02-03-2015

DUIZEND JAAR WEER, WIND EN WATER IN DE LAGE LANDEN

 

Voor de zesde maal in successie sla ik op de gong slaan want opnieuw mag ik u aankondigen de aankomst van een deel in een inmiddels vermaarde reeks. Het gaat om het 1040 bladzijden tellende, gul en passend geïllustreerde Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen van historisch geograaf Jan Buisman en van uitgeverij Van Wijnen dat volgens ondertitel en harde cover als deel 6 de jaren 1750 tot 1800 bestrijkt. Met als memorabele items uit die periode ‘negen ernstige watersnoden, Franse revolutie, en eerste Grondwet’. Ik prijs mij gelukkig dat ik bij het introduceren aan u van in het verleden verzonken fictieve en non-fictieve werken sinds 1995 Buisman als ijkpunt kan hanteren. Zo bij het voorleggen aan u van historische romans geschreven door Theun de Vries, Louis Paul Boon, P.F. Thomése, Thomas Rosenboom, Thea Beckman, Arthur Japin en Anne Provoost vroeg ik mij af of de scribenten zich gehouden hadden aan de werkelijk gepasseerde Umwelt. Of zij langs de voorbije realiteit schuurden.
Bij mijn beoordeling van het onderhavige werk was niet doorslaggevend het antwoord op de vraag of de auteur zich hield aan de toenmalige existentie van weer, wind en water. Maar het was voor ons wel een signaal van de prudentie waarmee hij zijn verhaalstof hanteerde en stoffeerde. Hoe vaak heb ik het magnum opus De Dikke Buisman niet van de plank gehaald om de geloofwaardigheid van de schrijver na te gaan. Van 763 (deel 1) tot 1750 (deel ). En de twee afsluitende delen zijn in de maak!

Om u het zesde wederom lijvige weerwerk in te loodsen geef ik de tekst van de uitgever op diens site; ‘In Duizend jaar weer, wind, en water in de Lage Landen geeft Jan Buisman een indrukwekkend en zeer gedetailleerd overzicht van het weer in de noordelijke en zuidelijke Nederlanden door de eeuwen heen. De jaren 1751 tot 1800 zijn uiterst bewogen, niet alleen door de vele natuurrampen (veel watersnoden), maar ook door oorlogen en vooral door de inval van de Fransen in België en Nederland, die een langdurige bezetting inleidde. Bij al die rampen en oorlogen, bijvoorbeeld in 1799 in Noord-Holland, speelde het weer een belangrijke rol. In toenemende mate zijn de gegevens over het weer uit allerlei bron bekend. Jan Buisman blijft onnavolgbaar in het tot leven brengen van de feiten. Jan Buisman werkt sinds jaren met grote vasthoudendheid aan zijn grote reeks over de geschiedenis van het weer. De hele serie gaat waarschijnlijk uit acht delen bestaan van elk tussen de 750 en 1000 bladzijden. De delen 7 en 8 staan op stapel voor resp. 2017 en 2019 - alles bij leven en welzijn! Elk van de delen kost 49,50 euro.’
 
Een van de verdiensten van deze nieuwe Buisman is dat de uit 1925 daterende auteur nog meer dan voorheen de zogenaamde kleine historie een grotere rol laat spelen. Zo’n 150 keer onderbreekt hij zijn tocht door de in historie gehulde weersomstandigheden een excursie te maken naar een happening die niet altijd met het weer van doen had. ‘Van ‘De tegenwoordige staat van Nederland’, ‘De zilveren eeuw’ tot ‘Hoe beleeft men in Venlo de laatste winter van de 18de eeuw?’ en ‘Hondsdagen’. Al jaar en dag wonen wij aan de Veerdam die uitloopt op de Merwede. Het spreekt voor zich dat ik bij mijn eerste gang door Duizend jaar… getroffen werd door de petite histoire ‘In de Merwede vangt men duizenden zalmen’. Ik citeer Buisman die uit een bron oppikte: ‘Gorinchem  - Na dat de Rivier, door het dooiweder van het Ys, ter goeder ure, bevrijd is geworden, is de Zalmvangst, hier omstreeks, zoo gezegend geweest, dat geen menschen geheugen daervan een voorbeeld beleefd te hebben, zynde, tusschen den 17. en 19. der vorige Sprokkelmaand, door de Visschers van hier, ten minsten duizend, en, door die van Hartigsveld [Hardinxveld], ver boven de twee duizend Zalmen gevangen, waer onder verscheiden boven de veertig, en zelfs eenigen boven de vyftig pond zwaer; door welken overvloed men dien Visch hier voor 13/4 st. en te Hartigsvelt voor 1 st. het pond heeft kunnen koopen.’ Nu gaan de gedachten uit naar het Zalmhuis van Jan van den Akker in mijn geboortedorp Kralingseveer, dat in 1955 gebeukt werd  door de slopershamer.

De volgende keer maken wij in het spoor van good old Buisman een trip in het verleden door de Alblasserwaard die welgeteld tien maal in Duizend jaar… genoemd en beschreven wordt. Wij geraken dan uiteraard ook in de stede Gorinchem die 25 maal vermeld wordt en maken een oversteek naar regiostad Dordrecht die bijna net zoveel keer een plaats in het markante en monumentale naslagwerk toegediend kreeg. De liefde tot zijn heem is een ieder aangeboren en in het verlengde daarvan liggen bij mijn eerste oriëntatie in Buisman mijn pleisterplaatsen. De derde keer dat wij het ‘vergane’ weer in Duizend jaar… gaan exploreren neem ik als leidraad, beter: richtingwijzer de data van mijn huisgenoten.  Om een spoor door Buisman te trekken.  Ik heb dan ook in het vooruitzicht dat in ons – om met Johan Huizinga te spreken –  het idee van een historische sensatie zal opkomen. Blikkend naar de tabellen, kaarten, prenten, tekeningen, gravures, schilderijen kwam ik al in de buurt van die gewaarwording. Wat ik wil zeggen reikt Buisman aan. 

De eerste jaren van ons huwelijk verbleven mijn vrouw en ik te Boskoop in Snijdelwijk op een etagewoning met uitzicht op de Gouwe. In ons Duizend jaar… zocht ik in het register achterin naar de plaats en vond ik twee verwijzingen waarvan ik één deels doorgeef. Onder het kopje ‘Grote branden in Wognum en Boskoop’ op blz. 80 lees is ik (wij schrijven 1753): ‘ De al vijf weken heersende droogte speelt een rol bij een brand in Boskoop. Op 25 september slaat er ’s nachts om elf uur een vlam het rieten dak van beschuitbakker Dirk van der Meer aan de zuidkant van het dorp. Het vuur grijpt door de wind snel om zich heen, stukken dak storten op nabijgelegen huizen. De vuurzee wordt gevoed door ruim vierduizend takkenbossen en een schuur met hooi en turf. Drie uur later liggen acht huizen in de as en hebben veel andere schade opgelopen. Daaronder is de herberg met daarin de Rechtkamers van Boskoop. De ijzeren kisten met papieren van de publieke kerk en de gemene armen gaan grotendeels verloren. Men kan nog enkele meubels redden, maar veel goud, zilver, koper en tin blijkt te zijn gesmolten en gebroken. De oostelijke wind is gunstig voor de huizen oostelijk aan de Gouwe. Omdat de brand kennelijk is gestuit bij huizen met harde daken (pannen) volgt er een verordening die inhoudt dat nieuwe huizen een pannendak moeten hebben. Ook worden maatregelen aangekondigd tegen het roken van tabak op het werk en langs huizen en straten.’ ‘Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen’ is een Fundgrube, een goudmijn, een schatkamer voor ons omdat wij willen weten welk weer onze voorouders boven het hoofd hing. Te bedenken daarbij het motto van Buisman ‘Het weer is de belangrijkste bijzaak in de geschiedenis’.

STEINZ

 

Een kanjer van een kolossaal werk ligt voor mij op de schrijftafel dat een geactualiseerde reprise is van een bron waaruit wij al vele malen in deze boekenrubriek al vele malen geput hebben. Ik leg voor u graag en gretig in de etalage het 560 bladzijden tellend, passend geillusreerde Steinz van Jet & Pieter Steinz en van uitgeverij Nieuw Amsterdam. Met de eclatante ondertitel ‘Gids voor de wereldliteratuur in 416 schrijvers, 104 meesterwerken, 26 one-book wonders, 52 boekwebben, 26 thema’s, 26 quizzen en 52 landkaarten.’ De komende weken wil ik vooral van mijn nieuwe generatie volgers een tocht maken door dit virtuoze naslagwerk dat ook een wonderwerk is. De lezers die mij in 2003 al op de voet volgden weten naar ik hoop, beter: aanneem dat ik laaiend enthousiast was over Lezen &cetera. Hoe vaak hebben wij immers deze luchtige en leerzame introductie tot het wereldwijde web van de fictie in de hand genomen om onze leeservaringen met elkaar uit te wisselen! Alleen, de auteur was toen solo, vader Pieter Steinz. De uit 1963 daterende Pieter Steinz wordt bij deze zeg maar heruitgave Steinz vergezeld door zijn dochter Jet uit 1990. Zij is nog maar heerlijk 25 lentes jong en mag nu al haar pa vergezellen en dit helaas om een trieste reden: Pieter is geveld door de ziekte van ALS. Wij mochten de twee bloedverwanten vorige week aanschouwen toen in DWDD Matthijs van Nieuwkerk hun vrij baan gaf om hun copieuze compendium te presenteren. En al gauw was toen de eretitel van De Dikke Steinz geboren! De nieuwe Dikke Steinz onderscheidt zich naar vorm meteen al door de omslag want die is niet eentonig in roodbruin gehuld maar beeldt boeken af. Om ons te beperken tot boeken van eigen, oorspronkelijke taal; Tirza van Arnon Grunberg en De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon. De twee staan in het goede gezelschap van o.a. Dostojevski, Dumas, Kafka en Roth. Of deze vier aan de twee daarvoor schatplichtig zijn, doen Jet & Pieter uit de doeken. Op vaak ludieke maar immer transparante en stimulerende wijze. Zeker weten.

Om de tocht door Steinz van de nodige mondvoorraad te voorzien geef ik u de tekst van de omslag, die van de inhoudsopgave en deels die van de inleiding ‘Het wijde web van de wereldliteratuur’. Deels omdat wij een volgende keer met de bagage van nu de inleiding verder citeren en de beloofde excursie gaan maken. In 2014 bij de introductie van dat (ook fenomenale) Made in Europe van Pieter Steinz zei ik: ‘grootvader P.W.J. Steinz gidste als leraar aan Koningin Wilhelmina Kweekschool mij in Museum Boijmans door de wonderwereld der beeldende kunst; kleinzoon doet dat dunnetjes over, door het el dorado der letteren.
De omslag met ‘Een introductie tot het wereldwijde web van fictie - Wat te lezen na Honderd jaar eenzaamheidHet diner of een ander favoriet boek? Hoe liep het af met Jane Eyre, en waarom is Anna Karenina zo bijzonder? Door welke romans werd Haruki Murakami beïnvloed, en wie hebben zich op hun beurt laten inspireren door zijn romans? Steinz – Gids voor de wereldliteratuur geeft antwoord op deze en vele andere vragen, aan de hand van: * 416 karakteriseringen van auteurs uit 26 taalgebieden, met aandacht voor hun beste werk, en met tips voor boeken in een vergelijkbare stijl of over hetzelfde onderwerp * 52 boekwebben, literaire schema’s rondom beroemde boeken, met een overzicht van invloeden en suggesties voor verder lezen • 104 enthousiasmerende samenvattingen van klassieken uit de wereldliteratuur, van de ‘Decamerone’ tot ‘Wolf Hall’ en van ‘Advocaat van de hanen’ tot ‘Der Zauberberg’ * 26 `one-book-wonders, auteurs die beroemd zijn om één briljant boek * 26 lijstjes met elk 13 boeken over één onderwerp *52 landkaarten die laten zien waar de meesterwerken uit de wereldliteratuur zich afspelen ideaal voor `lezen op locatie * 26 quizzen rondom literaire thema’s Een introductie tot het wereldwijde web van de fictie. Steinz  - Gids voor de wereldliteratuur, een samenvoeging, volledige bewerking en actualisering van de succesboeken Lezen &cetera (2003) en Lezen op locatie (2004), is een handboek voor de individuele lezer, maar ook een naslagwerk voor leesgroepen, boekhandelaars, scholieren, studenten en docenten. Een schat aan informatie en dwarsverbanden geïllustreerd met 182 boekomslagen.’ 

De ‘Inhoud’ geeft aan; ‘Het wijde web van de wereldliteratuur, Handleiding, Gebruiksvoorbeelden, De wereldliteratuur van A tot Z, De 104 uitgelichte meesterwerken, De 52 boeken die het middelpunt zijn van een boekweb, De 52 literaire landkaarten (‘lezen op locatie’), De 26 one-book wonders, De 26 thema’s (‘dertien boeken over …’/dertien …’, De oplossingen van de 26 literaire quizzen, Bibliografie, Register. U zult het met mij beamen: J & P hebben over alles nagedacht, ook over het getal 26!
Nu deels stuk 1:

‘Voor de 17de-eeuwse kamergeleerde Charles Du Fresne Du Cange was een dag pas geslaagd als hij een uur of twintig had gewerkt. Toen hem aan het eind van zijn leven werd gevraagd of hij het niet jammer vond dat hij altijd met zijn neus in de boeken had gezeten, antwoordde hij dat hij maar van één ding spijt had: zijn trouwdag, want toen had hij maar zes uur kunnen lezen.De tijden van Du Cange waren overzichtelijk. Op zijn laatste, 77ste, verjaardag, zal hij tevreden hebben kunnen terugkijken op zijn carrière als lezer; het totaal aan gedrukte boeken in de westerse wereld was minder dan de huidige jaarproductie van de Amerikaanse uitgeverijen. Wee de lezende 21ste-eeuwer. Zelfs hij of zij die zich beperkt tot fictie zal zich met een straffe dagindeling slechts door een fractie van de wereldliteratuur kunnen heen werken. Er moeten harde keuzes gemaakt worden: wél de Metamorfosen van Ovidius, niet De tocht van de Argonauten van Apollonios; áls Balzac, dan niet Hugo; Dickens ja, maar voorlopig even wachten met Trollope; De tandeloze tijd van A. F.Th. van der Heijden eerst, en pas na het pensioen de Movo-cyclus. Of omgekeerd natuurlijk. Gelukkig is er hulp bij de selectie: vrienden of boekhandelaren die je een niet te missen roman aanraden; bewonderde schrijvers die aanstekelijk vertellen over de boeken die hen inspireerden; recensenten die argumenterend en enthousiasmerend schiften in het wekelijkse aanbod; leraren, bibliothecarissen en veel lezers die je uitleggen wat je zou moeten lezen en waarom. En dan zijn er leesgidsen, die de fanatieke biblionaut van het ene boek naar het andere loodsen. De Good Fiction Guide van de Oxford University Press bijvoorbeeld, die een dappere poging doet om de wereldliteratuur samen te vatten in duizend auteurs en dertig genres. 1000 Books to Change Your Life van Time Out, dat de literatuur opdeelt in dertig thema’s van geboorte tot dood. The Novel Cure (‘De boekenapotheek’), waarin voor iedere kwaal of hebbelijkheid een roman wordt aangeraden. De Bloomsbury Good Reading Guide, die onder het motto ‘Discover Your Next Great Read…’ het doorverwijzen tot kunst heeft verweven — zodat je van David Mitchell terechtkomt bij Haruki Murakami en Jonathan Coe, en van Gogol bij Kafka, Tsjechov en Malamud. En niet te vergeten Lezen &cetera, de ‘Gids voor de wereldliteratuur’ die bijna twaalf jaar geleden verscheen en die de fictieproductie van Rabelais tot Grunberg presenteerde in 416 schrijverslemma’s, 104 uit- gelichte meesterwerken, 52 literaire schema’s, 52 thema’s en 26 quizzen. De netwerken en dwarsverbanden die door leesgidsen in de wereldliteratuur worden gelegd, zijn niet alleen enthousiasmerend, maar ook leerzaam; ze tonen de schatplichtigheid en de invloeden van schrijvers, en laten zien dat boeken niet in een (geografisch) vacuüm ontstaan. ‘Geen mens is een eiland’ schreef de Engelse dichter John Donne in de 17de eeuw, en voor romans en verhalenbundels geldt hetzelfde.

Schrijvers worden beïnvloed door schrijvers en beïnvloeden weer andere schrijvers. Boeken borduren voort op andere boeken, en deden dat al lang voordat ‘intertekstualiteit’, het citeren en parodiëren van hoogtepunten uit de literaire traditie, in de mode raakte. Hugo Claus, die veel succes had met een Vlaamse herschrijving van William Faulkners 'The Sound and the Fury' (‘De Metsiers’, 1950), kon wijzen op beroemde voorgangers als Vergilius (die Homeros navolgde), Shakespeare (die Ploutarchos plunderde) en Joyce (die de ‘Odyssee’ in Dublin situeerde). Maarten ’t Hart verkreeg de bestsellerstatus met een actualisering van Vestdijks ‘Terug tot Ina Damman’ (‘Een vlucht regenwulpen’, 1978) en Ilja Leonard Pfeijffer haalde zich bij zijn debuut ‘Rupert’ (2002) de verdenking van plagiaat op de hals omdat hij onder meer ‘The Waste Land’van Eliot en Lolita van Vladimir Nabokov had geparafraseerd. Ook Steinz — Gids voor de wereldliteratuur bouwt voort op andere boeken (zie de bibliografie), maar het fundament was Lezen &cetera, waarvan de laatste, marginaal herziene editie in 2006 verscheen. De snelle veranderingen op de literaire landkaart in het afgelopen decennium maakten het noodzakelijk om de tekst en vooral de keuze van de 416 schrijvers flink op de schop te gooien. In 2002, toen Lezen &cetera werd opgezet, gold Peter Høeg (en niet Jens Christian Grøndahl) als de belangrijkste moderne Deense schrijver, en werd de joods-Amerikaanse literatuur gedomineerd door Bellow, Malamud en Roth in plaats van door Chabon, Englander, Foer en Roth. Vergeten klassieken als ‘Stoner’ (John Williams) en ‘Les Thibault’ (Roger Martin du Gard) waren nog niet herontdekt, althans niet vertaald, en de Nederlandse markt voor spannende boeken werd nog niet beheerst door zogeheten oestrogeenthrillers. Carl Friedman, Mordecai Richler en Gao Xingjian waren bekende schrijvers, terwijl de carrière van Esther Gerritsen, Jhumpa Lahiri, Peter Terrin en Tommy Wieringa in de kinderschoenen stond. Van Saskia De Coster, Khaled Hosseini, Karl Ove Knausgård of Gustaaf Peek had nog niemand gehoord.’

MAGDALENA

 

Voorbije weekeinde raakte ik geheel verslingerd aan een autobiografisch relaas. Uren achtereen was ik in vervoering van het boek dat een meeslepend en indringend verslag aanreikt over het verkeren  met een ondanks alle troubles toch geliefde moeder. Het gaat om 250 bladzijden tellende, authentiek geïllustreerde Magdalena van Maarten ’t Hart en van uitgeverij De Arbeiderspers. Op de cover blikt het hoofdpersonage, doorgaans Lena genaamd ons aan via de oudste foto van moeder van de auteur. Het jonge meisje zit in de duinen met o.a. haar ouders en broer Leen en de kiek dateert uit de jaren twintig van de vorige eeuw. Magdalena en haar familie zien wij terug in het fotokatern dat de leden van de ’t Hart-clan de revue laat passeren om te stipuleren hoe van belang de veelschrijver Maarten ’t Hart zijn moeder en haar roots acht. Lena blikt vanonder een hoed wat argwanend de wereld tegemoet en zij staat zodoende meteen model voor het naar haar leven door zoonlief gecreëerde verhaal. Op de site staat de aanleiding tot de roman die echter grotendeels door Maarten ’t Hart  niet verzonnen is maar hooguit door hem af en toe naar de hand gezet is. Ik citeer: ‘Het langverwachte boek van Maarten 't Hart over zijn moeder ‘Na mijn dood,’ zei zijn moeder vaak, ‘kun je over me schrijven wat je wilt, maar spaar me zolang ik leef.’ Daarom heeft ’t Hart in zijn werk zijn moeder zo veel mogelijk uit het zicht gehouden, waardoor een enigszins vertekend beeld van zijn jeugd ontstond. Nu zijn moeder in 2012 is overleden, kan Maarten ’t Hart alsnog de wonderlijke eigenaardigheden en de onwrikbare, rotsvaste zekerheid des geloofs van zijn moeder aan een nader onderzoek onderwerpen, aldus een leemte in zijn autobiografie opvullend. En verder ‘Magdalena’ tekent een prachtig portret en liefdevol portret van moeder en zoon.’ De recensies die ik tot op heden tot mij nam illustreren, completeren, nuanceren, definiëren deze loftuiting. Ik geef door:

Janut Luis in NRC Handelsblad Boeken: ‘Heerlijk die nylonkousen en die jarretels’ – Hij stelde het uit: het laatste, liefdevolle saluut aan zijn moeder. Ze breide en borduurde, was streng in de leer, mokte over zijn vader, onthield haar zoon bijna de HBS, maar geen kwaad woord over Mevrouw ’t Hart’ -   ‘Een jeugd vol ellende en  benepenheid, maar ook ‘gouden jaren van bijna volledige symbiose’. Een spannend, net niet mooi rondgebreid portret van Maarten ’t Harts moeder.’ Jann Ruyters in Trouw: ‘Moeder was een strikt type’ – ‘Een ietwat rommelig relaas, maar vervelen doet het geen moment’.  Persis Bekkering in de Volkskrant: ‘Meer Maarten dan Magdalena’ – Zijn moeder had een ‘schijtlaarzenaard’, toch hield Maarten ’t Hart hartstochtelijk van haar, blijkt uit zijn autobiografische roman’ – ‘’Je moet geloven als een kind’, zegt moeder. Maar ik ben een kind’, zegt Maarten’. De volgende keer rakelen wij hier met elkaar deze zinsneden op.

Of Magdalena tot het genre van roman gerekend mag worden zoals Ruyters in Trouw doet, waag ik te betwijfelen. Maarten ’t Hart heeft immers geen fictie geschreven maar wilde een levensecht portret van zijn moeder geven. Eerder heeft hij ons als goedwillende lezers wel op het verkeerde been gezet en ik geef één voorbeeld. In 1978 schreef hij zijn prachtige en terecht alom bewierookte roman Een vlucht regenwulpen. De moeder van de ‘ik’, Maarten, sterft daar aan keelkanker, een doodzonde volgends twee dienstdoende ouderlingen. De realiteit heeft de verzonnen wereld pas decennia later achterhaald wanneer moeder Lena ’t Hart in 2012 overlijdt op de leeftijd van 92 jaar. Maarten vindt nu de weg vrij om ons te laten achterhalen wie zij in werkelijkheid was. Zij  wordt nu naar het leven getekend. En die grotendeels chronologisch geordende memoires geven vaak een ontnuchterend beeld. Meteen al in de Proloog waarin grootvader ’t Hart op de achtste jaardag van  kleinzoon Maarten hem  een vorstelijke meccanodoos schenkt. Moeder Lena reageert echter wanneer Maarten het geschenkwil openmaken om ermee te spelen met ‘Wat doe je nou?’ Ben je helemaal betoeterd geworden? Zo’n duur cadeau. Blijf af. Geen sprake van, afblijven. Zo’n duur cadeau, en daar wou je zomaar met je tengels aanzitten? Niks hoor, ik zet hem weg.’ Waarop moeder de meccanodoos oppakt en hem achter lakens en slopen in het dressoir zet. Vervolgens duurt het heel lang voordat er met het montagespeelgoed , bestaande uit meer dan 400 verschillende onderdelen te bevestigen met moertjes en boutjes, gespeeld kan worden. Maarten ’t Hart vervolgt dan met; ‘Dit is zomaar een verhaal uit mijn jeugd waarin mijn moeder een eigenaardige rol speelt. Ik kan meer van zulke verhalen vertellen, en zal dat ook doen. Maar het begroot mij dat daaruit licht een verkeerde indruk kan ontstaan van haar karakter. Als kind heb ik zielsveel van haar gehouden, zoveel zelfs dat ik, toch tamelijk uniek in geval van een jongen, alles wat zij deed, breien, haken, borduren, naaien, strijken, wassen, ook wilde leren en ook wilde doen, en die liefde is nooit overgegaan, in weerwil van alles wat ik met haar heb meegemaakt. Ze was geduldig en zachtmoedig. Mijn vader sloeg erop los, want in de Bijbel staat immers: wie zijn zoon liefheeft,die kastijdt hem, maar mijn moeder heeft me nooit geslagen. Ze was de zorgzaamheid zelve, onze kleding was altijd, voortdurend geldgebrek ten spijt, tiptop in orde. Ze stond dag en dauw voor je klaar. Was ze niet behept geweest met één eigenaardige waan, de waan namelijk dat mijn vader continu vreemdging, dan zou er weinig op haar aan te merken zijn geweest. Nu bracht die waan met zich mee dat ze mijn vader onophoudelijk in de gaten wou houden of wou doen houden.’ De toon van het verdere verloop is zo door de proloog goed gezet.  Alleen leefde moeder Lena niet alleen in de waan, de dwangvoorstelling van een met mokkels verkerende echtgenoot, die zelfs in de kerk zijn ogen niet van hen kon afhouden. Zij was ten onrechte  jaloers maar gaf zich ook helemaal over aan een gereformeerde geloofsijver waarin zoon Maarten zich helemaal niet kon vinden. Ook deelde hij niet met haar de bangheid voor dieren, volgers, gluurders en nieuwigheden. Vandaar zijn typering ‘schijtlaarzenaard’ van moeder.

Ik las Magdalena in één ruk uit want in mooi proza gehuld staat in elk hoofdstuk, in elk fragment, op elke bladzijde een boeiend item. Waar je ook het relaas binnenvalt overal wordt er iets aan de man of vrouw gebracht. Een handicap bij Maarten ’t Hart is echter hier dat hij zijn hoofdpersoon te veel in de weg zit. Vandaar dat Bekkering zijn recensie de titel meegeeft van ‘Meer Maarten dan Magdalena’. Een gebeuren dat deze typering onderstreept vinden wij in het laatste hoofdstuk ‘De Lange Taam’. Maarten schrijdt in de stoet achter de zwarte lijkwagen van zijn moeder naar het Maaslandse kerkhof schrijdt over de vrij brede verkeersader de Lange Taam. Als de dominee Jonker bij het graf aankondigt dat hij de ‘Apostolische Geloofsbelijdenis’ gaat opzeggen gaat Maarten zich te buiten aan het parafraseren van de zinsneden. Van ‘Ik geloof in God den Vader’ en ‘den Almachtige’ tot ‘wederopstanding des vlezes’ en ‘en een eeuwig leven’. Jonkers ‘Onzevader’ krijgt gelijke beurt. In Magdalena geeft Maarten ’t Hart een getekend, beter; een gekleurd beeld van zijn moeder. Hij kon en kan niet plaatsen het calvinistische gedachtegoed van zijn moeder. Hij zet zich daar tegen af en doet dat in vaak in spottende woorden. Ik haast mij echter te zeggen dat hij niet alleen omkijkt in verbijstering maar ook in verbazing. Zo als na het versterven van moeder hij een briefje van haar vindt met daarop ‘Geen bloemen. De kist gelijk dicht. Niet condoleren, is bij Pa ook niet gedaan. Jullie waren altijd schatten. Moe’
Om u Maartens relaas in te laten lezen geef ik het eerste stuk uit het beginhoofdstuk ‘Aanvang’.

‘Mijn moeder, Magdalena van der Giessen, werd geboren op 30 mei 1920 in Poeldijk, gemeente Monster. Zij was de eerste dochter van Arie Adriaan van der Giessen, geboren 1 augustus 1893 op Rozenburg en Magdalena de Winter, geboren 15 augustus 1896 in Hoek van Holland. Aan mijn moeder was een jongen voorafgegaan die op 8 augustus 1918 in Poeldijk werd geboren, en na mijn moeder volgden met mooie regelmatige afstanden van ongeveer twee jaar nog vijf jongens en twee meisjes. In een van haar wonderbaarlijke, meanderende monologen die mijn grootmoeder, zodra je in haar gezichtsveld verscheen, tegen je afstak, onthulde zij mij hoe zij voor elkaar had gekregen dat zij het kindertal had weten te beperken tot slechts negen stuks en hoe begrepen moest worden dat die negen elkaar met tussenpozen van twee jaar opvolgden.
'Ik wou dolgraag kinderen, en liefst meer dan een stuk of vier, maar ik wilde niet elk jaar bevallen, dat was me veel te zwaar, je doet er toch een stevig jasje van uit als je een kindje krijgt, dus hield ik elke baby zo lang mogelijk aan de borst, en zolang je een zuigmondje aan de tepel hebt, kan je man zo vurig zijn als een winterkoninkje in de rui, maar hoef je toch niet bang te zijn dat je weer in verwachting zult raken. Ik had Leen en Lena en Teun en Siem en Cor en Jan en Bep en Jaap nog wel langer aan de borst willen houden dan twee jaar, maar daar kreeg ik de kans niet voor, na twee jaar hielden ze op met drinken, behalve Aad, die heeft het gepresteerd om drie jaar te sabbelen, dus Jan is pas in '31 geboren, terwijl Aad van '28 was. En na Jaap was het afgelopen, toen kwam er gelukkig niks meer, hoewel ik toen nog maar net achtendertig was geworden. Ja. Mooi was het, alles bij elkaar, Leen van 1918, Lena van 1920, Teun van 1922, Siem van 1924, Cor van 1926, Aad van 1928, en dan opeens een gat van drie jaar, Jan van 1931, Bep van 1933 en Jaap van 1935.

Goed gedaan, Lena de Winter, zeg ik dan maar tegen mezelf, want denk maar niet dat een ander mij de hoogte zal in steken, wat ook wel weer goed is, je zou maar groos kunnen worden, maar ik wou niet dezelfde weg op gaan als de twee vrouwen van mijn schoonvader, vadertje Leen van der Giessen. Dat weet je toch wel, die had dertien kinderen uit zijn eerste huwelijk en elf kinderen uit zijn tweede huwelijk, en van die dertien uit dat eerste huwelijk werden maar liefst de laatste tien, steeds met tussenpozen van een jaar, dood geboren, en nummertje drie heeft ook maar een paar dagen ademgehaald, en na die tien levenloos geboren kindjes is de eerste vrouw van Leen zelf ook door de Heere thuisgehaald, dus toen had je opeens een weduwnaar met twee overgebleven bloedjes, mijn man Arie dus en z'n oudere zusje, en Leen is weer hertrouwd en die tweede vrouw heeft elf kinderen ter wereld gebracht, dus bij elkaar waren het er, als ik het goed optel, wel vierentwintig - stel je toch voor, vierentwintig kinderen, 't zou wat geweest zijn als ze allemaal waren blijven leven, m'n schoonvader was eendenkooiman op Rozenburg, nou, van wat daarvan overschoot had hij nooit vierentwintig mondjes kunnen voeden, dus 't was maar goed dat de Heere er zoveel wegnam. Maar de kinderen uit dat tweede huwelijk bleven allemaal wel leven, dus je grootvader had maar liefst elf halfbroers en halfzusjes. En dat in zo'n petieterig dijkhuisje op Rozenburg. Vierentwintig kinderen, het is toch wat, je zult zo'n vurige man hebben, je grootvader vertelde altijd dat zijn vader tussen de middag thuiskwam en dan na het eten opstond en zijn stiefmoeder probeerde te grijpen. Maar die probeerde uit z'n handen te blijven, en dan renden ze achter elkaar aan, om de tafel heen, een rondje of zes, zeven, het kunnen er ook acht zijn geweest, daar wil ik vanaf zijn, en dan had vadertje Leen moeder Betje te pakken, en zagen al die kindertjes hoe hun moeder het laddertje naar het zoldertje werd opgesjord en even later hoorden ze dan van dat zoldertje van die speciale geluiden komen - och, och, ja, ja, je grootvader was wel getekend, die heeft het als kind al vreselijk zwaar gehad, elf broertjes en zusjes dood, moeder dood, en een vader die zijn tweede vrouw elke dag om de tafel heen nazat omdat hij goesting had, altijd maar door goesting. Zijn eerste vrouw zal hij trouwens ook wel om de tafel heen nagezeten hebben, maar dat herinnerde je grootvader zich niet, toen was hij daar nog te klein voor. Toch hebben we hem, al die goesting ten spijt, lang mogen meemaken, want hij was van 1869 en is pas in 1960 gestorven. Maar ja, dat moet je ze wel nageven, die Van der Giessens, als ze niet al in hun wiegjes bezwijken, en daar zijn heel wat voorbeelden van, worden ze doorgaans heel oud.' 
Voorlopig tot slot, Maria Magdalena is een Bijbels figuur uit het Nieuwe Testament, waarin wordt vermeld dat zij behoorde tot de groep van vrouwen die aanwezig waren bij de kruisiging van Christus, zijn graflegging en zijn opstanding. Met het portret Magdalena is onze literatuur weer een ’Maarten t Hart rijker geworden!

JEZUS!

 

De titel van de eenmalige uitgave draagt als finish een uitroepteken, dat in het colofon meteen verklaard wordt. Er staat daar ‘Veel beroemdheden kregen hun eigen glossy. Maar de bekendste persoon op aarde nog nooit’. Ik leg u voor u op de tafel de 130 bladzijden tellende glossy Jezus! onder hoofdredactie van Arthur Japin en een uitgave van LenteMedia. Het kijk- en leesalbum voldoet in optima forma aan de eisen die u en ik aan dit type tijdschrift kunnen stellen. Want Jezus! kent de outfit van een glimmende, glanzende (glossy) opmaak en er wordt gebruikgemaakt van veel foto’s op doorgaans zwaar glanzend papier daarmee een luxueuze lifestyle suggererend. Op de voorzijde van de cover zien wij het gelaat van de Bijbelse hoofdpersoon Christus in een moderne outlook en op de achterzijde blikken wij tegen het met lange haren gesierde achterhoofd met daaronder de wervende woorden van hoofdredacteur en uitgever. Ik neem over: Jezus! is verschenen… Muziek, mode, vergeving, koken, tattoos. Met Goedele Liekens, Leo Blokhuis, Hans Aarsman, Bram Bakker en Ben Tiggelaar. De eerste glossy met een 3d-pelgrimsreis. ‘Het is niet wat u verwacht. Geloof me’ (hoofdredacteur Arthur Japin). Een volgende keer zullen wij hier met elkaar nagaan wat de inbreng is van deze vijf gastschrijvers en zullen wij traceren of de woorden van de uit 1956 daterende acteur en romanschrijver echt opgaan. Wat dat laatste betreft: ik denk van wel, Hoewel Japin zijn intro de titel meegeeft van ‘Het zou niet in me opkomen een blad over Jezus te kopen, laat staan om er een te maken’. De man in bonus badineert wat en hoopt intussen wel volgens zeggen met uitgever Peter van Dijk op een verkoop van minstens 40.000 exemplaren om uit de productiekosten van 100.000 euro te geraken. Op de omslag staat dan ook heel gul en gretig dat de glossy over de beroemdste man ter wereld voor nog net geen acht euro overal te koop is.

Om u een indruk te geven van Japin en de zijnen geef ik u de intro’s bij wat stukken. Maar ik haast mij te zeggen dat de bijbehorende beelden meer sprekend en vaak nog meer veelzeggend zijn! Op blz. 34 staat ‘Pilatus? Die moet Versace aan – In de verhalen van Jezus vind je nogal wat opvallende types. Van superfout tot supersympathiek. Hoe zouden zij vandaag de dag eruitzien? Styliste Dineke van den Heuvel verdiepte zich in Petrus, Pilatus, Maria en anderen. Met kleding die u gaf aan het Leger des Heils.’ De portretten van acht personages volgen. Een paar bladzijden lezen wij onder het kopje ‘Maria Magdalena, had Jezus een relatie?’ van Theanne Boer ‘Dan Brown was er in ‘De Da Vinci Code’ heel stellig over: Jezus had een relatie met Maria Magdalena en ze kregen zelfs een dochtertje. De Bijbelse biografieën zeggen daar niets over, maar vertellen wel dat Jezus bevriend was met vrouwen. Zou daar iets gebeurd kunnen zijn? Had Jezus een liefdesleven of deed hij daar niet aan? ‘ en ‘De angst voor seks is ook maar bedacht door kerkleiders’. Op blz. 74 nemen wij ons tot ons de intro’s ‘Gespuis in het heiligdom – Als je je ziel aan de duivel verkoopt, word je een geniale gitarist. Als je je hart aan Jezus geeft, ga je vlakke praisemuziek maken. Jezus en de duivel spelen beiden een grote rol in de popmuziek, en op het eerste gezicht lijkt de duivel de grote winnaar als het gaat om creativiteit en impact. Met popprof Leo Blokhuis op pelgrimstocht langs dronken dominees, brave borsten en een vrouw met ballen’.  Op woorden van Jezus geïnspireerde tegeltjeswijsheden, de opbouw en entourage van de crucifix, in- en uitgaande kloosterzussen, gesuggereerde afbeeldingen van Jezus, vrouwelijke predikheren, menu uit het jaar nul, zoekplaat, cartoons, gadgets, de woestijnervaring van Arthur Japin, Volg Jezus met je smartphone, pelgrimstocht. Vrije dagen dankzij Jezus. Enkele titels uit de Jezus!-glossy zijn het. Daarbij is het immer het motto; de spot drijven doen Japin c.s. niet.

Een paar dagen terug mocht ik bij u de autobiografische roman Magdelena van Maarten ’t Hart en van De Arbeiderspers introduceren. De in Maassluis geboren (1944) en getogen, nu in Warmond zijn domicilie hebbende schrijver maakt met de in zijn ogen calvinistische God van zijn moeder af. Volgers van mij onder u verstaan niet wat ik te doen heb met de vermeende godloochenaar. Ik zeg maar weer eens: geen auteur kan mij God en Jezus ontnemen. Arthur Japin ook niet en is overigens niet zijn optie. Wel geeft hij een actuele look van Jezus in Jezus!

DE MULISCH MYTHE

 

Het geschiedde nog maar een paar uur terug: man van de post Ruud reikte mij pakketje aan waaruit ik even later een bij voorbaat boeiend boek schoof. Ik kreeg in handen het 478 bladzijden tellende De Mulisch Mythe van Sander Bax en uitgeverij Meulenhoff met de ondertitel ‘Harry Mulisch: schrijver, intellectueel, icoon’. Het vuistdikke gebonden werk werd begeleid door een brief van amice Marc van Biezen die wij in onze rubriek al jaar en dag als vaste gast en pleitbezorger van goede boeken mogen begroeten. In de Proloog licht de universitair docent Literatuurwetenschap, Cultuurgeschiedenis en Vakdidactiek Nederlands aan de Universiteit van Tilburg zijn subtitel toe: ‘Er ligt een complexe dynamiek ten grondslag aan Mulisch’ schrijverschap. Gedurende zijn gehele loopbaan dacht hij kritisch na over de telkens veranderende maatschappelijke positie van de schrijver. De rode draad van dit verhaal wordt gevormd door drie versies die Mulisch van zichzelf presenteerde: de schrijver als beroemdheid, de schrijver als publieke intellectueel en de autonome afwezige schrijver. De drie versies van Mulisch beschouw ik in dit boek als (zelf)beelden die Mulisch creëerde om antwoord te geven op de vraag hoe hij zich als schrijver in de tweede helft van de twintigste eeuw moest opstellen. Het schrijverschap verandert in deze periode fundamenteel van karakter. Met zijn optreden belichaamt Mulisch de dilemma’s die dat met zich meebracht. In elke levensfase was Mulisch op zoek naar een nieuwe verhouding tussen deze drie publieke figuren, die soms hand in hand gingen, maar die elkaar ook nogal eens in de weg staan.’

Nu al wil ik u melding maken van de existentie van De Mulisch Mythe omdat mijn bestaan als goedwillende lezer meer kleur kreeg door de publicaties van Harry Mulisch die het levenslicht aanschouwde van 1927 tot 2010. Van puber af aan ben ik in de ban van hem. Zozeer zelfs dat ik in mijn jaren van studie een scriptie aan hem wijdde. De titel was kortweg ‘Harry Mulisch’, het motto ‘Alles is mogelijk. Wat mogelijk is, gebeurt. Alles gebeurt.’, de dikte 46 foliovellen en het jaar van tentamen 1960. In mijn ‘Inleiding’ verwoord ik mijn uitgangspunten bij mijn studie over het werk van Harry Mulisch: het gaat eerst en vooral om het oeuvre van de man, het kunstwerk moet ongeschonden blijven dus geen of weinig kritiek, geen samenvattingen en respect voor het werk dat niet in enkele zinnen vastgelegd kan worden. Bij het schrijven aan het werkstuk kreeg ik zin een verzoek te doen aan Mulisch om mij eens bij hem thuis in Amsterdam voor een gesprek uit te nodigen. Op 7 januari 1960 kreeg ik een sympathiek kattebelletje met daarop: ‘Beste Kaptein. Het spijt mij,dat ik op het ogenblik niet op je verzoek kan ingaan, ik heb het te druk. Maar ook zonder mij zul je het klaarspelen, daar ben ik van overtuigd. Sukses met je studie!’ Gevolgd door de handtekening ‘Mulisch’. De reactie stelde mij lichtelijk teleur maar de toonzetting ervan kwam goed over. Opnieuw nam ik de meer dan twintig chapiters van mijn ‘Harry Mulisch’ tot mij en ik stel u voor dat wij de komende keren het gedachtegoed van Bax en van mij naast elkaar leggen.
Om de gedachten te bepalen memoreer ik deels het werk van Mulisch, dat sinds zijn start als schrijver in 1952 en tot mijn afronding als student in 1960 gepubliceerd werd.

Archibald StrohalmChantage op het levenHet mirakelDe diamantHet zwarte licht,  Het stenen bruidsbed ik kom ze tot mij nemen. Twee vrouwenOude luchtDe aanslagHoogste tijdDe ontdekking van de hemel moesten nog van de door velen (waaronder ego)  bewierookte en door weinigen verguisde auteur komen. De hoofdstukken uit mijn scriptie: Reactie op het onmogelijk geworden bestaan, Het verlossermotief, De elementaire beweging, Wegvagen van eeuwenoude tegenstellingen, Het postlogisch denken, Het autonome verhaal, Is een schrijver iemand?, Geen absolute waarheid, Geen onlust aan het leven, Angst voor de dood, Verbazing over de mens en de natuur, De relatie van Mulisch tot gebeurtenissen in de natuur en in de maatschappij, Het symbolisme in zijn werk, Het verleden, De verticale tijd, De eenzaamheid, De stilte, Tegen de fatsoensmens, Humor en ernst, Mulisch en de experimentele dichters, Mulisch en het huwelijk, De verhouding Mulisch-hoofdpersoon.
De titels en subtitels van de vijf bedrijven uit De Mulisch Mythe van Sander Bax:

1 De geboorte van een schrijver
    1  De eerste schreden
    2 Wie is de schrijver?
    3  Een nieuwe literatuur?
2 De schrijver en het publiek
    4  De Tweede Wereldoorlog
    5  Bekende Nederlander
    6  Suiker voor Castro
3 Terug naar de mythe
    7 Writer’s Block
    8 De mens en de media
    9 terug naar de roman
4 De schrijver als schepper
   10 Bestsellerschrijver
   11 De schrijver als God
   12 De ontdekking van de hemel
5 De grote schrijver
   13 De Nobelprijs en de Europese droom
   14 Het trauma van de twintigste eeuw
   15 De dood van de schrijver.

Aan u en mij de uitdaging om te traceren welk beeld Harry Mulisch in zijn oeuvre tussen 1952 en 1960 in zijn romans en verhalen indirect opriep en welke beeld hij creëerde in  en buiten zijn werken daarna. Harry Mulisch is naast Willem Frederik Hermans de auteur wiens boeken ik alle las. Het is de verdienste van Sander Bax dat hij ten aanzien van deze schrijver, intellectueel, icoon met redenen omkleedt waarom hij binnen en buiten zijn literaire werk van zich deed, en gelukkig en terecht: doet spreken. Lof voor Meulenhoff voor deze uitgave!