Cultuurmix

CULTUURMIX 22 MEI 2018

Papendrecht 22-05-2018

VANUIT HIER ZIE JE ALLES

Ik ga u illustreren hoe de lovende slogans op de omslag van een roman geheel op de juiste plaats zijn. De proloog is meteen het bewijs ervan. Ik heb het over de 304 bladzijden tellende paperback Vanuit hier zie je alles van de Duitse Mariana Leky en uitgeverij Nieuw Amsterdam met het aan de sterkste mam van de wereld 2003 Hugo Girard ontleende motto ‘It’s not the weight of the stone. It’s the reason why you lift it’. Op de omslag staat ‘Dit boek maakt je gelukkig’ en ‘Betoverende bestseller voor liefhebbers van de film ‘Amelie’. Ik reik u de proloog aan en laat die voorafgaan door de tekst van de uitgever op achterzijde omslag. De volgende vraag zit er dik in: mag ik van u weten of Vanuit hier zie je alles naar thema en taal een schot in de roos is?

Nieuw Amsterdam: “Wanneer Selma over een okapi droomt, weet iedereen in het dorp hoe laat het is: binnen 24 uur zal er iemand sterven. Halsoverkop worden hartenwensen uitgesproken en geheimen opgebiecht. Maar er valt niet te ontkomen aan het lot: de beste vriend van Selma's kleindochter Louise verongelukt op dramatische wijze. Jaren later wordt Louise verliefd op Frederik, een boeddhistische monnik die in Japan woont. Hun relatie beperkt zich tot het schrijven van brieven, maar als Selma sterft, staat hij weer voor haar neus. Met veel gevoel zet Mariana Leky een onvergetelijke liefde neer. De kleurrijke dorpsbewoners met hun gewoontes en hun (on)hebbelijkheden scheppen in Vanuit hier zie je alles een wereld waarvan je maar heel moeilijk afscheid kunt nemen.      
               
Mariana Leky: ‘Proloog - Als je lang naar iets kijkt wat goed verlicht is en daarna je ogen sluit, zie je voor je geestesoog hetzelfde nog eens, als een onbewogen nabeeld, waarop wat eigenlijk licht was donker is, en wat eigenlijk donker was licht lijkt. Als je bijvoorbeeld een man nakijkt die de straat uit loopt en zich telkens omdraait om een laatste, een allerlaatste, een aller-allerlaatste keer naar je te zwaaien en daarna je ogen sluit, zie je achter je oogleden de stilgezette beweging van de aller-allerlaatste zwaai, de stilgezette glimlach, en het donkere haar van de man is dan licht, en zijn lichte ogenzijn dan heel donker. Als hetgeen waar je lang naar hebt gekeken iets belangrijks was, zei Selma, iets wat het hele uitgestrekte leven in een enkele beweging omkeert, dan duikt dat nabeeld telkens op. Ook tientallen jaren later is het er plotseling weer, ongeacht waar je eigen- lijk naar keek voordat je je ogen sloot. Het nabeeld van de mandie voor de aller-allerlaatste keer zwaait, duikt plotseling op als er bijvoorbeeld bij het schoonmaken van de dakgoot een mugje in je oog vliegt. Het duikt op als je je ogen even wilt laten rusten omdat je lang naar een eindafrekening hebt zitten turen die je niet begrijpt. Als je ’s avonds aan het bed van een kind zit om een verhaaltje voor het slapengaan te vertellen en de naam van de prinses of de goede afloop je niet te binnen wil schieten omdat je zelf al zo moe bent. Als je je ogen sluit omdat je iemand kust. Als je op bosgrond ligt, op een onderzoekstafel, in een vreemd bed of dat van jezelf. Als je je ogen sluit omdat je iets heel zwaars optilt. Als je de hele dag rondloopt en alleen stilstaat om een losgeraakte veter te strikken, en je je dan pas met je hoofd om- laag realiseert dat je de hele dag nog niet hebt stilgestaan. Het duikt op als iemand ‘Doe je ogen eens dicht’ zegt omdat je verrast moet worden. Als je tegen de wand van een pashokje leunt omdat ook de laatste in aanmerking komende broek niet past. Als je je ogen sluit vlak voor je eindelijk iets belangrijks opbiecht, voor je bijvoorbeeld zegt ‘Ik hou van je’ of ‘Maar ik niet van jou’. Als je ’s nachts aardappelen staat te bakken. Als je je ogen sluit omdat er iemand voor de deur staat die je absoluut niet binnen wilt laten. Als je je ogen sluit omdat er net een grote last van je schouders is gevallen, je iemand of iets hebt teruggevonden, een brief, een vast vertrouwen, een oorbel, een weggelopen hond, je tong of een kind dat zich te goed verstopt had. Telkens duikt plotseling dat ene specifieke nabeeld op, het duikt op als een screensaver van het leven en vaak op het moment dat je er helemaal niet op rekent.’


OLGA

Een paar dagen terug kreeg ik een roman aangereikt die mij toegezonden was door de door u en mij zo geliefde uitgeverij. Als er toeval bestaat dan gebeurde dit de dag voor de zending: ik las op internet de blog uit januari van Allard van Gent over dit werk. Ik geef u de tekst van de man door en laat die voorafgaan door de tekst van de uitgever. Het gaat om de 302 bladzijden tellende hardcover Olga van Bernhard Schlink en Cossee. Wij komen met elkaar nog te spreken over deze Duitse verteller pur sang die in 1944 de roots heeft. Ik wil dan sowieso zeker van u vernemen of u geheel eens bent met Van Gent.

Cossee: ‘Een dorpje rond 1900 in het oosten van het Duitse Rijk. Olga is een weeskind, Herbert de zoon van de plaatselijke landheer. Ze vallen voor elkaar, maar het eeuwenoude lied van het klassenverschil speelt hen parten, Olga is volgens Herberts ouders geen partij voor hun zoon. Maar de twee verliefden weten elkaar altijd weer te vinden, ook als Olga als onderwijzeres naar een klein stadje verhuist en Herbert zijn romantische ideeën over Rusland, Afrika en Amerika volgt en op reis gaat. Hij droomt van koloniale macht en wil net als Amundsen de poolgebieden veroveren. Maar Olga heeft haar twijfels, hij is geen doorzetter en geen gewiekste planner. De expeditie start veel te laat in het jaar en Olga hoort niets meer van haar lief. Omdat ze met hem verbonden wil blijven, schrijft ze hem 'Poste Restante, Tromsø, Noorwegen'. Iedere week een brief. In een beeldend tableau schetst de verteller in Olga het portret van een vrouw die moet meemaken hoe niet alleen haar geliefde, maar een heel volk zicht op de realiteit verliest.

Doof geworden door het oorlogslawaai en gevlucht voor de Russen, begint Olga in een klein Duits stadje een nieuw leven. Uit de oude uniformen naait zij nieuwe kleren, en zo leert de jonge verteller Ferdinand haar kennen. Hij is gefascineerd door deze raadselachtige vrouw met haar rechtlijnige opvattingen. Wat zij te vertellen heeft, is anders dan alles wat hij tot nu toe over het leven meende te weten. Na Olga's overlijden gaat hij op zoek naar haar liefdesbrieven in Noorwegen, vindt ze bij een antiquaar en betaalt er veel te veel voor. Maar de inhoud van de brieven is nog fascinerender dan alles wat zij hem heeft verteld.

Allard van Gent: ‘Afgelopen vrijdag verscheen Olga, de nieuwe roman van Bernhard Schlink. Het Duitse weekblad ‘Der Spiegel’ publiceerde op de dag van verschijnen een recensie over de met spanning verwachte en geheide bestseller van dit voorjaar.
Een meisje dat in een armoedig milieu wordt geboren, dat niet voor problemen zorgt, het liefst staat en kijkt in plaats van met andere kinderen te spelen. Een meisje dat vroeg haar ouders verliest, omdat ze aan de pest sterven en dan door haar barse grootmoeder in een dorpje in Pommern wordt opgevoed. Dat begaafd is, voortdurend leert om later lerares te worden.
Met bovenstaande beschrijving gaat de recensie van start. Vervolgens schrijft recensente Franziska Wolffheim dat het hier gaat om een vrouwenleven van de late 19e eeuw tot de jaren 70 van de 20e eeuw.

Olga is volgens haar niet alleen de biografie van een wilskrachtige vrouw, maar ook een liefdesverhaal en een stuk hedendaagse geschiedenis. “We komen iets te weten over Bismarck, de Weimarrepubliek en nazitijd, twee wereldoorlogen, naoorlogs Duitsland en de jaren die volgen. Meermaals laat Schlink Olga over de fatale Duitse neiging prakkeseren om ‘alles te groot’ te willen, een levensgevaarlijke grootheidswaanzin waardoor uiteindelijk twee wereldoorlogen ontstaan.” Vervolgens schrijft de recensente al meteen haar mening: “Schlink heeft zijn roman, die altijd weer sterke passages bevat, veel te volgestopt.” Volgens haar worden veel handelingen te snel verteld, ‘als een camera in fast forward modus’. Ze doelt daarmee vooral op Olga’s vriend Herbert die steeds onderweg is, op reis, oorlog voert, op expeditie is of op de vlucht. Als lezer weet je volgens haar niet meer wie waar is en waarom. “Het beste even terugbladeren naar pagina…ja, welke ook alweer? De heldere indeling van de roman in drie delen helpt hierbij ook niet.” Het is uiteindelijk Herberts onrust en gedrevenheid die de liefde tussen hem en Olga kapotmaakt. Een liefde die van begin af aan al tot een ongelukkige gedoemd was, want Herbert is de zoon van een rijke landheer. Zijn ouders wijzen Olga af. Herbert moet het landgoed van de familie overnemen, maar wel met een vrouw volgens zijn stand aan zijn zijde. Hij en Olga ontmoeten elkaar in het geheim, genieten van elkaars nabijheid, maar de toekomstplannen blijven vaag, aldus het stuk in ‘Der Spiegel’. De recensente schrijft dat Herbert vrijwillig als een vurige patriot naar Duits West-Afrika vertrekt om aan militaire operaties deel te nemen. Volgens haar is zijn vertrek ook een vlucht, een manier van weglopen voor de beslissing vóór of tegen Olga, een beslissing die hij niet wil nemen. Later gaat hij zonder grote voorbereiding en met de nodige grootheidswaan op expeditie naar de Noordpool. Hierdoor wordt Olga nog meer op de proef gesteld. Ze is bang en blijft hopen, maanden lang, jarenlang, totdat ze hem uiteindelijk als verloren moet beschouwen. “Schlink grijpt hier overigens terug op een realistisch voorbeeld: de noordpoolonderzoeker Herbert Schröder-Stranz die niet terugkeerde van een expeditie naar de Noordpool”, aldus Franziska Wolffheim.

Het is volgens de recensente de eenzaamheid die de twee soms zo verschillende hoofdpersonen met elkaar verbindt. Herbert is de Einzelgänger die geen toegang tot zijn gevoelens heeft. Olga komt door de dood van Herbert wederom in de eenzaamheid terecht. Als ze in 1945 richting het westen moet vluchten – ze woont ondertussen in een Silezisch dorp – is ze doof, kan geen les meer geven en wordt nog eenzamer. Uiteindelijk belandt ze in de Neckar regio en verdient wat bij als naaister. Ze naait ook in het gezin van een predikant. De kleine zoon Ferdinand geeft haar warmte en ligt haar tot Olga’s dood na aan het hart. De recensente merkt op dat we deze situatie kennen uit Schlinks roman Der Vorleser, alleen zit volgens haar de bestseller uit 1995 vol spanning en erotiek. “Ferdinand blijft een vage persoon – ‘een goede jongen…, maar hij is een beetje saai’, aldus de karakterschets van Olga”. Het bericht in ‘Spiegel’ sluit af met de vermelding van het derde deel van de roman. Dit bestaat uit brieven die Olga naar Herbert in de Noordpool stuurt. De lezer komt hierdoor meer te weten over Olga’s gevoelens, hoe verscheurd ze is tussen hoop en angst, liefde en woede op de geliefde die haar voor een dwaze expeditie heeft verlaten. Ook als Olga ervan uit kan gaan dat Herbert al lang dood is, blijft ze brieven schrijven. “Dat dit deel van het boek stilistisch soms wat holle frasen vertoont, anders dan de voor de rest helder en strak gehouden roman, kun je de schrijver vergeven,” aldus de afsluitende zin.’


MUSCH

Een heerlijk vuistdik boek leg ik voor u op de leestafel dat nog officieel aan het daglicht toevertrouwd gaat worden op 26 mei op een kasteel in de regio. De postman reikte mij het werk vanmorgen aan en nu al wil ik u van het bestaan ervan kond doen. Om de plezierige reden dat u en ik het genre van de historische roman beminnen en dat u al voor kunt gaan sorteren in de verwachte lange rij van kooplustigen. Ik heb het over de 512 bladzijden tellende paperback Musch van Jean-Marc van Tol en uitgeverij Catullus  met de ondertitel ‘Johan de Witt trilogie I’. Ik laat u warm lopen voor dit bij voorbaat illustere boek door integraal de begeleidende prospectus te citeren. In juni ontmoeten wij elkaar nog over dit memorabele boek. Als vooraf geef ik de tekst op de site van de uitgever.

‘Het is 1650. Achter de pracht en praal van de Gouden Eeuw zijn ontluisterende intriges rond stadhouder Willem II gaande. Spin in het web is Cornelis Musch, griffier der Staten-Generaal, een ambtenaar die er heimelijk in is geslaagd de machtigste man van de Republiek te worden. Na de verrassingsaanval van Willem II op Amsterdam in de zomer van dat jaar en de arrestatie van zes Hollandse Statenleden, die in Slot Loevestein gevangen worden gezet, komt Musch meer en meer alleen te staan. De onthulling van alles wat hij over zijn vijanden weet is zijn ultieme wraak.’

Uitgeverij Catullus: ‘ Twee jongemannen aan het begin van hun carrière. Johan de Witt in 1650. De vierentwintigjarige Johan de Witt leidt een overzichtelijk leventje in Den Haag. Naast zijn werkzaamheden als advocaat aan het Hof van Holland heeft hij genoeg tijd voor zijn liefhebberijen. Wanneer zijn oudere broer Cornelis, de jongste schepen van Dordrecht, gaat trouwen en daarmee in de voetsporen treedt van hun vader, beseft Johan hoezeer hij zich gelukkig mag prijzen met de vrijheid die hem ten deel is gevallen. Hij kan kermissen bezoeken, vioolspelen en zich verliezen in de Descartiaanse meetkunde. Op dat vlak is Johan briljant. Het liefst zou hij zijn leven willen slijten als wiskundige. In de zomer van 1650, als Johan op het punt staat dit aan zijn vader te vertellen, vindt er in de Republiek echter een ingrijpende gebeurtenis plaats die zijn leven voorgoed zal veranderen… de staatsgreep van prins Willem II.

Prins Willem II van Oranje – de eveneens vierentwintigjarige stadhouder – besluit, op advies van griffier Musch, de macht in de Republiek naar zich toe te trekken. Hij pleegt een verrassingsaanval op Amsterdam en neemt zes Hollandse regenten gevangen, onder wie burgemeester De Witt: Johans vader. De gevangenen worden naar slot Loevestein gevoerd. Het wordt niemand toegestaan om met hen te praten. Een verdorven griffier der Staten-Generaal. Cornelis Musch. Cornelis Musch is de volledig corrupte griffier der Staten-Generaal. Ondanks een karig traktement is het hem, door afpersing, oplichting en omkoperij, gelukt de rijkste inwoner van Den Haag te worden. Als geheimraad van de onervaren prins en schoonzoon van de zwakke raadpensionaris Jacob Cats, lijkt zijn positie in de Republiek onaantastbaar. Welke geheimen verbergt Musch, de corrupte griffier der Staten-Generaal?
Een trilogie. Musch is het eerste deel van een trilogie over het leven van Johan de Witt (1625-1672). Het is een caleidoscopisch boek waarin vanuit verschillende personages en perspectieven de gebeurtenissen van het bijzondere jaar 1650 worden beschreven. Veel van de bronnen,  zoals de brieven van Johan de Witt, de berijmde memoires van Jacob Cats, de dagboekfragmenten van de Loevesteinse gevangenen en de getuigenissen van betrokkenen, zijn authentiek. Leemten in de bronnen – veel stukken zijn vanwege compromitterende inhoud vernietigd – zijn door de auteur aangevuld. Het eerste exemplaar van Musch wordt in ontvangst genomen door Herman Pleij tijdens het festijn Letteren op Loevestein, zaterdagavond 26 mei 2018.

Drie gerenommeerde sprekers laten kort hun licht schijnen over de gebeurtenissen in 1650: de Witt-biograaf Luc Panhuysen, graaf Willem Frederik-kenner Luuc Kooijmans en historica Ineke Huysmans zullen onder leiding van schrijver Bert Natter toespraken houden. Tijdens Letteren op Loevestein zijn er ook optredens van gevierde Nederlandse auteurs als Adriaan van Dis, Ted van Lieshout en Connie Palmen. Voor meer informatie en kaartverkoop: www.letterenoploevestein.nl


ONS GAAT HET IN IEDER GEVAL NOG GOED

De Tweede Wereldoorlog met al haar weeën en naweeën loopt in al  die jaren als een rode draad door mijn introducties bij u. Vooral de boodschappen uit die jaren blijven in mij naklinken, vooral wanneer die op non-fictie berusten en in toegankelijke, literaire stijl vervat zijn. Aan deze items voldoet het boek van de week. Ik leg voor u op de toontafel de 416 bladzijden tellende, authentiek geillustreerde paperback Ons gaat het in ieder geval nog goed van Ingrid Hoogendijk en uitgeverij Thomas Rap met de ondertitel ‘Een Nederlandse familie in Oost-Pruisen 1920-1946’. Ik ga met u de komende weken een verkennende tour maken door dit boek dat mij van meet af aan in de ban had, omdat de roots van de beschreven familie in mijn eigen streek van geboorte en jeugd liggen: Kralingseveer tussen Capelle a/d IJssel en Kralingen in. U bent van mij gewoon dat ik de tekst op de omslag bij een eerste kennismaking doorgeef, maar de proloog van Ingrid Hoogendijk is verstrekkender. Die citeer ik en ook de eerste bladzijden.

Ingrid Hoogendijk: ‘Proloog - Ondanks haar tachtig jaar was zij nog steeds een mooie vrouw. Ze had een innemende glimlach en opvallend blauwe ogen, maar als je goed keek, dan zag je dat haar blik bedroefd was en doorleefd. Aan het einde van haar leven woonde ze in een verzorgingshuis in Driebergen, niet ver bij mij vandaan. In haar kamer hingen aquarellen van het landgoed Schakenhof, kostbare herinneringen aan haar jeugd. Zij was de laatste van de zeven kinderen Hoogendijk. Met haar overlijden werd een bewogen geschiedenis afgesloten, de geschiedenis van een Nederlandse familie in Oost-Pruisen. Cobi was geboren in Oost-Pruisen, een gebied dat, gelegen aan de Oostzee tussen Polen en Litouwen, tot 1945 bij Duitsland hoorde. Daar groeide zij op in Schakenhof, een oud Rittergut dat haar vader, de Nederlander Michiel Hoogendijk, in 1922 had verworven. Ze had intens gehouden van het leven op het platteland, het weidse landschap met zijn mooie luchten. Ze was een echt natuurkind. Ze genoot ervan met haar paard over de uitgestrekte velden te rijden of met de jachthond door de diepe sneeuw te banjeren. In het voorjaar begroette ze de ooievaars en bewonderde ze de grote verscheidenheid aan bloemen in het park. Als de nood aan de man kwam, hielp ze mee op het land bij het binnenhalen van de oogst en het verzorgen van de dieren. Cobi was het jongste zusje van Pieter, mijn vader. Ook hij had een groot gedeelte van zijn jeugd in Schakenhof doorgebracht. Toen het nationaalsocialisme het dagelijks leven in Duitsland steeds meer in zijn greep kreeg, moedigde Michiel zijn oudste zoon aan terug te keren naar Nederland. Pieter kwam daar begin 1937 aan. Hij stierf in 1973.

Over het leven in Schakenhof en over het lot van zijn ouders heeft mijn vader ons, zijn kinderen, niet veel verteld. Toen wij opgroeiden lag de oorlog met al zijn verschrikkingen nog te vers in het geheugen. In Nederland wilde men van Duitsland nog niets weten; over een verleden in Oost-Pruisen kon je maar beter zwijgen. Men wilde liever vergeten wat er was gebeurd en wij kinderen hebben er niet naar gevraagd. Hoewel Pieter uit zichzelf niet over Schakenhof en zijn familie sprak, heeft hij de vele brieven die zijn ouders, broer en zusjes hem gedurende de oorlog vanuit Duitsland toezonden, als een kostbare schat bewaard. Na Cobi’s dood kreeg ik dit archief in handen. De bewaard gebleven brieven beslaan een tijdsspanne van acht jaar, van 1938 tot 1946. Waar de familieleden aanvankelijk verslag doen van het traditionele dagelijkse leven op het platteland, wordt al snel duidelijk dat de oorlog ook Schakenhof in zijn greep krijgt.

De brieven beschrijven een ogenschijnlijk idyllische wereld, zoals wij die niet meer kennen. Ze vertellen het verhaal van een landgoed in Oost-Pruisen, dat eigendom was van en geleid werd door mijn grootvader Michiel. Met zijn gezin had hij zich begin jaren twintig gevestigd in het verre oosten van Duitsland. Hij had de opkomst van de nazi’s meegemaakt. Als Nederlander waande hij zich neutraal in Hitlers Rijk. Hij kon niet voorzien wat hem en zijn gezin nog te wachten stond. Wat had mijn grootvader doen besluiten zijn leven in Rotterdam achter zich te laten en met zijn vrouw en kinderen naar Duitsland te verhuizen? Zou hij zich gerealiseerd hebben dat dit vertrek uit Nederland ook een grote stempel op het leven van zijn kinderen zou drukken? Had het leven in Oost-Pruisen hem gebracht wat hij verwacht had er te zullen vinden? De brieven vertelden veel, maar riepen ook talloze vragen op. Na een lange zoektocht had ik honderden puzzelstukjes in handen, puzzelstukjes van een bewogen leven in een turbulente tijd. De vele brieven, foto’s en documenten grijpen in elkaar, zij vormen een geheel, de rode draad in dit boek. Samen schetsen zij een authentiek beeld van het leven van een Nederlandse familie in Oost-Pruisen ten tijde van de Tweede Wereldoorlog en het lot dat deze familie ondergaat.’

Het begin gaat als: ‘De weg naar Oost-Pruisen, 1920-1933 -Michiel Arie Hoogendijk werd op 26 september 1884 geboren in Capelle aan den IJssel als tweede kind en oudste zoon van Jan Hoogendijk en Geertruida Sigmond. In totaal zouden Jan en Geertruida veertien kinderen krijgen, waarvan er drie al op jonge leeftijd stierven. Jan woonde met het grote gezin in een kleine woning aan de Bermweg. Deze aanvankelijk onverharde weg liep van Nieuwerkerk aan den IJssel via Capelle naar Rotterdam. Al vanaf 1500 woonden vele generaties Hoogendijk in Capelle aan den IJssel of in de naastgelegen dorpen, niet ver van Rotterdam. Michiel groeide op in een somber, zwaar christelijk milieu. Zijn militaire dienstplicht vervulde hij als scherpschutter bij het 4de regiment infanterie te Leiden. Op een fraai geënsceneerde groepsfoto uit 1906 zit korporaal Hoogendijk in uniform ontspannen buiten op een stoel, met om hem heen een vijftiental soldaten, nagenoeg allen met een dikke sigaar of een borrelglas in de hand. Van oorlogsdreiging was geen sprake. Vader Jan was oorspronkelijk smid van beroep, maar nadat hij door een ongeluk het licht in één oog had verloren, werd hij lappenkoopman. Met een hondenkar ging hij de boerderijen langs om lappen en fournituren te verkopen. In die tijd bestonden er nog nauwelijks winkels, het was gebruikelijk dat de kooplieden met hun volgeladen karren langs de deur kwamen. Ook Michiel werd lappenkoopman. Hij verstond zijn vak goed; Ons gaat het in ieder geval nog goed; de hondenkar werd al snel vervangen door paard-en-wagen en hij ontwikkelde zich verder tot handelsagent.  Michiel trouwde op 23 november 1910 met Johanna Cornelia van Linschoten. Zij kwam uit Rotterdam Kralingen, waar ze op 22 augustus 1885 werd geboren. Het echtpaar ging ‘op stand’ wonen in Rotterdam aan de Jericholaan. Daar werden vijf van hun zeven kinderen geboren, Truus in 1911, Teuntje in 1912, Jo in 1914, Pieter in 1916 en Ali in 1918. Moeder Johanna kreeg bij de verzorging van de inmiddels uitgebreide kinderschaar assistentie van Michiels jongste zusje Maria. Zij woonde in bij het gezin.

In 1919 werd Michiel lid van de Firma Ongenaert, Cox en M.A. Hoogendijk, Grossiers in Manufacturen. Dit bedrijf handelde in lakens en bukskins, mooie Engelse wollen stoffen voor herenkleding. Het kantoor was gevestigd aan de Gedempte Botersloot in Rotterdam. Na de Eerste Wereldoorlog was in Duitsland een groot gebrek aan grond- en hulpstoffen voor de industrie. Michiel zag hierin een kans en verkocht eind 1919 een treinwagon vol Engelse stoffen aan de textielfabriek Wilhelm Winkler AG te Halbau, een kleine stad niet ver van Dresden. Vanwege de grote geldontwaarding in Duitsland wilde Michiel voor deze levering niet in contanten worden uitbetaald, maar in onroerend goed. Door deze ruiltransactie verwierf hij het Slot Halbau met veertig kamers. En dus mocht de vijfendertigjarige handelaar uit Rotterdam zich plotseling kasteelheer noemen. Thuis in Capelle kon men het zich nauwelijks voorstellen.’


HET HOUTEN BESTEK

Een in prachtig proza ondergebracht uit het leven gegrepen relaas ga ik tot mij nemen. En weer gaat het om het onheil van de Tweede Wereldoorlog, dat gebaseerd is op het oorlogsverhaal van de auteur. Het ‘roman’ op de omslag moeten wij met een korrel zout nemen en dat vind ik als liefhebber van non-fictie prima. Het gaat om de 286 bladzijden tellende paperback Het houten bestek van Tessa IJzermans en uitgeverij De Geus. Op de omslag staat ook een tekening van de titel en die wordt verklaard in de entree. Ik reik u dat gedeelte aan met de vraag aan u of u met mij over twee weken het hele boek van een reactie wil voorzien.
 
Breda, maandagavond 4 december 1967 - Sinds vier maanden ben ik het huis uit. Geen vader of moeder, geen tante of leraar die naliet te zeggen dat nu de weg naar volwassenheid begon. In hun blikken las ik dat ze me benijdden en beklaagden. Mijn studentenkamer ligt in het centrum van Breda. Hier speelt mijn leven zich nu af. Als meisje stond ik altijd aan de rand en dacht veel na. Vooral over mijn vader. Hij was een liefdevolle man die oog had voor anderen. Soms riep hij me bij zich en nam mijn handen in de zijne. ‘Ik zag dat je daarstraks bij het bezoek verlegen was. Was je bang dat je iets fout deed? Niet doen, Muis. Je bent goed zoals je bent, en als je zo jong bent als jij ben je nooit schuldig.’ Misschien dat contact met mensen hem het gelukkigst maakt, of het nu met koster Klundert is, met onze dokter of met de kasteleinse van ’t Pintje. Hij verdiept zich in anderen, veel mensen houden van hem omdat hij hen ziet. Maar zelf laat hij zich niet kennen. Ook ik ken hem niet echt. Dat mijn vader niet de man bleek te zijn die hij in mijn ogen was, ontdekte ik vlak na mijn vijfde verjaardag, in het voorjaar van 1955. Op een zondagochtend sloop mijn broer mijn slaapkamer in. We verveelden ons. Er kwam maar geen geluid uit de kamer van mijn ouders. Daar lagen ook baby Gaston en zieke Truitje, met wie ik een stapelbed deelde. ‘Mathilde, zullen we beneden snoepjes pikken?’ fluisterde Constant. We slopen de trap af, de gang door. De huiskamer zag er raar uit. Alles was gehuld in het bruin van chocolademelk. Toen we de gordijnen openschoven, stroomde het witte ochtendlicht naar binnen en kreeg alles zijn gewone kleur. Constant draaide aan de sleutel van de antieke kast. Hij zette zijn voet op de onderste plank. Zelfs op het puntje van zijn tenen lukte het niet om bij het ingebouwde snoepkastje te komen. We ruimden de middelste plank leeg. Toen al het kristal op de vensterbank stond, kroop mijn broer op de lege plank. Het deurtje zwaaide open. We bekeken de rijke inhoud. Een zilveren schaaltje met gekonfijte vruchten, een trommel met een boeket op het deksel, chocoladerepen, een doosje rumbonen. We propten onze mond vol lekkers. Achter een zakje pinda’s lag een houten schuifdoosje. Er zat geen snoep in maar een houten lepel met bruine tekens op de steel en een blankhouten mes. Wat kon je doen met zo’n mes? Het was niet eens scherp. En waarom lag dat doosje achter slot en grendel? We schrokken van pappa in de deuropening. Hij zei niets, keek ons strak aan. We frommelden het houten bestek terug in de kast en slopen langs hem naar boven.

Van pikken komt stelen, zei mamma, met een rood hoofd omdat ze op haar knieën mijn veters strikte. Deze keer waarschuwde ze nog, maar de volgende keer zouden we straf krijgen. En van het kristal bleven we voortaan af. Ze knoopte linten om mijn bruine vlechtjes. Pappa ging niet mee naar de kerk. Hij bleef bij Truitje en Gaston en zou later gaan. Hij drukte mamma tegen zich aan en gaf haar een kus. Ik herinner me dat mamma onderweg wat stuurs was. Op mijn vraag van wie dat houten mes en de lepel waren antwoordde ze: ‘Van pappa, uit de oorlog.’ Ze zette de kraag van haar jas op en hield hem aan de voorkant dicht tegen de wind. ‘Waren er toen geen ijzeren lepels en messen?’ ‘Hij kreeg die na de oorlog als aandenken.’ ‘Wat is een aandenken?’ ‘Dat is een herinnering aan zijn gevangenschap in Scheveningen.’ ‘Was pappa een boef?!’ riepen we uit. ‘Nee, pappa was juist voor de goeden.’ De goeden in de gevangenis? ‘Luister, nu jullie dat bestek gevonden hebben zal ik er één keer kort iets over zeggen. Na de gevangenis hebben ze jullie vader naar Duitse werkkampen gestuurd. Hij heeft bombardementen meegemaakt, ziekte en ellende doorstaan en vreselijke dingen gezien. Hij vluchtte en kwam eind april 1945 terug in Nederland. In Brabant waren wij toen al maanden bevrijd. Zijn verhaal is doodnormaal. Ik heb ook geleden, maar nu kijken we vooruit. En jullie vader wil het er absoluut niet over hebben. Dus, hierna is het klaar.’

We wachtten tot de mis begon. In mij begon mamma’s onthulling te klapwieken als een wilde vogel in een kooi. Hoe bestond het dat pappa altijd zong terwijl die oorlog in zijn hoofd zat? Om me dichter bij hem te voelen fluisterde ik zijn droevigste lied: In een rotsspleet van ’t gebergte, steeds maar zoekende naar goud. Woont een delver met zijn dochter nog pas zestien jaren oud. […] Op een mooie zomermorgen bracht zij de schaapjes naar de vliet. Maar de schaapjes keerden weder Clementine echter niet. […] Onder water, uit haar mondje, bubbelden belletjes omhoog. Clementientje kon niet zwemmen, Clementine, zij verzoop. Hoe moest het zijn als je mondje vol water loopt en je weet dat je je vader nooit meer zult zien? Uit angst te gaan huilen kreeg ik het warm. Op dat moment schreed meneer pastoor uit de sacristie. Ik droomde niet weg, zoals anders wanneer de mis begon. Onverwachts had ik niet alleen een andere vader, de moeder die ons vanmorgen toesprak kende ik ook niet. Kan een verhaal waar pappa absoluut niet over praten wil, worden afgedaan als doodnormaal? Daar in die kerk sprak ik met mezelf af dat ik voortaan élk moment van pappa houden moest, zelfs als ik boos op hem was, zelfs als hij mij onterecht strafte. Vanaf die dag ging het houten bestek een eigen leven leiden.’
 

 

CULTUURMIX 14 MEI 2018

Papendrecht 14-05-2018

OORLOGSZOON

Het ging inderdaad zo: postbode Ruud reikte mij aan het eind van de ochtend van de dag van Dodenherdenking 4 mei een boek aan en in de loop van Bevrijdingsdag van 5 mei daarop sloeg ik het memorabele werk dicht. Opnieuw was mij de waarde van goede literatuur gewaar geworden.
Opnieuw was de nooddruft van de Tweede Wereldoorlog tot mij gekomen. Opnieuw waren de verschrikkingen van de Holocaust op mij afgekomen. Opnieuw werd ik bepaald bij het eigene van de memoires van mijn vader zaliger. Ik leg voor u op de leestafel de 190 bladzijden tellende, van een authentieke fotokatern voorziene paperback Oorlogszoon van freelance publicist Ivo Weyel en uitgeverij Atlas Contact met de ondertitel ‘De onderduikjaren van mijn vader en het leven daarna’. Het colofon vermeldt dat in no time drie drukken van dit gewichtige boek gewenst waren en volgens mij zullen er nog vele herdrukken volgen. Want Oorlogszoon verwoordt niet alleen de ellende in jaren 40-45 maar ook de naweeën van die rampspoed. In Oorlogszoon dendert in de vorm non-fictie het leed de Joden aangedaan op ons af.

Al heel wat keren mocht ik het met u hebben over de memoires van mijn vader, waarin de wee van zijn baas Wegeling een cruciale rol vervult. In 1944 had mijn vader de moed niet om op verzoek van zijn patroon te assisteren bij het drukken van het illegale blad Trouw. Duitse overvalwagens reden die zaterdagmiddag in juni het Elandplein in Kralingseveer op en Wegeling en twee kompanen werden met de handen in de schouders de auto ingeslagen. Een zestal weken later werden de drie verzetsstrijders in Vught gefusilleerd . In de geschreven herinneringen van mijn vader staat het dramatische relaas, waarover hij bijna nooit met ons als kinderen gesproken had. Ikzelf heb ook nooit woorden op papier gezet om vaders diepe herinnering een plaats in mij te geven. Zo anders is het geval met Ivo Weyel: zijn vader Arnold Weyel schreef zijn dagboek over zijn onderduik als Jood in de oorlog ‘avec’ en niet zoals mijn vader zijn herinneringen ‘apres’.

Ik reageerde nooit op het schrijven van vader, Ivo schreef een boek. Zijn aanpak was aldus: de meer dan duizend bladen uit het na de oorlog en na het overlijden van zijn vader geeft hij in dagboekfragmenten aan ons door en tussen die episodes door weeft hij zijn eigen herinneringen aan jeugd, trauma en zoektocht naar de vader die zich hult in zwijgen over de gedwongen onderduik voor de nazi’s. Centraal in Ivo’s zoektocht naar de zwijgende, in apathie vervallen vader staan zijn eigen gevoelens van angst en wanhoop die hij probeert te klaren bij psychiaters en therapeuten. Zo kom ik bij de sterkte van Oorlogszoon: het gaat niet louter om live berichten uit de oorlog maar ook om de ervaringen van de tweede generatie, Zoals ik u zei toen ik recent Tiergartenstrasse, De laatste getuige Survivor Café en De 23 van Trouw aan u voorlegde: de Tweede Wereldoorlog moet in onze gedachten blijven opdat ons doen en laten de juiste richting krijgen. Daarbij komt nog in het geval van Oorlogszoon dat het een rijk boek is: op alle 190 bladzijden zijn overpeinzingen verwoord die ons leven meer inhoud geven. Ik ga u dat later hier nog etaleren. Nu volsta ik met de tekst van de uitgever op de omslag en het integraal doorgeven van het eerste van de veertig hoofdstukken.
Atlas Contact: ‘In Oorlogszoon vertelt Ivo Weyel hoe hij, na zijn vaders dood, diens oorlogsdagboek vond, verborgen achter in een kast, meer dan duizend pagina’s dik, geschreven tijdens de onderduik. Zijn vader had er nooit over gesproken. Door het dagboek leerde Ivo hem kennen als een compleet andere man dan hij zich zijn leven had voorgedaan. Waren hun beider levens daardoor gebouwd op leugens? Ivo’s eigen leven klopt niet meer. Het moet over. Maar hoe? Samengesteld uit dagboekfragmenten van zijn vader en bespiegelingen uit zijn eigen omgewoelde leven, groeit Oorlogszoon uit tot een uniek dubbeldagboek, filosofisch en bij vlagen hilarisch, dat diep ontroert.

Ivo Weyel: ‘Ik zit te lezen en hoor beneden een groepje mensen op straat praten. Een vrouw vraagt of iemand nog wat van de familie op nummer 30 heeft gehoord. Weggevoerd, zegt een mannenstem. Mooi zo, is het antwoord. Iemand anders: opgeruimd staat netjes. Fijne dag nog verder.’ Dinsdag 13 juli 1943. ‘Ik’ is mijn vader, de familie van nummer 30 is de zijne. En dus de mijne. Mijn vader was toen negentien. Ik ben nu tweeënzestig. Ik heb een fles wijn op, maar dat blijkt niet genoeg om verder te kunnen lezen. Ik open een tweede en loop naar het raam. Ik luister naar de stemmen beneden op straat. Ik probeer het me voor te stellen, mijn vader en het gesprek van toen, maar het lukt me niet. Ik staar naar buiten en merk niet dat het donker wordt. Dan is ook de tweede fles leeg. Mijn ouders gingen dood en het ouderlijk huis moest worden ontruimd. Wat mijn broer en ik niet allemaal vonden, op zolders, in kelders, in kasten en nog meer kasten, in nissen en onverwachte hoeken van de krochten van het huis. Mijn moeders bruidsboeket, broos – bijna lucht – in vloeipapier, ruim zeventig jaar na dato. Het menu van het huwelijksdiner, Ox-tail Clair en Crème Reine Hortense met een Haut-Sauternes, Coeur de Filets de Boeuf garni avec Sauce Périgord et Pommes noisette en Parfait glacé au Grand Marnier, met een Château d’Yquem uit 1937. Mappen vol rijmpjes en briefjes en spreuken die mijn vader schreef, zijn leven lang, voor verjaardagen en Sinterklaas, of zomaar als hij zin had, of vol met goede raad bij een mijlpaal, mijn bar mitswa, mijn broer die op kamers ging wonen, hun vijftigjarig huwelijksfeest. En dankbrieven, stapels vol opzetten voor dankbrieven, met doorhalingen en verbeteringen alvorens ze in het net werden verstuurd.

We vonden ook een dagboek, drie ordners dik, dicht opeen getypt op duizend pagina’s flinterdun luchtpapier, een ‘Dagboek Onderduik’ zoals erop staat, van zaterdag 18 juni 1943 tot donderdag 23 juni 1945, 736 dagen lang, twee jaren en vijf dagen om precies te zijn. Mijn vader begint met de woorden van Erasmus: ‘Dulce Bellum Inexpertis’, mooi is de oorlog voor hen die hem niet meegemaakt hebben. En dan – als hoop?, als wens? – ‘was mich nicht tötet, macht mich stärker’. En toen moest het allemaal nog beginnen. Ik sla om en zie voor het eerst van mijn leven een jodenster in het echt, op dunne okergele stof, de rijgdraden van zijn jas er nog in, vastgeniet op de pagina. Het beeld is te confronterend, ik kokhals en sla het dagboek dicht. Het is 9 december 2015. Pas op 8 januari 2017 durf ik het weer open te slaan. We wisten niet van het bestaan van dit dagboek. Mijn vader was een zwijgzame man, hij sprak niet over zijn gevoelens, hij slikte ze in, zoals hij ook de hele oorlog heeft ingeslikt en onbesproken gelaten.

‘Lees erover alsof u erbij was,’ brult de televisie mijn kamer in. Met deze reclameslogan wil de zender mij een bundel heruitgegeven oorlogskranten verkopen, maar achter in het dagboek vind ik de originele, keurig opgevouwen: ‘Het Parool’, ‘De Vliegende Hollander’, ‘Het Volk’, ‘De Telegraaf’, maar ook de ‘Völkischer Beobachter’, Hitlers spreekbuis. Mijn vader las ze allemaal, gretig en gulzig, hij probeerde parallellen te ontdekken, conclusies te trekken, de echte waarheid te achterhalen. Hij bericht elke dag minutieus en gedetailleerd over alle veldslagen in Europa en daarbuiten, de overwinningen en strategieën, hij analyseert toekomstverwachtingen en valse hoop, en dat alles op haast onpartijdige wijze, koel en afstandelijk, alsof hij er niet bij betrokken is. ‘Zandvoort eindelijk Jodenvrij,’ schrijft hij en ik verbaas me over het woordje ‘eindelijk’, alsof hij erop zat te wachten, maar het zal wel ergens letterlijk in een krant hebben gestaan. ‘This is not history,’ zei Churchill over de zes boeken die hij schreef over de Tweede Wereldoorlog, ‘this is my case.’ Bij mijn vader lijkt het andersom. Hij beschrijft de geschiedenis zoals die was en rept maar mondjesmaat over ‘his case’, over zijn persoonlijke beslommeringen en beleving. Althans in het begin. Ik moet het doen met kleine zinnetjes tussendoor, hints bijna, zoals: ‘Moeder huilt veel vandaag’, zonder verdere uitleg. Of: ‘Ieder uur hoop je dat Jacques de kampen bespaard mogen blijven; het niet weten waar hij is, is zo verlammend, het sloopt je…’, gevolgd door een woord waar ik bijna om moet lachen, ‘verdikkeme’, alsof het niet gaat om leven en dood, maar om het kwijtraken van een sleutelbos. Naarmate de oorlog vordert, sluipt er steeds meer persoonlijk leed in zijn verhaal. Soms zelfs verliest hij de lust tot fraai proza en wordt het staccato: ‘Honger. Waar eindigt dit? Vader praat met niemand. Komt niet meer uit bed. We gaan dood. Laat het maar snel gebeuren. Dit is onhoudbaar.’

Ik blader het dagboek eerst door, behoedzaam als een panter die zijn prooi besluipt. Alleen nog fragmenten, hier en daar, durf ik aan. Dan lees ik het intenser, langere stukken. Pas de derde keer lees ik met volle teugen, van begin tot end, de hele ellende. Ik verkramp. Ook letterlijk. Ik zit in kleermakerszit op de grond. Ik weet niet hoe lang, maar als ik opsta lukt het niet, mijn benen slapen en zitten verankerd. Bij mijn vader heeft de tijd nooit alle wonden geheeld, hij bleef zijn leven lang een geteisterd en getekend man, bang voor de wereld, boos op de wereld, opgesloten in zichzelf. Nu wil ik weten wat mijn vader allemaal verzweeg. Wat hem tekende tot de man die hij werd, die ik kende als mijn vader. Ik wil mijn immer zwijgende vader aan de praat krijgen. Hem opnieuw leren kennen. Ik sta op, wankel op mijn benen, ik moet weer leren lopen. Op dinsdag 3 augustus 1943 schrijft hij: ‘Ik kwam niet in slaap. Om half twee nog klaarwakker. Ik hoorde twee mannen door de straat lopen, een schrapend geluid, duidelijk soldaten met spijkers beslagen laarzen aan. Het was een warme nacht, het raam stond op een kier, ik hoorde ze stilstaan; hoe dreigend kan stilte klinken, dreigender nog dan lawaai. Toen het gezoem van een knijpkat, een tergend geluid, toen zacht fluisteren, ik kon niet horen in welke taal, Nederlandsch of Duitsch, het verschil tussen leven en dood. Mijn hart ging tekeer. Was ik de enige die wakker was? Ineens keihard de bel. Niet één keer, maar steeds weer. “Polizei!” werd er geschreeuwd. En dan weer op z’n Hollandsch: “Openmaken!” Ze stormden de trap op, een Grüne in vol ornaat en een gewone straatagent, een reuze dikkerd, hij hijgde toen hij boven was. De Grüne had een papier in zijn hand waarop hij steeds keek. Geen idee wat daarop stond. Ze stormden door het huis, keken overal, de Grüne voorop. Godzijdank hadden we vannacht boven geslapen, onder het luik, alsof we het aan hadden zien komen.

Iedereen was wakker en hield de adem in. De vrouw des huizes leidde ze rond, heel kalm, steeds vragen: “Maar wat zoekt u dan? Laat me u helpen.” Ik hoorde beneden de kastdeuren piepen, open en weer dicht gegooid en toen de zware laarzen op de trap naar boven, naar ons. Mijnheer was ze al voorgegaan en stond ze boven op te wachten, de Grüne richtte zijn lantaarn op zijn gezicht, ik zag het schijnsel door de planken heen. Ik hoorde de laarzen boven mijn hoofd stilhouden. “Was ist das?” Ik dacht dit is het einde, maar hij wees niet op het luik maar op het zolderraam, vertelde Mevrouw later. Hij keek erdoorheen, of het een vluchtroute kon zijn, denk ik. Toen denderde hij naar beneden, de dikke agent erachteraan, om een rapport te schrijven, daartoe wilde hij weer in een der kamers gaan om te gaan zitten. We konden alles horen. “Einmal finden wir was wir suchen, die Schweinen,” zei hij. Geen idee wie hij bedoelde. Hij sprak niet over Joden en ook niet over ons specifiek. Hij vroeg aan de agent: “Was nun?” en die zei: “Radioweg 8,” waarschijnlijk hun volgende adres, en ze gingen heen. We durfden het luik niet open te maken. We hielden ons doodstil. Ook Mijnheer en Mevrouw bleven een tijd beneden uit angst dat ze terugkwamen, want dat was hun tactiek, weggaan en dan terugkomen als de Joden uit hun hol zijn gekropen en dan op heterdaad betrappen. Maar neen. Ze kwamen niet terug. We hebben met zijn allen nog een tijd gesproken met elkander. Toen weer onder het luik geslapen. Wonderwel als een roos.’ De volgende dag ziet er ineens heel anders uit qua sfeer en stemming: ‘Bach koralen gezongen met zijn allen rond de piano. Wonderschone muziek. Ik vond de partituur van Rigoletto tussen allerlei paperassen. Denk erover zijn rol mij eigen te maken, al is deze bedoeld voor een bariton en ben ik tenor. We zouden dit moeten oefenen tezamen en uitvoeren op moeders verjaardag.
Dat zou feestelijk zijn.’ Zo verloopt het hele dagboek, voortdurend wisselend van stemming, op en neer, niet alleen balancerend tussen hoop en vrees, maar zelfs tussen doodsangst en hilariteit.’


MACBETH

In mijn lijfblad AD De Dordtenaar van voorbije 29 april las ik het interview dat Egbert Jan Riethof mocht hebben met een groot schrijver die in onze rubriek al heel wat keren zijn opwachting maakte. De titel van het vraaggesprek gaat als ‘Nesbo doet Shakespeare’ en de ondertitel als ‘Ik onderzoek de aard van het kwaad en vermaak de lezer’. Ik heb het over de 496 bladzijden tellende paperback Macbeth van Jo Nesbo en Nijgh & Van Ditmar met op de omslag zeg maar de subtitel ‘Bloed zal met bloed betaald worden’. Macbeth is de kortste tragedie van William Shakespeare en ook de meest bloedige. De vraag voor u en mij is nu hoe Nesbo Shakespeare met diens 11de-eeuws Schots koningsdrama volgt en in welke mate. Om u de nieuwe Macbeth in te loodsen geef ik u de eerste vier bladzijden integraal door en laat dat voorafgaan door de tekst van de uitgever op de omslag. Over een paar weken mag ik gaarne van u vernemen hoe deze Macbeth bij u overgekomen is, opdat wij hier onze leeservaringen met elkaar kunnen uitwisselen. U zult nu het literaire talent Nesbo gaan ontmoeten,

Nijgh & Van Ditmar: ‘Een donker, vervallen, corrupt fabrieksstadje in het Schotland van de vroege jaren 70. Een politiemacht die worstelt met een aanhoudend drugsprobleem. De illegale handel wordt beheerst door twee drugsbaronnen en één van hen – een meester in manipulatie genaamd Hecate – heeft connecties met de allermachtigsten, en is niet bang deze tegen elkaar uit te spelen. Centraal aan Hecates sluwe plan ligt de geleidelijke manipulatie van inspecteur Macbeth: hoofd van het SWAT-team en behoorlijk paranoïde en vatbaar voor geweld. Wat volgt is een meeslepend verhaal van liefde en schuld, politieke ambitie en hebzucht, langs de donkerste hoekjes van de menselijke natuur. In Jo Nesbo's Macbeth barst de strijd los tussen de ambities van een corrupte politieman en zijn loyale collega's, tussen een met drugs doordrenkte onderwereld en de greep van jeugdvriendschappen. Bereid je voor op een zinderende rit door de donkerste tunnels van de mensheid!

Jo Nesbo: ‘De heldere regendruppel viel uit de lucht, door het donker, in de richting van de bevende lichten van de havenstad beneden. De koude windvlagen uit het noordwesten dreven de druppel naar de opgedroogde rivierbedding die de stad overlangs en de spoorbaan die de stad overdwars in tweeën deelde. Deze vier kwarten waren met de klok mee genummerd en hadden verder geen naam. In elk geval geen naam die de inwoners zich konden herinneren. Als je die inwoners ver weg van hun stad tegenkwam en vroeg waar ze vandaan kwamen, dan gebeurde het wel dat ze ook niet meer wisten hoe de stad heette. De regendruppel veranderde van helder naar grijs toen die zich door het vuil en het gif boorde dat permanent als een mistdeksel boven de stad hing, hoewel de fabrieken de laatste jaren stuk voor stuk waren gesloten. Ondanks het feit dat de werklozen geen geld meer hadden om hun kachels te stoken. Ondanks de onberekenbare, maar heftige wind en de onophoudelijke regen.

Sommige inwoners beweerden dat die eindeloze regen pas begonnen was nadat er met twee atoombommen een eind was gemaakt aan de laatste wereldoorlog. Nu zo’n vijfentwintig jaar geleden. Met andere woorden, tegelijk met de aanstelling van Kenneth als hoofdcommissaris van de stad. Vanuit zijn kantoor op de bovenste verdieping van het Hoofdkwartier had de hoofdcommissaris de stad een kwarteeuw met ijzeren hand geregeerd, wie er ook op de burgemeestersstoel zat, wat hij ook deed of niet had gedaan, wat de hoge heren in de hoofdstad Capitol ook hadden gezegd of niet hadden gezegd. Want de een-na-grootste en ooit belangrijkste industriestad van het land ging ten onder aan corruptie, faillissementen, criminaliteit en chaos. Of de klimaatverandering nu lag aan Kenneth, de atoombommen of gewoon aan een slecht geheugen, de inwoners van de stad hadden eindelijk weer wat hoop gekregen want Kenneth was zes maanden geleden in zijn zomerhuis van een stoel gevallen. En drie weken later was hij dood. De begrafenis was betaald door de stad, een oud besluit van de gemeenteraad dat Kenneth zelf had georkestreerd. Na de begrafenis, een dictator waardig, hadden het gemeentebestuur en de burgemeester Duncan aangesteld als de nieuwe hoofdcommissaris. De zoon van een bisschop, met een breed voorhoofd en leider van de afdeling Georganiseerde Misdaad in Capitol. En de verraste bevolking had hoop gekregen.

Het was een verrassende keus omdat Duncan niet van de oude school van politiek pragmatische politiemensen was, maar van de nieuwe generatie van hoogopgeleide bestuurders die voorstanders waren van veranderingen, openheid, modernisering en het bestrijden van corruptie. Allemaal zaken waar de meerderheid van de gekozen, zichzelf verrijkende politici niet voor te porren waren. En de hoop van de inwoners dat ze een eerlijke, vastbesloten en visionaire hoofdcommissaris hadden gekregen die de stad weer uit het drijfzand kon trekken, werd gevoed door het feit dat Duncan de oude politieleiding had vervangen door zijn eigen mensen: jonge idealisten met schone handen die werkelijk wilden dat de stad een betere plek werd om te wonen. De wind nam de regendruppel mee naar het westen van District 4, naar het hoogste punt van de stad, de radiozendmast. In de studio klonk de eenzame en altijd moreel getergde radiostem van Walt Kite die de hoop uitsprak dat de stad een verlosser had gekregen, waarbij hij elke r liet rollen. Toen Kenneth nog leefde was Kite de enige geweest die de hoofdcommissaris in elk geval durfde te bekritiseren en te beschuldigen van enkele misdrijven die hij had begaan. Vanavond verkondigde Kite met zijn kenmerkende rollende r dat het gemeentebestuur alles in het werk zou stellen om de volmachten die Kenneth had gekregen, waardoor hij de feitelijke macht in de stad had, terug te draaien. En dat dit paradoxaal genoeg zou betekenen dat zijn opvolger, de goede democraat hoofdcommissaris Duncan, eigenlijk niet de macht zou krijgen om  de reorganisaties door te voeren die hij wenste. En Kite stelde verder vast dat de aanstaande burgemeestersverkiezing een kwestie was van ‘...Tourtell, de zittende en daarom de dikste burgemeester van het land, versus niemand.

Absoluut niemand. Want wie kan er concurreren tegen schildpad Tourtell bij wie alle kritiek afketst op zijn irritant dikke pantser van volkse jovialiteit en morele onkreukbaarheid?’ In het oosten van District 4 kwam de regendruppel over de Obelisk, een glazen hotel annex casino van negentien verdiepingen dat als een verlichte middelvinger boven de treurige bruinzwarte laagbouw van de rest van de stad uitstak. Hoe minder industrie en hoe groter de werkloosheid, des te populairder was het onder inwoners geworden om in de twee casino’s van de stad het geld te vergokken dat ze niet hadden. ‘De stad die gestopt was te geven, begon nu te nemen,’ zei Kite grommend door zijn microfoon. ‘Eerst sluiten we alle fabrieken, daarna heffen we het treinstation op zodat niemand meer weg kan. Dan verdoven we de inwoners met drugs die te koop zijn waar we vroeger de treinkaartjes kochten. Op die manier kunnen we ze in alle rust bestelen. Ik had nooit gedacht dat ik zou zeggen dat ik de heren profiteurs van de industrie mis, maar zij maakten tenminste deel uit van een respectabele branche. In tegenstelling tot de drie andere branches waarbinnen mensen zich nog steeds kunnen verrijken: de casino’s, de drugshandel en de politiek.’

In District 3 veegde de wind, die zwaar was van de regen, over het Hoofdkwartier van de politie, het Casino Inverness en de straten waar de regen de meeste mensen naar binnen had gejaagd en slechts een enkeling op jacht of op de vlucht was. Over het Centraal Station waar niet langer treinen arriveerden, maar dat toch bevolkt werd door geesten en reizigers. Geesten van de mensen die deze stad ooit hadden opgebouwd vanuit het geloof in henzelf, de arbeidsmoraal, hun god, de technologie en hun nakomelingen. En reizigers van de drugsmarkt die het etmaal rond open was en waar een brouwsel gekocht werd dat een ticket naar de hemel beloofde en de hel garandeerde. In District 2 floot de wind in schoorsteenpijpen van de grootste, maar onlangs gesloten fabrieken van de stad, Graven en Estex. Daar werden metaallegeringen geproduceerd, maar waaruit die precies bestonden konden zelfs de mensen die bij de ovens hadden gestaan niet precies zeggen; ze wisten alleen dat de Koreanen dezelfde legeringen goedkoper waren gaan produceren. Misschien kwam het door het klimaat van de stad dat het verval zo zichtbaar was of misschien was dat inbeelding en kwam het gewoon door het feit dat de zwijgende, gesloten fabrieken ‘de geplunderde kathedralen van het kapitalisme waren in een stad van verraders en heidenen’, zoals Kite het uitdrukte. De regen dreef naar het zuidoosten naar de straten met kapotte lantaarns waar de jakhalzen op zoek naar buit beschutting zochten tegen de permanente waterlozing bij de gevels terwijl hun prooien zich haastten naar meer licht en veiligheid. Onlangs had Kite in een interview aan hoofdcommissaris Duncan gevraagd waarom de kans om beroofd te worden in deze stad zes keer zo hoog was als in Capitol, en Duncan had daarop geantwoord dat hij hiervoor een simpele verklaring had: dat kwam doordat het aantal werklozen zes keer hoger was en het aantal drugsverslaafden tien keer hoger.

In het grotendeels verlaten havengebied lagen oude schepen met roestige containers, en hun kapiteins hadden te maken met corrupte vertegenwoordigers van het havenwezen aan wie ze bruine enveloppen gaven om verzekerd te zijn van een snelle toestemming om af te meren en een goede aanlegplaats. Die bedragen werden door de rederijen in de boeken opgevoerd onder het kopje ‘overige uitgaven’, en de kapiteins namen zich stellig voor nooit meer een opdracht naar deze stad te accepteren. Een van deze schepen was MS Leningrad, een schip uit de Sovjet Unie, dat zo verroest was dat het regenwater het water rond het schip bloedrood kleurde. De regendruppel viel door een lichtstraal van een elektrische lamp die op het dak van een van de houten gebouwen met opslagruimtes, havenkantoor en een gesloten boksclub stond. De druppel viel tussen het gebouw en het roestige schip door en trof een stierenhoorn. Hij liep langs de hoorn naar het punt waar die vastzat aan een motorhelm, liep naar beneden over de rug van een leren jack met Norse Riders in geborduurde gotische letters erop. Daarna liep de druppel over het motorzadel van een rode Indian Chief-motorfiets en ten slotte naar de naaf van het langzaam draaiende achterwiel, waar die uit werd geslingerd, stopte een druppel te zijn en deel werd van het giftige water in de stad. Achter de rode motorfiets volgden nog elf andere. Ze reden onder een van de lampen door die aan de muur van de donkere havengebouwen zaten.’


DE MOOISTE DAG

Het viel mij weer toe: ik begon in een roman te lezen en meteen was ik in de ban van taal en thema. Ik bleef lezen tot het eind en besefte dat onze literatuur een goed boek rijker is geworden. Ik heb het over de 208 bladzijden tellende paperback De mooiste dag van Stevo Akkerman en uitgeverij Nieuw Amsterdam. Om ook u in vervoering te brengen reik ik u het eerste chapiter met de titel ‘Therese, Jacob, Wilco, Floor’, wat ik vooraf laat gaan door de tekst van de uitgever op de omslag. U zult met mij blij zijn met dit boek, waarover wij later onze leesgevoelens met elkaar uitwisselen.

Nieuw Amsterdam: ‘Als Therese in het ziekenhuis ligt om te bevallen van haar eerste kind, is het erop of eronder. Niet alleen voor haar en haar kind, maar ook voor de mensen die op de gang staan te wachten: haar man, haar vader en haar zus – het zwarte schaap van de familie.
Alleen Agnes, Thereses moeder, is onvindbaar. Maandenlang heeft ze haar dochter overladen met liefde en cadeaus, om vast te houden wat onvermijdelijk verloren zou gaan. Waarom is ze juist nu afwezig? En is ze, na alles wat gebeurd is, nog welkom bij degenen die ze meer liefheeft dan wie ook?

Stevo Akkerman: ‘De dag dat Therese haar dochter moet baren, is ook de dag dat haar moeder verdwijnt, al heeft ze daar geen weet van. Therese is overal van afgesneden. Wat er in haar lichaam gebeurt voltrekt zich werktuiglijk, wat daarbuiten gebeurt ontgaat haar. De weeën komen om de vijf minuten. Alles in haar trekt zich dan samen, alsof een riem oneindig strak over haar onderlichaam wordt aangehaald, en de pijn scheurt door haar rug. Af en toe meldt de arts­assistent hoe ver de ontsluiting is: vijf centimeter, nog altijd vijf centimeter. Zijn toon is zakelijk, zijn stem kalm, maar Therese ziet in zijn ogen dat hij bang is. Op een monitor is de hartslag van de baby te zien. Therese negeert het. Aan de andere kant van het bed zit Wilco. Hij probeert steeds haar hand te pakken, alsof ze daar iets aan heeft. Als er op de monitor iets beweegt, kijkt hij vragend naar de arts­assistent, die aanvankelijk nog geruststellende gebaren maakt, maar inmiddels niet meer reageert. Therese is overgeleverd aan twee onwetende mannen en een doofstom apparaat. Was haar moeder maar hier.

Jacob had gezien hoeveel moeite het Agnes kostte zich te beheersen en uiteindelijk had hij haar niet kunnen tegenhouden. Tot een uur of elf vloog ze door het huis op zoek naar dingen die dringend moesten gebeuren, toen was ze toch gaan bellen. ‘Doe het nou niet,’ had hij gezegd. ‘Als er nieuws is, laten ze het wel horen.’ Maar ze moest weten hoe het ervoor stond. Therese was tien dagen geleden al uitgerekend, meestal belde ze zelf even om te melden dat er niets te melden was, maar gisteren en vandaag had ze verstek laten gaan. De bevalling kon al wel in volle gang zijn. ‘Een heel goede reden om haar met rust te laten.’ ‘Ze is mijn dochter.’ Therese had niet opgenomen en Jacob zag hoe het bloed Agnes naar het gezicht steeg. Ze koos een volgend nummer. Jacob hoorde hoe Wilco opnam: ‘Hallo?’ Dat ze Wilco’s nummer überhaupt had! ‘Dit is je schoonmoeder en ik…’ begon Agnes, maar Wilco onderbrak haar. ‘Het is begonnen, we zijn in het ziekenhuis. Ik moet ophangen, ik mag hier eigenlijk niet bellen.’ Ze was zonder iets te zeggen naar buiten gesneld, het protest van Jacob had ze waarschijnlijk niet eens gehoord. Hij overwoog het ziekenhuis te waarschuwen dat zijn vrouw in aantocht was, maar zag ervan af. Het personeel zou haar wel tegenhouden, of anders Wilco. Hij doolde wat door het huis, zat lang op zijn zolderkamer zonder iets anders te doen dan uit het raam kijken en wachtte op het telefoontje dat hem zou vertellen dat hij grootvader was geworden. Toen dat uitbleef en ook Agnes niet terugkwam, fietste hij naar het ziekenhuis. Het was een warme dag, maar zonder zon, donker bijna. Veel onrustige vogels in de lucht. Hijgend en zwetend meldde Jacob zich bij de balie, waar een medewerkster bevestigde dat Therese en Wilco zich op de afdeling Verloskunde bevonden. ‘Maar u kunt daar nu niet naar binnen.’ ‘Mijn vrouw is er anders wel.’ ‘Is dat zo? Wacht, ik bel even.’ Hij voelde dat hij wantrouwend werd aangekeken. ‘Ze is daar niet, hoor.’ ‘Niet?’
‘Nee.’

Wilco kan niet langer ontkennen dat het fout gaat. Hij ziet hoe onregelmatig de hartslag van de baby is, voelt hoe koortsig Therese wordt en hoort hoe zwaar het ademen haar valt. Het lukt haar niet eens meer te vloeken, zoals ze urenlang heeft gedaan. Tegen hem zegt ze sowieso niets meer. De ontsluiting is acht centimeter, heeft de arts­assistent gemeld. Hij oogt vermoeid. De avond nadert. Steeds vaker komt de gynaecoloog binnenvallen, nu zelfs in het gezelschap van een collega­specialist, een man die Wilco ernstig toeknikt, een blik op de steunende Therese werpt, haar buik voelt en een buisje bij haar inbrengt om een druppel bloed van de baby te kunnen afnemen. ‘We moeten op alles voorbereid zijn,’ verklaart de gynaecoloog. ‘Als de toestand niet verbetert, zullen we tot een keizersnede moeten besluiten. Maar ook dat is niet zonder risico. Geenszins zelfs.’ Wilco knikt. Laat ze doen wat ze moeten doen, zolang Therese en het kind het maar redden. ‘O God,’ bidt hij, en het is voor het eerst van zijn leven dat hij dat doet. ‘Zorg dat het goed komt met Therese en het kind.’ Als het fout gaat, is het zijn schuld, dat weet hij. Hij zou zijn hoofd op het bed willen leggen, bij Therese en de baby, het meisje voor wie ze de naam Kirsten hebben gereserveerd. En dan rusten.
Maar het is zijn taak alert te blijven. Een verpleegster komt behoedzaam de kamer binnen, ze loopt naar Wilco, legt een hand op zijn schouder en fluistert dat er telefoon voor hem is. Hij moet even meelopen naar de verpleegkundigenpost, het is dringend. ‘Hallo.’ Hij laat het zo kortaangebonden mogelijk klinken, in de verwachting zijn schoonmoeder weer aan de lijn te krijgen. Maar het is zijn schoonvader. ‘Wilco, gaat het wel goed?’ ‘Nee, het gaat niet goed.’ ‘Luister Wilco, ik ben in het ziekenhuis, de hele middag al, maar ze laten me niet naar boven gaan. Alleen als jij toestemming geeft. Ik wilde je niet eerder storen, maar…’ ‘Kom maar naar boven.’ De verpleegster heeft het gesprek gehoord. ‘Hij kan hier op de gang zitten,’ zegt ze. ‘Koffie is er altijd. Wil jij ook?’ ‘Graag.’ Het duurt niet lang voordat zijn schoonvader zich meldt, verfomfaaid, gespannen, bezorgd. Wilco vertelt hem in telegramstijl hoe de situatie is. Hoofdschuddend hoort zijn schoonvader hem aan. ‘Arme Therese,’ zegt hij. ‘Arm meisje.’ Dan pakt hij Wilco bij de arm. ‘Ik weet niet of ik je dit moet vertellen, nu, in deze toestand, maar Agnes is weg. Verdwenen. Vermist.’ ‘Wat? Ik had haar vanochtend nog aan de telefoon.’ ‘Direct daarna is ze het huis uit gerend. Ik dacht dat ze hiernaartoe was gegaan, maar dat is dus niet zo. Het spijt me, ik moet je er niet mee lastigvallen. Wat is dit toch allemaal, jongen? Ik weet het niet meer.’

Dom mens, denkt Wilco. Dom, dom mens. ‘Blijf hier,’ zegt hij tegen zijn schoonvader. ‘Ik moet naar Therese, maar ik kom zo snel mogelijk terug. En bel Floor. Laat haar ook hierheen komen. Bel Floor!’ Als hij de verloskamer weer binnengaat, schrikt hij van wat hij ziet. Niet omdat er iets is veranderd, maar omdat hij even aan de andere kant van de deur is geweest, in een andere werkelijkheid.
Therese heeft haar ogen gesloten, ze is lijkbleek en er trekken rillingen door haar hele lijf. Hij pakt haar hand, ditmaal staat ze dat toe. Of misschien merkt ze het gewoon niet. Hoe alleen moet ze zich voelen, en dan weet ze nog niet eens van haar moeder. Na een half uur komt de verpleegster weer binnen om te zeggen dat hij iets moet eten, ze hebben bij hun post een maaltijd voor hem klaarstaan. ‘Als er iets gebeurt, roepen ze u wel weer naar binnen.’ Op de gang heeft zijn schoonvader gezelschap gekregen van Floor. Toen haar vader haar belde zat ze in de trein, vlak voor Woerden, en kon ze vijf minuten later al uitstappen. Wilco kent haar eigenlijk nauwelijks en weet ook niet goed waarom hij wilde dat ze zou komen – tussen Therese en Floor bestaat alleen maar frictie en tussen Floor en haar moeder is het nog erger. Toch is hij blij dat hij haar ziet. ‘Ik vind het heel eng,’ zegt Floor. Met z’n drieën zitten ze naast elkaar op de geschakelde wachtkamerstoelen, Wilco met een maaltijdtray op schoot; aardappelpuree, broccoli, cordon bleu. ‘Wat vind je eng?’ vraagt hij. ‘Therese, natuurlijk, en de baby. En dan mama, dat is echt… Ik denk…’ ‘Ja?’ ‘Ik denk dat ze in staat is zichzelf iets aan te doen.’ ‘Dat denk ik ook,’ zegt zijn schoonvader zachtjes. ‘Dan moeten jullie nú de politie bellen. Zeg dat ze labiel is en dat ze wordt vermist, dat het een crisissituatie is, dat ze haar moeten gaan zoeken.’ Hij gaat weer naar Therese. Ze heeft haar ogen open en klampt hem aan met een blik die hem pijn doet – zo veel verlatenheid. ‘Ik ben bang, Wilco,’ fluistert ze.’
 

VEEL VALSE HOOP

Het geschiedde vrijdagmorgen 11 mei: de man van de post gaf een pakketje af, over de inhoud ervan ik het weekeinde daarvoor al gelezen en gehoord had. En de woorden hadden als inhoud het gebeuren dat immer door mijn introducties als een rode draad loopt. Ik heb het over de 512 bladzijden tellende hardcover Veel valse hoop van de Duitse historica Katja Happe en Uitgeverij Atlas Contact met de ondertitel ‘De Jodenvervolging in Nederland 1940-1945’. Op Bevrijdingsdag zag ik de dame van eind veertig in het programma VPRO Boeken haar navrante werk toelichten en op 4 mei las ik in NRC Boeken de recensie over Veel valse hoop van Jolande Withuis met de titel ‘Werk mee en voorkom erger’ en de entree ‘Jodenvervolging. Hoe kon driekwart van alle Joden in Nederland worden vermoord in de Tweede Wereldoorlog? Op deze vraag geeft Katja Happe een veelomvattend antwoord in een meesterwerk.’ Het spreekt voor zich dat wij elkaar hier de komende weken om dit in geel wikkelpapier gehulde boek ontmoeten. Als aanloop daartoe geef ik u de tekst van de uitgever op de omslag en integraal Happes eerste chapiter ‘Geen eenvoudige antwoorden – Een inleiding’. U zult met mij in de inleiding twee personen ontmoeten die wij in onze rubriek vaak tegenkwamen: Anne Frank en Jules Schelvis. Anne kwam om in 1945 en Jules liet het leven in 2016. Beiden werden overrompeld door het leed de Joden aangedaan.

De Tweede Wereldoorlog is nog steeds ons belangrijkste historische referentiepunt – en binnen die oorlog de vervolging van en de massamoord op de Joden. Sinds de drie grote geschiedschrijvingen over het onderwerp van Abel Herzberg, Jacques Presser en Lou de Jong, geschreven in de jaren vijftig, zestig en zeventig van de vorige eeuw, is er veel en veel belangwekkend onderzoek is verricht.
Veel valse hoop is een nieuw alomvattend boek over het onderwerp. Het vertelt de geschiedenis van de Jodenvervolging in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Niet alleen vanuit Nederlands oogpunt, de geschiedenis wordt ook bezien vanuit internationaal perspectief. Ook wordt er gedetailleerd aandacht besteed aan specifieke maatregelen voor Nederland van de nazitop in Berlijn en de op Nederland gerichte acties van internationale Joodse hulporganisaties. Dit overzichtswerk zal de komende tientallen jaren het standaardwerk over de vervolging van de Nederlandse Joden blijken te zijn.

Katja Happe: ‘Lieve Kitty, Dan begin ik maar meteen; het is nu zo lekker rustig.’ Met deze woorden begint een van de eerste dagboek-aantekeningen van Anne Frank. Het dagboek, geschreven tijdens de onderduik in Amsterdam tussen juli 1942 en augustus 1944, is tegenwoordig een van de bekendste boeken ter wereld en de schrijfster is uitgegroeid tot een symbool van de Holocaust en de moord op miljoenen Europese Joden door het naziregime. Anne Frank was in de jaren dertig met haar familie uit Duitsland naar Nederland geëmigreerd. Haar vader Otto Frank dreef een kleine handelsonderneming aan de Amsterdamse Prinsengracht, Anne en haar zus Margot gingen naar een Nederlandse school en wenden snel aan hun nieuwe leven in Nederland. Na de Duitse inval in mei 1940 werd het voor de familie Frank steeds gevaarlijker. Twee jaar later – nadat in juli 1942 de deportaties naar de vernietigingskampen op gang waren gekomen – dook de familie samen met een aantal vrienden onder in het achterhuis van Otto Franks bedrijfspand. Hier ontstond het wereldberoemd geworden dagboek. In augustus 1944 werden de onderduikers verraden en net als de overgrote meerderheid van de Nederlandse Joden op transport gesteld naar het oosten. Alleen Otto Frank overleefde de Holocaust en in 1945 keerde hij terug naar Amsterdam; Anne en haar zus kwamen in het voorjaar van 1945 om het leven in Bergen-Belsen, hun moeder was in januari 1945 in Auschwitz vermoord.

In Nederland, dat in mei 1940 door nazi-Duitsland werd bezet, begonnen de bezetters al na een paar maanden met het invoeren van anti-Joods maatregelen en met het beroven en isoleren van de Joodse bevolkingsgroep. Na amper twee jaar, toen in Duitsland tot de ‘definitieve oplossing van het Jodenvraagstuk’ was besloten en de moord op de Europese Joden georganiseerd was, begonnen vanaf midden juli 1942 de deportaties van de Nederlandse Joden naar de vernietigingskampen. Van deze deportaties werd 75 procent van de in Nederland wonende Joden het slachtoffer, meer dan 100.000 mensen. Waarom juist uit Nederland zoveel Joden werden gedeporteerd en vermoord, is een van de kernvragen van dit boek. Een eenvoudig antwoord op deze vraag bestaat niet. Een aantal onderling samenhangende factoren is hierbij doorslaggevend geweest. De effectiviteit van het Duitse bezettingsregime, dat ten volle gebruikmaakte van de mogelijkheden die zich in Nederland voordeden, speelde hierbij een rol, maar ook de onder de Nederlandse bevolking wijdverbreide gezagsgetrouwheid, het onvermogen van veel Joden om in te zien dat zij gevaar liepen, en niet in de laatste plaats de moeilijkheden om in het kleine en dichtbevolkte land onder te duiken of voor de Duitsers te vluchten. Bij nadere beschouwing van de gebeurtenissen in Nederland openen zich tal van perspectieven – van slachtoffers, daders en omstanders – die nieuwe aspecten toevoegen aan de bekende verhalen en aan onze kennis van de ontwikkelingen ten tijde van de nationaalsocialistische overheersing. In dit boek is daarom veel plaats ingeruimd voor de verschillende gezichtspunten van handelende of betrokken personen. Zo zal iemand als Otto Bene, de vertegenwoordiger van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken in Nederland en gestationeerd in Den Haag die regelmatig gedetailleerd aan Berlijn verslag uitbracht, doorlopend een rol spelen. Kijken we naar andere representanten van de bezettingsmacht, zoals Ferdinand aus der Fünten, die lange tijd aan het hoofd stond van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung en naast Wilhelm Zoepf, de chef van Judenreferat iv b 4, een wezenlijk aandeel had in de Jodenvervolging, dan wordt inzichtelijk hoe de vervolging van de Joden in Nederland vanuit Duits perspectief verliep, hoe nauw de contacten met de belangrijkste instanties in Berlijn waren en welke maatregelen werden voorbereid en uitgevoerd. Aan Joodse kant staat telkens weer het optreden centraal van de beide voorzitters van de in 1942 opgerichte Joodse Raad, Abraham Asscher en David Cohen. Hun medewerkster Gertrude van Tijn, die al in de jaren twintig uit Duitsland naar Nederland emigreerde en hier trouwde, gaf binnen de Joodse Raad een stem aan de kritiek op de houding van voorzittersduo.

Haar levensloop – Van Tijn werd tijdens de bezetting eerst naar Westerbork en Bergen-Belsen gedeporteerd en vervolgens samen met anderen uitgewisseld tegen in Palestina geïnterneerde Duitsers – illustreert de complexe en moeizame pogingen van veel Joden om de vervolging op een of andere manier te doorstaan. Net als zij overleefden ook Gabriel Italie, Mirjam Levie, Sam Goudsmit, Hans Keilson en Salomon Silber de bezettingstijd, de een in verschillende kampen, de ander in de onderduik of de illegaliteit. Samen met de velen die de Duitse bezetting niet overleefden en in dagboeken, brieven en andere geschriften aan het woord komen, geven zij de vervolgde Joden een stem. Maar ook degenen die noch tot de Duitse en Nederlandse daders noch tot de Joodse slachtoffers behoren, komen aan het woord. Dit zijn onder meer de secretarissen-generaal, die na de vlucht van koningin en kabinet belast werden met de eindverantwoordelijkheid voor hun departementen, en Johannes de Jong, de aartsbisschop van Utrecht, die zich telkens weer verzette tegen anti-Joodse maatregelen, maar bijvoorbeeld ook iemand als Aad van As, die als een van de weinige niet-Joodse Nederlanders in kamp Westerbork werkzaam was en het verloop van deportaties van zeer nabij meemaakte.
Veel Nederlandse studies over de bezettingstijd concentreren zich op de gebeurtenissen in Nederland zelf. Maar de processen die zich hier voordeden waren nauw verbonden met de ontwikkelingen in Duitsland, en bovendien waren zij ingebed in een internationaal kader. Vandaar dat in deze studie – en dat is een tweede kernvraag – ook wordt nagegaan vanuit welk gezichtspunt instituties buiten het bezette Nederland naar de gebeurtenissen in dit land keken en of, en zo ja hoe, zij daarop invloed probeerden uit te oefenen. Hierbij komen ook steeds de ontwikkelingen in Duitsland aan de orde en de plannen die hier werden gesmeed voor de moord op de Europese Joden. Maar ook de Nederlandse regering in ballingschap nam binnen het geheel van de organisaties die zich bezighielden met de gebeurtenissen in Nederland een vooraanstaande plaats in, want zij was de officiële vertegenwoordiger van Nederland binnen het geallieerde bondgenootschap.

Voor de Joden in het bezette gebied waren de verschillende Joodse hulpverleningsorganisaties nog zeer veel belangrijker. Wat Paul Baerwald van het Joint Distribution Committee (Joint) of de voorzitter van het World Jewish Congress (WJC) Stephen Wise ondernamen om de Joden te redden, kon directe consequenties voor het overleven van Joden in Nederland hebben. Terwijl de grote hulporganisaties zich over het algemeen inspanden voor het redden van Joden in geheel Europa, richtten in Palestina de Nederlandse immigrantenvereniging Irgoen Olei Holland en in Zwitserland de Joodse Coördinatie Commissie (JCC) hun hulpactiviteiten specifiek op de Joden in Nederland. De moeilijkheden waarmee vooral Max Gans van de JCC in Genève te kampen had, worden vooral uiteengezet in de tweede helft van dit boek. Aan dit perspectief van buitenaf op de Jodenvervolging in Nederland is in het historisch onderzoek tot dusver nauwelijks aandacht besteed – noch in Duitsland noch in Nederland. Toch was het nu juist deze vraag die Jules Schelvis, die in de zomer van 1943 naar Sobibor werd gedeporteerd, bezighield – en hij was de enige niet – namelijk: ‘Hoe kon de wereld dat tolereren?’ De pogingen van de ‘wereld’ – de geallieerde regeringen, hulporganisaties en neutrale landen – om de moord op de Europese Joden te verhinderen, spelen daarom in het verloop van de Jodenvervolging in Nederland een belangrijke rol. Zij maken samen met de perspectieven van de daders, slachtoffers en omstanders deel uit van de volledige geschiedenis van de Jodenvervolging in Nederland. De Duitse lezer krijgt met deze geschiedenis van de Jodenvervolging een beeld van de gebeurtenissen in een bezet West-Europees land die hem nog niet bekend waren. Veel Nederlanders zijn uiteraard al vertrouwd met de voornaamste ontwikkelingen die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland zelf hebben afgespeeld. Maar ook voor hen biedt dit boek, waarin de blik immers ook gericht wordt op de Nederlandse regering in Londen en de inspanningen van de internationale Joodse hulporganisaties, nieuwe feiten en inzichten.’

CULTUURMIX 7 MEI 2018

Papendrecht 07-05-2018

TIERGARTENSTRASSE

Niet alleen in de eerste meidagen laat mij het oorlogsgebeuren 40—45niet los, maar eigenlijk heel  het jaar door ben ik in de ban van het wee van de Tweede Wereldoorlog. Om maar dicht bij huis te blijven: de laatste week van april mocht ik het met u hebben over De laatste getuige van  Frank Krake en over Trouw van Peter Bootsma. Vooral dit laatste boek was mij op het lijf geschreven, omdat het verhaalde over de drukkers in  1944 van het illegale blad Trouw, onder wie de baas van mijn vader, Hendricus Wegeling. De man werd verzocht in het geheim de verzetskrant te vervaardigen, maar moest dit met een executie in Kamp Vught bekopen. Denkend aan de oorlog van toen zie ik nog hoe Wegeling op het plein voor de drukkerij door Duitse soldaten een overvalwagen werd in geslagen. Als boek voor deze dagen van de maand mei 2018 leg ik voor u op de leestafel de 412 bladzijden tellende, authentiek geïllustreerde hardcover Tiergartenstrasse van de Amerikaanse auteur Erik Larson en van kkuitgeverij Karakter met de ondertitel ‘Berlijn, 1933. Een Amerikaanse ambassadeursdochter wordt spin voor de Russische geheime dienst’. Ik neem aan dat ook u dit werk uit het non-fictieve genre tot u wilt nemen en daartoe geef ik u de tekst van de uitgever op de omslag en de eerste twee stukken. Met u bemin ik boeken die uit de realiteit gegrepen en goed geschreven zijn. Tiergartenstrasse is zo’n boek.

Karakter [PK1] : ‘Berlijn 1933. William E. Dodd wordt de eerste Amerikaanse ambassadeur in het Duitsland van Adolf Hitler, in het jaar dat een keerpunt in de moderne geschiedenis zou blijken. Dodd, een kalme professor uit Chicago, neemt zijn vrouw, zijn zoon en zijn flamboyante dochter Marthe mee. In eerste instantie is Marthe erg onder de indruk van de pracht en praal, de feesten en de knappe politici en officieren van het Derde Rijk. Hun grenzeloze enthousiasme voor dit 'nieuwe Duitsland' is aanstekelijk en ze heeft ene affaire na de andere, onder meer met het eerste hoofd van de later zo gevreesde Gestapo, Rudolf Diels. Maar als bewijs van de Jodenvervolging zich begint op te stapelen en ooggetuigen schokkende verklaringen afleggen, begint William Dodd berichten naar de VS te sturen waarin hij zijn zorgen uit. Het State Department reageert echter grotendeels met onverschilligheid.
Gedurende 1933 wordt de situatie steeds grimmiger en komt het leven van de ambassadeursfamilie in een storm terecht, vol intrige, romantiek en uiteindelijk afgrijzen als Hitler zijn ware gezicht laat zien met een uitbarsting van schokkend geweld tijdens de Kristallnacht. Doordrenkt van de gespannen sfeer van deze periode en vol indrukwekkende portretten van de bizarre Göring en de charmante maar zeer sinistere Goebbels geeft Tiergarten Strasse een ooggetuigenverslag van de gebeurtenissen zoals die elkaar in hoog tempo opvolgen.’

Erik Larson : ‘Das Vorspiel - Juist toen er een zeer donkere tijd aan het aanbreken was, kwamen een Amerikaanse vader en zijn dochter vanuit hun comfortabele huis in Chicago plotseling midden in het Berlijn van Hitler terecht. Daar bleven ze vier en een half jaar wonen, maar dit verhaal gaat over hun eerste Berlijnse jaar, omdat dat samenviel met de periode waarin Hitler zich van rijkskanselier tot absolute
alleenheerser ontwikkelde, een periode waarin alles in wankel evenwicht verkeerde en er niets zeker was. Dat eerste jaar was een soort voorspel waarin alle elementen van het grote drama van oorlog en moord dat weldra zou beginnen, al aanwezig waren. Ik heb me altijd afgevraagd hoe het voor een buitenstaander geweest zou zijn om persoonlijk getuige te zijn van de zich allengs verdiepende duisternis van het regime van Hitler. Hoe zag de stad eruit, wat hoorde, zag en rook je er zoal, en hoe interpreteerden diplomaten en andere bezoekers de gebeurtenissen die zich om hen heen afspeelden? Achteraf kun je vaststellen dat in die onzekere fase de loop der geschiedenis zo gemakkelijk verlegd had kunnen worden. Waarom heeft niemand dat gedaan? Waarom duurde het zo lang voordat het echte gevaar van Hitler en zijn bewind werd ingezien? Zoals de meeste mensen heb ook ik mijn eerste indruk van dat tijdperk ontleend aan boeken en foto’s, waardoor ik dacht dat de wereld van toen geen kleuren had, alleen schakeringen van grijs en zwart. De twee hoofdpersonen van dit verhaal kregen echter te maken met de concrete realiteit, terwijl ze ook met de routinematige verplichtingen van het dagelijks leven bezig waren. Elke morgen liepen ze door een stad waar immense rood-wit-zwarte spandoeken hingen; ze zaten in cafés waar ook de schrale, in het zwart gestoken leden van Hitlers SS kwamen, en af en toe vingen ze een glimp op van Hitler zelf, een klein mannetje in een grote open Mercedes. Maar ze liepen elke dag ook langs huizen met een balkon dat royaal
versierd was met rode geraniums; ze winkelden in de enorme warenhuizen van Berlijn, organiseerden thee-uurtjes en snoven de lentegeuren op
van de Tiergarten, hét park van Berlijn. Ze maakten in hun sociale leven Goebbels en Göring mee, ze aten en dansten met hen en maakten
grappen met hen – tot er aan het eind van hun eerste jaar iets gebeurde wat een van de belangrijkste voorvallen bleek te zijn die de ware aard van Hitler openbaarden en het  fundament legde voor het daaropvolgend decennium. Voor vader en dochter was daarna alles anders.

Dit boek behoort tot de categorie non-fictie. Zoals altijd is alles wat tussen aanhalingstekens staat, afkomstig uit een brief, dagboek, autobiografische publicatie of een ander historisch document. Ik heb op deze bladzijden geen poging gedaan om de zoveelste omvattende geschiedenis van het tijdperk te schrijven. Mijn doel was intiemer: die voorbije wereld ontsluiten aan de hand van de ervaringen en observaties van mijn twee hoofdfiguren, vader en dochter, die na hun aankomst in Berlijn begonnen aan een reis die ontdekkingen, veranderingen en, uiteindelijk, een intense teleurstelling bracht. Dit verhaal kent geen helden, althans niet à la Schindler’s List, maar er zijn wel flitsen van heldendom, en er zijn mensen die onverwacht handelen op een manier die hen siert. Steeds is er de nuance, zij het dat deze soms verwarring zaait. Dat is het probleem met non-fictie. De lezer moet al datgene wat – nú – voor ons de ware feiten zijn, terzijde schuiven en proberen mijn twee argeloze hoofdpersonen te vergezellen op hun weg door de wereld zoals zij die ervoeren. Twee gecompliceerde mensen die een gecompliceerde tijd beleefden, voordat de monsters hun ware aard verrieden.
1933 - De man achter het gordijn - Het was normaal dat Amerikaanse emigranten zich vervoegden bij het Amerikaanse consulaat in Berlijn, maar niet dat ze er dan zo erg aan toe waren als de man die zich op donderdag 29 juni 1933 meldde. Het was Joseph Schachno, 31 jaar, een arts uit New York die tot kort daarvoor een praktijk in een buitenwijk van Berlijn had uitgeoefend. Nu stond hij naakt in een van de met gordijnen afgeschermde onderzoekskamers op de begane grond van het consulaat, waar op normale dagen een arts van volksgezondheid mensen onderzocht die een visum hadden aangevraagd om naar de Verenigde Staten te kunnen emigreren. De huid was grotendeels van zijn lichaam verdwenen.

Twee functionarissen van het consulaat kwamen de kamer in. De ene was George Messersmith, sinds 1930 de Amerikaanse consul-generaal in Duitsland (geen familie van Wilhelm of ‘Willy’ Messerschmitt, de Duitse vliegtuigbouwer). Als hoogste man van de Amerikaanse buitenlandse dienst in Berlijn hield Messersmith toezicht op de tien Amerikaanse consulaten in steden in heel Duitsland. Naast hem stond zijn viceconsul, Raymond Geist. Doorgaans was Geist koel en onverstoorbaar, een ideale ondergeschikte, maar Messersmith zag dat Geist er nu bleek en diep geschokt uitzag. De twee mannen waren ontsteld over de toestand van Schachno. ‘Van de nek tot aan de voeten was hij een massa rauw vlees,’ stelde Messersmith vast. ‘Hij was op alle mogelijke manieren met zwepen geslagen tot het vlees letterlijk rauw en bloederig was. Ik wierp er één blik op en ging toen zo snel als ik kon naar een van de wasbakken waarin de (arts van volksgezondheid) zijn handen waste.’ De afranseling had, zo hoorde Messersmith, negen dagen daarvoor plaatsgevonden, en toch waren de wonden nog vers. ‘Vanaf de schouderbladen tot de knieën waren er na negen dagen nog striemen die aantoonden dat hij aan de voor- en achterzijde was geslagen. Zijn billen waren praktisch rauw en op grote delen ervan lag nog steeds geen huid. Het vlees was hier en daar bijna een brij geworden.’ Als het nu negen dagen later was, hoe hadden de wonden er dan wel niet meteen na de afranseling uitgezien, zo vroeg Messersmith zich af. 
Het volgende bleek: Op de avond van 21 juni kreeg Schachno bezoek van een groepje geüniformeerde mannen vanwege een anonieme beschuldiging dat hij een potentiële vijand van de staat was. De mannen doorzochten het huis en hoewel ze niets konden vinden, namen ze hem mee naar hun hoofdkwartier. Schachno kreeg bevel zich uit te kleden en werd onmiddellijk hevig en langdurig geslagen door twee mannen met een zweep. Daarna werd hij vrijgelaten. Hij slaagde erin zijn huis te bereiken en daarop vluchtten hij en zijn vrouw naar de  binnenstad van Berlijn, naar de woning van zijn schoonmoeder. Hij lag een week in bed. Zodra hij zich ertoe in staat voelde, ging hij naar het consulaat. Messersmith liet hem naar een ziekenhuis brengen en gaf hem die dag een nieuw Amerikaans paspoort. Korte tijd later vluchtten
Schachno en zijn vrouw naar Zweden, en daarna naar Amerika.

Het was sinds Hitlers benoeming tot rijkskanselier in januari al eerder gebeurd dat Amerikaanse staatsburgers werden geslagen en gearresteerd, maar nog nooit zo erg als nu – al hadden duizenden Duitsers een even erge behandeling ondergaan, en vaak nog veel erger. Voor Messersmith was het ’t zoveelste bewijs van de ware werkelijkheid van het leven onder Hitler. Hij besefte dat al dit geweld meer was dan een voorbijgaande opwelling van bruutheid. Er had zich in Duitsland een fundamentele verandering voltrokken. Híj begreep dit, maar hij was ervan overtuigd dat dat voor maar weinig anderen in Amerika gold. Hij ergerde zich er in toenemende mate aan hoe moeilijk het was de wereld te overtuigen van de ware omvang van de bedreiging die Hitler vormde. Het was voor hem zonneklaar dat Hitler in stilte en op agressieve wijze Duitsland aan het voorbereiden was op een veroveringsoorlog. ‘Ik zou willen dat het echt mogelijk was onze mensen in Amerika het te doen inzien,’ schreef hij in een rapport aan het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, ‘want ik vind dat ze het moeten begrijpen, hoe onverholen deze krijgshaftige stemming zich over Duitsland verspreidt. Als deze regering nog een jaar aan de macht blijft en deze koers onverminderd blijft volgen, zal ze er goeddeels in slagen in de komende jaren, van Duitsland een gevaar voor de wereldvrede te maken.’ Hij voegde eraan toe: ‘Enkele uitzonderingen daargelaten, hebben de mannen uit wie deze regering bestaat, een geestesgesteldheid die voor jou en mij onbegrijpelijk is. Sommigen van hen zijn psychopathische gevallen en zouden onder normale omstandigheden ergens behandeld worden.’ Maar Duitsland had nog steeds geen Amerikaanse residerend ambassadeur.

De vorige ambassadeur, Frederic M. Sackett, was in maart vertrokken, na de inauguratie van Franklin D. Roosevelt als nieuwe president van Amerika. Bijna vier maanden lang was er geen ambassadeur geweest, en de komst van de nieuwe werd pas over drie weken verwacht. Messersmith kende de man niet uit eigen ervaring, hij had alleen het een en ander gehoord van zijn vele contactpersonen bij het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij wist wel dat de nieuwe ambassadeur in een heksenketel van bruutheid, verdorvenheid en fanatisme zou belanden en dat hij een karaktervast man moest zijn die de belangen en de macht van Amerika uitdroeg, want macht was het enige wat Hitler en zijn mannen begrepen. Toch werd verteld dat de nieuwe man een pretentieloze figuur was die zich had voorgenomen in Berlijn een bescheiden leven te leiden als gebaar naar zijn mede-Amerikanen die door de Depressie aan lager wal waren geraakt. Het was ongelooflijk, maar de nieuwe ambassadeur liet zelfs zijn eigen auto, een gedeukte oude Chevrolet, naar Berlijn verschepen om zijn soberheid te benadrukken. En dat in een stad waar Hitlers mannen rondreden in reusachtige zwarte reisauto’s ter grootte van een stadsbus.’


VROUW OF VOS

Ik wil u van een roman doen proeven door een passage eruit onverkort aan u door te geven. Opdat u met Judith Herzberg in de ban komt van ‘Het mooiste, absurdste en inleefbaarste liefdesverhaal dat ik ken. ’Opdat u met Brecht Russchen van het DWDD Boekenpanel in de greep komt van ‘Dit is een parabel, metaforisch en een kritiek op de samenleving. Dat lijkt me ook buitengewoon actueel.’ Ik heb het over de  144 bladzijden tellende, magnifiek door houtsnedes gesierde hardcover Vrouw of vos van de Britse auteur David Garnett en van uitgeverij Cossee. Ik spring in het boek op pagina 10 en finish op die van 16. Vooraf geef ik de tekst van Cossee op de wikkel. U zult met mij zeggen: wat is het toch verheugend een goed boek te lezen.

Cossee: ‘De pasgetrouwde Richard en Silvia Tebrick maken een wandeling rond hun landgoed. Hij wil de jacht zien. Zijn vrouw heeft niet zoveel
met jagen, maar volgt haar geliefde echtgenoot. Wanneer de jachthonden voorbij zijn en Richard omkijkt naar zijn vrouw, ziet hij haar niet
meer: waar Silvia stond, staat nu een kleine, felrode vos die hem geschrokken aankijkt. Wat kan Richard anders doen dan zijn vrouw mee naar huis dragen, verstopt in zijn mantel zodat niemand haar gruwelijke transformatie ziet? Hij stuurt het personeel weg, en schiet zijn honden achter in de tuin dood. Want deze vos is zijn vrouw, en hij zal haar beschermen tegen elk gevaar. Hij kleedt haar in haar favoriete jurken, voert haar
thee en biscuits en verzint een techniek waardoor ze hun kaartspelletjes kunnen blijven spelen. Hij houdt van haar, hoe ze er ook uitziet. En toch begint hij te twijfelen. Hoeveel van zijn vrouw is er eigenlijk nog over, nu ze iets te gretig achter de eenden aan begint te rennen, nu haar tafelmanieren zienderogen achteruitgaan en ze niet langer naast hem, maar aan het voeteneinde of zelfs onder het bed slaapt? Hoe kan hij zijn liefde nog uiten, nu zij zelfs tunnels in de tuin graaft om aan hem te ontsnappen? Wat houdt zijn gezworen eed van echtelijke trouw nog in, wanneer zij hem trots haar nestje vossenjongen toont? David Garnett verblufte de wereld in 1922 met dit fabelachtige debuut, waarin humor en tragiek op meesterlijke wijze verenigd zijn. Zoals de wonderlijke metamorfose van Silvia Tebrick, werd Garnett na publicatie van Vrouw of vos van de ene op de andere dag een sensatie, en hij zou zich voortaan in het middelpunt van de Londense literaire leven bevinden.’                   

David Garnett: ‘Op een van de eerste dagen van 1880, vroeg in de middag, gingen man en vrouw wandelen door het bosje op de kleine heuvel boven Rylands. In deze dagen gedroegen ze zich nog als geliefden en waren ze altijd samen. Tijdens hun wandeling hoorden ze in de verte de honden en later de jachthoorn. Meneer Tebrick had haar op tweede kerstdag overgehaald om mee te gaan jagen, maar het had hem grote moeite gekost en ze had het niet naar haar zin gehad (al hield ze wel van paardrijden). Toen hij de jacht hoorde, versnelde meneer Tebrick zijn pas om de bosrand te bereiken, waar ze de honden, als die hun kant op kwamen, goed zouden kunnen zien. Zijn vrouw liep langzamer en hij moest haar bijna voortslepen, haar hand in de zijne. Voordat ze de rand van het bosje bereikten trok ze haar hand plotseling met fors geweld terug en  chreeuwde, waarop hij directs omkeek. Waar een moment eerder zijn vrouw had gestaan stond nu een kleine, felrode vos. Het dier keek hem smekend aan, zette een stap of twee in zijn richting en hij zag direct dat het zijn vrouw was die hem door de ogen van het dier aankeek. Je mag er gerust van uitgaan dat hij van streek was; zijn vrouw was dat vast ook door haar nieuwe gedaante, dus staarden ze elkaar een halfuur lang alleen maar aan, hij verbijsterd, zij met vragende ogen, haast alsof ze sprak: ‘Wat ben ik nu geworden? Heb medelijden met me, mijn man, heb medelijden, want ik ben je vrouw.’ En zo, terwijl hij haar aankeek en zelfs in deze toestand herkende – en hoewel hij zichzelf bleef afvragen: Is zij het echt? Droom ik niet? – en zij smeekte en zelfs begon te kwispelen en hem leek te zeggen dat zij het écht was, zo kwamen ze eindelijk samen, en hij nam haar in zijn armen. Ze kroop heel dicht tegen hem aan, nestelde zich onder zijn jas en begon zijn gezicht te likken, maar
bleef hem onafgebroken in de ogen kijken. De man bleef al die tijd wikken en wegen en naar haar kijken, maar hij begreep niet wat er was gebeurd; hij troostte zich met de hoop dat dit niets dan een tijdelijke verandering was, dat ze straks weer zou veranderen in de vrouw die één van lichaam met hem was. Omdat hij meer een geliefde dan een echtgenoot was, was een van de gedachten die in hem opkwamen dat het zíjn fout was, want hij zou altijd zichzelf de schuld geven als haar iets vreselijks overkwam. Zo bleven ze een tijdje staan, tot er uiteindelijk tranen opwelden in de ogen van de arme vos en ze (vrijwel geluidloos) begon te huilen, en daarbij trilde ze alsof ze koorts had. Hierop kon ook hij zijn tranen niet bedwingen, hij ging op de grond zitten en huilde lange tijd, maar kuste haar tussen zijn snikken door alsof ze een vrouw was, en het
maakte hem in zijn verdriet niets uit dat hij een vos op haar snuit zoende.

Zo bleven ze zitten tot het begon te schemeren en hij zich hernam; nu was het een kwestie van haar op de een of andere manier verbergen en haar dan thuisbrengen. Hij wachtte tot het donker was, zodat hij haar zo onopvallend mogelijk naar huis kon dragen, en  verborg haar in zijn jas, nee, in zijn onstuimigheid scheurde hij zelfs zijn vest en zijn hemd open, zodat ze dichter tegen zijn hart aan zou liggen. Want wanneer we getroffen worden door groot verdriet handelen we niet als mannen of vrouwen maar als kinderen, die bij elke narigheid troost vinden tegen de moederborst of – als zij er niet is – in elkaars armen. In het donker nam hij haar mee naar binnen, maar ondanks zijn vele voorzorgsmaatregelen hadden de honden haar geroken, waarna ze onmogelijk te kalmeren waren. Eenmaal binnen bedacht hij hoe hij haar uit het zicht van het personeel kon houden. Hij droeg haar in zijn armen naar de slaapkamer en liep terug naar beneden. Meneer Tebrick had drie inwonende hulpen: de kokkin, het dienstmeisje en een oude vrouw die zijn echtgenote had verzorgd als kind. Naast deze vrouwen was er nog een stalknecht of tuinman (hoe je hem ook wil noemen); hij was alleenstaand en woonde dus ergens anders, hij huurde een kamer bij een arbeidersgezin zo’n kilometer verderop. Beneden snelde meneer Tebrick op de dienstmeid toe. ‘Janet,’ zei hij, ‘mevrouw Tebrick en ik hebben slecht nieuws ontvangen; zij is per direct naar Londen ontboden en is vanmiddag al vertrokken. Ik blijf hier vannacht nog om orde op zaken te stellen. Het huis gaat op slot, ik zal jou en mevrouw Brant een maandloon betalen en moet jullie verzoeken morgenochtend om zeven uur het pand te verlaten. We vertrekken waarschijnlijk naar het vasteland en ik weet niet wanneer we zullen terugkeren. Zeg het de anderen, alsjeblieft, en breng me nu mijn thee in de studeerkamer.’ Janet zei niets, want ze was een verlegen meisje, in het bijzonder tegenover mannen, maar toen ze de keuken binnenliep hoorde meneer Tebrick het plotse rumoer van stemmen, met vele uitroepen van de kokkin. Toen ze terugkwam met zijn thee zei meneer Tebrick: ‘Ik heb je boven niet meer nodig. Je kunt je koffer inpakken, en zeg James morgenochtend om zeven uur klaar te staan met het rijtuig om je naar het station te brengen. Ik heb het nu druk, maar ik zie je nog wel voordat je vertrekt.’

Toen ze weg was nam meneer Tebrick het dienblad mee naar boven. Eerst dacht hij dat de slaapkamer leeg was, dat zijn vos was vertrokken, want hij zag nergens ook maar een spoor van haar. Maar na een tijdje zag hij iets bewegen in een hoek van de kamer, en kijk! Daar kwam ze tevoorschijn, haar ochtendjas achter zich aan slepend – op de een of andere manier had ze zich daarin weten te wurmen. Het moet een komisch gezicht zijn geweest, maar die arme meneer Tebrick was op dat moment te zeer uit zijn doen om zich te vermaken met dergelijke lachwekkende scènes. Hij riep alleen maar zachtjes: ‘Silvia – Silvia? Wat ben je daar aan het doen?’ En op hetzelfde moment besefte hij al wat ze deed en gaf zichzelf opnieuw de schuld – dat hij er niet op was gekomen dat zijn vrouw niet ongekleed wilde zijn, ongeacht haar uiterlijke
gedaante! Nu was het zijn eerste prioriteit om haar van passende kleding te voorzien, en hij bracht haar een selectie jurken uit haar garderobe waaruit ze kon kiezen. Het was echter te verwachten dat die nu te groot voor haar waren, maar uiteindelijk vond hij een kleine mantel die ze nu en dan graag ’s ochtends had gedragen. Hij was van zijde, met een bloempatroon, afgezet met kant en met mouwen die kort genoeg waren om haar nu te passen. Terwijl hij de linten vastmaakte bedankte zijn arme vrouw hem met een tedere blik, waarin ook enige nederigheid en verwarring lag. Hij tilde haar tussen wat kussens in een leunstoel en ze dronken samen thee, waarbij zij heel voorzichtig van een schoteltje dronk en brood met boter uit zijn handen at. Dit alles toonde aan dat zijn vrouw onveranderd was, of dat dacht hij tenminste; nog steeds was er niets wilds aan haar doen en laten, en ze was zo welgemanierd en fijngevoelig – vooral in haar verlangen kleren te dragen – dat hij terdege gerustgesteld was en hij zich begon voor te stellen hoe ze alsnog gelukkig zouden zijn samen, als ze maar voor altijd alleen konden wonen en de wereld konden buitensluiten.’


HET ALFABET VAN ONTOEREIKENDE TAAL

In deze eerste dagen van de maand mei komen de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog via eigen herinneringen, beelden en woorden van anderen nog meer op ons af. Sinds ik werken bij u mag introduceren vervullen boeken aangaande de zaken van 40-45 en hun naweeën een
belangrijke rol.  Zo had het met u eerder De 23 van Trouw, De laatste getuige en Tiergartenstrasse. In Survivor Café van Elizabeth Rosner en uitgeverij Scriptum met de ondertitel ‘Een reis door een verleden dat niet vergeten mag worden’ las ik in het eerste chapiter Het alfabet van de ontoereikende taal de gruwelijke context van het hele gebeuren. De titel suggereert dat in feite het leed door de nazi’s aangedaan niet in woorden te vatten is. Voor de tekst van de omslag verwijs ik naar de lijst van boeken voor de maand mei en ik wil met u  later over Survivor Café hier met u van gedachten wisselen.

Het alfabet van ontoereikende taal gaat als: ‘A is van Auschwitz, waar meer dan een miljoen mensen werden vergast en vervolgens tot as werden verbrand. Het woord dat eigenlijk symbool staat voor alles wat volgt. A is van Arbeit macht frei, de woorden op de hekken van Auschwitz, Werk maakt je vrij. Maar eigenlijk is de zin onvertaalbaar, zoals zoveel andere dingen. A is van de Armeense genocide, woorden die in Turkije niet hardop mogen worden uitgesproken. A is van Atoombom. A is van Ander.
B is van Buchenwald, waar mijn vader en mijn oom gevangen werden gehouden maar niet zijn gestorven. B is van Bergen-Belsen, waar Anne  Frank wel de dood vond. B is van Bełzec, waar een half miljoen mensen zijn vermoord. B is van Babi Jar, het ravijn en het grootst bekende  massagraf. B is van Bezweken. B is van Birkenau, het ‘zusje’ van Auschwitz. B is van Buren, degenen die Joden verborgen en degenen die Joden of andere buren verrieden omdat die Joden verborgen.
C is van Concentratiekamp. C is van Crematorium. C is van Collaboratie. C is van Communisme. C is van Churchill. C is van Cambodja.
D is van Dictator. D is van Dachau. D is van Dodenkamp. D is van Doodshoofdinsigne. D is van Deutschland. D is van Derde Rijk. D is van deportatie. Zoals de deportaties vanuit het getto van Warschau en het getto van Łódź en het getto van Vilnius, waar mijn moeder en haar ouders gedwongen moesten wonen voordat ze naar een schuilplaats op het Poolse platteland ontsnapten.
E is van Eichmann. E is van Einzatsgruppen, mobiele doodseskaders. E is van Etnische zuivering. E is van eufemisme. E is van Endlösung.
F is van Führer.
G is van Gestapo. G is van Gaskamer. G is van Goering. G is van Getto. G is van Genocide. G is van Gevangene. G is van Geheimen.
H is van Holocaust. H is van Hitler. H is van Himmler. H is van Höss. H is van Homoseksueel. H is van Hutu. H is van Hiroshima. H is van Herinnering. H is van Herhuisvesting.
I is van Identiteitskaart. I is van Immigrant. I is van Ideologie. I is van Ik weet niet hoe ik verder moet maar ik kan niet stoppen omdat de woorden blijven komen.
J is van Jood. J is van Jude. J is van Jehova’s getuigen. J is van Jedem das Seine, de tekst op het hek van Buchenwald, Ieder krijgt wat hij verdient. J is van Jiddisch, de taal die bijna verloren is gegaan. J is van Jij, degene die dit alfabet leest en al degenen die nog geboren moeten worden.
K is van Kinderen. Anderhalf miljoen vermoorde kinderen. Ook de ondergedoken kinderen, en de kinderen die overleefden. K is van kristallnacht. K is van Konzentrationslager. K is van Kernbom.
L is van Lager. L is van Lynchen. M is van Mengele. M is van Mauthausen. M is van Majdanek. M is van Moord, Massamoord, Moederland.
N is van Neutronenbom. N is van Nagasaki. N is van Neurenberg. De plek van de processen. De plek van een bijna onmogelijke zoektocht naar rechtvaardigheid. N is van Nazi.
O is van Oven. O is van Ontkenning. O is van Onverzettelijkheid. O is van Oproer. O is van Ondergrondse. O is van Ongewenst. O is van Overwonnen. O is van Oorlog, Oorlog en nog eens Oorlog.
P is van Pogrom. P is van Parade. P is van Paneriai, het bos bij Vilnius waar 100.000 Joden werden geëxecuteerd. P is van Polen, ooit het thuis van meer dan twee miljoen Joden.
Q is van Quarantaine.
R is van Reich. R is van Roma, om wier talloze doden nooit fatsoenlijk is gerouwd. R is van Rwanda. R is van Rode Khmer. R is van Roemenië, de geboorteplaats van mijn vaders vader en het staatsburgerschap dat mijn vader het leven redde. R is van Roosevelt.
S is van SS, van Schutzstaffel. S is van Shoah. S is van Sachsenhausen en van Sobibor. S is van Stalin en van Synagoge en van Slagveld. S is van Soła, de rivier vol as die langs Auschwitz loopt. S is van Sonderkommando, de speciale groep gevangenen die in de gaskamers en de crematoria moest werken. S is van Selektion. S is van Stolpersteine en van Stilte. S is van Slachtoffer.
T is van Treblinka. T is van Theresienstadt. T is van Tatoeage. T is van Tweelingen, die Mengele uitkoos voor speciale experimenten. T is van Terreur, Trauma. T is van Tutsi.
U is van Über alles. U is van U-boot. U is van Untermensch.
V is van Vernietiging. V is van Vaderland. V is van Vergeten, wel en niet het tegenovergestelde van Onthouden. V is van Vluchteling. V is van Vragen waarop geen antwoord bestaat. V is van Vichy. V is van Victorie. V is van Vietnam, de naam van een land. V is van Veteraan.
W is van Warschau. W is van Wehrmacht. W is van Wreedheden.
X is van X. Van alles dat niet in woorden kan worden uitgedrukt, elke naam van de doden die vergeten zijn. X is van Xenofobie, de angst voor de vreemdeling, de Ander.
Y is van Y-Gerät, radiobundels die Duitse bommenwerpers naar geallieerde doelen geleidden.
Z is van Zeep. Z is van Zyklon B, het gas dat werd gebruikt om miljoenen mannen, vrouwen en kinderen te vermoorden in Auschwitz.’


OORLOG IN DE COLLEGEBANKEN

Postman Ruud reikte mij zojuist het boek aan en nu al wil ik bij u het bestaan ervan aankondigen. Dit vanwege de eerste dagen van de maand mei waarin de kommer en kwel van de Tweede Wereldoorlog opnieuw belicht worden. Ik heb het over de 364 bladzijden tellende, adequaat geïllustreerde paperback Oorlog in de collegebanken van historicus Jeroen Kemperman en uitgeverij Boom met de ondertitel ‘Studenten in verzet 1940-1945’. Om u het oorlogsboek nu al te doen proeven geef ik u het eerste gedeelte van het chapiter ‘Een gezin in moeilijke tijden: de eerste maanden van de bezetting’, wat ik vooraf laat gaan door de tekst van de uitgever op de site. Na de meidagen wisselen wij hier onze  leeservaringen met elkaar uit.

Boom: ‘De Soldaat van Oranje was niet de enige verzetsstudent. Hoe gingen hij en zijn medestrijders te werk? Oorlog in de collegebanken brengt het verzet van studenten en universiteiten in kaart. In de oorlog waren universiteiten voor de bezetter een ideale plaats om vorm te geven  aan de nazificatie van Nederland. Voor zowel studenten en docenten als de Duitse autoriteiten stond er veel op het spel. Waar studenten als Erik Hazelhoff Roelfzema in het verzet terechtkwamen, tekenden anderen zonder morren de loyaliteitsverklaring. Het universitaire leven veranderde hoe dan ook drastisch. Sommige universiteiten, zoals die van Leiden, werden al vrij vroeg door de bezetter gesloten. Andere draaiden een groot deel van de oorlog door. Dit boek beschrijft de drijfveren en de organisatie van het studentenverzet in Nederland. Het universitaire verzet wordt hier voor het eerst in zijn samenhang bekeken.

Kemperman: ‘Zodra het stof van de Duitse inval was neergedwarreld was het de vraag hoe de universitaire gemeenschap zich tot de nieuwe
situatie diende te verhouden. De boodschap van de universiteitsbesturen aan de studenten was wat dat betreft helder. ‘Het is voor de toekomst van onze universiteit van het grootste belang,’ zo richtte de Groningse rector magnificus P.J. van Rhijn zich op 17 mei 1940 in het weekblad Der Clercke Cronike tot de studenten van zijn universiteit, ‘dat u rustig en standvastig aan uw werk blijft. […] Laat U niet afhouden van Uw  dagelijkschen plicht door de onzekere toekomst of door de vele geruchten die in omloop zijn. Wij gevoelen ons in deze ure der beproeving sterker dan te voren verbonden en blijven gezamenlijk op een betere toekomst hopen.’ Eén dag later riep zijn Delftse ambtsgenoot C.J. van Nieuwenburg de technische studenten op om zich ten aanzien van de bezetter correct te gedragen en zelfs om hen ‘de meest volstrekte loyaliteit’ te tonen.

Het schokeffect van de Duitse inval en snelle capitulatie mochten het universitaire leven dan uiterlijk vrijwel onaangetast hebben gelaten, geestelijk dreunden deze gebeurtenissen nog flink na. Dit uitte zich bij velen eerder in de vorm van teleurstelling in het oude
vooroorlogse bestel dan in een heftige afkeer van de bezetting. Zo zag niet iedereen het vertrek van de regering naar Engeland als een
noodzakelijke manoeuvre en werd het de koningin en het kabinet door zeer velen kwalijk genomen dat ze het land in de steek hadden gelaten.
In juni 1940 zou ook onder de studenten een duidelijke stemming tégen Wilhelmina hebben geheerst, zelfs binnen de als Oranjegezind
bekendstaande corpora. Aan de universiteiten en hogescholen heerste dan ook een onbestemd gevoel van afkeer van ‘het oude’ en een
ongerichte drang naar ‘het nieuwe’.

Dit gevoel ging echter niet zover dat het de apolitieke inslag van de instellingen van hoger onderwijs aan het wankelen bracht. Sterker nog, de bezetting leek die houding in eerste instantie eerder te versterken dan te verzwakken. De afkeer van ‘het oude’ en de behoefte aan ‘het nieuwe’ leidden dan ook bepaald niet tot partijpolitieke initiatieven, laat staan tot revolutionaire acties, maar werden gekanaliseerd in het tamelijk onschuldige idee dat de bestaande verdeeldheid zoveel mogelijk moest worden opgeheven en vervangen door eenheid. Het ideaal van de academische gemeenschap werd hierdoor opnieuw actueel. Deze gemeenschap zou vorm moeten krijgen door middel van intensievere persoonlijke contacten, zowel tussen de studenten van verschillende verenigingen als tussen studenten en docenten. Achterliggend motief voor de heropleving van dit ideaal was ongetwijfeld de behoefte de interne gelederen gesloten te houden en zo een veilige academische stolp te kunnen creëren waarbinnen de academische arbeid voortgang kon vinden te midden van een turbulente en gepolitiseerde wereld. Een eerste concrete aanzet hiertoe werd gegeven door middel van een meerdaagse bijeenkomst in Ter Apel. 

De geest van Ter Apel - Op 25 juli 1940 melde het ‘Nieuwsblad van het Noorden’ dat er door de Groningse universiteit in ‘het mooie Ter Apel’, een dorp in het zuidoosten van de provincie Groningen, een academische zomercursus was georganiseerd ‘om het persoonlijk contact tusschen
hoogleeraren en studenten te bevorderen.’ Bij het bericht waren enkele idyllische foto’s geplaatst van ontspannen ogende professoren en studenten in de tuinen, op de muren, voor de ramen en rond de oude waterput van het plaatselijke vijftiende-eeuwse klooster. De bijbehorende onderschriften straalden eveneens onschuld uit: ‘Zit er een echo in den ouden kloosterput?’ Het plan voor de samenkomst in Ter Apel was aanvankelijk voortgekomen uit de bezorgdheid van het universiteitsbestuur en de hoogleraren voor de mentale toestand van de studenten. Zonder geestelijke begeleiding van hun docenten zouden zij in de zomervakantie wellicht verward en moedeloos raken. Ook vanuit de kringen der studenten werd de ‘behoefte aan samenzijn’ gevoeld. Een bijeenkomst in de stad Groningen werd daarvoor echter minder geschikt geacht, omdat, zoals het studentenblad ‘Der Clercke Cronike’ uitlegde, ‘de verstrooiing, die de stad biedt, als minder bevorderlijk werd gevoeld, en bovendien een naar buiten optreden der universiteit niet algemeen opportuun werd geacht.’ Dus toog men naar het klooster van Ter Apel. ‘Het was meer dan een vacantiecursus, of een kamp, of conferentie,’ vond ‘Der Clercke Cronike’, ‘het was iets geheel nieuws: de bevolking van een academie in beweging.’ In zijn welkomstwoord na aankomst in Ter Apel repte de scheikundige J.H. Backer van de behoefte aan eenheid, waarbij hij de vergelijking trok met ‘een gezin in moeilijke tijden’. Het programma van de zomercursus bestond ’s morgens uit lezingen – onder meer over ‘Ons lied en ons volkskarakter’, burgerlijk recht en cultuur, rechtsorde en volksgemeenschap, fysieke en psychische volkskracht, recente
wijzigingen in de economische structuur, en de verbreiding van de Nederlandse stam –, ’s middags uit sport en spel, en ’s avonds uit praten, zingen en muziek maken. De deelnemers was vooraf op het hart gedrukt dat politiek buiten de voordrachten en discussies moest blijven. Tijdens de korte afscheidsspeeches werd de ‘gemeenschapszin die de gehele week de deelnemers bezield had’ benadrukt.

De zomercursus, waar honderdzeventig studenten en vierentwintig (oud-)hoogleraren aan hadden deelgenomen, werd alom als een groot succes gezien. De geschiedschrijver van de Groningse universiteit Van Berkel omschreef de ‘geest van Ter Apel’ als volgt: ‘Zo had men zich nog nooit gevoeld, één als Nederlanders, één als studenten van de Groningse universiteit. Wat voor de oorlog een onbereikbaar ideaal had geleken, leek nu, onder de gewijzigde omstandigheden van de Duitse bezetting, opeens binnen handbereik: academische gemeenschap.’ Dat echter niet iedereen zich in deze gemeenschap kon vinden, of in ieder geval niet in de manier waarop daar in Ter Apel invulling aan werd gegeven, bleek uit de afzijdigheid van de gereformeerde studentenvereniging Vera bij de voorbereiding van deze bijeenkomst. De reden voor die houding was dat de organisatoren van Ter Apel de Nederlandse cultuur en niet het geloof als belangrijkste bindmiddel zagen. Aan andere instellingen van hoger onderwijs werden die zomer soortgelijke samenbindende initiatieven ontplooid. In augustus organiseerden Tilburgse studenten een grootschalig driedaags samenzijn op het buitenverblijf van de jezuïeten te Groesbeek, ter bevordering van persoonlijke ontmoetingen tussen thuiswonende en uitwonende studenten. In Nijmegen kwam de Algemene Studenten Sportorganisatie voor zowel Corpsleden als niet-Corpsleden tot stand. Het doel van deze organisatie was om het contact tussen de studenten onderling en tussen hoogleraren en studenten te versterken. Het idee was dat door het gezamenlijk sporten niet alleen de lichamelijke maar ook de geestelijke weerbaarheid zou toenemen, en dat ‘de hokjes en scheidslijnen in en buiten het Corps’ geleidelijk zouden verdwijnen. Zelfs vanuit nationaalsocialistische kring werd in die periode aan het eenheidsstreven vormgegeven door middel van een studiekamp.
De in 1938 opgerichte Citadel-groep organiseerde van 19 tot 31 augustus in Den Haag een samenzijn waarbij sprekers en studenten van zowel de nsb, het Nationaal Front en de Nederlandsche Unie bij elkaar konden komen om van gedachten te wisselen over de zo gewenste ‘vernieuwing’ die het gehele volk zou moeten omvatten. Op initiatief van drie hoogleraren, onder wie Backer, werd op 24 september 1940 in de Engelse zaal van het Groningse Academiegebouw een eerste vervolgbijeenkomst gehouden ‘ter bestendiging en uitbreiding van de gedurende de zomercursus Ter Apel 1940 tot stand gekomen Academische Gemeenschap.’ Ruim honderddertig ‘Ter Apelaars’ waren daarbij aanwezig, bijna net zoveel vrouwelijke als mannelijke deelnemers. ‘Ter Apel valt niet uiteen, de geest van Ter Apel leeft in ons,’ concludeerde het studentenblad ‘Der Clercke Cronike’ na afloop. Dat ongeveer halverwege het programma gezamenlijk ‘eenige Nederlandsche liederen onder beproefde leiding’ waren gezongen, vond de secretaris van het college van curatoren, J.L.H. Cluysenaer, echter minder geslaagd. Hij maande de organisatoren tot grotere voorzichtigheid en vroeg hun bij een volgend samenzijn wat ‘minder sprekende’ liederen ten gehore te brengen. Ook al stond Cluysenaer zelf niet onwelwillend tegenover de bijeenkomsten, hij wilde voorkomen dat andere hoogleraren, die de Ter Apel-bijeenkomsten wantrouwden, deze als anti-Duitse demonstraties zouden zien. Op 22 oktober vond niettemin een tweede reünie plaats, met een grotere opkomst dan in september. Er werd wederom gezongen, ditmaal onschuldige liederen van de zeventiende- eeuwse dichter Jan Janszoon Starter. Naar aanleiding van deze tweede reünie merkte ‘Der Clercke Cronike’ opnieuw op dat de in Ter Apel gelegde band ‘niet meer te breken’ was.’


NEGEN BOEKEN VOOR DE MAAND MEI EN LANG DAARNA

Op het moment van schrijven aan u staat de zon hoog aan een azuurblauwe hemel. Hoe heerlijk moet het buiten zijn om lekker lui te zitten lezen. Ik ga dat zo doen. Met als bagage een negental boeken die het in eigen tuin of waar ook het heel goed zullen doen. De man van de post reikte mij de negen deze week aan en ik doe u nu al gewag van het bestaan ervan, omdat de thema’s mij gerieven. Ik geef u titel, auteur, ondertitel of genre en uitgever. Het thema staat op de omslag en de tekst ervan citeer ik onverkort. Gaarne verneem ik van u welke thema’s u aangesproken hebben en hoe die door de schrijvers vervat zijn.

1) Het geheime dagboek van Arnold Douwes, Jodenredder – Johannes Houwink ten Cate & Bob More - Boom
Arnold Douwes redde het leven van honderden Joden. Bijzonder was dat hij aantekeningen maakte, die hij na de oorlog omwerkte in een 'dagboek'. Daarmee is dit het enige bekende dagboek van een Jodenredder. In 1985 kreeg het Drentse dorp Nieuwlande als eerste gemeenschap ter wereld de Yad Vashem-onderscheiding van de staat Israël. Ruim 250 inwoners hadden tijdens de bezettingstijd Joden verborgen. De grote organisator was domineeszoon Arnold Douwes, die door de legendarische verzetsman Johannes Post gerekruteerd was voor het verzet. Hij slaagde erin honderden Joden onder te brengen, tot hij in 1944 werd opgepakt door de Gestapo. In 1943-1944 maakte Douwes nauwkeurige notities over zijn verzetswerk, die hij verstopte in jampotten en begroef in de tuin. Douwes overleefde de oorlog en werkte zijn aantekeningen kort na de bevrijding uit tot een verhaal in dagboekvorm, dat merkwaardig genoeg niet eerder werd uitgegeven. Van geen andere Europese Jodenredder is een dagboek bekend: reden dat het NIOD de historische betekenis ervan op één lijn stelt met de dagboeken van Anne Frank en Etty Hillesum.

2) Fietsen voor je leven – Rens Cappon – En morgen gaan we weer verder – Elmar
Rens Cappon, universitair docent accounting aan Nyenrode, belandt na een verloren liefde in een zware depressie en besluit naar zijn geliefde Alpen te fietsen, hetzij om uit deze voor hem onhoudbare situatie te geraken hetzij een einde aan zijn leven te maken. Een zware tocht wacht. Hij leeft voornamelijk op drank, wiet en antidepressiva en is voortdurend onderhevig aan heftig verdriet. Onderweg probeert hij zijn gevoelens toe te lichten, vaak aan de hand van colleges over een keur van onderwerpen, zoals eerlijkheid, rechtvaardigheid, gedragsregels, hoe een mens in het leven zou moeten staan. Respect naar anderen, maar ook over de verdeling van bezit, armoede en rijkdom, de hedonistische samenleving. Dat kan deze docent haarfijn uitleggen, maar zelf knapt hij er niet echt van op. In de Alpen aangekomen doet hij onmogelijke beklimmingen en afdalingen met zijn fiets en bagage, zo nodig met behulp van touwen en klimtuig, en zijn fysieke status groeit met de dag. Ook besluit hij vaker beter te eten, meer dan alleen maar wat vitaminereepjes, pillen en drank. Hij kan onderweg zijn sores goed delen met anderen en merkt dat hij niet de enige is die twijfelt over zijn bestaansgronden. Een vriend, met wie hij ten einde raad belt voordat hij de hand aan zichzelf wil slaan, weet hem te overtuigen dat hij door moet met zijn leven. Slapend in de armen van een vrouw, keert hij met de trein uit Rome terug naar Nederland. Depressiviteit blijft echter een niet te onderschatten tegenstander, die weigert zijn rugzak te verlaten. Toch blijft zijn motto nu overeind: Morgen zien we weer verder.

3) Hoe word ik een Supervetverbrander – Maaike de Vries – Slanker, fitter en strakker binnen een maand – Lucht
In ‘Hoe word ik een Supervetverbrander’ lees je hoe je voor altijd  (nog) slanker, fitter en strakker wordt. Binnen een maand. Niet met het zoveelste dieet, maar door je lijf te leren haar lichaamseigen vetten aan te spreken. Maaike de Vries vertelt je hoe je via een metabole truc makkelijk een Supervetverbrander wordt. Met veel praktische tips om je leefstijl te veranderen. Probeer het maar. Je zult jezelf dankbaar zijn, voor de rest van je leven. Maaike de Vries is gepromoveerd gezondheidswetenschapper. Ze is actief in de gezondheidszorg als wetenschappelijk directeur, adviseur en toezichthouder.





4) De jacht op El Chapo – Andrew Hogan en Douglas Century – True crime – Harper Collins
Het exclusieve verhaal van de undercoveragent die 's werelds meest gezochte drugsbaron oppakte Joaquín Guzmán Loera, beter bekend als El
Chapo, maakte in de jaren tachtig carrière binnen het Sinaloa-kartel en groeide uit tot een van de rijkste, wreedste en machtigste drugsbaronnen van Mexico. Twee keer werd hij gearresteerd en twee keer lukte het hem te ontsnappen. Hij leek onaantastbaar, tot de Amerikaanse Drug Enforcement Agency zijn pijlen op hem richtte. Omdat het Sinaloa-kartel enorme partijen drugs de vs in smokkelde en daar verkocht, besloot de dea in het kartel te infiltreren. Undercoveragent Andrew Hogan, die de leiding over de operatie had, volgde zeven jaar lang met ijzeren volharding alle sporen die naar El Chapo leidden. Uiteindelijk met succes: de kartelleider werd opgepakt en in 2017 uitgeleverd aan de vs. De jacht op El Chapo is het exclusieve en schokkende verhaal over de ondergang van een van de grootste misdadigers ter wereld.

5) Mensen van licht en steen – Frans Willem Verbaas – Roman – Mozaïek
Een kleine stad in het zuiden van het land heeft zwaar geleden onder de wreedheden van de Duitse bezetter. Tot de overlevenden behoren vier
vrienden, die ogenschijnlijk weinig met elkaar gemeen hebben. Levien is een overtuigde socialist. De roomse Nard komt uit een ondernemers-familie en wordt vastgoedhandelaar. De koppige protestant Gijs verovert de mooiste vrouw van de stad en met haar de sigarenzaak van haar ouders. En de vrijgezelle Evert verdient zijn brood als geschiedenisleraar. Gedurende een halve eeuw ontmoeten de vrienden elkaar wekelijks op een bankje in de stad. Hun afzonderlijke verhalen vertellen samen het grote verhaal van een stad die na de oorlog met vereende krachten wordt opgebouwd en uitgroeit tot toeristische trekpleister. Ondertussen verdampen de socialistische idealen, komt roken in een kwaad daglicht te staan, dreigt de geschiedenisleraar onder zijn persoonlijke geschiedenis te bezwijken, raakt de huizenmarkt oververhit en hebben de kerken het moeilijk. En met hun kinderen hebben de vrienden het ook niet makkelijk. De vraag is tegen hoeveel veranderingen hun vriendschap bestand is.

6) De hoofdstad – Robert Menasse – Roman – De Arbeiderspers
Miezerige bureaucratie en grote gevoelens: een grote Europese roman. Brussel vormt het knooppunt van allerlei draden – en een varken loopt
door de straten. EU-beambte Fenia Xenopoulou staat voor een lastige opgave. Ze moet het imago van de Europese Commissie opvijzelen via een
groot jubileumevenement. Maar hoe? Haar collega Martin Susman ontwikkelt een idee dat een spook uit het verleden wakker maakt. Ondertussen staat commissaris Brunfaut eveneens voor een moeilijke opgave. Hij moet om politieke redenen een moordzaak laten rusten. En
Alois Erhart, professor staathuishoudkunde, moet in een denktank voor de toekomst van Europa woorden uitspreken die zijn laatste zouden
kunnen zijn. En wat doet Brussel? Het zoekt een naam – voor het varken dat door de straten rent. De hoofdstad is Menasses langverwachte,
grote roman over de Europese Unie. Hij verbleef jarenlang in Brussel om ter plaatse onderzoek te doen. Het boek was reeds bij verschijning
een groot succes en werd bekroond met de Deutscher Buchpreis.

7) Allah in Europa – Jan Leyers – Het reisverslag van een ongelovige – Das Mag
Tien jaar na De weg naar Mekka verkent Jan Leyers de islam in Europa. Groeit er zoiets als een Europese versie van de islam? Is dat ook wat moslims zelf willen? En valt het alom heersende wantrouwen jegens de islam te overwinnen? Op zoek naar antwoorden trekt Jan Leyers van Sarajevo naar Brussel. Hij gaat met Bosnische moefti’s op bedevaart, maakt een moslimkamp in de Hongaarse poesta mee, wordt wegwijs gemaakt in een Parijse banlieue en gaat in Londen met de voorzitter van een shariaraad op pad. Jan Leyers luistert naar traditionele gelovigen en nieuwe bekeerlingen, naar liberalen en fundamentalisten, naar de stem van de kenner en de stem van de straat. Met de oren van een seculiere westerling die op zijn zeventiende rotsvast geloofde dat de toekomst van Europa er een zou zijn zonder religie en vandaag verbaasd aanziet hoe het opperwezen terrein herovert. ‘Allah in Europa’ is het relaas van een tocht door een wereld die zich niet in cijfers of statistieken laat vatten. Een meeslepend avontuur dat ontroert en ontreddert, onthutst en hoop inboezemt. Jan Leyers is tv-maker, muzikant en filosoof. Eerder
verschenen van hem De schaduw van het kruis, De weg naar Mekka en De weg naar het avondland. In 2012 presenteerde hij het
VPRO-programma ‘Zomergasten’. De reisserie Allah in Europa werd in het najaar van 2017 op Canvas en VPRO uitgezonden.

8) Burn-out dagboek – Maaike Hartjes – Persoonlijk relaas – Nijgh & Van Ditmar
Na een grote, frustrerende opdracht kan illustrator Maaike Hartjes opeens helemaal niks meer. Alleen al de gedachte aan werk is haar te veel. Als een maand rust weinig verbetering brengt, probeert ze zichzelf te motiveren door een dagboek bij te gaan houden, maar wel op haar eigen manier: met tekeningen en collages. In Burn-out dagboek geeft Maaike Hartjes de lezer een kijkje in dat dagboek. We lezen mee
over haar paniekaanvallen, vermoeidheid en depressieve gevoelens, maar ook over haar zoektocht naar oplossingen. Want waarom kan ze geen
‘nee’ tegen werk zeggen? Waarom is het nooit genoeg? En waarom krijgen andere mensen geen burn-out en zij wel? Maaike praat met vrienden en collega’s over hoe zij met stress omgaan, en analyseert eerlijk haar eigen gedachten en gevoelens. Over dit alles vertelt ze met humor, fantasie en relativeringsvermogen in kleurrijke tekeningen. ‘Burn-out’ is geen zelfhulpboek maar een aansprekend en leerzaam persoonlijk verslag van een zware periode, waar Maaike zich met optimisme, steun van haar omgeving en zelfreflectie een weg doorheen baant. De unieke, grafische weergave is niet alleen een lust voor het oog, maar geeft lucht aan een zwaar onderwerp, en maakt dat inzichtelijk en navoelbaar.

9) Survivor Café – Elizebeth Rosner – Een reis door een verleden dat niet vergeten mag worden – Scriptum
Een moedig non-fictieboek dat zich verdiept in de manier waarop overlevenden, getuigen en naoorlogse generaties over traumatische
ervaringen praten en er vorm aan geven. Nu de directe getuigen van veel van de aangrijpendste gebeurtenissen van de twintigste eeuw – de
Holocaust, Hiroshima, de Killing Fields – ons beginnen te ontvallen, werpt Survivor Café urgente vragen op: Hoe laten we deze verhalen
voortleven? Hoe zorgen we er collectief voor dat de verschrikkingen van het verleden niet worden vergeten? Elizabeth Rosner heeft haar
boek ingedeeld rond de drie reizen die ze met haar vader naar concentratiekamp Buchenwald maakte – in 1983, 1995 en 2015. Elke reis is een ervaring waarbij persoonlijk verleden oog in oog komt te staan met herdenking en herinnering. Ze onderzoekt de echo’s van vergelijkbare erfenissen bij nazaten van Afrikaans-Amerikaanse slaven, bij nakomelingen van overlevenden van Cambodjaanse Killing Fields en bij (klein)kinderen van overlevenden van de bombardementen op Hiroshima en Nagasaki. Daarnaast reflecteert ze op de effecten van 11 september op de bevolking in haar geheel. Rosner staat stil bij hedendaags hersenonderzoek, brengt de pogingen in beeld om de intergenerationele overerving van trauma’s te begrijpen en onderzoekt de complexiteit van onze herinnering in de nasleep van gruwelijke gebeurtenissen. Survivor Café wordt een lens voor verschillende constructen van het geheugen – van musea en herdenkingsmonumenten tot landelijke verzoeningsprojecten en kleinschalige interculturele ontmoetingen. Survivor Café schetst een helder beeld van de enorme omvang van de erfenis die wij mensen in de eenentwintigste eeuw met ons meedragen – niet alleen de verhalen van de directe nabestaanden van de Holocaust, maar ook onze collectieve verantwoordelijkheid om te leren van tragische gebeurtenissen, en om de voortdurend veranderende gesprekken tussen verleden en heden levend te houden.

 

CULTUURMIX 30 APRIL 2018

Papendrecht 30-04-2018

TROUW

Ik kreeg een boek aangereikt waarvan het eerste hoofdstuk, met de titel ‘Verzetskrant’, mij terugwierp in de eigen beleefde geschiedenis. Er werd daarin een brok verleden opgerakeld dat een mysterie uit het leven van mijn vader ontsloot. Ik heb het over de 336 bladzijden tellende, authentiek geïllustreerde paperback Trouw van Peter Bootsma en uitgeverij Boom met de ondertitel ’75 jaar tegen de stroom in’. Om u in the picture te brengen citeer ik het krantenartikel uit de Weekkrant van 28 april 2010 waarin Jenneke Wegeling-Klingenberg onder de titel ‘Waarom werd vader ter dood gebracht?’ over de executie van haar schoonvader vertelt.

Ik citeer: ‘Mijn man is zijn hele leven bezig geweest met de vraag waarom zijn vader in 1944 ter dood is gebracht. Het was zo’n aimabele, sociaal bewogen man. Zijn enige ‘fout’ was dat hij – na veel waarschuwingen van zijn vrouw – uiteindelijk toch toestemde in het verzoek om Trouw te gaan drukken. De drukpers draaide volop, toen de Duitsers binnenvielen. Na 55 dagen gevangenschap werd mijn schoonvader Hendricus Wegeling gefusilleerd in Kamp Vught. Jenneke Wegeling-Klinkenberg leerde haar man Leendert Wegeling pas lang na de oorlog kennen, maar door zijn verhalen weet ze precies wat zich in de dagen na 17 juni 1944 heeft te werk gesteld in Duitsland, en Leendert dook onder in de Betuwe. Zijn jongste broer Wim is met zijn moeder de enige die het drama in Kralingseveer persoonlijk heeft meegemaakt. Begin juni 1944 kreeg hij het verzoek om het verzetsblad Trouw te gaan drukken. Zijn vrouw vertrouwde het niet, maar Wegeling stemde uiteindelijk toe. Het vermoeden van mevrouw Wegeling bleek juist: onder de opdrachtgevers was een verrader. Op vrijdag 6 juni werd het zetsel en het papier geleverd, en de volgende dag werd de drukker tijdens het werk door de SD en de SS weggevoerd naar het Haagse Veer. Vandaar ging hij naar Kamp Amersfoort, en uiteindelijk naar Vught (Konzentrationslager Herzogenbusch), waar hij op 11 augustus werd geëxecuteerd, Ook twee medewerkers van de drukkerij werden ter dood gebracht. Jenneke Wegeling is nog steeds verontwaardigd over het besluit van de Trouw-redactie: ‘Die was per brief gewaarschuwd door de Duitsers. Als ze zouden stoppen met het drukken en de verspreiding van Trouw, zou niemand iets overkomen. Op die brief hebben ze nooit geantwoord, met het gevolg dat mijn schoonvader en zijn medewerkers zijn opgepakt toen ze voor het eerst – en voor het laatst – Trouw aan het drukken waren.’ Nadat Leenders gestopt was met werken, verdiepte hij zich in de geschriften die zijn jong gestorven broer Wim had nagelaten. Toen ontdekte de familie Wegeling pas wie hun man en vader had verraden. De naam van de verrader wil Jenneke Wegeling niet meer uitspreken.’ 

In de memoires van mijn vader zaliger (400 getypte foliovellen) staat ook het trieste einde van de heer Wegeling. Vader was werkzaam bij het in 1926 te Kralingseveer opgerichte bedrijf en kreeg kort na de D-day van 6 juni 1944  het verzoek van zijn baas op zaterdagmiddag 17 juni mee te werken aan het drukken van het illegale Trouw. Vader weigerde maar wilde wel op de ’s morgens helpen bij het drukklaar van maken van de pers, omdat Wegeling sinds 1933 niets meer in het bedrijf zelf gedaan had. Tegen twaalf uur kwamen de heren Van Dijk en Van den Bos om Trouw te gaan drukken. Vader slaakte een grote zucht van verlichting toen hij om een uur de poort achter zich dicht trok. Een paar uur later reden Duitse overvalwagens het Elandplein op en zag vader vanuit de voorkamer hoe Wegeling en ze zijnen met karabijnen in de aanslag een wagen werden ingeslagen. Het verdere verloop van deze geschiedenis heb ik u al vele malen via vaders memoires verhaald, waarbij de dood van Wegeling voor het vuurpeloton op de fusilladeplaats bij het kamp Vught, de wraak van het verzet op de verrader van Wegeling wiens lijk in Zoetermeer werd gevonden en de naweeën op het gezin Wegeling en op vader. Ik citeer: ’Dit gebeuren heeft op ons een onverwoestbare indruk achtergelaten en het dient gememoreerd dat moe en ik in 1960 een bezoek aan de fusilladeplaats hebben gebracht. Daarvoor is nu een monument geplaatst bestaande uit een lange muur, waarin tegels zijn gezet met daarop de namen etc. van de Trouwmensen die, in de weken dat de geallieerde legers ons land naderden, hun verzetsactiviteiten met de dood moesten bekopen – 500 en meer in getal… Uiteraard ging onze belangstelling uit naar de naambordjes van Van den Bos, Van Dijk en Wegeling. Ontroerd daar te verwijlen en tegelijk te bedenken dat mij naam daar ook bij had kunnen staan…’. 

U begrijpt nu dat mijn belangstelling in het eerste hoofdstuk uit Trouw, ‘Verzetskrant’ met ondertitel ‘1943-1945’ vooral getrokken werd door het stuk ‘De 23 van Trouw’. Ik wil over mijn leeservaringen aldaar de volgende keer hebben. Nu volsta ik met de mededeling aan u dat Peter Bootsma opnieuw aangeeft hoe van gewicht het beschrijven van geschiedenis van persoon (Wegeling) en krant (Trouw) is. Om dat laatste te accentueren geef ik de tekst van Boom op de omslag. ‘Op 17 februari 2018 bestaat Trouw 75 jaar: een tijd waarin het gereformeerde dagblad evolueerde naar een krant voor een breed publiek. Een spannend boek over veranderende tijden en worstelende journalisten. Trouw, in de Tweede Wereldoorlog opgericht als illegale krant, is de laatste halve eeuw onder invloed van de ontzuiling sterk van karakter veranderd. Hoe dit in zijn werk ging, laat historicus Peter Bootsma zien aan de hand van een aantal grote inhoudelijke thema's: de positie van de krant in de Vietnamoorlog, de Nederlandse politiek, de manier waarop het blad tegen geestelijke ontwikkelingen aankeek - tegen de achtergrond van de ontzuiling en de ontkerkelijking -, de verlokkingen van het grote geld en de opkomst van het internet. Ook behandelt hij de worstelingen waarmee alle veranderingen gepaard zijn gegaan, de conflicten ter redactie, de wisselingen van eigenaren en van hoofdredacteuren, en de moeizame manier waarop de relatief kleine krant zich tot de dag van vandaag staande heeft weten te houden in een snel veranderend journalistiek veld.’


VER VAN HUIS

Een roman leg ik voor u op de leestafel die vanaf het begin volkomen belooft wat de uitgever op de omslag belooft: spannend, verrassend, met veel vaart geschreven en steeds op het verkeerde been zettend. Ik ga u de juistheid van die belofte zo aantonen met in het achterhoofd de gedachte dat het lezen van literatuur een heerlijk iets is, op voorwaarde dan dat thema en stijl u en mij bevallen. Ik heb het over de 366 bladzijden tellende paperback Ver van huis van Peter Carey en De Bezige Bij. Eigenlijk behoeft de in 1943 geboren auteur bij u geen verdere introductie, want hoe blij waren wij niet met zijn bestsellers De chemie van tranen en Amnesie. Na het lezen van de eerste drie pagina’s zult u Peter Carey opnieuw met vreugde begroeten. Wat is het heerlijk een goed boek in handen te hebben. Over een paar weken wisselen wij hier onze leeservaringen met elkaar uit.

De Bezige Bij: ‘Het is 1954. Irene Bobs is een onafhankelijke vrouw zonder enige angst. Boven alles houdt ze van hard rijden. Haar man Titch is de beste autoverkoper van Zuidoost-Australië en samen besluiten ze mee te doen met de Redex Trial, een meedogenloze race rond het continent, over wegen die geen enkele auto kan overleven. Samen met hun navigator Willie Bachhuber, een mislukte leraar met een obsessie voor landkaarten, beginnen ze aan een tocht die hen, zonder enige waarschuwing, ver weg voert van het witte Australië dat ze zo goed kennen. Ver van huis is spannend en verrassend, een met zeer veel vaart geschreven verhaal dat de lezer keer op keer op het verkeerde been weet te zetten. Een meesterwerk vol herkenning, over wie we zijn, hoe we hier zijn gekomen en wat we elkaar onderweg hebben aangedaan.’
 
Peter Carey: Bacchus Marsh, 53 kilometer van Melbourne - 
Eén vader verslaan is voor een meisje al een uitdaging, maar tussen mij en wat ik wilde, namelijk ‒ en dat is geen onzin ‒ een prachtig kereltje dat Titch Bobs heette, stonden er twee. De eerste vader was mijn vader. Bij het horen dat ik, zijn kleine Irene, zijn muisje, zijn ieniemieniemademoiselle helemaal uit zichzelf een huwelijksaanzoek had gedaan aan een man van een meter zestig, verslikte hij zich in zijn  Wheaties. Titch’ vader was de tweede. Hij kwam op een holletje het hek uit, een en al welwillendheid. Ik was een schoonheid, een beeldje, totdat hij me, in de gang bij de kapstok, reden gaf om hem een klap in zijn gezicht te geven. Mijn zus was ouder en had ‘meer ervaring’. Ze begreep niet wat ik in zo’n kleine echtgenoot zag. Was ik van plan een nest muizen groot te brengen? Haha, erg leuk. Beverly was een meter achtenvijftigendriekwart en verbrak voortdurend verlovingen voorslungel Reus, kolos Dino of de beroemde voetballer wiens naam ik, zo slim ben ik wel, niet noem. Ik zou niet eens zijn hand durven schudden, laat staan dat andere zaakje. Beverly kreeg haar verdiende loon, oftewel dertig uur weeën en hoofden ter grootte van een pompoen. Mijn kinderenwaren klein en volmaakt als hun pappa, volmaakt qua proporties, qua perfect op elkaar afgestemde ledematen, met de roze appelwangen die ze van Titch en de glimlach die ze van mij hadden. Mijn zus vond mijn geluk onverteerbaar. Jarenlang zocht ze naar bewijs dat het ‘nep’ was. Toen haar eerste echtgenoot de benen naar New-Zealand nam, schreef ze me een hatelijke brief om te zeggen dat ik meer aandacht aan mijn echtgenoot dan aan mijn kindjes besteedde. Haar jongens, zei ze, waren alles voor haar. Ze wist best, schreef ze, dat ik Titch alleen maar was getrouwd om zijn geld. Natuurlijk was ze van streek. En terecht. Zij had een klootzak getrouwd. Kon ze, want gescheiden ‘zonder een cent’, nu dus alsjeblieft in het huis van onze jeugd gaan wonen dat we beiden hadden geërfd en waarvan ze de verkoop altijd had weten te verhinderen? Of Titch en ik dat geld hadden kunnen gebruiken, vroeg ze niet. Zou het onze levens veranderd hebben? Natuurlijk.

Ik liet haar het huis voor een schijntje huren zonder te zeggen wat ik ervan vond. Beverly zei graag dat ik eigenzinnig was, een idee dat ze van ma had overgenomen. Maar ma wilde dat ik eigenzinnig was. Ze vond het heerlijk te zien hoe ik mijn gang ging. Ma was namelijk een beetje uit hetzelfde hout gesneden en gezegend met zulke mooie tanden en jukbeenderen datje er alles voor overhad om haar te zien glimlachen, ook al moest je daarvoor een wasmachine kopen. Ze kreeg pa zover dat hij de Ford aanschafte, wat Titch aan onze voordeur in Geelong, Victoria, Australië bracht. Het was v-dag, 8 mei 1945. We zullen nooit weten waarvoor ma de Ford had gedacht te gebruiken. Een ritje naar Colac voor een bezoek aan haar zus na de kerk? Dat was iets wat je zelfs pa niet hoefde voor te schotelen. Het maakte niet uit. Hij zette de volgende stap en schreef de cheque uit voor de verkoper, Dan Bobst, die er, zo ontdekte ik toen ik op V-dag de voordeur opende, ‘gratis’ door zijn zoon te geven rijlessen bij leverde. Lieve heer, wat een heerlijke aanblik was die jongeman op een zondagochtend met zijn kartonnen koffer op onze voorgalerij. Hij kwam, zo kreeg ik te horen, bij ons logeren. Arme ma, helaas was het haar niet beschoren ooit de sleutel in het contact te steken, en iedereen was zo van slag en had het zo druk met de begrafenis dat niemand de jongeman zei dat hij kon vertrekken. En omdat hij nergens anders terechtkon, pakte hij zijn ‘valies’ uit en ‘wachtte instructies af’ zoals hij het later graag formuleerde.

De Ford stond op onze oprit, zonder duidelijke aanwijzingen dat hij bij de erfenis hoorde. Ma lag op het kerkhof van Mount Duneed en de nieuwe kostganger was de enige die me hielp haarspullen uit te zoeken. Hij zei niets over de auto of over de lessen die hij aan de overledene had moeten geven. Hij vroeg me of ik kon autorijden. Ik zei hem dat hij met ons mocht mee-eten als hij om zes uur ’s avonds thuis kon zijn. Te midden van alle treurnis was de knappe man met de rode wangen een grote, mij onontbeerlijke troost. Ik kon het bijna niet geloven. Ik kookte voor hem en hij schraapte zijn bord schoon en hielp met afdrogen. Als ik huilde, troostte hij me. Hij verzorgde zich goed: hij liet talkpoeder achter op de badkamervloer. Terwijl in de verte de ankerkettingen van de oude, in Corio Bay voor anker liggende oorlogsschepen te horen waren, vertelde hij me ’s avonds aan Western Beach verhalen over zijn vader die hij grappig vond en waarvan de draagwijdte veel verder reikte dan ik kon vermoeden. Mijn ogen prikten bij het horen dat die prachtige jongen zijn arm had gebroken bij het aanzwengelen van de propeller van zijn vaders vermaledijde eendekker; dat de oude bullebak hem had geleerd te landen door achter hem zittend op de plaats van de navigator zijn slanke rug net zo lang met zijn vuist te bewerken tot hij de knuppel genoeg omlaag drukte; dat hij hem in Bullenga rook achterliet bij een stel oude Ierse vrijgezellen tot ze geleerd hadden hoe ze hun aankoop konden berijden. Zoonlief werd Titch genoemd, maar soms heette hij Zac, wat een ander woord voor kwartje is en een Zac is derhalve een halve shilling of een halve bob, wat weer de naam van zijn vader was. Laat maar zitten. Lieve here jezus, voor mij was hij gewoon Titch, en ik leek op aarde gekomen te zijn om zijn gemartelde lichaam en zijn schalkse vreugdevolle ziel lief te hebben. Hoe kon ik, beste Beverly, weten wat voor soort leven mijn hart en wensten gevolge zou hebben? Onze vader leefde nog op de dag dat ik voor het eerst mijn oog op Titch liet vallen. Mijn kindjes waren nog niet geboren. Ik kon niet autorijden. Het tijdperk Holden versus Ford was nog niet aangebroken. De Rondom Australië Redex Duurtest-trial bestond nog niet, hoewel die, de grootste Australische autorace van de eeuw, het verhaal is waar het mij uiteindelijk om gaat. Ik trouwde op dezelfde dag dat ik mijn rijbewijs kreeg. Ik reed ons de honderdzestig kilometer naar Warragul. Daarna verhuisden we naar Sale, vervolgens naar Bairnsdale, en intussen verkocht Titch Fords voor zijn vader die hem altijd te weinig commissie afdroeg.

Mijn kersverse echtgenoot was bijna in alle opzichten ideaal en dat wist ik al voordat ik zijn grote vernuft doorhad, iets wat je als laatste bij een autohandelaar zoekt. Liegen kon hij niet, althans dat leek zo. Hij overdreef nooit, behalve als het voor de grap was. Hij was geestig, brutaal. Hij had zich, vertelde hij me, bekwaamd in de kunst om geen klappen te krijgen, wat maar goed was, gezien de cafés waar hij zaken deed. We woonden in pensions en huurkamers en aten hele kuddes schapen, maar we waren ongelooflijk gelukkig, zelfs als zijn vader zich in de kamer naast ons bevond. Soms rolden we op zondagmiddag dubbel van het lachen over de vloer. Het was wat iedereen een prachtig leven zou noemen.’


JOHANN SEBASTIAN BACH

Een loflied op een groot componist leg ik voor u op het muziekbord, dat hoewel de zang een renaissance is van een vijftien jaar oud boek is, zeker luid mag klinken. Een paar weken terug beleefde ik opnieuw het grootste werk van de hoofdpersoon en besefte wederom hoe grandioos de maker ervan is. Ik heb het over de 302 bladzijden tellende paperback Johann Sebastian Bach van Maarten ’t Hart en De Arbeiderspers. In het colofon staat dat van Johann Sebastian Bach in 2000 de eerste druk verscheen en dat de vierde, herziene druk van dit jaar al aan de achtste druk toe is. In het eerste jaar mocht ik al aandacht besteden aan deze formidabele gids en om niet in herhaling te vervallen geef ik integraal het voorwoord bij deze editie. In mijn jonge jaren leidden neerlandici als De Groot, Strengholt, Schenkeveld-Van der Dussen, Sotemann en Gerritsen mij door literaire werken en door hun notities ging ik van nog meer ervan genieten. Zo ook aangaande ’t Hart: hij verwoordt schoonheid van muziek aldus dat de ontvanger ervan beter gaat horen en begrijpen. Een voorbeeld pluk ik uit zijn hoofdstuk ‘Kommt, ihr Tochter’, dat begint met ‘Mijn leven lang heb ik nooit een moment van onzekerheid gekend over de vraag wat Bachs meest aangrijpende compositie is. Zonder enige twijfel is dat de Matthäus-Passion. Noch qua lengte, noch qua diepgang , noch qua ontroeringskracht is er ook maar iets wat daarmee te vergelijken valt.’ Ik weet nog uur en dag dat ik de eersteling van Maarten ’t Hart ‘Stenen voor een ransuil’ tot mij mocht nemen. Ik prijs mijzelf gelukkig dat ik de meeste van zijn fictieve en non-fictieve werken daarna ook las. Zo de meest recente verhalenbundel De moeder van Ikabod en de autobiografie Dienstreizen van een thuisblijver. Nu het voorwoord.
 
Maarten ’t Hart: ‘Ruim voor het Bach-jaar 1985 drong mijn uitgever erop aan dat ik in dat kroonjaar, Bach driehonderd jaar geleden geboren, een boek over de Thomas-cantor zou publiceren. We reden door de Flevopolder naar het weidse kantoor van landdrost Han Lammers in Lelystad en mijn uitgever ontfutselde hem de toezegging dat hij een voorwoord zou schrijven. Mij zonk toen de moed in de schoenen. Met zo’n voorwoord van de landdrost werd het, terwijl er toch al zoveel boeken over Bach bestonden, een wel heel pretentieuze onderneming. Dus ik aarzelde net zo lang tot het Bach-jaar 1985 voorbij was. Maar toen kwam het Bach-jaar 2000 in zicht (Bach 250 jaar geleden in Leipzig gestorven) en opnieuw drong mijn uitgever aan op een Bach-boek. Over het voorwoord van Han Lammers werd niet meer gesproken, en waarschijnlijk had hij het ook niet meer kunnen schrijven, want hij is in het jaar 2000 gestorven. Desondanks aarzelde ik weer. Er bestond immers al een immense hoeveelheid literatuur over Bach, met dien verstande dat er in het Nederlands destijds maar weinig recente publicaties over Bach voorhanden waren. Dus toen zich de mogelijkheid voordeed dat hypothetische Bach-boek van mij, via de winkels van drogisterijketen Kruidvat, voor de luttele som van vijf gulden, in een oplage van zo’n 120.000 exemplaren, te verspreiden, ging ik overstag en aan het werk. Of er ook daadwerkelijk 120.000 exemplaren werden gedrukt, weet ik niet, want ik heb nooit een afrekening gekregen of iets wat daarop lijkt. De deal van De Arbeiderspers met Joan Records en Kruidvat is altijd vrij schimmig gebleven; het was iets wat zich achter mijn rug om voltrok, de toenmalige directeur van De Arbeiderspers was er innig tevreden over, maar ik ben er nooit helemaal gerust op geweest, want mij leek dat je de boekhandelaren met deze deal in de gordijnen joeg.

Het boek was in een ommezien uitverkocht, de ongekend grote oplage ten spijt, en is nooit herdrukt. Omdat de oplage zo groot was, en de prijs zo laag, hebben duizenden mensen een boek over Bach gekocht die daar anders nooit toe zouden zijn gekomen. Van die duizenden hebben honderden zich geroepen gevoeld mij een brief over hun eigen liefde voor Bach te schrijven. Sommige lezers waren echter niet tevreden. Waarom geen apart hoofdstuk over de ‘Goldbergvariaties’? Waarom geen apart hoofdstuk over ‘Die Kunst der Fuge’? En waarom – en dat was wel de grootste grief van veel lezers – had ik niet alle cantates besproken in het hoofdstuk ‘Klein compendium van de cantates’? Ook werd mij in tientallen brieven op hoge toon verweten dat ik in mijn boek beweerde dat wij niets af wisten van de tweede vrouw van Bach, Anna Magdalena, terwijl zij nota bene een dagboek had bijgehouden dat onder de titel ‘De kleine kroniek van Anna Magdalena Bach overal in bibliotheken te vinden was. Hoe dom van mij om destijds te denken dat ieder wel wist dat dat zogenaamde dagboek van Anna Magdalena een vervalsing is, een werkje dat in 1925 werd gepubliceerd door de Engelse schrijfster Esther Meynell. Maar toen mijn boek over Bach in Duitse vertaling verscheen, werd ik opnieuw bedolven onder een stortvloed van brieven waarin mij werd verweten dat ik niet repte over dat dagboek. Zo schreef Stefanie Boegner uit Holzkirchen: ‘Sie erwahnen mein Lieblingsbuch uber Bach – die Kleine Chronik der Anna Magdalena Bach – mit keinem Wort.’ Stefanie Boegner stuurde het boek zelfs mee, net als diverse andere briefschrijvers, zodat ik er een tiental exemplaren van bezit, zowel in Nederlandse als in Duitse vertaling. Het is wel treurig dat kennelijk nog zoveel lezers denken dat het flodderwerkje van Meynell een authentiek dagboek is van Anna Magdalena, en dat terwijl Hans Brandts Buys er in zijn Bach-boek uit 1949 al tegen gewaarschuwd had. Nog steeds wordt het werkje herdrukt, vaak zonder ergens voor- of achterin de vermelding dat het hier een fictief dagboek betreft. Maar ja, veel muziekliefhebbers denken ook nog steeds dat het lied ‘Bist du bei mir’ uit het tweede ‘Notenbuchlein fur Anna Magdalena Bach’ door Bach zelf gecomponeerd werd, terwijl toch al heel lang bekend is dat dat door Gottfried Heinrich Stolzel werd geschreven.

Hoewel het volgende Bach-jaar – 2035 – nog lang niet in zicht is, lijkt het een goed moment voor een herdruk. In 2035 ben ik, tenzij ik even oud word als mijn moeder, vermoedelijk al dood, dus zo lang kunnen we met herdrukken niet wachten. Op dit moment, eind 2017. Zijn wij precies halverwege het Bach-jaar 2000 en het Bach-jaar 2035. Sinds 2000 is er op het Bach-front verbazend veel gebeurd. Het meest opzienbarend was uiteraard, in 2005 in Weimar, in de Herzogin Anna Amalia Bibliothek, de ontdekking door Michael Maul van een onbekende aria van Bach: ‘Alles mit Gott und nichts ohn’ ihn’. Kort daarvoor, in september 2004, had in die bibliotheek een brand gewoed, maar de aria was gespaard gebleven. Maul vertelt daar zelf over dat hij het manuscript had opgepakt en had gedacht: das seht ja aus wie Bach. Eer zij de muziek beluisterd hadden, dachten veel Bach-kenners nog: misschien is het een vervalsing, maar je hoefde slechts een paar maten te horen en je wist meteen volstrekt zeker: dit is Bach. Maul heeft in diezelfde bibliotheek in 2006 ook nog de vroegst bewaard gebleven notenhandschriften van Bach gevonden, de zogenaamde ‘Weimarer Orgeltatulatuur’ met nog onbekende afschriften door de jonge Bach van werken van Buxtehude en Reineken. Minder opzienbarend dan die ontdekking van onbekend werk, maar wel spraakmakend, was in april 2006 de doldrieste bewering van Martin Jarvis, hoogleraar aan de Charles Darwin University School of Music in Darwin, Australië, dat de cellosuites, die ons zijn overgeleverd in het fraaie handschrift van Anna Magdalena Bach, ook door haar gecomponeerd waren. Jarvis is een kleurrijke man, een goede spreker, en hij heeft een film gemaakt over de suites die de moeite van het bekijken zeker waard is. Deze Jarvis is een geniale communicator. Maar er is geen enkele reden om te veronderstellen dat Anna Magdalena de suites gecomponeerd zou hebben. Op Jarvis na is er niemand die dat gelooft, en ik maak me sterk dat Jarvis het zelf ook niet gelooft, maar er simpelweg op uit geweest alle Bach-kenners eens flink te jennen. Hoe het ook zij, over de hele wereld heeft hij de kranten ermee gehaald, en zelfs Martin Geck zag zich genoopt hem uitgebreid van repliek te dienen.

Vlak voor en in het jaar 2000 zijn een aantal bijzonder belangrijke boeken over Bach verschenen. Onder redactie van Konrad Kuster verscheen in 1999 bij uitgeverij Barenreiter het Bach-Handbuch. Ik kreeg het helaas pas in handen toen ik het manuscript van mijn boek al had ingeleverd. Het is een werk van 1000 pagina’s, met twee kolommen per pagina, dus in feite een werk van 2000 pagina’s. Het is ongeveer even dik als de Bijbel. Over Bachs leven horen wij weinig, maar al het werk wordt er uitputtend in besproken. Het is een fenomenaal naslagwerk, maar nog veelomvattender is het zevendelige Bach-Handbuch dat sindsdien bij Laaber Verlag is verschenen. Behalve deze grootse handboeken, verschenen in het Bach-jaar 2000 vuistdikke biografieën van Martin Geck en Christoph Wolff. Nadien verscheen er in 2004 nog een korte biografie van Peter Williams, die in 2007 gevolgd werd door een geëxpandeerde biografie van dezelfde auteur. Blijkbaar daarover nog niet tevreden, publiceerde Peter Williams in 2016 nog een derde biografie van Bach, nu met meer nadruk op het werk dan op het leven. Ook verscheen in 2013 een opzienbarend boek over Bach van de hand van dirigent John Eliot Gardiner. Ik zal deze biografieën en het boek van Gardiner aan het einde van dit boek uitgebreid bespreken, Om tegemoet te komen aan de wensen van al die briefschrijvers heb ik aan deze grondig herziene, aangevulde en bewerkte heruitgave hoofdstukken toegevoegd over de ‘Goldbergvariaties’ en ‘Die Kunst der Fuge’. En ik heb nu in het kleine compendium alle cantates besproken.
Aan het hoofdstuk ‘De Bach-literatuur’ heb ik alle belangrijke publicaties sinds 2000 toegevoegd en kort besproken, waarbij aangetekend zij dat ik wellicht nog opmerkelijke publicaties over het hoofd kan hebben gezien. Er verschijnt namelijk zoveel over Bach dat het amper bij te houden is. Een heel opmerkelijk initiatief is dat van de Nederlandse Bachvereniging onder de titel ‘All of Bach’. Sinds 2013 worden de werken van Bach uitgevoerd, opgenomen en online gepubliceerd. Elke vrijdag verschijnt een nieuw werk op de website www.allofbach.com.
 

DE LAATSTE GETUIGE

Een terugblik op een bewogen leven leg ik voor u neer, dat  deze dagen van mei als geroepen komt. Het gaat om het verhaal over een hachelijk bestaan voor, tijdens en vlak na de oorlogsdagen van 40-45. En dan verteld door een man van vierennegentig die toen de hel, door de nazi’s ontketend, wist te doorstaan. Ik heb het over de 392 bladzijden, ruim authentiek geïllustreerde paperback De laatste getuige van Frank Krake en uitgeverij Achtbaan met de ondertitel ‘De man die drie concentratiekampen en een grote scheepsramp overleefde’. 
Ik haast mij het u te zeggen: ik ben onder de indruk van de outfit van het boek: een lust voor het oog en ik ben in de ban van het levensverhaal van de hoofdpersoon Wim Aloserij. Dat ik in deze niet alleen sta, bewijst de mooie positie die De laatste getuige op de landelijke bestsellerlijsten al een paar weken inneemt. Ook op de tv mocht het intrigerende boek met veel instemming begroet worden. Om duidelijk te zijn: Frank Krake zette op papier hetgeen Wim Aloserij hem vertelde. Dat deed hij op toegankelijke, tintelende toon, maar ook interessante en informatieve wijze. Zo dat dit boek een must is voor de velen die de dagen van de Tweede Wereldoorlog niet behoefden te doorleven. Ik ben voorlopig hier nog niet klaar met De laatste getuige, maar met het zicht op 4 en 5 mei geef ik nu alleen de tekst van de uitgever op de site en het Voorwoord van de politicus Buma. Op de valreep van zijn bestaan op aarde vertelt Aloserij zijn verhaal. Overigens: een paar jaar terug mocht ik het met u hebben over een ander geweldig boek van Krake en Achtbaan, Menthol. Over de beste aanbeveling gesproken.

Achtbaan: ‘Wim Alosery (1923) zwerft als kleine jongen door de straten van Kattenburg in Amsterdam om uit de handen van zijn drinkende stiefvader te blijven. Daar leert hij te overleven en ontwikkelt hij eigenschappen die tien jaar later zijn leven zullen redden. Liggend op het dak van een rijdende trein ontvlucht hij de verplichte Arbeitseinsatz in Duitsland. Hij duikt onder bij een boer in West-Friesland en schuilt maandenlang in een kist onder de grond, tot hij bij een razzia wordt opgepakt. Na een verblijf in het beruchte Gestapo-hoofdkwartier in de Euterpestraat en het Huis van Bewaring aan de Weteringschans, wordt hij opgesloten in Kamp Amersfoort. Na enkele weken gaat hij op transport naar een relatief onbekend concentratiekamp in Duitsland: Neuengamme, bij Hamburg. Hij weet te overleven door zijn inventiviteit, levenskracht en wat hij op Kattenburg leerde.
Neuengamme is het kamp waar de meeste niet-Joodse Nederlanders worden vermoord. Maar niet door het gebruik van gaskamers. In het hoofdkamp en de Aussenlager, de buitenkampen, is het motto: Vernichtung durch Arbeit - vernietiging door arbeid. Wim wordt tewerkgesteld in Husum, bij het onmenselijk zware graafcommando voor antitankgrachten in Noord-Duitsland. Enkele dagen voor de bevrijding komt hij na een gruwelijke tocht met zevenduizend medegevangenen op de luxe oceaanstomer Cap Arcona terecht, in de baai van Lübeck en op twee kilometer van de kust. De bevrijding is nabij. Terwijl de geallieerden het Duitse leger op de wal tot overgave dwingen voeren jachtvliegtuigen van de RAF bombardementen uit op de schepen die in de baai voor anker liggen. Drie daarvan, waaronder de Cap Arcona, worden vol getroffen. De gevangenen zitten benedendeks als ratten in de val. Op wonderbaarlijke wijze weet Wim het inferno te ontvluchten. Totaal uitgeput bereikt hij de wal, aan de goede kant van de baai. Waldemar Nods, de vader van Sonny Boy, zit op hetzelfde schip. Ook hij weet te ontkomen, maar wordt op het strand alsnog door jongens van de Hitlerjugend vermoord. Wim heeft meer geluk. Met niet meer dan vierhonderd andere gevangenen overleeft hij één van de grootste scheepsrampen aller tijden. Op 94-jarige leeftijd is Wim de laatste overlevende die dit nog kan navertellen. Daarvoor moet hij na de oorlog eerst afrekenen met zijn kampsyndroom. Dat lukt hem mede met de hulp van zijn vrouw. Hij wordt niet zuur, cynisch en haatdragend, maar omarmt tot op de dag van vandaag vol positivisme het leven, de liefde voor de mens en de vrijheid. Nu vertelt hij ons eindelijk zijn hele verhaal, als laatste overlevende van drie kampen en een scheepsramp met vier keer zoveel slachtoffers als bij de Titanic. Als de laatste getuige!

Sybrand Buma: ‘Wie vandaag de dag via de hoofdingang de Gedenkstatte Neuengamme betreedt, komt in een serene, bijna vredige omgeving. Met de grootst mogelijke zorgvuldigheid is het uitgestrekte kampterrein als herinneringcentrum ingericht. De bakstenen kampgebouwen en de appelplaats zijn er nog, de omtrekken van de voormalige houten barakken zijn door grindbakken zichtbaar gemaakt. De fabrieksgebouwen, de autogarage van de SS en een deel van de omheining met de onvermijdelijke wachttorens staan nog overeind. Even buiten het terrein is nog steeds de witte villa te zien waar de kampcommandant met zijn schoonzus en kinderen woonde. In een nieuw gebouwd Haus des Gedenkens staan de namen van 25.000 slachtoffers op banieren aan de wand. Het is de helft van de bijna 43.000 gevangenen die het concentratiekamp niet overleefden. De anderen stierven naamloos. Op een door bomen omzoomd grasveld is al in de jaren vijftig een monumentale zuil opgericht. In de loop der tijd zijn er diverse monumenten bijgeplaatst, onder andere voor de mannen uit Putten, van wie velen in Neuengamme stierven. Wie het terrein bezoekt moet wel onder de indruk raken. De rust doet onwerkelijk aan. Het is onmogelijk een voorstelling te maken van de gruwelijkheden die hier hebben plaatsgevonden. Pas tegen de achtergrond van het verhaal van overlevenden wordt de wreedheid van het kampleven duidelijk. Met het vertellen van zijn verhaal, drie en zeventig na zijn eigen bevrijding, bewijst Wim Aloserij de generatie van nu een grote dienst. Immers, niet veel ooggetuigen kunnen het nog navertellen. Steeds minder mensen krijgen de gruwelijke waarheid van toen uit de eerste hand te horen. Het strekt Frank Krake tot eer dat hij de herinneringen nauwgezet en respectvol heeft opgeschreven, Achter de hekken van Neuengamme heersten dood en geweld, iedere dag opnieuw. Wie er nu rondloopt, kan aan het eind van de dag de poort weer uit en zijn auto opzoeken; naar een hotel in Hamburg of meteen terug naar huis. Maar met het verhaal van Wim Aloserij in de hand moet je wel anders gaan kijken.

Er is nog een verhaal dat Wim Aloserij en Frank Krake met dit boek vertellen. Namelijk dat het leed van een oorlog nooit eindigt. Dit boek is niet het verhaal van een oorlog die voorbij is. Niet in de levens van de oud-gevangenen, en niet in de levens van nabestaanden van de slachtoffers. Het is het verhaal van een oorlog die door ging.
Nooit meer oorlog in Europa, nooit meer de wreedheden van de concentratiekampen, dat was het credo in 1945. De lessen zouden geleerd zijn. En er kwam vrede in West-Europa. Duitsland, Frankrijk, de Benelux en Italië gingen al snel vergaand samenwerken, De Europese samenwerking van nu is de rechtstreekse opvolger van die vredeswil. Maar oorlog is niet definitief geschiedenis geworden in Europa. Direct na de oorlog spleet Europa in Oost en West. Vlak bij het bevrijde Neuengamme werd dwars door het land een ijzeren gordijn getrokken. Twee reusachtige legers lagen er als vijanden tegenover elkaar. De inwoners van het bevrijde oosten van Europa kwamen van de ene dictatuur in de andere. Een situatie die tot 1989 zou duren. Met de val van de muur ontstonden nieuwe scheidslijnen, vaak binnen landen. In de jaren negentig woedde op de Balkan een oorlog waar weer gevangenen in concentratiekampen verdwenen en onschuldige mannen en vrouwen bij duizenden werden vermoord. Vandaag de dag wordt nog steeds in Europa gevochten, in Oost-Oekraïne. En aan de poort van een continent, in Syrië, woedt al jaren een vreselijke burgeroorlog. Weer sterven onschuldige mensen, weer worden onuitsprekelijke wreedheden begaan. En weer zullen mensen levenslang de littekens dragen, soms generaties lang. Oorlog houdt niet op als de wapens zwijgen.

Ergens tussen de lange lijst met namen in het Haus des Gedenkens staat de naam van mijn grootvader, Sybrand Marinus van Haersma Buma. Hij woonden voor de oorlog in Friesland en was ten tijde van de Duitse inval burgemeester van de plattelandsgemeente Wymbritseradeel. Al snel kwam hij principieel in verzet tegen het onrecht van de bezetter. In het voorjaar van 1941 werd hij opgepakt. Ruim een jaar zat hij in de Scheveningse strafgevangenis, het Oranjehotel. In de herfst van  1942 werd hij naar Kamp Amersfoort getransporteerd. Vervolgens maakte hij dezelfde trieste treinreis die Wim Aloserij twee jaar later zou maken. Al uitgeput bij aankomst stierf hij op 11 december 1942 in de ziekenbarak van Neuengamme, pas achtendertig jaar oud. Hij liet een vrouw en vier jonge kinderen achter. De oudste, mijn vader, was tien, de jongste twee.
Wim Aloserij overleefde de hel van Neuengamme en ook nog als een van de weinigen de ramp met de Cap Arcona in de Lübecker Bocht. Die ramp behoort tot een van de meest dramatische gebeurtenissen in de laatste oorlogsdagen. Bij Wim staan de gebeurtenissen bijna driekwart eeuw later onuitwisbaar in zijn geheugen gegrift. Ontelbaar zijn de wreedheden die hij in de maanden daarvoor moest zien en vaak zelf ondergaan. Zijn getuigenis laat zien dat de scheidslijn tussen goed en fout niet samenviel met de grens tussen Nederland en Duitsland. Dat is de andere belangrijke les uit dit boek. De oorlog kende net zo goed Duitse slachtoffers als Nederlandse daders. Beiden komen in het boek voor. En in beide  landen is een hele generatie getekend door de oorlog. De laatste getuige is net zoo goed een monument voor de slachtoffers van de naziterreur als de Gedenkstatte Neuengamme. Het is een monument voor de generatie die een leven lang met de herinneringen moest leven. En het is een monument voor Wim Aloserij zelf, die de hel overleefd, en die het moedige besluit nam om meer dan zeventig jaar later zijn verhaal te vertellen.’


VIJF BOEIENDE BOEKEN VOOR DE MEIVAKANTIE

Voor velen van u bieden deze weken dagen van vrijaf. Om die vreugdevolle dagen goed te doen verlopen geef ik u een kwintet boeken door die sowieso aan deze wens voldoen. Ik noem titel, auteur, ondertitel of genre en uitgever. Om het thema te achterhalen reik ik u de tekst van de uitgeverij op de omslag aan. Ik kreeg de vijf werken nog maar kort geleden door Ruud, de man van de post, aangereikt. De komend ook voor mij vrije tijd neem ik zoals u om het vijftal tot mij te nemen. In de loop van mei wisselen wij hier onze leeservaringen met elkaar uit.

1) Materiaalmoeheid – Marek Sindelka – Roman – Das Mag
Materiaalmoeheid is het indrukwekkende verhaal van twee jonge broers die naar Europa proberen te vluchten. Al snel verliezen ze elkaar uit het oog, maar de lezer volgt hun ontberingen met een wisselende perspectief. Een niet-moraliserende roman waarin het fysieke de vertelling gestalte geeft. Het lichaam herinnert zich beter hoe te handelen dan de geest. Marek Sindelka (1984) schreef eerder de mozaïekvertelling Anna in kaart gebracht ('Grootse literatuur!' en vijf sterren in de Volkskrant). Voor Materiaalmoeheid ontving hij de Magnesia Literatura, de belangrijkste literaire prijs van Tjechië, en werd hij genomineerd voor de EU Literatuurprijs 2017.





2) Gestolen – Russell Newell – Thriller – Bruna
In de tijd voor amber alerts, Facebook-oproepen en DNA-onderzoek verdwijnt op eerste kerstdag, 1977, het zoontje van een van de meest succesvolle zakenmannen in Amerika. Op deze dag begint Gus Delaneys lange reis om zijn zoontje te vinden, om erachter te komen wat er is gebeurd. Is hij ontvoerd? Leeft hij nog? Heeft zijn ex-vrouw er iets mee te maken? Wanneer de politie Gus begint te verdenken, stort zijn hele wereld in. Ondertussen is Jack Delaney beland in een voor hem verbijsterende wereld, vol onbekenden die hem vertellen dat hij uitverkoren is en dat hij zijn oude leven moet vergeten. Volledig geïsoleerd van de buitenwereld leert Jack om de vader te vergeten die, voor zover hij weet, al lang is opgehouden naar hem te zoeken. Totdat hij door de onthulling van een donker geheim langzaam begint te twijfelen aan alles waarin hij gelooft...
 

3) Veldheer Banner – Marie Kessels – Roman – De Bezige Bij
Nog voor zijn vijftigste kreeg universitair docent Saul Banner de diagnose parkinson. Sindsdien heeft hij een onbestendig leven geleid. We zien hem hier midden in de chaos van zijn ziektegeschiedenis, vol verlangen naar een toekomst waarin het vertrouwde patroon van het heden niet eindeloos wordt herhaald. Zo vangen we een glimp op van de verschillende gestalten van die grillige ziekte die zo stil aanwezig is in het hart van onze samenleving. Fotografe Dana Stromberg, een vriendin van Saul, kijkt terug op hun ontmoetingen in het appartement dat Saul eens in een aanval van razende woede kocht om zijn gezin en zijn dorp te ontvluchten en wat ruimte voor zichzelf te hebben. Zijn vrijplaats. Daar beleeft ze zijn parkinson samen met hem, als zijn kameraad en bondgenoot. Totdat hij zijn huis moet opgeven.



4) Het volk in de grot – René ten Bos – Filosofie – Boom
Denker des Vaderlands René ten Bos ontwikkelt op eigenzinnige wijze een nieuwe visie op de tegenstelling tussen volk en elite. In Plato's beroemde allegorie van de grot wordt het volk door de ontwikkelde mens aangespoord om de grot te verlaten en naar buiten te treden om zichzelf te verlichten. Ten Bos denkt echter dat het volk er helemaal geen behoefte aan heeft om de grot te verlaten, en stelt dat het klassieke ideaal van de paideia (het ontwikkelen van de mensen die we nu 'het volk' noemen) altijd al hopeloos is geweest. Want de elite kan wel vinden dat het volk uit de grot moet komen om zijn geest te ontwikkelen, maar het is de vraag of het aanbod van de verlichte geest wel aantrekkelijk genoeg is. Is het niet te abstract of te intellectualistisch? Willen we begrijpen wat het volk is en wat het wil, dan hebben we volgens Ten Bos een radicale speleologie nodig. We moeten ons verdiepen in de grotbewoners, wat niet wil zeggen dat we moeten worden zoals zij. De analyse in Het volk in de grot leidt naar een duiding van de kloof tussen wetenschap en maatschappij. Uiteindelijk gaat het Ten Bos om de vraag in hoeverre wetenschap bevrijdend kan zijn.

5) Dubio – Karin de Roos – Historische roman – Uitgeverij Q
Wat is dichterbij: het heden of het verleden? Flardinga, 1014. De jonge Bernulf vindt in het veenmoeras een ernstig mishandeld meisje. Ze herinnert zich niets, behalve haar naam: Germaine. Niemand kan achterhalen waar ze vandaan komt, dus ze wordt opgenomen in Bernulfs familie. Wanneer de graaf van het gebied vier jaar later in conflict komt met de keizer, spelen Bernulf en Germaine tegen wil en dank een cruciale rol in de historische Slag bij Flardinga. Vlaardingen, 2018. Een jonge vrouw wordt in een psychiatrische kliniek opgenomen. Op geen enkele wijze kan worden vastgesteld wie ze is en waar ze vandaan komt. Ze beweert uit het elfde-eeuwse Flardinga te komen en wil wanhopig graag terug. Ze lijkt psychotisch, maar waarom kan ze dan feilloos plekken uit heden en verleden verbinden? Dubio is een prachtige historische roman die heden en verleden vervlecht en speelt met thema's als identiteit, oorsprong en religie.

 

CULTUURMIX 23 APRIL 2018

Papendrecht 23-04-2018

DAGELIJKS WERK

Ik vraag u aandacht voor een adieu van de grande dame die wij in onze rubriek al jaar en dag mochten begroeten. Sinds haar debuutroman in 1983 Buitenstaanders heeft de vrouw die het schrijven van boeken als haar dagelijkse bezigheid ziet haar geloofsbrieven voortdurend afgegeven. Ik heb het over de 298 bladzijden tellende paperback Dagelijks werk van Renate Dorrestein en uitgeverij Podium met de ondertitel ‘Een schrijversleven’. Dat Renate Dorrestein een checkpoint vormde in onze literatuur blijkt o.a. uit het Boekenweekgeschenk van 1998 Want dit is mijn lichaam en het Boekenweekgeschenk van elf jaar later Laat me niet alleen. Nu wij weten dat de dood Renate gaat achterhalen, want bij haar is vergevorderde slokdarmkanker geconstateerd blijven de twee titels in ons naklinken. In mijn dagblad AD De Dordtenaar gaf Renate voorbije zaterdag een interview af, dat het opschrift kreeg van ‘Ik vind het belangrijker dat mijn nabestaanden me missen om wie ik was, dan om wat ik deed’. In haar literaire autobiografie Dagelijks werk wordt voor ons als lezers nog eens heel manifest wat wij aan Renate Dorrestein met geboortejaar 1954 schatplichtig zijn. Als ouverture tot mijn bespiegelingen over haar naar eigen zeggen laatste werk reik ik u de eerste helft van haar Inleiding aan, met mijn voornemen de volgende keer het tweede deel aan de beurt te laten komen. Daarna maken wij een literair getinte wandeling door Renates Dagelijks werk.

Renate Dorrestein: ‘In de zomer van 2016 had ik een nieuwe koelkast nodig, ter vervanging van het chagrijnige oude beest dat in mijn bijkeuken stroom stond te slurpen. Op dus naar die witgoedwinkel in Haarlem-Noord waar ik eerder zo goed was geslaagd. Omdat het een prachtige middag was en het noordelijke stadsdeel ‘achter het spoor’ mij relatief onbekend was, besloot ik daar na de aanschaf van mijn nieuwe koelkast een wandeling te maken. Het is een stedelijk woongebied, zoals die rond 1900 overal in Nederland zijn gebouwd, met overwegend lage woningbouw en poortachtige toegangen tot de zijstraten. Al binnen een paar minuten stond ik stil, getroffen door iets wat ik niet eens zozeer zág als wel voelde: ik stond op de locatie waar mijn volgende roman zich zou gaan afspelen. Je moet al zoveel verzinnen als je een roman schrijft, dus een bestaande locatie biedt in elk geval houvast en grond onder de voeten. Voor iedere schrijver zal het anders zijn, maar voor mij begint alles met die aardende, verankerende plaatsbepaling. Heb ik de plek, dan komt het verhaal vanzelf. Die rare term ‘de plaats van handeling’ is zo gek nog niet. Als ik eenmaal weet wat de plaats van handeling van mijn volgende boek is, dan kom ik al schrijvende ook wel te weten wat die handeling behelst.

Wat mij triggerde op die zonovergoten middag in Haarlem-Noord was dat in één straat de monotonie van eengezinswoningen werd onderbroken door een schoolachtig gebouw dat zich als een schuw dier zo laag mogelijk tegen de stoep gedrukt hield, alsof het aan mijn blik wilde ontsnappen, maar daarmee bereikte het dus het tegendeel. Noorder Kinderhuis, stond er in de gevel gebeiteld. Bij die woorden zag ik een ijsvlakte voor me waarover sneeuwvlagen joegen. Ik wist genoeg. Onguurder dan dit ging ik het niet krijgen. Het Noorder Kinderhuis! Mijn god, dat was een plek waar je als kind niet moest zijn! Ik stak de straat over en tuurde door een raam naar binnen. Er was een doodgewoon hedendaags kinderdagverblijf gevestigd. Maar dat betekende niets. Als je aan dat soort details gewicht toekent, schrijf je nooit een roman. Dit had best sinds mensenheugenis een goelag voor kleine mensen kunnen zijn. Gemene ouders dumpten hier hun nageslacht als ze er genoeg van hadden. Op slag vlogen wonderlijke namen mijn hoofd binnen. Zebedee, Hosanne, Anne-Eden, de tweeling Michaël en Daniël. Voor mijn geestesoog rees een compleet, kroostrijk gezin uit de biblebelt op, met van die bleke, langgerekte kinderen die zonder vaccins of mobieltjes door het leven moeten terwijl ze elkaars kleren afdragen en naar bevindelijke zomerkampen gaan. Zo’n gezin met minstens tien kinderen, waarbij niemand het merkt als er opeens een kotertje minder is. Ik stond bijna te klappertanden van opwinding. Het gebeurde niet vaak dat ik al een idee voor een nieuwe roman kreeg terwijl ik nog bezig was een ander boek te schrijven, in dit geval Reddende engel. Daarmee was ik pas halverwege. Het vervulde me van een gevoel van enorme rijkdom dat er nu al een nieuw boek in de coulissen op me stond te wachten: ik kon voorlopig voort.

Het was zoals ik al schreef de zomer van 2016. De zomer die zou eindigen in de toptien van warmste zomers ooit, de zomer van Pokémon Go, van Theresa May en haar Brexit, van een reeks moorddadige gebeurtenissen in Europa, te beginnen met een vrachtwagen die op Quatorze Juillet tijdens het vuurwerk in Nice inreed op een menigte, de zomer van de staatsgreep van Erdogan, van Chris Froome die voor de derde keer in zijn carrière de Tour de France won, al moest hij een stuk van de mythische Mont Ventoux te voet afleggen, de zomer van verzengende bosbranden in Portugal en Californië. Ergens was het een zomer als alle andere, en ik werkte ook net als anders met plezier aan mijn Reddende engel, en op onbewaakte momenten dacht ik aan het Noorder Kinderhuis en voelde ik mijn verbeelding alle kanten op schieten. Misschien was het Noorder Kinderhuis in mijn boek straks helemaal niet een fysiek gebouw. Misschien was het een eufemisme voor de Dood. ‘Die is naar het Noorder Kinderhuis,’ zeiden mensen over een kind dat het niet had gehaald en aan de mazelen was bezweken. Ik wist uiteraard niet dat het mijn eigen laatste zomer als gezond mens zou zijn.

Er werd dat najaar bij toeval slokdarmkanker bij me geconstateerd, ik kwam voor heel iets anders naar het ziekenhuis. Toeval of niet, het ging om een lelijke, agressieve tumor. Er stond een snijgrage chirurg voor me klaar, hij wachtte me bij wijze van spreken al op met in elke hand een mes. Samen met mijn partner Maarten besloot ik dat opereren niet mijn pad zou zijn. De ingreep is niet zonder risico’s en de consequenties voor je dagelijks leven kunnen erg ingrijpend zijn. Daarbovenop: volgens de statistiek is de levensverwachting na de operatie maar drie jaar (en zonder operatie is dat de helft). Maarten en ik vonden het nogal een investering, met een tamelijk gering rendement. Je moest wel heel radeloos zijn als je je hieraan uitleverde. Ik had gewoon niet genoeg doodsangst in me om tot iedere prijs door te willen gaan met leven. Het leek me bovendien niet dat ik werkelijk onmisbaar was op aarde, zoals een jonge moeder of vader met kleine kinderen dat wel is. Wij lieten de snijgrage chirurg alleen met zijn messen en ik wierp me in de armen van een jonge radiotherapeut die heel geruststellend dokter Vogel heette. Hij zou mijn tumor met een chemoradiatiekuur ‘wegbombarderen’. Mijn tumor zou daarna terugkeren, zo eentje was het er nu eenmaal, een echte stalker, maar de kuur zou me hopelijk extra tijd van leven geven. Thuis keek ik in de badkamerspiegel naar de schietschijf die ten behoeve van de bestraling op mijn mooie borst prijkte. Had ik op mijn oude dag toch nog een tatoeage. En aan de drugs was ik eindelijk ook, want van alle kanten droegen goede zielen wietolie aan; als iemand met een drugshond mijn huis zou komen controleren, was ik de sjaak. Het werd 1 maart 2017. Mijn kuur was klaar. Officieel was ik uitbehandeld. Ik had voor jaren de maximumdosis bestraling gehad en andere mogelijkheden waren er voor mij niet meer. Maar wat gaf dat, aangezien dokter Vogel zijn bombardement geslaagd had verklaard?

Ik zag helder voor me hoe ik nu een periode tegemoet ging waarin er verder niet zo veel aan de hand zou zijn. Aan het einde daarvan zou ik, poef, dood neervallen, maar dan zou ik in elk geval intens van het leven hebben genoten. Vooralsnog voelde ik me wel erg vodderig van de chemoradiatie. Gelukkig had ik mijn Reddende engel, met een geplande verschijningsdatum in het najaar. Dankbaar klampte ik me aan het boek vast. Het bleek mijn reddingsboei. Al kon ik soms maar een paar uur per dag werken, ik was iemand die een roman schreef, zoals ik altijd had gedaan. Dit had ik nog. Voor zover ik zelf kon beoordelen, schreef ik niet beter of beroerder dan anders. Dat zou kunnen liggen aan het feit dat mijn boek al grotendeels klaar was toen ik mijn diagnose kreeg: ik hoefde alleen het laatste hoofdstuk nog te schrijven en me vervolgens uit te leven op wat ik altijd het fijnste fase van het hele proces vind: de herschrijfrondes waarin alles zijn vervulling vindt en op z’n plaats valt. Het ‘verhaal’ was al zo ver gevorderd dat het zijn eigen wetmatigheden had, z’n eigen eisen stelde, en het op geen enkele manier nog van plan was om zich aan mij aan te passen. Op de dag dat Reddende engel verscheen, bracht een gastroscopie aan het licht dat mijn slokdarm wederom ‘een paar plekjes’ vertoonde, dat meervoud was trouwens nieuw, kijkt u even mee op het scherm? Nog geen half jaar na het bombardement van Dokter Vogel waren ze uit het vooronder tevoorschijn gekropen.’


DE OMMEGANG

Ik wil u – voor zover nog noodzakelijk – in de ban brengen van een  historische roman. Sinds ik op de HBS van destijds kennis maakte met het genre, ben ik een fan van literaire werken die in het verleden de plaats van handeling hebben. Op voorwaarde dan dat het thema mij aanspreekt en de verteltrant mij behaagt. Aan deze twee eisen voldoet het lijvige boek van deze week. Ik heb het over de 628 bladzijden tellende paperback De ommegang van Jan van Aken en uitgeverij Querido. Op mijn leesexemplaar staat de vermelding ‘DWDD tip’ en in het colofon die van ‘Herdruk op herdruk’. Maar liefst 56 hoofdstukken telt De ommegang en dat betekent dat Jan van Aken u leespauzes gunt. Ik weet nog heel goed hoe leraar Nederlands De Groot historische roman in de klas aan de man bracht: vol verve verhaalde hij over de eerstelingen in het genre als Hermingard van de Eikenterpen van Aarnout Drost, Het Huis Lauernesse van Geertruida Bosboom-Toussaint, Ferdinand Huyck van Jacob van Lennep, Het Slot Loevestein van Jan Frederik Oltmans en De Leeuw van Vlaanderen van Hendrik Conscience. Het spreekt voor zich dat ik in dit tijdsbestek heel blij ben met schrijvers als Maarten ’t Hart, Thomas Rosenboom, Arthur Japin en Geert Mak, die vaak hun verhaalstof in het verleden opdiepen, Ik wil u nu thematiek en stijl van schrijven doen proeven door de tekst van de uitgever op de omslag en de eerste bladzijden aan te reiken. Vooraf nog dit: een ommegang staat voor een religieuze processie in de Zuidelijke Nederlanden en komt van ‘(rond) om (de kerk of stad) gaan’. Mag ik van u vernemen hoe u De ommegang ondergaan hebt? Over twee weken wisselen wij hier onze leeservaringen met elkaar uit.

Querido: ‘In de vroege lente van 1415, op de stoffige wegen van Italië, heeft heelmeester en architect Isidorus van Rillington een ontmoeting die zijn leven totaal verandert. Isidorus' zoektocht naar kennis, die hem al tot aan de rand van de wereld bracht, is daarmee voltooid. Hij besluit met zijn verworven inzichten naar Konstanz te reizen, waar op dat moment de groten der aarde bijeenkomen om de christelijke wereld van de ondergang te redden. ‘De ommegang’ is een meeslepende historische roman over de mogelijkheden en beperkingen van het geheugen. Jan van Aken sleept de lezer mee van een middeleeuwse bibliotheek in Engeland naar een kleine stad aan het Bodenmeer, waar koningen, kardinalen, adel en geleerden strijden voor de eenheid van Europa.

Jan van Aken: ‘Proloog De weg naar Konstanz I (1415) - Op de stoffige wegen van Italië, in de vroege lente van het jaar 1415, kwam ik een tweetal reizigers achterop. Een jonge vrouw leidde een bepakt muildier aan de hand en voor haar uit ging een rijzige grijsaard met zekere tred, al viel me op dat hij zijn reisstaf gebruikte als blindenstok. De vrouw droeg op haar linkerslaap een klein litteken als een zilveren spinnetje; ooit had een vaardige heelmeester daar een wond gehecht. Ik groette in het voorbijgaan zoals gebruikelijk is langs de pelgrimswegen en wierp een vlugge blik op de man. Ogen als lege ijsvelden. Ik richtte mijn ogen alweer op de weg, toen de man me bij mijn naam riep. ‘Isidoor?’ Ik bleef staan en draaide me naar hem om. Voor mijn geestesoog zag ik hem nu twintig jaar jonger en in de kracht van zijn leven, toen zijn haar en baard nog donker waren en niets die felle blik ontging. Ook toen had hij een vrouw bij zich gehad en zij op haar beurt droeg een klein meisje op haar arm. Dat moest deze jonge vrouw zijn, die nu het muildier leidde. Bij de herinnering hoorde een naam. ‘Maelgys,’ zei ik. ‘Ben jij het echt? Hoe vaak heb ik niet aan onze goede tijd in Trebizonde gedacht!’ Ik wrong me uit de draagriemen van mijn reiskist en zette die voorzichtig op de grond. Maelgys lachte. ‘Ik herkende je aan je stem. En je kent mijn dochter? Haar naam is...’ ‘Lorea,’ zei ik. ‘Natuurlijk ken ik haar nog.’ Ik maakte een hoofse buiging. Een volksvrouw zou erom gegiecheld hebben, maar zij aanvaardde het met een knikje. Afgezien van haar gebruinde gezicht leek ze sterk op haar moeder, die destijds net zo oud moest zijn geweest als zij nu. En om me haar te herinneren had ik geen geheugenkunst nodig. Hoeveel mensen leven, worden oud en sterven, zonder dat ze ooit een dergelijke schoonheid zien? ‘Vooruit,’ zei de man. ‘Er is maar één weg en we kunnen een tijdlang samen reizen. Ik hoor de instrumenten rinkelen in je kist. Die mag je op Gigi laden, hij kan zo’n last beter aan dan jij.’

Ik ontmoet genoeg volk onderweg, eenlingen of groepen, en soms loop ik een stukje op met iemand die ik sympathiek vind, maar lang houd ik het nooit vol. Anders dan de meesten voel ik niet de noodzaak om stilten te vullen met ijdel gepraat en zelden kom ik iemand tegen die werkelijk iets te zeggen heeft. Alleen tijdens eenzame voetreizen kan een mens zijn gedachten laten uitwaaieren, zijn kennis nalopen, herschikken en tot nieuwe inzichten komen. Daarnaast wil ik me niet inhouden voor traag gezelschap. Maar voor mijn oude vriend en zijn dochter maakte ik een uitzondering. ‘Je herkende me aan mijn stem,’ zei ik, terwijl wij onze weg vervolgden. ‘Dat is verbazingwekkend. Wat is jullie reisdoel?’ ‘Wij gaan naar Konstanz,’ zei Maelgys. ‘En hoe is het jou vergaan sinds Trebizonde? Ik weet nog dat je naar het einde van de wereld wilde lopen.’ ‘Bij wijze van spreken,’ zei ik. ‘Ik kwam tot de oostkust van China en omdat ik weinig opheb met de zee, en er mensen noch schepen waren, hield ik daar halt.’ De oude man knikte. ‘De wereld heeft geen einde,’ zei hij, ‘dat weet jij net zo goed als ik.’ Ik dacht koortsachtig na. Moest ik hem niet vragen naar zijn vrouw Sotiria? Het kon niet anders of ze was overleden. Het moment ging voorbij. ‘En waar ga jij heen?’ vroeg hij.
Ik wist het nog altijd niet.

Deel 1- Bellalanda (± 1373-1388) Er was eens een gans -  Ik, Isidorus van Rillington, bevind me hier in het eeuwige duister van een kerker, waar de tijd niet lijkt te verstrijken. Ik twijfel tegenwoordig aan alles, zelfs aan mijn eigen bestaan en aan dat van jou, vreemdeling. Weliswaar ben je onzichtbaar, maar na al die tijd dat we samen zijn, meen ik je contouren af te kunnen leiden uit geluiden, een onverhoedse beweging, of uit je ademhaling die ik aanvankelijk nauwelijks kon horen, maar die inmiddels met haar rijzen en dalen de eb en vloed van mijn bestaan vormt.
Soms kondigt een doffe klap van boven ons eten aan. Dan regent het opeens brood, kaaskorsten, koolstronken en soms wat rotte appels. Maar mijn maag vertelt me waar ik geen horologium voor nodig heb. Zelfs onze voedertijden kennen geen regelmaat. Af en toe denk ik dat ik je hoor kreunen, mijn vriend, maar nooit komt er een woord over je lippen. Of je nu doofstom bent, of mijn taal niet spreekt, ik weet het niet. Evengoed zal ik je mijn verhaal vertellen, ook in jouw belang, opdat we, die draad uitspinnend, nog enig besef zullen hebben van de voortschrijdende uren. Ik zoek iets, een herinnering die zich net achter de horizon verschuilt, zoals je soms een eenvoudig woord niet meer voor de geest kunt krijgen, maar tegelijkertijd weet dat het je ieder moment weer te binnen kan schieten. Ik zal me het hoofd niet pijnigen, want ik weet dat de kans groter is om het te achterhalen als ik er niet te hard naar zoek; het zal vanzelf komen, onder het vertellen. Ik weet alleen niet goed waar ik moet beginnen. Bij mijn vroegste herinneringen? Of bij de wending die mijn leven nam toen ik Maelgys weer tegenkwam op de lange weg naar Konstanz? Maar er is geen reden waarom we geen twee paden kunnen bewandelen, tenslotte betreden we het domein van de geest.

Verveling, zo zei iemand mij eens, is de ergste plaag. Verveling, dat onzalige wangedrocht: ledigheid is haar vader, domheid haar moeder en volgens velen zijn wij in dit leven gedoemd ons ofwel dood te werken, ofwel dood te vervelen. Ik sprak de man niet tegen, noch beaamde ik zijn stelling. Die ergste plaag mag dan gelden voor de meesten, ik wist mij er altijd aan te onttrekken. Ik heb me nooit verveeld, zelfs nu niet! Ledig noch dom ben ik en daarnaast kreeg ik al op jonge leeftijd het juiste boek in handen. Het duister is een dankbaar canvas, een glad houtpaneel waarop mijn verbeelding kan schilderen. Ik heb geen kleurenpalet nodig en hoef mijn ogen niet eens te sluiten om me de sterren voor de geest te brengen, dat schitterende gewemel, die grote wenteling van flonkerend argent op het diepe sabel van de nacht. Je vraagt of ik ze mis? Nee, ik zie ze voor me en fluister hun namen. De Grote en Kleine Beer recht boven me, iets oostelijker de Lier en de Zwaan met haar nevels en de lange gloeiende baaierd van de Melkweg; de ster Capella lager in het noordwesten en daarboven de tweelingen Castor en Pollux. Leg ik in gedachten mijn hoofd in mijn nek, dan zie ik Boötes de ploeger en de Noorderkroon en... maar let wel, de constellatie zoals ik me die nu voorstel, is die van de nacht waarop een onbekende hand me te vondeling legde voor de poort van een abdij in het graafschap Yorkshire.

Had de poortwachter geen gehuil gehoord op die late vriesnacht aan het begin van de grasmaand – om precies te zijn, in de vroege uren van de naamdag van St.-Isidorus van Sevilla – dan had mijn bestaan niet meer opgeleverd dan het stijfbevroren lijkje van een naamloze die in geen doopregister staat opgetekend, en was ik gedoemd geweest tot een begrafenis in ongewijde grond, op korte afstand van de kruidentuin, waar ook de honden en katten van het klooster begraven liggen. Maar zo ging het niet. Aanvankelijk hield de poortwachter het voor demonengehuil, wat zich, zoals iedereen weet, gewoonlijk laat bezweren door een warme kruidenwijn, maar het kwam die dag zo uit dat hij, die zelden zonder wijn zat, vergeten was de brandstof in zijn huisje aan te vullen, dus schoot hij mopperend in zijn pij, nam zijn staf op – want met demonen moet men geen dialoog aangaan – en ging naar buiten. Omdat binnenspoorts niets te zien was, opende hij zuchtend en op alles voorbereid het poortluikje. Op het plankier dat in beter tijden ondersteuning had moeten bieden aan de wielen van ossenkarren, stond een oude turfmand, die ogenschijnlijk gevuld was met turfmolm. Giles de Overlevende, want zo heette deze poortwachter, twijfelde. Het was een lange wandeling naar de turfopslag van het klooster en met de inhoud van de mand kon hij zijn huisje en zijn wijn opwarmen. Daarnaast deed het gehuil meer denken aan een kind dan aan een demon, al moeten we de arglist van die wezens niet onderschatten. Maar omdat de enige vrees die hij kende de vreze Gods was, nam hij een flambouw uit een houder, opende de poort en nam de mand op, die zwaarder was dan droge turf zou rechtvaardigen. Tussen de ruwe plakken kon hij het rode, betraande gezicht onderscheiden van een jongetje, dat op zijn beurt verstomde bij het zien van het baardige monnikengezicht in de laaiende gloed van de flambouw.’


SPOTVOGELS

Een pracht van een oogstrelend en gemoedsversterkend boek leg ik voor u op de tafel in de tuin, dat ook nog heel informatief en zeer geestig is. En daarbij komt ook nog dat de taal waarin het gevlijd is heel oorspronkelijk  en verrijkend is. Ik heb het over de 142 bladzijden tellende, kleurrijk geïllustreerde paperback Spotvogels van Jean-Pierre Geelen en Saskia van Loenen en uitgeverij Bas Lubberhuizen met de ondertitel ‘Een vrolijke veldgids over vogels en vogelaars’. Al jaar en dag zie ik vogels vlinderen: in de tuin achter huis, in de kastanjes voor in de straat, in de bosschages van het Slobbengors, boven en op het water van Merwede en De Noord. Zo riep ik naar kleinzoon Guus voorbije zaterdag dat vijf vogels in de tuin bivakkeerden: merel, mus, vlaamse gaai, spreeuw en koolmees. Zo zag ik vanmorgen tijdens mijn dagelijkse loop van vijf kilometer op het sportpark Slobbengors vier putters in een struik. Ontwaarde ik een boomkruiper tegen de kastanje voor ons huis en een aalscholver op de rivier aan het eind van de Veerdam. Ik bemin het gevogelte, alleen mis de woorden om die liefde te vangen. Zo niet Geelen en Vam Loenen: zij zijn virtuoos in het verwoorden van hun bekoring voor vogels. Ik ga u dat zo aantonen door het eerste deel van hun chapiter ‘Meesjes’ uit Spotvogels  aan te reiken, maar als vooraf geef ik het woord aan de uitgever op de omslag. De volgende keer passeert hier het tweede deel van ‘Meesjes’ en vertel ik u over de ijsvogel die mijn echtgenote en ik vanuit ons hotel in Brummen boven een plasvijver zagen foerageren.

Bas Lubberhuizen: ‘Columnisten Jean-Pierre Geelen en Saskia van Loenen delen een passie voor het kijken naar vogels én vogelaars. Zij bestoken elkaar in dit boek met enthousiaste verhalen over hun persoonlijke belevenissen, hun teleurstellingen, wensvogels, de gekte en de gekken. Met vogelaars is het goed spotten. Wie zijn toch die rare snoeshanen in het veld, die buikige baardmannen in hun camouflagekleding compleet met afritsbroek? En moet je echt zo worden om van vogels te houden, of word je vanzelf zo als je veel naar vogels kijkt? Geelen en Van Loenen doen met de nodige zelfspot verslag vanuit het veld over onder meer geile grutto's, nepvogels, het hart dat overslaat bij de ijsvogel en de liefde voor de balkonmerel. Ook kozen zij hun favoriete vogelaar-tekeningen van Peter van Straaten. Het resultaat is een bonte liefdesverklaring in woord en beeld, vol humor en ontroering. Jean-Pierre Geelen is redacteur bij de Volkskrant en al vele jaren vogelaar – de gevolgen zijn inmiddels bekend. In 2010 schreef hij het boek Blinde vink; Hoe ik leerde vogels kijken. Met Saskia van Loenen schrijft hij een column voor het blad Vogels van Vogelbescherming Nederland. Saskia van Loenen is eindredacteur bij NRC Handelsblad en wordt sinds vier jaar, het moment dat ze begon met vogels kijken, door vrienden en collega's niet meer serieus genomen.

Geelen en Van Loenen: ‘Natuurlijk: alle vogels zijn leuk om naar te kijken. Maar van sommige hou je net iets meer dan van andere. En dat hoeven helemaal niet de allermooiste of meest zeldzame vogels te zijn. Neem nu de meesjes. Alle meesjes zijn om op te vreten (vooral de staartmeesjes, die prachtige, aaibare pluizenbolletjes) maar ik wou het juist even hebben over de twee meest voorkomende varianten. Het pimpelmeesje en het koolmeesje. Mijn zoete vertedering staat hier alleen maar verkleinwoordjes toe. Meesjes. Die iedereen kent, en die iedereen in zijn tuin heeft. Hang een vetbolletje of pindasilo aan een tak, schroef een vogelpindakaaspotje aan de schutting, strooi wat vogelzaad op een plankje, gegarandeerd fladderen ze al snel in beeld. Vooral die vetbolletjes zijn standaard een doorslaand succes – omdat ze die, schatjes, ook precies zo gebruiken als ze bedoeld zijn. Kauwen, eksters of spreeuwen trekken zo’n bol meestal met lompe kracht omhoog en hakken hem in ‘no time’ aan gort. Een meesje daarentegen weet precies wat van hem of haar wordt verwacht, en doet dat zo te zien met veel genoegen. Hij hangt aan het bolletje, dat dan altijd wat gaat draaien, neemt een pietklein hapje met dat poezelige snaveltje, vliegt een paar takjes verder om het op te eten, en vliegt weer terug naar het bolletje. De hele dag gaat dat zo door. En dan lijkt het ook nog of ze er continu vrolijk bij kijken. Een echt gezellig vogeltje. De grap is ook nog eens dat je die bolletjes echt vlak bij je raam kunt hangen- de verlokkingen zijn sterker dan de angst voor mensen, goddank. Wie van vogels houdt, zit dus de hele winter met een glimlach achter het raam. Die lieve, mooie pimpeltjes, wat zijn ze ‘cute’ en klein, en dat blauw. Koolmeesjes zijn natuurlijk een slag groter, maar ook zij blijven vertederen, elke keer als ik ze zie. En dat is dus heel vaak. Het leuke aan het koolmeesje is ook nog eens dat je hem overal tegenkomt. Niet alleen in elke achtertuin, maar ook in het bos. Nog leuker aan hem is dat verrukkelijke ‘tu-tu-tuu, tu-tu-tuu’ dat je als bij toverslag plots overal uit de bomen hoort klinken als je in alle vroegte je huis verlaat. Het voorjaar komt eraan – hij zegt het. Op wolkjes naar je werk.

Recht tegenover mijn keukenraam hangen twee huisjes voor koolmeesjes, op een qua zon en regen perfecte muur. Koken wordt zo een cadeautje. Elk jaar wordt ten minste een van de twee huisjes betrokken door een opgewonden koppel. En elk jaar weer maakt mijn hart een sprongetje als ik voor het eerst zo’n zwart kopje uit het ronde gaatje zie steken. Dan wordt het nog spannend, want die eerste bezoekjes bestaan vooral uit keuren. Soms verdwijnt het stel binnen een dag alweer – elders blijkbaar een beter huis gevonden. Ik heb meegemaakt dat het mannetje het overduidelijk helemaal zag zitten vanaf zijn tak, maar dat zijn verwende vrouwtje een uur lang dan weer het linker-, dan weer het rechterhuisje inspecteerde – en manlief uiteindelijk zuchtend verdween met zijn ontevreden eega. Maar met een beetje geluk zie je ze niet lang daarna na Open Huizen Dag ineens druk op en neer vliegen met takjes en pluisjes. En weet je als glunderende gluurder dat wekenlang geluk verzekerd is. Een keer was het geluk met mij: op de tak naast een vogelhuisje zag ik twee keer koolmeesjes een beetje raar hippen, waarna ik haar zag ‘trillen’. Voor ik wist wat er gebeurde werd zij besprongen door het mannetje, en zag ik op nog geen twee meter afstand letterlijk de oorsprong van het Leven. Direct daarna (de ‘vrijpartij’ duurde nog geen twee seconden) vlogen beide verliefde pubers driftig op en neer met mestmateriaal. De plukken wol die ik – is het mijn eigen nestdrang? – af en toe van het vloerkleed haalde en die in de buurt aan een tak had geprikt vielen zeer in de smaak. Zuiver scheerwol: ze zouden er in elk geval warmpjes bij zitten, mijn minimeesjes. Na het bouwen van de kraamkamer blijft het altijd een tijdje rustig. Maar op het moment dat de eitjes uitkomen, kan niemand ontgaan: van het ene op het andere moment vliegen de kersverse ouders als gekken op en neer, steeds een van de wijdopen gesperde, roodgele snaveltjes vullende met een insectje, en dan maar hopen dat je ze een beetje eerlijk verdeelt… Ik heb altijd een  beetje met vader en moeder te doen – trauma’s van de eigen huilende-baby’s tijd komen omhoog. De mooiste tijd, voor ins kijkers dan, breekt iets daarna aan: als de roze frummeltjes iets meer vogeltjes zijn geworden en zich duidelijker laten horen. Dat meerstemmige gepiep uit die snaveltjes als vader of moeder zich weer voor het verlossende gat naar de vrijheid laat zien… Regelmatig staan mijn kinderen springend van opwinding buiten en zie ik hoe ze als vanzelf beginnen te stralen, elke keer als de koolmeesjes naar binnen en naar buiten vliegen.'


HIER

Een roman kreeg ik in handen en ik liet hem niet meer los. Zo trof mij het thema, zo frappeerde mij de stijl. Ik bemin met u verhalen waarvan niet alleen de inhoud mij treft, maar ook de vorm waarin gegoten mij bekoort. Zo’n  boek kreeg ik deze week van postbode Ruud aangereikt en ik wil u nu al ervan proeven, want ik weet nu al dat wij voorlopig hier niet de roman uit handen geven. Ik heb het over de 232 bladzijden tellende paperback Hier van Joke van Leeuwen en uitgeverij Querido. Daar mijn optie nu vooral is de smaak van de formidabele verteltrant van Joke van Leeuwen aan te reiken, citeer ik haar tweede chapiter. Om de context ervan te kunnen plaatsen geef ik u niet alleen de tekst van de omslag van de uitgever, maar zeg ik eerst ook iets over de titel en de hoofdpersoon. Hier is de locatie, de plaats van handeling: een dorp op de grens van zomaar een land. Hier staat voor elk domein van leven en staat onder de druk van een totalitair bewind. In Hier woont het hoofdpersonage, Stamvader genaamd, die door zijn meerderen als beëdigd controleur der grensovergangen van de staat  naar zijn idee in den vreemde is aangesteld. Stamvader, zijn vrouw Onna en zoon Bardo treden in mijn citaat ook op en die worden gevangen in oorspronkelijke, prachtige, doeltreffende, meesterlijk omschrijvende woorden. Zo ‘haar bloesemende lijf’, ‘het klamme gootje tussen haar borsten’, ‘patiënten die op verrijdbare bedden in de gang geparkeerd staan wachten op hun beurt om achter een deur te verdwijnen’ en ‘nu moet je groot zijn’. U kunt straks de passages traceren waarin mijn vier voorbeelden de kracht van het verhalend talent van Joke van Leeuwen stralen.

Querido: ‘Hier is het huis aan de grens waar Stamvader woont. Van generatie op generatie lijkt het leven in het naburige dorp onveranderlijk, de mensen vieren er jaarlijks hun feesten. Stamvader is van elders gekomen om de grens te bewaken, en voert alles volgens de regels uit. Vreemdelingen zijn niet welkom, smokkelen is verboden, wantrouwen is zijn werk. Wanneer hij hulpbehoevend wordt, volgt zijn zoon Bardo hem op en zorgt diens vrouw Mara voor haar eigenwijze schoonvader, terwijl ze op betere tijden blijft hopen. Licht en warmte komen van Kleine, hun dochtertje, dat de barrières leert kennen, maar speels en onbevooroordeeld tussen iedereen door vlindert. Waarom trekken mensen grenzen? Wie meent bij welke kant te horen?’

Joke van Leeuwen: ‘Tegen de veertig is Stamvader, en hij staat nog op zijn benen als hij wordt tewerkgesteld als beëdigd controleur der grensovergangen van de staat en naar een omgeving moet verhuizen waarmee hij geen enkele band heeft, want te veel bekenden in de buurt zal er volgens zijn meerderen toe kunnen leiden dat hij weleens een oogje dichtknijpt, al heeft hij zelf niet de minste behoefte om dat te doen, integendeel, maar het zijn nu eenmaal de regels. En zo is hij hier beland, aan de andere kant van het land, in de buurt van het dorp met de twee feesten. Onna, zijn veel jongere vrouw, net bevallen van Bardo, is hem met achter haar blik verschanste tegenzin gevolgd, maar als de meubels een plaats hebben gekregen, begint ze meteen met het wieden van het onkruid in de verwaarloosde tuin. In het midden van het grasveld, zichtbaar vanuit de keuken, schept ze een cirkel aarde kaal en plaatst ze er een laag hekje van dun gaas omheen zodat de planten die zijn meeverhuisd ongestoord aan de nieuwe grond kunnen wennen.

Terwijl ze met een lepel kuiltjes voor hun wortels schept, denkt ze aan de bekenden in het dorp van haar jeugd, die nieuwe ervaringen met elkaar zullen delen waarvoor haar oren hier te ver weg zitten. Langzaam maar zeker zal haar ontbreken geen ontbreken meer zijn en zal de herinnering aan haar verschrompelen tot een paar onbeduidende maar hardnekkige anekdotes:
– Dat ze eens in het huis van een vriendinnetje de wc niet op tijd had kunnen vinden en de hele klas het de volgende dag wist. – Dat ze, tegen de traditie in, niet afwachtend bleef, maar een vergeefs briefje schreef aan een jongen die haar bloesemende lijf zo tot in alle uithoeken deed smachten dat er geen eten meer bij kon. – Dat de oude makkers van haar man uit het weeshuis tijdens het lopend buffet ter ere van hun huwelijk, toen iedereen met een volgeladen bord in de ene hand, een glas in de andere en vork en mes onder de oksels een landingsplaats zocht, veel te hard ‘Niet lullen maar vullen’ begonnen te brullen. Hier wonen landgenoten die veel beter weten waar ze zijn. 

Als kleine jongen steekt Bardo, wanneer hij op Onna’s brede schoot zit, graag zijn vingertjes in het klamme gootje tussen haar borsten. En als hij met zijn hoofdje op het kussen van haar buik ligt, voelt hij haar adem deinen onder haar naar zoet zweet ruikende jurk en hoort hij haar darmen soms zachtjes borrelen terwijl ze door zijn dunne haar woelt. Hij weet dan nog zeker dat het leven een feest is, met een moeder die zo heerlijk door zijn haren woelt en een vader die mooie stempels zet op onbegrijpelijke papieren. Acht jaar is hij en hij kan de tijd allang benoemen, als zijn moeder zoals elke week op woensdag naar de middagmarkt in het dorp fietst. Hij kijkt haar na, haar statig rechte rug in een heldergroene jas, haar handen aan een hoog stuur. De hond die achter het douanehuisje in een kooi zit wordt er rusteloos van. Stamvader heeft hem een jaar eerder aangeschaft en afgericht, omdat zijn meerderen de grensovergang waaraan hij werkt te onbeduidend vinden voor twee wachters. Zijn hond is een collega op vier poten, die hem helpt met het tegenhouden van smokkelaars, een in zijn ogen belangrijke nevenfunctie waarvoor bij zijn meerderen geen belangstelling bestaat, omdat ze het kruimelwerk noemen. Hij heeft zijn hond Hond genoemd, want een andere naam zou kunnen duiden op onderlinge betrokkenheid buiten het werk om, en hij wil vermijden dat er op die manier over hem en zijn hond wordt gesproken.

Bardo mag nooit mee naar de markt, want als hij achterop zit met zijn benen in de lubberende dubbele fietstas, blijft er niet genoeg plaats over voor de boodschappen. Hij weet dat hij een uur alleen thuis zal zijn, en dat zijn vader verderop in het douanehuisje zit en niet gestoord mag worden, behalve als het echt nodig is. Meestal is het niet echt nodig. Hij ligt een poosje op de bank naar het plafond te staren en zich te verbeelden dat hij erop kan lopen zoals de vliegen, langs de hanglamp die ondersteboven een paddenstoel wordt. Daarna slentert hij door de tussendeur naar de achterkamer met het smalle raam in de hoek, dat minder licht binnenlaat dan het brede in de voorkamer. Er staat een bureau waar zijn vader zelden aan zit en dat zijn moeder niet mag gebruiken, want de achterkamer is haar terrein niet. Om iets op te schrijven gaat ze aan de keukentafel zitten of voorovergebogen op de bank met haar blad papier op de salontafel, die de vorm heeft van een schilderspalet met een uitvergroot duimgat erin.

Uit zijn slaapkamertje haalt hij een zacht balletje en probeert dat door het gat in de salontafel te mikken, telkens weer: mikken, oprapen, mikken, en bij elke voltreffer juicht hij zichzelf toe alsof hij een menigte is. Opeens heeft hij er genoeg van, hij gaat weer languit op de bank liggen en kijkt door het raam naar de haastige wolken. De stilte binnen suist, tot de klok met een zon en een maan op de wijzerplaat begint te reutelen en het nieuwe uur slaat. Zijn moeder moet terugkomen, maar ze komt niet. Hij loopt naar het douanehuisje om tegen zijn vader te zeggen dat ze er nog steeds niet is, en ziet binnen een vreemde vrouw met gebogen hoofd naast de kachel staan, op een plastic kleed met rozen. Van onder haar kleren stroomt iets vettigs langs haar benen haar schoenen in. Zijn vader kijkt naar haar alsof dit de bedoeling is en merkt zijn zoon niet op. Misschien is wat hij hem wil zeggen niet echt nodig genoeg om hem te storen. Wat hij met die vrouw doet is misschien wel echt nodig. In de slaapkamer van zijn ouders opent hij de klerenkast met zijn moeders jurken. Aan de binnenkant van de deur zit een manshoge spiegel. Hij trekt zijn schoolbloes en zijn onderhemd omhoog, bestudeert van dichtbij hoe zijn ademhaling de heuvel van zijn kleine buik in beweging houdt en denkt aan de vrouw op dat vettige kleed. Zijn moeder is er nog steeds niet. Weer loopt hij naar zijn vader toe. Halverwege ziet hij dat die op hem afrent en dat de hond achter het douanehuisje zijn plas niet meer kan ophouden.

Ze rijden in zijn oude auto naar een stad die twintig kilometer van het dorp verwijderd ligt. Daar is een ziekenhuis met weeë geuren in de gangen. Patiënten die op verrijdbare bedden in de gang geparkeerd staan wachten op hun beurt om achter een deur te verdwijnen, en ook zijn vader verdwijnt achter een deur en laat hem zitten op een bank in een wachtruimte. Een verpleegster ontfermt zich over hem, ze doet vriendelijk, haar adem ruikt bedorven, ze aait over zijn haren, dat mag alleen zijn moeder doen. Die is geschept, hoort hij, maar hij weet niet wat daarmee wordt bedoeld, scheppen doe je met een lepel, en in de bruinkoolmijn doen ze het met een groot scheprad. Vijf dagen later wordt de kist met Onna erin aan de andere kant van het land in een kuil neergelaten. Onna’s familie en alle mensen die ze van vroeger heeft gekend moeten erlangs lopen en een beetje aarde op zijn moeder gooien. De wind woelt door zijn haren.
Nu moet je groot zijn, zegt Stamvader als ze weer thuiskomen. Dit beeld blijft Bardo later voor zich zien: zijn moeder fietst waardig weg, op het zadel dat onder haar achterwerk onzichtbaar is geworden, ze kijkt even naar hem om, maar haar liefhebbende blik is net zo verbleekt als op het fotootje dat zijn vader ooit tegen het behang heeft geprikt, met een punaise dwars door haar permanent.’

 

CULTUURMIX 16 APRIL 2018

Papendrecht 16-04-2018

LEERSCHOOL

Een adembenemend relaas uit het werkelijke leven gegrepen leg ik voor u op de toonbank. Een indrukwekkende, intrigerende terugblik op een geleefd bestaan, daar gaat het om. Ik heb het over de  400 bladzijden tellende paperback Leerschool van historica Tara Westover en uitgeverij De Bezige Bij. Aan het eind van haar non-fictieve levensverhaal verklaart Tara Westover de titel.
Ik citeer: ‘’Het waren de keuzes van een veranderd mens, een nieuw ik. De nieuwe manier van zijn kun je allerlei namen geven. Een transformatie. Een metamorfose. Een leugen. Verraad. Ik noem het een leerschool.’’ Om mijn leesexemplaar zit een wikkel met daarop een quote van een schrijver die wij vorige week mochten begroeten, Stephen Fry. Hij zegt: ‘’Schitterend. Er gaat niets boven het ontdekken van een jonge schrijver met zoveel kracht en talent.’’ En ook op die wikkel zegt Franca Treur: ‘’Een ongelofelijk aangrijpend en rauw verhaal.  Ik moest steeds maar doorlezen, het liet me niet meer los.’’ Om u het thema en de stijl van Leerschool aan te reiken geef ik u de tekst van de uitgever op de omslag en de proloog. Als u deze twee items verwerkt hebt, hebt u de bagage voor de tocht die wij de volgende keer door Leerschool gaan maken om te traceren hoe een vader die te kampen heeft met een bipolaire stoornis, met religieuze waanzin, in zijn geïsoleerd het voor het zeggen heeft.

De Bezige Bij: ‘’ Tara Westover groeit op in een streng mormoons gezin. Al op jonge leeftijd moeten Tara en haar zes broers en zussen risicovol werk verrichten in het bedrijf van hun vader. Ze leren een heftruck te besturen en verzamelen schroot op het erf om in het onderhoud van de familie te voorzien. Het gezin leeft zo afgesloten van de gemeenschap dat er niemand is om Tara te onderwijzen, haar naar een dokter te brengen na een ernstig ongeluk, of om in te grijpen wanneer haar broer gewelddadig wordt. Tara slaagt er echter in zichzelf wiskunde en grammatica bij te brengen en ze wordt aangenomen aan Brigham Young University. Daar begint haar weg tot zelfontplooiing, waarbij ze niet alleen worstelt met haar gebrek aan kennis door haar geïsoleerde opvoeding, maar ook tot de pijnlijke conclusie moet komen dat een breuk met haar familie onvermijdelijk is.

Tara Westover: ‘’Proloog - Ik sta op de rode treinwagon die naast de schuur is gedumpt. De wind raast, zwiept mijn haar in mijn gezicht en drijft een vlaag kou de lage hals van mijn t-shirt in. Zo dicht bij de berg waait het stormachtig, alsof de top uitademt. Beneden ligt de vallei er vredig en onverstoorbaar bij. Ondertussen staat onze boerderij te dansen: de zware naaldbomen wiegen zachtjes heen en weer, terwijl de alsemstruiken en distels beven en buigen voor elk zuchtje of vlaagje wind. Achter me loopt een helling geleidelijk omhoog en hecht ze zich aan de voet van de berg. Als ik opkijk kan ik de donkere contouren van de Indianenprinses zien. De heuvel is bezaaid met wilde tarwe. Als de naaldbomen en alsem solisten zijn, is het tarweveld het corps de ballet, zoals elke halm de andere volgt in korte bewegingssalvo’s, miljoenen ballerina’s die een voor een hun gouden kopje buigen voor de beukende rukwinden. De knik die ze oplopen blijft maar heel even zichtbaar, en dichter bij het zien van de wind kun je eigenlijk niet komen. Als ik me omdraai naar ons huis op de helling zie ik heel andere bewegingen: lange schimmen die zich stroef een weg door de luchtstroom banen. Mijn broers zijn wakker en peilen het weer. Ik stel me mijn moeder voor achter het fornuis, gebogen over haar zevengranenpannenkoekjes. Ik zie voor me hoe mijn vader in elkaar gedoken bij de achterdeur de veters van zijn werkschoenen met stalen neus zit te strikken en zijn eeltige handen in lashandschoenen wringt. Op de snelweg beneden rijdt de schoolbus zonder te stoppen voorbij. Ik ben nog maar zeven, maar toch begrijp ik al dat dit mijn familie anders maakt, meer dan wat dan ook: wij gaan niet naar school. Papa maakt zich zorgen dat de overheid ons zal dwingen om te gaan, maar dat kan helemaal niet, want ze weten niet van ons bestaan af. Vier van de zeven kinderen van mijn ouders hebben geen geboorteakte. We hebben geen medisch dossier omdat we thuis zijn geboren en nog nooit naar de dokter of bij een verpleegkundige zijn geweest.

We hebben geen schoolgegevens omdat we nog nooit een klaslokaal vanbinnen hebben gezien. Als ik negen ben, krijg ik een Verlate Geboorteakte, maar voorlopig besta ik volgens de staat Idaho en de federale overheid niet. Natuurlijk bestond ik wel. Ik was opgegroeid in afwachting van de Gruwelen der Verwoesting; ik was voorbereid op het moment dat we de zon donkerder zagen worden en de maan zagen druipen alsof ze bloedde. Ik was hele zomers bezig met perziken inmaken en elke winter met het omkeren van onze voorraden. Als de Wereld der Mensen tot een einde kwam, zou mijn familie onverstoord verder leven.

Ik was geschoold in de ritmes van de berg, ritmes waarin nooit iets wezenlijks veranderde, maar alles zich cyclisch voltrok. Elke ochtend verscheen dezelfde zon, die langs de vallei streek en achter de berg verdween. De sneeuw die in de winter viel smolt altijd weer in de lente. Ons leven was één grote kringloop – de kringloop van de dag, van de seizoenen –, cirkels van oneindige verandering die, zodra ze waren voltooid, betekenden dat alles weer bij het oude was. Ik geloofde dat ons gezin deel uitmaakte van dit onsterfelijke patroon, dat we in zekere zin het eeuwige leven hadden. Maar de eeuwigheid was alleen voor de berg weggelegd. Mijn vader vertelde ons altijd een verhaal over de berg. Ze was een enorm gevaarte, een kathedraal van een berg. De keten bestond uit meerdere bergen, hogere, imposantere, maar Buck Peak was het mooist uitgehouwen. Aan de voet was ze ruim anderhalve kilometer breed en haar donkere gedaante rees op uit de aarde tot een onberispelijke piek. Van een afstandje kon je de afdruk van een vrouwenlichaam op de bergwand zien: haar benen gigantische ravijnen, haar haar een rijtje bomen dat langs de noordelijke richel liep. Ze had een statige houding, met één been in een krachtige beweging naar voren gestoken, meer schrijdend dan lopend. Mijn vader noemde haar de Indianenprinses. Ze kwam ieder jaar tevoorschijn als de sneeuw begon te smelten en keek met haar blik op het zuiden gericht toe hoe de buffels naar de vallei terugkeerden. Papa zei dat de nomadische indianen geloofden dat haar verschijning de lente aankondigde, als teken dat het dooide op de berg, dat de winter voorbij was en dat het tijd was om naar huis terug te keren. Mijn vaders verhalen gingen altijd over onze berg, onze vallei, ons ruige stukje Idaho. Hij vertelde nooit wat ik moest doen als ik de bergen achter me liet, als ik zeeën en continenten overstak en me op nieuw terrein begaf, waar ik de Prinses niet langer aan de horizon kon zoeken. Hij vertelde nooit hoe ik dan zou weten wanneer het tijd was om naar huis terug te keren.’’


DE TOEKOMST IS GESCHIEDENIS

Een horizon verleggend, een opzienbarend, verontrustend,  informatief en meeslepend historisch relaas heb ik voor u. Anders gezegd: ik nodig u uit de komende weken met mij een enerverende tocht te maken door een boek dat in het huidige tijdbestek er echt toe doet. Ik heb het over de 576 bladzijden tellende hardcover De toekomst is geschiedenis van de Russisch-Amerikaanse journaliste Masha Gessen en uitgeverij De Bezige Bij met de ondertitel ’De terugkeer van het totalitaire Rusland’. Ik volsta mijn eerste introductie aan u voorlopig met het plaatsen van titel en ondertitel. Vervolgens geef ik u door de tekst van de uitgever op de rode wikkel (met daarop een schrijdende Poetin) en ook integraal de proloog van Masha Gessen. Het spreekt voor zich dat wij hier met elkaar later onze leeservaringen aangaande De toekomst is geschiedenis uitwisselen. Vijf decennia terug verliet de jonge Masha met haar gezin Rusland om in Amerika een ander bestaan op te bouwen. Het leven in de communistische heilstaat van het Sovjetregime was voor hen onhoudbaar. Als jonge journaliste keerde zij naar het Rusland van de perestrojka en de glasnost weerom. Haar droom spatte uiteen in het land van Poetin en KGB, waarin de rechten en vrijheid van mening van de gewone burger not done waren, Teleurgesteld trok zij op haar beurt met haar gezin weer naar Amerika met het besef dat de geschiedenis zich gewoon herhaalt. Wat nu in Rusland passeert deed zich eerder al voor: terugkeer van het oude regime. Om haar eigen belevenissen kracht bij te zetten sprak Masha met de vier hoofdfiguren Llosja, Masja, Serjozja en Zjanna, want ook zij waren slachtoffer van de repressie van 2012. Het leven in Rusland is een repeterende breuk, de geschiedenis herhaalt zich daar.

De Bezige Bij: Masha Gessen, bekroond journaliste, geeft een fenomenaal inzicht in de gebeurtenissen en krachten die haar geboorteland Rusland de afgelopen decennia hebben ontwricht. In De toekomst is geschiedenis volgt ze de levens van mensen die geboren
werden in de nadagen van het Sovjetrijk en opgroeiden met ongekende verwachtingen. Haar hoofdpersonen – kinderen en kleinkinderen van de bouwmeesters van het nieuwe Rusland – koesteren elk hun eigen aspiratie, als ondernemer, activist, denker of schrijver. Gessen brengt in kaart hoe hun levens beïnvloed worden door de intriges van een verpletterend regime dat weigert zichzelf te begrijpen. Een regime waarin de oude Sovjetorde ongehinderd kan terugkeren in de vorm van de maffiastaat die Rusland nu is. De toekomst is geschiedenis is een sterk en urgent verhaal, een waarschuwing voor nu en alle tijden.

Masha Gessen; ‘Proloog - Ik heb veel verhalen gehoord over Rusland en er zelf ook een paar verteld. Toen ik elf of twaalf was, aan het eind van de jaren 70, zei mijn moeder dat de USSR een totalitaire staat was, te vergelijken met het naziregime – een buitengewone gedachte en uitspraak voor een Sovjetburger. Mijn ouders zeiden dat het Sovjetregime eeuwig zou voortbestaan en dat we daarom het land moesten verlaten. Toen ik een jonge journalist was, in de late jaren 80, begon het Sovjetregime eerst te wankelen en daarna stortte het volledig in, dat werd althans gezegd. Ik voegde me bij een leger reporters die opgewonden verslag deden van de manier waarop mijn land de vrijheid omhelsde en de weg van de democratie op ging. Als dertiger en veertiger documenteerde ik de dood van een Russische democratie die er nooit gekomen was. Er deden verschillende verklaringen de ronde: velen beweerden dat Rusland na twee stappen voorwaarts alleen een stap terug had gedaan; sommigen gaven de schuld aan Vladimir Poetin en de KGB, anderen aan de vermeende Russische liefde voor de ijzeren vuist en weer anderen aan het onverschillige, heerszuchtige Westen. Op een gegeven moment wist ik zeker dat ik het verhaal zou gaan schrijven over de neergang en val van het Poetin-regime. Kort daarop verliet ik Rusland voor de tweede maal – ditmaal op middelbare leeftijd met kinderen.

Net als mijn moeder vroeger legde ik mijn kinderen uit waarom we niet langer in ons land konden blijven. De redenen waren duidelijk genoeg. Russische burgers hadden bijna twee decennia lang hun rechten en vrijheden verloren. In 2012 begon Poetins regering een alomvattende politieke repressie. Het land ging oorlog voeren met de binnenlandse vijand en de buurlanden. In 2008 viel Rusland Georgië binnen en in 2014 Oekraïne, waar het uitgestrekte gebieden annexeerde. Het land begon ook een informatieoorlog over de westerse democratie als concept en werkelijkheid. Het duurde even voordat westerse waarnemers begrepen wat er in Rusland gaande was, maar inmiddels zijn de feiten over Ruslands diverse oorlogen genoegzaam bekend. De huidige Amerikanen zien Rusland weer als het rijk van het kwaad, een bedreiging voor het bestaan. De repressie, de oorlogen en zelfs Ruslands terugkeer naar zijn oude rol op het wereldtoneel zijn historische feiten – ik was erbij – en dat verhaal wilde ik vertellen. Maar ook het verhaal over wat niet gebeurd is: over de niet-omhelsde vrijheid en de niet-gewenste democratie. Hoe vertel je zo’n verhaal? Hoe verklaar je dat iets uitblijft? Waarmee begin je, en met wie? 

Populaire boeken over Rusland – of over andere landen – vallen uiteen in twee brede categorieën: verhalen over machthebbers (de tsaren, Stalin, Poetin en hun kringen) met uitleg hoe het land bestuurd werd en wordt, en daarnaast verhalen over ‘gewone mensen’ met aanschouwelijke beschrijvingen van hoe het voelt om in zo’n land te leven. Ik heb beide soorten boeken geschreven en er nog veel meer gelezen. Maar zelfs de beste onder die boeken – misschien juist de beste – belichten slechts een deel van het verhaal. Als we ons verslaggeving voorstellen, zoals ik doe, in termen van de Indiase fabel over de zes blinden en een olifant, beschrijven de meeste Ruslandboeken alleen de kop of de poten van het dier. En zelfs als sommige boeken beschrijvingen bieden van de staart, de romp en het lijf, zijn er maar weinig die uitleggen hoe het dier in elkaar zit – of wat voor dier het is. Ditmaal was het mijn ambitie om het dier zowel te beschrijven als te definiëren. Ik besloot te beginnen met de neergang van het Sovjetregime – de veronderstelde ‘ineenstorting’ verdiende wellicht meer onderzoek. Ik besloot me te richten op mensen voor wie het einde van de USSR hun eerste of een van hun eerste bepalende herinneringen was: de generatie Russen geboren in het begin tot het midden van de toekomst is geschiedenis de jaren 80. Ze groeiden op in de jaren 90, misschien het meest betwiste decennium in de Russische geschiedenis: sommigen herinneren zich die tijd als een bevrijding, anderen als chaos en leed. Die mensen brachten hun hele volwassen leven door in het Rusland van Vladimir Poetin.

Bij het kiezen van mijn hoofdfiguren zocht ik naar mensen wier levens drastisch veranderd waren door de in 2012 begonnen repressie. Ljosja, Masja, Serjozja en Zjanna – vier jonge mensen uit verschillende steden, verschillende families en daadwerkelijk verschillende Sovjetwerelden – boden me de kans te vertellen wat het betekende om op te groeien in een land dat openging, en om volwassen te worden in een maatschappij die dichtging. Bij het selecteren van mijn hoofdrolspelers deed ik wat journalisten meestal doen: ik zocht mensen die zowel ‘normaal’ waren, in de zin dat hun ervaringen representatief waren voor die van miljoenen anderen, maar ook speciaal: intelligent, gepassioneerd, introspectief en in staat om een dynamisch verhaal te vertellen. Maar het vermogen om iets zinnigs te zeggen over je leven in de wereld houdt verband met vrijheid. Het Sovjetregime beroofde mensen niet alleen van hun vermogen om vrij te leven, maar ook van het vermogen om volledig te begrijpen wat hun was ontnomen, en hoe. Het regime trachtte de persoonlijke en historische herinnering en het wetenschappelijk onderzoek van de maatschappij uit te wissen. Door de doelgerichte oorlog van het bewind met de sociale wetenschappen verkeerden westerse academici decennialang in een betere positie om Rusland te doorgronden dan de Russen zelf – maar als buitenstaanders met beperkte toegang tot informatie konden ze het gat moeilijk vullen. Het was veel meer dan een wetenschapskwestie, het was een aanval op de menselijkheid van de Russische maatschappij die de instrumenten en zelfs de taal verloor om zichzelf te begrijpen. De enige verhalen die Rusland zichzelf over zichzelf vertelde waren bedacht door Sovjetideologen.

Als een modern land geen sociologen, psychologen of filosofen heeft, wat komt het dan over zichzelf te weten? En wat komen de burgers over zichzelf te weten? Ik besefte dat alleen al mijn moeders daad om het Sovjetregime te categoriseren en te vergelijken met een ander regime, een proloog 13 bijzondere mate van vrijheid had gevergd, minstens voor een deel het gevolg van het feit dat ze toch al besloten had te emigreren. Om de grote tragedie vast te leggen van het verlies van de intellectuele middelen voor een zinvolle verklaring zocht ik naar Russen die getracht hadden die middelen te hanteren, zowel in de Sovjetals in de post-Sovjetperioden. Mijn hoofdfiguren werden uitgebreid met een socioloog, een psychoanalyticus en een filosoof. Die bezitten bij uitstek de middelen om de olifant te definiëren. Het zijn geen ‘gewone mensen’ – de verhalen van hun strijd om hun vakken van de dood te redden zijn niet representatief te noemen – maar ook geen ‘machthebbers’: ze proberen iets te begrijpen. In het Poetin-tijdperk werden de sociale wetenschappen op nieuwe manieren gedwarsboomd en gedegradeerd, en mijn hoofdfiguren werden geconfronteerd met een nieuw stel onmogelijke keuzes.
Toen ik deze verhalen samenweefde, had ik een lange Russische (non-fictie)roman voor ogen die zowel de textuur van de individuele tragedies moest vastleggen als de gebeurtenissen en ideeën die aan die tragedies vormgegeven hadden. Ik hoop dat dit boek niet alleen laat zien hoe het voelde om de laatste dertig jaar in Rusland te wonen, maar ook wat Rusland in die tijd geweest en geworden is en hoe. Ook de olifant duikt even op (zie blz. 415).


HET SNEEUWMEISJE

Ik wil u een roman invoeren door via het begin ervan u de oren doen tuiten. U zult met mij in de ban geraken van de spanning, in die betekenis dat u voortdurend de drang krijgt verder te lezen. De crux bij een goede verteller is dat de lezer in de bekoring komt van zijn thema en van zijn stijl. Wat wil de man of vrouw zeggen en hoe doen beiden dat? In de 254 bladzijden tellende thriller Het sneeuwmeisje van de Amerikaanse Rene Denfeld en van uitgeverij Harper Collins komen beide items volop tot hun recht. Ik reik u de eerste drie bladzijden aan en laat die voorafgaan door de tekst van de uitgever op de omslag van de paperback. Mag ik van u vernemen hoe Rene Denfeld met haar debuut bij u overgekomen is? Ik raad uw antwoord al.

Harper Collins: ‘’ Hoeveel kilometer je ook hebt moeten rennen, hoelang je ook weg bent geweest, het is nooit te laat om gevonden te worden. Madison verdween op vijfjarige leeftijd in het bos. Dat was drie jaar geleden. Hoewel de kans dat ze nog leeft bijzonder klein is, huren haar ouders een specialist in: Naomi Cottle, bijgenaamd 'de kindvinder'. Naomi begrijpt verdwenen kinderen beter dan wie dan ook, omdat ze zelf ooit is ontvoerd. Naomi's zoektocht naar het meisje voert haar terug naar haar eigen verleden, naar het pleeggezin waar ze geborgenheid vond. Van de tijd daarvoor herinnert ze zich niets. Maar hoe dieper ze het bos in loopt, hoe dichterbij haar verleden komt.  Diep in dat duistere woud woont een meisje dat denkt dat ze een sneeuwmeisje is. Omdat ze altijd binnen moet blijven, in de hut die ze deelt met een jager, heeft ze een rijke innerlijke belevingswereld. Haar redding ligt in fantasie, hoop en liefde op een plek waar je die niet verwacht.

Rene Denfeld: ‘’Het was een klein, geel plattelandshuisje aan een verlaten weg. Het had iets mistroostigs, maar dat was Naomi wel gewend. Er werd opengedaan door een kleine, slanke jonge moeder die veel ouder leek dan ze was. Ze zag er moe en gespannen uit. ‘De kindvinder,’ zei ze. In een uitermate sobere woonkamer gingen ze op de bank zitten. Naomi’s oog viel op een stapel kinderboeken op het tafeltje naast een schommelstoel. Ze durfde te wedden dat er in de kamer van het kind niets was veranderd. ‘Ik vind het heel erg dat we niet eerder van uw bestaan wisten,’ zei de vader. Hij zat in een fauteuil bij het raam en wreef in zijn handen. ‘We hebben alles geprobeerd. Al die tijd –’ ‘Zelfs een helderziende,’ voegde de jonge moeder er met een moeizaam glimlachje aan toe. ‘Het schijnt dat niemand zo goed vermiste kinderen kan opsporen als u,’ ging de man verder. ‘Ik wist niet eens dat er specialisten bestonden die zich daarmee bezighielden.’ ‘Zeg maar Naomi,’ zei ze.

De ouders bekeken haar van top tot teen: gespierd, gebruinde handen die eruitzagen alsof ze van aanpakken wisten, lang bruin haar, een ontwapenende glimlach. Ze was jonger dan ze hadden gedacht – nog geen dertig. ‘Hoe weet je waar je moet zoeken?’ vroeg de moeder. Ze liet de ouders haar stralende lach zien. ‘Ik weet wat vrijheid is.’ De vader knipperde met zijn ogen. Hij had over haar achtergrond gelezen. Even later zette Naomi haar koffie neer. ‘Ik wil graag haar kamer zien,’ zei ze. De moeder ging haar voor, de vader bleef in de woonkamer. De keuken zag er kaal en weinig gebruikt uit. Op de plank stond een ouderwetse koektrommel stof te vergaren. Op zijn dikke buik stond: oma’s koekjes, maar Naomi vroeg zich af wanneer oma voor het laatst op bezoek was geweest. ‘Mijn man vindt dat ik weer aan het werk moet gaan,’ zei de moeder. ‘Het doet vaak goed om te werken,’ zei Naomi vriendelijk. ‘Ik kan het niet,’ zei de moeder. Dat begreep Naomi heel goed. Je kunt niet weg als je kind elk moment kan thuiskomen. Het verdriet was bijna tastbaar toen de slaapkamerdeur openging. Er stond een eenpersoonsbed met een Disney-sprei erop. Een rij schilderijen van vliegende eenden aan de wand. Boven het bed geappliqueerde letters: madisons kamer. Er stonden een boekenkastje en een bureau, dat was bezaaid met pennen en stiften. Boven het bureau hing een leeslijstje van haar kleuterjuf. toplezer! stond erop. Madison had een sticker gekregen voor elk leesboekje dat ze in de herfst vóór haar verdwijning had doorgewerkt. 

Er hing een muffe, stoffige geur in de kamer – de geur van een ruimte die al jaren niet meer werd bewoond. Naomi ging naast het bureau staan. Madison was bezig geweest aan een tekening. In gedachten zag Naomi haar opstaan van haar stoeltje en naar de auto rennen, omdat haar vader haar ongeduldig had geroepen. Het was een tekening van een kerstboom vol zware, rode ballen, met figuurtjes ernaast: een vader, een moeder, een klein meisje en een hond. thuis, stond erboven. Het was echt een tekening van een klein kind, met grote hoofden en stoklijfjes. In vergelijkbare slaapkamers had Naomi er al tientallen gezien, maar toch voelde ze elke keer weer een steek in haar hart. Ze pakte een schrift met brede lijnen van het bureau en bladerde door de talloze woorden die Madison in haar wiebelige handschrift had opgeschreven. Met kleurpotlood had ze er tekeningen bij gemaakt. ‘Ze kon goed schrijven voor haar leeftijd,’ merkte Naomi op. De meeste vijfjarigen waren nauwelijks in staat losse letters te krabbelen. ‘Ze is een slim kind,’ zei de moeder. Naomi liep naar de open kleerkast, waarin ze kleurige truien en vaak gewassen katoenen jurkjes aantrof. Madison hield van felle kleuren. Ze pakte een manchet van een trui tussen haar vingers, en daarna die van een andere. Er verscheen een rimpel op haar voorhoofd. ‘Ze zijn allemaal gerafeld,’ merkte ze op. ‘Ze pulkte er altijd aan. Aan allemaal. Ze trok er draadjes uit,’ vertelde de moeder. ‘Ik probeerde het haar af te leren.’ ‘Waarom?’ Het duurde een paar tellen voordat de moeder antwoord gaf. ‘Dat weet ik niet meer. Ik zou alles willen doen om –’

‘De kans is groot dat ze niet meer leeft. Dat weet je,’ zei Naomi zachtjes. Het was beter om het gewoon te zeggen, vooral als er al zo veel tijd was verstreken. De moeder verstijfde. ‘Dat geloof ik niet.’ De vrouwen keken elkaar aan. Ze waren ongeveer even oud, maar Naomi blaakte van gezondheid, terwijl de moeder uitgehold leek te zijn door angst. ‘Iemand heeft haar meegenomen,’ verklaarde de moeder. ‘Als dat zo is en we kunnen haar vinden, dan komt ze als een veranderd kind terug. Dat moet je goed beseffen,’ zei Naomi. De lippen van de vrouw trilden. ‘In welk opzicht is ze dan veranderd?’ Naomi zette een stap naar voren. Ze kwam zo dicht bij haar staan dat ze elkaar bijna raakten. Haar blik had iets indrukwekkends. ‘Als ze terugkomt, heeft ze je heel hard nodig.’ Eerst dacht Naomi dat ze de plek niet zou kunnen vinden, ook al hadden de ouders haar de coördinaten en een routebeschrijving gegeven. De geasfalteerde weg was nog nat van de sneeuwschuivers en de bermen lagen vol brijachtige sneeuw. Aan weerszijden van haar auto ontvouwde zich een eindeloos landschap van berghellingen vol donkergroene, besneeuwde naaldbomen, steile zwarte rotsen en witte bergtoppen. Ze was uren onderweg geweest en bevond zich nu diep in het Skookum National Forest, een flink eind van de stad. Het terrein was erg ruig, mensonvriendelijk. Het was een woeste omgeving vol spleten en gletsjerplateaus. Opeens zag ze iets geels: een rafelig restje politietape aan een boomtak. Waarom waren ze hier gestopt? Er was hier helemaal niets.


VIJF KANJERS VAN DE VIER WINDSTREKEN

Sinds 1983 mogen wij ons verheugen in het bestaan van ons taalgebied in de aanwezigheid van de uitgeverij met de weidse naam: De Vier Windstreken. Dat zij haar naam alle eer aandoet bewijzen zomaar vijf van haar boeken, want van heinde en ver, uit alle windstreken vliegen de publicaties van haar prentenboeken naar ons toe. De universele thema’s die kinderen over de hele wereld, dus uit alle windstreken aanspreken bezorgen onze kids grenzeloos veel leesplezier. Ik geef u nu van het vijftal prentenboeken de tekst op de omslag van de hardcovers (a) en reik u de eerste zinnen van het boek zelf aan (b).  Opdat u met de uwen de boeken in getrokken wordt.
 
1) Heidi – Johanna Spyri en Maja Dusikova. 
a - Het weesmeisje Heidi wordt opgevoed door haar tante Dete. Wanneer Dete echter voor haar baan naar Frankfurt moet, brengt ze Heidi naar haar grootvader in Zwitserland. Daar heeft het meisje een heerlijk leventje, totdat Dete terugkomt en haar meeneemt naar Frankfurt om het speelkameraadje van de gehandicapte Klara te worden. De twee meisjes worden goede vriendinnen en beleven veel plezier samen. Maar dan krijgt Heidi last van heimwee en wordt ze erg ziek. De huisarts stuurt haar terug naar haar fijne leventje in Zwitserland, maar haar lieve vriendinnetje Klara wil ze niet achterlaten.

b - Vanuit het dorp in het dal voert een pad de berg op. Het loopt dwars door het bos. Op een warme ochtend in juni neemt een jonge vrouw het pad naar boven. Ze heeft een klein meisje bij zich, dat Heidi heet. Heidi is een weeskind, haar ouders zijn gestorven. Ze woont bij haar tante Dete, Maar haar tante heeft een baan gevonden in de grote stad. Ze kan dus niet meer voor Heidi zorgen. Daarom brengt ze haar naar Heidi’s grootvader. Die vindt het goed dat Heidi nu bij hem komt wonen. ‘Hoe kun je dat nou doen?’ vragen de mensen in het dorp. ‘Dat arme kind.’ De mensen zijn een beetje bang voor die knorrige oude man, die helemaal alleen boven op de berg woont.

2) Het goedige monster en de rovers – Max Velthuijs.
a - Ergens ver weg, hoog in de bergen, woont een groep rovers in een kasteel. Zij maken het hele land onveilig. Op een dag besluit de roverhoofdman het goedige monster te ontvoeren. Gewapend met vergiftigde koeken – monsters zijn immers dol op koeken – gaan de rovers op pad…

b - Ergens ver weg, hoog in de bergen,  leefde een groep rovers in een groot kasteel. Ze roofden en plunderden en maakten het hele land onveilig. Alle mensen waren erg bang voor hen, maar zelf leefden ze er vrolijk op los.






3) Haas en mol zoeken een uitweg – Hans de Beer.
a - Haas kan na een ongeluk niet meer terug naar zijn kant van de snelweg. Hij heeft een manke poot en loopt niet meer zo snel. Mol bedenkt een oplossing: ze gaan een tunnel graven. Maar dat is nog niet zo gemakkelijk als het lijkt.

b - Iedere dag gaat Haas een paar keer naar de snelweg om te kijken naar de overkant. Tot nog niet zo lang geleden woonde hij daar. Maar Haas was zo nieuwsgierig naar deze kant, dat hij op een dag besloot over te steken. Toen is het ongeluk gebeurd. Sindsdien heeft hij een zere poot en noemen ze hem Manke Haas. Haas durft en kan niet meer terug naar huis. Verdrietig schuifelt hij het bos weer in.



4) Lindbergh – Torben Kuhlmann – Het grote avontuur van een vliegende muis.
a - Het was gevaarlijk geworden voor de muizen, Overal loerden muizenvallen en vijanden. Een kleine muis merkte dat zijn vrienden een voor een verdwenen. Maar waar waren ze naartoe gegaan? Naar Amerika? Toen kreeg de muis een waanzinnig idee: hij wilde leren vliegen. Dan kon hij naar Amerika gaan en zijn vrienden vinden. Nachtenlang knutselde hij aan een vliegtuig, tot zijn droom werkelijkheid werd…

b - Lang geleden woonde in een grote stad een nieuwsgierige muis. Vaak verstopte hij zich maandenlang in donkere bibliotheken om stiekem in de boeken van de mensen te lezen. Op een dag, toen de kleine muis thuiskwam uit de bibliotheek, was het opvallend stil. Te stil. Vroeger krioelden er honderden muizen door de oude huizen om vrienden te ontmoeten en aan exotische hapjes te knabbelen. Maar nu leek het of alle muizen ineens waren verdwenen.



5) Armstrong – Torben Kuhlmann – De avontuurlijke reis van een muis naar de maan.
a - Een kleine muis ontdekt door zijn telescoop dat de maan een bol van steen is, en geen gatenkaas zoals hij en de andere muizen lang hebben gedacht. Als hij hoort dat er ooit al muizen hebben gevlogen, neemt hij een besluit: ‘Ik word de eerste muis op de maan.’

b - Een kleine poot draaide aan het wieltje van een grote telescoop. Een grijs snuitje tuurde omhoog. Ja, nu was het plaatje van de sterrenhemel helder en scherp. ‘Ongelooflijk’, mompelde de kleine muis. Elke nacht keek hij door zijn sterrenkijker. Vooral van de maan kreeg hij geen genoeg. Eerst stond ze groot en rond aan de hemel. Daarna werd ze steeds smaller, tot je alleen nog een dun sikkeltje zag. De nacht  daarna was ze zelfs helemaal verdwenen. Alles wat de kleine muis zag, schreef hij heel precies op.


EEN STAPELTJE VEELBELOVENDE WERKEN

Ik ontving van een aantal uitgevers nieuwe uitgaven die met elkaar een aardig, veelbelovend stapeltje van acht vormen. Ik en ik weten nu al dat de boeken goed leesvoer aanbieden omdat wij de uitgeverijen van haver tot gort kennen. De notitie van titel, schrijver, ondertitel of genre en uitgever laat ik volgen door de tekst op de omslag. Gaarne wil ik van u weten wat van uw gading was en hoe u reactie als goedwillende lezer is. Ik tik een open deur in: over een paar weken wisselen wij met elkaar onze leeservaringen uit. Lustige leesuren wens ik u toe.

1) Intrigo italiano – Carlo Lucarelli – Thriller – Serena Libri
1953. Italië bevindt zich nog in een maalstroom van wederopbouw, politieke conflicten en koude oorlog. Een professor en een 12-jarig jongetje komen bij een gruwelijk verkeersongeval om het leven. Een paar maanden later wordt de vrouw van de professor in haar badkuip verdronken.
De magistratuur schakelt commissaris De Luca in. Die heeft geen vlekkeloos verleden, maar is een goede speurhond. Maar al te goed mag hij niet zijn, want niet alles mag boven tafel komen. Er zijn kringen waar ze bepalen welke misdaden opgelost worden. ‘Daar hing hij, voor hem, tussen de instrumenten op hun driepoot, het drumstel op zijn verhoging, de foto's van jazzmusici en de concertposters aan de muur. Aan een balk, met zijn nek naar één kant geknikt en zijn tong uit zijn mond, kapotgebeten door zijn tanden. Zijn knieën waren gebogen, want met zijn tenen raakte hij de grond.’’


2) Indisch leven in Den Haag, 1930-1940 – Herman Salomonson – Vijftig columns uit De Indische Verlofganger – Verloren
Onder zijn pseudoniem Melis Stoke schreef Herman Salomonson (1891-1942) in de jaren dertig in het weekblad De Indische Verlofganger driehonderd columns over de lotgevallen van 'Indische mensen' in Den Haag. Omdat ze ook nu nog zeer lezenswaardig zijn, worden er in dit boek vijftig heruitgegeven, met inleiding en commentaar. Al hadden de oud-Indischgasten, tot wie Salomonson zelf behoorde, zich weer moeten aanpassen aan de moederlandse zeden en gewoonten, de Indische ervaring raakten ze nooit meer kwijt. Ze waren 'anders', mensen voor wie de 'Indische sfeer' wezenlijk bleef in hun leven. De op allerlei momenten tot leven geroepen herinnering aan een gedeelde identiteit vervulde daarbij een beslissende rol. In de columns worden de verschillen in leefgewoonten maar vooral in mentaliteit tussen de oudgasten en de 'solide Hollanders' telkens weer naar voren gehaald. Het is het nostalgisch terugverlangen naar 'daarginds' dat Salomonsons verhalen verbindt.

3) Het genootschap van onvrijwillige dromers – Jose Eduardo Agualusa – Roman - Koppernik
De Angolese journalist Daniel Benchimol droomt van mensen die hij niet kent. Moira Fernandes, een Mozambikaanse kunstenaar die in Kaapstad woont, ensceneert en fotografeert haar eigen dromen. Hélio de Castro, een Braziliaanse neurowetenschapper, filmt hen. Hossi Kaley, een hotelier en voormalige guerrillastrijder met een duister en gewelddadig verleden, heeft een heel andere en zelfs nog geheimzinnigere relatie tot zijn dromen. Dromen brengen deze vier personages bij elkaar in een dramatische reeks gebeurtenissen, in een land dat wordt gedomineerd door een totalitair regime dat op de rand van totale ineenstorting staat. ‘Het genootschap van de onvrijwillige dromers’ is een politieke, satirische en onderhoudende fabel die de werkelijkheid uitdaagt en in twijfel trekt terwijl hij pleit voor de terugkeer van de droom als een wapen van verzet in onze tijd.



4) Roza – Olivier Willemsen – Roman – De Harmonie
Olivier Willemsen debuteerde in 2014 met de onheilspellende roman Morgen komt Liesbeth. In zijn tweede boek geeft hij wederom blijk van zijn fascinatie voor duistere geschiedenis.
Roza is gebaseerd op het waargebeurde, nooit opgeloste incident op de Djatlovpas in het Oeralgebergte. In 1959 werden daar de negen lichamen van een groep jonge studenten aangetroffen. Ruim een halve eeuw later blikt Roza Andreja Onilova terug op haar ontmoeting met de studenten, enkele dagen voor hun dood, en op haar merkwaardige vlucht uit de voormalige Sovjet-Unie. Is haar fantasie op hol geslagen of weet Roza daadwerkelijk wat er die winternacht in 1959 op de Djatlovpas is gebeurd? Olivier Willemsen groeide op in het dorpje Haps aan de grens met Duitsland. Hij studeerde geschiedenis en was onder andere hoofd communicatie van debatcentrum De Balie. Het Nederlands Letterenfonds kende hem in 2015 een van de acht debutantenbeurzen toe.


5) De olifant van Oostzaan – Erik Bindervoet – Poëzie – De Harmonie
‘De olifant van Oostzaan’ is één lang, verhalend gedicht, gedeeltelijk in de vorm van een renga: een van oorsprong Japans kettinggedicht dat door verschillende dichters wordt geschreven tijdens bijeenkomsten op donkere winteravonden. De hoofdgast levert de eerste haiku (drie regels van respectievelijk 5, 7 en 5 lettergrepen of geluidseenheden), die een andere gast vervolgens in dezelfde geest of emotie voltooit (met 2 regels van telkens 7 lettergrepen of geluidseenheden). En zo verder en de tafel rond, in een levendige en verrassende poëtische polyfonie. Deze meerstemmigheid vormt een ode aan het onverwachte, met hommages aan o.a. Szymborska, Gummbah, de commedia dell'arte de letters A en O.  Op ‘De olifant van Oostzaan’ baseerde tgEcho het toneelstuk Hotel Informatie, dat dit seizoen in de theaters wordt gespeeld en van de Volkskrant vier sterren **** kreeg: 'Fascinerend, als een treinongeluk dat recht voor je ogen plaatsvindt.'

6) Mohammed – Christian Lange – Perspectieven op de Profeet – AUP
Mohammed, profeet en stichter van de islam, is een van de invloedrijkste, maar tegelijkertijd ook een van de meest omstreden figuren uit de menselijke geschiedenis. Onder moslims geniet hij groot aanzien. Regelmatig is er publiek debat en ruzie, vaak door de media opgeblazen, over wie Mohammed was en wat moslims en niet moslims wel of juist niet over hem mogen zeggen. Dit boek schetst een veelkleurig portret van Mohammed en geeft antwoord op een aantal prangende vragen. Want wat weten we eigenlijk over de historische Mohammed? Stemt het beeld dat van Mohammed wordt gegeven in verschillende islamitische tradities overeen met zijn historische figuur? Tradities over Mohammed van de de theologie, maar ook van het recht, de mystiek en de kunsten komen aan bod. Waarom is de westerse kijk op hem zo negatief? En wat is de toekomst van Mohammed in onze geglobaliseerde maatschappij.



7) Wittgenstein op de luchthaven – Husch Josten – Roman – Cossee
14 november 2015. In de ochtend na de aanslagen van Parijs wil de journaliste Karen voor een 1reportage van Londen naar de Franse hoofdstad vliegen. Maar de luchthaven Heathrow lijkt op een vesting, nadat een anonieme beller gedreigd heeft een vliegtuig op te blazen. Informatie blijft uit en het wachten begint. Opnieuw heeft Karen het gevoel vast te zitten. Niets lijkt op de juiste plek terecht te komen, ook niet privé. Niet met haar vriend Ben, die zijn Adele niet los kan laten en ook niet met de door haar bewonderde Franse fotojournalist Julien. Hij is al dagen in Parijs en onbereikbaar. Afleiding van haar onrust biedt een oudere man, die te midden van al dat lawaai in terminal twee in een boek van Wittgenstein zit te lezen. Karen raakt met hem in gesprek. Maar Wittgenstein (zo noemt ze de man) blijkt een scepticus die de journalistiek niet bijzonder hoog heeft zitten. 'Waar haal je je verhalen vandaan?', vraagt hij. 'Alles is toch al vele malen verteld!' En zij, slimme journaliste, spint Wittgensteins draad verder. 'Ik zoek het niet-vertelde verhaal over een gebeurtenis die wij niet in ons leven willen toelaten.' Juist op dat moment is een geweldige explosie te horen en krijgt Karen - zonder dat zij het weet - haar 'niet-vertelde verhaal'. Ook heeft het geweld van de ontploffing op het eerste gezicht een sterker effect dan ieder verhaal.

8) Geld en gedrag – Dan Ariely – Hoe je de psychologie van geld in je voordeel kan gebruiken – Maven Publishing
Geld knoeit met ons hoofd. We gaan er minder rationeel mee om dan we denken: zo vallen we ten prooi aan te veel kleine uitgaven, kennen we de valkuil van budgetten niet en overschatten we bijvoorbeeld de verkoopwaarde van ons huis. Dan Ariely - misschien wel de populairste gedragswetenschapper ter wereld - geeft samen met Jeff Kreisler de nieuwste inzichten over de psychologie van geld. Met veel anekdotes, humor en scherpe adviezen onderzoeken ze herkenbare financiële situaties en laten ze zien welke denkfouten we daarbij vaak maken. Ze ontkrachten verkeerde aannames over de relatie tussen onze hersenen en geld en leggen uit hoe we onze irrationele basisinstincten onder controle kunnen krijgen. Dit boek reikt de praktische tools aan die je nodig hebt om je financiële keuzes te begrijpen en te verbeteren, slimmer uit te geven en te sparen. Laat de psychologie van geld in je voordeel werken! Dan Ariely is auteur, hoogleraar psychologie en gedragseconomie, en bekleedt de Joep Lange-leerstoel aan de UvA. Zijn TED-talks hebben meer dan 17 miljoen views, en van zijn bestseller Predictably Irrational zijn meer dan 1 miljoen exemplaren verkocht.
 

 

Postadres

Postbus 1112
3350 CC Papendrecht
078-7706308 (di en do)
Bezoekadres

Gemeente Papendrecht
Markt 22
3351 PB Papendrecht