Cultuurmix

CULTUURMIX 16 JULI 2018

Papendrecht 16-07-2018

ALS EEN VOS

Ik zal u vertellen welk boek wis en waarachtig in mijn reiskoffer mee op vakantie gaat. De waarheid gebiedt mij te zeggen dat ik op dit idee gebracht werd door een recensie van Laura Molenaar, zoals zij die componeerde begin mei voor Biografieportaal. Het gaat om de 432 bladzijden tellende biografie Als een vos van Erica Benner en uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep met de ondertitel ‘Machiavelli’s levenslange zoektocht naar vrijheid’. Ik geef u de tekst van Laura Molenaar integraal aan u door en laat die voorafgaan door die van de uitgever op de omslag. Van mijn jaren van studie is mij bijgebleven dat de Italiaanse diplomaat en humanist uit Florence in de 15e en 16e eeuw vooral naam gemaakt heeft door zijn principe dat hij neerlegde in zijn hoofdwerk ‘Il Principe’: het utilistisch denken, het doel heiligt de middelen. Of dat beeld bijgesteld dient te worden gaan wij met elkaar na de periode van vrijaf uitwisselen.

De uitgever: Niccolò Machiavelli leefde in een wereld van moordende concurrentie. Een wereld waarin het grote geld, glasharde leugenaars en schaamteloze strebers er met alle prijzen vandoor leken te gaan. In de republiek Florence stonden hij en zijn tijdgenoten voor de keuze: moesten ze zich voegen naar de nieuwe machthebbers – superrijke dynastieën als de Medici, militaire krachtpatsers als Cesare Borgia –of vechten voor de democratische vrijheden van hun stad? In Als een vos kijken we met Machiavelli mee tijdens zijn dramatische zoektocht naar politieke en menselijke vrijheid. Op meesterlijke wijze verbindt Erica Benner zijn woorden met die van zijn vrienden en vijanden. Zo brengt ze zijn scherpe, geestige en vaak verrassende visie op de gebeurtenissen van zijn tijd tot leven. Machiavelli blijkt niet de cynische handlanger van de macht te zijn geweest waarvoor hij vaak wordt aangezien. Integendeel, hij komt naar voren als een diepzinnig ethicus die onverkort vasthield aan zijn idealen. Maar soms vond hij het beter om zijn overtuigingen voor zich te houden. Daardoor krijgt hij iets ongrijpbaars, als een vos in gevaar.

Laura Molenaar: Wie Machiavelli’s werk De heerser – dikwijls ook ‘De Vorst’ genoemd – openslaat, stuit algauw op een reeks referenties waar de eenentwintigste-eeuwse Nederlander weinig mee kan. Om twee voorbeelden te geven van zulke passages (in de vertaling van Dr. J.F Otten uit 1940): ‘In onze tijd, gedurende de regeering van Alexander VI werd Oliverotto van Fermo, een ouderloos kinder, opgevoed door een oom moederzijds, Giovanni Fogliani geheten. Door deze werd hij reeds spoedig in krijgsdienst bij Paolo Vitelli gezonden opdat hij onder diens leiding een hoge militairen rang zou verwerven. Philippus van Macedonia werd na de dood van Epaminondas door de Thebanen tot veldheer verkozen; op die wijze kon hij hun na de overwinning de vrijheid ontroven. De Milaneezen namen na de dood van Hertog Philips Francesco Sforza tegen Venetië in hun dienst; deze overwon de vijand bij Caravaggio, maar verenigde zich terstond met hem om de Milanezen, zijn heeren, te onderdrukken De vader van de genoemden Francesco beyond zich indertijd in dienst van Johanna van Napels, die hij plotseling met zijn krijgsyolk in de steek liet. Die koningin moest zich toen, daar zij geheel zonder troepen was, in de armen van de Koning van Aragon werpen om haar rijk niet te verliezen.’

Wie waren al die heersers waar Machiavelli aan refereert? Waarom noemt Machiavelli ze zo veelvuldig? En waarom zijn de Thebeërs en Macedoniërs relevant voor de situatie in Florence omstreeks 1500? Erica Benner bewijst met haar voortreffelijke biografie van de middeleeuwse Florentijn dat je niet in 1500 geboren hoeft te zijn om te begrijpen wat Machiavelli wil zeggen. Sterker nog, in deze biografie komt hij naar voren als een verfrissend heldere denker, die gevangen zit te midden van schimmige politieke spelletjes en machtswellustige Italiaanse families. Wie ‘The Borgias’ gezien heeft kan daar zeker over meepraten. We volgen Machiavelli, zijn familie en vrienden in een van de roerigste periodes die Italië gekend heeft. Alles komt samen in deze biografie: de Medici-dynastie, een heel rijtje pausen (die stierven toentertijd vaak kort nadat ze paus werden), Franse koningen, de Borgia’s, maar ook ‘het gewone volk’ wordt behandeld. Machiavelli komt naar voren als een geslepen criticus, die ondanks tegenslagen vurig blijft geloven in de Florentijnse republiek. Hij komt op audiëntie bij de grootste machthebbers van zijn tijd, maar blijft ook altijd opkomen voor het volk. Met zijn scherpe pen en grote gevoel voor ironie wijst hij de edellieden en heersers subtiel hun plaats.

Afhankelijk als hij was van de welwillendheid van de Florentijnse heersers - zijn werkgevers - kon Machiavelli zijn kritiek echter niet zomaar opschrijven. Hij levert bijvoorbeeld commentaar op de beslissingen die Romeinse heersers namen. De geschoolde lezer kon zo wel raden over wie het daadwerkelijk ging. Een ander voorbeeld van Machiavelli’s subtiele kritiek is zijn gebruik van het woord ‘fortuinlijk’. Wanneer hij Cesare Borgia ‘fortuinlijk’ noemt, wil hij daarmee niet zeggen dat Cesare een goed heerser was. ‘Fortuinlijk’ betekent volgens Machiavelli, zo laat Benner zien, dat Cesare afhankelijk was van het lot (fortuna), en zijn successen alleen te danken had aan toeval en de hulp van anderen. Benner wil met deze biografie bewijzen dat Machiavelli helemaal niet zo sluw en gewetenloos was als hij zo vaak wordt geportretteerd. Ze plaatst hem in zijn tijd, maar kan ook goed articuleren waarin Machiavelli anders was dan zijn tijdgenoten. De interessantste passages koppelen zijn geschriften aan gebeurtenissen in Florence en omstreken. Zo komt het beeld naar voren van Machiavelli als meesterlijk politiek en sociaal criticus. We zien hoe Machiavelli, ondanks familieschulden, opklimt in de politieke hiërarchie van Florence. Hij zet zich zijn leven lang in voor de stadstaat als adviseur, kanselier en diplomaat. Machiavelli maakt mee hoe Florence zich ontworstelt aan het regime van de Medici’s, zich ontplooit als republiek, en haar vrijheid weer verliest aan de Medici’s. Ondanks het ingewikkelde politieke klimaat zit Machiavelli nooit bij de pakken neer. Als hij verbannen wordt uit de stad, omdat hij een Medicikardinaal ongevraagd advies geeft, schrijft hij juist des te meer. Machiavelli schrijft niet alleen politieke werken maar ook maatschappijkritische toneelstukken. Dankzij die toneelstukken, die enorm populair worden, weet hij tegen het eind van zijn leven weer op te klimmen, en zijn baan als politiek adviseur te herstellen. Zijn kritische pen weet hij ook in te zetten in zijn diplomatieke werk, zo schrijft hij aan een vriend: ‘Ik zeg al heel lang niet meer wat ik denk en ik denk niet wat ik zeg. En zeg ik soms de waarheid, dan verstop ik die achter zoveel leugens dat ze nauwelijks meer te achterhalen is. Ik ben echt een volleerd leugenaar geworden.’ Inderdaad was Machiavelli een geniaal leugenaar, sluw als een vos.’


GOED KIJKEN BEGINT MET NEGEREN

Het overkwam mij op het eind van de morgen van de tiende juli. Ik was bezig met het leiden van de takken van de roodbruine Japanse esdoorn in de voortuin, toen dame van de post, Ingeborg, mij een pakketje aanreikte, waarin een boek bleek te vertoeven dat ik sinds het bestaan ervan zeer begeerde. Omdat de auteur ervan mij wekelijks bekoort door haar rubriek ‘Oog voor detail’ in de weekendbijlage ‘Sir Edmund’ in ‘de Volkskrant’ en dagelijks gerieft door de eerste neerslag van die rubriek in de hardcover ‘Dichterbij’ met de ondertitel ‘Kunst in details’. Ik heb het over de 288 bladzijden tellende, van meet tot finish grandioos geïllustreerde paperback Goed kijken begint met negeren van Wieteke van Zeil en Atlas Contact met de ondertitel ‘De kunst van opmerkzaamheid’.
Als student leerde ik de kunst van het kijken door toedoen van Cumadocent P. W. J. Steinz in Museum Boijmans Van Beuningen, Als leraar en recensent op leeftijd leerde ik nog beter kijken door het gidsende werk van Wieteke van Zeil. Daar velen van u aan het begin staan van een serie vrije weken rep ik nu alleen van het bestaan van deze kijkgids, opdat u in Amsterdam, Brussel, Londen, Parijs, Madrid, Praag, Moskou of waar ook nog beter de ogen de kost geeft. Met Goed kijken begint met negeren in de hand. Om u dit oogstrelende, inspirerende, horizon verleggende, uitnodigende boek in te loodsen geef ik u nu de tekst op de omslag van de uitgever, het eerste chapiter ‘Hoe kunst ons opmerkzamer maakt’ en  de daarin genoemde zeven inzichten. Het door Wieteke van Zeil besproken schilderij ‘De ambassadeurs’ van Hans Holbein de Jongere is kleurrijk in het boek afgebeeld. Het spreekt voor zich dat wij elkaar hier nog eens ontmoeten rond Goed kijken begint met negeren, dat een kijkgids is die na gebruik door u gezien en gelezen zal blijven worden. 

Atlas Contact: ‘We kijken grotendeels onbewust – en daardoor gaat veel aan ons voorbij. Goed kijken begint met negeren is een gids voor iedereen die beter wil kijken. Wieteke van Zeil laat zien dat kunst daarbij kan helpen: kunstenaars zien immers vaak wat ons nog ontgaat, en ze tonen andere perspectieven dan die we al kennen. In 56 verhalen verbindt ze de mooiste kunstdetails soepel aan ons dagelijks leven. Ze geeft praktische tips om met meer gemak en plezier naar kunst te kijken, onderbouwd met wetenschappelijke inzichten over hoe wij waarnemen. Ook spreekt ze met kijkexperts uit andere vakgebieden over de geheimen van hun opmerkzaamheid. Van Zeil laat zien dat onvermoede details een nieuwe wereld kunnen openen. Goed kijken begint met negeren maakt je opmerkzamer, in het museum en daarbuiten.’

Wieteke van Zeil: ‘Elk goed schilderij heeft geheimen. Details kunnen bijvoorbeeld alledaags lijken en toch een dubbele betekenis hebben, ze kunnen een clou zijn om de hele voorstelling beter te begrijpen, en heel vaak zijn de eeuwenoude details veel actueler dan ik vooraf vermoedde. Niks staat toevallig op een schilderij, zoals dat in foto’s wel kan gebeuren. Schilders kijken beter dan wij, ze moesten immers in staat zijn om alles om zich heen uit te beelden. Kunstenaars zijn kijkexperts, ze merken op wat ons vaak nog ontgaat. Een beroemd citaat van Oscar Wilde in zijn essay ‘The Decay of Lying’ (1891) zegt dat niemand de mist boven de rivier de Theems opmerkte voordat de impressionisten die schilderden. Dit boek staat vol ervaringen die daaraan doen denken in 56 hoofdstukken over kijken naar kunstdetails. Steeds wanneer ik een detail zie, merk ik daarna dat vergelijkbare dingen in de buitenwereld me eerder opvallen. Of in een ander schilderij. Kunst helpt zo om bewuster te kijken. Een voorbeeld. Op ‘De ambassadeurs’, een groot schilderij van de zestiende-eeuwse schilder Holbein, staat iets vreemds. Bijna niemand merkt het meteen op, want er is veel te zien: twee jonge, in satijn en bont geklede mannen en een tafel vol spullen die hun status onderstrepen: muziekinstrumenten, een hemelglobe, een passer, een zonnewijzer, een liedboek. Ze hebben het goed, deze jongens. En dan doemt ineens die rare uitgestrekte vlek op, als een mistwolk zwevend boven de vloer. Wat in hemelsnaam is dat?

De vlek is zo’n geheim. Een truc die u, hooggeëerd publiek, rechtstreeks uit 1533 van de kunstenaar krijgt voorgeschoteld. Het veroorzaakt een interactie tussen het schilderij en de kijker. Zó veel verschillen kunstenaars ook weer niet van goochelaars: ze spelen met je oog en sturen je aandacht. Om de vlek te begrijpen heeft de kijker een ‘sleutel’ nodig. In dit geval houdt dat in dat je helemaal rechts aan de zijkant moet gaan staan of toevallig een bolle spiegel mee moet brengen. Dan wordt het duidelijk: de lange vlek is van schuin rechts bekeken een perfecte ronde schedel. Daarmee is niet alleen jouw perspectief verschoven, ook het perspectief op het hele schilderij kantelt. Want Holbein bedoelde hier iets mee. Al dat goud, die instrumenten, dure kleren: je hebt het maar even, wilde hij zeggen. Het portret etaleert niet alleen succes, Holbein geeft ook de boodschap dat we vooral niet moeten vergeten dat we allemaal sterfelijk zijn. Daar gaan de jonge ambassadeurs met hun bravoure. Het is een betekenisvol grapje met beloning. Een beroemd voorbeeld van anamorfische kunst, zoals deze vervormingen heten. En het is natuurlijk de bedoeling dat we het niet metéén zien. Om het te kunnen opmerken, moet je lang voor het schilderij staan, vermoedelijk langer dan de 13 tot 45 seconden die een bezoeker neemt voor een kunstwerk in een museum. De vraag is of we nog tijd hebben het beeld met ons te laten spelen. Tegenwoordig komen er dagelijks talloze beelden op ons af waarover we de aandacht moeten zien te verdelen. In één dag zien we naar schatting evenveel beelden als iemand van twee eeuwen geleden in zijn hele leven zag, laat staan in de zestiende eeuw, toen De ambassadeurs geschilderd werd. Daar staat tegenover dat de schilderijen nu wel voor veel meer mensen te zien zijn. ‘De ambassadeurs’ hing tot 1653 in het kasteel van de familie van Jean de Dinteville, de man links op het schilderij, en waren alleen voor het sociale netwerk van de familie toegankelijk. Nu schuiven er jaarlijks vijf tot zes miljoen bezoekers langs in de National Gallery. Het schilderij hangt tussen kunst die met compleet andere bedoelingen is gemaakt, uit tientallen andere landen en culturen, en uit minstens zeven eeuwen. De concurrentie voor Holbeins illusionistische truc om de aandacht te vangen is dus nogal toegenomen.

Wanneer je naar een museum gaat, is het makkelijk om overweldigd te raken door de hoeveelheid werken, de enorme onderlinge verschillen van de verhalen, en kun je het gevoel krijgen dat je te weinig weet om het te begrijpen. Dat geldt voor mensen die gewend zijn kunst te kijken vaak evenzo als voor wie weinig musea bezoekt. In de afgelopen jaren heb ik een paar dingen geleerd die helpen om beter te kijken. Niet door kennis en studie, maar gewoon door te doen. Dit boek is voor iedereen die bewuster wil kijken en meer wil opmerken. Ik merkte zelf na jaren schrijven over tentoonstellingen dat ik in musea nog altijd veel over het hoofd zag omdat ik vooral met de samenhang tussen de schilderijen bezig was. Veel ontging me. Daarom schrijf ik sinds vier jaar alleen nog over details. Over de ontdekkingen, en het plezier dat het me opleverde, leest u in dit boek. Het bevat de mooiste details die ik in musea tegenkwam. De zeven belangrijkste inzichten die deze manier van kijken mij bracht, deel ik in dit hoofdstuk. Sommige komen overeen met de ervaringen van schilders door de eeuwen heen met betrekking tot hoe het oog werkt. En het prettige is: deze inzichten en tips zijn toepasbaar in het museum en daarbuiten. Kunst kan helpen beter te kijken omdat we kunnen leren van het scherpe oog van de kunstenaar. Noem het gerust ‘mindful’ kijken. De afgelopen eeuw is de kennis van het kijken ook grondig onderzocht in de wetenschap. Waarnemingspsychologen en neurologen kunnen nu verklaren waarom we het ene detail wel zien en het andere niet, hoe het komt dat de ene persoon iets compleet anders waarneemt dan de ander, hoe onze blik onbewust ‘geprogrammeerd’ wordt en wat we kunnen doen om onze opmerkzaamheid te vergroten. Ook die kennis heb ik toegevoegd aan de tips. Omdat kijkervaring lang niet alleen over kunst gaat, heb ik zeven experts uit heel andere beroepen gevraagd hun ervaring te delen. Politiecommissaris Jamil Meusen moet snel veiligheidssituaties kunnen inschatten op straat, stadsecologe Anneke Blokker merkt in Amsterdam de trek van de rivierkreeften op die veel stadsbewoners ontgaat, en Paul Mijksenaar, een reus in de ontwerpwereld, ziet hoe mensen navigeren in de openbare ruimte – hij kijkt naar hoe mensen kijken – en maakt daar bewegwijzering bij, die onder meer op Schiphol te zien is. De zeven mensen die ik sprak zijn alle zeer geoefende kijkers, en ze geven ons adviezen hoe we meer op kunnen merken.

Voor we naar de inzichten gaan nog een kleine toelichting op de term opmerkzaamheid, die centraal staat in dit boek. In de kunstgeschiedenis komt deze term al lang voor; de eerste die het woord gebruikte was de Duitse schrijver Alois Riegl, in een artikel over Hollandse groepsportretten, in 1902. Riegl bedoelde met zijn Aufmerksamkeit niet dat wij als kijker opmerkzaam moeten zijn; hij doelde op de sfeer van het schilderij. Hij dichtte de voorstelling, en de personen die erop zijn afgebeeld, de menselijke eigenschap van opmerkzaamheid toe. Het schilderij leefde dus als het ware. Riegls doel was te laten zien dat die opmerkzaamheid ervoor zorgt dat wij een relatie aangaan met de voorstelling – we kunnen bijvoorbeeld het gevoel krijgen aanwezig te zijn in de ruimte van de voorstelling. De relatie tussen kunstwerk en kijker is volgens Riegl van het hoogste belang in de kunstgeschiedenis. Hij beschreef daarmee als eerste het beeld als responsief, om een woord uit ons smartphonetijdperk te gebruiken; er ontstaat interactie tussen beeld en kijker. Het is vast geen toeval dat Riegl zijn artikel schreef in dezelfde periode dat kunstenaars erachter kwamen dat wij de werkelijkheid nooit objectief kunnen zien, en dat onze perceptie afhangt van zaken als weer, tijd, licht en stemming. Het was ook de tijd dat massacommunicatie opkwam en de straten voor het eerst vol kleurige reclames hingen, vaak gemaakt door kunstenaars. De impact die een beeld kon hebben op de kijker kreeg een nieuwe invulling, omdat beelden in veel grotere aantallen gereproduceerd en verspreid konden worden. Al sinds de Oudheid schrijven mensen macht toe aan kunstwerken en objecten, in alle culturen. Beelden hebben invloed op mensen en worden soms ervaren als levend, denk maar aan heiligenbeelden die aanbeden worden. Caroline van Eck, hoogleraar in Leiden en Cambridge, heeft hier het interessante boek ‘Art, Agency and Living Presence’ (2015) over geschreven. Een klassiek verhaal over de invloed van beelden op mensen, dat door haar ook wordt besproken, is dat over Medusa; Medusa was een mooie vrouw die veranderd was in een monster – een Gorgo – als straf van de goden omdat ze zich door Poseidon had laten verleiden. Zij had als Gorgo de macht om iedereen die haar aankeek te verstenen. Toen het Perseus lukte haar te onthoofden, plaatste oorlogsgodin Minerva het hoofd op haar schild. Dat schild versteende Minerva’s vijanden zodra ze het zagen. Medusa is zo symbool geworden voor de impact van kunst op de kijker. Daarom staat ze op het omslag van dit boek. De afgelopen jaren waren de leukste van mijn werkzame leven. Ik heb ontdekt dat ik vrij naar kunst mag kijken en mocht mijn kijkplezier delen; ik merkte dat kunstwerken gaan ‘leven’ als je details aandacht geeft en dat dit helpt om bewuster te kijken. Ik hoop dat de tips en de details in dit boek bijdragen aan uw opmerkzaamheid en kijkplezier.’

De zeven inzichten van Wieteke van Zeil: ‘1 Goed kijken begint met negeren – Over de kracht van isoleren 2 Laat je niet sturen – Je wordt gemanipuleerd waar je bij staat 3 Je ziet wat je kent – Iedereen neemt een ‘kijkersaandeel’ mee, maak er gebruik van 4 Doe alsof  - Inlevingsvermogen vergroot je blikveld 5 Van maken ga je beter kijken – Of hoe we veel te veel in ons hoofd zitten 6 Weg met die smartphone. Uit, af, in de garderobe – En niet alleen omdat je wordt afgeleid 7 De context geeft de clou – Je gaat het zien als je durft te associëren.’


DE BUITENJONGEN

Ik stop een roman in uw reiskoffer die u de  komende vrije weken niet ongelezen zult laten. Ik leg een boek bij uw bagage dat het elders vertoeven van u nog meer glans zal geven. Ik ben blij u te mogen aankondigen het bestaan van de evenknie van de bestseller De acht bergen. Het gaat om de 158 bladzijden tellende hardcover De buitenjongen van Paolo Cognetti en De Bezige Bij. Om De acht bergen en De buitenjongen nog meer te plaatsen: op de top 10 van de bij de boekhandel meest verkochte werken staan de romans naast elkaar te schitteren op de plaatsen 2 en 3. Over De acht bergen van de in 1978 geboren Italiaanse auteur kwam ik een  jaar terug uitvoerig te spreken, nu geef ik de man zelf het woord door hem met het eerste chapiter ‘In de stad’ van De buitenjongen integraal te citeren. Maar vooraf geef ik de tekst van de uitgever op de wikkel. Ik neem aan dat ik van u mag vernemen hoe goed De buitenjongen in de vakantie bij u overgekomen is. De Bezige Bij: ‘De hoofdpersoon van De buitenjongen is een eenzame man van in de dertig. Zijn leven in Milaan is vastgelopen en hij mist de bergen van zijn jeugd, waar hij al tien jaar niet meer is geweest. Daarom besluit hij een hut te huren op tweeduizend meter hoogte en een paar maanden lang te leven op een manier waar hij vroeger stiekem van droomde: zielsalleen, omringd door wat dieren en zijn favoriete boeken. Het leven in de bergen is eenvoudig, hij hakt hout, legt een tuin aan, maakt vuur. En langzamerhand sterkt hij aan en herontdekt hij wat hij in de loop der jaren was verloren. Wekenlang ziet hij niemand, tot er ineens toch een gestalte opdoemt. De buitenjongen is een filosofische roman over de schoonheid van eenzaamheid, vriendschap, onze band met de natuur en met familie, en vormt een logisch geheel met de bestseller De acht bergen.  

Paolo Cognetti: ‘ Een paar winters geleden maakte ik een moeilijke tijd door. Het heeft nu denk ik weinig zin om te memoreren waar dat toenmalige gevoel van onbehagen uit voortkwam. Ik was dertig en voelde me futloos, verloren en ontgoocheld, zoals je je voelt wanneer iets wat je onderneemt op niets uitloopt. In mijn ogen was de toekomst op dat moment net zoiets onbestaanbaars als de gedachte dat je op reis gaat wanneer je ziek bent en het buiten regent. Ik had veel van mezelf gegeven, en wat was mijn beloning? Ik sleet mijn dagen in boekhandels, in ijzerwinkels, in het café tegenover mijn huis en op bed, waar ik door het raam naar de witte lucht van Milaan staarde. En vooral schreef ik niet, wat voor mij gelijkstaat aan niet slapen of niet eten: het was een leegte zoals ik die nog nooit eerder had ervaren.

Romans stonden me in die maanden tegen, maar ik voelde me wel aangetrokken tot verhalen van mensen die de wereld hadden afgewezen en de bossen in waren gegaan omde eenzaamheid te ervaren. Ik las Walden van Henry David Thoreau en Geschiedenis van een berg van Élisée Reclus. Ik werd met name getroffen door de reis van Chris McCandless, die door Jon Krakauer is beschreven in De wildernis in. Misschien wel omdat Chris geen negentiende-eeuwse filosoof was, maar een tijdgenoot van me die op zijn tweeëntwintigste afscheid had genomen van de stad, zijn familie, zijn studie en een op klassieke westerse leest geschoeide briljante toekomst, en helemaal alleen aan een eenzame zwerftocht was begonnen die zou eindigen met zijn hongerdood in Alaska. Toen het verhaal bekend werd, meenden veel mensen dat hij waarschijnlijk uit idealisme had gehandeld, dat het een vlucht uit de werkelijkheid was geweest, of dat hij wellicht tot zelfmoord neigde. Ik had het gevoel dat ik zijn keuze begreep, en inwendig bewonderde ik hem erom. Chris had niet genoeg tijd gehad om een boek te schrijven, misschien was hij dat niet eens van plan geweest, maar hij hield van Thoreau en had diens manifest overgenomen: ‘Ik ging de bossen in omdat ik bewust wilde leven, om me alleen met het wezenlijke bezig te houden en te onderzoeken of ik niet kon leren wat het leven me moest leren, zodat ik niet op mijn sterfbed zou moeten ontdekken dat ik niet geleefd had. Ik wenste niet te leven wat niet het leven was, en ook wilde ik me niet overgeven aan berusting, tenzij dat noodzakelijk was. Ik wilde het leven diep doorleven en alle merg eruit zuigen, om zo dapper en spartaans te leven dat ik alles wat niet het leven was kon verdrijven, om het kort af te maaien in een breed zwad, om het leven in een hoek te drijven en het terug te brengen tot het geringste wat het vereiste en, als het minderwaardig bleek te zijn, dan ook de hele, ware minder waardigheid ervan te ervaren en de wereld te laten weten hoe minderwaardig het is; of om het, als het subliem zou zijn, uit eigen ervaring te leren kennen en in staat te zijn er een waarachtig verslag van te doen inmijn komende reisverslag.’ 

Ik was al in geen tien jaar meer in de bergen geweest. Tot mijn twintigste had ik er elke zomer doorgebracht. Voor mij, stadskind, geboren en getogen in een appartement, opgegroeid in een wijk waarin je niet op een binnenplaats kon spelen of de straat op kon, waren de bergen altijd de meest volmaakte belichaming van het begrip vrijheid geweest. Ik had me er leren verplaatsen, aanvankelijk onbeholpen maar later heel natuurlijk, zoals andere kinderen leren zwemmen omdat een volwassene ze in het water gooit: op mijn achtste of negende was ik begonnen over gletsjers te lopen en rotsen te beklimmen, en al snel was ik meer op mijn gemak op bergpaden dan in de straten van mijn eigen stad. Tien maanden per jaar voelde ik me gevangen in nette kleren en in een gezagssysteem vol regels waaraan je je diende te houden; in de bergen schudde ik dat allemaal van me af en gaf ik mijn ware aard de ruimte. Het was een ander soort vrijheid dan de vrijheid om te kunnen reizen en mensen te ontmoeten, of nachtenlang te drinken, te zingen en vrouwen te versieren, of vrienden bereid te vinden grootse dingen te ondernemen. Allemaal vormen van vrijheid die ik dermate waardeerde dat ik op mijn twintigste meende ze allemaal uit-en-ter-na te moeten onderzoeken, en zo was ik op mijn dertigste bijna vergeten hoe het was om alleen in een bos te zijn, of in een bergbeek te liggen, of over een bergkam te lopen met daarachter louter de lucht. Die dingen had ik allemaal gedaan, en dat waren mijn gelukkigste herinneringen. Ik had het gevoel dat die buitenjongen en de grootsteedse jongeman die ik was geworden in alles elkaars tegenpool waren, en aan dat gevoel ontsproot mijn verlangen naar hem op zoek te gaan. Ik had niet zozeer behoefte om te vertrekken, als wel om terug te keren; niet om een onbekend deel van mezelf te ontdekken, als wel om een oud, diepgeworteld deel terug te vinden dat ik naar mijn idee was kwijtgeraakt.

Ik had wat geld opzijgelegd, genoeg om een paar maanden van te leven zonder te hoeven werken. Ik ging op zoek naar een huis ver van de bewoonde wereld, dat zo hoog mogelijk lag.Er bestaan geen grote verlaten gebieden in de Alpen, maar om datgene te ervaren waar ik naar verlangde, hoefde je niet naar Alaska. In de lente vond ik de juiste plek in het dal naast dat waarin ik was opgegroeid: een almhut van hout en steen op negentienhonderd meter hoogte, waar de laatste coniferenbossen plaatsmaken voor zomerweiden. Een plek waar ik nog nooit was geweest, maar een landschap dat ik goed kende, aan de andere kant van de bergen waar ik als kind rondstruinde. De hut lag op ongeveer tien kilometer van het dichtstbijzijnde dorp en op een paarminuten afstand van een vakantieoord dat ’s zomers en ’s winters volstroomde, maar dat toen ik er op 25 april aankwam volstrekt uitgestorven was. De veldenwaren nog in winterslaap, bruin en oker gekleurd door de dooi; op de schaduwhellingen van de bergen lag nog sneeuw. Ik liet de auto staan waar het asfalt ophield, deed mijn rugzak om en liep het ezelpad op, omhoog door een bos en daarna over een besneeuwd weiland tot aan een groepje vervallen almhutten – op één opgeknapte na, die ik had gehuurd. Toen ik bij de deur was, draaide ik me om: rondom me niets dan bos, velden en die paar verlaten bouwvallen, met in de verte de bergen die het Aostadal aan de zuidkant begrenzen, richting Gran Paradiso; en verder een uitgeholde boomstam waarboven een waterslang was bevestigd, de resten van een stapelmuurtje en een klaterend stroompje.Dat zou mijn wereld zijn voor een periode die ik niet had vastgelegd, omdat ik niet wist hoe het zou gaan. Die dag was de lucht somber en grijs, een ijskoude ochtend zonder licht. Het lag geenszins in mijn bedoeling mezelf aan een kwelling te onderwerpen: als die plek me iets goeds bracht, zou ik blijven, maar het zou ook kunnen dat ik er tot nog grotere wanhoop verviel, en in dat geval zou ik onmiddellijk mijn biezen pakken. Ik had boeken en schriften meegenomen. Ik hoopte mettertijd weer aan het schrijven te gaan. Maar nu had ik het koud; ik moest een trui aantrekken en het vuur aanmaken, en dus duwde ik de deur open en ging mijn nieuwe huis binnen.’


KONINGIN VICTORIA ALS HUWELIJKSMAKELAAR

U weet het van mij al jaar en dag: ik bemin non-fictie. Op voorwaarde dat de gepasseerde werkelijkheid in literaire taal verpakt is. Op voorwaarde dat het thema mij aanspreekt. Het boek dat ik nu aan u voorleg voldoet hier ten volle. Ik zal dat aantonen door het eerste deel van de proloog te citeren, wat ik vooraf laat gaan door de tekst van de uitgever op de wikkel. Ik kondig u aan de 430 bladzijden tellende, van een fotokatern voorziene hardcover Koningin Victoria als huwelijksmakelaar van de Britse historica Deborah Cadbury en uitgeverij Nieuw Amsterdam met de ondertitel ‘Haar kinderen en kleinkinderen op Europese tronen.’ Het thema is ‘The royal mob’. Zoals Victoria haar familie noemde, die haar positie verzekerde als de grote matriarch van Europa. U doet er goed aan Koningin Victoria als huwelijksmakelaar in uw vakantievalies te vlijen, opdat u de komende weken kunt achterhalen hoe scherpzinnig Cadbury het relevante verleden op heterdaad kan betrappen. Na de vakantie ontmoeten wij elkaar weer hier om onze leeservaringen met elkaar uit te wisselen. 

Nieuw Amsterdam: ‘In de late negentiende eeuw had koningin Victoria meer dan dertig levende kleinkinderen. Om de macht in Europa te behouden en te versterken, hoopte ze hen in dynastieke huwelijken te kunnen manoeuvreren. Ze mikte daarbij op de internationale royalty. Maar ondanks al hun schijnbare gehoorzaamheid hadden haar kleinkinderen zo hun eigen voorkeuren, gevoed door een sterke eigen wil en/of een romantisch hart. Koningin Victoria als huwelijksmakelaar neemt de lezer mee op een boeiende en verbluffende reis langs de meest glamoureuze en decadente paleizen van Rusland en Europa, schouwplaatsen van schandalen, politieke machinaties en familiaire spanningen. Het toont de fascinerende geschiedenis van koningin Victoria als koppelende grootmoeder: de rol waarin de machtige Engelse monarchie grote internationale macht en invloed uitoefende.’ 

Deborah Cadbury: ‘Het was vroeg in de middag van zondag 13 maart 1881. In het hart van Sint-Petersburg in Rusland, op de Malaja Sadovajastraat, stond een jonge blonde vrouw en zag de gendarmes te paard de straat uitrijden. Dat vertelde haar alles wat ze moest weten: het doelwit zou niet via deze route terugkeren. De weken van heimelijk en gevaarlijk ondergraven van de Malaja Sadovajastraat, met als hoogtepunt de plaatsing van de mijn de avond daarvoor, waren tevergeefs geweest. Ze gaf het teken door haar zakdoekje naar haar gezicht te brengen alsof ze haar neus wilde snuiten. Onmiddellijk vertrokken vier andere terroristen met hun zelfgemaakte bommen haastig naar van tevoren afgesproken posities langs de alternatieve route bij het Catharinakanaal, nu een witte ijslaag die Sint-Petersburg in de richting van de Oostzee doorsneed. Het waren de laatste momenten van een campagne van twee jaar waarin de aanslagplegers op hun doelwit hadden gejaagd. Hij was in juni 1879 tijdens een besloten vergadering in de bossen bij Lipetsk, ongeveer vierhonderd kilometer ten zuidoosten van Moskou, ter dood veroordeeld. De vergadering had de sfeer van een dagtochtje gehad, alsof ze aan het picknicken waren met hun eten en flessen wijn en wodka. Maar ze hadden de terroristische groepering ‘Narodnaja Volja’, de ‘Volkswil’, in het leven geroepen en een unaniem vonnis geveld. Alexander II, de machtige autocraat en ‘tsaar van alle Russen’, moest sterven. 

Eerst hoorden ze het geluid van de paarden, daarna was het gesloten rijtuig van de veroordeelde makkelijk te herkennen aan de begeleidende lijfwacht van zeven kozakken. Achter het rijtuig volgden twee sleden, met op een daarvan de hoofdcommissaris van politie. Het was een korte rit van de ruiterschool in de Michailovskimanege, waar Alexander ii de troepen had geïnspecteerd, door het sprookjesachtige decor van Peter de Grotes schitterende keizerstad waarvan de koepels en torens nog onder de wintersneeuw lagen. Het was ruim kwart over twee in de middag toen het rijtuig plotseling opdook in het zicht van de terroristen die bij het Catharinakanaal op de tsaar stonden te wachten. Het was bijna zover. De bommengooiers hadden nog steeds tijd om af te zien van de actie die hun vrijwel zeker het leven zou kosten. Een van hen ontvluchtte het toneel inderdaad, maar de negentienjarige Nikolaj Rysakov aarzelde niet. De bom in zijn hand was verborgen onder een witte doek. Toen het rijtuig van de tsaar bijna bij hem was, hief hij zijn arm, concentreerde zich op de snel naderende paarden en richtte. De explosie verscheurde de koude lucht en de sneeuw stoof alle kanten op. De paarden struikelden en vielen en er klonk een oorverdovend gekraak en gerinkel van brekend hout en glas. De rook trok op en onthulde een kozak, een politieman en twee toeschouwers die hevig bloedend in de sneeuw lagen. Rysakov werd door veiligheidsagenten vastgegrepen. De imposante gestalte van Alexander II stapte uit het beschadigde rijtuig, kennelijk ongedeerd. De bom was een fractie van een seconde te laat geweest en had de achterkant van het rijtuig getroffen. De tsaar vroeg een van de kozakken een zakdoek om het bloed van zijn gezicht te vegen. ‘Godzijdank ben ik ongedeerd,’ zei hij, ‘Maar kijk...’ Een lijfwacht was al overleden, en een jongen lag op sterven. ‘Het is te vroeg om God te danken,’ schreeuwde Rysakov. Alexander leek de lijfwachten die hem dringend vroegen weer in het rijtuig te gaan zitten niet te horen. Misschien dacht hij dat het gevaar voorbij was, misschien was hij te geschokt, of misschien was dit zijn moment van onverzettelijkheid. Hij bleef even staan, cruciale seconden van aarzeling... 

De volgende bom belandde precies tussen de voeten van de tsaar en de kracht van de explosie wierp hem in de lucht. Toen hij weer op de grond belandde, bleek hij nog te leven maar zijn inspanningen om overeind te komen waren tevergeefs. Om hem heen ontstond een onheilspellende plas bloed, helder rood in de witte sneeuw. De tsaar had het plotseling heel koud. De lijfwachten tilden hem op en legden zijn zwaargewonde lichaam op een slee. Ze brachten hem naar het Winterpaleis, een schitterend barokicoon van de keizerlijke macht van de tsaar. Net als zijn Romanovvoorvaderen heerste Alexander II bij de gratie Gods met absoluut gezag over de levens van zijn onderdanen en er was geen institutioneel orgaan dat zijn wil aan banden kon leggen. Het kolossale Winterpaleis was een majestueus toneel waarop hij zijn rijkdom en macht kon etaleren: het beroemde interieur omvatte een balzaal van wit marmer, een eetzaal waar diners voor duizend gasten werden gehouden en galerijen die tienduizend mensen konden herbergen. Vanuit dit weelderige symbool van de autocratische Russische macht bestuurde Alexander II bijna een zesde van het totale aardoppervlak. Maar dat alles baatte hem nu niet. Zijn familieleden volgden het bloedspoor over de marmeren vloeren en via de brede, indrukwekkende trapopgang naar zijn studeerkamer. Onder hen was ook zijn twaalfjarige kleinzoon Nicolaas, die gekleed voor een middagje schaatsen angstig aan het voeteneinde stond van het bescheiden bed waarop zijn grootvader onder een oude legermantel lag. Het gezicht van de tsaar was afschuwelijk verminkt en gaf hem iets bijna onmenselijks. Eén vertrouwd oog staarde star en nietsziend bijna hypnotiserend voor zich uit. Onder de met bloed doordrenkte mantel waren de lege plekken in de omtrek van zijn grootvader maar al te zichtbaar: het rechterbeen bleek te ontbreken, het linker was misvormd, en de snelgroeiende poel van bloed verborg de exacte aard van de verwondingen. De mantel zakte in waar zijn buik zou moeten zitten. Een priester bekommerde zich om zijn onsterfelijke ziel en diende hem mompelend het laatste oliesel toe. Nicolaas maakte het hele angstaanjagende tafereel van nabij mee. Dit was alles wat er van zijn grootvader was overgebleven, de bejubelde Alexander de Bevrijder, de man die als eerste hervormingen in Rusland doorvoerde, die de lijfeigenschap in 1861 afschafte, het rechtssysteem moderniseerde, het onderwijs uitbreidde en die op het punt stond de eerste wankele stappen in de richting van constitutionele hervorming van ’s werelds grootste autocratie te zetten. Het was ironisch dat uitgerekend de meest liberale tsaar in generaties, die voorstellen had gedaan voor een nationale vergadering met een bredere samenstelling, dit afschuwelijke lot moest treffen. De Volkswil had al vaak geprobeerd om hem te vermoorden, en nu had hun wil uiteindelijk de overwinning behaald.’


TIEN TINTELENDE TOPPERS VOOR TINTELENDE WEKEN

Ik leg een tiental boeken bij uw bagage die minstens een ding gemeen hebben: ze behoren tot de top in hun genre. Fictie of non-fictie, de werken zullen uw vrije weken meer diepgang geven. Waar u ook bent, thuis of elders, in de tuin of op de camping, u zult met deze tien de tijd goed doorkomen. Ik noem titel, schrijver, ondertitel of genre en uitgeverij. Wat ik laat volgen door het thema, zoals dat op de omslag verwoord is. Wilt u laten weten welke nummers goed bij u overkwamen?

1) Van de grote woorden en de kleine dingen – Lieven de Cauter – Filosofische miniaturen - EPO
Dit is het boek der verbazing. Een verzameling poëtische miniaturen over de Grote Woorden en de kleine dingen: van geluk en vriendschap tot liefde en dood, van het paradijs tot de informatietechnologie, en over alles wat daartussen ligt. Een brede waaier aan speelse, toegankelijke teksten die samen toch een stevig parcours vormen. Uiterst bruikbaar als hoofdkussenboek voor jong en oud. Filosofische speleologie voor eeuwige beginners.

2) Alle kinderen van Louis – Kamil Baluk – Een zoektocht naar afkomst – De Geus
De Halfjes hebben een plan: ze willen weten wie hun biologische vader is en vervolgens proberen via DNA-matches al hun broers en zussen te vinden. Hun groep is uitgegroeid tot ruim 50, maar kan nog groter worden. Spermadonor Louis had ook een plan: zo veel mogelijk donorkinderen verwekken, en ze vervolgens leren kennen om niet geconfronteerd te worden met zijn grootste angst. Het was Jan Karbaat, de veelbesproken directeur van de spermabank in Barendrecht, die het mogelijk maakte dat Louis de biologische vader werd van zo'n 200 Halfjes.

3) De lange droogte – Cynan Jones – Roman – Koppernik
Wanneer Gareth 's ochtends vroeg wakker wordt, kan hij de opkomende warmte van de dag al voelen en de stilte van zijn vrouw die zwaar in de lucht hangt. Terwijl hij over de verschroeide velden op zoek gaat naar een verdwenen koe begint zijn geest te malen over de dromen die hij heeft, de zorgen die hij en zijn vrouw allebei dragen, en het ongemakkelijke gevoel dat er iets gaat veranderen. De lange droogte is een mokerslag van een roman over de kwetsbaarheid van het leven en de kleine onopgemerkte momenten waarop het noodlot toeslaat.

4) Magnus – Robert Fabbri – Historische thriller - Karakter
Over de Vespasianus-serie: 'Geschiedenisles boordevol actie!' -NRC Handelsblad. Marcus Salvius Magnus is leider van het Broederschap van de Zuidelijke Quirinaal. Hij domineert de Romeinse onderwereld en doet er alles aan om dat te behouden. Magnus bevindt zich in de lagere klasse van Rome. De boeiende verhalen die vanuit zijn perspectief worden verteld, geven de lezer een bijzondere kijk op Vespasianus. Twee klassen, twee totaal verwijderde werelden. Maar Magnus is door de oom van Vespasianus wel verbonden met de hogere klasse. Zo is Magnus de verbindende schakel tussen de twee werelden en krijgt de lezer een unieke kijk op het leven in Rome. Het boek bestaat uit de volgende verhalen: 1 Broederschap van de Kruising 2 De renfacties 3 De dromen van Morpheus 4 Het Alexandrijnse gezantschap 5 De keizerlijke triomftocht De opvolging.

5) De terugkeer van het lesgeven – Gert Biesta – Onderwijspraktijk – Phronese
In het hedendaagse onderwijs lijkt de rol van leraren geminimaliseerd te zijn. Ze moeten een "coach' zijn of een "lerende onder lerenden' en leerlingen moeten vooral "autonoom leerstof tot zich kunnen nemen'. Aan de hand van zijn invloedrijke drieslag ‘kwalificatie, socialisatie en subjectificatie’ laat onderwijspedagoog Gert Biesta zien dat de rol van lesgeven, en daarmee die van de leraar, niet uitgespeeld is. Hij pleit hiermee niet voor een terugkeer van de traditionele leraar, in plaats daarvan houdt hij een pleidooi voor een "derde weg' waarin het werk van leraren integraal onderdeel van het onderwijs blijft. Gert Biesta is als Professor of Education werkzaam in het Department of Education van Brunel University London en Onderwijs, Opleiding en Vorming op de nivoz-leerstoel aan de Universiteit voor Humanistiek. Daarnaast is hij visiting professor bij nla University College, Bergen, Noorwegen.Hij is sinds 2015 geassocieerd lid van de Onderwijsraad.

6) Luther voor leken – Sabine Hiebsch – Reformator in een veranderende wereld – Vuurbaak
Martin Luther (1483-1546) leefde in een tijd met uitvindingen zoals de boekdrukkunst en de ontdekking van de Nieuwe Wereld; de wereld veranderde ingrijpend en snel. Zonder het zo gepland te hebben werd Luther het begin en het boegbeeld van een van de grootste veranderingen in kerk en maatschappij: de reformatie. In ‘Luther voor leken’ beschrijft Lutherkenner Sabine Hiebsch het leven van deze wereldberoemde hervormer: zijn zoektocht naar God in het klooster; zijn kritiek op de gangbare theologie, maar ook op kerkelijke misstanden en het instituut van de katholieke kerk. Toen de kerk Luther buiten haar muren plaatste, stond deze voor de uitdaging nieuwe structuren te ontwikkelen; het wordt beschouwd als het begin van een nieuwe tijd. Voor iedereen die zoekt naar een korte kennismaking met Luther, biedt Luther voor leken een heldere introductie.

7) Altijd troosten – Luc de Munck – Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog – AUP
Een blik op hoe het leven echt was in de fronthospitalen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Een meeslepend verhaal aan de hand van persoonlijke documenten en nooit eerder gepubliceerd fotomateriaal. Terwijl het kanonvuur de hele dag ruiten en ramen doet rammelen, worden zeshonderd gewonden opgenomen … in tien uur, omgerekend één per minuut. Dokter Depage is in de gang waar een bijna hese Baby-Cadum (de Belgische verpleegster Wyckmans) haar aanwijzingen uitschreeuwt. Onbeschrijfelijke taferelen. Alle operatiezalen werken tegelijk. Overal bloed. Soms liggen drie gewonden in twee bedden. Draagberries staan op de grond, doden tussen levenden, alles dooreen. In de eerste oorlogsmaanden heerst er nog veel wantrouwen tegenover de jonge verpleegsters die de naakte mannenlichamen wassen en het aandurven de gewonden onder de gordel te verzorgen. Aanstootgevend gedrag volgens sommigen, anderen bestempelen hen als prostituees. Toch slagen ze er geleidelijk in respect af te dwingen voor het verpleegkundig beroep en voor hun bijna onmogelijke opdracht: 'Soms genezen, dikwijls verlichten, altijd troosten.'
 
8) Marathon – Theo Engelen – Roman – Menuet
Het is oktober. Een Nederlandse man van middelbare leeftijd loopt zijn eerste marathon in het koude en regenachtige Dublin. Het gevecht tegen vermoeidheid, pijn en de elementen maakt van de wedstrijd een helletocht. Bovendien spelen twee andere problemen onophoudelijk door zijn hoofd. De drie verhaallijnen meanderen ruim 42 kilometer door elkaar en werken toe naar een onverwachte climax. Citaat: 'Na de brug begon het moeilijkste stuk. De weg liep daar acht kilometer lang omhoog, soms iets minder steil, maar altijd omhoog. Tegen de tijd dat ze het Phoenix Park naderden vielen de eerste slachtoffers al. Mensen die zich verstapt hadden of kramp hadden gekregen. Nu al. En er waren er die last kregen van een oude blessure. Toch te snel weer gaan lopen, het advies van de fysiotherapeut niet opgevolgd. Maar er waren ook altijd lopers die eigenlijk geen lopers waren. Hij had erover gelezen. Mensen die een paar dagen eerder de weddenschap waren aangegaan dat ze die marathon best konden lopen. In de praktijk was het een stuk moeilijker dan het in de pub leek. Ach, ze hadden het geprobeerd. Vanavond bij een pint was hier een mooi verhaal van te maken. Toch had het iets triests, mensen die tegen de stroom in over het trottoir terug liepen naar de stad. En ze keken op zijn minst beschaamd, maar vaak ronduit ongelukkig. Geen teleurstelling erger dan teleurstelling in jezelf.'

9) Stierensumo – Yasushi Inoue – Novelle – Bananafish
Tsugami, de jonge hoofdredacteur van een gloednieuwe krant in het Osaka van vlak na de oorlog, laat zich overhalen om een traditioneel Japans stierengevecht te organiseren. Het stierensumotoernooi moet flink wat geld opbrengen en een publiciteitsstunt voor de krant worden. Maandenlang neemt deze onderneming hem volledig in beslag, waardoor de relatie met zijn geliefde, Sakiko, danig onder druk komt te staan. Terwijl, en misschien wel omdat, de tegenslagen zich opstapelen, bijt Tsugami zich steeds maar meer vast in dit riskante project.
Bij het lezen van Stierensumo dringen zich associaties op met Willem Elsschots Kaas. Tsugami's goede eigenschappen keren zich tegen hem als hij zich op voor hem onbekend commercieel terrein begeeft. Met een lichte toets schetst Inoue een lokale situatie, die door zijn aanpak een bredere betekenis krijgt. Inoue won met dit boek de prestigieuze Akutagawa-prijs en vestigde meteen zijn naam als literair auteur.
 
10) Het pornobrein – Gary Wilson – Internetpornografie en de opkomst van verslavingswetenschap – Boom
Een drastisch andere, areligieuze en niet-moraliserende blik op internetporno. Sinds 2008 is het aanbod van porno geëxplodeerd. Niet alleen is iedere seksuele fantasie online te vinden, tevens kunnen we ongelimiteerd van de ene climax naar de andere klikken. En niet zonder gevolgen: steeds meer mensen vertellen online over de impact van internetporno op hun seksleven. Gary Wilson ving deze geluiden op en was getuige van een experiment: duizenden 'pornoverslaafden' zwoeren alle vormen van online porno af. Het werkte. Velen van hen konden, soms voor het eerst in jaren, weer seks hebben. Steeds duidelijker wordt dat internetporno een vergelijkbare impact heeft op ons brein als het gebruik van drugs. Ons brein vraagt om steeds meer en steeds heftiger materiaal, waardoor uiteindelijk echt lichamelijk contact met een partner soms niet meer dezelfde mate van opwinding oplevert. In Het pornobrein beschrijft Gary Wilson de ervaringen van de pioniers én de eerste neurowetenschappelijke bevindingen die bevestigen dat internetpornografie wel degelijk schadelijk kan zijn. Gary Wilson startte de website yourbrainonporn.com, een belangrijke ontmoetingsplek voor mensen die worstelen met overmatig pornogebruik. Naast zijn publicaties voor het algemene publiek is hij als coauteur betrokken bij verschillende wetenschappelijke publicaties over dit onderwerp.
 
 

 

CULTUURMIX 9 JULI 2018

Papendrecht 09-07-2018

FACISME

Een boek dat ook in dit tijdsgewricht er toedoet, beveel ik u  voor de voor velen van ons vrije weken van harte aan. Op het eerste gezicht gaat het niet om een echt actueel  thema, maar de ondertitel suggereert die actualiteit wel op. Het gaat om de 304 bladzijden tellende paperback Fascisme van de grand old politica Madeleine Albright en uitgeverij De Arbeiderspers met de ondertitel ‘Een waarschuwing’. Om u ‘het probleem’ te schetsen reik ik u de eerste vier bladzijden van hoofdstuk een ‘Een doctrine van woede en angst‘ aan, maar vooraf citeer ik de uitgever met de tekst op de omslag, De volgende keer ga ik verder met de slotzin van mijn citaat ‘En waarom praten we, zo ver in de eenentwintigste eeuw, weer over fascisme?’.

De uitgever: ‘Een destructieve kracht is in de hele wereld bezig aan een hernieuwde opmars. En die kracht heeft volgens de voormalige US Secretary of State Madeleine Albright alle kenmerken van fascisme. Aan het eind van de jaren tachtig, toen de Koude Oorlog ten einde kwam, geloofde zij net als velen dat de democratie voor eens en altijd had gezegevierd. Maar bijna dertig jaar later lijkt de loop van de geschiedenis niet langer zeker. Instituten waar ze heel haar leven op kon rekenen worden aangevallen. Democratische principes worden aan de kant gezet en de notie ‘waarheid’ wordt belachelijk gemaakt door individuen met enorme macht. Overal waar Madeleine Albright komt wordt haar gevraagd: Wat denk je? Waarom gebeurt dit? Wat kunnen we doen? Albright roept ons op de fouten van het verleden niet te herhalen. Daarbij baseert ze zich mede op haar jeugdervaringen in het door oorlog verscheurde Europa en de kennis die ze opdeed als diplomaat.’

Madeleine Albright: ‘ De dag dat fascisten mijn leven voor het eerst een andere wending gaven, kon ik nog maar nauwelijks lopen. Die dag was 15 maart 1939. Mijn geboorteland Tsjecho-Slowakije werd binnengevallen door bataljons Duitse stoottroepen die Adolf Hitler begeleidden naar de Praagse burcht en Europa richting de drempel van de Tweede Wereldoorlog duwden. Na ons tien dagen schuil te hebben gehouden ontsnapten mijn ouders met mij naar Londen. Daar voegden we ons bij de ballingen uit heel Europa die de geallieerde oorlogsinspanningen ondersteunden terwijl ze in angst en vrees uitzagen naar het eind van de beproeving.

Toen de nazi’s na zes slopende jaren capituleerden, keerden we gretig terug naar huis in de hoop een nieuw leven in een vrij land te gaan opbouwen. Mijn vader nam de draad van zijn loopbaan bij de Tsjechische buitenlandse dienst weer op en de toekomst zag er een tijdje goed uit. Tot ons land in 1948 onder communistisch bewind kwam. De democratie werd afgeschaft en mijn familie moest opnieuw in ballingschap gaan. Op 11 november 1948, de dag dat het einde van de Eerste Wereldoorlog in 1918 werd herdacht, kwamen we aan in de Verenigde Staten waar we, onder de waakzame blik van het Vrijheidsbeeld, als vluchtelingen werden verwelkomd. Om ons in bescherming te nemen en mijn leven en dat van mijn zus Kathy en broer John zo normaal mogelijk te laten lijken, vertelden mijn ouders ons niet wat we pas decennia later te weten zouden komen: dat drie van onze grootouders en tal van ooms, tantes, neven en nichten hadden behoord tot de miljoenen Joden die waren omgekomen in de allerergste uiting van het fascisme – de Holocaust.

Toen ik in de Verenigde Staten aankwam was ik elf en mijn hoogste ambitie ging niet verder dan een echte Amerikaanse teenager te worden. Ik ontdeed me van mijn Europese accent, las stapels stripboeken, had de hele dag een transistorradio aanstaan en raakte verslaafd aan kauwgum. Ik deed wat ik maar kon om erbij te horen, maar ik kon me niet onttrekken aan de wetenschap dat in onze tijd beslissingen die ver weg worden genomen het verschil kunnen maken tussen leven en dood. Toen ik naar de middelbare school ging begon ik een ‘international affairs club’ waarvan ik zelf voorzitter werd en waarin we discussieerden over de meest uiteenlopende onderwerpen, van het titoïsme tot Gandhi’s concept van Satyagraha (‘De kracht die voortvloeit uit waarheid en liefde’). Mijn ouders koesterden de vrijheden die we in ons aangenomen land vonden. Mijn vader vestigde zich al snel als hoogleraar aan de universiteit van Denver en schreef boeken over de gevaren van tirannie; hij maakte zich zorgen omdat de Amerikanen zo gewend waren aan vrijheid – ze waren ‘so very, very free’, schreef hij – dat ze de democratie voor lief dreigden te nemen. Toen ik eenmaal zelf een gezin had, belde mijn moeder elke Onafhankelijkheidsdag om te horen of haar kleinkinderen wel patriottische liederen zongen en naar de parade waren geweest. In de Verenigde Staten bestaat er een sterke neiging om de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog te romantiseren, alsof dat een tijd van hemelsblauwe onschuld was waarin iedereen Amerika geweldig vond en elk gezin een stabiele kostwinner had, de nieuwste snufjes, bovengemiddelde kinderen en een rooskleurige kijk op het leven. In feite was het de tijd van de Koude Oorlog, getekend door een niet-aflatende angst waarin de nog altijd niet verdwenen schaduw van het fascisme werd ingehaald door een nieuw soort donderwolk. Als gevolg van kernproeven werd in mijn tienerjaren vijftig keer zoveel van het element strontium 90 in de tanden van zuigelingen aangetroffen als normaal. Zo goed als elke stad had een burgerbeschermingsdienst die mensen opriep om in hun achtertuin schuilkelders in te richten, voorzien van groenten in blik, monopolyspellen en sigaretten. In de grote steden kregen kinderen metalen naamplaatjes om hen te kunnen identificeren als de nood aan de man kwam.

Ik werd ouder en trad als hoogleraar in de voetsporen van mijn vader. Een van mijn specialismen was Oost-Europa, waar landen waren gereduceerd tot satellieten in een baan om een totalitaire zon en waar, naar men aannam, nooit iets interessants gebeurde en nooit iets van enig gewicht zou veranderen. Marx’ droom van een arbeidersparadijs was verworden tot een orwelliaanse nachtmerrie: aanpassing was het hoogste goed, elk woonblok werd door informanten in de gaten gehouden, hele landen leefden achter prikkeldraad, met regeringen die volhielden dat onder boven was en wit zwart. En toen, toen de verandering toch kwam, kwam die met een verbluffende snelheid. In juni 1989 leidden de tien jaar oude beweging onder de havenarbeiders en de inspiratie van een paus geboren in Wadowice tot de doorbraak van een democratische regering in Polen. In oktober dat jaar werd Hongarije een democratische republiek en begin november viel de Berlijnse Muur. Het waren voor ons ook wonderbaarlijke dagen waarin de tv elke ochtend weer nieuws bracht van wat zo lang onmogelijk had geleken. Ik zie de beslissende momenten van de Fluwelen Revolutie in mijn geboorteland Tsjecho-Slowakije nog altijd voor me, de revolutie die zo werd genoemd omdat er geen massale terechtstellingen of vuurgevechten aan te pas kwamen. De overwinning kwam op een vrieskoude middag eind november. Op het historische Wenceslasplein in Praag rinkelde een menigte van driehonderdduizend Tsjechen vrolijk met hun sleutelbossen als waren het klokken die het eind van het communistische bewind inluidden. Op een balkon uitkijkend op de massa stond Václav Havel, de moedige toneelschrijver die een half jaar daarvoor nog een gewetensgevangene was geweest en vijf weken later zou worden ingezworen als president van een vrij Tsjecho-Slowakije.

Op dat moment was ik een van de velen die meenden dat de democratie haar zwaarste test had doorstaan. De eens zo machtige Sovjet-Unie, verzwakt door economische stagnatie en ideologische uitputting, spatte als een omgevallen vaas op de vloer uiteen en moest Oekraïne, de Kaukasus, de Baltische staten en Centraal-Azië loslaten. De kernwapenwedloop kwam tot rust zonder iemand van ons te hebben getroffen. In het oosten ontdeden Zuid-Korea, de Filipijnen en Indonesië zich van lang zittende dictators. In het westen maakten de militaire heersers in Latijns-Amerika plaats voor gekozen presidenten. In Afrika voedde de vrijlating van Nelson Mandela – ook een gevangene die president werd – de hoop op een regionale renaissance. Wereldwijd groeide het aantal landen dat zich ‘democratie’ mocht noemen van vijfendertig tot meer dan honderd.
In januari 1991 hield George H.W. Bush het Amerikaanse Congres voor dat ‘het einde van de Koude Oorlog een triomf voor de hele mensheid is (...) en het Amerikaans leiderschap het mede mogelijk heeft gemaakt’. Aan de overkant van de Atlantische Oceaan voegde Václav Havel daaraan toe: ‘Europa werkt door een proces van vereniging toe naar een historisch nieuw soort orde (...) een Europa waarin niemand met meer macht de heerschappij kan uitoefenen over iemand met minder macht en waarin geschillen niet langer door middel van geweld kunnen worden opgelost.’ Vandaag, meer dan een kwarteeuw later, moeten we ons afvragen wat er van die verheffende visie is geworden: waarom lijkt die te vervagen in plaats van scherper te worden? Waarom zegt Freedom House dat de democratie momenteel ‘belegerd en in aftocht’ is? En waarom hebben we te maken met zoveel mensen in machtsposities die het collectieve vertrouwen in verkiezingen, in het recht, in de media proberen te ondermijnen – en zelfs het vertrouwen in de wetenschap, waar het gaat om het fundamentele vraagstuk van de toekomst van onze planeet? Waarom hebben zich zulke gevaarlijke tegenstellingen kunnen ontwikkelen tussen rijk en arm, stad en platteland en hoger versus lager opgeleid? Waarom hebben de Verenigde Staten – tenminste tijdelijk – afstand gedaan van hun leiderschap in de internationale politiek? En waarom praten we, zo ver in de eenentwintigste eeuw, weer over fascisme?’


DE TRAANJAGERS

Een uit een voorbij leven gegrepen relaas leg ik voor u op de leestafel dat in woord en beeld  een vloeiend en ruisend beeld geeft van een ruig en hard, doch meeslepend en fascinerend bestaan. Het verleden op heterdaad betrapt, of beter: achterhaald, daar gaat het om.’ Ik heb het over de 190 bladzijden tellende paperback, gul geïllustreerde paperback De traanjagers van Anne-Goaitske Breteler en Amsterdam University Press met de ondertitel ‘Herinneringen van de naoorlogse walvisvaarders’.  Om u niet op het verkeerde been te zetten: het traan uit de titel staat voor de olieachtige substantie die voorkomt in het weefsel van bepaalde zeedieren, waarbij walvistraan (smeer) en levertraan de meest bekende vormen zijn. Ik werd bij mijn eerste kennismaking  meteen uit een droom geholpen, want levertraan heeft niets van doen met de walvis maar wel met de kabeljauw. Het goedje, dat ik in mijn ouderlijk huis met de paplepel in de mond geduwd kreeg, had niets van doen met de ondertitel. En dan: het beeld van de walvisvaart van nu heeft niets te maken met de status die de industrie ooit heeft gekend. Ik citeer de auteur uit haar proloog: ‘Binnen vijftig jaar is het imago van de walvisvaarders compleet verander. Waar ze eerst als helden van de wederopbouw werden beschouwd, worden ze nu gezien als moordenaars van een beschermde diersoort.’ En even verderop in haar voorwoord: ‘De mannen die ik interviewde zijn afkomstig uit het Noordoosten van Friesland. Ze vertrokken in de late jaren vijftig en de vroege jaren zestig uit hun dorpen om te kunnen werken op het walvisvaartfabrieksschip Willem Barendz.’ U kent inmiddels de insteek van Anne-Goaitske Breteler: zij rakelt een gloedvol verleden op door te praten met de vaarders en doeners  van toen. Door haar krijgt een oud beroep de glans die het verdient. Ik loods u De traanjagers in door het aanreiken van de tekst van de uitgever op de omslag en een gedeelte uit het derde chapiter, dat als hoofdpersoon Wieb de Jong uit Dokkum. 

AUP: ‘Als scholier werkte Anne-Goaitske Breteler in café De Bûnte Bok in het Friese dorpje Lioessens, voorheen een walvisvaarderscafé. De ornamenten in het café en de sterke verhalen en bijnamen van de stamgasten maakten dat ze gefascineerd raakte door het recente walvisvaartverleden. Een verleden waaraan wij tegenwoordig niet graag meer denken, ondanks dat de walvisvaart in de tijd van wederopbouw een trotse bijdrage leverde aan de Nederlandse economie en identiteit. Breteler bezocht een handvol nog levende walvisvaarders thuis, en beschrijft op stilistisch fraaie wijze de herinneringen die zij op hoge leeftijd nog hebben. De sfeer aan boord, de achtergronden en motieven van de vaarders, en de avonturen in de havens die onderweg werden aangedaan passeren de revue. Evenals de walvisjacht zelf. Maar ook de twijfel en ambivalentie die tot op de dag van vandaag als een schaduw over deze jeugdherinneringen hangen.’ 'Anne-Goaitske schrijft of ze erbij was. En u. Daar en toen. Het is of je mee bladert in het geheugen van de jongens die zich, net uit de Friese klei getrokken, opeens aan de zuidpool bevonden, op schepen vol blubber, in zeeën van walvisbloed. Zo ver weg en toch nog zo dichtbij. En daar dan monter over schrijven.' - Midas Dekkers’. 

Anne-Goaitske Breteler: ‘De walvisvaart bracht Wieb vanzelfsprekend naar onbekende verre landen. Dichterbij huis werden ook de provinciegrenzen voor het eerst overschreden. Hij vertelt dat hij voor de keuring niet naar Groningen moest, zoals Durk (een andere oud-walvisvaarder), maar dat hij in Amsterdam werd verwacht. De bemanning werd door scheepsarts Teljer gekeurd in het hospitaal aan boord van de Willem Barendsz. De toekomstige walvisvaarders huurden een taxi die hen op de dag van de keuring afzette in de hoofdstad. Speciaal voor die gelegenheid trokken zij hun zondagse kleren aan. Wieb heeft het fotoboek erbij gepakt en toont een foto van zichzelf. Met één hand in de zak en in de andere een sigaretje poseert hij in pak staande voor het schip. Hij en zijn kameraden waren diep onder de indruk van de kolossale omvang van de nieuwe Willem Barendsz. Als ik in mijn naïviteit vraag of ze na de keuring direct weer met de taxi naar Friesland teruggingen, grijnst Wieb. De afloop van de keuring werd met een pilsje of iets sterkers goed gevierd in de Amsterdamse binnenstad. Na ongeveer twee weken ontvingen de walvisvaarders een oproep thuis. De rederij verwachtte haar bemanning binnen een paar dagen opnieuw in de hoofdstad. Het schip, dat nog in het dok lag, moest vaarklaar gemaakt worden. Ik vraag hoe het afscheid van de familie plaatsvond en of iedereen meeging naar de Amsterdamse haven om de walvisvaarders uit te zwaaien. Nu lacht Anneke. ‘Nee nee, dat wilden ze echt niet.’ Huilende moeders en meisjes aan de kade waren niet goed voor het imago van de jonge mannen. Wieb en Anneke zitten naast elkaar op het tuinbankje. Ze vertellen dat ze drie maanden verkering hadden toen hij aanmonsterde op zijn eerste reis in 1956. Vier walvisvaarten later hield Wieb het als walvisvaarder voor gezien; Anneke vond het genoeg geweest. Hij verloofde zich met haar in 1962 en het stel trouwde het jaar daarop.                                   

Anneke geeft toe dat ze Wieb keer op keer heel erg miste, maar dat ze hem het avontuur zo gunde. Als ik ze zo samen zie zitten, stel ik me voor hoe dat afscheid iedere keer moet zijn gegaan. Wieb, die zijn koffer en plunjezak in de taxi zette en vervolgens afscheid nam van zijn vader, moeder, broer, zus en Anneke. Daarna haalden ze waarschijnlijk de andere zenuwachtige jonge mannen op en ging het overvolle taxibusje via de Afsluitdijk op weg naar Amsterdam. Wieb vertelt verder over de twee à drie dagen voor vertrek. Het schip was de bijna aangemonsterde bemanning ondertussen al bekend geworden van de eerdere keuring. De koffers en plunjezakken werden vanuit de taxi aan boord van het schip gesjouwd. Er werd verwacht van de walvisvaarders dat ze hard en efficiënt werkten. Volgens Wieb leerden ze dat meteen de eerste twee dagen voor de afvaart in Amsterdam. Ook al hadden hun taken toen nog weinig van doen met de toekomstige verwerking van de walvissen, toch hadden de mannen werk van ’s ochtends vroeg tot ’s middags rond een uur of vier. Zo werd er proviand opgeslagen en moest het gereedschap voor de vangst worden klaargemaakt. Vanaf een uur of vier bestelden de walvisvaarders tijdens deze twee dagen weer een taxi. Ditmaal was de aan- en afvoer route veel korter: vanaf de Amsterdamse haven werden de walvisvaarders in hartje Amsterdam afgezet. Daar konden ze nog even genieten van alles wat ze daarna voor langere tijd zouden moeten missen. […]

Wieb grijnst weer. ‘Onvergetelijke avonden,’ zo verwoordt hij die twee nachten voor het echte vertrek. Met een groepje Friese walvisvaarders maakten ze een kroegentocht. Een van de wat oudere walvisvaarder had de functie van penningmeester toebedeeld gekregen – er was iemand nodig die moest zeggen wanneer het geld op was. Op een van die avonden had penningmeester Kees aangegeven dat er niets meer uitgegeven kon worden. Wieb kwam met een oplossing: ‘Kijk Kees, hier heb je een mooie koperen ketel.’ Hij had het ding in een kroeg gevonden en wilde het in een ander café weer inwisselen voor nog een paar pilsjes. Helaas werd onderweg de ketel uit zijn arm weggerukt. Voordat de dief zich uit de voeten maakte, ontving Wieb nog een klap tegen zijn hoofd. De kater moest op de koop toe worden genomen, want om half zeven werd het ontbijt geserveerd, zodat de mannen om half acht weer aan het werk konden. De Amsterdamse haven werd ingewisseld voor die van IJmuiden. Daar werd de brandstof voor de volgende twintig dagen ingeslagen om vervolgens koers te zetten naar open zee.’


HET EIGENWIJZE POTLOOD

Een oogverblindend, meeslepend, ontwapenend, ontdekkend, onderhoudend boek leg ik voor u neer, dat ook een streling van het gemoed is. Het gaat om de 272 bladzijden tellende, aanvullend authentiek geïllustreerde hardcover Het eigenwijze potlood van Carel Peeters en uitgeverij De Harmonie met de ondertitel ’20 literaire tekenaars’. Dat ‘eigenwijze’ en literaire’ legt de auteur in zijn ‘Vooraf’ uit. Ik citeer: ‘Maar voor ‘Hoewel stuk voor stuk  uitgesproken individuen hebben ze een ding gemeen: ze gaan volledig hun eigen gang en trekken zich niets aan van stromingen of richtingen. Het is alsof hun talent, stijl en originaliteit organisch uit ze voort is gekomen, tegelijk met een satirische, filosofische of bezorgd-vermakelijke kijk op de wereld. Ze willen al tekenend iets gezegd hebben: een lach veroorzaken, een voorkeur laten blijken, een inzicht doorgeven, voor een mentaliteit staan of alleen maar verslag doen van wat er specifiek in dat hoofd opkomt. Het zijn steevast de originelen die eruit springen, de eigenwijzen die zich onttrekken aan de gelikte stijlen en de commerciële verwachtingen.’ De dame van de post Ingeborg reikte mij het boek vanmorgen aan en de uren daarna was ik in Het eigenwijze potlood verzonken. Met als voor mij als voorlopers Peter Vos, Joost Swarte, Dick Bruna en Siegfried Woldhek. Van mijn bevindingen verneemt u later nog. Nu weet u dat het hilarische boek er is en dat het erop wacht in de komende vrije dagen tot u genomen te worden. Als bagage op uw leestocht geef ik nu de tekst op de omslag van de uitgever en het eerste stuk uit het hoofdstuk ‘Verhalende portretten’ dat over Woldhek verhaalt. Bij het laatste zult u met mij in de ban geraken van het schrijftalent van Peeters.

De Harmonie: ‘Toen de Amerikaanse tekenaar Saul Steinberg zei dat hij een schrijver was die tekende, onthulde hij iets wat meer tekenaars denken. Steinberg doelde op het literaire karakter van zijn getekende humor: dat er langer over is nagedacht en dat de kijker zich er iets langer over buigt dan bij een doorsnee cartoon. Carel Peeters, die als literair redacteur en criticus van Vrij Nederland talloze tekenaars de ruimte gaf in de Republiek der Letteren, schrijft in Het eigenwijze potlood over de twintig bij wie hij zich het meeste thuisvoelt. Bij hen blijft hij dralen omdat er zo veel te zien en te ontdekken is: vernuft, subtiele humor, inzicht en een soevereine tekenstijl.’ 

Carel Peeters: ‘De leden van een zojuist beëdigd Nederlands kabinet stonden gewoonlijk keurig naast elkaar op de trappen van Huis ten Bosch in Den Haag, koningin Beatrix in het midden. Toen het nieuwe kabinet in 1989 door Siegfried Woldhek in die situatie werd getekend, hingen hun armen broederlijk om elkaar heen, terwijl de koningin lachend op de achtergrond boven hen uitkeek. Zo stond het kabinet-Lubbers/Kok op de voorpagina van ‘NRC Handelsblad’: een schoolklas in vakantiestemming. Wat opviel, was dat elke minister er tamelijk normaal uitzag. Geen grove satirische vertekeningen, geen extra onderkinnen, geen scheve monden of gluiperige ogen. Woldhek mócht dit gezelschap, met ministers als Jan Pronk, Ien Dales, Hans van den Broek en Hedy d’Ancona. Dat was zeven jaar eerder in 1982 wel anders. Toen trad het kabinet- Lubbers aan met ministers als Neelie Smit-Kroes, Gijs van Aardenne, Koos Rietkerk en Gerrit Braks. Met dit gezelschap had Woldhek duidelijk niet veel op. Hun gezichten werden griezelig vervormd, Lubbers had een moker achter zijn rug, Rietkerk een groot slagersmes, Neelie een zeis, Van Aardenne een bijl. De koningin keek zuur. De gezichten van de ministers waren zo drastisch vertekend dat heel wat NRC-lezers protesteerden tegen deze behandeling vóór de ministers nog iets hadden misdaan. Voor Woldhek hóéfden ze ook nog niets gedaan te hebben. Die kende de reputatie van zijn personages; hij had zijn huiswerk gedaan. Met het kabinet-Lubbers had hij te doen met een vechtkabinet en dat moest visueel en satirisch tot zijn recht komen. Het moest kloppen. Satire is mooi, maar er moet ook een stevig idee achter zitten.

In 1984 tekende Woldhek voor ‘NRC Handelsblad’ een reeks politici onder de titel ‘Het cliché’. Dat waren variaties op de cartoonistenclichés. Hij nam ze zo letterlijk dat het voor de ene verrassing na de andere zorgde. Onno Ruding die als minister van Financiën de buikriem van de kleine man zo strak aanhaalt dat die het leven laat. De als haantje bekendstaande Libische leider Kaddafi wordt hier het summum van een haan, met zijn kolonelspet als hanenkam. De Poolse leider van de vakbond Solidarinosc Lech Walesa wordt door de Russische beer verpletterd, Ronald Reagan houdt zijn jas heimelijk open om vieze plaatjes van de atoombom te laten zien, Margaret Thatcher is veranderd in het type waar ze voor op de bres stond: de conservatieve en zelfgenoegzame lord. Wiegel slaat de grootste trom, Van Agt is een wrekende engel die met vlammend zwaard het Ethisch Reveil uitdraagt. Het zijn precies zulke clichés die Woldhek zelf altijd vermijdt, maar voor deze les in het gebruik van clichés uitvergroot.
Woldhek is vooral bekend geworden door zijn schrijversportretten. Hij las een nieuw boek en bedacht een scène die het in één keer satirisch samenvatte. Zo literair en sophisticated, met inzicht in werk en karakter, waren schrijvers zelden getekend. De tekeningen stonden min of meer op zichzelf, ook al verschenen ze bij recensies van nieuwe boeken. Elke tekening kreeg de kracht van iets definitiefs: dat boek en die karaktertrek van de schrijver waren er voorgoed mee vastgelegd. Maarten ’t Hart krijgt een hoofd als een ballon omdat hij als beste van de klas altijd alles weet en zijn vinger zo hoog mogelijk opsteekt. Willem Frederik Hermans kijkt met grote minachting achterom of er nog een concurrent aankomt. D. Hillenius staat er met zijn schillerkraag bij als het prototype van de zachtaardige bioloog. Harry Mulisch ligt als een sfinx in het Museum van Oudheden met Jan Hein Donner als zijn suppoost. H.J.A. Hofland geeft zijn grote ogen en oren peinzend de kost. Hugo Claus is met zijn armen over elkaar groter dan heel België (dat hij losjes op zijn schouder draagt). Ze zijn te vinden in Woldheks eerste boek ‘Literaire tekeningen’, ingeleid door Rudy Kousbroek.

Woldhek maakte zijn eerste en meteen trefzekere tekening in 1976 voor ‘Vrij Nederland’ bij de recensie over het boek van Willem Frederik Hermans over Multatuli. Hij zette Multutali zelfverzekerd aan een roulettetafel, op de achtergrond achterdochtig bekeken door andere spelers. Hermans vangt de voor Multatuli bestemde rotte eieren op. Dat was precies wat Hermans in zijn boek aan het doen was: Multatuli in bescherming nemen. Na die eerste geslaagde tekening bevatte bijna elke Boekenbijlage een satirische-verhalende tekening van Woldhek. Daarmee keerde een oude traditie terug die ooit begonnen was aan het eind van de achttiende, begin negentiende eeuw toen de satirische tekening bloeide met James Gillray en Thomas Rowlandson. Die stortten zich met wellust op elke politicus en schrijver. In Nederland gebeurde dat iets later in tijdschriften als ‘De Nederlandsche Spectator’. Daarin werden de literaire gebeurtenissen becommentarieerd met wat brave tekeningen: de redactie van De Gids die door ‘onze letterkundige Figaro’ Conrad Busken Huet wordt ‘geschoren’, zwaaiend met de scheerkwast terwijl ‘De Nieuwe Gids’ in de deuropening afwachtend toekijkt. Frederik van Eeden die op klompen en in boerenkiel poseert als ‘vorst van Walden’. Multatuli die zijn gelijk komt halen als er in de Tweede Kamer zestien jaar na de publicatie van ‘Max Havelaar’ eindelijk tegen de dwangarbeid wordt geageerd.

Woldhek publiceerde elke week zo’n significante tekening: Theo Thijssen die als schoolmeester woedende ouders sust, C. Buddingh’ op zijn gemak zittend voor de vruchten van zijn hobby (het maken van kunstzinnige kastjes), Gerrit Krol die op het vliegtuig stapt met achterlating van treurende vrouwen met superborsten. De karakteristieke tekening van Geert van Oorschot die aan de poort van zijn uitgeverij schrijvers bruusk tegenhoudt die ook naar binnen willen. Of die van de grimmige Gerrit Komrij, vastgesnoerd in zijn stoel (omdat hij liever weg wil) terwijl hij naar de televisie (‘de treurbuis’) moet kijken. E. du Perron die als de musketier d’Artagnan zijn lans slijpt. Jan Cremer op een Solex-bromfiets met vrouwenborsten als een benzinetank. Het in werkelijkheid gecraqueleerde gezicht van Bert Schierbeek bouwde hij op uit glasscherven, Slauerhoff kreeg een scheermesje tussen zijn dunne lippen om zijn scherpe tong te vertolken. Jan Wolkers wordt moederlijk gekoesterd door de armen van een vrouw die hem volledig omvatten. Dit waren allemaal zwart-wit-lijntekeningen.

Toen in 1984 bij het begin van de wekelijkse Boekenbijlage van ‘Vrij Nederland’ de mogelijkheid ontstond om tekeningen in kleur af te drukken was het de vraag hoe Woldhek hierop zou reageren. In kleur had hij nog niet eerder gewerkt. Het was meteen geen vraag meer toen hij voor het eerste nummer Jan Blokker tekende als een nuchtere Hollander die zich met een klomp in de hand niet in de maling laat nemen. Het verrassende was dat Woldhek het met kleurpotlood deed, iets waar nooit iemand mee werkte. In deze stijl tekende hij in de periode 1984-1990 op groot formaat schrijvers als Piet Grijs, George Orwell, Michel Foucault, Ernest Hemingway, Leo Vroman, Jean Genet en Hendrik de Vries. Toen de P.C. Hooftprijs in februari 1985 niet aan Hugo Brandt Corstius werd uitgereikt omdat de toenmalige minister Brinkman weigerde iemand te bekronen die mensen systematisch beledigde, moest het omslag van de Boekenbijlage halsoverkop worden omgegooid. Woldhek bedacht meteen een tekening van Brinkman als streng calvinistische regent, opgebouwd uit constructivistische elementen: een zwart pak met scherp gesneden schouders, zwarte das, zwarte geometrische balken voor het haar, de wenkbrauwen een verkleinde versie daarvan, en zijn neus als een scherpe misprijzende pijl naar beneden. Het zuinige mondje bestond uit een half cirkeltje, de vingers van zijn handen stonden precieus in het gelid tegen elkaar. In deze man was geen beweging te krijgen. Woldhek tekende ook in één dag (bijzonder omdat hij toen directeur van Vogelbescherming was, later van het Wereld Natuur Fonds) ook het omslag waarop een laatdunkende Brandt Corstius een eitje aan het pellen is in de vorm van het gezicht van Brinkman.’


HET AVONTUUR VAN DE ANWB

Ik leg een kijk- en leesalbum voor u in het bagagerek dat uw vakantie nog meer allure en diepgang zal geven. Het verleden van een alom geliefde en geprezen organisatie wordt opgerakeld en wel zo dat wij mensen anno 2018 nog meer respect en waardering gaan krijgen voor de voorouders. Ik heb het over de 192 grote bladzijden, van meet tot finish rijk verluchte hardcover Het avontuur van de ANWB van Hans Buiter en Peter Staal en uitgeverij Thoth met de ondertitel ‘135 jaar onderweg’. Ik zeg het u maar ronduit: zonder de Algemene Nederlandsche WielrijdersBond had mijn bestaan minder glans opgevangen. Om maar in mijn jonge jaren te blijven: met mijn ouders fietste ik vanuit Putten, Bennekom en Nunspeet over de Veluwe, met mijn vrienden peddelde ik door de provincies Gelderland, Brabant en Limburg, met de eigen kids toerde ik van Den Helder naar Maastricht en van Delfzijl naar Axel. En steeds had ik op het stuur een houder met daarin een kaart van de ANWB en in de fietstas een gids van de ANWB. Wij reden van wijzer naar wijzer, paddenstoel naar paddenstoel, van bord naar bord en steeds vormden de gedetailleerde ANWB-kaarten en de nauwgezette ANWB-gidsen ons houvast. Ik zeg het zonder enige vorm van nostalgie: zonder de ANWB had mijn leven veel minder kleur gekregen. De eerlijkheid gebiedt mij echter te zeggen dat ik het fenomeen van de ANWB met al haar attributen als vanzelfsprekend beschouwde. Van die eigenwijze gedachte ben ik nu afgestapt door het boek ‘Het avontuur van de ANWB’, dat het verleden van de vereniging oprakelt. Om dat te illustreren citeer ik de eerste bladzijden van het gedenkboek met de toezegging dat ik de volgende keer via het memorabele werk met u op het zadel ga. 

Hans Buiter en Peter Staal: ‘4,4 miljoen leden telt de ANWB op het moment van het verschijnen van dit boek. Ruwweg een op de twee huishoudens in Nederland is lid van de vereniging. Dat dit zo zou lopen, was niet vanzelfsprekend. Twee jaar na de oprichting in 1883 had de vereniging 290 leden. Maar daarna ging het snel. In 1900 telde ze een kleine 20.000 leden, in het midden van de jaren dertig waren het er al 100.000. In 1967 brak ze door de magische grens van één miljoen leden, gevolgd door twee miljoen in 1978 en drie miljoen in 1994. Over deze groei kun je je verbazen. Hoe en waarom werd de ANWB zo groot en succesvol? Met de toename van het aantal leden breidde de vereniging haar werkterrein stap voor stap uit. Het is de vraag in hoeverre de ledengroei het gevolg was van die verbreding. Ten bate van de aangesloten fietsers en clubs organiseerde de vereniging toertochten en wielerwedstrijden en pleitte ze bij de overheid voor betere wegdekken, aparte fietsstroken, fietspaden en betere verkeersregels. Daarnaast keurde ze wegen en hotels en gaf ze reisgidsen en routekaarten uit. Ze ging bovendien over tot het plaatsen van wegwijzers, waarschuwingsborden en zogenaamde rijwielhulpkisten, legde fietsstroken aan en bood verzekeringen tegen ongelukken en diefstal aan. De ANWB speelde voortdurend in op ontwikkelingen in de samenleving. Maar wat was nu de maatschappelijke betekenis van de ANWB en hoe verliep de wisselwerking tussen vereniging en samenleving?

Toen de auto en de motorfiets rond 1900 opkwamen, besloot de ANWB ook het toerisme met deze vervoermiddelen te omarmen. Dit was niet raar. Wegwijzers, kaarten en reisgidsen waren ook nuttig voor de toeristen die onderweg waren met de motorfiets en auto. Daarnaast ging de ANWB over tot het verlenen van service die was toegesneden op automobilisten en motorrijders. Zo plaatste ze motoronderdelen in rijwielhulpkisten. En ze verkocht benzine en motorolie toen het aantal verkooppunten achterbleef bij de behoefte en benzine en olie vaak van slechte kwaliteit bleken. Daarnaast gaf ze technische voorlichting en keurde ze reparatiewerkplaatsen. Iets later ging ze soortgelijke activiteiten ontplooien voor motorbootbezitters en zelfs voor luchtvaartpioniers. In de ogen van de ANWB maakte het niet uit of je met je motorboot, vliegtuig, motorfiets, auto of kets onderweg was. Het ging erom dat toeristen de omgeving wilden verkennen om lichaam en geest te ontspannen en te genieten van cultuur en natuur. Daarom vormde de ANWB zich in 1900 om van wielrijdersbond tot toeristenbond. Niet alleen gemotoriseerde nieuwigheden hadden de belangstelling van de vereniging. Als toeristenbond verbreedde de ANWB haar pakket met activiteiten als het uitzetten van langeafstandswandelpaden en het opzetten van georganiseerde wandelingen, het aanbieden van skilessen en het uitstippelen van routes voor kanovaarders en zeilers, en trad ze op als belangenbehartiger voor kampeerders. Ook startte de ANWB met dienstverlening aan toeristen die de grens over wilden door het uitzetten van routes, het verzorgen van de noodzakelijke officiële papieren en het lobbyen voor soepelere douaneregels. Bovendien adviseerde de bond bij de opbouw van fietspadennetwerken in Nederland en een wegennet dat geschikt was voor het gemotoriseerde verkeer.

De ANWB zette onder andere fietspadverenigingen op en lobbyde voor de introductie van autosnelwegen in Nederland. Verkeersveiligheid en het behoud van een aantrekkelijk landschap voor de toerist waren voor de vereniging erg belangrijk. Toen Nederlanders na de Tweede Wereldoorlog massaal bromfietsen en auto’s begonnen te kopen, breidde de ANWB haar adviserende rol bij de aanleg en modernisering van wegen, parkeerplaatsen en fietspaden uit. Ook adviseerde zij bij de aanleg van kampeerterreinen, huisjesparken, recreatiegebieden en watersportgebieden in een periode dat vrije tijd en welvaart snel groeiden en recreatie en toerisme daardoor een ongekende vlucht namen. De ANWB speelde bovendien in op nieuwe behoeften door de introductie van autokeuringen en van pechhulp door de Wegenwacht, de opzet van verkeersinformatie, de oprichting van een Alarmcentrale en het opzetten van gipsvluchten en andere repatriëringsdiensten. Het toenemend aantal verkeersslachtoffers stimuleerde de bond tot steeds meer aandacht voor verkeersveiligheid. Zo adviseerde de ANWB bij de introductie van zaken als het zebrapad, de vangrail, de autogordel en de valhelm. Deze verbreding was nooit vanzelfsprekend. Regelmatig vroegen ANWB’ers zich af of de activiteiten die ze ontplooiden, wel de juiste waren. Zo stopte de ANWB in 1898 met het organiseren van weg- en baanwedstijden voor wielrenners, toen ze de indruk kreeg dat tumult rond racerij de acceptatie van de kets in de weg zat. De vereniging was altijd terughoudend met het aanbieden van groepsreizen. Het individuele toerisme beschouwde ze als haar kerntaak. Vaak voerden bestuurders, betaalde medewerkers en leden heftige debatten over het aanbieden van activiteiten. Deze interne debatten bepaalden wat de bond aanpakte en wat niet. Leden namen als gebruikers van de toeristische voorzieningen zeer actief deel aan deze debatten. De koers van de ANWB hing nauw samen met de ontwikkeling van de Nederlandse samenleving en de opstelling van andere partijen. Nederland onderging in de afgelopen 135 jaar een metamorfose door een spectaculaire bevolkingsgroei, industrialisatie en de opkomst van de dienstensector, verstedelijking en een enorme welvaartsgroei. In 1883 telde Nederland vier miljoen inwoners, nu heef ons land ruim zeventien miljoen bewoners. Het aantal inwoners verviervoudigde dus. Aanvankelijk zou een steeds groter deel van de bevolking werk vinden in de industrie: in de textielfabrieken in Twente, Brabant en andere streken, de scheepsbouw en metaalindustrie, de voedingsmiddelensector en de bouw. Veel later zou ook de dienstensector belangrijk worden en zouden steeds meer mensen op kantoor gaan werken.

Rond 1883 trokken Nederlanders bovendien steeds meer naar stedelijke gebieden, waar de lonen hoger waren dan op het platteland. Amsterdam was de grootste stad met de grootste haven, maar Rotterdam zat haar op de hielen. Betere voeding, riolering, drinkwater en medische voorzieningen zorgden voor een verdubbeling van de levensverwachting van de gemiddelde Nederlander. Besteedbare inkomens namen nog harder toe. Lonen stegen spectaculair, terwijl prijzen daalden. Artikelen als ketsen en auto’s, die eerst een enorme luxe waren geweest, ontwikkelden zich in de twintigste eeuw tot breed verspreide consumptieartikelen. Vakantie en reizen voor je plezier werden steeds meer gemeengoed, net als werken in een andere plaats dan waar je woont. De samenleving moderniseerde bovendien met de opkomst van verenigingen voor de meest uitlopende doelen, van het ijveren voor het algemeen kiesrecht en de verbetering van de volksgezondheid tot de oprichting van vakbonden, omroepverenigingen en verenigingen voor zaken als gezinsplanning of vrouwenemancipatie. De ANWB was dus een van de vele verenigingen die eind negentiende eeuw werden opgericht. De overheid had een beperkte rol in de samenleving en het overheidsapparaat was klein. De ANWB en andere verenigingen vervulden taken die de overheid nhetiet aanpakte, en ze stimuleerden het Rijk, de provincies en de gemeenten om hun activiteiten uit te breiden. De ANWB speelde in op de toenemende behoefte van haar leden aan recreatie, vrije tijd en mobiliteit. Alle activiteiten ontplooide ze onder de vlag van het toerisme. Met de groeiende welvaart en toenemende hoeveelheid vrije tijd hadden steeds bredere lagen van de bevolking hieraan behoefte. Daardoor werd het toerisme waar de ANWB zich mee bezighield, verspreid over een steeds breder terrein, zoals we in dit boek zullen zien. Het verhaal van de ANWB vertellen we in negen hoofdstukken, die de geschiedenis van de bond door de tijd heen presenteren. Ze zijn zo geschreven, dat ze een beeld geven van de ontwikkeling van de vereniging: wat ze aanpakte, welke resultaten ze boekte en in hoeverre deze ontwikkelingen aansloten bij de veranderingen in de samenleving. De hoofdstukken vertellen waarom de ANWB zo groot kon worden, hoe ze zo’n belangrijke rol in de Nederlandse samenleving kon spelen en hoe de wisselwerking tussen de vereniging en de samenleving verliep.’


WANT DE AVOND

Ik ga uw vakantieweken nog meer glans en glorie geven door u een roman in te loodsen. Ik reik u daartoe integraal het eerste van de 35 hoofdstukken aan. Het gaat om het proza van een van de meest geliefde schrijvers in de Nederlandse literatuur, die al heel wat keren in mijn culturele rubriek haar opwachting maakte. Ik breng bij in de vaart de 256 bladzijden tellende hardcover Want de avond van Anna Enquist en De Arbeiderspers. Ik citeer de uitgever nu niet met de tekst op de wikkel, want mijn opties is u onder te dompelen in ware literatuur. De volgende keer arriveer ik wel bij u met die woorden, mijn optie is nu louter u te veroveren met ware literatuur, want wederom heeft Anna Enquist mooi geschreven.

Anna Enquist: ‘Niets blijft hetzelfde, denkt Jochem terwijl hij langzaam om zijn as draait en zijn blik over het nieuwe atelier laat gaan. Alles verandert, hoe je je ook inspant om de oude situatie in stand te houden. Ik heb ramen, al verberg ik ze achter de elegante lamellen van de modieuze zonwering, zodat ik me in het half ondergrondse hok kan wanen waar ik me thuis voelde. Ik heb witgesausde muren, onbekraste planken, roestvrijstalen werkbladen en keurige kasten met schuifdeuren. Daar vecht ik tegen, gewapend met de troep die ik heb meegenomen: bemorste lijmpannen met aangekoekte strepen, beitels met versleten handgrepen, stokoude mallen en vieze lappen. Om het nieuwe teniet te doen leg ik het oude overal neer. Maar hetzelfde is het niet. De zoldering is hoger, de tl-buizen zijn feller. Boven de werkbank hangt een beweegbare operatielamp. In de lade, die nog net zo moeizaam opengaat als vroeger, liggen de tandartsspiegeltjes en de haken om de f-gaten mee binnen te komen tussen smerige penselen en brokjes hars. Het atelier heeft een L-vorm en aan het einde van de korte poot lijkt het wel een huisje. Een aanrecht met elektrische plaatjes en een koffiemachine, wc en douche achter een ondoorzichtige glazen wand. Een bank waarop je zou kunnen slapen, een keukentafel met gebruikte kopjes en een suikerpot. Het huiselijke gedeelte is van het atelier gescheiden door een hoge kast. Aan de keukenkant is die volgestouwd met vaatwerk, opgevouwen handdoeken en kleding. Aan de werkzijde zijn de planken gevuld met glazen potten om lak in te bewaren, met tijdschriften over vioolbouw in verschillende talen en met dozen vol noodzakelijke prullen en spullen: sourdines, kammen, snaren, stemknoppen, schoudersteunen. Het ziet er al lekker vol uit, ziet hij met tevredenheid.

Hij knipt de operatielamp aan en kijkt naar een viool die in een wiegje van schuimrubber op de werkbank ligt. Wat is er met je, mag ik even naar je kijken? Hij is een vriendelijke kinderarts. Niet bang zijn, het doet geen pijn en het licht is alleen maar fel om beter te kunnen zien. Voorzichtig tokkelt hij met zijn duim de snaren aan, een voor een. Goed zo. Op de ene schouder van het instrument is de lak weggesleten. De kam staat niet goed recht en ziet eruit of hij zomaar kan omklappen. Een barstje onder het rechter f-gat? Nee, dat zit dicht, een oud litteken. Jochem raakt vervuld van zorgzaamheid, hij denkt aan alle dingen die hij voor de viool kan doen tegelijk, alsof zijn gedachten naar vier of vijf verschillende gebieden uitwaaieren. Hij wiegt heen en weer op zijn dikke schoenzolen, van voor naar achter, en overweegt waar hij mee zal beginnen. Voor we met het onderzoek van start gaan moet de baby in bad, besluit hij. Uit de rommella pakt hij twee porseleinen schaaltjes. In het ene strooit hij fijngemalen diatomeeënaarde en in het andere een beetje olie. Om zijn wijsvinger vouwt hij een lapje, dat hij eerst in de olie en dan lichtjes in het poeder doopt. Zacht begint hij over de viool te wrijven. Hij schrikt als de telefoon rinkelt. Het apparaat staat op tafel bij de ingang, naast zijn computer en een stapel papieren. Jochem legt de lap weg en pakt de telefoon op. ‘Een dame voor u, met een kist,’ zegt de portier. ‘Door laten lopen?’ ‘Nee, ik kom haar halen.’ Tijdens het gesprek kijkt hij omhoog naar een scherm waarop in blauwige kleuren de ontvangsthal van het gebouw is te zien. Een kleine vrouwengestalte met een gebreid mutsje op haar hoofd staat verloren op de marmeren tegels, een gambakist onder haar arm geklemd. Hij werpt een laatste blik op de werkruimte: agenda open op tafel, de afspraak met de gambiste staat erin. Alles klopt. Hij loopt nog even rond, voelt of de deur van de brandkast op slot zit en trekt aan de enorme laden van een lage kast. In de bovenste la ligt groot formaat papier en de onderste is nog leeg. In de middelste heeft hij schuurpapier van verschillende diktes opgeborgen. In de rechter binnenhoek glimt iets, zilverachtig. Een middelgroot pistool. Hij knikt en sluit de la.

Drie trappen af, dan kan hij de gambiste de hand drukken. ‘Dit is Ulrich,’ zegt hij, wijzend op de portier in zijn glazen hok. De breedgeschouderde Surinamer knikt de gambaspeelster vriendelijk toe. ‘Ik ga je voor naar boven,’ zegt Jochem. ‘Is er geen lift?’ ‘Om de hoek, mevrouw!’ roept Ulrich door zijn luik. ‘Ik draag je instrument wel, kom mee.’ Hij rukt haar de gamba uit de handen en beent de trap op. Zij volgt, angstvallig de leuning vastklampend.
‘Zo,’ zegt Jochem als hij instrument en speelster heeft binnengeloodst en de zware deur heeft gesloten. Pensleutel. Ketting erop. ‘Ga zitten, doe je jas uit.’ Ze pakt de stoel die bij de computertafel staat, knoopt haar jas los en gaat zitten. ‘Groot,’ zegt ze terwijl ze het atelier rondkijkt, ‘veel groter dan je oude werkplaats. Je zit hier al ruim een halfjaar, toch? Bevalt het?’ ‘Het is beter. Er is altijd beveiliging, niemand kan zomaar binnenlopen. Ik heb veel ruimte en kan alles overzien.’ ‘Je hebt een grotere brandkast aangeschaft.’ ‘Soms heb ik kostbare instrumenten in huis, die kan je niet los laten liggen als je weg bent, vind ik.’ De gambiste zwijgt. Ze kijkt omhoog naar de waslijn waar violen aan te drogen hangen en snuift de geur op.

‘Je hebt gelakt. Het ruikt naar lavendel. Ben je weer helemaal aan het werk, na alles? Heb je nog last van het ongeluk?’ Jochem zucht. Hij pakt de kruk die bij de werkbank staat en gaat erop zitten. Hij wrijft over zijn hoofd, krabt in zijn haar. ‘Tja, werken, dat is goed. Dat is het enige wat je kan doen. Ik had ook niet zoveel kwetsuren hoor, een hoofdwond en een dicht oog. Was snel weer over. Carolien heeft meer pech gehad, die is een vinger kwijt. En Heleen brak haar been, heel ongelukkig. Hugo had helemaal niets.’ ‘Ik las het in de krant,’ zegt de gambiste, ‘en later had iedereen het erover. Dat het een wonder was dat jullie er levend zijn afgekomen. Een boot opblazen waar mensen op zitten! Het idee!’ ‘De politie moest die crimineel te pakken krijgen. Die man was gevaarlijk en bedreigde ons. Ze deden het met overleg, ladingen aan de uiteinden van het schip. Wij zaten in het midden. Kwartet te spelen!’ Jochem lacht schamper en haalt zijn schouders op. ‘Hoe kwam die griezel bij jullie terecht, was dat toeval?’ ‘Toeval, toeval – die man wilde ontsnappen want hij had een straf van twaalf jaar. Dat het hem lukte danken we aan de logistieke incompetentie van het gevangeniswezen. Kan je dat toeval noemen? Dat hij op de boot belandde is geen toeval, want onze tweede viool, Heleen, zat in zo’n idealistisch clubje met gevangenen te corresponderen. Tegen de eenzaamheid. Met die schurk dus. Door haar wist hij waar we zaten, wat we deden.’ ‘Dus het was haar schuld? Komt dat weer goed, spelen jullie weer samen?’

Jochem wendt zich af en knipt de gambakist open. Als hij antwoordt klinkt zijn stem zachter en een beetje hees. ‘Van samenspelen is geen sprake. Spelen is ook helemaal niet aan de orde. Carolien zou opnieuw moeten leren strijken, maar daar staat haar hoofd niet naar. Bovendien zijn we onze instrumenten kwijt. Die vielen in het water.’ Hij hoort de vrouw verschrikt inademen. Ja, ja, dat is erg hoor, denkt hij, al die prachtige eeuwenoude instrumenten vernield door water en dynamiet. Tjongejonge. ‘Maar de verzekering betaalt toch?’ Jochem tilt de gamba uit de kist en houdt hem met gestrekte arm vast. Afstand. Kijken. ‘De anderen hebben enorme bedragen opgestreken. Ik kreeg niets. Uit de verhoren bleek dat ik mijn alt zelf had vernield. Kapotgeslagen op de kop van die kerel. Eigen schuld!’ Ongelovig schudt de gambiste haar hoofd. ‘Wat onrechtvaardig. Dat kán toch niet?’ Jochem zwijgt. De vrouw draait op haar stoel en wringt haar handen. ‘Heb ik iets verkeerds gezegd? Ik ben soms te direct, dat weet ik. Zoals toen ik die folder meebracht over de rouwverwerkingsgroepjes. Dat was brutaal. Ik moet me niet met alles bemoeien. Het gaat me aan het hart, dat is het, en dan doe ik iets zonder na te denken. Het spijt me.’ Na deze toespraak klemt ze haar lippen op elkaar. Jochem bijt op zijn tanden, spant zijn kaakspieren, gromt als een boze hond.

‘Je bedoelt het goed. Indertijd ook. Wij hadden onze kinderen verloren, jij probeerde ons hulp aan te reiken. Misschien vond je dat de rouw na een jaar of tien wel eens over mocht zijn. Dat zo’n groep aan ons niet besteed was kon jij niet helpen. Het is vaak ingewikkelder dan je denkt. Of ons kwartet ooit weer bij elkaar komt hangt niet af van de beschikbaarheid van instrumenten. Ik heb m’n hele atelier vol staan met instrumenten, daar gaat het helemaal niet om. Wat die explosie betekent, dáár gaat het om. Smijt die ons een onvoorziene toekomst in?’
Hij schrikt van zijn eigen woorden, trekt de gamba naar zich toe en inspecteert de naden. Het is stil. De tl-buizen suizen. ‘Je kan beter terug naar het verleden,’ zegt de gambiste, die zich heeft herpakt. ‘Dat is in de muziek ook zo. De oude handschriften bestuderen, de instrumenten terugrestaureren naar hun oorspronkelijke staat. Terug naar vroeger, dat is eerlijk, dat geeft voldoening. Houvast. Of verga - loppeer ik me nu weer?’ ‘Ik weet niet of ik op zo’n soort houvast zit te wachten,’ bromt Jochem. ‘Laten we maar eens kijken naar je gamba. Wat kan ik eraan doen?’

Met zijn rug naar de vrouw gekeerd beklopt hij het instrument, zijn hoofd een beetje schuin om de resonans goed te horen. Inwendig vloekend. Meningen, opinietjes, denkt hij, godallemachtig. Terug naar vroeger, hoe stelt ze zich dat voor? Vroeger had mijn vrouw een leuke huisartsenpraktijk en werkte ik met plezier in een atelier aan huis. Vroeger hadden we een levendig gezin met twee opgroeiende jongens. Vroeger waren wij ouders. Hadden we vrienden met wie we kwartet speelden. In de loop van de jaren is alles ingestort. De kinderen verongelukt, het kwartet uit elkaar geblazen. Carolien apathisch en tot niets in staat. En ik? Ik trilde van angst, de maanden na die idiote avond waarop ze Hugo’s boot opbliezen. Vlekken en vegen als ik met Oost-Indische inkt een etiket signeerde. Buikpijn als ik voetstappen hoorde in de tuin. Als de telefoon ging liet ik van schrik alles uit m’n handen flikkeren. Paranoïde, zegt Carolien. Realistisch, zeg ik zelf. Omdat ik deze exorbitant dure ruimte kon huren bracht ik het op om door te werken. Hier is het veilig, zo veilig mogelijk in elk geval. Ik kocht een wapen in België, dankzij een bevriende collega in Brussel. Mag niet, natuurlijk, maar het geeft me rust. Ik ben iemand geworden die zijn angst moet bedwingen, de hele dag door, en daarvoor zijn toevlucht neemt tot illegale middelen. Alles om bezig te blijven, om me te kunnen concentreren op onschuldige houten instrumenten die niemand kwaad doen. Die klap met mijn alt had geen enkel effect; een altviool moet zingen, niet meppen. En dan komt er een klant binnen die me sommeert om terug te gaan naar vroeger. Ik zou haar aan kop en kont moeten optillen en eruit smijten, die machteloze gamba erachteraan. Hij merkt dat hij zwoegend ademt. Niet goed. Die vrouw helpt, ze brengt me een probleem waar ik me over buigen kan. Ze is een klant. Ze verdient aandacht, misschien zelfs dankbaarheid. ‘Ik begrijp wat je bedoelt,’ zegt hij. ‘Je bent altijd verliefd op het verleden als je in zo’n barokgezelschap speelt zoals jij. Voor mij is het anders, ik kan het heden niet buiten de deur houden. Ze willen stalen snaren en een tot het bizarre opgevoerd instrument, zodat ze een zaal van 2000 man kunnen bespelen. Dan kan ik wel beargumenteren dat zo’n cello in Mozarts tijd anders klonk, maar daar hebben ze geen boodschap aan. En ik ben allang blij dat er nog mensen zíjn die muziek maken, ook al is dat op een andere manier dan vroeger.’ Zo, daar kan ze even op kauwen.

Hij vertelt haar dat de naden op twee plaatsen gelijmd moeten worden. ‘Het is koud geweest, dan krijg je droge lucht en gaat het hout werken. Ik kan hem ook wat bijlakken voor je.’ Hij wijst de plekken aan waar de lak is weggesleten. De gambiste knikt. ‘We hebben niet veel te doen met het consort, maar we blijven wel repeteren. Dat moet. Wij dragen de cultuur, zo voelt het. Jij ook, met het bouwen en restaureren. Als we dat loslaten valt alles te pletter.’ ‘Ja,’ zegt Jochem langzaam, ‘dat is misschien wel zo, wij dragen de cultuur. Maar wie draagt ons?’
 

 

CULTUURMIX 2 JULI 2018

Papendrecht 02-07-2018

DE EERSTE STEEN

Ik ga u een boek inloodsen dat gedoopt in geweldig goed proza verschrikkingen en gruwelheden tot thema heeft. Het gaat om een vuistdikke paperback dat de zinloosheid van het oorlogsgeweld verwoordt. Het betreft een geweldig goed geschreven verhaal dat wil aantonen dat mede wil tonen dat het militaire engagement van het Westen in Afghanistan niet aan de orde mag zijn. Ik leg voor u op het doopvont de 640 bladzijden tellende roman De eerste steen van de Deen Carsten Jensen en uitgeverij De Bezige Bij. Ik haast mij het u te zeggen: De eerste steen is naar genre wel een fictief verhaal maar geheel gebaseerd op non-fictie. Zo bracht de in 1952 geboren auteur geruime tijd door in Camp Price, de locatie waar in het door mij te citeren gedeelte de plaats van handeling is. Mijn idee is nu u kennis te doen maken met het virtuoze verteltalent van Jensen, waardoor u meteen in de ban van het verdere verloop van het verhaal geraakt. De eerste vier bladzijden reik ik u aan. Vooraf geef ik u de tekst van de uitgever  op de omslag en doe vervolgens u de suggestie deze pracht van een eigentijds epos in uw reiskoffer te leggen. Dit lijvige verhaal zal uw vakantie nog meer diepgang geven. Nog een vraagje: wilt u de titel al lezende in het achterhoofd houden?

De Bezige Bij: ‘Een groep Deense soldaten komt aan in een militair kamp in Afghanistan. Vierentwintig mannen en één vrouw, onder leiding van de charismatische commandant Rasmus Schrøder. Ze zijn zeer gemotiveerd, uitstekend opgeleid en klaar voor het avontuur. Maar de dagen kruipen monotoon voorbij, tot een landmijn twee soldaten doodt en een steeds ongenadiger spiraal van geweld in gang wordt gezet. Wanneer Schrøder de groep verraadt, verliezen de soldaten elke vorm van controle. De eerste steen is niet alleen een buitengewoon spannende pageturner, maar ook een grootse antioorlogsroman van een uitgesproken tegenstander van westerse militaire bemoeienis in Afghanistan.

Carsten Jensen: ‘’3e Peloton – Witte zone. De witte augustushemel is zo plat als een plafond. Ze kunnen de woestijn aan de andere kant van de muur niet zien. Ze weten dat die er is, oneindig op een manier waarbij ze zich niets kunnen voorstellen. Ze moeten naar de vijand zoeken, terwijl de vijand naar hen zoekt. Hun wacht een spelletje verstoppertje spelen in de leegte. Er bestaat geen lopende band die hen naar hun lot brengt, geen onafgebroken rommelende donder die waarschuwt voor de nabijheid van het front, geen immens bonkend ritme dat hen dreigt te verzwelgen. Over vier maanden gaan ze met verlof, over zes maanden zijn ze weer terug. De oorlog is slechts een periode in hun leven. De pelotonscommandant kijkt naar zijn mannen.
‘Jullie hebben er zelf voor gekozen hiernaartoe te komen. Vergeet dat niet. Jullie zijn hier vrijwillig. Op een dag zal jullie keuze een onderscheiding of een aanklacht zijn.’ Er klinkt lawaai, maar dat komt van hun eigen troepen. Het gebrom in de lucht verraadt de nabijheid van een groot vliegveld, transportvliegtuigen die opstijgen en landen, helikopters met hun klapperende rotorbladen, straaljagers die brullend over de startbaan scheuren. Het is alsof deze oorlog een groot komen en gaan is en helemaal geen vaste plek heeft. ‘Je kunt niet zelf besluiten of je wilt zweten,’ zegt de pelotonscommandant. ‘Je kunt niet zelf beslissen of je diarree of last van verstopping krijgt. Je lichaam is als een auto zonder stuur. Er zit geen versnellingspook of koppeling in, er zijn geen remmen en er is geen gaspedaal. Je bent passagier in een voertuig waarover je geen controle hebt.’

Rasmus Schrøder heeft helderblauwe ogen die, als je ze nauwkeuriger bekijkt, een donkerder tint verbergen, marineblauw of purper wellicht. Zijn lippen zijn knalrood met een perfecte welving die door een klein litteken wordt ontsierd. Hij heeft zich vanochtend niet geschoren. Net als vele anderen is hij van plan een volle baard te laten groeien, alsof de woestijn zelf hun heeft opgedragen dat ze moeten lijken op de vijand die zo lastig te vinden is. Hij noemt Denemarken de Witte Zone, een plek waar het hart vijftig tot zestig keer per minuut slaat, in een gezapig, regelmatig ritme, en waar het leven in een halfslaap wordt geleefd, tevreden en weerloos. Je staat tegenover een gewapende man en je smeekt om je leven in plaats van zijn strottenhoofd te verbrijzelen. De Witte Zone is de zone van de schapen. Ze hebben een continent verlaten en zijn over de helft van een ander gevlogen. Bergen, woestijnen, rivieren en meren. Vlekjes in de leegte verraden de aanwezigheid van een dorpje. Denemarken zou in een plooitussen twee bergketens kunnen liggen. Ze weten niet wanneer ze het luchtruim boven Iran verlaten en de grens met Afghanistan passeren. Wat is een grens, gezien vanaf tien kilometer hoogte? ‘Jullie zijn soldaten. Jullie horen in de Gele Zone, waar je hart honderd keer per minuut slaat. De zone van de waakzaamheid. In de Rode Zone vechten jullie voor je leven. In de Grijze Zone staan jullie met de rug tegen de muur.’ Schrøder houdt hier altijd een pauze. ‘In de Zwarte Zone wacht de paniek. Als de meesten van jullie willen zeggen dat je niet meer kunt, komt dat niet omdat jullie op het punt staan om in te storten. Dat komt gewoon omdat het zwaar is. Als jullie bloed proeven en jullie je hart in je oren voelen kloppen – pas dan zijn jullie kapot.’

Camp Bastion strekt zich in alle richtingen uit. De gravelwegen komen in rechte hoeken bij elkaar en vervolgen hun koers tot de volgende haakse ontmoeting. Er zijn barakken, containers en tenten in dezelfde kleur als het gruis. In de verte liggen de schanskorfmuren, balen met grind bij elkaar gehouden door vilt en gegalvaniseerde staalnetten, snel op te bouwen, snel af te breken. Er is niets wat je blik vangt of opzweept. De lucht trilt in de hitte als een voorbode van komende fata morgana’s. Als het derde peloton zich klaarmaakt de woestijn in te trekken om naar Camp Price te gaan, hangen hun scherfvesten, geweren en bepakking met een nieuw gewicht aan hen vast, die ze tijdens hun training niet hebben gemerkt. Nu wordt het ernst, denken ze. Verwachtingsvol luisteren ze naar het kloppen van hun hart.

Gele zone - Hannah draagt een legergroene tanktop, alle anderen in het derde peloton lopen met ontbloot bovenlijf rond. In Denemarken hebben ze de hele zomer aan hun kleurtje gewerkt, dus de witgloeiende zon van Helmand stoort hen niet. Sommigen hebben getatoeëerde lijven. Anderen hebben nog steeds lege ruggen, torso’s en armen die erop wachten te worden gevuld met kruisen, Deense vlaggen en doodshoofden, of met liefdesverklaringen aan de kameraadschap en abstracte principes, vaak met sierlijke letters in het Latijn geschreven. De lege plekken zijn gereserveerd voor eden van trouw aan het absolute of symbolen daarvan. Ze zijn een marcherend schilderijenkabinet, doeken die wachten op een penseel. Ze zijn allemaal winnaars. Zo denken ze over zichzelf, niet omdat ze ervan uitgaan dat ze een oorlog zullen winnen die al vele jaren bezig is. Ze zijn winnaars omdat ze zo ver zijn gekomen. Ze hebben de training doorstaan. Ze zijn goed genoeg. De verliezers zijn degenen die het onderweg moesten opgeven, omdat ze geen uithoudingsvermogen hadden of domweg niet begrepen wat discipline was. Ze konden dan misschien wel goed omgaan met een automatisch geweer, maar dat is niet genoeg als het er echt om gaat en als je niet snapt dat je ook verantwoordelijk bent voor de man naast je.

Het derde peloton heeft Camp Bastion achter zich gelaten en is gewend aan de nieuwe basis, Forward Operating Base Price, die net als vele andere bases naar een gesneuvelde soldaat is vernoemd. In tenten en containers heeft Camp Price plaats voor vijfhonderd man. Driehonderdvijftig van hen zijn Denen, de rest is Brits. Achter een omheining midden op de basis is een groep Amerikaanse commando’s gehuisvest. Een enkele keer laten de Amerikanen zich zien in het cookhouse, maar er is geen verkeer de andere kant op. Het is verboden Klein-Amerika te betreden. Uitzondering is de uitkijktoren, die zich tussen de tenten van de commando’s verheft en uitzicht biedt op de bergketens in de verte. De barakken in Camp Bastion zijn verruild voor grote donkerbruine tenten uitgerust met airconditioning, die met elkaar zijn verbonden door zwarte plastic roosters, die als paden op het grind zijn geplaatst. Ze zijn op hun eerste patrouille geweest, maar hebben nog niet gevochten. Het landschap is eentonig, behalve langs de rivieroevers, waar de dichtbevolkte Groene Zone ligt, het slagveld met zijn door muren omzoomde boerderijen, maïsvelden en houtwallen, een lemen labyrint vol mogelijke hinderlagen. Mondingsvuur hoort bij deze afwijzende architectuur uit de ijzertijd, en geweersalvo’s horen, net als het gemekker van de geiten en het geschreeuw van kinderen, bij het geluidsdecor. Daar zijn ze aan gewend. Het lawaai van de oorlog is een levensteken. Als ze op patrouille gaan, rijden ze in het midden van Highway 1. Alle verkeer wijkt uit naar de berm of blijft staan. Anders worden er lichtraketten afgevuurd en daarna waarschuwingsschoten. In hun pantserinfanterievoertuigen denderen ze langs twee rijen stilstaande voertuigen.

De angst voor auto- en bermbommen bepaalt hun aanpak. ‘In Irak konden we het verkeer niet dwingen om te stoppen,’ zegt Robert, een van de drie sergeanten van het peloton. Hij is in Irak geweest, niet in de zandbakken in het zuiden, Camp Eden of Camp Danevang, maar als werknemer van een Amerikaans beveiligingsbedrijf in Bagdad. Lijfwacht, gewapende escorte, transport, dat soort werk. Darksky heet de firma. Geen van hen heeft daar ooit van gehoord. Contractor noemt hij het zelf. ‘Huursoldaat,’ zegt Schrøder. In Irak reden ze in hun zilverglanzende Mitsubishi Pajero op de linkerbaan. Aanvallen kwamen altijd van achteren en de chauffeur was het kwetsbare punt. De aanvallers werden naar de passagierskant gedwongen. De achterklep stond open en daar stond een machinegeweer klaar. ‘Menselijke schilden,’ zegt Robert, die al snel wordt omgedoopt tot Irak-Robert. Hij spreekt op een toon alsof hij er alles vanaf weet. ‘Iedereen maakt gebruik van menselijke schilden. Dat deden wij ook. Als we een kruising naderden waarvan we wisten dat we er in een hinderlaag of op een bermbom konden rijden, wuifden we altijd het verkeer door. Auto’s vol gezinnen, vrouwen, kinderen, alles. Dan konden zij ervoor opdraaien. Dat was de standaardprocedure. Zo werkt overleven. Wees een klootzak of sterf.’’’
 

CLASSIC BEAUTIES

Ik ga u in twee afleveringen integraal het achtergrondverhaal geven van een tot 13 januari lopende tentoonstelling. Het gaat om Classic Beauties met de ondertitel van ‘Kunstenaars, Italië en de schoonheidsidealen van de 18de eeuw’ en de locatie is De Hermitage Amsterdam. Als u mijn beide verhalen tot u genomen hebt, beschikt u over voldoende bagage om de tocht te maken door de gelijknamige catalogus, die een lust voor het oog en een streling van het gemoed is. Ik citeer de paper: ‘Liefde voor klassieke oudheid - Heel Europa kijkt halverwege de achttiende eeuw met grote interesse naar de opgravingen in Pompeï, Herculaneum en Tivoli. De schoonheid van de kunstschatten die boven de grond komen slaat in als een bom. Ze worden de inspiratiebron voor kunstenaars en wakkeren een verzamelwoede onder de elite aan. Diezelfde elite begint vaker zelf opdrachten aan kunstenaars te verstrekken, en dat veroorzaakt een nieuw kantelpunt in de kunstgeschiedenis: vanaf nu kunnen kunstenaars vrijere keuzes maken. Er wordt uiterste perfectie nagestreefd: een goddelijke schoonheid, nóg verfijnder dan bij de Grieken en Romeinen. Met meer naakt, zij het nog een tikje preuts. Dit kantelpunt betekent de geboorte van het neoclassicisme. Neoclassicisme: een nieuwe wind -  De weelderigheid en heftigheid van de barok komt in het midden van de achttiende eeuw ten einde. Inspiratiebronnen voor de kunsten drogen op, er is behoefte aan nieuwe impulsen. De kunstschatten uit de klassieke oudheid met hun toegankelijke schoonheid bieden nieuwe schwung. Kunstenaars gaan erop teruggrijpen en zo wordt het neoclassicisme geboren. Italië, en Rome in het bijzonder, wordt het centrum van de artistieke vernieuwing.

Vanuit heel Europa reizen kunstenaars naar de Eeuwige Stad om inspiratie op te doen, de klassieken te bestuderen en hun vakmanschap te ontwikkelen. Het neoclassicisme blijft niet beperkt tot de Italiaanse kunstenaars, sterker nog: de stroming krijgt een heel internationaal karakter. Een andere ingrijpende verandering heeft te maken met het opdrachtgeverschap. Waar voorheen de Kerk, koningen en de allerrijksten de opdrachten verstrekten, komen nu ook de lagere adel en welgestelde burgers om de hoek kijken. Zij maken bij hun opdrachten dankbaar gebruik van , de klassieken, waardoor er opeens een veel breder scala aan mogelijke onderwerpen is dan alleen politieke of religieuze. Het neoclassicisme gaat daarin heel veer: het streeft naar pure, ideale schoonheid, die werkelijkheid overstijgt. De stroming is, bijna utopisch te noemen. De kunstenaar is veel vrijer om te kiezen wat hij schildert of beeldhouwt. Niet alle details krijgen evenveel aandacht, de nadruk wordt op specifieke onderdelen gelegd. De afgebeelde figuren worden niet zozeer levende personen, maar lijken wel een ziel te bezitten. Werken met naaktmodellen was niet gebruikelijk in de achttiende eeuw en werd vaak direct als immoreel geïnterpreteerd. Met de klassieke naakten als voorbeeld konden kunstenaars de bezwaren omzeilen en de weergave van het menselijk lichaam perfectioneren. Archeologische opgravingen bestonden al eerder. Al vanaf de late vijftiende eeuw vormde de antieke beeldhouwkunst het zwaartepunt van veel collecties in Italië. De meeste objecten die in en rond Rome gevonden werden, kwamen terecht in privécollecties van vooraanstaande families en in de eerste openbare musea op de Capitolijnse heuvel en in het Vaticaan. Toen begin achttiende eeuw veel lokale families aan rijkdom inboetten, kwamen hun collecties op de markt. Buitenlandse vorsten en edellieden profiteerden van het ruime aanbod en begonnen in te kopen.
Vanaf het midden van de achttiende eeuw begon men opgravingen grondig te documenteren en vooral publiceren. De gedetailleerde stadsgezichten van kunstenaar Giovanni Battista Piranesi worden massaal verspreid, ook in Europa. Kunstenaars en rijke jongelingen – ook vrouwen – beginnen op reis te gaan om de kunst van die wonderbaarlijke opgravingen zelf te aanschouwen.

Grand Tour - Op dat moment is de klassieke oudheid een rage geworden. Jonge welgestelden worden op een culturele kennismakingsreis gestuurd: de Grand Tour. De reis is zeker geen vakantie, het gaat ook om voorbereiding op goed leiderschap en kan tot wel twee jaar in beslag nemen. Op weg naar Rome worden andere belangrijke historische plaatsen in Europa bezocht. Vaak hangen de bezochte locaties en de periode in het jaar met elkaar samen. Pasen wordt bij voorkeur in Rome gevierd, Venetië is een goede plek voor carnaval. Vaak bezochten Grand Tourists ook Florence en Napels. Een bezoek aan die laatste stad lag voor de hand door de ligging vlak bij Pompeï en Herculaneum. De jongelingen doen ervaringen op voor het leven. Ze krijgen niet alleen de gelegenheid de kunst met eigen ogen te bekijken maar maken onderweg ook kennis met medereizigers, wat vruchtbare (handels)contacten oplevert. En uiteraard willen zij ‘de oudheid’ mee naar huis nemen. Ze kopen massaal klassieke en neoclassicistische kunst aan voor de landhuizen thuis. Ook op contemporaine kunstenaars heeft Rome een enorme aantrekkingskracht. De vraag naar reproducties van antieke beelden is zo groot dat veel beeldhouwers vrijwel uitsluitend nog kopiëren.

Voor de schilders is er een apart genre ontstaan, het Grand Tourist-portret. De reizigers laten zich door hun favoriete kunstenaars schilderen in een informele setting met een op de oudheid geïnspireerd decor. Sommige schilders zijn zo geliefd onder de reizigers dat er wachtlijsten ontstaan. Een schets van de reizigers wordt ter plekke gemaakt, het schilderij volgt naderhand en wordt opgestuurd. Naast beelden van mythologische figuren zoeken de verzamelaars portretten van Romeinse keizers om thuis een vorstengalerij te kunnen opstellen. Reliëfs van Romeinse askisten en sarcofagen zijn geliefd om hun decoratieve motieven en verhalende voorstellingen. Beelden worden zoveel mogelijk in gave staat gekocht. Daarom laten handelaren beschadigde beelden sterk restaureren en de ontbrekende delen vakkundig aanvullen door beeldhouwers. Een aantrekkelijk bezit is de complete reeks van ‘Twaalf Keizers’, Julius Caesar en de eerste elf keizers, bekend uit Suetonius’ reeks biografieën ‘Levens van de twaalf keizers’. Mist men een kop, dan wordt er een passend exemplaar gemaakt aan de hand van een voorbeeld in Rome. Door te leveren waar de klant naar vraagt, voorzien beeldhouwers in hun levensonderhoud. Vooral de in deze periode superrijke Engelse lords en Duitse vorsten, later ook de Russische aristocratie leggen zo imposante collecties aan, zoals die van Castle Howard in Yorkshire, die op de Wilhelmshöhe in Kassel en die in de Hermitage in St.-Petersburg. Souvenirs van de Grand Tour: prenten van Giovanni Battista Piranesi Piranesi, van huis uit architect, wordt vooral beroemd om zijn prenten met stadsgezichten van de Romeinse archeologische ruïnes. Zijn etsen worden in heel Europa goed verkocht en ontketenen een ware Ruïnenliebe, die het fenomeen Grand Tour vleugels geven. Zijn werk is vernieuwend, want hij reconstrueert de bouwwerken niet en kiest een ongebruikelijk standpunt op de ruïnes, wat een zeker drama uitlokt. Dit wordt nog versterkt door zijn intelligente gebruik van licht en schaduw. En door de kunst van het weglaten van veel details winnen de werken aan kracht. Zo heeft hij het beeld van Rome in de achttiende eeuw bepaald.
Van Piranesi is in de tentoonstelling een vijftal etsen te zien, die halverwege door vijf andere gravures worden vervangen.

‘Graaf en gravin van het Noorden’ - Een beroemd echtpaar dat op Grand Tour gaat, zijn grootvorst Pavel Petrovitsj, de latere tsaar Paul I, en zijn vrouw Maria Fjodorovna. Pavels moeder Catharina de Grote, stuurt hen in 1781–82 op reis. De tsarina hoopt dat haar zoon op de reis vaardigheden leert om een goed vorst te kunnen worden. Zij reizen incognito onder de naam ‘graaf en gravin van het Noorden’ (comte et comtesse du Nord) door Midden-Europa naar Italië. Er zijn bezoeken aan diverse vorsten om zowel diplomatieke als persoonlijke banden aan te knopen. Ze leren over landsbestuur en legeraanvoering en maken kennis met invloedrijke filosofen en culturele grootheden. Hun reis is als het ware een brede stage. In Italië worden zij begeleid door ciceroni, gidsen die in hoge kringen verkeren, goed op de hoogte zijn van de actualiteiten en ware kunstkenners zijn. Pavel en Maria worden onder meer meegenomen door Johann Friedrich Reiffenstein, die vooral onder Duitse reizigers erg geliefd is en die door Catharina is aangesteld als adviseur, en de Duitse landschapschilder Jacob Philipp Hackert, die het echtpaar rondleidt in Tivoli, het antieke lustoord nabij Rome.

De reis is ook aanleiding om kunst aan te kopen en in opdracht te geven bij de belangrijkste kunstenaars van dat moment. Pavel en Maria kopen tijdens hun reis onder meer werken van Hackert, Angelika Kauffmann en Pompeo Batoni, alsmede een aantal sculpturen. Tussen barok en neoklassiek: Pompeo Batoni -Batoni geboren in Lucca als zoon van een goudsmid, vertrekt al vroeg naar Rome. Net als alle jonge kunstenaars in die tijd bestudeert hij de klassieken en renaissancekunstenaars zoals Rafaël. In zijn werk past hij de strakke klassieke lijnen toe, maar grijpt ook terug naar de renaissance en de vroege barok. Met die mengstijl maakt hij furore en zo rond 1750 reikt zijn roem tot ver buiten Italië. Batoni ontvangt opdrachten uit de hoogste kerkelijke kringen en de meest gerenommeerde hoven van Europa. De Grand Tourists, vooral die uit Engeland, willen graag worden vereeuwigd door deze befaamde schilder. In 1750 vestigt Batoni zich met zijn grote gezin in een huis vlak bij de Spaanse Trappen, midden in de kunstenaarswijk. Die wijk is dan al dé bestemming in menig Grand Tour, zoals die van graaf Kirill Razoemovski, die in 1766 zijn ‘Hercules op een tweesprong’ aanschaft en Batoni zijn portret laat schilderen. Paul en Maria kopen tijdens hun reis Batoni’s monumentale schilderij ‘De Heilige Familie’. Naast twee andere grote doeken van hem zijn deze werken te zien in de tentoonstelling.’


WAAROM SCHRIJVEN?

Ik vlij voor u neer een macht en een pracht collectie van geschriften die als non-fictie een inleiding en een aanvulling zijn op de fictieve werken van een onlangs overleden schrijver. Anders gezegd, ik leg op uw leestafel de in druk verschenen en de niet eerder gepubliceerde essays van Amerika’s grootste naoorlogse auteur, die het vooral over de thema’s Amerika, de Joodse middenklasse en de woekerende drang naar seks met zijn lezers wilde hebben. Ik heb het over de 520 bladzijden tellende hardcover Waarom schrijven? van Philip Roth en De Bezige Bij met de ondertitel ‘Verzamelde non-fictie 1960-2013’. In de voorbije decennia mocht het met u hebben over Roths werken als Portnoy’s klacht, De ghostwriter. Amerikaanse pastorale, De menselijke smet en Het complot tegen Amerika. Ik prijs u en mij gelukkig dat wij deze boeken tot ons mochten nemen. Met een knipoog naar de voor velen komende vrije weken geef ik nu integraal het voorwoord van Philip Roth en laat dat vooraf gaan door de tekst van de uitgever op de wikkel van Waarom schrijven?. Op uw vakantie uit of thuis is het goed toeven met deze non-fictie, die de fictie nog beter doet vatten.

De Bezige Bij: ‘Naast zijn ongeëvenaarde literaire carrière heeft Philip Roth ook veel non-fictie geschreven over een groot aantal onderwerpen, waaronder de schrijvers die hij bewondert, zijn eigen werk, het creatieve proces en de Amerikaanse cultuur. In Waarom schrijven? wordt voor het eerst al dit werk verzameld in een band. Het bevat de eerder verschenen essaybundels ‘Lectuur van mijzelf en anderen’ en ‘Over het vak’, maar ook veel stukken die ofwel herzien zijn, of nooit eerder gepubliceerd. Waarom schrijven? geeft een prachtig beeld van de gedachtewereld van een van Amerika's grootste schrijvers en is onmisbaar voor de literatuurliefhebber in het algemeen, en voor de vele fans van Philip Roth in het bijzonder.’

Philip Roth: ‘De eerste hier afgedrukte teksten behoren tot een vroege en omstreden periode van mijn schrijversloopbaan. Ze zijn opgenomen voor de goede orde – in mei 2014, vijfenvijftig jaar nadat mijn verhaal ‘Defender of the Faith’ in ‘The New Yorker’ was verschenen en prompt door massa’s joodse lezers van dat tijdschrift als beledigend voor joden werd beschouwd, ontving ik een eredoctoraat van de Jewish Theological Seminary dat, naar ik vertrouw, het einde betekende van het antagonisme van joodse instanties en het joodse establishment dat begonnen was toen ik omstreeks mijn vijfentwintigste mijn carrière als gepubliceerd schrijver begon. De publicatie van ‘Portnoy’s Complaint’ (1969) – dat een veel groter lezerspubliek bereikte dan enig ander boek van mijn hand daarna nog zou doen – deed bijzonder weinig om dit conflict te verzachten en verklaart waarom hier verschillende stukken worden herdrukt waarin de oorsprong van dat controversiële boek, de verbazingwekkende ontvangst die het te beurt viel en de blijvende invloed ervan op mijn reputatie in sommige kringen, zoal niet langer als antisemiet dan toch, nauwelijks minder kwetsend, als vrouwenhater, worden onderzocht. (Zie het interview met ‘Svenska Dagbladet’.)

Zevenentwintig van mijn eenendertig gepubliceerde boeken zijn romans. Behalve Patrimony (1991), waarin mijn vaders terminale ziekte en dood worden beschreven, en The Facts (1988), een korte autobiografie over mijn ontwikkeling als schrijver, vindt de non-fictie die ik geschreven heb voornamelijk haar aanleiding in een provocatie – een antwoord op de beschuldigingen van antisemitisme en joodse zelfhaat – of een verzoek om een interview door een serieuze periodiek, of een bevestiging van mijn aanvaarding van een prijs, of ter gelegenheid van een belangrijke verjaardag of het overlijden van een vriend.

Het stuk over Franz Kafka waarmee dit boek begint, werd geschreven nadat ik met veel plezier een semester had doorgebracht aan de universiteit van Pennsylvania met het geven van colleges over alle grote fictiewerken van Kafka, samen met zijn gekwelde Brief aan vader en zijn biografie door Max Brod. Dit hybride essay-verhaal was een eerste proeve van een benadering die ik in uitgebreidere vorm weer zou toepassen in The Ghost Writer (1979) en The Plot Against America (2004): het verzinnen van de geschiedenis zoals die niet werkelijk is gebeurd, zoals in ‘I Always Wanted You to Admire My Fasting’ door het illusoire oproepen van Kafka’s jaren in Amerika als een – mijn – leraar Hebreeuws, en jaren later door het verzinnen van alternatieve biografieën van Anne Frank en vervolgens van Charles Lindbergh en van mijn eigen naaste familie. In het essay ‘Mijn uchronie’, geschreven voor ‘The New York Times Book Review’ als begeleiding van de bespreking van ‘The Plot Against America’, leg ik uit welke strategieën ik heb gebruikt om een geloofwaardige werkelijkheid te maken van een denkbeeldig Amerika in de jaren 1940 dat zich onder president Lindbergh met nazi-Duitsland had gelieerd. Van 1977 tot 1988 woonde ik de helft van elk jaar in Londen en vanuit die standplaats ontstonden de belangrijke interviews in ‘Shop Talk’ (‘Over het vak’ [2001]) dat hier in zijn geheel is herdrukt. Ivan Klíma in Praag, Milan Kundera in Praag en Parijs (en Londen en Connecticut), Primo Levi in Turijn, Aharon Appelfeld in Jeruzalem, Edna O’Brien in Londen – al deze belangrijke schrijvers waren hoogstens een paar uur vliegen van mijn huis in Londen verwijderd, dus kon ik in die jaren gemakkelijk heen en weer reizen en de vriendschappen cultiveren en genieten waaruit deze gesprekken zijn ontstaan. Aan Ivan en Milan was ik in 1973 al voorgesteld, vijf jaar na het echec van de Praagse Lente, in het totalitaire communistische Praag, en in de toespraak ‘Een Tsjechische leerschool’, gehouden voor de Amerikaanse pen in 2013, geef ik een beeld van de beladen omstandigheden van onze ontmoetingen na die tijd.

Toen ik naar Italië ging om Primo Levi te ontmoeten bij hem thuis in de herfst van 1986, hadden we elkaar in het voorjaar al gesproken in Londen, waar hij een aantal lezingen kwam geven en waar een gemeenschappelijke vriend ons had samengebracht. Wat een ‘gezonde, evenwichtige’ indruk maakte hij op mij, die vier dagen waarin we urenlang praatten in zijn studeerkamer in Turijn. Wat een levendige, opgewekte man! Benijdenswaardig geworteld, zo beschreef ik hem in de inleiding tot ons gesprek, ‘grondig aangepast aan de totaliteit van het leven om hem heen’. In de maanden die volgden op mijn bezoek, waarin wij contact hielden via e-mail en ik hem uitnodigde mij in Amerika te komen bezoeken wanneer ik het volgende jaar thuis zou zijn – geloofde ik een nieuwe, fantastische vriend te hebben gemaakt. Maar de vriendschap zou zich nooit kunnen ontwikkelen. In het voorjaar pleegde hij zelfmoord, deze grote schrijver die ik nog maar een paar maanden tevoren op grond van zijn alerte, levendige manier van doen voor zo gezond en levenslustig en geworteld had gehouden.

Het boek eindigt met een toespraak die ik op 19 maart 2013 heb gehouden tijdens de viering van mijn tachtigste verjaardag in mijn geboorteplaats Newark, in het Billy Johnson Auditorium van het Newark Museum, voor een gehoor van enkele honderden gasten en vrienden. Ik heb nog nooit zó van een verjaardag genoten. Onder de aanwezigen waren sommige van mijn oudste, levenslange vrienden, jongens met wie ik in de wijk Weequahic van Newark was opgegroeid, en vele van de talrijke andere vrienden die ik in de loop van een heel leven overal heb gemaakt. De avond werd georganiseerd door de Philip Roth Society en het Newark Preservation and Landmarks Committee, en mijn praatje werd voorafgegaan door opmerkingen over mijn werk door Jonathan Lethem, Hermione Lee, Alain Finkielkraut en Claudia Roth Pierpoint. Ik werd ingeleid door de grote Ierse romanschrijfster Edna O’Brien, met wie ik al decennia bevriend ben en die, misschien tot verbazing van sommige aanwezigen maar niet van mij, zei: ‘De beslissende invloed op hem zijn zijn ouders, zijn vader Herman, de hardwerkende jood in een niet-joodse verzekeringskolos, en de moeder die trouw het huishouden bestierde.’ Ik besloot mijn toespraak die avond (‘De meedogenloze intimiteit van fictie’) met het voorlezen van een fragment uit ‘Sabbath’s Theater’, een scène uit het laatste deel van de roman waarin Mickey Sabbath, meer dan ooit geïsoleerd en dieper dan ooit in de rouw, de dodenakker aan de kust bezoekt waar al zijn geliefde familieleden begraven liggen. Een van hen is Morty, de oudere broer die hij aanbad, die met zijn bommenwerper boven de door Japan bezette Filippijnen was neergeschoten, slechts enkele maanden voor het einde van de Tweede Wereldoorlog, toen Sabbath nog een kwetsbare jongen was – het is dan ook deze onvoorstelbare slag die hem treft in zijn kinderjaren die voor Sabbath voor alles wat daarna komt bepalend zal zijn. Deze scène op de begraafplaats eindigt ermee dat Sabbath op elk van hun zerken een kiezelsteentje legt en met een gemoed vol van de tederste herinneringen aan hen allen heel eenvoudig tegen zijn doden zegt: ‘Hier ben ik.’ Dat zeg ik nu ook. Hier ben ik, zonder de vermommingen en verzinsels en kunstgrepen van de roman. Hier ben ik, ontdaan van de goocheltrucs en ontbloot van al die maskers die mij de vrijheid van verbeelding hebben geschonken die ik als schrijver van fictie heb kunnen opbrengen.’

 

EEN ZOMERKWINTET

Op de valreep van de voor velen van ons vrije weken geef ik u het thema van een kwintet pas verschenen werken. Ik gebruik daarvoor de tekst van de uitgever op de omslag. De ons bekende uitgeverijen staan garant voor de beloofde inhoud in hun boeken. Ik noteer titel, schrijver, ondertitel of genre en uitgever. Uw periode van vrijaf zal door deze pas verschenen publicaties nog meer diepgang krijgen. Wij komen over deze vijf nog met elkaar te spreken. U kunt echt uw voordeel doen met deze titels.
 
De zee van meneer Max – Liebermann - Annette Fienig en Koos Meinderts – Kunstprentenboek – Leopold
Meneer Max schetst overal en iedereen die hij tegenkomt. Ook de meisjes van het Burgerweeshuis. Hij wil een portret van een van hen maken, maar dat vindt de directrice niet goed. Hij mag wel een kostuum lenen, zodat hij een echt net meisje kan schilderen.  "Nee,' zegt meneer Max. "Ik schilder mensen zoals ze zijn.' Martha's moeder is dood. En haar vader? "Hij is op zee,' zegt ze. De zee die ze nog nooit heeft gezien. Meneer Max neemt de meisjes een dagje mee naar het strand. Max Liebermann is Duitslands bekendste impressionistische schilder. Aan het begin van zijn carrière kwam hij naar Nederland om het werk van Frans Hals te bestuderen. Hij raakte bevriend met de schilders van de Haagse School en keerde jaar na jaar terug om naast sociale onderwerpen zijn geliefde Noordzee te schilderen. 

Natuurbescherming als hartstocht – Frank Saris – Victor Westhoff (1916-2001) – ISVW Uitgevers
Victor Westhoff was een Nederlands bioloog en natuurbeschermer. Als geen ander bracht hij na de oorlog een doorbraak teweeg in het denken over natuurbescherming en natuurbeheer. Hij was pionier en koploper in uiteenlopende vakgebieden als plantensociologie, vegetatiekunde en natuurbehoud en schreef invloedrijke boeken over planten in het Nederlandse landschap.
Als autoriteit op het terrein van de natuurbescherming zijn de denkbeelden van Westhoff over het ingrijpen van de mens in zijn omgeving nog steeds van groot belang. Het voortbestaan van onze natuur ging Westhoff na aan het hart, niet alleen omdat zij een eigen recht op leven heeft maar ook omdat zij de hoogste en meest directe bron van schoonheid vormt. Hij schreef hierover vele bloemrijke gedichten. Een uniek mens van wie tot op heden nog geen biografie was verschenen. Die omissie vult Natuurbescherming als hartstocht op.

Patriotten – Pascal Engman – Thriller – Uitgeverij Q
Er breekt paniek uit in Stockholm wanneer blijkt dat een prominente journalist vermoord is omdat ze zich voor multiculturalisme en tegen extreemrechts had uitgesproken. Haar collega's bij de krant ontvangen dagelijks doodsbedreigingen op sociale media en vrezen voor hun leven.
De extremist die verantwoordelijk is voor de moord vindt dat Zweden door leugens van de media nog steeds niet doorheeft hoe groot de dreiging van de islam is, en gaat verder met de volgende fase van het plan. Tot de bloedstollende ontknoping is niemand meer veilig in Stockholm. Patriotten is een donkere actiethriller over wat er kan gebeuren als extremistische dreigementen op sociale media in de praktijk worden gebracht. In dit debuut van Zweeds thrillertalent Pascal Engman worden politieke en sociale maatschappelijke angsten werkelijkheid.

 

Het Amsterdam van Johan Cruijff – Sytze de Boer – Wandelgids – Nieuw Amsterdam
Waar in Amsterdam werd Johan Cruijff geboren? Waar ging hij naar school? In welke Amsterdamse huizen woonde hij? Waar leerde hij zijn grote liefde Danny kennen? Het Amsterdam van Johan Cruijff is een rijk geïllustreerd boek vol interessante verhalen en anekdotes over de Amsterdamse jaren van Johan Cruijff. Met Johan gaan we terug naar de jaren vijftig in Amsterdam-Oost, de swinging sixties rond het Leidseplein en de historische voetbalgrond die nog steeds in het Olympisch Stadion ligt. Het Amsterdam van Johan Cruijff voert ons van Betondorp naar het centrum van de stad, van de Jordaan naar Amsterdam-Zuid, en we maken ook nog een uitstapje naar Vinkeveen. Uiteraard brengt het boek ons in de Amsterdam ArenA, die vanaf medio 2018 als eerbetoon aan de bekendste Amsterdammer een nieuwe, trotse naam draagt: Johan Cruijff ArenA.


 

Moord op Spinoza – prof. Dr. David Pinto en prof. Dr. Paul Cliteur – De opstand tegen Verlichting en Moderniteit – Aspekt
Met Moord op Spinoza bedoelen wij dat het modernistische wereldbeeld dat hij introduceerde, tegenwoordig, geheel tegen alle verwachtingen in, zwaar onder druk staat. Bijna wekelijks vindt er wel een aanslag plaats die wordt opgeëist door IS of een andere islamitisch-terroristische groepering. Die aanslagen worden gemotiveerd door de terroristen zelf onder verwijzing naar een premodern, meer specifiek theoterroristisch, wereldbeeld. Zij spreken in negatieve termen over democratie en willen die vervangen door een theocratie. Zij bekritiseren individuele rechten van de mens en komen op voor de rechten van Allah. Ook het integratiebeleid in westerse samenlevingen staat aan een voortdurende kritiek bloot. Leiders als Erdogan geven onverbloemd aan dat de Duitse Turken zich helemaal niet dienen aan te passen aan de Duitse rechtsorde. Soortgelijke opmerkingen maakt ook de koning van Marokko. Marokkanen moeten Marokkanen blijven en vooral geen westerlingen worden.
 

 

CULTUURMIX 25 JUNI 2018

Papendrecht 25-06-2018

VERWARRING

Ik leg virtueel bij uw reisbagage in de hal, op de leestafel naast uw bankstel, op het krukje naast uw ligstoel in de tuin het derde deel van de autobiografische romanreeks De Cazalets. Ik ga u derhalve heerlijke leesuren bezorgen in de vakantieweken, die voor velen van u in het verschiet liggen. Het gaat om de 490 bladzijden tellende paperback Verwarring van Elizabeth Jane Howard en Atlas Contact. Eerder mocht ik het met u hebben over de eerste twee delen Lichte jaren en Aftellen en als reminder geef ik het Voorwoord van de in 2014 overleden Engelse schrijfster. Ook reik ik de tekst van de omslag en van de eerste twee pagina’s aan, opdat u in de stemming van Verwarring komt. De volgende keer vertel ik iets over de eigen leeservaringen. Of u nu thuis blijft of elders gaat, met dit kostuumdrama zit u gebakken. 

Elizabeth Jane Howard: ‘De volgende achtergrondinformatie is bedoeld voor de lezers die Lichte jaren en Aftellen, de eerste twee delen van deze kroniek, niet hebben gelezen. William en Kitty Cazalet, die door hun familie de generaal en de baronie worden genoemd, brengen de oorlog door in Home Place, hun landhuis in Sussex. De generaal is nu nagenoeg blind en gaat vrijwel nooit meer naar Londen om de scepter te zwaaien over de houthandel van de familie. Ze hebben drie zonen en een ongetrouwde dochter, Rachel. De oudste zoon, Hugh, is getrouwd met Sybil en heeft drie kinderen: Polly, Simon en William (Wills). Polly krijgt thuisonderwijs, Simon zit op kostschool en Wills is vier. Sybil is al enige maanden erg ziek. Edward is getrouwd met Villy en heeft vier kinderen. Louise is aan het bezwijken voor de liefde – met Michael Hadleigh, een geslaagde portretschilder, ouder dan zij en nu bij de marine – in plaats van een carrière als actrice na te jagen. Teddy staat op het punt bij de raf te gaan. Lydia volgt thuisonderwijs en Roland (Roly) is een peuter. Rupert, de derde zoon, is al sinds Duinkerken in 1940 vermist in Frankrijk. Hij was getrouwd met Isobel, met wie hij twee kinderen heeft gekregen, Clary, die met haar nichtje Polly thuis les krijgt (maar Polly en zij willen graag naar Londen om een volwassen leven te gaan leiden), en Neville, die op een voorbereidende kostschool zit. Isobel is bij de geboorte van Neville overleden, en Rupert is vervolgens getrouwd met Zoë, die veel jonger is dan hij. Kort na zijn verdwijning heeft ze een dochter gekregen, Juliet, die hij nooit heeft gezien. Rachel leeft voor anderen, wat haar boezemvriendin Margot Sydney (Sid), een vioollerares uit Londen, vaak moeilijk vindt. Edwards vrouw Villy heeft een zuster, Jessica Castle, die is getrouwd met Raymond. Ze hebben vier kinderen. Angela, de oudste, woont in Londen en heeft de neiging zich in ongelukkige liefdesaffaires te storten; Christopher heeft een zwakke gezondheid en leidt nu met zijn hond een teruggetrokken bestaan in een woonwagen. Hij werkt op een boerderij. Nora is verpleegster en Judy zit op kostschool. De Castles hebben wat geld en een huis in Surrey geërfd. Juffrouw Milliment is de hoogbejaarde gouvernante van de familie: ze is begonnen met Villy en Jessica, en geeft nu les aan Clary, Polly en Lydia. Diana Mackintosh, een weduwe, is Edwards meest serieuze minnares. Ze verwacht een kind. Edward en Hugh hebben allebei een huis in Londen, maar dat van Hugh in Ladbroke Grove is het enige huis dat op dit moment wordt bewoond. Aftellen eindigde met het nieuws dat Rupert nog leefde en met de Japanse aanval op Pearl Harbor. Verwarring begint in maart 1942, kort nadat Sybil is overleden.’

Atlas Contact: In Verwarring van Elizabeth Jane Howard staan de lange, donkere jaren van de oorlog centraal, met voedselschaarste, de constante dreiging vanuit de lucht, berichten van gesneuvelde vrienden en geliefden. De chaos op het wereldtoneel wordt weerspiegeld in de turbulente privélevens van de Cazalets, die de oorlog grotendeels doorbrengen op het familielandgoed Home Place. Tot ieders verbazing stort de eigenzinnige Louise zich in een ongelukkig huwelijk met de veel oudere, ambitieuze Michael – die meer geïnteresseerd is in zijn officierscarrière, en in zijn moeder, dan in zijn jonge bruid. Polly moet wennen aan het leven na de dood van haar geliefde moeder. Zoë begint een affaire met een getroebleerde Amerikaan. Terwijl Clary probeert de hoop levend te houden dat haar vermiste vader Rupert ooit ongedeerd uit Frankrijk terug zal keren. De Cazalets: voor de liefhebbers van Downton Abbey.

Elizabeth Jane Howard: ‘Deel 1 Polly Maart 1942 De kamer was een week dicht geweest; de calicot zonwering voor het raam op het zuiden met uitzicht op de voortuin was neergetrokken; de koude muffe lucht werd overgoten door een perkamentkleurig licht. Ze ging naar het raam en trok aan het koord; het scherm schoot met een klap omhoog. De kamer lichtte op tot een kille tint grijs – fletser dan de stormachtige wolkenlucht. Ze bleef even bij het raam staan. Kluitjes narcissen stonden akelig fleurig onder de apenboom te wachten tot ze drijfnat en geknakt zouden worden door het maartse weer. Ze ging naar de deur en deed hem op slot. Elke onderbreking zou onverdraaglijk zijn. Ze zou in de kleedkamer een koffer pakken en vervolgens zou ze de hangkast en de laden uit de rozenhouten kast bij de kaptafel leeghalen.

Ze pakte een koffer – de grootste die ze kon vinden – en legde hem op het bed. Er was haar gezegd dat ze nooit een koffer op een bed mocht leggen, maar dit bed was ontdaan van zijn beddengoed en zag er onder zijn sprei zo vlak en verlaten uit dat het er niet toe leek te doen. Maar toen ze de hangkast opentrok en de lange rij opeengepakte kleren zag, durfde ze ineens niets aan te raken – het was net alsof ze daardoor medeplichtig zou worden aan het onverbiddelijke vertrek, de verdwijning in haar eentje, voorgoed en hoewel niemand dat wilde, van alweer een week geleden. Het hoorde allemaal bij haar onvermogen om dat voorgoed tot zich te laten doordringen: je kon onmogelijk geloven dat iemand er niet meer was, het was het feit dat diegene nooit meer zou terugkomen dat zo moeilijk was. De kleren zouden nooit meer worden gedragen en nu hun voormalige eigenaar er niets meer aan had, konden ze slechts pijnlijk zijn voor anderen: of eigenlijk voor één ander. Ze deed dit voor haar vader, zodat hij, wanneer hij terugkwam van zijn reis met oom Edward, niet aan haar zou worden herinnerd door onbeduidende, hopeloze bezittingen. Ze trok er in het wilde weg enkele hangertjes uit: ze werd overweldigd door vleugjes sandelhout – samen met de flauwe geur die ze associeerde met haar moeders haar. Daar was de jurk in groen, zwart en wit die haar moeder had gedragen toen ze twee zomers geleden met haar naar Londen was gegaan, de beigegrijze mantel en rok van tweed die haar altijd te groot of te klein hadden geleken, de stokoude groene zijden japon die ze vroeger had gedragen wanneer ze een avond alleen was met pap, het jasje van velours fleuré met knopen van marcasiet dat ze haar concertjasje had genoemd, de olijfgroene linnen jurk die ze had gedragen toen ze Wills verwachtte – lieve help, die moest vijf jaar oud zijn. Ze had kennelijk alles bewaard: kleren die haar niet meer pasten, avondjurken die niet meer waren gedragen sinds de oorlog was uitgebroken, een winterjas met een kraag van eekhoornbont die ze nog nóóit had gezien… Ze haalde alles eruit en legde het op het bed. Helemaal achteraan hing een versleten groene zijden kimono die een jurk van goudlamé omhulde, een van paps nuttelozere kerstcadeaus van heel lang geleden, herinnerde ze zich vaag, die die ene avond opgelaten was gedragen en daarna nooit meer. Er zaten geen echt mooie kleren bij, dacht ze treurig: de avondjurken waren weggekwijnd doordat ze te lang waren blijven hangen zonder te zijn gedragen, de kleren voor overdag waren afgedragen tot ze dun waren of glommen of vormloos of iets anders waren wat ze niet hóórden te zijn. Het waren in feite allemaal kleren voor liefdadigheidsbazaars, wat volgens tante Rach het beste was wat ermee kon gebeuren, ‘hoewel je alles moet houden wat je wilt, lieve Polly,’ had ze eraan toegevoegd. Maar ze wilde niets hebben, en zelfs als ze dat wel had gewild, had ze, wat het ook geweest was, nooit kunnen dragen vanwege pap’.


DARWIN IN DE STAD

Een boek met een opzienbarende en horizon verleggende titel en ondertitel leg ik voor  u op de leestafel. Hoewel dat ‘opzienbarende’ en ‘horizon verleggende’: sinds een blauwe reiger op het dak van onze garage achterin de tuin geregeld zijn opwachting maakt, is het ook weer niet zo verwonderlijk. Het gaat om de 352 bladzijden tellende, relevant geïllustreerde paperback Darwin in de stad van Menno Schilthuizen en Atlas Contact met de subtitel ‘Evolutie in de urban jungle’. In het eerste chapiter ‘Voorstad’ zet Schilthuizen uiteen wat zijn optie is voor dit boek. Ik geef u het betreffende stuk aan u door en laat dat vooraf gaan door de tekst van de uitgever op de omslag. Na de lezing door u en mij gaan wij woorden wijden aan dit bericht van een bioloog. Atlas Contact: In Darwin in de stad laat bioloog en hoogleraar Menno Schilthuizen zien hoe verstedelijking de evolutie van de natuur en dieren stuurt. In de toekomst leeft immers driekwart van de mensheid in de stad en gaat verstedelijkte omgeving steeds meer ruimte innemen. Een groot deel van de rest van het aardoppervlak is nodig voor landbouw, dus waar gaat de natuur dan naartoe? Naar de stad, toont Schilthuizen aan in dit wonderlijke en verrassende boek. En wanneer de natuur naar de stad gaat, neemt de evolutie een aparte wending. Stadsdieren worden brutaler en vindingrijker, stadsduiven ontwikkelen een detox-verenkleed en onkruid op straat krijgt een heel eigen type zaden. Dankzij evolutionaire aanpassing die zich voltrekt met snelheden waar Darwin niet van had durven dromen, raken mens en stadsnatuur steeds beter op elkaar ingespeeld en wordt een nieuw hoofdstuk in de evolutie van het leven op aarde ingeluid. Een hoofdstuk waarin, helaas, veel biodiversiteit verdwijnt, maar ook splinternieuwe dier- en plantensoorten het licht zullen zien.

Menno Schilthuizen: ‘Het beestje is perfect gevormd. Een mirakel van nanotechnologie klaar voor zijn kortstondige bezoek aan de wereld. Ragfijne vleugels, nog niet gerafeld, liggen netjes opgevouwen over het beheerst ademende achterlichaam. Zes gloednieuwe spillebenen, elegant geplaatst op de stoffige muur — elk nog bestaand uit negen afzonderlijke segmenten en nog niet gereduceerd door hardhandige ontmoetingen met ventilatorwieken of de voorpoten van springspinnen. Het goudfluwelen borststuk, een klomp waarbinnen alle kracht van de vliegspieren ligt samengeperst, is zo groot dat je amper het onbewogen aangezicht kunt zien waarachter een miniatuurbrein de binnenkomende en uitgaande signalen orkestreert van de antennes, de palpen, de alziende ogen en de acht in elkaar grijpende schedes van een parasitaire zuigsnuit. Ik sta in een warme en drukke voetgangerstunnel in metrostation Liverpool Street in Londen, met mijn bril in de hand en mijn neus tegen de betegelde muur gedrukt dit fraaie, vers ontslopen exemplaar van de molestusmug,’ Culex molestus’, te bewonderen. Maar langzaam ontwaak ik uit mijn entomologische dagdroom. Niet alleen vanwege de gehaaste voorbijgangers die me nog net kunnen ontwijken met een plotse manoeuvre en een gemompeld ‘pardon!’ dat eerder beschuldigend dan verontschuldigend klinkt, maar ook omdat ik me bewust word van de beveiligingscamera’s en het herhaaldelijk omgeroepen advies om verdacht gedrag vooral te melden. Voor een bioloog is de binnenstad niet direct een plek voor professionele activiteiten. De ongeschreven regel onder biologen is toch dat je de grote stad afdoet als noodzakelijk kwaad waar je je zo weinig mogelijk begeeft. De echte wereld ligt daarbuiten, in bos, vallei en veld. Waar je de wilde natuur vindt. 

Maar als ik heel eerlijk ben moet ik toegeven dat ik eigenlijk wel van steden houd. Niet zozeer de steriele, georganiseerde, goedgeoliede delen van de stad, maar eerder het rauwe organische weefsel, dat hier en daar, in vergeten hoekjes, achter de rafelranden der cultuur tevoorschijn komt – de stedelijke onderbuik waar het artificiële en het natuurlijke elkaar ontmoeten en ecologische verhoudingen met elkaar beginnen. Kijk je met een biologenblik naar het drukke, schijnbaar kunstmatige hart van de stad, dan zie je een bruisende zee van mini-ecosysteempjes. Zelfs in de schijnbaar levenloze, hermetisch met baksteen en beton afgedekte straten van Bishopsgate neem ik levensvormen waar die zich ondanks alles weten te handhaven. Hier een leeuwenbek die uitbundig bloeit vanuit een onzichtbare barst in de gepleisterde muur van een viaduct. Daar de misselijkmakende chemie tussen cement en een lekkend riool waaruit melkkleurige pegels geboren worden, die dan weer dienstdoen als ankerpunten voor de beroete draden van spinnenwebben. De smaragdkleurige aders van het mos dat tevoorschijn komt in de spleten tussen gebarsten gewapend glas en het ijzeren frame, wedijverend met de roestblaren die zich van onder de rode loodmenie naar boven worstelen. Stadsduiven met pootaandoeningen balanceren wankel tussen de plastic antiduivenprikkers op een dakrand. (Iemand heeft vlak erbij een sticker geplakt waarop een woedende duif met gebalde vleugelvuisten staat, die uitroept: ‘Antiduivenprikkers vormen een cynische onderdrukking van ons recht op samenscholing. Onze strijd is nog niet voorbij!’). En een mug dus, op de muur van een voetgangerstunnel in een metrostation. Niet zomaar een mug.

‘Culex molestus’ staat bekend als de Londense metromug. Hij kreeg die naam in de eerste plaats omdat hij de Londenaren teisterde die zich tijdens de Duitse bombardementen in 1940 schuilhielden op de perrons en de rails van de Central Line in het station Liverpool Street. Later, in de jaren negentig van de twintigste eeuw, deed de mug opnieuw van zich spreken toen hij de interesse wekte van geneticus Katharine Byrne van de University of London. Byrne ging mee met onderhoudsploegen op hun dagelijkse rondes door de catacomben van het metronetwerk van de stad. Ze begaven zich in de diepste krochten van het tunnellabyrint waar de bakstenen wanden bedekt zijn met kluwens polsdikke elektriciteitskabels, diepzwart van het stof van de remschoenen van de treinen, en waar de enige plaatsindicaties de mysterieuze codes zijn die met krijt, spuitbus of op oude geëmailleerde plaatjes zijn aangebracht. Dit is het domein van de Londense metromug. Hij doet zich tegoed aan het bloed van de forensen en legt zijn eitjes in overstroomde putten en schachten – en dat is dan ook waar Byrne de muggenlarven verzamelde.

Ze nam monsters van larvenhoudend water van zeven verschillende plekken op de Central, Victoria en Bakerloo Line, bracht ze naar haar laboratorium en wachtte vervolgens af tot ze zich ontpopten als volwassen muggen (zoals die ene die ik zag zitten op de muur van het metrostation). Daarna isoleerde ze er eiwitten uit voor een genetische analyse. Twintig jaar geleden zag ik haar op een congres in Edinburgh een presentatie geven over haar onderzoek. En hoewel haar publiek bestond uit door de wol geverfde evolutiebiologen wist ze ons allemaal te verrassen. Ten eerste bleken de ondergrondse muggen in elke van de drie metrolijnen genetisch verschillend van elkaar. Dat kwam, vertelde Byrne, doordat de metrobuizen afzonderlijke werelden zijn, en de wolken muggen in de tunnels van elke lijn rondgepompt worden door de zuigerwerking van de rondrijdende metro’s in hun nauw passende tunnels. De enige manier waarop de muggen van de Central, Bakerloo en Victoria Line genetisch met elkaar vermengd zouden kunnen raken, legde ze uit, was ‘als ze allemaal telkens zouden overstappen in station Oxford Circus’. Maar er was meer. De metromuggen bleken ook genetisch te verschillen van hun bovengrondse verwanten. Niet alleen in hun eiwitten, maar ook in hun levenswijze. Daarboven, in de Londense straten en stadsparken, zuigt dit type muggen alleen bloed van vogels, niet van mensen. Daar hebben ze ook een bloedmaaltijd nodig voordat ze eitjes kunnen leggen, paren ze in grote zwermen en gaan ze in winterslaap. Onder de grond, in de metrotunnels, zuigt de metromug het bloed van passagiers en legt zijn eitjes nog voordat hij een bloedmaaltijd heeft genoten; ze vormen geen paringszwermen maar vinden hun gerief in kleine besloten ruimtes en zijn het hele jaar door actief. Sinds Byrnes onderzoek is duidelijk geworden dat de metromug niet slechts in Londen voorkomt. Je vindt hem in metro’s, kelders en andere ondergrondse ruimten over de gehele wereld, en hij heeft zich geheel aangepast aan zijn door de mens uitgehouwen milieu. Dankzij muggen die per ongeluk terechtkomen in auto’s en vliegtuigen heeft het dier zich van stad naar stad weten te verspreiden, maar kruist soms ook met bovengrondse muggen, en absorbeert uit die bron ook wat erfelijke informatie. En het is ook duidelijk geworden dat dit alles zich heel erg recent heeft voltrokken – vermoedelijk is Culex molestus pas geëvolueerd toen de mens ondergrondse ruimten begon te bouwen.

Ik werp een laatste blik op die Londense metromug, op de muur van die drukke tunnel in station Liverpool Street, en probeer me alle onzichtbare modificaties voor te stellen die de evolutie teweeg heeft moeten brengen binnen in dat fragiele lichaampje. Eiwitten in de antennes zijn van vorm veranderd zodat ze reageren op menselijke geuren in plaats van op vogelgeuren. Genen verantwoordelijk voor de biologische klok zijn veranderd of uitgeschakeld om te voorkomen dat het dier in winterslaap gaat, want in de ondergrondse is er altijd menselijk bloed en het wordt er nooit zo koud. En denk je eens in hoe ingrijpend de veranderingen in het seksuele gedrag geweest moeten zijn! Van een soort waarbij de mannetjes grote wolken vormen waar de vrouwtjes in en uit vliegen om bevrucht te worden, tot een soort met simpele één-op-éénparing tussen elkaar toevallig tegenkomende muggen in de beperkte beschikbare ruimte onder de grond. De evolutionaire oorsprong van de Londense metromug spreekt tot onze collectieve verbeelding. Waarom vinden we dit zo intrigerend en waarom kan ik me Katharine Byrnes presentatie van al die jaren terug nog zo levendig herinneren? Ten eerste hebben we allemaal op school geleerd dat evolutie een traag proces is dat levensvormen bijna onmerkbaar modificeert over tijdspannes van miljoenen jaren, en niet iets wat kan plaatsgrijpen over de betrekkelijk korte tijd van de menselijke urbane geschiedenis. Het doordringt ons ervan dat evolutie niet alleen gaat over dinosaurussen en geologische tijdschalen. Het is een alledaags biologisch proces dat hier en nu kan worden geobserveerd! Ten tweede, de notie dat onze invloed op het milieu zo groot is dat ‘wilde’ dieren en planten zich daadwerkelijk aanpassen aan een omgeving die oorspronkelijk gecreëerd is door mensen, voor mensen, laat ons beseffen dat sommige van onze effecten op het leven op aarde onomkeerbaar zijn. De derde reden waarom we verrast zijn als we horen over de Londense metromug is dat het zo’n leuke, speelse toevoeging is aan het portfolio van de evolutie.

We weten allemaal dat evolutie heeft gezorgd voor de perfecte pluimage van paradijsvogels in afgelegen regenwouden, of de briljante bloemvorm van orchideeën op onbereikbare bergtoppen. Maar kennelijk is het proces daarnaast ook zo alledaags dat het niet te beroerd is om zich te bemoeien met de levensvormen die zich ophouden tussen de pikzwarte kabels van het metronet. Wat een grappige, unieke, huis-tuin-en-keukenuitzondering op de reguliere evolutie. Maar als het nou geen uitzondering meer is? Wat als de metromug staat voor veel meer flora en fauna die in contact komen met mensen en met een door de mens vormgegeven omgeving? Wat nou als onze greep op de ecosystemen op aarde zo stevig is geworden dat het leven op aarde overal bezig is om zich middels evolutie aan te passen aan een door en door verstedelijkende planeet? Dit soort vragen zullen we ons stellen in dit boek.’


VIJF NEWCOMERS VOOR DE ZOMER

Ik geef u opnieuw het thema van vijf boeken die vers van de pers zijn. Dat doe ik via de tekst op de omslagen van het kwintet. Ik heb uit heel wat reacties mogen opmaken dat u een lijstje met bij voorbaat interessante werken op prijs stelt. Na de notitie van titel, schrijver, ondertitel of genre en uitgever volgt in een nutshell de omschrijving van het onderwerp. Op een later tijdstip wisselen wij hier onze leeservaringen met elkaar uit.
 
1) Goed geld – Wim Willems en Henk Looijestein – De geschiedenis van de Nutsspaarbank – Boom
Goed geld vertelt de geschiedenis van een filantropisch fenomeen: de Nutsspaarbank.
Het vertrouwen in banken mag dan ondermijnd zijn sinds de crisis van 2008, maar ooit stond het belang van spaarders wel degelijk voorop. In het begin van de negentiende eeuw verrezen overal in Nederland spaarbanken. Het initiatief kwam van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. In de loop van 175 jaar groeide de Nutsspaarbank uit tot een financieel baken voor 'gewone mensen', een instelling met een sociaal hart. De bank werd steeds professioneler en gold lange tijd overal in Nederland als een betrouwbare plek voor spaargeld - totdat de welvaart in de jaren 1970 toenam en de concurrentie met commerciële banken een einde maakte aan het Nutsspaarbank-gevoel. In de afgelopen kwarteeuw hebben het VSBFonds en later het Fonds 1818 ervoor gezorgd, met kapitaal van de Nutsspaarbank, dat de sociale erfenis van deze bank niet verloren ging.

2) Voorwoorden – Soren Kierkegaard – Kritieken – Damon
In 1844 publiceerde Kierkegaard, alias Nicolaus Notabene, samen met 'Het begrip angst' een verzameling van acht voorwoorden tot onbestaande boeken, voorafgegaan door een voorwoord. In die voorwoorden richt de schrijver zijn pijlen hoofdzakelijk op de Deense cultuurpaus Johan Ludvig Heiberg. De Deense denker en cultuurcriticus Georg Brandes, tevens Kierkegaards eerste biograaf, beschouwt het boekje als ''één van de leukste en geestigste onder alle kleine plagerige boeken die ooit in het Deens geschreven zijn''. Maar nog meer vormt Voorwoorden in de geschiedenis van de wijsbegeerte een uniek werk dat het postmoderne denken in de tijd vooruit is gebleken. Naast Voorwoorden bevat dit boek twee kortere teksten met het theater en de acteerkunst als onderwerp. Net als in Voorwoorden vegen Kierkegaards pseudoniemen ook hier de vloer aan met de gangbare kunstkritieken en dagbladrecensies.


3) De kievit – Sake P. Roodbergen – Natuurgids – Atlas Contact
In De kievit van Sake P. Roodbergen, onderdeel van de Vogelserie, staat een iconische Nederlandse vogel centraal. De kievit is als voorbode van de lente bijzonder populair. In dit boek beschrijft Roodbergen, een van de grootste kenners van onze weidevogels, aan de hand van één jaarcyclus het leven van de kievit. Een weiland zonder kieviten leek tot voor kort ondenkbaar. Maar de achteruitgang van de natuur heeft directe gevolgen voor het leefgebied van de kievit. De inhoud van dit boek valt na de inleiding in drie grote delen uiteen. Het eerste deel beschrijft het leven van de kievit in al zijn aspecten. Het tweede en derde deel richten zich op de "benutting' én de bescherming van deze weidevogel. In de provincie Friesland zijn die twee onderling zo met elkaar vervlochten dat het geheel als onderdeel van het immaterieel cultureel erfgoed wordt ervaren. In De kievit zet Roodbergen uiteen wat de beste manier is om deze prachtige vogel te beschermen en voor het Nederlandse landschap te behouden.


4) Bespieder van de eerste persoon – Sam Shepard – Novelle – Nobelman
Bespieder van de Eerste Persoon is het laatste boek van Sam Shepard. Deze deels autobiografische novelle, in een uiterste krachtsinspanning geschreven en gedicteerd in het jaar voor zijn dood, vertelt vanuit een dubbel perspectief over een niet bij naam genoemde hoofdpersoon die een aandoening heeft die hem meer en meer afhankelijk maakt van de naasten die voor hem zorgen. Hij slijt zijn dagen op zijn veranda, vervuld van mijmeringen en herinneringen en het besef van vergankelijkheid en teloorgang, en wordt voortdurend bespied door een raadselachtige man die zijn dubbelganger zou kunnen zijn en becommentarieert wat hij waarneemt. In ingetogen bewoordingen roept Sam Shepard een indringend beeld op van menselijke kwetsbaarheid, hoop en kracht. Sam Shepard (1943-2017) schreef meer dan vijftig toneelstukken en zeven prozawerken. Hij won in 1979 de Pulitzerprijs voor drama. Als acteur speelde hij in meer dan vijftig films, werd diverse malen genomineerd voor belangrijke filmprijzen, waaronder een Oscarnominatie voor zijn rol in The Right Stuff in 1984. In 2012 werd hem een eredoctoraat verleend door Trinity College in Dublin. Hij was lid van de American Academy of Arts and Letters, waarvan hij de Gold Medal for Drama ontving, en hij werd opgenomen in de Theater Hall of Fame. Hij stierf op 27 juli 2017 aan de gevolgen van ALS. Bespieder van de Eerste Persoon (Spy of the First Person) is het eerste boek van Sam Shepard dat wordt uitgegeven door Uitgeverij Nobelman. De vertaling van Shepards voorlaatste boek The One Inside staat op stapel.

5) Angst voor het naakt – Arnon Grunberg – Verhaal – Hermitage Amsterdam
Fabian Brouzos wil de mens lichaamsdeel voor lichaamsdeel ontdekken. Hoewel hij een technisch volmaakte tekenaar is, wordt hem op de kunstacademie gezegd dat zijn werk ‘een hart, een ziel, een thematiek' mist. Hij reist naar Italië om een systematisch leven na te jagen. Als zijn moeder steevast een garagehouder in Bologna in zijn tekeningen blijft ontwaren, begint ze zich grote zorgen te maken. Haar zoon is bang voor het vrouwelijk lichaam en zij voelt zich geroepen die angst weg te nemen – ongeacht de offers die daarvoor gemaakt moeten worden. Angst voor het naakt is een verhaal over obsessie, schaamte en de verlossing van het bedrog. Arnon Grunberg schreef het bij de tentoonstelling ‘Classic Beauties’ in Hermitage Amsterdam





AMERIKANEN LOPEN NIET

Zojuist reikte de man van de post mij een boek aan waarover ik in de Volkskrant van 9 juni een razend boeiend interview tussen de auteur en Michael Persson gelezen had. Onder de titel van ‘St. Louis, een heel doorsnee en heel extreem Amerika’. De aanleiding was de kersverse 214 bladzijden tellende paperback Amerikanen lopen niet van Arjen van Veelen en uitgeverij De Correspondent met de ondertitel ‘Leven in het hart van de VS’. Om u net als ik in de ban te brengen van dit boek, geef ik integraal de tekst van het interview door met de aankondiging dat wij een volgende keer onze leeservaringen met elkaar uitwisselen. Het woord is aan Persson en Van Veelen: ‘Bij toeval belandde Arjen van Veelen in St. Louis, Missouri. Prompt braken er rellen uit en zat hij midden in het wereldnieuws. Een van de dingen die Arjen van Veelen uit Amerika heeft meegenomen is een Amerikaan. Hij heeft net luiers voor hem gekocht. Een anchorbaby, zegt hij grappend. In Amerika geboren kinderen zijn automatisch Amerikaans staatsburger en mogen, als ze 21 zijn, hun ouders het land binnenhalen. Maar nee, zegt Van Veelen, dat was niet het plan. ‘Dat Amerikaanse paspoort is eerder iets wat me zorgen baart. Wat betekent dat over achttien jaar? Vroeger was het Amerikaanse paspoort een droompaspoort, maar ik heb die droom van dichtbij gezien. Ja, op het vliegveld mogen we door het poortje voor de echte Amerikanen, we kunnen ons kind gebruiken als een soort Privium-pas. Maar verder? Ten eerste moet je als Amerikaan belasting gaan betalen. En bovendien, ik weet niet hoe Amerika eruitziet tegen die tijd. Voor hetzelfde geld is er dan een dienstplicht. Ik weet niet of een eventuele oorlog dan door mijn zoon moet worden uitgevochten.’

Deze week verscheen het tweede boek van Van Veelen, Amerikanen lopen niet. De 38-jarige auteur, eerder dit jaar genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs voor zijn debuutroman Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken, woonde twee jaar als min of meer toevallige correspondent in het hart van de Verenigde Staten. Zijn verslag daarvan is een genadeloos portret van de binnenkant van Amerika, bekeken met de verbijstering en scherpte van een nadenkende nieuwkomer. Je vrouw kreeg een onderzoeksbaan in St. Louis, een provinciestad in Missouri, een onbekende stad in een onbekende staat. Op welk moment dacht je: dat St. Louis, daar kan ik wel wat mee? ‘Ik kende die stad niet of nauwelijks, en ik kende Amerika zelf niet of nauwelijks. Ik noem me in het boek Amerika-ondeskundige. Dat is geen valse bescheidenheid, ik wist echt weinig van het land, behalve wat ik van Netflix kende. Ik dacht dat Amerika me niet meer kon verrassen. Dat is mooi, dacht ik, want ik wilde een roman gaan schrijven. Als je in een heel spectaculair land woont, dan word je alleen maar afgeleid. Maar ik woonde er een paar weken en prompt braken er rellen uit in mijn achtertuin. Wereldnieuws: Michael Brown, een zwarte man, was door een politieagent doodgeschoten, en dat lokte heftige protesten uit. Vanaf dat moment was St. Louis ineens een plek in de wereld.’

Wat deed het met jou ‘Zoals dat gaat word je dan gebeld door de tv om er iets over te zeggen, dat deed ik, ook al had ik geen benul wat er gaande was. Pas daarna vroeg ik me af wat ik nou precies had gezien, en dat ben ik gaan uitzoeken. Wat waren nou de wortels van die rellen? Dan ga je aan draden trekken, en zo kwamen er steeds meer dingen naar boven die nieuw waren voor mij. Ik dacht: als ze nieuw zijn voor mij, zijn ze vast ook interessant voor anderen die net zo weinig van Amerika weten als ik.’ ‘Toen bleek ook dat de stad waar ik zo compleet random in terechtgekomen was, heel symbolisch is. Zij ligt op het kruispunt van oost en west, en noord en zuid – St. Louis was de uitvalsbasis voor de pioniers, en ligt op de grens van de oude slavenstaten en het noorden, een verschil dat nog steeds groot is. De stad is heel doorsnee maar heel extreem: je hebt er grote rijkdom maar eenderde leeft onder de armoedegrens. Dat soort Amerikaanse contrasten zie je heel mooi vanuit St. Louis.’ In je vorig jaar verschenen roman beschrijf je de ‘flits van euforie’ die de schrijvende ik-persoon voelt als hij hoort dat een vriend gestorven is: eindelijk heeft hij iets te melden. Had jij die flits ook toen je hoorde van de dood van Michael Brown? Had je, cynisch gezegd, geluk? ‘Voordat Brown werd doodgeschoten, had ik wel al een eerste stuk geschreven – ‘De Correspondent’ had me gevraagd om een verhaal te maken met mijn eerste indrukken. En toen dacht ik al: ‘what the fuck’ is dit voor stad? Maar door die Brown-zaak kwam er een enorme belangstelling voor een compleet vergeten plek. Ik kon voortaan zeggen: dit is St. Louis, dit is waar die gast is neergeschoten. Ik hoefde het niet meer aan te wijzen op de kaart. ‘De schok kwam daarna, toen ik erachter kwam dat zoiets in St. Louis gemiddeld elke twee maanden gebeurt.

Niet de rellen bleken het verhaal dat ik moest vertellen, maar datgene wat géén nieuws was, de alledaagsheid van de raciale en economische ongelijkheid. Het bleek chronisch mis te zijn, alsof de hele burgerrechtenbeweging niet bestaan had. Daar is weinig media-aandacht voor. Die rellen zijn visueel mooi, met hun traangaswolken, zwaailichten, militaire voertuigen, ontblote bovenlijven... het is heel fotogeniek. Maar traangas werkt ook letterlijk verblindend, want de achterliggende armoede of bestaansonzekerheid is veel minder zichtbaar, veel lastiger te vatten. Ik heb uiteindelijk weinig over de rellen zelf geschreven, maar meer over de grote ongelijkheid van de stad, en van het land. Dus laat ik het zo zeggen: ik had mazzel met die rellen, omdat het stadje op de kaart kwam. Maar ze versimpelden de problemen ook enorm, en daar moest ik weer van weg zien te komen.’

Is dat ook mediakritiek? Vind je dat de aandacht voor Amerika te simpel is, te oppervlakkig? ‘Toen ik in 2016 weer in Nederland was gaan wonen – mijn vrouw zegde na een conflict haar baan op, waardoor onze verblijfsvergunning werd ingetrokken – was ik even verbijsterd over de overwinning van Trump als veel anderen. Dat had ik niet verwacht, zelfs daar in St. Louis, dat omringd is door Trump-stemmers. Maar vervolgens zag ik dat het in het nieuws bijna alleen nog maar over Trump ging. Terwijl alle extreme dingen die ik in Amerika had gezien, onder een Democratische president gebeurden. Op zwarte burgers schietende politiemannen? Dat gebeurde onder Obama, de man die als kers op de taart van de emancipatie werd gezien. ‘Het is te simpel om Trump als de duivel te zien. En te denken dat alle problemen opgelost zijn wanneer die is uitgedreven. Ik schrijf in mijn boek bewust heel weinig over Trump omdat ik denk dat de problemen veel ouder zijn. Sinds de jaren zeventig is in Amerika heel veel vooruitgang teruggedraaid, economisch maar ook sociaal en cultureel, en dat heeft niet te maken met de president en al helemaal niet met z’n tweets, maar met langetermijnveranderingen. Die vind ik veel interessanter. Die rellen en protesten hebben diepere oorzaken. Voor wie is dit land bedoeld?  ‘Trump heeft overigens ook goede vragen gesteld. Hij had als eerste aandacht voor het nieuwe heroïneprobleem, en durfde hardop te zeggen dat het land kapot was. Vanuit Missouri gezien was dat verfrissend. Eindelijk iemand die dat gewoon zei. Ook zijn protectionistische verhaal sloeg natuurlijk aan. Het opengooien van grenzen is een prachtig verhaal, maar desastreus voor de werkgelegenheid. Ik heb het neoliberalisme heel lang gezien als een soort natuurverschijnsel, de markt die zijn werk doet, maar heb nu de prijs gezien die daarvoor wordt betaald. In St. Louis werkten vijftienduizend mensen in de schoenenindustrie. Ik vraag me af of het beter is dat dat nu in China gebeurt. Trump heeft dus relevante dingen op de kaart gezet, dat zijn geen hypes. Wat ik wel een hype vind, is de enorme obsessie met elke tweet van Trump, elke afleidingsmanoeuvre, elke scheet die hij laat. Die doen er veel minder toe.’

In het boek beschrijf je een optocht in het ‘wereldstadje’ Amsterdam, Missouri. Daar leek je hoop te putten uit de veerkracht van de bewoners. ‘Ik was echt geraakt door dat stadje. Dat kwam doordat de mensen heel nostalgisch waren, en terecht nostalgisch, want ik denk dat het in dat stadje in de jaren vijftig echt veel beter leven was dan nu. ‘Wat me raakte was dat ze een soort ‘re-enactment’ van de jaren vijftig opvoerden, in de vorm van een dorpsfeest, een optocht met oude auto’s en kraampjes langs de kant. In dat gebied heeft driekwart van de bevolking op Trump gestemd, maar dat wil niet zeggen dat ze allemaal een hekel hebben aan Mexicanen en zwarten. Ze willen iets heel simpels: ze willen dat het dorpje waar ze vijf generaties hebben gewoond weer levensvatbaar wordt. Dat is helemaal niet zo gek of onhaalbaar. Het aanpakken van het klimaatprobleem is duizend keer zo ingewikkeld als zo’n stadje weer levensvatbaar maken. Je schoenen niet meer in Azië laten maken maar gewoon daar. De absurde machinerieën van Walmart of Amazon aanpakken, die de kleinschalige lokale economie vermorzelen. ‘En ondanks dat het stadje flink gehavend was, ondanks dat mensen waren weggetrokken, hadden ze een veel sterkere binding dan ik had verwacht. Ik werd geraakt door de enorme hunkering van die mensen naar het behoud van wat er nog restte – ik sprak een zakenman die de daken met metaal had laten bekleden om ze te conserveren voor betere tijden. Dat verlangen moet je niet negeren. Je kunt niet zeggen tegen die mensen: joh, dit stadje is mislukt, verhuis maar naar een grote stad. Je moet die mensen helpen om op hun plek te blijven. Dat is wat ze willen.’ Is die veerkracht misschien een soort American Dream? ‘Juist op de meest desolate plekken trof ik mensen aan die iets wilden veranderen, of die zich verzetten tegen de krachten van de markt of het systeem. Ik dacht eerst dat dat het oppervlakkige optimisme of positieve denken van Amerika was, maar het zit veel dieper.

Dat dorpsfeest in Amsterdam zie ik als een soort levenslustig protest. Zij zelf zien dat niet zo, voor hen was het een viering van hun wortels. Maar voor mij was het een protest tegen de krachten die hen willen ontwortelen.’ Ben je daarom teruggekeerd naar je geboorteplaats Rotterdam? ‘Ik wilde niet terug naar Amsterdam. Ik kan me daar geen eigen huis meer veroorloven, en bovendien wil ik niet bijdragen aan dat systeem van almaar oplopende prijzen. Dus kwamen we uit in Rotterdam. Ik heb onderschat wat wortels betekenen, ook voor mezelf. Rotterdam is een compleet nieuwe stad geworden, ik herinner me een arme stad met heroïnenaalden op straat, nu is het hip en verzorgd, maar ik voel me toch meteen weer thuis – ik zie die bus rijden met het bordje Overschie en denk dan, daar hoor ik.’ Wat wordt het volgende boek: fictie of non-fictie? ‘Wat ik het leukst vind is het ‘reported’ essay, ik zie mezelf graag als reizende essayist. Die roman was echt een bezoeking. Ik werd voortdurend afgeleid, al is het ook lastig concentreren als er steeds schoten klinken. Ik wil graag weg van mijn bureau. Ik houd van overpeinzingen, maar ik moet wel voeding hebben van de echte wereld. Het is avontuurlijker, je loopt altijd het risico dat de werkelijkheid spannender is dan wat je achter je bureau hebt bedacht. Maar ik moet ook zeggen: in Amerika was het makkelijker, want heftiger. De trends van Amerika zie ik in milde vorm in Nederland – de bezuinigingen op ons sociale vangnet kunnen ons nog veel gaan kosten – maar ik hoor hier nog geen kogels in mijn achtertuin.’


CHEMO - WAT NU?

Ik leg een boek voor u op tafel dat een must is voor hen die te horen hebben gekregen dat chemotherapie gewenst is. Het gaat om de 68 bladzijden tellende, passend geïllustreerde paperback Chemo – wat nu? van Ester Hartholt en uitgeverij Nobelman met de ondertitel ’15 handige tips’. Het motto voorin zet de toon, want ‘We cannot direct the ind, but we can adjust the sails’. In het voorwoord zegt Ester Hartholt dat toen zij van de artsen vernam dat zij chemotherapie zou krijgen haar wereld stil stond. Zij wist totaal niet wat haar te wachten stond en had dringend behoefte aan een boekje met praktische tips. Dat was er niet naar haar idee en dus besloot zij zelf er een te schrijven. Zij eindigt haar vooraf met Chemo – wat nu? bevat praktische tips waar je mee aan de slag kunt voordat je met de chemotherapie begint en voor tijdens het traject. Zodat je het gevoel krijgt de regie weer een beetje in eigen handen te hebben.’ Hartholt wil met een ‘luchtig’ boekje lotgenoten helpen, die nog voor het traject staan. Haar handboek eindigt met een serie lege bladen waarop de patiënt zelf de lijsten in kan vullen als ‘Lijst van vragen voor je arts of oncologieverpleegkundige’, Schema data voor je chemotherapie bezoeken aan het ziekenhuis’ en ‘Lijst van bijwerkingen van de chemotherapie. Deze kun je met je arts of oncologieverpleegkundige bespreken’. Het gaat om een gids die zich ook leent voor het weggeven. Ik noem u vijf van de vijftien tips die pas waarde krijgen wanneer u de chapiters ‘wat’ en ‘waarom’  van Ester Hartholt tot u genomen hebt. Overigens, voor de prijs hoeft u het niet te laten, want 12,50 euro.

Hier zijn de vijf tips:
Drink genoeg
Eet regelmatig
Beweeg genoeg
Ga naar de tandarts
Draag losse kleding.
Literaire en muzikale ode.

CULTUURMIX 18 JUNI 2018

Papendrecht 18-06-2018

WILLEM IV

Een meer dan vuistdik boekwerk leg ik voor u op de toonbank dat een lust voor het oog en streling van het gemoed is. Het ziet er immers gaaf uit en het gaat om een tintelend thema dat het huis van Oranje behelst. Het kloeke boek rakelt het levensverhaal op van een vooraanstaand man in een ook toen roerige tijdspanne. Ik heb het over de 970 bladzijden tellende, van meet tot finish grandioos geïllustreerde hardcover Willem IV van Fred Jagtenberg en uitgeverij Vantilt met de ondertitel ‘Stadhouder in roerige tijden  1711-1751’. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik het lijvige historische werk nog maar een paar dagen in huis heb, maar met een knipoog naar de voor velen vrije weken doe ik u kond van het bestaan ervan. Dat doe ik door de tekst van de omslag en die van Wikipedia integraal u aan te reiken. Na de periode van vrijaf wisselen wij onze leeservaringen met elkaar uit.

De omslag: Willem Karel Hendrik Friso (Leeuwarden, 1 september 1711 – Den Haag in Paleis Huis ten Bosch, 22 oktober 1751), was prins van Oranje en vorst van Oranje-Nassau. Hij was de eerste erfstadhouder van de Republiek der Verenigde Provinciën. Hij was voornaam, vredelievend en minzaam in zijn optreden, maar had te kampen met een zwakke gezondheid en een vergroeiing van zijn rug die zijn politiek-bestuurlijke optreden meer en meer parten zou gaan spelen. Jeugd. Willem Karel Hendrik Friso werd geboren in Leeuwarden als zoon van Johan Willem Friso van Nassau-Dietz, die kort daarvoor was overleden, en Maria Louise van Hessen-Kassel. De val van een paard, in 1717 in de tuin van Paleis Soestdijk, de zomerresidentie, deed even voor zijn leven vrezen. Willem IV kreeg meer dan de gebruikelijke opvoeding van adellijke kinderen. De prins studeerde aan de Universiteit van Franeker en aan de Universiteit Utrecht. Willem IV sprak diverse talen (waaronder Fries) en was geïnteresseerd in geschiedenis; ook in de fouten van zijn voorgeslacht, zoals hij zijn hoogleraar meldde.

Zijn benoeming had veel voeten in de aarde: er waren kapers op de kust, en daarbij zijn de bronnen niet eensluidend; iedere auteur beweert wat anders. Aangenomen kan worden dat hij in november 1722 in Gelderland werd benoemd, maar voorlopig had hij daar alleen de titel en de toelage. In 1726 werd hem een plaats in de Raad van State geweigerd door de niet-stadhouderlijke provincies. De ontvangst van de prins drie jaar later in Den Haag was uitgesproken koel. Drenthe en Groningen zouden hem daarentegen in 1729 en Friesland in 1731 tot stadhouder benoemd hebben. Vanaf die tijd was hij in feite de hoogste ambtenaar van deze gewesten.
Huwelijk. Al in 1721 was er sprake van een huwelijk met Anna van Hannover. De Engelse ambassadeur William Cadogan, de eerste graaf Cadogan, die met Margaretha Cecilia Munter was getrouwd, speelde mogelijk een belangrijke rol. De onderhandelingen voor het huwelijk van Prinses Anna met de Nederlandse vorst zouden twaalf jaar duren. De oorzaak lag grotendeels op het internationale politieke vlak. Na de dood van Koning-Stadhouder William/Willem III, tijdens het Tweede Stadhouderloze Tijdperk, waren Pruisische en ook Engelse diplomaten en juristen druk doende om voor hun vorst aanspraak te maken op de begerenswaardige titel 'Prins van Oranje', met alle hierbij behorende emolumenten en bezittingen.

Toen de nalatenschap van stadhouder Willem III werd geregeld in een geheim verdrag, bekend als het Traité de partage, en zowel Willem Karel Hendrik Friso als koning Frederik Willem I van Pruisen als Prins van Oranje werden erkend, maar de eerste de meeste bezittingen verkreeg – Willem deed afstand van Lingen en van Meurs – en de tweede naar verluidt de meeste schulden, steeg Willems waarde op de huwelijksmarkt aanzienlijk. Op 21 oktober 1733 ging hij voor het Gerecht van Leeuwarden in ondertrouw. Het huwelijk, dat gepland was in november 1733, werd uitgesteld omdat de bemoeienissen van zijn toekomstige schoonvader George II met de Republiek niet op prijs werden gesteld. Willem werd, mede vanwege alle ophef, ziek en vertrok naar het kuuroord Bath. Eerst enkele maanden later was hij voldoende hersteld om in het huwelijk te treden. Händel, die Anna en haar jongere zussen klavecimbel- en muziekles had gegeven, en haar als zijn beste leerling beschouwde, componeerde ter gelegenheid van het huwelijk zijn Serenata Il Parnasso in Festa (HWV 73), waarvoor delen uit Athalia (HWV 52) gebruikt zijn. Op 25 maart 1734 trouwde het paar in de Franse kapel van het Paleis van St. James. Händel componeerde hiervoor, op een tekst van Prinses Anna (naar twee psalmen), het anthem This is the day the Lord hath made (HWV 262). In Amsterdam werd het paar op 8 mei 1734 met zó weinig animo ontvangen door burgemeester Lieve Geelvinck, dat het paar al na een half uur besloot om door te reizen naar Leeuwarden. In Engeland was hij door de universiteit van Oxford met een ere-doctoraat bedacht en trad hij toe tot de vrijmetselarij. Bij zijn terugkeer in de Republiek ontstonden ook loges in Den Haag en Leeuwarden. Zo had hij een eigen hofloge "Antiqua Virtute et Fide" in Leeuwarden. Zijn kok Vincent la Chapelle en Douwe Sirtema van Grovestins waren daarbij betrokken.

Als stadhouder. In 1740 brak opnieuw de Oostenrijkse Successieoorlog uit, waarin Oostenrijk en Frankrijk tegenover elkaar stonden. De Republiek koos in 1747 de kant van Oostenrijk, om zo een bufferzone tussen de Republiek en Frankrijk in stand te houden, waarop Franse troepen de zuidelijke Nederlanden binnenvielen. In enkele weken veroverden de troepen van Lodewijk XV de meeste steden in de zuidelijke Nederlanden waar de republiek krachtens het Barrièretraktaat troepen had gelegerd en ook de belangrijkste plaatsen in Zeeuws-Vlaanderen. In paniek werd de prins op 2 mei 1747 benoemd tot kapitein-generaal, tot admiraal-generaal van de republiek en tot stadhouder van alle gewesten. Dirk Hubert Verelst of zijn vader coördineerde de benoeming in de provincie Zeeland al vanaf 15 april.
Over zijn bevoegdheden kon Willem het na diverse pogingen tot 'promotie' niet eens worden met de Staten-Generaal.
Zij legden hem een instructie voor die overeenkwam met de Unie van Utrecht. Willem wilde alleen de eed afleggen op de instructie van zijn voorganger, Willem III. Op 11 mei 1747 deed de prins zijn intrede in Amsterdam. Ter begroeting waren niet alleen de burgemeesters, maar ook alle predikanten aanwezig. Wie geen oranje droeg liep de kans in de gracht gegooid te worden. Zelfs de paarden en ook de ossen op weg naar de slager waren ermee versierd. In november van datzelfde jaar volgde verheffing tot erfstadhouder van de Republiek, waarbij ook de opvolging in vrouwelijke lijn werd geregeld, want Willem IV had toen enkel een dochter. Hiermee kwam een eind aan het Tweede Stadhouderloze Tijdperk. De organisator was de porseleinverkoper Daniël Raap, een gematigd Doelist, die de Oranjegezinde bevolking mobiliseerde. In 1748, enkele maanden na de geboorte van zijn zoon Willem Batavus, ontstond het Pachtersoproer. Raap, die zich verzette tegen de regenten - van oudsher tegenstanders van een rol van de Oranjes in het Nederlandse staatsbestel - overlegde diverse malen met de prins en zijn vrouw. In veel steden werden diverse burgemeesters en vroedschapsleden vervangen. Omstreden was zijn benoeming van de Groningse jonker Mepsche tot drost van Westerwolde. Zijn belangrijkste raadgevers waren graaf Bentinck en Mattheus Lestevenon.

In de nieuwe regeringsreglementen kreeg de erfstadhouder meer invloed op de benoemingen. Veel afgezette vroedschapsleden kregen echter na verloop van tijd hun zetel terug. Een besluit dat hem niet in dank is afgenomen; de positieve stemming onder de bevolking jegens de prins sloeg volledig om, volgens Lodewijk Ernst van Brunswijk-Lüneburg-Bevern in een brief aan zijn nicht Maria Theresia. Willem kreeg te maken met een teruglopende economie. Een poging de handel op te beuren door het instellen van een vrijhaven, liep door tegenwerking van de admiraliteitscolleges op niets uit. De bankier Thomas Hope en de politiek econoom Isaac de Pintobeloonde hij met respectievelijk een functie in de WIC en VOC. Willem IV stelde veel belang in een aanstelling van Lodewijk Ernst, hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel toen zijn gezondheid hem steeds meer parten speelde. Anna van Hannover nam de lopende zaken over. Willem IV stierf op 22 oktober 1751 in Den Haag na een kuur in Aken. De bijzetting vond plaats op 4 februari 1752 in de grafkelder van de Oranjes te Delft. De erfstadhouder werd opgevolgd door zijn dan drie jaar oude zoon. Anna van Hannover nam de landszaken waar tot haar dood in 1759; Friesland benoemde haar schoonmoeder Maria Louise van Hessen-Kassel, die de functie van regentes uitoefende tot 1765.’


DE UITREIS

Een boek dat zeker in mijn reiskoffer gaat, leg ik voor u in de etalage. Een roman die wis en waarachtig prima past in mijn vakantievalies, daar gaat het om. Ik heb het werk nog niet tot mij genomen, maar de korte introductie dat ik erover las in De Volkskrant van 25 mei van de hand van Nadia Ezzeroili zette mij op het spoor. Het gaat om de 480 bladzijden tellende paperback De uitreis van Virginia Woolf en uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep in een vertaling van Barbara de Lange. Mijn opzet is nu enkel en alleen u te berichten over het bestaan van dit boek, dat zich ook onderscheidt door de dikte, want het staat garant voor heerlijk lui liggen lezen waar u ook bent. De tekst van Ezzeroili laat ik vooraf gaan door die op de omslag.

De uitgever: ‘ De uitreis is een reis naar volwassenheid, naar de liefde en de dood. Woolfs eerste roman vermengt satire, zedenschets, bildungsroman en tragedie. Net als in haar latere werk gaat het Woolf om maatschappelijke patronen, keuzes, willekeur en toeval die mensenlevens bepalen. Wat is eigen verantwoordelijkheid? Wat is het noodlot? Hoeveel keuzevrijheid heeft een vrouw in de tijd en de maatschappij waarin ze leeft?

Rachel Vinrace vaart naar Zuid-Amerika, een reis vol ontdekkingen (over zichzelf, anderen en het leven) die tragisch ten einde komt. Ze bevrijdt zichzelf uit de argeloze, beschermde jaren die achter haar liggen en leert het leven, zichzelf en veel verschillende mensen kennen – en de literatuur. We ontmoeten onderweg mevrouw Dalloway (die later in een eigen roman terugkeert), een pedante geleerde, een liefhebbende tante (die doet denken aan Virginia's zus Vanessa) en vele kleurrijke personages. Over hen en over Rachels mythische reis lezen we nu eindelijk in het Nederlands.’

Nadia Ezzeroili : ‘Eindelijk is de eerste roman van Virginia Woolf vertaald  Het heeft 103 jaar geduurd om The Voyage Out, de eerste roman van Virginia Woolf, naar het Nederlands vertaald te krijgen, maar dan heb je ook wat. Al is het merkwaardig dat de vertaling zo lang op zich liet wachten, want is Virginia Woolf (1882 – 1941) niet een van de belangrijkste schrijvers van de twintigste eeuw? Een feministisch rolmodel bovendien, dat de positie van de vrouw in de westerse samenleving in haar romans en essays erudiet beschreef. Alsof de Nederlandse vertaler Barbara de Lange, die vorig jaar The Years van dezelfde auteur vertaalde, deze vraag voelde aankomen, biedt ze in het voorwoord van De uitreis een mogelijke verklaring voor het zo lang uitblijven van een vertaling: Woolfs werk werd aanvankelijk in Nederland niet onverdeeld positief ontvangen.
Aandacht voor Woolf als feministische intellectueel was er wel tijdens de tweede feministische golf (vanaf de jaren zestig) maar desondanks bleven ook toen haar eerste boeken onvertaald. Vrouwelijke recensenten vonden haar feminisme alweer achterhaald. De Lange: ‘En de mannelijke vonden haar werk te pessimistisch, alleen geschikt voor volwassenen met voldoende levenservaring, of op confessioneel-ethische gronden afkeurenswaardig.’ Wat zonde. Etiketten als ‘te pessimistisch’, door mannen geplakt op het werk van internationaal geprezen vrouwen, wekken juist nieuwsgierigheid. En pessimistisch is De uitreis allerminst, getuige de satirische pen van de jonge Woolf. Daarbij: het verhaal, over de 24-jarige Rachel Vinrace die ergens begin twintigste eeuw met haar vader en tantes (haar moeder stierf toen Rachel 11 jaar was) een bootreis maakt naar een niet nader genoemd Zuid-Amerikaans land, gáát juist over levenservaring.

De uitreis, een scherpe bildungsroman over Rachels symbolische weg naar volwassenheid, begint met de zes weken durende bootvaart vanuit Engeland, in een bont gezelschap van persoonlijkheden. Neem Mrs. Dalloway, die tien jaar later nog zal terugkeren in een Woolf-roman. In Portugal wordt ze met haar man opgepikt  en reist ze mee tot de volgende stop. Rachel, bleu door een beschermd leven, is danig onder de indruk van de vrouw. Een amicaal gesprek met Mrs. Dalloways echtgenoot Richard leidt uiteindelijk tot wat tegenwoordig in fragiele feministische kringen een #MeToo-ervaring genoemd zou kunnen worden: haar eerste gewichtige levensles tijdens de reis. Rachels tante Helen Ambrose, die haar onder haar hoede neemt, doet daar nog schepje ontnuchtering bovenop wanneer de twee het incident bespreken: ook Mrs. Dalloway is Rachels bewondering niet waard. ‘Een leeghoofd’ dat ‘nooit luistert naar wat anderen zeggen’.
De alwetende verteller concludeert: ‘Ongemerkt vervaagde de glans van Richard en Clarissa (Dalloway) een beetje. Ze waren in de ogen van een rijper persoon dus toch niet zo geweldig geweest.’ Zo bevraagt Rachel Vinrace voortdurend de mensen die ze ontmoet, en bespreekt ze muziek en literatuur (Jane Austen is verre van favoriet, in tegenstelling tot Wuthering Heights van Emily Brontë) om haar plek in de maatschappij, met name als vrouw, beter te begrijpen. Dat levert aardige gesprekken op, onder anderen met Terence Hewit, haar liefdesinteresse tijdens haar verblijf bij tante Helen in Zuid-Amerika. Over stemrecht zegt Hewit, tamelijk treffend: ‘Het respect dat vrouwen, zelfs ontwikkelde, bijzonder bekwame vrouwen, voor mannen hebben… Ik geloof dat we hetzelfde soort macht over jullie uitoefenen als we over paarden uitoefenen, zoals wel gezegd wordt. Die zien ons als drie keer zo groot als we zijn, anders zouden ze ons nooit gehoorzamen. Om precies die reden lijkt het me twijfelachtig of jullie ooit iets zullen bereiken, zelfs al krijgen jullie stemrecht.’ Een kalme maar snoeiharde observatie, waarin Virginia Woolf in haar debuut al uitermate bedreven is. De uitreis is een beeldschone roman, en de ideale introductie tot het oeuvre. Gooi het maar meteen op de boekenlijst van de jeugd, als die nog bestaat.’
 

GESPLETEN

Op mijn voorstel aan u te traceren of de thriller Doodskleur van David Baldacci de toets der kritiek kon doorstaan, mocht ik van u zoveel reacties ontvangen, dat ik het weer aandurf. Het gaat om de 494 bladzijden tellende paperback Gespleten van Karin Slaughter en uitgeverij Harper Collins.  Daar de lopende weken in het licht staan van het spannende boek vroeg de redactie van de Volkskrant aan misdaadauteurs Tomas Ross, Simone van der Vlugt, Saskia Noort, Gauke Andriesse en Charles den Tex welke Tien Geboden  aan de orde zijn bij thrillers. Ik zet de tien regels die 2 juni in de zaterdagbijlage Sir Edmund stonden op een rij en geef een korte toevoeging. U begrijpt mijn optie: na te gaan of Gespleten van Karin Slaughter  de tien-toets doorstaat. Over een paar weken wisselen wij onze leeservaringen met elkaar uit. 

1) Begin met actie, leg het later uit – Om de lezer aan te moedigen naar de tweede bladzijde om te slaan, geef je hem iets op pagina 1: conflict, problemen, angst, geweld. 
2) Maak het je hoofdpersoon niet makkelijk – Geef hem een waardige antagonist en laat de zaken er hopeloos voor hem uitzien.
3) Zaai het vroeg, oogst het later – Kom niet met nieuwe personages of feiten aan het eind om het probleem van de protagonist op te lossen.
4) Geef de held het initiatief – De beste verhalen zijn die waarin de protagonist actieve stappen zet om iets te bereiken, of waarin hij de tegenstander ervan weerhoudt hem en zijn geliefden te overwinnen.
5) Geef de protagonist een persoonlijk belang – Hoe intiemer de held bij het belangrijkste conflict van het verhaal betrokken is, hoe beter.
6) Geef de hoofdpersoon weinig tijd en verkort die dan – Als de tijd waarin de held het probleem moet oplossen verkort wordt, doe je de spanning van het verhaal veel goed.
7) Kies je personage op basis van je eigen capaciteiten, net als die van hem. – Als je protagonist een vermaard spion is, moet je bereid zijn er research en grondwerk voor te doen om zo’n personage geloofwaardiger neer te zetten. Beter blijf je bij wat je bekend is.
8) Weet wat je bestemming is voordat je vertrekt – De zwakte van veel thrillers is een onlogische en teleurstellende anticlimax op het eind. Je moet de belofte van de eerdere hoofdstukken inlossen.
9) Leer van de meesters – Kijk niet alleen naar wat de auteurs van bestsellers doen, maar ook naar wat ze juist niet doen.
10) Schrijf niet iets dat je zelf niet zou willen lezen – Ga niet aan een genre beginnen waar je eigenlijk je neus voor ophaalt.

Ik wil u de literaire thriller Gespleten inloodsen door het door uitgever Harper Collins op de omslag  gezegde aan u door te geven.
‘Andrea Cooper kent haar moeder door en door. Ze weet dat Laura een onopvallend maar tevreden bestaan leidt en nooit iets voor haar verborgen zou houden. Maar wanneer het restaurant waar Andrea en Laura elke week lunchen onder vuur wordt genomen en een doodgewone middag verandert in een bloedbad, ziet Andrea een heel andere kant van haar. Een kant die mijlenver verwijderd is van de kalme zachtmoedigheid die ze van haar moeder kent. De koelbloedigheid waarmee Laura de schutter overmeestert en doodt, verbijstert Andrea. Dan blijkt dat de schutter het op haar moeder gemunt had. De politie wil weten waarom, maar Laura weigert elke medewerking. Ze vraagt Andrea zelfs om haar te helpen allerlei sporen uit te wissen. Zo ontdekt Andrea dat haar moeder zich al dertig jaar schuilhoudt onder een andere naam en dat alles wat ze over haar verleden heeft verteld gelogen is. Wat heeft Laura op haar geweten? Waarom zien anderen haar liever dood dan levend? En kun je iemand nog vertrouwen als die een volslagen vreemde blijkt te zijn ook als diegene je moeder is?’


DE NIMF VAN NAPELS

Het geschiedde aan het eind van de woensdagmorgen 13 juni: de dame van de post had mij een boek aangereikt, ik las de eerste bladzijde ervan en liet de heggenschaar in de achtertuin liggen. Ik was opnieuw in de ban gebracht van prachtig proza, van een andere wereld, van een zalige mix van humor en sarcasme, van grandioze typering van goed en kwaad. Ik heb het over de 234 bladzijden tellende roman in paperback De nimf van Napels van Domenico Rea en uitgeverij Serena Libri. Eigenlijk behoeft dit bericht uit Italië geen nadere aanbeveling van mij, want u en ik hebben al twee decennia de heerlijke gedachte dat wat van Serena Libri komt van hoog niveau is. Ik wil ook u in vervoering van literair proza brengen door de eerste vier bladzijden integraal aan u door te geven. Maar vooraf reik ik u de tekst van de omslag aan. Met een wenk naar de komende vakantieweken: met De nimf van Napels komt u die goed door. 

Serena Libri: ‘L'education sentimentale van Miluzza, een meisje dat zich door het leven worstelt in een dorp in Zuid-Italië. Het zijn de jaren veertig van de twintigste eeuw maar het lijken de Middeleeuwen wel. Een bestaan van extreme vleselijke lust, grote armoede, schijnheilige priesters, moordend geroddel, optochten, gebeden, uitwerpselen, stank en modder. Miluzza raakt verstrikt in een relatie met een welgestelde man en wordt aan de schandpaal genageld. Hoererij. En dan bereikt de oorlog, met de terugtrekkende Duitsers, ook nog het dorp van Miluzza. Domenico Rea (1921-1994), zoon van een carabinieri, groeit op in Nocera, een dorp in de buurt van Napels. Hij houdt van boeken – de eerste twee pikt hij op een markt.  In '47 publiceert hij, onopgemerkt, Spaccanapoli. Dan in 1950 met veel succes Gesù, fate luce! Vele romans volgen, onder andere Diario napoletano (1971) en Pensieri della notte (1987). Zijn laatste, Ninfa plebea (1992), won de Premio Strega. Rea behoort tot de beste Italiaanse vertellers en essayisten van de tweede helft van de vorige eeuw.’

Domenico Rea: ‘De kar stopte voor de kleine woning en er werd een trapje naar buiten gegooid zodat Nunziata op de wagen kon klimmen met haar dertienjarige dochtertje Miluzza, de kapster Nannina en een zeer vrome korporaal eerste klasse die van de militaire staf verlof had gekregen om in de nacht van 14 augustus het feest van de  Madonna van Mater Domini mee te vieren. De kar was afgeladen met godvrezende vrouwen, jong en oud, enkele zaten op de gestikte dekens aan de rechterkant, de andere aan de linkerkant.
Het voertuig werd langzaam voortgetrokken door een paard tussen twee zwenghouten, min of meer op het ritme van de hymne die de vrouwen zongen:

Hemelwaarts steeg gij
met hart en ziel, Maria,
wend ik me tot u
in het  aanschijn van mijn dood.
Heilige Maria,  moeder Gods,
ik verheug me
in uw glorie.

Dat zongen ze al vanaf 25 juli, het begin van de novene. Van zonsondergang tot “s avonds laat klonk er in die dagen niets anders onder de sterrenhemel van Nofi. Het gezang was als de damp uit een pan (vol pasta met bonen) die opsteeg vanaf de binnenplaatsen. Eerst, tegen zonsondergang, heel sterk, met klanken diep uit het binnenste – van de snaren van een viool tot de ontstemde pijpen van een orgel – van jong en oud, vrouwen en meisjes, de kleintjes gehurkt tussen de benen van de ouderen, oma’s, moeders, tantes, nichtjes, vriendinnen, om uiteindelijk laat op de avond te verwaaien tot geroezemoes.

Er werd gezongen in Buvero, de wijk waar Nunziata woonde, die naaister was voor de militaire kazerne, en er werd gezongen in Sperandei, in Liporta, in de wijk Mercato, in Rendola, in Pietraccetta, in Capofioccano, in Capocasale, in Casale del Pozzo. Allemaal flinke volksbuurten, die voor echte stadswijken konden doorgaan, met evenzovele grote wagens, die beschikbaar waren gesteld door de devote congregaties van de  respectievelijke buurtschappen. Aangezien de reis van de avond tot de volgende ochtend vroeg zou duren, waren de wagens met zeildoek overspannen, net als de huifkarren in het Wilde Westen. Boven op het dak van elke kar wapperde het vaandel van de desbetreffende religieuze vereniging: elke kar had twee voermannen, die ervan genoten deze vrouwelijke vracht te vervoeren, want hoewel de dames op weg waren om boete te gaan doen, waren hun gesprekken doorspekt met grappen en grove dubbelzinnigheden. De mannen geselden de lucht met hun groene, gele en rode zwepen alsof ze met kromzwaarden zwaaiden.
De vrouwen waren in het zwart gekleed, want voor de Madonna van Mater Domini – een madonna die zelfs de Turken kenden en vereerden – moest je zo zedig mogelijk verschijnen, en onophoudelijk blijven zingen:

Hemelwaarts steeg gij
met hart en ziel, Maria,
wend ik me tot u
in het  aanschijn van mijn dood.
enzovoort.

Nadat Nunziata in de kar was geklommen en een plaatsje had gevonden, vroeg ze aan een oude vrouw naast haar wie dit jaar boetedoenster was. ‘Carmela de Kinnebak’, was het antwoord. Carmela de Kinnebak was een vermaarde lichtekooi. Ze leverde haar vunzige diensten ook aan puberjongens, maar meer in het bijzonder aan de soldaten van de 30ste infanterie die in Nofi lag gestationeerd. Een schaamteloos mens, een nachtvlinder, want overdag kwam ze de deur niet uit. ‘Ze heeft berouw. Ze zeggen dat ze dienstmeid wordt bij de kloosterzusters van Sint-Anna.  Dat wijf heeft er eerst op los geleefd en nu heeft ze haar plekje geregeld. Ze wacht al ons in de basiliek van Mater Domini, gehuld in een zak met een witte kap over haar hoofd.

Nunziata zag dat soort dingen niet als zonden, want ze vormden het heil der aarde. Waren het soms zonden voor honden en katten, ezels en paarden, stieren en koeien, leeuwen en panters, die het gewoon open en bloot deden en daarbij op het welwillende begrip van de mensheid konden rekenen? Nee. Dus waarom had Jezus, de schepper van het hele universum, dan dat geval daar in de spleet tussen haar weke billen geplaatst, en aan de man die ene spier gegeven, waardoor iemand die hem niet overeind krijgt zijn leven lang het mikpunt is van spotternij? Ze begreep wel dat iedereen – pausen en koningen, koninginnen en prinsessen, hertogen en hertoginnen – al die vunzigheden in het verborgene deed, net als je natuurlijke behoeften, waar deze dingen een verlengstuk van waren omdat je hetzelfde instrumentarium ervoor gebruikte, maar die dingen niet doen zou tegen de wil van God zijn, die juist een overvloed aan foefjes en geneugten, vreugde en pijn had meegeleverd om ervoor te zorgen dat er steeds weer mensen geboren zouden worden die vervolgens de zorgen des levens duur zouden betalen.

Maar de overige bewoners van Nofi, onder wie ook de priesters (heb het daar maar niet over, bemoei je maar liever met je eigen zaken…) dachten daar anders over: ze bleven wel rampetampen van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, maar van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat bleven ze dat ook als een doodzonde beschouwen, terwijl schijnheiligheid, kwaadsprekerij, diefstal, geweld en afgunst doorgingen voor kardinale deugden… Je kunt er beter, veel beter maar niet over nadenken.
Je kunt veel beter maar gewoon blijven zingen:

Hemelwaarts steeg gij
met hart en ziel, Maria,
wend ik me tot u
in het  aanschijn van mijn dood.
enzovoort.

De lange rij karren had toch iets weg van een begrafenisstoet. De lantaarns die onder de kar hingen slingerden heen en weer als wierookvaten. Ze waren als een goed halfuur onderweg, gingen helling op en helling af, maar dat Nofi Superiore scheen aan het einde van de wereld te liggen en naarmate je dichterbij kwam was het alsof je verdwaalde tussen de doeken van een doolhof waarvan je niet wist of je er ooit nog uit zou komen. Toen ze eindelijk arriveerden leek het in eerste instantie onmogelijk het godshuis te betreden. Er waren duizenden gelovigen. Het leek of er nog geen linze op de grond kon vallen. Maar hoe meer mensen de basiliek binnengingen, hoe meer deze zich uitzette, als een blaas. Het fenomeen dat er voor Gods barmhartigheid altijd plaats is voor duizenden, miljoenen en miljarden mensen werd beproefd. En het was waar. Maar de stank en ranzige geuren die opstegen uit de kleren door al het lichaamsvocht dat mannen en vrouwen van boven en van onder uitscheidden samen met de zwartachtige walmen van de kaarsen die middenschip en zijbeuken verlichtten alsof het dag was, waren afschuwelijk; en dat was hoe het sinds her begin der tijden rook in een kerk.’


EEN SEPTET VOOR DE VRIJE WEKEN

Ik noem u via de tekst op de omslag het thema van zeven gloednieuwe boeken die uw komende weken van vrijaf meer diepgang zullen geven. Na de titel, schrijver, ondertitel of genre en uitgever volgt dus het thema. Dit onder het devies van ‘Lekker lui liggen lezen’.
 
1) Exodus – Jasper Rietman – Kijkboek – SubQ
Exodus is de verbeelding van een archetypische uittocht van een groepje mensen op de vlucht voor oorlog en vervolging. Een kijkboek op de grens van illustratie en strip waarin actuele thema's op subtiele wijze overgaan in een toekomstvisioen. De zesenveertig naadloos op elkaar aansluitende illustraties vormen samen een grote panoramatekening van bijna veertien meter.
Illustrator en stripmaker Jasper Rietman maakt redactionele illustraties voor kranten als The New York Times, The Guardian, The Washington Post, De Standaard en de Volkskrant. Daarnaast werkt hij als stripmaker aan een eigen projecten. Exodus is zijn eerste boek.

2) Barst – Borris O Dittrich – Thriller - CPNB
Een vrouw laat haar hond uit in het Amsterdamse Vondelpark en vindt het lijk van een jonge man.  Zijn schedel is ingeslagen. Rechercheur Maya Oliphant krijgt de leiding over het moordonderzoek, maar het is onduidelijk wie de man is en wat hij 's nachts in het park deed. Ondertussen is heel Nederland in de ban van een nieuwe talentenjacht op televisie. De 18-jarige Lilian Lely heeft zich door de audities geknokt, en maakt tijdens de liveshows bekend dat haar moeder niet lang meer te leven heeft. Ze wint daarmee de sympathie van het publiek, maar niet iedereen gelooft wat ze beweert. Dan neemt het onderzoek van Maya Oliphant een verrassende wending. Wat heeft de moord met Lilians ambities te maken? Ontvang dit boek bij besteding van ten minste 12,50 aan Nederlandstalige thrillers, literatuur en romans tijdens de Spannende Boeken Week (6t/m 24 juni).




3) Het IJsland van Indridason – Alexander Schwarz – Literaire reisgids – Uitgeverij Q
 Het IJsland van Indriðason voert de lezer langs belangrijke plekken die het decor vormen in de boeken van veelbekroond thrillerschrijver Arnaldur Indriðason. Wandel door het pittoreske Reykjavík en reis onder andere naar het nationale park Þingvellir, de Westfjorden, de oude militaire basis bij Keflavík en uiteraard de onheilbrengende berg Harðskafi in de Oostfjorden, waar het grote drama rond inspecteur Erlendur en zijn broer zich afspeelt. Quotes van Indriðason zelf, achtergrondinformatie over IJsland en prachtige foto's maken het geheel af. Een sfeervolle literaire reisgids, om mee te nemen naar IJsland of om thuis van te genieten.






4) De melodie – Jim Crace – Roman – De Geus
De oude chansonnier Alfred Busi slijt zijn dagen in de prachtige vervallen villa aan de kust waar hij is opgegroeid. Zijn leven lijkt bezig aan het slotakkoord; hij is weduwnaar en mist zijn vrouw; binnenkort wordt hij geëerd om zijn verdiensten voor zijn geboorteplaats. Al kijkt hij terug op een rijk leven, de dagen die voor hem liggen lijken vooral uit herinneringen te bestaan. Maar dan zijn er enkele kleine dissonanten: een aanval van een mysterieus wezen, een projectontwikkelaar met grootse plannen, een roddeljournalist op zoek naar een thema. En plots klinkt Alfreds leven anders dan hij ooit voor mogelijk had kunnen houden.







5) Richard Fiebig – Joggli Meihuizen – En de uitbuiting van de Nederlandse industrie 1940- 1945
Dankzij Richard Fiebig, zetbaas van Albert Speer, werkte het Nederlandse bedrijfsleven op grote schaal mee aan de Duitse oorlogsinspanningen. Portret van een machtige Duitser in bezet gebied. De Duitse zakenman Richard Fiebig, die aan het begin van de bezettingstijd in Den Haag werd gestationeerd, werd in 1942 zetbaas van bewapeningsminister Albert Speer. De energieke Fiebig groeide uit tot de machtigste man in Nederland op het gebied van de industriële productie. Historicus en jurist Joggli Meihuizen beschrijft hoe Fiebig erin slaagde een groot deel van het Nederlandse bedrijfsleven zonder morren te laten meewerken aan de Duitse oorlogsinspanningen. Na de oorlog moest Fiebig zich voor de rechter verantwoorden; een proces dat met een recorder werd opgenomen. Het proces stond op gespannen voet met de regels van een fair trial en kende een merkwaardig slot.


6) Staatsmijn Beatrix Gemiste kans of zegen? – Luc Wolters – Bronnenstudie – Vantilt
Weinigen zullen weten dat de voormalige Staatsmijnen in Limburg naast de mijnzetels Wilhelmina, Emma, Hendrik en Maurits in Zuid-Limburg nog een mijn in exploitatie zouden nemen: de Staatsmijn Beatrix. Deze mijn was gelegen in het Midden-Limburgse Herkenbosch en Vlodrop. De Beatrix is een mijn met een wonderlijk verhaal: toen de schachten in volle diepte waren gegraven, werd zij gesloten. Het voornemen om met de Beatrix te beginnen werd genomen na de Tweede Wereldoorlog, toen er grote behoefte was aan brandstoffen. De mijn kreeg een plek in de Industrialisatienota van Minister Van den Brink in 1949. Na nader onderzoek besloot de Ministerraad in 1952 tot realisatie van deze mijn op het Meinwegplateau (het Vlodropperveld). De Staatsmijnen in Limburg zorgden voor de uitvoering.
Alle voorbereidingen ten spijt vond de mijn Beatrix geen doorgang. Eind jaren vijftig veranderde de energiemarkt ingrijpend, het gevolg van de toename van het aanbod van aardolie, de vondst van aardgas in Slochteren en de hoge verwachtingen van kernenergie. Dit noopte de Staatsmijnen ertoe de mijn Beatrix — nog amper in bedrijf— in 1962 te sluiten. Het nieuws sloeg in de regio in als een bom. Alle verwachtingen op een toevloed van arbeiders en op toename van economische voorspoed vervlogen als een droom.

7) Patronen van bedrog – Willem Middelkoop & Tim Dollee – Analyse – AUP
Na zes bestsellers over de financiële wereld neemt Willem Middelkoop de lezer in Patronen van bedrog mee in de spannende wereld van complotpraktijken, valse-vlag-operaties en The Deep State. In dit opzienbarende boek toont hij samen met onafhankelijk onderzoeker Tim Dollee aan dat de waarheid achter veel nieuwsverhalen vaak verborgen blijft. De gelijknamige theaterlezing werd op Youtube al bijna 100.000 keer bekeken.
Vanaf begin jaren veertig werkte een kleine groep insiders aan een plan voor Amerikaanse werelddominantie. Door de overwinning in de Tweede Wereldoorlog slaagde het plan en sindsdien doet de VS er alles aan om haar macht zo groot mogelijk te houden. Daarbij is bijna alles geoorloofd: van regime changes en financiële steun tot couppogingen en moordaanslagen op afvallige politici en presidenten. Dit heeft er voor gezorgd dat landen in de Amerikaanse pas bleven lopen. Maar ook binnen de VS is een continue machtsstrijd gaande. De elite, afkomstig uit het politiek-militair-industrieel complex, heeft de feitelijke macht. Deze staat binnen de staat, The Deep State, ziet politici als pionnen in het geopolitieke schaakspel. Om de macht te behouden worden effectieve en eeuwenoude strategieën gebruikt. List en bedrog zijn daarom aan de orde van de dag. De elite weet de media op een geraffineerde wijze te bespelen, omdat deze in handen zijn van slechts zes grote bedrijven. Omdat angst de beste manier is om het volk onder controle te houden, heeft de VS een permanente vijand nodig. Na de War on Communism, de War on Drugs, is het terrorisme nu de ideale vijand. Welkom in de wereld vol Patronen van bedrog.
 
 
 

CULTUURMIX 11 JUNI 2018

Papendrecht 11-06-2018

DOODSKLEUR

Ik wil met u een thriller onder de loep leggen om te traceren of het werk aan de eisen voldoet. Om preciezer te zijn: ik wil met u gaan bepalen of het boek van de week de eisen volgt van een aantal gerenommeerde auteurs van eigen bodem. Het gewraakte boek is de 398 bladzijden tellende paperback Doodskleur van David Baldacci en A. W. Bruna Uitgevers. Daar de komende weken in het licht staan van het spannende boek vroeg de redactie van de Volkskrant aan misdaadauteurs Tomas Ross, Simone van der Vlugt, Saskia Noort, Gauke Andriesse en Charles den Tex welke Tien Geboden  aan de orde zijn bij thrillers. Ik zet de tien regels die 2 juni in Sir Edmund stonden op een rij en geef een korte toevoeging. U begrijpt mijn optie: na te gaan of Doodskleur van Baldacci de tien-toets doorstaat. 

1) Begin met actie, leg het later uit – Om de lezer aan te moedigen naar de tweede bladzijde om te slaan, geef je hem iets op pagina 1: conflict, problemen, angst, geweld. 
2) Maak het je hoofdpersoon niet makkelijk – Geef hem een waardige antagonist en laat de zaken er hopeloos voor hem uitzien.
3) Zaai het vroeg, oogst het later – Kom niet met nieuwe personages of feiten aan het eind om het probleem van de protagonist op te lossen.
4) Geef de held het initiatief – De beste verhalen zijn die waarin de protagonist actieve stappen zet om iets te bereiken, of waarin hij de tegenstander ervan weerhoudt hem en zijn geliefden te overwinnen.
5) Geef de protagonist een persoonlijk belang – Hoe intiemer de held bij het belangrijkste conflict van het verhaal betrokken is, hoe beter.
6) Geef de hoofdpersoon weinig tijd en verkort die dan – Als de tijd waarin de held het probleem moet oplossen verkort wordt, doe je de spanning van het verhaal veel goed.
7) Kies je personage op basis van je eigen capaciteiten, net als die van hem. – Als je protagonist een vermaard spion is, moet je bereid zijn er research en grondwerk voor te doen om zo’n personage geloofwaardiger neer te zetten. Beter blijf je bij wat je bekend is.
8) Weet wat je bestemming is voordat je vertrekt – De zwakte van veel thrillers is een onlogische en teleurstellende anticlimax op het eind. Je moet de belofte van de eerdere hoofdstukken inlossen.
9) Leer van de meesters – Kijk niet alleen naar wat de auteurs van bestsellers doen, maar ook naar wat ze juist niet doen.
10) Schrijf niet iets dat je zelf niet zou willen lezen – Ga niet aan een genre beginnen waar je eigenlijk je neus voor ophaalt.                                                                                      

Ik wil u de topthriller Doodskleur inloodsen door het door uitgever Bruna op de omslag  gezegde aan u door te geven. Op mijn leesexemplaar staat overigens: ‘Vier bizarre moorden. Een man met een falend geheugen. Een stad vol geheimen…’ en ‘Ontbreekt er nog een David Baldacci in jouw collectie? Ga naar www. Baldacci.nl en maak kans op een boek naar keuze.’

De uitgever: ‘Wanneer FBI-agent Amos Decker en journaliste Alex Jamison op bezoek gaan bij Jamisons zus in Baronville, een stadje in Pennsylvania dat betere tijden heeft gekend, raken ze op de eerste dag al betrokken bij een moordonderzoek. Die avond ziet Decker in het raam van een verderop gelegen huis een flikkerend licht, gevolgd door vlammen. Nieuwsgierig geworden gaat hij op onderzoek uit, maar wat hij ontdekt is veel meer dan een beginnende brand. In het huis bevinden zich twee doden. Het ene slachtoffer is opgehangen en op de vloer onder zijn lichaam bevindt zich een enorme plas bloed. De andere man draagt een politie-uniform en ligt met schuim rond zijn lippen in de kelder. Wie de twee doden zijn, weet niemand. Diezelfde avond nog krijgen Decker en Jamison te horen dat het niet om een opzichzelfstaand incident gaat. In de weken daarvoor zijn meerdere moorden gepleegd en de plaatselijke politie - die weinig mensen en middelen tot haar beschikking heeft - staat voor een raadsel. Wanneer Decker zijn hulp aanbiedt, wordt deze schoorvoetend geaccepteerd. Al gauw blijkt echter dat hij niet de enige federale agent is die interesse in de zaak toont. Want de moorden in Baronville zouden weleens te maken kunnen hebben met een veel grotere dreiging op nationaal niveau.”


NOEM HET LIEFDE

Uiteraard hebt u bij uw boekhandel de immer slinkende stapel boeken zien liggen. Van de bestseller die leest als een tierelier, die boordevol spanning zit in de betekenis van de drang tot verder lezen. Ik weet zeker dat uw leeskompanen over dit brok ware literatuur met u gesproken hebben. Het gaat om een boek dat etaleert hoe geweldig fijn lezen kan zijn. Ik wil u de eerste bladzijden van een roman inleiden en in vervoering brengen door u de eerste vijf bladzijden integraal aan te reiken. Het gaat om de 302 bladzijden tellende paperback Noem het liefde van Daan Heerma van Voss en uitgeverij De Bezige Bij. Over twee weken wisselen wij hier onze leeservaringen met elkaar uit. Nu het proza van Heerma van Voss.

‘Deel I Vechten of vluchten 
1. Het meisje A. Zo heette ze, zolang ze van mij was. Al op die eerste avond nam ik mezelf voor haar echte naam nooit uit te spreken. Zo zou ik haar nooit helemaal hoeven delen.
Buiten bidden de vogels, de laatste twintig uur zijn voorbijgekropen. Alle lichten in 309, mijn grootmoeders kamer, zijn uit. Wanneer ze ademhaalt, trillen haar grijze, iets te lange neusharen. Pas nu ze haar ogen heeft gesloten, pas nu ze me geen vragen meer stelt, durf ik te erkennen wat er de laatste maanden is gebeurd, met hoeveel liefde en met hoeveel dood ik me heb omringd, en waarom ik niet anders kan dan weggaan. Soms begrijp je het verhaal pas echt als het bijna is afgelopen. Ik volg de juiste koers, zeg ik tegen mezelf, de juiste koers, de juiste koers. Voor de zoveelste keer lees ik het bericht dat Adriaan me gisteren stuurde, waarin hij me smeekte te vertrekken. Van iedereen heb ik afscheid genomen, van iedereen die daar behoefte aan had althans. Uit mijn binnenzak pak ik de afscheidssigaret. Het meisje A. Als ik mijn best doe, zie ik de afdruk van haar lippen. Als ik mijn best doe, proef ik haar weer. Liefde maakt ziek, zo is het nu eenmaal. Dit bedacht ik tegenover de psychiater bij wie ik na de dood van mijn ouders was aangespoeld. Toen hij me vroeg waarom liefde noodzakelijkerwijs tot ziekte leidde, antwoordde ik: dat is niet waar liefde toe leidt, maar wat liefde ís. En ondertussen verleidt ze ons tot grootse daden, lieflijke daden, bizarre daden, lachwekkende daden. Welke van mijn daden groots zijn geweest en welke toch vooral lachwekkend, daar ben ik nog niet over uit. Maar binnenkort heb ik alle tijd van de wereld om erover na te denken. Ik strijk de haren uit mijn grootmoeders ogen en leg ze in een scheiding. In de spiegel aan de muur zie ik een grijswitte haar in mijn rechterwenkbrauw, die sinds enkele maanden blijft terugkomen, maar ik besluit hem nog even te laten zitten.

Het meisje A. Er resteert mij nog één manier om erachter te komen of onze liefde zo echt is geweest als ik – nog altijd – hoop. Ik zal de Atlantische Oceaan oversteken en mijn ogen op Amerikaanse bodem pas weer opendoen. Schitterend in de verte, die witte letters. HOLLYWOOD. Robert McKee, mijn voormalig leermeester, zegt dat de camera een röntgenapparaat is dat alles blootlegt wat vals is. We zullen zien of hij alsnog gelijk krijgt. Voor de laatste keer bekijk ik het etiket van het flesje op haar nachtkastje, de raadselachtige Indonesische letters. Ik draai de dop eraf en laat een doorzichtige druppel over mijn hand lopen. Wanneer de maan zijn zenit heeft bereikt, begint haar hartslag langzaam te dalen. Ik leg alle ziekenhuispapieren op mijn koffer, opdat er geen misverstand kan bestaan over wat zich hier werkelijk heeft voltrokken. Het is bijna zover, en dit keer zal ik niet proberen te ontkomen. 

2. Maar om het einde van mijn verhaal te begrijpen, moeten we terug naar het begin: het moment dat mijn dierbare vriend Adriaan de Ridder me in dat overvolle koffietentje vroeg wie toch de vrouw was over wie ik ‘zo geheimzinnig’ aan het doen was. Ik moest hem wel antwoorden, en niet alleen omdat hij ernstig ziek was. Ooit was hij goed bevriend geweest met mijn ouders en zijn loyaliteit aan hen was eenvoudigweg overgegaan op mij. We hadden elkaar geërfd. Gedachteloos leunde ik voorover om een spatje scheerschuim van zijn oorlel te vegen. Eigenlijk hoorde Adriaan thuis op zijn woonboot. Voor alle rondzwemmende eenden had hij een naam, en op heldere dagen kon je je vanaf het dek, uitkijkend op kerken en gevels, voorstellen dat de stad voor altijd zou bestaan. Wanneer hij zijn boot niet meer zou verlaten voor een kopje koffie, was zijn overtuiging, zou het sterven echt beginnen. Het was de eerste keer dat iemand me vroeg haar te beschrijven. Daarvóór was ze helemaal van mij geweest. Om tijd te winnen bestudeerde ik de kaart; broodje of soep. Mijn jeans knelde, maar volgens het meisje A. hoorde dat zo.

Adriaan zette zijn bril recht en stelde zijn vraag opnieuw, ditmaal op een plechtiger toon. Nu pas zette hij zijn wandelstok, aangeschaft toen de kanker hem echt begon aan te tasten, tegen de muur. ‘Heb jij geen betere dingen aan je hoofd?’ vroeg ik maar. ‘Andere dingen – zeker geen betere. Ik ga mijn vraag geen derde keer stellen.’ Goed, hoe haar te beschrijven? Zij was degene met wie ik, in nog geen drie weken tijd, een eigen universum had geschapen. We lagen op bed toen ik dat gewichtige woord voor het eerst gebruikte. Ze had me gevraagd of ik haar indruk deelde dat we een eigen wereld aan het maken waren. Ik schudde mijn hoofd. Het was een universum, met eigen natuurwetten, eigen wonderen, eigen raadsels. Adriaan keek me verwachtingsvol aan.
Denkend aan het meisje A. drongen zich ongeordende details aan me op. Hoe ze haar benen over elkaar sloeg als ze naar de wc moest maar niet wilde, hoe ze juist niet lachte als ze iets wel grappig vond. Hoe ze elke avond een pluisje uit mijn navel plukte en, nadat ze het had weggeblazen, fluisterde dat ik een wens mocht doen.Gewoontegetrouw zei ik dan dat er niets te wensen was overgebleven. Terwijl zij toch zo ongelukkig was, vertelde ze enthousiast, en zo onbevredigd! Ik vatte dit alles samen voor mijn vriend, die het woord ‘universum’ stoïcijns aanhoorde.

Goed, zei hij, dan moest ik hem het begin van dat universum laten zien, de oerknal. Dat was eenvoudig. De oerknal was een voetstap, maatje zesendertig. Het gebeurde vorig jaar, de zomer liep op zijn einde. Op het plein was de taxi me al opgevallen, hoe bruusk hij stopte voor het rode licht, het nerveuze getoeter. Ik liep verder, een caféruit weerspiegelde mijn gestalte. Ik zag er moe uit, het was een lange, lege nacht geweest; het jaarlijkse filmgala. Elke keer verwachtte ik dat mijn naam van de gastenlijst was geschrapt, maar telkens viel die gouden envelop toch weer in mijn bus. Bang om het laatste beetje krediet van de filmbonzen te verspelen door niet op de uitnodiging in te gaan, sleepte ik mezelf naar de festiviteiten, die elk jaar zowel decadenter als holler werden. Voor de caféruit veegde ik mijn haar goed en zei tegen mezelf dat ik er wel eens slechter had uitgezien, al wist ik zo snel niet wanneer dan. Op dat moment verliet ze de stoep en kwamen haar versleten All Stars neer op het zebrapad. Ze liep een jong, blond meisje en een jongen met een glimmend jack achterna. Ik herkende haar meteen. Zij was het die ik had gezocht, niet eens wetende dat ik op zoek was geweest. Schrik maakte plaats voor ontzetting: zij kon het niet zijn, dat mocht niet. Ze bukte, begon haar veters te strikken, de jongen en het meisje verdwenen in een café. Op het moment dat ik me omdraaide, jakkerde de taxi de straat in, de bestuurder merkte haar niet op. Het veters strikkende meisje keek te laat op en verstijfde. Had ik geweten wat ons allemaal te wachten stond, dan zou ik, hoe wreed het ook klinkt, ten minste even hebben geaarzeld. ‘Maar?’ vroeg Adriaan. ‘Maar in werkelijkheid rende ik onmiddellijk de straat op, wat denk jij nou? Ik sleurde haar weg, de taxi raasde voorbij. We hijgden uit op de stoep.’ Ze had blonder haar gekregen, alle krullen waren eruit gesteild, ze had haar jongensachtige kinderlichaam ingeruild voor dat van een vrouw, maar haar huid was nog kleiachtig, vettig, jong. Mijn ademhaling werd steeds onregelmatiger. Na een vluchtig ‘Nou, doei, hè’ stak ze opnieuw over, uiteraard zonder om zich heen te kijken. Daar ging ze, het meisje A. Uiteraard was het café dat haar vrienden waren binnengegaan en dat nu ook zij betrad, hetzelfde als waar ik had afgesproken met Lena.’


DE DOOD VAN HITLER

Een geschiedenisboek dat leest als een thriller. Een verhaal vol suspense over een tiran. Een definitieve afrekening van een mythe. Een onthullend relaas over de nazitop. Daar gaat het om. Ik leg voor u in de vitrine de 320 bladzijden tellende, authentiek geïllustreerde paperback De dood van Hitler van Jean-Christophe Brisard en Lana Parshina en de uitgeverijen Polis en Nieuw Amsterdam met de ondertitel ‘Het ware verhaal’.  Ik bemin historische verslagen, mits die een thema behelzen dat mij gerieft, in toegankelijke taal vervat zijn en spanning kennen in de betekenis van de drang tot verder lezen. Aan die eisen voldoet geheel De dood van Hitler dat op de omslag een geslaagde kiek van het hoofdpersonage in betere tijden heeft. Ik wil de spanning en de toegankelijkheid aantonen door het eerste stuk van deel 1 ‘Het onderzoek’ aan u door te geven. Vooraf citeer ik de uitgever op de omslag en de volgende keer pluk ik uit De dood van Hitler het gedeelte over het huwelijk tussen Adolf Hitler en Eva Braun op 29 april 1945 in een Berlijnse bunker.

Polis en Nieuw Amsterdam: ‘Op 30 april 1945 pleegde Adolf Hitler zelfmoord in zijn Berlijnse bunker. Meteen nadat de Russen de stad hadden ingenomen, groeven ze Hitlers lijk op en verzamelden bewijsmateriaal. Was hij het echt? Stalin was geobsedeerd door die vraag. Zelfs nadat de Russen het KGB-dossier over Hitler hadden vrijgegeven, bleven er vraagtekens.
Jean-Christophe Brisard en Lana Parshina worden na lang aandringen toegelaten in de KGB-archieven, waar ze stukje bij beetje de lugubere archiefstukken te zien krijgen. Hun reconstructie van de dood van Hitler, mede aan de hand van nieuw DNA-onderzoek, levert een spannend verhaal op over vermeende complotten, vergissingen en fake news dat decennialang meegaat.’
 
Brisard en Parshina: ‘Moskou, 6 april 2016 - Lana is ontdaan. Haar contactpersonen bij de Russische overheid hebben niet verhuld hoe klein onze kans is om te slagen. Onze afspraak om elf uur ’s ochtends is bevestigd, maar in Rusland zegt dat niets. Een bijtende noordenwind prikt in ons gezicht als we de wijk van het ‘Staatsarchief van de Russische Federatie’ naderen. In Rusland heet dat het GARF (Gosoedarstvenny Archiv Rossiskoj Federatsii). Een staatsinstelling in het centrum van Moskou. Het bevat een van de grootste collecties archieven van het land, met bijna zeven miljoen documenten uit de negentiende eeuw tot nu. Hoofdzakelijk papieren documenten, maar ook wat foto’s en geheime dossiers. En voor een van die geheime dossiers trotseren wij nu het ruige Moskouse klimaat en de niet minder ruige Russische bureaucratie. Lana Parshina is geen volslagen onbekende in Rusland. Deze jonge Russisch-Amerikaanse is journaliste en documentairemaakster en wordt regelmatig in de tv-studio’s uitgenodigd om te vertellen over wat nog steeds haar mooiste wapenfeit is: het laatste interview met Lana Peters.

Lana Peters was een oude, berooide vrouw, die ergens ver weg in de Verenigde Staten door iedereen vergeten in een tehuis voor behoeftigen woonde. Ze hield zich schuil en wilde niet met journalisten praten. En nog minder herinneringen ophalen aan haar vader, ene Iosif Vissarionovitsj Dzjoegasjvili, oftewel Stalin. Lana Peters heette eigenlijk Svetlana Stalin en was de lievelingsdochter van de dictator. Midden in de Koude Oorlog, in de jaren 1960, was ze gevlucht en had ze bij de Amerikaanse vijand politiek asiel gevraagd. Vanaf dat moment werd ze het symbool voor de Russen die tot alles bereid waren om een dictatoriaal systeem te ontvluchten. Lana Parshina had de mensenschuwe nakomelinge zo ver weten te krijgen dat ze haar een serie interviews voor de camera gaf. Dat was in 2008. Een succes dat in heel Rusland was opgemerkt. Sinds een paar jaar komt Stalin namelijk weer in de mode in Moskou. Lana Parshina kent het ingewikkelde raderwerk van de bureaucratische Russische overheidsmachine maar al te goed. Ze maakt zich sterk dat het haar zal lukken de geheime, gevoelige en complexe dossiers in te zien. Maar op die ochtend in april 2016 voel ik dat ze zich zorgen maakt. We hebben een afspraak met de directrice van het GARF, Larisa Aleksandrovna Rogovaja. Alleen zij kan ons toestemming geven het H-dossier in te zien. ‘H’ van Hitler. Zodra we de grote hal van het GARF in komen, wordt de toon gezet. Een soldaat met een snor die erg jaren zeventig is, een beetje à la Freddie Mercury, vraagt om onze paspoorten. ‘Controle!’ zegt hij grimmig, alsof we indringers zijn. Met haar Russische identiteits-bewijs vormt Lana geen probleem. Mijn Franse paspoort compliceert de situatie. De militair lijkt niet vertrouwd met het Latijnse alfabet en slaagt er niet in mijn naam te lezen. Brisard wordt БРИЗАР in cyrillische letters. Precies zó sta ik op zijn lijst met mensen die vandaag naar binnen mogen. Na een lange controle en de reddende assistentie van Lana mogen we eindelijk door. De directiekamer van het archief? Onze vraag irriteert de oppasser. Hij is al met een andere bezoeker bezig, op dezelfde aimabele manier. ‘Helemaal achteraan, na het derde gebouw rechts.’ De jonge vrouw die ons heeft geantwoord, heeft ons bedankje niet afgewacht en ons de rug toegekeerd om de slecht verlichte trap op te lopen. Het GARF lijkt op een Russische arbeiderswijk. Het is verspreid over verschillende gebouwen met sombere gevels in de zuiverste Sovjet- tijl, een mengeling van constructivisme en rationalisme.

We lopen van het ene gebouw naar het andere en proberen grote plakken drabbige sneeuw te ontwijken. ‘Directie’, staat er in stevige letters op een bord boven een dubbele deur verderop. Een donkere personenauto verspert de ingang. We hebben nog een meter of twintig te gaan als een vrouw met een imposant postuur haastig het gebouw uit komt en in de auto verdwijnt. ‘Dat is de directrice...’ mompelt Lana met een zweempje wanhoop als ze de auto ziet wegrijden. Het is vijf voor elf, onze afspraak van elf uur is er net vlak voor onze neus vandoor gegaan. Welkom in Rusland.
 
De twee directiesecretaresses van het GARF hebben de rollen verdeeld, er is een aardige en een ronduit onvriendelijke. ‘Waar komen jullie voor?’ Als je niets van een taal verstaat, zoals bij mij het geval is met Russisch, voel je makkelijker de barse ondertoon. De jongste van de twee — om het onbeleefd te zeggen, de minst oude — is dus niet onze vriendin. Lana stelt ons voor, wij zijn de twee journalisten, zij de Russische en ik de Franse. We zijn hier omdat we een afspraak hebben om de directrice, mevrouw de directrice, te spreken en om iets nogal bijzonders in te zien... ‘Dat kan niet!’ onderbreekt de vijandige secretaresse haar meteen. ‘Ze is weg. Ze is er niet.’ Lana legt uit dat we dat al weten, de donkere auto buiten, de directrice die vergeet dat we komen en voor onze neus in rook opgaat. Ze vertelt het allemaal zonder haar enthousiasme te laten varen. Wachten, is dat een optie? ‘Als u dat leuk vindt’, besluit de secretaresse en ze verlaat het vertrek, met een stapel dossiers onder haar arm om aan te geven hoe belangrijk de tijd is die wij van haar hebben durven innemen. Boven haar bureau hangt een Zwitserse koekoeksklok. Die staat op tien over elf. De andere secretaresse heeft zonder iets te zeggen naar haar collega geluisterd. Haar schuldbewuste blik is ons niet ontgaan. Lana loopt naar haar toe. Een afspraak in het Kremlin, in de ambtswoning van de president. Niet gepland in de agenda van de directrice. Als Poetin of— wat waarschijnlijker is — zijn kabinet belt, moet je meteen komen.

De secretaresse, de aardige, legt het met gedempte stem uit, in korte zinnen. Haar stem klinkt heel vriendelijk, bemoedigend ondanks de nogal negatieve strekking van de informatie die ze ons geeft. Hoe laat ze terugkomt? Wie zal het zeggen?! Zij niet, in elk geval. Heeft die oproep op het laatste nippertje met ons te maken? ‘Nee. Waarom zou die met jullie te maken hebben?’ Het is vijf uur geweest. Ons geduld is uiteindelijk beloond. Voor onze ogen is zojuist een doos van dik karton opengemaakt. Daarin ligt hij, heel klein, netjes bewaard in een bakje. ‘Dat is hem dus? Is hij het echt?’ ‘Da!’ ‘Ja, ze zegt ja’ ‘Dank je, Lana. En is dat alles wat er nog is?’ ‘Da’ ‘Dat hoef je niet te vertellen, Lana’. Bij nadere beschouwing lijkt het bakje erg op een diskettebox. Sterker nog, het is er een. Hitlers schedel wordt bewaard in een diskettebox.  Laten we precies zijn, het gaat om een stuk schedel waarvan de Russische autoriteiten zeggen dat het van Hitler is. De trofee van Stalin. Een van de best bewaarde geheimen van de Sovjet-Unie en daarna van postcommunistisch Rusland. En voor ons het resultaat van een jaar wachten en onderzoek doen.’


EEN SEXTET BOEKEN VOOR ONDER DE ZON EN IN DE SCHADUW

Ik mocht positieve reacties ontvangen op de boekentips voor de komende weken van vrijaf. Of u nu buiten of binnen, veraf of dichtbij op de vrije dagen titel vertoeft, deze nieuwe publicaties zullen naar thema het goed bij u doen. Ik geef titel, schrijver, ondertitel of genre en uitgever, Het leidende onderwerp staat verwoord op de omslag en reik ik u ook aan. Ik zie uit naar uw reactie na lezing van een van de zes werken na de vakantie.
 
1) Het napalmmeisje – Kim Phuc Phan Thi – Haar leven van vuur naar vrede – Boekencentrum
De foto waarop een meisje wanhopig wegrent voor de vlammen van napalmbommen is wereldberoemd. minder bekend is hoe het verder ging met de Vietnamese Kim Phuc. In dit aangrijpende boek vertelt ze het verhaal van haar jeugd, het heftige moment van de foto en haar lange weg naar genezing en vrede. Het napalmmeisje is een schrijnend verhaal over de oorlog in Vietnam en hoe een jong leven in een handomdraai verwoest kan worden. Maar het is ook een hoopgevend boek over de veerkracht die Kim vond in de liefde en genade van God.







2) Beneden – Leonora Carrington – Novelle – Orlando
In 1937 was de Engelse Leonora Carrington een 19-jarige studente aan de kunstacademie. Ze was mooi, rebels en onaangepast binnen het aristocratische milieu van haar familie. Tijdens een diner ontmoette ze de kunstenaar Max Ernst. Ze werden verliefd en Carrington volgde Ernst naar Parijs. Niet veel later vestigden ze zich in de Provence. In mei 1940 werd Ernst gearresteerd toen het Duitse leger Frankrijk bezette en vastgezet in een kamp, waarop Carrington psychisch instortte. Zij vluchtte naar Spanje. Daar werd Carrington gedwongen opgenomen in een psychiatrische inrichting, waar ze niet alleen ten prooi viel aan haar eigen angstaanjagende waan beelden, maar ook aan de wrede behandeling door haar arts. De novelle Beneden, het verslag van deze beproeving, is een duizelingwekkende reis door de hallucinerende logica van de waanzin.





3) Litteken – Sara Mesa – Roman – Wereldbibliotheek
Twintiger Sonia komt op een online literatuurforum in contact met een man die zichzelf Knut Hamsun noemt. Er ontwikkelt zich een intense correspondentie en een verhouding, waarin ze elkaar beurtelings aantrekken en afstoten. Knut plaatst Sonia op een voetstuk en wil van haar een ideale vrouw maken; Sonia wil wel zijn aandacht maar voelt zich ongemakkelijk bij zijn dwingende toon. Als Sonia trouwt houdt de internetverhouding met Knut stand. Ze vertelt hem over haar seksleven en haar saai geworden huwelijk. Het leidt tot de onvermijdelijke maar teleurstellende ontmoeting. Sonia heeft steeds gefantaseerd over heftige seks met Knut, maar hij blijkt fetisj-fantasieën te hebben en mijdt direct seksueel contact. Ondanks haar chronische obsessie voor Knut besluit ze hun verhouding te beëindigen. Haar verlangens zijn onvervulbaar gebleken. Wat overblijft is een litteken. Door de oplopende spanning is het nauwelijks mogelijk dit duistere en soms pijnlijke verhaal neer te leggen. Litteken is een subliem psychologisch portret van twee mensen die allebei teleurgesteld worden in hun verwachtingen.

4) De zoektocht naar Madeleine Merano – Pauline J. Van Munster – Roman – In de Knipscheer
De zoektocht naar Madeleine Merano speelt zich af op een klein eiland. De gesloten sfeer zorgt voor een beklemming die de roman tot het eind toe spannend houdt. Abel, een jonge man, gaat naar het eiland waar zijn twee moeders een korte maar intense geschiedenis hebben liggen. Tijdens zijn zoektocht, waarin hij in het verleden duikt van zijn beide moeders, ondergaat hij een transformatie. Zijn vondst zal voor altijd zijn leven veranderen. Diverse personages komen aan het woord en de lezer volgt hen in hun eigen zoektocht, die zijdelings met Madeleine Merano te maken heeft. Iedereen zoekt wat en vindt wat, hoe verrassend soms ook. De plot is sterk, en de verschillende subplots en nevenintriges zijn listig met elkaar verweven. Daarbij kenmerkt De zoektocht naar Madeleine Merano zich door een fraaie en beeldende stijl, geplaatst in een niet-Nederlandse setting. Met deze roman, haar vijfde boek, is Pauline van Munster na 15 jaar niet gepubliceerd te hebben weer terug in het literatuurlandschap.



5) Spoken in Moskou – Joseph Roth – Reportages en brieven uit Rusland – Bas Lubberhuizen
In 1926 reist Joseph Roth voor de Frankfurter Zeitung door de Sovjet-Unie, van Kiev tot Moskou en Odessa. Roth is nieuwsgierig naar het sociale experiment dat moet leiden naar een nieuwe wereld en hij wordt door de revolutionaire regering met open armen ontvangen. Roth ontmoet boeren, leraren, arbeiders, priesters, toneelspelers en prostituees en ziet hoe desastreus het nieuwe regime uitpakt. De droom ligt snel in duigen, en Roth schrijft erover in een rake, zinnelijke stijl waarin nieuwsgierigheid en teleurstelling een tweestrijd aangaan. Uit zijn reportages, brieven en dagboeknotities – die hier voor het eerst in deze samenstelling verschijnen – blijkt ook hoe eenzaam hij zich voelt en hoezeer hij verlangt naar zijn geliefden. In Spoken in Moskou. Reportages en brieven uit Rusland volgen we een meesterjournalist die met diepe menselijkheid door een van de grootste illusies van zijn tijd heen prikt.



6) Palimpsest – Jack van Weimar – De geheime oorsprong van de islam – Gabriel Publicaties
Filiz Kara, een Leidse wetenschapster, komt in het bezit van een zeer oud manuscript. Bij onderzoek van het manuscript komen er bladzijden van een oer-Koran tevoorschijn. Hieruit blijkt dat de Koran tot op de dag van vandaag helemaal verkeerd is vertaald. De consequenties zijn dramatisch: wat als extremisten die aanslagen plegen zich realiseren dat er iets heel anders op hen wacht in het paradijs dan 72 maagden? Filiz kan haast niet geloven wat ze in deze oer-Koran gelezen heeft. Ze realiseert zich hoe gevaarlijk het is om haar ontdekkingen wereldkundig te maken. Dit wordt nog versterkt wanneer Filiz wordt benaderd door een team internationale wetenschappers die nog meer bewijzen hebben die de fundamenten van de Koran ontkrachten. Ze staat voor een enorm dilemma: hoe ver ga je voor een waarheid die meer dan een miljard mensen raakt? Kunnen deze vondsten helpen het extremisme te bestrijden? Of zal de bekendmaking van deze wetenschappelijke ontdekkingen leiden tot ongekende terreur? Jack van Weimar werkt al meer dan dertig jaar op het snijvlak van politiek, diplomatie en veiligheid. Hij heeft jaren in islamitische landen gewoond en vele landen in het Midden Oosten bezocht . Door zijn werk, ervaring en zijn interesse in religie en geschiedenis heeft hij een grote achtergrondkennis. Vanwege de gevoeligheid van het onderwerp en zijn huidige functie in het centrum van de macht, kan hij niet anders dan dit boek onder een pseudoniem publiceren.
 

 

Postadres

Postbus 1112
3350 CC Papendrecht
078-7706308 (di en do)
Bezoekadres

Gemeente Papendrecht
Markt 22
3351 PB Papendrecht