Piet Kaptein’s Cultuurmix

02-01-2018

DE PELIKAAN

Het geluk was mij de voorbije kerstdagen beschoren: ik begon te lezen in het nieuwste boek van een schrijver die ons vorig jaar zo bekoorde met zijn novellenbundel Rivieren. Ik nam het eerste van de vijf bedrijven tot mij en werd opnieuw bepaald bij de schoonheid van een meeslepend verhaal dat gedempt is in prachtig proza. Het gaat om een 200 bladzijden tellende roman, de hardcover De pelikaan van Martin Michael Driessen en van Uitgeverij Van Oorschot met de ondertitel ‘Een komedie’. Ik haast mij te zeggen dat de subtitel ons op het verkeerde been dreigt te zetten, want ondanks de fijne humor die er steevast in tintelt schuren goed en kwaad voortdurend door elkaar en langs elkaar heen. Het eerste stuk van De pelikaan, dat ik u aanreik om ‘in the mood’ te komen etaleert dat. Ik wil u die humor op heterdaad laten betrappen, maar eerst geef ik de tekst van de uitgever op de wikkel en doe ik u de belofte dat wij elkaar in de loop van januari wederom om dit fantastisch mooi geschreven verhaal over een driest verlopende vriendschap ontmoeten.

De lotgevallen van de twee hoofdpersonages, Andrej en Josip, worden vanaf op afstand, van de zee. gevolgd door trekkende onaangedane pelikanen. Ik heug me nog de jonge dag dat ik in de ban raakte van de woorden en zinnen in het verhaal Peerke en z’n kameraden van W.G. van de Hulst. Ik prijs mij gelukkig dat ik sindsdien boeken tot mij mag nemen die een intrigerend verhaal in bekoorlijk proza weten te vatten. De pelikaan is zo’n boek. Zeker weten: u gaat smullen van ware literatuur, naar vorm en naar inhoud!

Van Oorschot: ‘Andrej is postbode in een slaperig stadje aan de Adriatische kust in communistisch Joegoslavië. Josip is verantwoordelijk voor de kabeltrein naar het heldenmonument boven op de heuvel. Hij is ongelukkig getrouwd en houdt er een minnares op na. Amateurfotograaf Andrej weet beelden van een amoureuze ontmoeting vast te leggen en begint Josip ermee te chanteren. Kort hierna ontdekt Josip dat postbode Andrej brieven open stoomt en geld steelt. Om aan de verwachtingen van zijn onbekende chanteur te voldoen begint hij op zijn beurt Andrej te chanteren. Intussen kabbelt de blauwe zee rustig door. Met een gedegen blik op beider geestesgesteldheid en met empathie zet Martin Michael Driessen zijn hoofdpersonen vast in een parabel van wederzijdse gebondenheid. Deze roman toont tegen een achtergrond van kapitalistisch hoogstandjes als gokken en knevelarij in laat-communistische Joegoslavië Driessens ongeëvenaarde vermogen alledaags leven te verheffen tot opwindende literatuur.

Martin Michael Driessen: ‘De kleine stad aan de Adriatische kust had ooit deel uitgemaakt van het Ottomaanse en toen van het Habsburgse rijk en behoorde nu tot Joegoslavië. Er was nooit veel veranderd en als de postbode Andrej zijn ronde honderd jaar eerder had gemaakt zou het door vrijwel dezelfde stad zijn geweest als nu. Vervallen huizen waren vervangen door eendere, in dezelfde bouwstijl; alleen hoger op de grijze hellingen lagen nieuwbouwwijken met betonnen flats, die echter buiten zijn revier vielen want Andrej bezorgde de post in het oude gedeelte van de stad, de wirwar van stegen en gangetjes boven de havenboulevard die, stedenbouwkundig gezien, hoogstens interessant was vanwege het na de oorlog aangelegde Plein van het Volk en de voormalige aartshertogelijke residentie. De boulevard werd door een lange rij palmen opgesierd die ooit ter ere van een bezoek van Tito waren geplant. Het parkeerverbod was bij ontstentenis van veel toerisme eigenlijk geheel overbodig, en werd dan ook sinds jaar en dag genegeerd. De vissershaven was pittoresk, de blauwe kustlijn ten noorden en ten zuiden van de baai eveneens; er was een kabelspoorweg, en het stadje kon op een klokkenmuseum zonder weerga bogen. Ondanks deze bijzondere kwaliteiten was het een muurbloempje van de Europese geschiedenis. Hier gebeurde niets, het stadje had de ene generatie na de andere voortgebracht en begraven, zonder dat één van zijn kinderen naam had gemaakt in de wereld. Misschien waren juist de ogenschijnlijke attracties hem fataal geworden: fraai, maar te klein en ook weer niet mooi genoeg om met steden als Zadar en Dubrovnik te concurreren. Al honderd jaar in reisgidsen aangeprezen, werd het stadje nooit echt populair. En het had nog steeds geen industrie, nauwelijks handel, en de kuststrook was agrarisch gezien vrijwel onbeduidend.

Andrej speelde in zijn jonge jaren in het eerste voetbalelftal, eerst als spits en later als keeper. Afgezien van het klokkenmuseum waren het vooral de pelikanen die het stadje allure gaven. Het waren roze pelikanen, die elk jaar terugkeerden en bezit namen van de boulevard; onwaarschijnlijke creaturen, haast messiaans in hun verschijning, die zich een paar maanden lieten voederen eer ze naar Afrika terugkeerden.
De huizen hadden allemaal hoge plafonds en ramen met luiken ervoor, van zwaar hout, met kleine spleten tussen de lamellen, die alleen in de koele avond. en ochtenduren met haken tot een kier werden geopend. Alle trappenhuizen waren als met opzet smal en bedompt; het ging er niet om ergens heen te gaan of ergens vandaan te komen; men bleef bij voorkeur waar men was. Het elektriciteitsnet was voorwereldlijk. Het bestond uit een bedrading die noch afdoende geïsoleerd, noch planmatig aangelegd was, en dateerde van zo lang geleden dat de bewoners van het stadje het als een soort atavistisch wortelwerk beschouwden, dat ze liever ongemoeid lieten. Dat gold ook voor waterleiding en riolering. Het stadje had voorts nog een hondenrenbaan, die ten oosten van de zoutbekkens op een stoffig veldje lag en niet makkelijk bereikbaar was. De kabelspoorweg was in 1892 aangelegd door dezelfde ingenieur die de beroemde Nerobahn in Wiesbaden had gebouwd: een technisch wonder, dat de driehonderd meter hoogteverschil tussen het dalstation en de orthodoxe kerk op de heuveltop zonder motoraandrijving overwon, dankzij het gepatenteerde principe van waterballast in de dalende wagon, die door het toegevoegde gewicht een tweede wagon naar boven trok. Het reservoir werd op peil gehouden met water uit het stuwmeer hogerop in het gebergte, zodat de baan vrijwel zonder kosten opereerde. Het probleem van de voormalig volkseigen attractie was dat bijna niemand er gebruik van maakte. De enige die dagelijks het socialistische heldenmonument bezocht dat nu de plaats van de in de oorlog verwoeste basilica innam was Josip Tudjman, de machinist en conducteur van de kabelspoorbaan, die er zijn lunchpauze doorbracht. Normaal gesproken bediende hij de baan alleen, wat betekende dat hij vanuit het dalstation het steile pad op moest om de boven geparkeerde wagon met waterballast te vullen en daarna weer af te dalen om het loket te bemannen. De oorspronkelijke dienstvoorschriften vereisten dat beide wagons te allen tijde een machinist aan boord moesten hebben, maar tegenwoordig mocht de wagon die geen passagiers vervoerde onbemand blijven.

Josip woonde op een steenworp afstand van het dalstation en zou dus evengoed tussen de middag naar huis kunnen gaan, maar hij was ongelukkig getrouwd en gaf er de voorkeur aan het loket voor een uur op slot te doen en zichzelf in een van de mahoniehouten wagons naar boven te transporteren om dat uur alleen door te brengen. In feite was hij zelf een van de meer dan levensgrote vaderlandse helden die in bronzen bevlieging met vooruitgestoken bajonetten de sokkel af leken te stormen waarop hij zijn broodtrommeltje uitpakte; want hij was een veteraan, gedecoreerd met de Orde van het Volksleger, en dat was ook de reden dat hij dit baantje had gekregen. Als hij boven op de grijze heuvel zat, zijn salami kauwend en uitkijkend over de rimpelloze zee en de stad aan zijn voeten en het lijnrechte dubbele spoor van zijn kabeltrein, ging er niets in hem om. Dit was Josips favoriete gemoedstoestand want als er wel iets in hem omging, waren het zorgen; om zijn kind, om wat de vrouw die het gebaard had hem nog meer zou kunnen aandoen. Zolang er niets gebeurde, gebeurde er tenminste niets slechts. Hij zette zijn pet af en leunde tegen de bronzen laars van een held. Om precies twee uur vulde hij het reservoir van de wachtende wagon, zette de baan in beweging en daalde af om het loket weer te bemannen. Soms daalde hij te voet de helling af, om zich een hernieuwde klim te besparen. Hij had ook een licentie om staatsloten te verkopen, en voor de kiosk stond een draadijzeren molentje met tijdschriften, die weinig opbrachten maar hem ook niets kostten. De enige die iets anders afnam dan de plaatselijke krant was de postbode Andrej; die kocht niet alleen elke week een lot maar wilde alles waar een kleurenfoto opstond, liefst van prinses Diana.

Andrej was erg groot, wat hem nochtans als keeper niet veel voordeel had verschaft omdat hij onhandig en in wezen niet sportief was. Hijzelf had zijn meer dan gemiddelde lengte altijd als iets bijzonders beschouwd, tot hem duidelijk werd dat die net als zijn zeer grote neus en zijn enorme schoenmaat eerder belachelijk werd gevonden. Dat had hij de mensheid nooit vergeven.
Hij had elke dag een uur of vijf nodig om te post te sorteren en rond te brengen; dat laatste deed hij bij voorkeur midden op de dag en niet in de koelte van de ochtend. In de middag namelijk sliep bijna iedereen achter gesloten luiken en had hij het rijk voor zich alleen, op een paar katten na. Hij had een fiets met een hoog frame, een dubbele stang, een krat voor pakketjes boven het voorwiel, en twee gevulkaniseerde tassen aan weerszijden van de achtervork. Andrej zag zich als de man die het stadje met de buitenwereld verbond, hoewel er niet veel postverkeer was. Hij duwde zijn zware fiets met de meestal bijna lege tassen door de steilste stegen, droeg hem waar nodig traptreden op, en reed aan het eind van zijn ronde via de geasfalteerde Nikole Zrinskog weer omlaag naar de haven, waar hij woonde. Dan pas nam hij zijn zwarte pet af en ketende de fiets, die eigendom van de posterijen was, aan de tralies voor het raam van zijn souterrainwoning. Hij was al vroeg in zijn carrière begonnen post te openen. Hij stelde zich graag voor dat maarschalk Tito hem onderscheiden zou hebben omdat hij waakzaam was geweest en een kapitalistisch complot had verijdeld. Hij stoomde de enveloppen open in zijn keukentje en gomde ze, na de inhoud bestudeerd te hebben op het formica tafelblad, weer zorgvuldig dicht. Al had hij nooit iets van enige betekenis ontdekt, toch schonk het vakkundig verrichten van deze bezigheden hem veel voldoening. Maar Tito was allang dood, net als Gracia van Monaco, en sindsdien was de wereld niet meer dezelfde.

DE PELIKAAN

THE HOLOCAUST, ISRAEL AND ‘THE JEW’

Een diep verontrustend verslag uit het dagelijkse leven, een zeer kwalijk relaas uit het normale bestaan, een zware aanklacht, een driest verhaal leg ik voor u neer. Het trieste thema van dit uit het gewone bestaan gegrepen journaal wordt verbeeld door de foto op de omlag; een poster in het straatbeeld voor de musical ‘Yours, Anne’ is beschimpt met de kreet ‘PaleSStina’. Ik heb het over de 598 bladzijden tellende, adequaat geïllustreerde paperback The Holocaust, Israel and ‘the Jew' van Remco Ensel en Evelien Gans en van Amsterdam University Press met de ondertitel ‘Histories of Antisemitism in Postwar Dutch Society’. Door mijn introducties aangaande boeken aan u loopt als een rode draad; het leed de Joodse burgers aangedaan omdat zij het erop gewaagd hadden als Jood of Jodin geboren te worden. In The Holocaust, Israel and ‘the Jew’ wordt manifest dat ook in ons land, waaruit in de oorlogsjaren bijna zonder protest Joden moesten vertrekken, de zin tegen de Semieten bij heel wat mensen bleef. Ik kon mij niet inleven in de gedachten van de antisemieten, omdat het niet aangaat mensen te veroordelen vanwege hun roots. Dat schurken aan de schandpaal gehecht worden, kan ik mij voorstellen, maar dat gewone medeburgers gedoemd zijn afgestraft te worden door hun origine, heb ik nooit kunnen vatten. Toch is het boek The Holocaust, Israel and ‘the Jew’ er niet zomaar, het is veeleer een teken aan de wand.

Nu moet ik u bekennen dat mij kennis van het Engels niet verder reikt dan die van de HBS van zoveel jaar geleden. Mijn schoolengels kan de reikwijdte van The Holocaust, Israel and ‘the Jew’ niet naar behoren bevatten en derhalve volsta ik in eerste instantie met het integraal  doorgeven van de recensie zoals die onlangs  van de hand van Maurice Swirc in NRC Handelsblad verscheen. Onder de titel en subtitel van  ‘Naoorlogs antisemitisme verklaard’ en ‘Antisemitisme is in naoorlogs Nederland vaak vermomd als kritiek op Israël. Activistische migranten, het Palestina Komitee en voetbalhooligans lieten zich ook niet onbetuigd.’ Met een knipoog naar de voor velen nog lopende vrije dagen verzoek ik u mij te berichten over uw vaardigheden in de Engelse taal. De volgende keer geef ik u de tekst van de uitgever op de omslag.

Maurice Swirc: ‘‘Een antisemiet is iemand die meer hekel heeft aan Joden dan nodig is’, verklaarde de Israëlische president Shimon Peres tijdens zijn bezoek aan Nederland in 2013. Het is misschien wel de mooiste definitie van antisemitisme. Juist door de ironie is het een vrij accurate beschrijving van een onderwerp dat in het publieke debat vrijwel altijd zorgt voor hevige emoties. Weinig beschuldigingen zijn sinds de Tweede Wereldoorlog immers zo zwaarbeladen als iemand betichten van antisemitisme, constateert Evelien Gans in The Holocaust, Israel and ‘the Jew’, een Engelstalig overzichtswerk van naoorlogs antisemitisme in Nederland. Tenzij het politiek georganiseerd antisemitisme betreft – met de officiële oproep Joden te vervolgen – wordt de conclusie dat sprake is van een antisemitische uitspraak al snel bestempeld als een schandalige, onterechte beschuldiging. De deels chronologische, deels thematische behandeling in dit boek komt de overzichtelijkheid niet altijd ten goede. Zo bevat het twee hoofdstukken over de Nederlands-Turkse gemeenschap, zonder inhoudelijke afbakening. Wel biedt het een rijk palet aan onderwerpen, zoals voetbal gerelateerd antisemitisme, Jodenhaat in neonazistische kring, de rol van Theo van Gogh, discussies over herdenken en antisemitisme in links-activistische kring. Ook de uiteenlopende wijze waarop Joden zelf op antisemitisme reageren krijgt aandacht. Gans concludeert dat twee elementen in de naoorlogse geschiedenis een sleutelrol vervullen: de vanuit de Nederlandse samenleving verwrongen omgang met de herinnering aan de Holocaust en de verhouding tot Israël waarbij antisemitisme zich vermomt als Israëlkritiek. Tegelijkertijd beschrijft zij de lastig te bepalen grens tussen antisemitisme en legitieme kritiek op Israël.

Het fascinerendst zijn de hoofdstukken over de komst van activistische migranten uit Marokko die hun antizionistische denkbeelden meenamen. Voor hen was Israël een ‘koloniaal feit’ en op geen enkele wijze de uitkomst van een emancipatiestrijd van Joden. Deze uitleg van Israëls bestaan sloot perfect aan bij de anti-imperialistische atmosfeer die in de jaren zestig wereldwijd en vogue was in progressief-activistische kring. Het leidde tot een symbiotische ontmoeting.

De oude strijd tegen repressie en machtsongelijkheid op nationaal niveau werd nu geprojecteerd op de relaties tussen West-Europa en de Derde Wereld. Het zionisme zou bijdragen aan de wereldwijde repressie van volkeren. Het in 1974 opgerichte KMAN, Komitee Marokkaanse Arbeiders Nederland, was jarenlang de belangrijkste Marokkaanse organisatie in Nederland – met de latere GroenLinks-politicus Mohammed Rabbae als bekendste voorman. Samen met het Nederlands Palestina Komitee vormde het KMAN het hart van het pro-Palestijnse protest, onder meer middels gezamenlijke manifestaties, beschrijft cultuurhistoricus Remco Ensel, mede-samensteller van het boek. Tijdens pro-Palestijnse manifestaties in de jaren tachtig traden bandjes op als het Nijmeegse Volluk met nummers over ‘het ware gezicht van het zionisme’ waarbij Israëli’s aan nazi’s werden gelijkgesteld. In een liedje over de slachtpartij in Sabra en Shatila in 1982 bezong Volluk de nazi-concentratiekampen: ‘In Auschwitz en in Maribor, Dachau en Treblinka/ Stierven dezelfde mensen als in Sabra en Chatilla/ Maar laat het geschreeuw van zes miljoen Joden het geschreeuw niet overstemmen van [die] 1500 Palestijnse doden.’ Vanuit Marokko werd regelmatig de folkband Nass el Ghiwane overgevlogen met hun evergreen over Sabra en Shatila: ‘Oh wereld, er is een moordenaar onder jullie/ Oh wereld, onder jullie is zegevierende minachting’, zongen zij, verwijzend naar de eeuwige Joodse samenzwering.
Sinds de Tweede Intifada in 2000 doen – vooral via social media – verhalen de ronde over het zionisme als fascistische ideologie die als doel heeft de wereld te beheersen. Als tweede generatie migranten zich verzetten tegen de machtsstructuren van de Nederlandse samenleving, beschouwen zij ‘de Jood’ als symbool van de macht die zij bestrijden, beschrijft Ensel.

Dit boek maakt inzichtelijk hoe het huidige protest van deze jongeren gerelateerd is aan de KMAN van de jaren zeventig en tachtig. Precies daarom is de nauwgezette beschrijving van de symbiose tussen activistisch links en migranten vanaf de jaren zestig zo betekenisvol: het helpt antisemitische uitingen vandaag in onder meer migrantengemeenschappen beter te plaatsen.
Aan de rol van de islam als religieuze bron van Jodenhaat besteedt Gans, in tegenstelling tot andere auteurs in het boek, nauwelijks aandacht. Dat lijkt geen ongelukje. Zij geeft bijvoorbeeld expliciet aan niet de motieven te willen onderzoeken van aanslagplegers op Joodse doelen. Dat is een opvallende omissie. Je hoeft geen islamexpert te zijn om ook religieuze aspecten te betrekken in een onderzoek.Wel wijst zij terecht op het gevaar dat door de focus in de media op Jodenhaat uit islamitische hoek, autochtoon antisemitisme wordt onderschat. Het boek schetst antisemitische tendensen in de Nederlandse samenleving als geheel, maar biedt ook ruim aandacht aan neonazi-achtige groeperingen. Nu populistisch-nationalistische politici de wind in de zeilen hebben, voelen neonazi’s en aanverwanten zich gesterkt in hun positie, constateert Gans in de epiloog. Partijen zoals het Front National maar ook de PVV profileren zich intussen graag als pro-Israël. Daarbij wijst Gans op het voorwaardelijke karakter van die liefde. Wilders kan het vooral goed vinden met Joden die zijn rechtse ideeën delen. Over progressieve Joden toont hij graag zijn ‘walging’. Toen Marokkaanse voetbalhooligans zich misdroegen eiste hij niet alleen een lange gevangenisstraf, maar vond dat zij eerst voetbalstadions schoon zouden moeten maken met eigen tandenborstels. Het is een associatie met de iconische foto van Oostenrijkse Joden die in 1938 een straat in Wenen schoonmaken, onder toeziend oog van nazi’s. Wilders maakt vooral ‘instrumenteel’ gebruik van Joden en het stereotype van ‘de Jood’ in zijn strijd tegen de islam. Zo maakt dit overzichtswerk telkens opnieuw duidelijk hoe Joden voor een breed scala aan doelen worden ingezet, door iedereen: van voetbalhooligans en grachtengordelbewoners tot hoogopgeleide Marokkaanse Nederlanders.

THE HOLOCAUST, ISRAEL AND ‘THE JEW’

DE SCHILDERS VAN DRENTHE

Een kijk- en leesalbum dat voor mij niet alleen een baken is van geschilderde schoonheid maar ook een anker is van nostalgie leg ik voor u neer. Het boek verbeeldt en verwoordt de locaties die wij als gezin meerdere malen in vakanties frequenteerden. Ik heb het over de 240 bladzijden tellende, mooi en rijk geïllustreerde hardcover De Schilders van Drenthe van Annemiek Rens en van uitgeverij W Books in samenwerking met Drents Museum. Ik betrapte mij, al kijkende en lezende door dit schone werk, erop dat ik uit sensuele sensatie over de afbeeldingen met de hand streelde. Bij mij kwamen herinneringen op aan de vele weken die wij decennialang op de vakantieboerderij van de familie Tip aan de Ermermarkerweg in het Drentse Veenoord mochten vieren. Zo fietsen wij met ons vijven in de  zuidoosthoek van de provincie Drenthe de Runde-route, de Bruingoudroute, de Emmelkamproute, de Route Het Zwarte Goud, de Klenckeroute en de Moscouroute. Ik zeg het nu anders met een wenk naar De Schilders van Drenthe: wij peddelden door het land van veen en turf dat Vincent van Gogh in 1883 zo grijs, grauw, grimmig, geweldig vastlegde op stukken  als ‘Ophaalbrug in Nieuw-Amsterdam’, ‘Veenstammen’, ‘Heide met kruiwagen’. ‘Twee vrouwen in het veen’ en ‘Boerderij met turfhopen’. De vijf gloriëren in ‘De Schilders van Drenthe’. Een paar jaar terug mocht het hier met u hebben over De Grote Van Gogh Atlas van Nienke Denekamp en René van Blerk. Wij verwijlden toen lang voor het doek ‘Ophaalbrug in Nieuw-Amsterdam’, dat nu in Groninger Museum aan de wand door zijn eenzaamheid en triestheid imponeert. Van Gogh verbleef  de herfstmaanden in het logement van Hendrik Scholte.

Het wil dat wij tijdens onze vakanties onze versnaperingen vaak haalden in een restaurant aan de Schooldijk in het tweelingdorp Veenoord-Nieuw-Amsterdam, dat nu deels het Van Gogh Huis is. Met elkaar maar ook met de door ons geïnviteerde  families Van Toor, Bol, Kooiman en Benard  bezochten wij stekken als Sleen, Schoonoord, Tynaarloo, Rolde, Emmen en Eext om in hunebedden sporen uit het verleden te betrappen. In ons album staan de prehistorische grafmonumenten artistiek te kijk. Willem Roelofs, Taco Mesdag, Willem Wenckebach, Chris Hammes, Hendrik de Groot en collega’s vereeuwigden ze en reiken ons nu nog momenten van schoonheidsontroering aan.

Ons De Schilders van Drenthe is een lust voor het oog, een streling van het gemoed, een bron van dierbare herinnering, een saluut aan de kunst van nu. Als intro op de tocht die wij een volgende keer hier door dit album gaan maken citeer ik de uitgever op de cover en het Voorwoord van directeur Harry Tupan van Drents Museum.
W Books: ‘Gewapend met potlood en later veldezel en tubeverf, trotseren kunstenaars het woeste maar wonderschone Drentse landschap al vanaf de achttiende eeuw. Eerst met een topografisch, maar vanaf de negentiende eeuw steeds meer met een artistiek doel. Ze schilderen eerst romantische landschappen die de overweldigende natuur laten zien, daarna steeds meer de impressionistische vlot geschilderde natuurgezichten met aandacht voor uitgesproken kleuren. De modderige verbindingswegen en het gebrek aan moderne voorzieningen nemen de kunstenaars op de koop toe. Drenthe is in hun ogen het laatste 'ongerepte' gebied van Nederland, een waar paradijs voor schilders! Kunstenaars van de Haagse school sporen elkaar aan om er toch ook eens een kijkje te nemen. Ook buitenlandse kunstenaars raken onder bekoring van de provincie. In de kunstwereld wordt 'Drentsch' een handelsmerk dat staat voor een oeroud landschap met uitgestrekte heidevelden, mysterieuze hunebedden en schilderachtige dorpen. De schilders van Drenthe laat zien dat de landschappen van deze kunstenaars stuk voor stuk bij hebben gedragen aan de vorming van visuele identiteit van Drenthe.’

Tupan: ‘Voor u ligt het boek De Schilders van Drenthe. Een boek dat mij vervult van trots omdat het aantoont dat hier de afgelopen eeuwen prachtige schilderijen gemaakt werden, waarin de schoonheid van de mens en het landschap bezongen werd. Drenthe is wat mij betreft het Barbizon van Nederland. Vincent van Gogh verbleef in 1883 bijna drie maanden in Drenthe en zijn brieven aan zijn broer Theo laat hij weten dat de mensen en het landschap een diepe indruk op hem maken. Het Drents Museum prijst zich gelukkig zo’n vroeg werk van Van Gogh in zijn bezit te hebben. ‘De Turfschuit’ (1883) geldt als het iconische schilderij uit zijn Drentse periode. En wat te denken van de Duitse impressionist Max Liebermann, die in Zweeloo zijn ‘Bleek’ (1882) maakte en waarvan de studie in olieverf uit hetzelfde jaar ook in Assen is. Wist u dat bijna alle grote schilders van de onvolprezen Haagse School onze provincie bezochten? Schilderskanonnen als Willem Roelofs, H.W. Mesdag en Jozef Israëls wisten hun weg feilloos naar het noorden te vinden. Mijn persoonlijke favoriet is Jozef Israëls. Deze Haagse Groninger kwam regelmatig naar Drenthe om ondermeer de tragiek van de kleine boeren en landarbeiders vast te leggen. Hij schilderde ca. 1892/1893 zijn ‘Drentsche Madonna’, een groot oliefverfschilderij van een Drentse boerin met een kindje op haar schoot, als Maria en het Christuskind en analoog aan het wapen van de provincie Drenthe. Zijn realisme, tonaliteit en clair obscur benadrukken zijn specialiteit: het gevoels- en zielenleven van eenvoudige mensen. Het schilderij, waarvan de verblijfplaats sinds het begin van de twintigste eeuw (!) onbekend was, werd recentelijk door onze conservator (en auteur van dit boek) Annemiek Rens in Praag teruggevonden.

Maar het zijn niet alleen de late negentiende eeuwers die in deze publicatie aan bod komen. Ook aan het begin van die eeuw maakten bekende schilders als Egbert van Drielst en Jan van Ravenswaay hier werken. Zij staan nog met één been in de achttiende eeuw. Veel later kwamen ook de Groninger Ploeg-schilders. Jan Wiegers was één van hen. Hij schilderde in 1928 het expressionistische ‘Winterlandschap in Drenthe’, dat hij met felle kleuren in vuur en vlam zet. En wat te denken van Berend Groen, de te vroeg gestorven landschapschilder uit Zeijen? Zijn hedendaagse stroomdallandschappen van de Drentse Aa tonen een van alle overbodige elementen ontspeend landschap,waarin geen plaats is voor menselijk handelen en waardoor het als bijna mythisch wordt ervaren. Al deze kunstenaars en nog veel meer die ik hier niet heb kunnen noemen, hebben een plaats in dit boek gekregen. Kunstenaars die vol overtuiging hun vakmanschap in bijzondere werken wisten te vervatten, Daarover gaat De Schilders van Drenthe!

DE SCHILDERS VAN DRENTHE

DE KARTUIZE VAN PARMA

Een gelukkige samenloop van omstandigheden: vanmorgen reikte postman Ruud mij een lijvig boek aan en in mijn archief op zolder met krantenknipsels uit 2007 vond ik een recensie van Arnold Heumakers in NRC Handelsblad. Daar ik in deze donkere dagen van het jaar u het licht van deze roman niet wil onthouden citeer ik de uitgever op de omslag en deels de recensent. Over een paar weken wisselen u en ik hier onze leeservaringen met elkaar uit.  Ik heb het over de 608 bladzijden tellende paperback De Kartuize van Parma van de Franse auteur Stendhal (1783-1842) en van Athenaeum-Polak & Van Gennep. De uitgever: ‘Fabrizio del Dongo, een naïeve Italiaanse edelman, sluit zich aan bij Napoleon. Door zijn onervarenheid belandt hij tijdens de Slag bij Waterloo in allerlei gevaarlijke en komische situaties. Bij terugkeer blijkt hij te worden gezocht wegens landverraad. Zijn tante (op wie hij obsessief verliefd is) en haar minnaar vangen hem op en helpen hem aan een kerkelijke loopbaan. Stendhal dicteerde de roman in tweeënvijftig dagen. Allerlei genres komen samen: het is een avonturenroman, liefdesgeschiedenis, bildungsroman en politieke satire.’

Arnold Heumakers: ‘[…] Toen Stendhal in 1836 langdurig verlof kreeg, keerde hij terug naar Frankrijk, om daar vooral over Italiaanse onderwerpen te schrijven: de verhalen die postuum werden gebundeld als ‘Chroniques Italiennes’ en ‘La Chartreuse de Parme’, zijn laatste grote roman (Stendhal stierf in 1842), waarvan nu een nieuwe Nederlandse vertaling is gemaakt door Theo Kars. La Chartreuse de Parme (aan Kars' titel, De Kartuize van Parme, moet ik nog even wennen - nooit geweten dat `Kartuize' een normaal Nederlands woord is) geldt in de wereldliteratuur als hét meesterwerk van de improvisatie. Het werd tussen 4 november en 26 december 1838, dus in minder dan twee maanden, door Stendhal gedicteerd.
Tien uur of meer per dag was hij ermee bezig, terwijl zijn conciërge het bezoek afwimpelde met de mededeling dat Monsieur Beyle uit jagen was. De roman is ook, als je dat van een roman kunt zeggen, de summa van Stendhals hele leven, van zijn verlangens en zijn aversies, de plek waar het beste van Frankrijk en het beste van Italië samenkomen, zonder dat de tegenstelling wordt opgeheven. Het Italië dat erin beschreven wordt, heeft dan ook nooit bestaan; het is door Stendhal zelf gecreëerd. Hoe? Door een zestiende-eeuwse kroniek over de jeugd van Alexandre Farnese, de latere paus Paulus III, te verplaatsen naar de negentiende eeuw, naar het corrupte, hypocriete en despotische Italië van de Restauratie, dat overschaduwd werd door de Spielberg, de gevreesde Oostenrijkse staatsgevangenis. Deze sombere achtergrond blijkt echter geen enkele belemmering voor de kostelijke opera buffa (Stendhals favoriete muziekgenre, het enige dat hem - na hem aan het lachen te hebben gemaakt - steeds weer tot tranen wist te roeren), die zich afspeelt aan het hof van het vorstendom Parma, een onuitputtelijk broeinest van koddige intriges.

De parodie is er - onbedoeld - regel. De vorst imiteert Louis XIV, maar leeft ondanks zijn almacht in permanente doodsangst sinds hij in een `aanval van slecht humeur' (en omdat de Zonnekoning zoiets ook eens had gedaan) twee liberalen heeft laten executeren. Alle andere hovelingen dansen naar zijn pijpen en spelen vol overgave de rollen die hij van hen verlangt, in de hoop zo hun eigenbelang te bevorderen. Alleen graaf Mosca, de voornaamste minister van de vorst, en zijn geliefde Gina del Dongo (La Sanseverina) laten zich niet in de luren leggen. Zij doorzien de lachwekkendheid van dit wereldje, voor hen is het allereerst een `spel' waarmee zij zichzelf en elkaar amuseren. De ernst komt bij hen van een heel andere kant: van de liefdesperikelen die het gevolg zijn van Gina's heimelijke, eerst amper besefte, verliefdheid op haar veel jongere neefje Fabrice del Dongo, de eigenlijke hoofdpersoon van de roman. Waar zit Frankrijk in deze Italiaanse komedie? Frankrijk zit aan het begin, in de overweldigende ouverture van de roman: Stendhals evocatie van Bonapartes intocht in Milaan op 15 mei 1796, toen Italië door het Franse leger uit haar treurige sluimer werd wakker gekust. Letterlijk, want als we Stendhal mogen geloven waren het vooral de vrouwen die zich voor de Franse invloed openstelden. Zo ook de moeder van Fabrice: gesuggereerd wordt dat haar zoon is verwekt door een Franse luitenant. Toen Balzac hem in een verder zeer lovende recensie aanried dit begin weg te laten, schreef Stendhal terug dat het hem te veel plezier had gedaan om over de `tijd van mijn jeugd' te praten. Maar in 1797 was hij er nog niet bij; in Milaan kwam hij pas drie jaar later, zij het wel als piepjong officiertje van het Napoleontische leger.

Het Italiaanse enthousiasme voor de Fransen weerspiegelt zijn eigen enthousiasme van 1800 voor Italië. En voor Napoleon, uiteraard, al is die geestdrift nadien nogal aan Arnold Heumakers schommelingen onderhevig geweest. In de laatste jaren van het Empire, na de terugtocht uit Rusland (die Stendhal had meegemaakt), was er bijna niets meer van over. Teleurgesteld vertrok hij in 1814 naar Italië. Zelfs Napoleons spectaculaire ontsnapping van Elba wist hem er niet toe te verlokken naar Frankrijk terug te keren en zijn keizer bij te staan. Fabrice del Dongo, tegen die tijd zeventien jaar oud, snelt Napoleon wèl te hulp. Zijn omzwervingen op het slagveld, dat hij vanwege de rook, de kruitdamp, de modder, het lawaai, de kogels en de door elkaar rennende soldaten, paarden en officieren maar niet scherp in het oog kan krijgen, zijn klassiek geworden. Voor het eerst beschreef iemand een veldslag zoals die ter plekke werd ervaren, zonder overzicht, een en al chaos en verwarring. Met als extra attractie: Fabrices aandoenlijke naïviteit, die geregeld botst met zijn gretigheid om aan de strijd deel te nemen. (`Gaat u vechten?' vraagt hij aan een korporaal, terwijl overal schoten klinken. `Nee, ik ga naar een bal. Ik moet alleen nog mijn dansschoenen aantrekken'). De arme jongen, die gewond raakt wanneer hij terugtrekkende Franse huzaren probeert tegen te houden, komt er niet uit, en blijft zich de rest van de roman vertwijfeld afvragen of hij nu wel of niet de slag bij Waterloo heeft meegemaakt. Na dit weergaloze begin volgen er (in de Nederlandse vertaling) nog ruim 500 bladzijden, van een heel ander maar nauwelijks minder kaliber. Het toneel verplaatst zich naar Parma, waar Mosca en Gina ervoor zorgen dat Fabrices excursie naar Waterloo hem niet fataal wordt. De herinnering aan Napoleon verflauwt en wat er in de Franse tijd nog aan politieke duidelijkheid had bestaan verliest al zijn scherpte. De lucide en sympathieke Mosca is in Parma de leider van de reactionaire ultra's, zijn liberale tegenstanders bestaan uit verachtelijke intriganten, terwijl hun leider zich nota bene laat benoemen tot directeur van de citadel waarin de vorst al te weerspannige liberalen gevangen zet.

Over de politiek maakte Stendhal zich geen enkele illusie, dat wordt wèl duidelijk. De ironie en de scepsis waarmee hij het schaamteloze gekonkel in Parma beschrijft, tekenen zijn distantie, ook ten aanzien van de liberale en democratische idealen die hij in principe bereid was te onderschrijven. In plaats daarvan komt steeds meer de `volmaakte aristocraat' naar voren, die hij volgens zijn vriend Mérimée was. Hoewel de hoofdpersonen bijna allemaal van adel zijn, heeft Stendhals `aristocratie' in La Chartreuse de Parme niets te maken met erfelijke privileges. Het gaat eerder om een kwaliteit van het karakter, die iemand moet zien te verwerven of al bij voorbaat in de schoot krijgt geworpen. Fabrice behoort tot de laatste categorie. De nobele keerzijde van zijn naïviteit bestaat uit een hoger soort onschuld, in weerwil van enkele driftaanvallen en een duel met dodelijke afloop. De morele laagheid, aan het hof van Parma alomtegenwoordig, krijgt geen vat op hem. `Alles is eenvoudig in zijn ogen, omdat hij alles ver van boven ziet', zegt zijn beschermer Mosca. Fabrices enige echte probleem is dat hij de liefde niet kent en vreest dat deze `verheven verstandsverbijstering' voor hem niet is weggelegd. Het woord `verheven' staat er niet voor niets. In de Franse tekst lezen we: sublime, een woord dat vaak voorkomt en dat verwijst naar het hart van Stendhals esthetische idealen, nauw verweven met zijn opvatting van aristocratie. Schoonheid heeft voor hem altijd met een combinatie van verdriet en verrukking te maken. In Promenades dans Rome schrijft hij: `De kunsten zijn een privilege, en duur betaald! met hoeveel ongeluk, met hoeveel dwaasheden, met hoeveel dagen van diepe melancholie!' De sublieme ervaring bevat net zo'n tegenstrijdige combinatie van pijn en genot, en de meest aristocratische helden van de Chartreuse, Fabrice en Gina, worden er meer dan eens door overvallen, in bijzonder wanneer ze aan het Como-meer vertoeven en zicht hebben op de Alpentoppen in de verte: `Hun grimmige soberheid herinnert je net genoeg aan alle rampspoed in het leven om te bewerken dat je het genot van dat ogenblik nog sterker ervaart'. Eenzelfde - hier welhaast exemplarisch vertolkte - sublieme ervaring valt Fabrice ten deel, nadat hij in de Farnese-toren van de citadel van Parma is opgesloten. Door de vensters kijkt hij uit op de Alpen en zie: wanneer hij verliefd wordt op Clelia, de dochter van de directeur, verandert zijn gevangenschap in een bevrijding en in een bron van geluk, een paradox die al is voorbereid door die sublieme momenten aan het Como-meer. Daar steeg Fabrice tijdelijk boven zichzelf uit, in zijn cel in de hoge toren wordt hij definitief een ander mens. Volgens Arnon Grunberg, die het nawoord schreef bij de nieuwe vertaling, is La Chartreuse de Parme `een van de meest romantische boeken' die hij kent. […]’ (wordt vervolgd).

DE KARTUIZE VAN PARMA

EEN SUBLIEM SEXTET OM GOED MEE TE BEGINNEN

Het pas aangebroken jaar kunt u meer glans en glorie geven door het lezen van een goed boek. Ik geef u zes werken door die, hoe verschillend van elkaar ze ook zijn, gemeen hebben dat het gaat om de neus van de zalm, de kers op de pudding. Ik geef u van het zestal titel, auteur, genre/ondertitel en uitgever. Het thema wordt aangereikt door de uitgever zelf op de omslag. Graag wil ik van u vernemen hoe de zes bij u geland zijn. Eind januari ontmoeten wij elkaar hier om onze leeservaringen uit te wisselen. Goede leesuren in januari 2018 toegewenst!

1) 99 verhalen over God – Joy Williams – De Geus
Wat heeft God te maken met post van een overleden moeder, Kafka die vegetariër is geworden en honden die hun penning verliezen? Deze zeer korte verhalen zijn een verkenningstocht van onze dagelijkse interactie met God. Williams' personages komen God op de meest onverwachte plaatsen tegen: bij een hotdogeetwedstrijd, een chic gala en in de apotheek. Ook God heeft namelijk soms last van gordelroos.






 


2) Of heb ik dat verzonnen? – Herman Koch en Wanda Reisel – Brieven – Das Mag
Wat weten vrienden met een lang, gedeeld verleden echt van elkaar? Wat is er waar van hun herinneringen en wat blijkt verbeelding? Of heb ik dat verzonnen? is een geestig en ontroerend portret van een levenslange vriendschap. Met de schrijvers Herman Koch en Wanda Reisel is een nieuw literair duo opgestaan. Zij richten hun scherpe blik ditmaal niet op hun personages, maar op elkaar. Het resultaat: een intiem verslag van een onuitgesproken verbondenheid.








3) Brieven aan mijn zus – Harry Poelman – Bloemlezing uit circa 350 brieven – Pharos
Gedurende een periode van vier jaar schreef Harry Poelman zijn zus Christa honderden brieven. Vanaf het moment dat bij haar de diagnose darmkanker werd gesteld tot aan de dag van haar overlijden. Met zijn schrijven wilde hij haar opbeuren, betrekken in zijn leefwereld én even afleiden van haar eigen zorgen. Het zijn merendeels 'dagboekachtig' geschreven brieven. Stuk voor stuk zijn het miniatuurtjes. Zijn stijl is poëtisch, luchtig van toon, mooi van taal. ‘One letter a day, keeps the doctor away’, moet hij hebben gedacht. Brieven schrijven als een vorm van mantelzorg, pen en papier als medicijn voor de geest. Christa heeft veel plezier beleefd aan zijn brieven. Ze voelde zich getroost. Haar dagen werden er iets lichter door. Een boek over liefde, hoop, verlangen en verdriet.




4) Een huis voor Hannah – Beer Boneschanker – Dagboek van een mantelvader – Van Gennep
'Waar komt die niet-aflatende inzet voor een goed bestaan voor Hannah vandaan? Onder de zorgen schuilt, heel diep verborgen, een diepe, fundamentele angst dat er iets misgaat met Hannah. Dat ik op een dag een telefoontje krijg dat het vlammetje uitgeblazen is. Het is de angst die elke ouder bij zijn eerste pasgeboren baby'tje heeft. Bij Hannah is die angst nooit overgegaan.' Hannah is een meisje met een meervoudige complexe handicap. Ze is 29 jaar maar functioneert op het niveau van een baby. Als de zorginstelling besluit dat de kleinschalige woonvoorziening waar Hannah woont gesloten wordt en dat alle bewoners naar een grootschalige locatie moeten verhuizen, neemt de vader van Hannah haar weer in huis.
Over de periode dat Hannah bij hem woonde hield haar vader een dagboek bij. Het resultaat is een uniek verslag van de zoektocht naar een menswaardig en liefdevol bestaan voor een kind dat over haar eigen leven niet kan beslissen.


5)Wreed schoon – Marita de Sterck - Volksspookjes op reis – Polis
Volkssprookjes zijn reizigers. Ze doorkruisen ruimte en tijd, verbinden generaties en cultuurgroepen en nodigen uit tot spelen: zoek verschillen en gelijkenissen. Wreed schoon biedt een bont palet van niet-verkinderlijkte, ongecensureerde volkssprookjes uit veertig cultuurgroepen die België en Nederland bewonen. Maak kennis met Cinderella's uit alle continenten, dierlijke bruiden en bruidegoms, bloeddorstige verwanten, ghouls, duivels en heksen, slimme dappere meisjes en vrouwen, liefde en lust in alle tinten van de wereld. De verhalen zijn herschreven in een vlot leesbare en navertelbare stijl. Bij elk volkssprookje hoort een prent van Jonas Thys die een sleutelscène tot leven brengt. 75 volkssprookjes uit Afghanistan, Algerije, Armenië, België, Benin, Brazilië, Burundi, China, Congo, Duitsland, de Filipijnen, Frankrijk, Griekenland, India, Indonesië, Irak, Israël, Italië, Kameroen, Koerdistan, Kosovo, Marokko, Mexico, Nederland, Nigeria, Oekraïne, Palestina, Polen, Portugal, Roemenië, Rusland, Rwanda, Senegal, Soedan, Spanje, Suriname, Syrië, Togo, Turkije, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten van Amerika.
 

6) Zwijgplicht – Theo Stokkink – Historische familieroman – In de Knipscheer
De historische familieroman Zwijgplicht is gebaseerd op waargebeurde feiten en op personen die in werkelijkheid hebben bestaan. De Vlaamse schrijfster Elisabeth Marain begon met 'De vluchtelingen' in 1994 een trilogie over de Grote Oorlog. In 1996 verscheen het tweede 'In ballingschap'. In het derde deel zou de zoektocht naar Hélène worden beschreven, maar tot publicatie is het nooit gekomen. Met haar toestemming heeft Theo Stokkink dertig jaar later de draad opgepakt, nu vanuit een Nederlands perspectief. In de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog is Theo Borret privaatdocent aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is zich van zijn homoseksuele geaardheid bewust en ook van het onmogelijke daarvan. Alleen in heimelijke nachtelijke omzwervingen langs allerhande lugubere ontmoetingsplekken in de stad, kan hij zich uitleven. Hij beseft dat voor de maatschappelijke positie die hij ambieert en de druk van zijn familie een schijnhuwelijk zal moeten sluiten. Als ultiem bewijs van het bestaan van een gezin zal er ook een kind moeten zijn.

Theo werkt inmiddels als kandidaat op het kantoor van een notaris die zelf nauw betrokken raakt bij de opvang van uit België gevluchte kinderen. Op een vluchtelingenboot van Antwerpen naar Rotterdam raakt aan het begin van de oorlog een Vlaamse baby zoek. In de complete chaos die in de vluchtelingenopvang ontstaat weet de notaris in een opvangcentrum in Amsterdam de dan amper 3 weken oude 'vondeling' te reserveren voor adoptie voor zijn kandidaat-notaris. De identiteit van de baby is niet bekend. Het meisje groeit op met de naam Hélène. In 1922 overlijdt 'vader Theo' als Hélène acht jaar oud is. Ze krijgt in de loop van de jaren steeds meer twijfels over haar ouders. Vragen daarover stuiten op een zwijgplicht die de kandidaat-notaris zijn familie heeft opgelegd. Intussen is ook de Belgische familie is op zoek naar de verloren baby.