkijkt op 40 jaar bewogen geschiedenis van de psychiatrie zal hij beseffen dat zijn medische achtergrond ontoereikend is om alle ingrijpende veranderingen te begrijpen. De psychiatrie is een brandpunt van maatschappelijke, politieke, juridische, ethische, zorginhoudelijke en wetenschappelijke ontwikkelingen. In dit boek wordt dat vanuit een persoonlijke visie glashelder verteld. Wil de psychiater (in opleiding) voorbereid zijn op een toekomst waarin de psychiatrie voortdurend verandert, dan is dit boek een must. Boeiend geschreven, fascinerend en verontrustend!' Dr. Frits Milders, psychiater: 'Dit is een intimate history: we krijgen inzicht in de ervaringen en overwegingen van een psychiater die ruim 40 jaar zeer actief was en alle ontwikkelingen in de zorg en in zijn vak op de voet volgde. Als er van de geschiedenis geleerd moet worden is dit een ideaal boek: de auteur gaat de lezer daarin voor. Hier is iemand aan het woord die weet waar hij over spreekt en schrijft en die daarmee ook een boodschap heeft voor de huidige generatie ggz-zorgverleners (en niet alleen de psychiaters!). Dr. Eite Veening, filosoof. 

Om u de diversiteit ervan te illustreren geef ik de inhoud van Pols boek: 
Voorwoord Paul Schnabel Inleiding 1 Het Rijksasiel in Avereest,1961-1963, 2 De stage inrichtingspsychiatrie, 1963-1964, 3 De opleiding in Groningen, 1964-1968, 4 Poliklinisch werken in APZ: opbouw en organisatie, 1968-1`992, 5 Poliklinisch werken in een APZ; diagnostiek en behandeling 1968-1992, 6 Werken als opleider, vanaf 1974 7 Kritische psychiatrie, 1960-ca.1980, 8 De DSM, 9 Verwetenschappelijking, biologie en empirie, 10 Psychiatrie en dwang, 11 De invloed van de overheid, 12 Een veranderende psychiatrie                Om het steeds veranderende labyrint van de psychiatrie te illustreren geef ik een DSM-tekst van wikipedia: ‘Iedere vorm van rationele geneeskunde kan pas beginnen als er een methode bestaat om patiënten met soortgelijke aandoeningen te groeperen onder een diagnose. Pas dan wordt het mogelijk bij mensen met dezelfde diagnose behandelingen in te stellen en systematisch te evalueren hoe goed die werken. Hieraan heeft het heel lang geschort in de psychiatrie. Pas door psychiaters als Emil Kraepelin en later Eugen Bleuler werden pogingen ondernomen om een systematiek van psychiatrische diagnosen te ontwerpen. Traditioneel had iedere psychiater zijn eigen methode om diagnosen te stellen en die methoden verschilden ook sterk tussen landen en tussen scholen in de psychiatrie. De diagnose 'schizofrenie' betekende in Europa bijvoorbeeld iets heel anders dan in de Verenigde Staten. Hierdoor werd het zeer moeilijk om te bepalen of een behandeling in de ene kliniek ook zinvol kon zijn in een andere, omdat in die kliniek misschien wel een heel andere groep mensen werd begrepen onder die diagnose. Om aan deze spraakverwarring een halt toe te roepen is het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM) in het leven geroepen. De actuele versie is het DSM-5, dat in 2013 gereed kwam en op sommige gebieden grote verschillen vertoont met de vierde editie. DSM-5 verscheen in 2014 in het Nederlands. 

In het DSM worden alle diagnosen operationeel gedefinieerd, dat wil zeggen dat iemand die met de patiënt praat en het boekje in de hand heeft (of in het hoofd) in het ideale geval van iedere diagnose kan zeggen of deze gesteld kan worden of niet, en dat onderzoek door verschillende artsen bij dezelfde patiënt ook inderdaad tot dezelfde diagnose leidt. Dit is een ideaal dat nooit kan worden bereikt, omdat ook vrijwel alle psychiatrische symptomen in verschillende graad kunnen voorkomen, van normaal tot duidelijk pathologisch. Wanneer is iemand ziekelijk jaloers, of ziekelijk somber? De beoordeling of een individueel symptoom bij iemand aanwezig is kan dus ook tussen verschillende waarnemers variëren. Er staan veel lijstjes van symptomen in het DSM, waarbij de patiënt er dan vaak enkele beslist moet hebben voor de diagnose kan worden gesteld terwijl er meestal een aantal nevensymptomen bij staan die de diagnose verder kunnen ondersteunen. Het DSM pretendeert niet de oorzaak van de beschreven beelden te weten; het is puur een poging om te bevorderen dat patiënten met vergelijkbare symptomen ook een vergelijkbare diagnose krijgen, zodat ze behandeld kunnen worden met methoden die bij een vergelijkbare groep mensen onderzocht zijn en die daarbij werkten. Het DSM is een nomenclatuur. Het DSM maakt daarnaast gebruik van een meer-assige diagnose om de situatie van de patiënt zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven. Er wordt niet alleen naar het actuele probleem gekeken, maar ook naar de persoonlijkheidsstructuur, factoren in de omgeving, lichamelijke ziekten en de lijdenslast die de situatie meebrengt. Het DSM is dus een beschrijvende lijst van psychische stoornissen, bijvoorbeeld depressie, neurose, psychose, aboulie, OCD, schizofrenie, persoonlijkheidsstoornissen enz., zoals die onder andere in de Westerse wereld voorkomen en onderzocht zijn. (In landen met niet-westerse culturen komen soms verschijnselen voor die in westerse ogen psychiatrisch van aard zijn maar binnen die cultuur in een ander kader geplaatst worden, zoals bijvoorbeeld het geloof in winti in Suriname). Het DSM wordt geregeld (ongeveer om de tien jaar) herzien als de inzichten over welke eigenschappen kenmerkend zijn voor een bepaald beeld veranderen. Dit moet natuurlijk niet al te vaak gebeuren omdat er geen wetenschappelijk onderzoek opgezet kan worden op basis van een diagnose als die diagnose in de tussentijd steeds verandert.’ ISBN 9789058982667.

HEINRICH HIMMLER PRIVE


HEINRICH HIMMLER PRIVE 

Dat een naziebeul tot liefkozende, beminnelijke, zorgzame, kleinburgerlijke, idyllische, alledaagse  epistels in staat was bewijst een bundel brieven tussen hem en zijn eega. Het gaat om het 352 bladzijden tellende, van fotokatern voorziene Heinrich Himmler privé  van Katrin Himmler en Michael Wildt en van uitgeverij Atlas Contact met de ondertitel ‘Brieven aan zijn vrouw 1927-1945’. Dat een massamoordenaar tot minzame, vriendelijke, humane, gewone contacten in staat is toont deze bundel. Ik haast mij te zeggen dat deze collectie van geschreven en bewaard gebleven  brieven niet ‘wereldvreemd’ wordt aangereikt. Ze worden in de historische context geplaatst en wel zo dat de achtergrond van het doen en laten van het paar Heinrich Himmler en Marga Siegroth minutieus geschetst wordt. Niet dat u begrip voor de intieme briefwisseling gesuggereerd wordt maar eerder verbijstering en verbazing over het leed de Joden aangedaan door wegkijkende Duitsers. De volgende keer citeer ik de aanloop tot de brieven van de vrouw, nu die van de man, Maar eerst de tekst op de omslag.

‘Wanneer Heinrich en Marga Siegroth elkaar in 1927 leren kennen, is hun genegenheid wederzijds. Ze delen een antisemitische overtuiging en de droom van een leven op het platteland. Himmler, als partijfunctionaris vaak met `zijn baas Hitler op reis, adviseert haar van op afstand om `de vlierbes tot moes te verwerken . Marga schrijft trots dat haar huis een ontmoetingsplaats voor nationaalsocialisten is. Terwijl Himmler als hoofd van de Duitse politie de `definitieve oplossing van het Jodenprobleem’ organiseert, stuurt hij zijn 'vrouwtje', dat voor het Rode Kruis door het bezette Polen reist, lieve gevoelens ter gelegenheid van Moederdag . Maar de onschuld van hun brieven verbergt machtsdrift en gebrek aan empathie.’ 

Om de gedachten te bepalen geef ik de inleiding van wikipedia door: ‘Heinrich Luitpold Himmler (München,1900 – Lüneburg, 1945, met een bijnaam ook wel bekend als ‘Reichsheini’ was een Duits nationaalsocialistisch politicus. Hij was tevens de leider van de SS (‘Reichsführer-SS’) en een van de leiders van de NSDAP. Himmler wordt gezien als een van de hoofdverantwoordelijken voor de Holocaust en is daarmee een van de grote oorlogsmisdadigers uit de Tweede Wereldoorlog.’ Nu de entree van het eerste deel ‘Brieven 1927-1928’. 

‘Na lang zoeken vond Heinrich Himmler in de zomer van 1924 eindelijk een baan – bij de illegale NSDAP. De vooraanstaande partijfunctionaris Gregor Strasser, die in Landshut een apotheek bezat, was in mei voor het als nationaalsocialistische mantelorganisatie fungerende Völkischer Block in de Beierse landdag gekozen en in december onder de vlag van de Nationalsozialistische Freiheitsbewegung eveneens in de Rijksdag. Omdat hij niet langer tijd had om de NSDAP in Niederbayern te organiseren, kreeg de jonge Heinrich Himmler de leiding van het partijbureau. Over zijn nieuwe werk schreef hij in augustus 1924 aan een kennis: ‘Ik heb het verschrikkelijk druk, moet immers de organisatie in heel Niederbayern leiden en uitbouwen en wel in elke richting. Tijd voor mijzelf, bijvoorbeeld toekomen aan het tijdig beantwoorden van een brief, daar is geen denken aan. Het organisatiewerk waar ik helemaal zelfstandig leiding aan geef, ligt me goed en de hele zaak zou zonder meer mooi zijn als we de komende zege of de komende vrijheidsstrijd zouden kunnen voorbereiden, maar nu moeten wij, mensen met een volks-nationalistische overtuiging, ons opofferen voor een werk dat in de nabije toekomst nooit zichtbaar vrucht zal dragen, steeds in het bewustzijn dat we de vrucht van dit werk pas over vele jaren zullen oogsten en dat we onze bezigheden van nu op een op dit moment wellicht hopeloze post verrichten.’ 
Maar zo hopeloos was die post niet. In mei had het Völkischer Block in Beieren 17,4 procent van de stemmen behaald, evenveel als de sociaaldemocraten, en ook bij de Rijksdagverkiezingen hadden de rechtsextremisten  een bovengemiddeld percentage kiezers achter zich weten te krijgen. In december 1924 werd Adolf Hitler uit de gevangenis ontslagen en in februari 1925 richtte hij de NSDAP opnieuw op, ook al had hij nog enkele maanden een spreekverbod – in Beieren zelfs tot maart 1927 en in Pruisen tot november 1928. Aan Himmler nu de taak om de ongeveer duizend Niederbayernse nationaalsocialisten die in vijfentwintig plaatselijke afdelingen van de Nationalsozialistische Freiheitsbewegung waren georganiseerd, weer de NSDAP binnen te loodsen, wat gelet op het omzetten van partijboekjes, het innen van contributiegelden enzovoort, geen eenvoudige opgave was. Dat betekende ook dat hij veel in Niederbayern op pad was, er lokale afdelingen bezocht, toespraken hield en ter plekke organisatorische zaken moest regelen. Alleen al tussen november 1925 en mei 1926 sprak hij op zevenentwintig bijeenkomsten in Beieren en op nog eens twintig andere, in Westfalen, Hamburg, Mecklenburg, Sleeswijk-Holstein en elders. In die rusteloze reisactiviteit was hij niet de enige. Ook Joseph Goebbels was in 1925-1926 onvermoeibaar op pad om op tal van plaatsen in het Duitse Rijk toespraken te houden en lokale afdelingen van de NSDAP van de grond te tillen. Zo kwam Goebbels in april 1926 ook naar Beieren. ‘Vanmiddag met Himmler in Landshut,’ noteerde Goebbels op 13 april in zijn dagboek. ‘Himmler: prima kerel, zeer intelligent. Ik mag hem graag.’ 

Op de in juli 1926 in Weimar gehouden Rijkspartijdag van de NSDAP werd Georg Strasser tot Rijkspropagandaleider benoemd en weer maakte Himmler promotie: hij werd plaatsvervangend Rijkspropagandaleider, kwam te werken op het hoofdbureau van de partij in München en werd tevens plaatsvervangend gouwleider van Niederbayern. Was hij tot dan toe vooral verantwoordelijk geweest voor Beieren, nu breidden zijn werkzaamheden zich uit tot heel Duitsland. Omdat Gregor Strasser het vanwege zijn verplichtingen als vooraanstaand partijlid en Rijksdagafgevaardigde heel druk had, kwam het dagelijkse propagandawerk neer op Himmler. Hij zorgde ervoor dat het propagandamateriaal werd verstuurd, onderhield contact met de lokale afdelingen en moest de inzet coördineren van partijsprekers binnen heel Duitsland en met name van de ‘Hitler-bijeenkomsten’. Daarmee was hem binnen het partijapparaat een heel bijzondere rol ten deel gevallen, want zo bepaalde hij welke afdelingen Hitler op bezoek kregen en onderhield hij bovendien nauw contact met Hitler om diens optredens met hem af te stemmen. Hoewel Himmler achteraf wel eens als een kleurloze partijfunctionaris werd afgeschilderd, maakte hij in de praktijk deel uit van het machtscentrum van de NSDAPen beschikte hij over uitstekende contacten met de ‘baas’, zoals Hitler niet enkel in Himmlers brieven werd aangeduid. Op zijn reizen las Himmler onder andere Hitlers boek ‘Mein Kampf’, dat destijds nog in twee delen verscheen: het eerste in 1925 gepubliceerde deel bevatte een politiek gestileerde autobiografie van Hitler; het tweede deel, dat het politieke programma van de nationaalsocialisten schetste, verscheen in 1927. Onmiddellijk nadat het was verschenen had Himmler zich in juli 1925 het eerste deel aangeschaft en was hij kennelijk – zijn handgeschreven aantekeningen in de marge getuigen hiervan – onmiddellijk met lezen begonnen. Vervolgens was hij daar weer mee opgehouden om het, zoals blijkt uit zijn leeslijst, pas in februari 1927 helemaal uit te lezen. ‘Er staan ontstellend veel waarheden in,’ schreef hij. Maar ook: ‘De eerste hoofdstukken over zijn eigen jeugd bevatten veel zwakheden.’ Mogelijk had hij om die reden het boek niet in één ruk uitgelezen. Ook het tweede deel kocht Himmler onmiddellijk na verschijnen. Op 17 december 1927 was hij tot het eind van het derde hoofdstuk gevorderd en op 19 december – hij had inmiddels een dag in Berlijn met Marga doorgebracht – tot het eind van hoofdstuk acht, wat erop wijst dat ook Marga in die dagen mogelijk in ‘Mein Kampf’ heeft zitten lezen. 

Himmler was – afgaand op hetgeen hij markeerde en onderstreepte – vooral geïnteresseerd in Hitlers betogen over ‘volksgezondheid’ en racisme. Hij onderstreepte de zin: ‘De eis dat minderwaardige mensen het voortbrengen van andere minderwaardige mensen onmogelijk wordt gemaakt, is een eis van zeer helder verstand en betekent in zijn systematische uitvoering de meest humane daad aan de mensheid.’In de kantlijn schreef hij ‘Lex Zwickau’. Daarmee verwees Himmler naar het initiatief van de Zwickause arts Gustav Emil Boeters, die in de jaren twintig radicale wetgeving voor gedwongen sterilisatie had geëist. Destijds had Boeters’ initiatief niets opgeleverd, maar de wetgeving die hij wilde zou in juli 1933 wel door het kabinet-Hitler tot stand worden gebracht. Naar aanleiding van Hitlers heftig waarschuwen tegen ‘rassenvermenging’ en het gevaar van ‘mengproducten’ voor ‘mensen van zuiver ras’, schreef Himmler: ‘Er is een mogelijkheid voor ontmenging.’ En Hitlers eis van ‘erkenning van het bloed’, dus van het ‘rassenbeginsel in het algemeen’, ook ‘voor ieder afzonderlijk individu binnen de volksgemeenschap’, dat overeenkomstig zijn ‘raskenmerken’ beoordeeld zou moeten worden, becommentarieerde hij met de vraag: ‘Worden hieruit nog consequenties getrokken?’ 

Himmler onderstreepte ook Hitlers idee dat alle opvoeding en vorming erop gericht zouden moeten zijn om aan elke jonge Duitser ‘de overtuiging te geven absoluut superieur aan anderen te zijn. In zijn lichamelijke kracht en behendigheid moet hij het geloof in de onoverwinnelijkheid van alles wat zijn volk betreft herwinnen.’ In de kantlijn noteerde Himmler: ‘Opvoeding door SS en SA.’ Nog altijd was hij veel op reis, in Beieren maar ook in heel Duitsland. In januari 1927 hield hij vanwege de aanstaande landdagverkiezingen toespraken in Thüringen, in februari in Westfalen, in april in het Roergebied. In mei was hij in Mecklenburg en in Saksen, in juni in Noord-Duitsland, in juli in Wenen. Op een van die reizen leerde hij in september 1927 in de trein op de terugreis van Berchtesgaden naar München Marga Siegroth, geb. Boden, kennen.’ 

BOEKBEELD

Ik nodig u uit om een volgende keer met mij een trip te maken door een werk dat niet alleen een streling van het gemoed maar ook een lust voor het oog is. Op voorwaarde dat u lust hebt in kunstwerken die rijkelijk versierd door vloeiende contourlijnen en door motieven ontleend aan de natuur. Het gaat om het 108 bladzijden tellende, machtig en prachtig geïllustreerde Boekbeeld, een uitgave bij de tot half maart lopende gelijknamige tentoonstelling in Museum Het Schip. Met bij beide de ondertitel ‘De Amsterdamse School in omslagen en boekbanden.’ Om ons goed te prepareren voor die vooral visuele tocht door Boekbeeld geef ik de tekst die ons aangereikt wordt door Wikipedia. Ik wil daarbij vooral uw aandacht vragen voor het gezegde bij het tijdschrift Wendingen dat stipuleert dat het item van boekverluchting een van de vormen van kunst was waaraan De Amsterdamse School ook veel aandacht besteedde. Een van de door u en mij beminde uitgeverijen is De Wereldbibliotheek die zich in de jaren twintig onderscheidde door markante omslagen geïnspireerd door De Amsterdamse School. Zie blz.82. ‘De Amsterdamse School is een stijl in de bouwkunst, te plaatsen in de periode van de Moderne Bouwkunst, waartoe ook onder meer De Stijl, het Nieuwe Bouwen, de Chicago School en het expressionisme gerekend worden, die als reactie op de zogenaamde neostijlen te zien zijn. De Amsterdamse School kenmerkt zich door gebruik van expressieve en fantastische vormen, verwant aan het expressionisme. Ze is in zekere zin ook een reactie op het rationele werk van H.P. Berlage en dan in het bijzonder op de Beurs van Berlage (1898-1903), die dus uitdrukkelijk niet tot de Amsterdamse School behoort maar gezien kan worden als het begin van het Nederlandse traditionalisme. Ook kan de ontwikkeling verklaard worden uit de overgang van Nieuwe Kunst en de buitenlandse varianten als jugendstil en art nouveau naar wat later - zeker wat betreft de decoratieve kunsten ook wel tot de art deco wordt gerekend. 

In 1916 bekritiseerde Michel de Klerk de werkmethodiek van Berlage en beschreef daarmee indirect op welke manier de nieuwe beweging zich hiervan distantieerde. De belangrijkste architecten van de Amsterdamse School waren Michel de Klerk, Joan Melchior van der Meij en Piet Kramer, die allen gewerkt hebben op het bureau van Eduard Cuypers in Amsterdam. Rond 1910 begonnen zij voor zichzelf en ontwikkelden samen een nieuwe bouwstijl. In 1923 overleed De Klerk. De Amsterdamse School verloor hiermee haar belangrijkste boegbeeld, al zou de bouwstijl nog meer dan een decennium blijven voortbestaan. Ook veel andere architecten die later tot andere richtingen gerekend worden begonnen in de trant van de Amsterdamse School te bouwen zoals bijvoorbeeld J.B. van Loghem. Zo werd in 1925 op de wereldtentoonstelling in Parijs het Nederlands Paviljoen in Amsterdamse School-architectuur uitgevoerd naar een ontwerp van Jan Frederik Staal. Ook de inrichting van dit paviljoen was geheel in de stijl van de nieuwe kunst waaronder ook de Amsterdamse School nog werd gerekend. Ook de architect Jan Gratama heeft gebouwen in de Amsterdamse Schoolstijl gebouwd en was de eerste bouwkundige die deze term gebruikt heeft. Kenmerkend voor de Amsterdamse School is het gebruik van veel baksteen en het toepassen van versieringen in de gevels, in baksteen of gebeeldhouwd natuursteen. De vaak plastische gevels zijn meestal gevuld met laddervensters en worden bekroond met steile daken en soms met torentjes versierd. Het plastische karakter en de soms zelfs symbolisch aangebrachte draagconstructie veroorzaakten soms problemen bij het aanbrengen van de werkelijke draagconstructie. Gebouwen uit de Amsterdamse School-periode zijn met name grote (sociale) woningbouwprojecten, scholen en enkele utilitaire werken. Door de plastische gevels en de speelse indeling hiervan is er binnen deze stijl zelden sprake van massiviteit in de gebouwen. Zij zijn wel groot, maar ogen toch menselijk. Het expressionisme van de Amsterdamse School was de tegenpool van het Nieuwe Bouwen. Een belangrijke rol binnen de Amsterdamse School speelde het maandblad Wendingen. Toch werd niet uitsluitend architectuur getoond die nu tot de Amsterdams School te rekenen valt. Zo werd ook een van de boegbeelden van het Nieuwe Bouwen, de Van Nellefabriek te Rotterdam uitgebreid afgebeeld. Het ontstond in januari 1918 op initiatief van enkele leden van het genootschap Architectura et Amicitia, een vereniging van architecten, beeldend kunstenaars, bouwkundigen etc., die, in tegenstelling tot het meer vaktechnische Bouwkundig Weekblad, meer aandacht wilden besteden aan de volgens hen verwaarloosde esthetische aspecten van de architectuur. Een van de oprichters was Hendrik Wijdeveld, die tot 1925 de leiding had en tevens de typografie verzorgde, totdat het blad eind 1931 werd opgeheven. Erg veel zorg werd besteed aan typografie en vormgeving. Het ontwerp voor het vierkante omslag werd steeds door een andere kunstenaar verzorgd. De redactie wisselde vaak van leden. In de eerste redactie zaten onder anderen C.J. Blaauw, Piet Kramer, Mathieu Lauweriks en Richard Roland Holst. 

Wendingen was geenszins alleen een architectuurtijdschrift. Er werd aandacht besteed aan vele vormen van kunst, zoals bouwsculptuur, uitheemse kunstuitingen, muurschilderingen, vroeg-Italiaanse schilderkunst, boekverluchting, affiches, toneel en dans, maskers, marionetten, interieurs, grafiek en schelpen. Ook beperkte het blad zich niet tot de Amsterdamse School: verschillende stromingen in binnen- en buitenland kregen ruimschoots aandacht. De grootste concentratie van Amsterdamse School-gebouwen vindt men in Amsterdam, zoals het Plan Zuid naar ontwerp van Berlage, het Olympisch Stadion (naast Plan-Zuid) van Jan Wils, het Scheepvaarthuis van Joan Melchior van der Meij, de woningbouw in de Spaarndammerbuurt van Michel de Klerk en schoolgebouwen van onder andere Cornelis Kruyswijk en Nicolaas Lansdorp. In Tuindorp Oostzaan en Tuindorp Nieuwendam in Amsterdam-Noord manifesteert de Amsterdamse School zich in een landelijke variant van onder andere B.T. Boeyinga, Boeyinga bouwde ook een aantal gereformeerde kerken in deze stijl. In Amsterdam zijn ook veel bruggen uitgevoerd in de stijl van de Amsterdamse School. Veel van deze Amsterdamse bruggen zijn ontworpen door Piet Kramer. Sinds 2001 is in een woningblok van Michel de Klerk aan het Spaarndammerplantsoen op nr. 140 Museum Het Schip gevestigd, waarin veel informatie te vinden is over de Amsterdamse School. Hier is ook een collectie Amsterdams straatmeubilair in de stijl van de Amsterdamse School te bezichtigen.’ Ik kan mij levendig voorstellen dat u niet alleen Boekbeeld koopt maar ook gaat zien! 

JODEN IN DE CARIBEN

Een kijk- en leesalbum van de eerste orde heb ik voor u want zo verlegt het de geestelijke horizon en zo ruim aan basale informatie is het. Het gaat om het 240 grote bladzijden tellende, rijk geïllustreerde Joden in de Cariben onder redactie van Julie-Marthe Cohen en uitgegeven door Walburg Pers. Het werk is zo divers, zo verstrekkend, zo onthullend, zo volledig dat ik eigenlijk kan volstaan met de annonce dat dit werk bestaat en dat het wacht op een ontmoeting met u. Cariben staat voor de territoria rond de Caribische Zee boven Zuid-Amerika en wat onze Joodse medebewoners van de aardkloot daar in het verleden maar ook in het heden gedreven heeft doet dit plaatwerk in woord en beeld uit de doeken. Om Joden in de Cariben in het vizier te zetten voor onze een komende keer hier te voeren tocht geef ik u de tekst van de harde cover en de titels van de tien hoofdstukken waarbij ik de namen van de schrijvers niet noem. Als u maar de breedte van de aanpak onderkent. 

De uitgever: ‘Joden in de Cariben. Vier eeuwen joodse geschiedenis in Suriname en Curaçao vertelt het verhaal van de joodse gemeenschappen die zich vanaf de 17e eeuw vanuit Amsterdam vestigden in een onbekende, nieuwe wereld: in Noordoost-Brazilië, Nieuw-Amsterdam (het latere New York), Suriname en Curaçao. In deze koloniën genoten de joodse gemeenschappen verregaande religieuze en economische vrijheden en kwamen zij tot bloei. Zij droegen bij aan de welvaart van de Republiek en speelden een centrale rol bij de totstandkoming van andere joodse gemeenschappen in het Caribisch gebied en in Noord-Amerika. In tien spraakmakende hoofdstukken schrijven verschillende auteurs over de betekenis van deze joodse gemeenschappen in de koloniën: over de rechten en privileges die hen werden verleend; over hun aandeel in de goederen- en slavenhandel en hun rol in de plantage-economie; en over het leven in een koloniale samenleving die het jodendom in Suriname en Curaçao vorm gaf. Aan de hand van een selectie van het vele door conservator Julie-Marthe Cohen en haar team verzamelde materiaal worden de vestiging, opbloei en neergang van de joodse gemeenschappen in 'de West' getoond.  

Maar dit boek gaat niet alleen over het verleden: acht personen met een (gedeeltelijk) joodse achtergrond vertellen over ervaringen die bepalend zijn geweest voor hun Surinaams-joodse of Curaçao’s-joodse identiteit. De joden in Suriname en op Curaçao zijn op vele manieren met Nederland verbonden; door de Nederlandse taal, door het gebruik van hier gedrukte gebedenboeken, van de vaak in Amsterdam gemaakte grafzerken en van rituele voorwerpen, zoals siertorens op de stokken van Torarollen die door Hollandse zilversmeden zijn gemaakt; door in Nederland opgeleide Rabbijnen en leraren; door hun keuken; door familiebanden en de aanvankelijk van hieruit aangestuurde economie. De boeiende bijdragen van verschillende gerenommeerde auteurs en de ruim honderd illustraties brengen een rijke culturele en materiële erfenis in beeld en maken dit tot een prachtig, kleurrijk boek.’ Na het voorwoord van de directeur Joods Historisch Museum Joël Cohen en de inleiding van Julie-Marthe Cohen volgen de chapiters met de titels: 1 Sefardische joden en maranen in de kolonisatie en economie van de Nieuwe Wereld [1492-1800] 2 Economie,imperium en eschatalogie: de mondiale context van de joodse immigratie in de Amerika’s tussen 1650 en 1670  3 Tolerantie en onverdraagzaamheid in Nederlands-Brazilië, 4 De joodse natie niet uit te sluiten, maar toegang tot handel en verblijf aldaar in de kolonie te verlenen: Joden in Nieuw-Amsterdam 5 De Portugese joden op Curaçao: levens gebaseerd op inter-Amerikaanse handel 6 Joden en slavernij in de Nederlandse koloniale wereld 7 Een joods dorp in een slavenmaatschappij: Jodensavanne in de Nederlandse kolonie Suriname 8 Een joods arts in het achttiende-eeuwse Suriname 9 Tussen kleur en halacha: de geschiedenis van een joodse gemeenschap in koloniaal Suriname 10 Curaçao’s Sefardische diaspora in binnen- en buitenland. En dan te bedenken dat deze hoofdstukken afgewisseld worden met weergaven van gesprekken met Joden in de Cariben. Dit album is een lust voor het oog  en een streling van het gemoed!