Een naar vorm oogstrelend en naar inhoud appetijtelijk boek heb ik voor u, dat ook nog instructief en spannend is. Om het maar meteen te zeggen, het markant opvallende boek heeft de outfit van een tosti, dus het is in tweeën gesneden als een sandwichgerecht dat bereid wordt door twee sneetjes brood samen met het tussenliggende beleg (ham of kaas) te roosteren. Het gaat om het ludiek geïllustreerde De tostifabriek van Vera Bachrach en Bart Eysink Smeets en van uitgeverij Lemniscaat.
Op de cover staat het: ‘Hoe maak je een tosti? Dat vroegen acht jongens en meisjes uit de stad zich af, Ze besloten een tostifabriek te bouwen. Met graan voor brood, varkens voor ham en koeien voor kaas. Dit is het waargebeurde verhaal over koeienpoep, boze buurvrouwen, elektrocutietangen, en een handleiding hoe je – van begin tot eind – een tosti maakt’.
In vijf hoofdstukken wordt het geheim ontvouwd: 1. de tosti 2. het brood (deel 1) 3. de kaas 4. de ham 5. het brood (deel 2). En zo begint De tostifabriek: ‘Een tosti is 2 boterhammen, 1 plak kaas en 1 plak ham. Dat lijkt heel simpel, maar is het dat wel? Hoe maak je eigenlijk een tosti? Om dat uit te zoeken besloten 8 jongens en meisjes uit de stad een tostifabriek te bouwen. Met graan om brood van te maken, varkens om ham van te maken en koeien voor melk om kaas van te maken. Ze besloten om tostiboeren te worden.’ En zo luidt het eind: ‘Moeite per tosti. Kaas: superveel werk Ham: helemaal niet moeilijk Brood: heel veel zorgen.’ Tussen start en finish van De tostifabriek wordt op aanstekelijke wijze verwoord en verbeeld ‘the making of a tosti’. De boodschap is echter en vooral dat het gerecht er niet zomaar is, dat er heel voor komt kijken. Wij mensen van anno 2015 en van de westerse wereld zijn geheel gewend aan de bereikbaarheid en de maakbaarheid van de heerlijkste producten. Wij vinden alles vanzelfsprekend! Ons boek met witte, gele en roze pagina’s, aldus vanaf de zijkant lijkend op een heuse tosti!
Een van de vele pluspunten van De tostifabriek is dat het uit twee delen bestaat, keurig diagonaal gesneden. Het idee van de makers: eentje om te houden en eentje om weg te geven. De teksten zijn immers zo goed als gelijk maar als wij de beide helften tegen elkaar schuiven, zien en begrijpen wij de hele plaatjes. Het gaat om een zogenoemd kinderboek maar ook wij als ouderen zullen met veel genoegens een gang door dit fenomenaal creatief Lemniscaat-boek gaan maken. Een terra incognita verschijnt aan de horizon! Volgens het ‘Etymologisch woordenboek van het Nederlands’ komt het woord tosti van het Italiaanse ‘tosti’- geroosterde sneden brood – dat een ‘veritaliaanst’ meervoud van het Engelse ‘toast’ is. ‘De tostifabriek’ vertelt en verbeeldt het wonder dat er dient te geschieden voor de tosti op ons bord belandt. Wij dienen oog en hart voor dat verklaarbare natuurverschijnsel! De wonderen zijn gelukkig niet van onze aarde verdwenen!
Een paar weken terug had ik het met u over die superbe roman die gebeiteld is uit eigen ervaringen in het thuis van de auteur. Het gaat om het 288 bladzijden tellende Ik kom terug van Adriaan van Dis en van uitgeverij Augustus. Met de motto’s ‘You must sacrifice your family on the altar of fiction’ van David Vann en ‘All sorrows can be borne if you put them into an story or tell a story about them’ van Karen Blixen. Dus: de zegen van fictie is dat het leed van de familie gedragen kan worden. Het onder woorden brengen van de pijn die de moeder van de ik en de hoofdpersoon elkaar berokkenen kan die onplezierige emotionele ervaring draaglijk maken. Om het aan te vullen, het neerleggen van de gepasseerde relatie tussen moeder en zoon in een verhaal kan pas overkomen wanneer de waarheid gelogen wordt, wanneer die aangedikt en verminderd wordt.
Ik kom terug van Adriaan van Dis kunnen wij als een autobiografisch bericht lezen maar niet één op één. Want het gaat om literatuur! Ik meldde bij de introductie van Ik kom terug dat ik tijdens mijn gang erdoorheen diverse keren een stop moest leggen. Ik zal van een nu gewag maken en volgende keren doe ik het weer. Als entree geef ik u de omslagtekst: ‘Na een lang leven van zwijgen en buitensluiten begint een moeder opeens te praten tegen haar zoon – aarzelende ontboezemingen over grensoverschrijdende liefde, verraad en drie oorlogen. Hij, een romanschrijver, mag haar biograaf worden, maar er is een voorwaarde: hij moet haar een zachte dood bezorgen. Ik kom terug is een tragikomedie over het woeste leven van een vrouw die terugkijkt op haar eeuw.’
In mijn jaren voor de klas op scholengemeenschap De Lage Waard legde ik mijn leerlingen havo/atheneum steevast gedichten voor van poëten als Piet Paaltjens, Perk, Kloos, Leopold, Slauerhoff, Marsman, Nijhoff en Achterberg. Ik ging voor verzen die toegankelijk van vorm en tintelend van inhoud waren. Een bij de lui in de klas bemind gedicht was ook De idioot in het bad van Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans die schreef onder het pseudoniem van Vasalis, een verwijzing naar haar achternaam ‘Leenmans’. Uit de dichtbundel Parken en woestijnen (1940) plukte ik het vers van zeven strofen over een man, die door zijn handicap erg onbeholpen is. In bad gaan doet hem telkens weer blij voelen. In het water is hij voor zijn gevoel vrij van zijn beperking. Het water wordt door de idioot ervaren als de baarmoeder. Het is alsof hij opnieuw geboren wordt. Als hij uit het bad wordt gehaald, komt hij weer tot bezinning en beseft dat dit maar voor even is. De moeilijkheden van de dagelijkse gang door het leven moet hij weer aan. Hij is getekend, net als de ‘ik’ in Ik kom terug;.
De idioot in het bad
Met opgetrokken schouders, toegeknepen ogen,
Haast dravend en vaak hakend in de mat,
Lelijk en onbeholpen aan zusters arm gebogen,
Gaat elke week de idioot naar 't bad.
De damp die van het warme water slaat
Maakt hem geruster : witte stoom…
En bij elk kledingstuk, dat van hem afgaat,
Bevangt hem meer en meer een oud vertrouwde droom.
De zuster laat hem in het water glijden,
Hij vouwt zijn dunne armen op zijn borst,
Hij zucht, als bij het lessen van zijn eerste dorst
En om zijn mond gloort langzaam aan een groot verblijden.
Zijn zorgelijk gezicht is leeg en mooi geworden,
Zijn dunne voeten staan rechtop als bleke bloemen,
Zijn lange, bleke benen, die reeds licht verdorden
Komen als berkenstammen door het groen opdoemen.
Hij is in dit groen water nog als ongeboren,
Hij weet nog niet, dat sommige vruchten nimmer rijpen,
Hij heeft de wijsheid van het lichaam niet verloren
En hoeft de dingen van de geest niet te begrijpen.
En elke keer, dat hij uit 't bad gehaald wordt,
En stevig met een handdoek drooggewreven
En in zijn stijve, harde kleren wordt gesjord
Stribbelt hij tegen en dan huilt hij even.
En elke week wordt hij opnieuw geboren
En wreed gescheiden van het veilig water-leven,
En elke week is hem het lot beschoren
Opnieuw een bange idioot te zijn gebleven.
Ik kom terug is doordrenkt met passages uit het leven van de ‘ik’ die hem een leven lang gevormd, beter: bepaald hebben. Een van die gedeelten is te vinden in het vierde hoofdstuk, op de bladzijden 30 en 31. Ik wijs u nu al op de zinnen die in deze heel relevant zijn, die bijna aan het eind: ‘En toen volgde een tekst die beter zou blijven hangen dan welk gedicht ook, uitgesproken met bevende hand en een half oog op de lijst uitgelote obligaties: ‘Je hebt een vreemde jongen, Marie.’ Het klonk als een vloek.’ Adriaan van Dis:
‘Grootvader las de beursberichten met een dun ijzeren latje – een ernstig ritueel waarbij je hem niet mocht storen. Zijn vergeelde snor rook al naar brandewijn en de vonken schoten uit zijn stenen pijp, tocht durfde ik hem onder het krantlezen één keer te besluipen. Ik wilde toneelspeler worden en dat moest de hele wereld weten. Alleen met spel zou ik het leven redden (ook in de oorlog, want ik zou me nooit laten vangen en me verkleed onder de vijanden begeven) en dus wilde ik bij ons jaarlijks paasbezoek mijn grootvader verrassen met een gedicht van Vasalis dat ik speciaal voor de gelegenheid uit mijn hoofd had geleerd: De idioot in het bad.
Misschien was het te hoog gegrepen, maar van een van mijn veel oudere halfzusters, de lerares die mij m’n hele schooltijd van goede boeken voorzag – boven mijn niveau want een kind moet stijgen -, had het voor mij overgeschreven. Vasalis was volgens haar niet alleen een grote Nederlands dichteres, maar ook psychiater, zij kon ‘in de ziel van zenuwzieken kijken’. Toen ik het gedicht voor het eerst las dacht ik dat ze stiekem door het sleutelgat van onze badkamer had zitten loeren…
‘De zuster laat hem in het water glijden,
Hij vouwt zijn dunne armen op zijn borst,
Hij zucht, als bij het lessen van zijn eerste dorst
En om zijn mond gloort langzaam aan een groot verblijden.’
Ik herkende meteen mijn vader in die gek, wanneer mijn moeder hem na een uitbarsting in het bad zette. Een ritueel waar hij kalmer van werd: in het water werd een andere man geboren. Het leek me wel wat voor een voordracht in de familie. 'De idioot in het bad…' ik ging recht voor zijn krant staan en speelde het eerste couplet (misschien zou hij me met een rijksdaalder belonen): ‘Met opgetrokken schouders …’ Mijn grootvader liet zijn krant zakken en keek me stomverbaasd aan. ‘toegeknepen ogen, haast dravend en vaak…’ ‘Wat gaan we nou beleven?’ ‘hakend in de mat, lelijk en…’ Ineens jankte de lucht, terwijl ik daar zo trots en breed voor hem stond, een scherp geluid zwiepte langs mijn oren, langs mijn wimpers… Het ijzeren latje, hij verjoeg me met zijn ijzeren latje. Ik sprong achteruit. En toen volgde een tekst die beter zou blijven hangen dan welk gedicht ook, uitgesproken met bevende hand en een half oog op de lijst uitgelote obligaties: ‘Je hebt een vreemde jongen, Marie.’ Het klonk als een vloek. ‘Hij draagt anders uw naam,’ zei mijn moeder. Meer troost had ze niet in huis. De acteur ging af.’
Ik roep het u met grote vreugde toe: na een vertraging van drie lustra is daar een nieuw geluid uit Assen, want daar woont de dichtende man. Het gaat om het 96 bladzijden tellende kleinood Met enige vertraging van Lévi Weemoedt en van uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. Om het nog completer te zeggen; in 2007 zag wel door toedoen van deze onderneming Lévi’s bundel verzamelde gedichten Vanaf de dag dat ik mensen zag, maar sinds Rijk verleden was het lang wachten.
Maar ziedaar, nu laat de dichter uit het Drenthse nieuwe verzen het licht zien en opnieuw spreekt de man uit 1948 tot ons op zeg maar tragikomische toon. Ik zal u daar een specimen van geven met de toezegging dat wij een volgende keer Weemoedt opnieuw aan het woord laten. Want hij heeft ons veel te zeggen. Om u in the mood te brengen geef ik een drietal gedichten die mij op het lijf geschreven zijn. Ik kan ze namelijk uit het hoofd zeggen. Het gloednieuwe ‘Eerste groet’ volgt daarna.
Terugblik in een glas jenever
'k Had een sprookjeshuwelijk
achteraf beschouwd
maar ik was alleen
met de heks getrouwd.
Dies Natalis
Geen champagne bruiste. De kanonnen zwegen,
het uur dat ik ter wereld kwam.
Uit de hemel sproeide een zerkgrijze regen
over Vlaardingen. En geen mens vernam
iets van Wijzen, die dag, die, op kameel gestegen,
onderweg waren vanuit Rotterdam.
Naamloos
De hond ligt zachtjes snikkend in zijn mand;
droef peinst zijn baasje bij een glas genever.
Er hangen duizend boeken aan de wand:
’t Geluk was hier bepaald geen gulle gever.
Op straat waaien geluiden van een feest:
een schrille lach; er valt een glas aan scherven.
Maar binnen zingt het wenen van het beest
en zit zijn baas al uren te versterven.
Ik wed nu dat geen sterveling ooit raadt
wie nu die twee zo bitter treuren laat.
Maar stuur toch in: wat aanspraak doet ons goed.
Wij zien uw brief vol wanhoop tegemoet.
Eerste groet
Komt u uit Limburg, dan is het een eindje reizen,
woont u in Drenthe, dan is het vlak om de hoek,
maar u kunt mij al de eerste eer bewijzen
als u het kerkhofje van Rolde bezoekt.
Er ligt daar al een strookje gras te wachten
tot ik de geest geef, als ik zoiets had.
’t Is nu nog heerlijk rustig op dat pad:
ik sta er zelf soms ook, verzonken in gedachten.
Ja, u hoort het goed: u kunt me daar nog ontmoeten,
wat maar de vraag is als u naar de groeve gaat
van andere dichters: Achterberg of Bloem.
Ik bedoel maar: hoe vaak zult u het graf bezoeken
van een schrijver die nog levend vóór u staat.
en dankt voor uw eerste groet? Ik zou het maar gauw doen.
Geplukt uit een hilarisch kleinood dat op mijn lijf geschreven is, want ik ben al decennia lang snordragend. Om te illustreren dat ik ook in deze niet alleen door het leven ga, geef ik u een lijstje door dat de snordragende auteur met verve vermeldt. Ik heb het over het 160 bladzijden tellende, doorlopend geïllustreerde Mijn snor van Arjen van Lith en van uitgeverij De Harmonie. Maar voordat ik dat doe, citeer ik de tekst op de cover. Uw interesse zal gewekt zijn en derhalve juicht u het toe dat wij een volgende keer een tocht maken door dit snorgoede boek.
‘Mijn snor is een openhartig, haargrensverleggend verslag van een man in wording. Na ruim veertig jaar neemt Arjen van Lith een drastisch besluit: om eindelijk alsnog een echte vent te worden, laat hij zijn snor staan. Ongeacht de gevolgen. Dertig dagen lang houdt hij een nietsontziend logboek bij van zijn reis naar mannelijkheid. Hij komt er al snel achter dat die weg bezaaid is met harige obstakels en krullende verleidingen. De aarzelende groei van zijn snor roept diepgaande vragen op die hij zichzelf niet eerder stelde: wat doet zijn snor met zijn zelfbeeld? Vormt hij zijn snor, of vormt zijn snor hem? In welke historische context staat zijn snor? Welke invloed heeft zijn snor op het universum?’
Ik leid de short snorlist op blz. 81 met ‘Trouwens, bijna de volledige top tien van Grootste Nederlanders Aller Tijden droeg op enig moment in hun leven een snor, te weten’ En dan komt het tiental BN’ers eraan:
1. Pim Fortuyn (hoogleraar en politicus, droeg een snor tot 1991)
2. Willem van Oranje (Vader des Vaderlands, snordragend)
3. Willem Drees (politicus, snordragend)
4. Antoni van Leeuwenhoek (wetenschapper, droeg een bescheiden potloodsnorretje)
5. Desiderius Erasmus ( humanist, vooral bekend zonder snor, maar hij werd in 1467 met snor geportretteerd tijdens zijn zogenaamde ‘Goudse periode’ door een onbekende kunstenaar)
6. Johan Cruijff (voetballegende, levenslang snorloos)
7. Michiel de Ruyter ( zeeheld, snordragend)
8. Anne Frank ( Joods onderduikmeisje, snorloos)
9. Rembrandt van Rijn (schilder, snordragend)
10. Vincent van Gogh (schilder, snordragend)’
De enige van de tien die niet voor een snor ging, is Johan C.!
Het zit er dik in dat u heel wat lovende berichten over dit spraakmakende, lijvige werk uit Frankrijk stammende werk gelezen heb. Ik stem daarmee in en dan van ganser harte. Niet dat ik een deskundige op het beschreven vakgebied ben, maar omdat er een link gelegd wordt tussen economie en literatuur. Wat betreft het eerste wacht ik het oordeel af van mijn zoons Muel en Briam die in de jaren negentig aan de Erasmus Universiteit het vak Bedrijfskunde gestudeerd hebben. Voor de literaire optie geef ik u een citaat door. Ik heb het uiteraard over het 814 (!) bladzijden tellende Kapitaal in de 21ste eeuw van de econoom Thomas Piketty (1971) en van uitgeverij De Bezige Bij. Ik haast mij te zeggen dat het kloeke boek niet een dor studieboek is, maar dat het leest als een trein. En dat niet alleen omdat het in literaire woorden en zinnen verpakt is maar ook omdat het literatoren van naam en faam hun opwachting laat maken. Om het schrijvende duo uit mijn citaat (blz. 486-491) te noemen: de Franse auteur Honoré de Balzac (1799-1850) en zijn Engelse collega Jane Austen (1775-1817).
Als vooraf geef ik u de titels van de vier hoofdstukken en de tekst van de uitgever die in een paar maanden tijd voor de vierde druk moest zorgen in ons taalgebied. De chapiters: Inkomen en kapitaal, De dynamiek van de verhouding kapitaal/inkomen, Structuur van de ongelijkheid en De regulering van vermogen in de eenentwintigste eeuw. De uitgever: ‘Een van de grootste problemen van de economie is de opeenhoping en de verdeling van kapitaal. Dat hangt nauw samen met kwesties van ongelijkheid, concentratie van welvaart en economische groei. Bevredigende oplossingen voor die problemen waren tot nu toe moeilijk te vinden. Theorieën te over, maar relevant historisch onderzoek was niet voorhanden. In Kapitaal in de 21ste eeuw analyseert Thomas Piketty een groot aantal gegevens uit de laatste twee eeuwen en uit twintig landen. Zo weet hij fundamentele economische en sociale processen bloot te leggen. Hij toont aan dat de moderne economische groei en de spreiding van kennis ons in staat hebben gesteld om de ongelijkheid op apocalyptische schaal die Marx had voorspeld, te voorkomen. Maar de diepere structuur van kapitaal en ongelijkheid is er in wezen niet door veranderd, zoals we in ons optimisme na de Tweede Wereldoorlog dachten.
De belangrijkste oorzaak van de ongelijkheid is de tendens dat de opbrengst op kapitaal groter is dan de economische groei iets wat nu tot extreme ongelijkheid dreigt te leiden. Het wakkert de onvrede aan en ondermijnt democratische verworvenheden. Het is aan de politiek om die tendens in te tomen. Kapitaal in de 21ste eeuw is een buitengewoon ambitieuze onderneming, waarvan de grote waarde alom wordt erkend. Het is een herbezinning op de economische geschiedenis en dwingt ons de werkelijkheid nuchter onder ogen te zien.’ Goede herinneringen koester ik aan de leraar Economie Van Campen op de HBS van toen. Door zijn toedoen was ik bijna aan de Economische Hogeschool in Rotterdam gaan studeren. Ik ging echter voor Nederlandse Literatuur en Letterkunde aan de Universiteit van Utrecht. Dat die twee vakken toch elkaar overlappen toont Thomas Piketty aan, op wiens magnum opus prijkt ‘Het belangrijkste boek van het jaar – misschien wel van de komende tien jaar.’ (The New York Times).
Piketty: ‘De wereld van Balzac en Austen: een klassieke, op vermogen gebaseerde samenleving.
Negentiende-eeuwse romanschrijvers gebruikten natuurlijk niet dezelfde termen als ik om de sociale organisatie van hun tijd weer te geven, maar ze beschreven wel dezelfde onderliggende structuur, namelijk die van een wereld waarin alleen iemand die een groot vermogen bezat, werkelijk de top kon bereiken. Het is opvallend dat de structuur van de ongelijkheid, de orden van grootte en de bedragen die nauwkeurig worden beschreven door Balzac en Austen volledig identiek zijn aan beide zijden van het Kanaal, ondanks de verschillende munten, literaire stijlen en plots. Zoals ik heb aangestipt in hoofdstuk 2, waren kenmerkende geldbedragen extreem onveranderlijk in de door Balzac en Austen beschreven wereld zonder inflatie, zodat de romanciers zeer precies konden definiëren hoeveel vermogen en inkomsten iemand nodig had om in stijl te leven en de middelmaat te overstijgen. In beide gevallen lag de materiële en psychologische grens ongeveer rond twintig- tot dertigmaal het gemiddelde inkomen van hun tijd. De personages van Balzac en Austen die het met minder moesten rooien, leidden een moeilijk leven zonder aanzien. De grens was makkelijk bereikbaar voor wie behoorde tot de 1 procent rijkste mensen (en bij voorkeur tot de bovenste 0,5 of zelfs 0,1 procent) in het Frankrijk of Engeland van de negentiende eeuw. Het ging om een stabiele, vrij omvangrijke groep in de samenleving, weliswaar een minderheid, maar voldoende groot om de structuur van die samenleving te bepalen en inspiratie te bieden voor een hele romanwereld. Wie enkel op een beroepsinkomen kon rekenen, had echter geen enkele kans om die grens te halen, hoeveel hij ook verdiende. Zelfs met een van de 1 procent (of 0,1 procent) best betaalde banen was het onmogelijk om zo rijk te worden.
In de meeste negentiende-eeuwse romans worden de onlosmakelijk met elkaar verbonden financiële, sociale en psychologische achtergronden van die tijd al op de eerste bladzijden geschetst, waarna er regelmatig naar wordt terugverwezen, zodat geen enkele lezer het onderscheid tussen de personages en het gewone volk uit het oog verliest en met name wordt herinnerd aan de financiële kengetallen die bepalend zijn voor hun levens, rivaliteiten, plannen en verwachtingen. In ‘Vader Goriot’ wordt de ondergang van de grijsaard meteen al bij het begin duidelijk door het feit dat hij zich geleidelijk aan met steeds minder moest behelpen en uiteindelijk genoegen moest nemen met de smerigste kamer en het karigste voedsel van het pension van mevrouw Vauquer om te besparen op de vijfhonderd frank die hij jaarlijks nodig had voor zijn levensonderhoud (dit bedrag was ongeveer gelijk aan het gemiddelde jaarlijkse inkomen van toen, waarmee je volgens Balzac tot de bedelstaf was veroordeeld). De oude Goriot offerde alles op voor zijn dochters, die ieder een bruidsschat van 500.000 frank in de wacht sleepten en zich daarmee verzekerden van een jaarlijkse rente van 25.000 frank, of ongeveer vijftigmaal het gemiddelde inkomen: in Balzacs romans is dat de basiseenheid van vermogen, het symbool van echte rijkdom en een elegante levensstijl. Het contrast tussen de twee uitersten van de samenleving wordt zo op slag duidelijk gemaakt. Toch vergat Balzac niet dat er tussen diepe armoede en weelderige rijkdom allerlei middenposities bestaan, de ene iets beter dan de andere. Het kleine landgoed van de Rastignacs, in de buurt van Angoulême, bracht bijvoorbeeld een schamele 3000 frank per jaar op (of zesmaal het gemiddelde inkomen).
In de ogen van Balzac was de familie een typisch voorbeeld van verarmde lagere adel uit de provincie. De familie van Eugène kon bijvoorbeeld amper 1200 frank per jaar besteden om hem rechten te laten studeren in Parijs. In het betoog van Vautrin wordt het jaarloon van 5000 frank (of zes keer het gemiddelde inkomen) dat de jonge Rastignac zou kunnen verdienen als hij officier van justitie werd, wat hem veel inspanning zou kosten en lang niet zeker was, voorgesteld als een typisch middelmatig inkomen. Met dat voorbeeld illustreerde hij treffend dat studeren geen zoden aan de dijk zette. Balzac beschreef een samenleving waarin het minimale streven erin bestond een inkomen te verwerven dat twintig tot dertig keer of zelfs vijftig keer groter was dan het gemiddelde van toen, zoals de opbrengst van de bruidsschatten van Delphine en Anastasie, of idealiter honderd keer groter, zoals de 50.000 frank jaarlijkse rente die het vermogen van juffrouw Victorine zou opbrengen.
In de roman César Birotteau probeert het hoofdpersonage, de stoutmoedige parfumeur met dezelfde naam, ook om een vermogen van een miljoen frank in de wacht te slepen. Hij wil de helft van het geld voor zichzelf en zijn vrouw houden en de overige 500.000 frank als bruidsschat aan zijn dochter geven. Dat bedrag lijkt hem noodzakelijk om een geschikte huwelijkskandidaat te vinden en zijn toekomstige schoonzoon in staat te stellen het kantoor van notaris Roguin over te nemen. Zijn vrouw wil dat hij weer met beide voeten op de grond gaat staan. Ze probeert hem ervan te overtuigen dat 2000 frank rente per jaar volstaat voor hun pensioen en dat ze hun dochter ook kunnen uithuwelijken als ze maar over 8000 frank rente per jaar beschikt, maar César wil daar niet van weten. Hij wil namelijk niet eindigen als zijn partner Pillerault, die het met amper 5000 frank rente per jaar moet rooien nadat hij zijn zaken aan kant heeft gedaan. Om in weelde te leven, is twintig tot dertig keer het gemiddelde inkomen een minimum. Wie slechts kan rekenen op vijf tot tien keer dat gemiddelde, heeft maar net genoeg.
Aan de andere kant van het Kanaal zijn de orden van grootte volledig identiek. In Verstand en gevoel wordt de essentie van de plot (financieel zowel als psychologisch) neergezet in de eerste tien bladzijden, met name in de ijzingwekkende dialoog van John Dashwood en zijn vrouw Fanny. John heeft net het immense landgoed Norland Park geërfd, dat jaarlijks 4000 pond opbrengt, of meer dan honderd keer het gemiddelde inkomen van toen (dat in het Groot-Brittannië van de jaren 1800-1810 nauwelijks dertig pond per jaar bedroeg). Norland Park is een typisch voorbeeld van een zeer groot landgoed, het symbool van rijkdom in de romans van Jane Austen. Met een opbrengst van 2000 pond per jaar (of meer dan zestig keer het gemiddelde inkomen) voldoet het landgoed Delaford van kolonel Brandon volkomen aan wat in die tijd van een groot domein werd verwacht; in andere gevallen is 1000 pond per jaar meer dan genoeg voor een personage van Austen. John Willoughby kan met zijn 600 pond (twintig keer het gemiddelde inkomen) echter nog nauwelijks rijk worden genoemd, zodat de vraag rijst hoe de mooie, onstuimige jongeman erin slaagt om van zo’n schijntje op zulke grote voet te leven. Zijn schamele inkomen is wellicht ook de reden waarom hij algauw de aangeslagen en ontroostbare Marianne zal verlaten voor juffrouw Grey, met haar bruidsschat van 50000 pond (die elk jaar 2500 pond rente opbrengt, of tachtigmaal het gemiddelde inkomen), een bedrag dat – rekening houdend met de toenmalige wisselkoers – overigens bijna exact gelijk is aan het kapitaal van 1 miljoen Franse frank dat juffrouw Victorine in haar huwelijk meebrengt. Net zoals bij Balzac is een bruidsschat die half zo groot is, zoals die van Delphine en Anastasie, ruim voldoende. Juffrouw Morton, het enige kind van lord Norton, is met haar vermogen van 30.000 pond (met 1500 pond rente, of vijftigmaal het gemiddelde inkomen), een rijkelijk bedeelde erfgename en een felbegeerde kandidate voor alle schoonmoeders, te beginnen bij mevrouw Ferrars, die haar graag aan haar zoon Edward zou koppelen.
Al op de eerste bladzijden wordt het fortuin van John Dashwood geplaatst tegenover de relatieve armoede van de halfzussen Elinor, Marianne en Margaret, die samen met hun moeder genoegen moeten nemen met amper 500 pond rente per jaar (of 125 pond per persoon, nauwelijks meer dan het viervoud van het gemiddelde inkomen per inwoner), wat verre van voldoende is om de jongedames uit te huwelijken. Mevrouw Jennings, die dol is op roddelpraatjes over de hogere kringen van het platteland van Devonshire, herinnert hen daar trouwens om de haverklap gretig en onomwonden aan tijdens de vele bals, beleefdheidsbezoeken en concerten waarmee ze hun dagen vullen en waar ze vaak jonge, verleidelijke huwelijkskandidaten ontmoeten die helaas niet altijd blijven: ‘De bescheiden omvang van uw vermogen kan hen aan het twijfelen brengen.’ Net zoals in de boeken van Balzac moeten de romanpersonages van Jane Austen genoegen nemen met een eenvoudige levensstijl als ze slechts vijf of tien keer het gemiddelde inkomen hebben. Over inkomens rond het gemiddelde van dertig pond of nog minder wordt trouwens niet gesproken. Waarschijnlijk was dat ongeveer het loon van huisbedienden, en dus niet vermeldenswaardig. Wanneer Edward Ferrars overweegt om dominee van de parochie Deliford te worden voor 200 pond per jaar (zes tot zeven keer het gemiddelde inkomen), komt hij bijna over als een heilige. Hoewel hij die vergoeding aanvulde met de inkomsten van het schamele vermogen dat hij van zijn familie meekreeg als straf omdat hij beneden zijn stand was getrouwd, en met de karige rente van Elinor, zou het stel het niet ver schoppen, en iedereen was verbaasd dat ze zo verblind waren door de liefde dat ze met 350 pond per jaar een comfortabel leven hoopten te leiden. Het gelukkige en deugdzame einde mag de aandacht overigens niet afleiden van de kern van de zaak: door op aanraden van de onuitstaanbare Fanny te weigeren zijn halfzussen te helpen en een beetje van zijn onmetelijke vermogen met hen te delen, zoals hij zijn vader op zijn sterfbed had beloofd, veroordeelt John Dashwood Elinor enMarianne tot een onbeduidend leven vol vernederingen. Hun lot wordt volledig bezegeld met de ijzingwekkende dialoog waarmee de roman begint.
Aan het einde van de negentiende eeuw kwam hetzelfde soort financiële ongelijkheid voor in Amerika. In de roman Washington Square, die in 1881 werd gepubliceerd door Henry James en in 1949 meesterlijk werd verfilmd door William Wyler als The Heiress, is de plot volledig opgebouwd rond een misverstand over het bedrag van de bruidsschat. De conclusie is dat de gevolgen onverbiddelijk zijn en dat je je maar beter niet kunt vergissen. Catherine Sloper wordt door schade en schande wijs wanneer haar verloofde haar verlaat omdat haar bruidsschat maar 10.000 dollar rente per jaar opbrengt in plaats van de 30.000 dollar waarop hij had gerekend (of amper twintig keer het toenmalige gemiddelde inkomen in Amerika in plaats van zestig keer). ‘Je bent te lelijk,’ krijgt ze te horen van haar vader, een steenrijke en tirannieke weduwnaar, die wat doet denken aan prins Bolkonski en de manier waarop hij omgaat met prinses Maria in Oorlog en vrede. Soms worden ook mannen in een zeer lastig parket gebracht. In The magnificent Ambersons schetst regisseur Orson Welles de ondergang van de arrogante erfgenaam George, die op het hoogtepunt van zijn rijkdom 60.000 dollar rente per jaar opstreek (honderdtwintig keer het gemiddelde inkomen), voordat hij rond 1900-1910 aan lager wal raakte door de opkomst van de auto-industrie en uiteindelijk een baan moest nemen die 350 dollar opbracht, met andere woorden: minder dan het gemiddelde inkomen.’