HET FENOMEEN ANNE FRANK
De 178 bladzijden, ze vormen opnieuw een eerbetoon aan een meisje dat de Holocaust niet mocht overleven om de banale reden dat zij het waagde als Jodin geboren te worden. Ik heb het over het acht hoofdstukken tellende Het fenomeen Anne Frank van David Barnouw en van uitgeverij Bert Bakker. Het is bemoedigend en verheffend te constateren dat de zogenoemde brieven van Anne aan vriendin Kitty hun weerklank blijven vinden, ver na de rampspoed van toen. David Barnouw dien ik zeer dankbaar te zijn, want hij was een van de inleiders en verzorgers van het monumentale werk waaraan ik zeer schatplichtig ben, namelijk De Dagboeken van Anne Frank, dat er kwam onder auspiciën van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie in 1986. Al jaar en dag daarvoor had ik tijdens lessen, lezingen en inleidingen een pleidooi gehouden voor de literaire kwaliteiten van het oorlogsjournaal, wat overigens niet iedereen mij in dank afnam. Zo was daar een vooraanstaand literator die meende dat Het Achterhuis niet tot de officiële letterkunde kon behoren omdat Anne Frank zich op de door haar beleefde werkelijkheid liet inspireren. Het ging volgens die criticaster niet aan om een verslag van de realiteit tot literatuur te verheffen. Voor klas, zaal en aula putte ik mij uit om aan te tonen dat Anne niet alleen een beklemmend verslag doet van haar onderduik voor de nazi’s, maar ook naar vorm prachtig proza schrijft.
Ik wil u Anne doen opklinken, maar eerst wil ik gezegd hebben dat Barnouw zijn titel met ‘fenomeen’ erin knap en overtuigend onderbouwt. Hij doet dat na zijn Inleiding in de chapiters Frankfurt – Amsterdam – Bergen-Belsen, Van dagboek tot ‘Het Achterhuis/Das Tagebuch/Le Journal/The Diary’, Anne Frank op Broadway, Anne Frank in Hollywood, Annes dagboek onder vuur, Van wie is Anne nu eigenlijk, Meisjesboek of literatuur?, Hoe nu verder in de eenentwintigste eeuw? Een tocht door Barnouws teksten ga ik nog met u maken, want Het Achterhuis moet een veel gelezen boek blijven. Overigens loopt de gang door ons boek uit op een verheugende finish: ‘Aan ‘de innerlijke goedheid van de mens’ wordt in de eenentwintigste eeuw wat minder geloof gehecht dan in de jaren vijftig. Toch is het met name de optimistische en levenslustige kant van Anne Frank die zal blijven zorgen voor nieuwe lezers en nieuwe bezoekers. Het fenomeen Anne Frank blijft bestaan.
Bij weekopeningen op mijn vroegere school paste ik bij tijd en wijle mijn verhaal zo toe dat woorden van Anne konden doorklinken. Op 28 september 1942 schreef zij ‘Hier moeten de 7 of 12 schoonheden (niet aan mij hoor!) komen te staan, dan kan ik invullen wat ik niet, en wat ik wel bezit! 1. blauwe ogen, zwart haar (nee.) 2. kuiltjes in de wangen (ja.) 3. kuiltje in de kin (ja.) 4. driehoek op het voorhoofd (nee.) 5 blanke huid (ja.) 6. rechte tanden (nee.) 7. kleine mond (nee.) 8. gekrulde wimpers (nee.) 9. rechte neus (ja) {tot nu toe wel.} 10. leuke kleding (soms.) {veel te weinig naar mijn zin.} 11. mooie nagels (soms.) 12. intelligent (soms.). Mijn gehoor van bovenbouw havo/atheneum reageerde met joviale instemming op dit citaat, dat overigens alleen in de zogenaamde tweede versie (b) van het dagboek staat (een volgende keer wil ik het met over die versies hebben). Uiteraard stond ik met de lui voor me stil bij de toevoeging van ‘tot nu toe wel’.
Het leven van Anne werd wreed verstoord. Een passage uit versie c gaf ik vervolgens door. ‘Mijn vader trouwde pas op zijn 36ste jaar met mijn moeder, die toen 23 was. Mijn zuster Margot werd in 1926 geboren in Frankfurt a/M., op 12 Juni 1929 volgde ik en daar we volbloed - Joden zijn,emigreerden we in 1933 naar Nederland, waar mijn vader aangesteld werd als directeur van Travies N.V.. Deze staat in nauwe relatie tot de firma Kolen & Co. in het zelfde gebouw, waarvan vader mede deelgenoot is. Ons leven verliep met de nodige opwindingen, daar de overgebleven familie niet door Hitlers wetten gespaard bleef. In 1938 na de pogroms vluchtten mijn twee ooms, broers van mijn moeder en belandden veilig in U.S.A. Mijn oude grootmoeder kwam bij ons, ze was toen 73 jaar. Na Mei 1940 ging het bergaf met de goede tijden: eerst de oorlog, de capitulatie, intocht der Duitsers, waarna de ellende voor ons Joden begon. Jodenwet volgde op Jodenwet. Joden moeten een Jodenster dragen. Joden moeten hun fietsen afgeven. Joden mogen niet in de tram, Joden mogen niet meer in auto’s rijden. Joden mogen alleen van 3-5 uur boodschappen doen en alleen in Joodse winkels, waar ‘Joods lokaal’ opstaat. Joden mogen vanaf 8 uur ’s avonds niet op straat zijn en ook niet in hun tuin zitten, noch bij kennissen. Joden mogen zich niet in schouwburgen, bioscopen of andere voor vermaak dienende plaatsen ophouden, Joden mogen in het openbaar generlei sport beoefenen, ze mogen geen zwembad, tennisbaan, hockeyveld of andere sportplaats betreden. Joden mogen ook niet bij Christenen aan huis komen. Joden moeten op Joodse scholen gaan en nog veel meer van dergelijke beperkingen. Zo ging ons leventje door en mochten dit niet en dat niet. Jopie zei altijd tegen me:’Ik durf niets meer te doen, want ik ben bang dat het niet mag.’ Onze vrijheid werd dus zeer beknot, maar het is nog uit te houden.’
PITTORESKE REIS LANGS DE DODE STEDEN VAN DE ZUIDERZEE
Op de cover van het unieke journaal staat de door Jacob Eduard van Heemskerck van Beest geschilderde tjalk waarmee de bijhouder van het verslag waarschijnlijk zijn tocht langs een markant deel van de Hollandse kust in 1873 maakte. Ik heb het over het 240 bladzijden tellende, rijk geïllustreerde Pittoreske reis langs de dode steden van de Zuiderzee van de Fransman Henry Havard en van uitgeverij Mastix Press, dat recent bezorgd en vertaald werd door Lex Wapenaar.
Met de drie zoons fietste ik in de jaren zeventig en tachtig langs de boorden van het IJsselmeer en wij tweeën trotseerden weer en wind om te geraken in plaatsen die elk op eigen wijze hun lied over het water zonden. Van Marken, Monnickendam, Volendam, Edam en Hoorn tot Stavoren, Lemmer, Urk, Kampen, Harderwijk. Om na een week van intens genieten van lucht, meer en land weer te geraken aan het wijde IJ bij Amsterdam, waar onze tocht een aanvang genomen had. Nog steeds koester ik de beelden van die memorabele tour. Zo kan ik gemakkelijk gezichten vanaf de Afsluitdijk op mijn netvlies laten verschijnen. Hetzelfde kan ik doen met de silhouetten van Enkhuizen, Hindelopen, Elburg en Muiden. Ik werd in die tijd teruggeworpen, toen ik de eerste bladzijden van Henry Havard tot mij nam. Deze man verstaat de kunst met goed gekozen woorden vast te leggen, wat hij al varende aan de randen van de toenmalige Zuiderzee in ogenschouw nam. Om u de scherpte van aanschouwen, de wijdte van betrokkenheid, de diepte van kennis. de rijkdom van taal waarover Havard – hij leefde van 1838 tot 1921 – beschikte, te illustreren geef ik hem het woord. Dat doe ik via de entree van zijn tweede hoofdstuk dat de titel draagt van ‘Ons vertrek – Amsterdam vanaf het IJ – De sluizen van Schellingwoude – De Zuiderzee – De Flevum van Tacitus – Het eiland Marken’. Een volgende keer gaan wij nog eens hem op de boot volgen.
Henry Havard: ‘Wij vertrokken op maandagmorgen. Nadat de laatste zaken waren geregeld, werden de twee nationale driekleuren gehesen. De Franse en de Hollandse vlag wapperden op een zachte bries, verenigden hun plooien en vermengden hun kleuren. Het rood- bruine grootzeil werd ontvouwd en dankzij de gunstige wind vond het schip zijn koers naar de havenmond. Tien minuten later bevonden wij ons midden op het IJ. Het is een schitterend gezicht, Amsterdam vanaf het IJ. Als een zwarte strook strekt het zich uit onder een eindeloze, zachtgrijze hemel, waarin zich twintigduizend gevels lijken vast te bijten. Trots en sierlijk steken daar de torens bovenuit met hun zwarte balustraden en vrolijke carillons. Rechts toont de Lutherse Kerk haar corpulente koepel en in het midden is de zware bol van het Koninklijk Paleis zichtbaar, terwijl van de ene naar de andere zijde de belforts en klokkentorens met hun ranke, sierlijke spitsen naar de hemel wijzen en uitsteken boven de kerken die de namen van de heiligen, aan wie ze eertijds werden opgedragen, hebben afgezworen. Nu dragen ze burgerlijke namen als Noorder- en Zuiderkerk, Oude en Nieuwe Kerk. Op de voorgrond verrijzen pal op elkaar de bruine gevels van de smalle huizen, die met hun duizend wit omrande vensters nieuwsgierig kijken naar dit grote water dat de stad zoveel fortuin bracht. De grote bomen vormen een bolwerk, aan de voet waarvan een menigte beweegt van winkelaars, zeelui, handelaren en havenwerkers die allerlei taken vervullen. De matrozen zitten op de kade met de benen bungelend boven het water of hangen onverschillig over de zwarte balustrade. Ze roken allemaal, kijken peinzend zonder na te denken, zijn stil zonder te dromen. De havenwerkers laden of lossen de schepen; ordelijk en kalm, systematisch en bedaard hijsen of stapelen ze de balen. Het is een bedrijvigheid zonder haast, zonder drukte.
Dichterbij richten de schepen hun versierde masten omhoog; de grote zeilen contrasteren wit of rood met de groene en zwarte achtergrond; vrolijk stoten de stoomboten hun rookwolken uit en de scheepsbel, die de verveelde reizigers roept, doorsnijdt met zilverachtig gelui het doffe en verwarde lawaai dat deze immense mierenhoop voortbrengt. Rechts in de verte tonen zich hoge schoorstenen, enkele molens, bomen en verder weg Zaandam met de spitse toren en talloze windmolens. De zon geeft de lucht een zilveren transparantie die zich weerspiegelt in het water. De vrolijke zonnestralen hechten zich aan de ramen en de hoeken van de klokkentorens en vormen zo evenzoveel lichtpuntjes, die het diepe zwart van de gevels en de donkere majestueuze koepels accentueren. Geleidelijk echter verandert dit beeld: de huizen worden kleiner, de mensen verdwijnen, de kleuren vervagen en het geluid sterft weg. Nog enkele ogenblikken en dit heerlijke schouwspel is veranderd. De contrasterende tinten versmelten vloeiend in een blauwachtige wolk; de vormen raken onbestemd. De torens verheffen zich nog steeds hoogmoedig en hier en daar vangen ze de weerkaatsende zonnestralen, maar hun contouren verliezen zich in de parelgrijze mist die ontleend lijkt aan het palet van de oude Ciceri.’
U zult het met mij eens zijn: in 1873 was de wereld rijp om door de schilders van het impressionisme in kleur gevangen te worden.