Cultuurmix

CULTUURMIX 17 SEPTEMBER 2018

Papendrecht 17-09-2018

VER-GEET-MIJ-NIET

Ik leg een schrijnend, ingetogen, meeslepend, informatief , uit het leven gegrepen relaas voor u op de leesplank, dat ik het voorbije weekend in een ruk tot mij genomen heb. U weet van mij dat ik een hang heb naar boeken die als thema het wee van de Tweede Wereldoorlog verwoorden, dit boek overtreft mijn verwachtingen, Ik had er via tv heel veel goeds van vernomen, maar dat het zo sterk zou zijn lag niet in mijn vermoeden. Het gaat om de 302 bladzijden tellende, gul en authentiek geïllustreerde paperback Ver-geet-mij-niet van Bart van Es en De Bezige Bij met de ondertitel ‘Over het verborgen leven van een Joods meisje’. Op de omslag staat een foto van het hoofdpersonage, Lien de Jong van dertien jaar in 1946 in de outfit van de socialistische jeugdbeweging AJC. Deze Lien begon haar levensverhaal in januari 2015 te vertellen aan auteur Bart van Es, wiens grootouders in 1942 het Jodinnetje, toen de Holocaust woekerde, in hun huis aan de Bilderdijkstraat in Dordrecht lieten onderduiken.

Op bladzijde 227 staat opnieuw het portret van Lien, als u weer in de ogen blikt van het tienermeisje weet u wat zij de achterliggende jaren te verduren had. Voorbije donderdag ontving Jeroen Pauw aan zijn tv-tafel de inmiddels 85 jaar grande dame en haar schrijver en Jeroen las de brief voor waarmee de indringende levensloop van Lien de Jong een aanvang nam. In haar Amsterdamse woning bewaart zij de brief die haar moeder aan de denkbeeldige opvangouders schreef en gedateerd is met ‘Augustus 1942’. Op de bladzijden 34 en 35 staat de tekst met een foto van het origineel. Ik citeer: ‘Zeer Geachte Heer en Mevrouw, Alhoewel persoonlijk geheel onbekend, stel ik mij voor een man en een vrouw die als een vader en moeder voor mijn eenig kind, onder deze omstandigheden door mij afgestaan, naar beste willen en weten zullen zorgen. Stelt U zich voor, het afscheid tusschen haar en ons. Wanneer zullen wij haar weer zien? 7 September wordt zij negen jaar. Ik hoop, dat het voor haar een vreugdevolle dag zal worden. Tevens spreek ik de wensch uit, dat zij U geheel als een vader en moeder zal beschouwen en dat U haar in haar droevige oogenblikken die ongetwijfeld zullen komen als zoodanig zult kunnen troosten. Als God wil, zullen we elkaar allen na de oorlog de hand drukken in blij en gelukkig weerzien. Uw toegenegen vader en moeder van Lientje.’

U kent nu het thema van dit non-fictieve relaas, de titels verklaar ik vervolgens. Een huisgenoot van Lien op haar onderduikadres in Dordt is Kees en die schrijft in haar poesiealbum: ‘Ver-geet-mij-niet Blijf-gezond tot je-weegt 300 pond. Goedemorgen Maandag. Hoe gaat het met Dinsdag? En zeg tegen Woensdag Dat ik a.s. Donderdag Met de trein van Vrijdag Zaterdag en Zondag komt logeren. Hond, Poes, Kat Lientje is een schat. Ter herinnering aan je neefje Kees.’ De ondertitel spreekt voor zich en is schrijnend in de uitwerking.

Bart van Es is op het spoor van Lientje gekomen door een verzwegen verhaal van zijn grootouders dat hij probeert te achterhalen. Daartoe zoekt hij  Lientje op en via de gesprekken en bewaarde documenten vangt hij trieste relaas. Lientje wordt door haar Joodse ouders door de verzetsvrouw Heroma in Den Haag opgehaald en ondergebracht bij de familie Van Es in Dordrecht. Na een half jaar onderduik staan opeens de politiemannen en verraders Harry Evers en Arie den Breejen op de stoep van Bilderdijkstraat 10, maar Lientje weet weg te vluchten. Na veel omzwervingen belandt zij in IJsselmonde, maar ook daar komen politie en blaffende honden. Uiteindelijk belandt zij in het Gelderse Bennekom bij de familie Van Laar bij wie zij de oorlog weet te overleven. Dit klinkt wat vlug en prozaïsch, maar ook tijdens de jaren van onderduik wordt het Joodse meisje systematisch door een familielid verkracht, wordt zij achteruitgezet en vernederd. Ook na de oorlog heeft zij te kampen met gevoelens van onteerd worden, niet aanvaard worden en onheus behandeld te worden. Toch lukt het de vrouw, die bijna haar gehele familie door de Duitse beulen in de concentratiekampen.

De grote verdienste van Ver-geet-mij-niet ligt echter niet alleen bij een beschrijving van de lotgevallen het Joodse meisje Lientje door de nazi’s en hun helpers aangedaan. Ik noteer voor de vuist weg. Ruim aandacht besteedt de in Engeland wonende Bart van Es aan items als de geschiedenis van Den Haag, het bombardement op Rotterdam, het wel en wee in het verleden van de naar Nederland gekomen Joden, de historische betekenis van Dordrecht, de outfit van het huidige Dordt, het heldhaftige optreden van de huisarts Jan Heroma en zijn vrouw, het belang van het Nationaal Archief in Den Haag, de naoorlogse berechting van landverraders, de slag om Arnhem en de gruwelen in Auschwitz. Zo reikt Van Es een persoonlijk relaas aan met een uitvoerige beschrijving van de context. Lientjes verhaal wordt onderbouwd door documenten uit het verleden, waardoor het lijkt of Bart van Es tracht zijn verhaal te onderbouwen. Ook hanteert hij literaire trucs als het verspringen in de tijd, van het hier en na naar het toen en toen. De uitdaging aan ons als lezer is het hoofd erbij te houden. De taal die Van Es hanteert kent literaire kwaliteiten: tintelend en toegankelijk, origineel en evocatief, helder en klaar. Zijn boek leent zich bij uitstek tot een bron van informatie uit de eerste hand over de jaren 40-45 en lang daarna. Ik weet zeker dat Ver-geet-mij-niet een bestseller zal worden en dat verdient het boek ook.

Op de vrijdag na Pauw hoorde ik van Maarten Kooiman bij de toonbank van zijn boekhandel op de hoek dat de bestellingen binnenkomen en dat werd onderschreven door een echtpaar dat het waardevolle boek kocht. Nog een persoonlijke noot. Wij gingen vanuit Kralingseveer met de pont naar IJsselmonde om de tandarts op de dijk te bezoeken en naar het stadion van Feyenoord te gaan. Wij gingen in de jaren veertig als gezin naar Bennekom om vakantie te vieren. Wij trokken in die tijd naar Dordrecht om bij EBOH te voetballen. Ik had geen flauwe notie ervan dat in die locaties Joodse  landgenoten geholpen werden door moedige Nederlanders. Bart van Es vertelt het verhaal. Voorlopig tot slot geef ik u de tekst van De Bezige Bij op de omslag. Mag ik van u vernemen hoe Ver-geet-mij-niet bij u overgekomen is? Wij spreken elkaar nog een keer over dit belangrijke werk.

De Bezige Bij: ‘Oxford-hoogleraar Bart van Es verliet Nederland jaren geleden, maar één verhaal uit zijn kindertijd verliet hem nooit: het verhaal over het jonge Joodse meisje Lientje dat door zijn grootouders verborgen werd gehouden voor de nazi’s. Ze voedden het meisje op als hun eigen dochter, maar decennia na de oorlog werd het contact plots verbroken. Wat is Lientjes verhaal? En wat veroorzaakte die diepe breuk?  Op een dag krijgt Van Es Lientje’s poëziealbum in handen. Lien zelf is inmiddels in de tachtig en woont in Amsterdam. Tussen hen ontstaat een bijzondere vriendschap, maar Lientjes verhalen brengen ook verschrikkelijke gebeurtenissen aan het licht. Ver-geet-mij-niet is een verhaal over tegenstrijdigheden – over grote moed en vrijgevigheid, maar ook over verkeerde intenties en diepe wonden. Over hoe onze pijnlijkste ervaringen ons vormen en hoe we daarmee in het reine kunnen komen, zelfs een mensenleven later.’


DE ZOMER VAN 1823

Door een informatief, toegankelijk en kleurrijk reisverslag van een wandeltocht door eigen land werd ik teruggebracht naar een persoonlijk verleden en naar een vaderland van weleer. Een pracht en een macht van een lees-en kijkalbum voerde mij terug naar voorbije decennia door mij gemaakte fietstochten en naar twee eeuwen geleden door twee notabelen  afgelegde voetreizen. Ik heb het over de 312 bladzijden tellende, grandioos geïllustreerde paperback De zomer van 1823 van Jacob van Lennep en Atlas Contact met de twee ondertitels ‘Het dagboek van zijn voetreis door Nederland’ en ‘Bezorgd door Geert Mak en Marita Mathijsen’. Voor een goed begrip: bezorgen staat voor ‘naar ons toebrengen’. Op een kaartje voorin staan de routes die Van Lennep en zijn kompaan bijna twee eeuwen terug gelopen hebben. Ik pluk voor de vuist wat locaties die ook ik in het verleden met eega, kinds of kameraden gevisiteerd heb. Het verschil is wel dat het duo toen per pedes apostolorum het land doortrok en ik met de mijnen op het stalen ros. Buiksloot, Edam, Hoorn, Lemmer, Urk, Hindeloopen, Rijs, Franeker, Dokkum, Sappemeer, Zweeloo, Kampen, Hattem, Hardenberg, Deventer, Doesburg, Rheden, Amerongen, Tiel, Leerdam, Veere, Vlissingen, Domburg en Breda. In mijn agenda’s staan deze namen maar dan zonder enige toelichting. Ik moet het van mijn geheugen verder hebben.

Hoe anders deed de auteur Jacob van Lennep het: hij wandelde, noteerde en legde de inhoud in boekvorm neer. De verdienste van Mak en Mathijsen is nu dat zij opnieuw ons Van Lenneps De zomer van 1823 doen toekomen. Ik ga de Inleiding van Geert en Marita aan u doorgeven, en wel in drie afleveringen. Mijn doel heb ik echter nu al bereikt: u weet dat De zomer van 1823 opnieuw bestaat.

Mak en Mathijsen: ‘We schrijven de zomer van 1823. Lord George Byron en Johann Wolfgang von Goethezetten de toon in de Europese salons. In Wenen werkt de dove Ludwig van Beethovenaan zijn Negende Symfonie. De voormalige Franse keizer Napoleon is net het jaar daarvoor in zijn verbanningsoord St. Helena overleden. De Europese politiek wordt beheerst door de Turkse kwestie en de vrijheidsoorlog van de Grieken. Aleksander Poesjkin schrijft aan zijn romangedicht Jevgeni Onegin. In het Engelse Darlington begint de mijningenieur George Stephenson met de aanleg van de eerste spoorlijn. En in een verre uithoek van Europa ligt de ooit zo machtige Republiek der Zeven Provinciën onder een nieuwe naam weg te rotten, vrijwel vergeten in de Weense en Parijse kringen, met een hoofdstad vol verschimmelde paleizen uit de zeventiende eeuw, vol kunstschatten achter gesloten voordeuren. In diezelfde zomer nemen twee Leidse studenten, Dirk van Hogendorp en Jacob van Lennep, een revolutionair besluit: in plaats van een ‘grand tour’ door Europa – de gebruikelijke reis om jongelieden van stand de wereld te laten kennen – willen ze een voettoer door het eigen land maken, dat onbekende oude en tegelijk nieuwe Nederland. De slag bij Waterloo en het Wener Congres liggen alweer acht jaar achter hen, Nederland en België zijn samengevoegd tot één koninkrijk en in die noordelijke uithoek van Europa is het stil geworden. Veel oude handelssteden verkeren in diep verval. Binnenslands zijn grote streken – men schat een derde van het huidige Nederland – nog bedekt met pure wildernis: hoogveenvlaktes in Drenthe, gigantische heidevelden op de Veluwe, onafzienbare woestenijen in de Peel. Er is nog veel water dat later land zal worden. 

Van Lennep en Van Hogendorp treffen op hun voetreis nog schaapskudden op de bolwerken van de Leeuwarder Vrouwenpoort, en op een landtong bij Urk ‘zaten honderden van zeehonden zich in de zon te blakeren’. De beginnende industrie die ze bezoeken – bijvoorbeeld in Enschede, Deventer en Leerdam – draait nog helemaal op wind-, water-, hand- en paardenkracht. De wegen waren vaak enkel modder. Een reis van Groningen naar Den Haag duurde al gauw een dag of vijf, een stad als ’s-Hertogenbosch was ’s winters soms wekenlang afgesloten van de rest van het land. ’s Avonds gingen de poorten dicht, die het platteland buitensloten in totale duisternis. Men leefde in eigen stad of streek, daarbuiten kwam men zelden. Geen tien jaar later zouden talrijke steden en dorpen zijn ontsloten met verharde wegen en kanalen, vijftien jaar later haastten zich de eerste spoortreinen, vijfentwintig jaar later rookten overal de schoorstenen van de industrie. Maar in dit reisverslag komt nog geen stoommachine voor.

Het Nederland dat Van Lennep en Van Hogendorp doorkruisten, was een land dat leefde in de laatste jaren van diligence, ganzenveer en tondeldoos, van besloten dorpen en landstreken, van stadspoort en wildernis. Hun Nederland was een wachtend land. Jacob – ‘Ko’ – van Lennep (21) en Dirk van Hogendorp (25) maakten hun voetreis van 23 mei tot 2 september 1823. Het initiatief kwam van Dirk. Die schreef op 25 april 1823 een brief aan Jacob over een voetreis door Nederland ‘om den landaart en de zeden en gewoontens der ingezetenen te leeren kennen’. Hij nodigde Van Lennep uit om hem daarbij te vergezellen, in de verwachting met hem altijd ‘een goede conversatie te kunnen onderhouden’. Hij verwachtte ƒ 500 nodig te hebben voor de reis (te vergelijken met vijfduizend euro!). Jacob moet daarop met zijn vader overlegd hebben over de financiën en de studieonderbreking. Weliswaar had hij zijn examens achter de rug, maar hij moest nog de afsluitende dissertatie schrijven. Op 29 april kreeg Dirk te horen dat de zaak beklonken was. Beide jongens hielden nauwlettend hun dagboeken bij, en beide verslagen zijn bewaard gebleven. Het meest levendige en uitgebreide is dat van Van Lennep. Het werd geschreven in de vorm van brieven aan zijn zus Antje. Later heeft hij het grootste deel van die brieven keurig overgeschreven in schriftjes, maar tot een publicatie bij zijn leven kwam het niet. Het geheel werd in 1942, vierenzeventig jaar na zijn dood, voor het eerst uitgegeven. Dirk schreef zijn verslag in twee kleine boekjes, waar hij onderweg een touw omheen bond. Zijn dagboek is nog nooit gepubliceerd. Jacob van Lennep kwam uit een erudiete, vermogende Amsterdamse regentenfamilie. Zijn vader, David Jacob van Lennep, was hoogleraar in de klassieke talen en geschiedenis aan het Amsterdamse Athenaeum. Jacob van Lennep zelf was een vrolijk, slim jongetje, dat al op zijn derde kon lezen en schrijven en dat op zijn zesde de hele Gijsbrecht van Aemstel uit het hoofd kon voordragen. ‘Nooit, nooit vergeet ik den indruk die het ophalen van ’t gordijn, de koele tocht die mij van het tooneel tegenwoei, en het verschijnen van de vier rood en geel uitgemonsterde hellebaardiers van Gijsbrecht op mij maakten,’ schreef hij later. ‘Van dat oogenblik was ik mij mijner roeping bewust; ik moest auteur worden en ik was het reeds. ’Schrijven en voordragen was zijn lust en zijn leven, en al op jonge leeftijd was hij een buitengewoon gewiekst dichter – getuige ook de rijmpassages in zijn reisverslag. Toen Jacob veertien was, overleed zijn moeder, drie jaar later hertrouwde zijn vader en stichtte een nieuw gezin. In datzelfde jaar ging hij aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre rechten studeren. ‘Weinig zag men mij in de collegiekamers,’ herinnerde hij zich, ‘maar des te meer in den schouwburg of het koffiehuis, en ik verdeelde mijn tijd tussen het billard en de literatuur’.

Desondanks studeerde hij vrij snel. Omdat het Athenaeum nog geen examenbevoegdheid had, ging hij voor de afsluiting van zijn studie naar de universiteit van Leiden, waar hij Dirk van Hogendorp leerde kennen. Dirk van Hogendorp was het tegendeel van de levenslustige Jacob van Lennep. Het moet een vrij stroeve, weinig kunstzinnige, in zichzelf gekeerde jongeman zijn geweest, streng voor anderen en vooral voor zichzelf. Zijn vader was niemand minder dan de grote Gijsbert Karel van Hogendorp, de ‘koningsmaker’ van Willem I, de man die de nieuwe grote Nederlandse natie na het vertrek van de Fransen op poten had gezet. Dirk moest voortdurend in diens schaduw leven, en daar had hij duidelijk moeite mee. In zijn jongensjaren had vader Van Hogendorp bovendien Dirks geldzaken overgelaten aan een frauderende gouverneur. ‘Ik ondervond daardoor gedurig vernederingen, doch moest ook daardoor in grote bekrompenheid en armoede leven, terwijl mijne broeders het zeer goed doen konden,’ zou hij achteraf schrijven. Pas in Leiden, tijdens zijn studie, leefde Dirk op. Hij raakte, net als Jacob, sterk onder invloed van de charismatische privaatdocent Willem Bilderdijk, een antirevolutionair avant la lettre, een van de weinige kleurrijke figuren in het kalme Leiden. In zijn colleges en beschouwingen fulmineerde Bilderdijk tegen alles wat maar met de Franse revolutie te maken had: de Verlichting, de goddeloosheid, het rationalisme en het liberalisme. Hij streed voor het herstel van het ‘erfgoed der vaad’ren’, een protestantse natie onder leiding van een overheid met een door God gegeven gezag – in dit geval de koning. De nieuwe grondwet vond Bilderdijk een verwerpelijke zaak, een uitvloeisel van de revolutie, in strijd met alle godsvertrouwen van de ware christen. Zijn studenten dweepten met hem en ‘redetwistten tot diep in de nacht’, aldus Van Lennep later, ‘om den haard gezeten, bij pijp en glas, over de diepzinnigste politieke en theologische vraagstukken met krachtige opgewektheid’. In zijn reisverslag uit 1823 duiken deze discussies eveneens regelmatig op. In Bad Bentheim spreekt hij twee uur lang met een medegast ‘over het liberalisme’. De ‘ondoordachte mensenliefde’ in de bedelaarskolonie Ommerschans geselt hij in een lang gedicht: ‘Wie kleedde zich ter onheilstichting / in het glanzend omhulsel der Verlichting?’ In Zutphen wordt de tot christen bekeerde joodse arts Rosenstein eindeloos doorgezaagd over zijn opvattingen over predestinatie, vrije wil en het bestaan van de duivel. Ook het merkwaardige incident in Groningen, waarbij Van Hogendorp bijna wordt gemolesteerd door een groep dronken studenten, heeft alles te maken met hun radicale standpunten.’ […]


GASLAND

Een waarschuwend, inspirerend, meeslepend, persoonlijk, prachtig geschreven werk uit de non-fictie heb ik voor u. Ik leg een briljant, gedreven verwoord bericht uit de samenleving voor u op de leestafel dat ons een van de meest urgente thema’s van het huidige Nederland voorhoudt. Ik heb het over de 274 bladzijden tellende paperback Gasland van journalist en schrijver  Louis Stiller en uitgeverij De Geus met de ondertitel ‘Nederland wordt wakker geschud’. De optie van mij is nu u te doen proeven van de literaire stijl van Stiller, waarin hij de feiten en omstandigheden van de gaswinning in Groningen vervat. Het verbaast mij dat in de Haagse politiek steeds weer nijpende zaken gevonden worden, die voor korte termijn voor opschudding, verwarring en dadendrang zorgen. Naar verhouding maken de politici zich niet zo druk om hetgeen hun kiezers in het Groningse land al jaar en dag overkomt. Stiller legt de hand op de zere plek. Om u zijn onderwerp van aandacht te noemen, reik ik u eerst de tekst van de uitgever op de omslag aan. Vervolgens geef ik u integraal het door Stiller gezegde op de eerste bladzijzijden. Gasland roept om een reactie van u en die hoor ik graag.

De Geus: ‘We wonen niet in Nederland, we wonen in Gasland. Bevingen, schadeherstel en versterkingen gijzelen de levens, woningen, het landschap en de toekomst van honderdduizenden Groningers, schetst journalist en essayist Louis Stiller, inwoner van het Groningse Warffum. Maar Gasland gijzelt ook de toekomst van heel Nederland. Want nergens in Europa wordt zo weinig duurzame energie geproduceerd als hier, en nergens worden oplossingen zo ver naar de toekomst doorgeschoven. Terwijl het twee voor twaalf is, op energie- en klimaatgebied. In Gasland reist Stiller door het fysieke en mentale landschap van de gaswinning, op zoek naar antwoorden. Hij schetst glashelder de complexe aard en achtergronden van de problematiek, probeert lessen te trekken uit zeventig jaar gasgeschiedenis en onderzoekt mogelijkheden om, net als na de vondst van het gas, snel en groots een weg uit het oude energiestelsel te vinden.’

Louis Stiller: ‘Vanaf de top van de wierde van Warffum kijk ik uit over Groningen. In het oosten stijgt de rookkolom van de RWE-kolencentrale – baken van de Eemshaven – verticaal ten hemel, omringd door vrolijk draaiende windmolens. Iets dichterbij staat de koren-en pelmolen Eva, vlak naast de kerk van Usquert, gehuld in groen steigerdoek. Naar het zuiden glinstert de Warffumermaar, die naar Onderdendam slingert, om van daaruit naar de heiige verte te stromen, richting de stad Groningen. Dit is het Hogeland, overlopend in de laagte van Centraal-Groningen. Dit is het land van het aardgas, zover mijn oog kan zien. Dit is het land waar de afgelopen zestig jaar voor zo’n 300 miljard euro aan gas werd gewonnen. Het land van de bevingen. Van de stutten en de verstevigingen. Van het kastje en de muur. Dit is Gasland. Hoe gaat het met ons, hier in Groningen? Is deze provincie in een slowmotionramp terechtgekomen, zoals zo vaak wordt beweerd, of zijn we juist bezig ons op te richten? En hoe ziet de toekomst eruit? Ook ons huis werd beschadigd door de bevingen van Huizinge in 2012 en vooral door de twee bevingen van Zandeweer, in februari 2013 en nog eens licht door de 3,4 van Zeerijp in januari 2018.

Na een schadeprocedure, die bijna een jaar duurde, repareerde een ploeg timmerlieden, schilders en voegers in het voorjaar van 2014 voor ruim 13.000 euro onze Amsterdamse Schoolwoning uit 1924 – zo goed en zo kwaad als het ging. Antiek lichtgeel kathedraalglas was bijvoorbeeld niet meer verkrijgbaar en moest vervangen worden door neutraal, blank glas waar het zonlicht een stuk bruusker door naar binnen dringt. Alles went. De tweede schaderonde, die we anderhalf jaar later doorliepen, was goed voor nog eens 900 euro aan reparaties, maar die herstelwerkzaamheden zijn nog niet uitgevoerd. De aannemers hebben het druk in Groningen. En nog steeds werken de bevingen door. De schuurdeur gaat sinds een paar maanden niet meer goed dicht, er braken nieuwe scheuren door het stucwerk van kamerwand en badkamerplafond, en zelfs het bakstenen stoepje bij de voordeur bleek ineens gebarsten. Het is allemaal niet onoverkomelijk – ’t Is nait aal doage kovvie mit kouke, zoals mijn opa en oma zouden zeggen – maar hoe is het elders, dieper in Gasland, waar nog veel meer en zwaardere bevingen zijn? Soms vlamde het ook op in gesprekken of diep in de nacht in de halfslaap: hoe was het mogelijk dat een halve provincie in de kreukels lag zonder dat een echte oplossing in zicht was? Hoe kan het dat er zo weinig echte ophef over deze slowmotionramp ontstond? Hoe kan het dat wij Groningers zo mak en volgzaam bleven – een enkele uitzondering daargelaten? Wat is er in godesnaam aan de hand in dit land?

Regelmatig maakte ik de afgelopen jaren tochten door het Groninger land – fietsend, treinend, lopend – om te zien hoe de dorpen en gehuchten erbij lagen en wat voor invloed de bevingen op de bewoners hadden. Op een zomerdag probeerde ik heel Gasland te befietsen: van landgoed Oosterhouw in Leens in het noordwesten van Groningen naar de Pekela’s in het zuidoosten – een kleine zeventig kilometer. Onderweg telde ik de stutten en de steunen, sprak her en der met bewoners, probeerde het bevingslandschap tot me door te laten dringen. Het was donker toen de Arriva-trein me weer thuisbracht. Wat me duidelijk werd, was dat de ‘bevings’ overal hadden huisgehouden. Vanaf een steiger in Kolham vertelde een vrouw dat vooral de schuur en de achterkant van haar woning flinke klappen hadden gehad. Het was een zwaar gevecht geweest met de schade-inspecteur van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (nam), vertelde ze. ‘We waren blij dat we foto’s hadden van de schuur.’ Ze legde uit dat ze een nieuw katje hadden gekregen en dit op het plaatsje hadden gefotografeerd toen de schuur nog heel was. ‘Anders hadden we het niet kunnen bewijzen.’ Ieder huis waar ik stilstond om een praatje te maken – in Zandeweer, Appingedam, Siddeburen, Ten Boer, Hellum, Martenshoek of elders – bleek ooit getroffen door een aardbeving, vaak zelfs meerdere, en iedereen had schade opgelopen. Zonder uitzondering. Ik had blind in Groningen kunnen rondlopen, een willekeurige voorbijganger aan kunnen schieten en er was een verhaal over schade, herstel en frustratie uit gerold. En dat gebeurde. Overal. ‘Ik weet niet of we hier kunnen blijven wonen’, zei een bewoner van het voormalig koffiehuis van Uithuizermeeden. ‘Dat kan alleen als we het eens worden met de nam en dat zie ik somber in.’ Wat me opviel was de lichtverbijsterde blik in de ogen van de mensen, de lichte bewegingen van hun hoofd tijdens het spreken en hun stemgeluid: het was alsof ze nog steeds niet konden geloven dat dit gebeurd was. Dat dit mogelijk was in Nederland. ‘Je hoort zulk soort dingen weleens over Nigeria of Rusland’, zei een man in Overschild. ‘Maar hier bij ons?’

Van Warffum naar Loppersum, in het hart van Gasland, is het nog geen twintig kilometer en onderweg passeer je tientallen onzichtbare grenzen – de zogenaamde PGA-lijnen. De ‘peak ground acceleration’ geeft aan wat de maximale grondversnelling is bij een aardbeving en wordt in kringen van geologen liever gebruikt dan de wat grovere en nietszeggender momentmagnitudeschaal van Richter, die alleen vertelt wat de oorspronkelijke kracht in de  diepte was – niet wat een beving aan de oppervlakte veroorzaakt. Van PGA 0,10 fiets ik langs de vuilstort naar 0,12, passeer de 0,18 bij Usquert, de 0,22 bij Rottum, de 0,28 bij Middelstum en de 0,30 bij Huizinge om bij 0,38 PGA in Loppersum uit te komen, waar dus 3,5 keer zo veel schade kan worden aangericht dan in Warffum. Ruwweg klopt dat ook wel, want de afgelopen decennia kwamen bij ons dertien gasbevingen binnen een straal van vijf kilometer langs. Het merendeel daarvan was tamelijk mild (nog geen 2 op de schaal van Richter), maar zeker drie van die gasbevingen-op-afstand waren boven de 3,0 geweest. Hier in het hart van Gasland rommelde het veel harder. Meer dan tweehonderd (!) bevingen onderging de grond hier, waarvan ten minste twaalf zware bevingen boven de 3,0. Hoe is het om in zo’n spervuur van bevingen te wonen, vraag ik aan activiteitenbegeleider en Statenlid Petra Blink uit Loppersum. Het huis waar ze sinds 1990 woont, ligt aan de Wijmers, een trekvaart die naar het Damsterdiep bij Garrelsweer loopt, op een paar kilometer afstand van Huizinge, Westeremden en Zeerijp: de drie epicentra van de zwaarste gasbevingen tot nu toe.

Als Blink de deur opendoet verontschuldigt ze zich voor haar gezicht: vorige week is ze flauwgevallen in de badkamer en beschadigde daarbij haar neus en oogkas. Al heeft de val niets met de bevingen te maken, het is een bijna te voor de hand liggend beeld: een vrouw met een geschonden gelaat in een fors geschonden pand. Want dit voormalige arbeidershuis, dat rond 1900 werd gebouwd, is zeker vijf keer flink beschadigd door de zware bevingen die Loppersum troffen. De eerste daarvan meer dan twaalf jaar geleden, op 8 augustus 2006. Het epicentrum daarvan was Westeremden, drie kilometer hiervandaan. De beving tikte 3,5 op de schaal van Richter aan en was lange tijd de zwaarste van allemaal, tot de beving van Huizinge – hemelsbreed ook maar vier kilometer – op 16 augustus 2012. Blink was die dinsdagochtend in 2006 vroeg uit de veren om haar dochter naar de kinderopvang te brengen en daarna zelf met de trein naar haar werk te gaan. Terwijl ze in de keuken het ontbijt klaarmaakte, hoorde ze een zwaar gerommel dat snel dichterbij leek te komen. ‘Ik dacht dat er een vrachtwagen aan kwam rijden, maar al snel kreeg ik door dat het een beving was. Het eerste wat ik dacht was: het dak stort in. Het tweede: nou ben ik mijn dochter kwijt. Ze was nog boven. Ik schreeuwde: “Beau! Beau!” Toen ging haar slaapkamerdeur open en kwam ze naar buiten, in haar nachthemdje, met de kat in haar armen. Ze was in- en inwit. “Wat is dit?” riep ze huilend. “Dit is een beving!” riep ik. “Naar buiten, naar buiten, naar buiten!” gilde ze en ze gooide zó de kat van zich af en liet zich pardoes naar beneden vallen. Hoe het allemaal kon weet ik niet, maar ik heb haar opgevangen en we zijn naar buiten gerend.’ De beving werkte op vele manieren door voor Blink, Beau en haar toenmalige echtgenoot. Het huis was flink beschadigd, maar erger nog: de angst was onder de huid geslopen, zowel bij moeder als bij dochter. ‘Beau heeft maanden niet meer boven durven slapen’, zegt Blink hoofdschuddend. ‘Ze sliep bij ons of hier beneden.’ Ook bij Blink zelf bleef het spoken. ‘Die beving heb ik als heel erg traumatisch ervaren.’ In de maanden en jaren erna sliep ze steeds slechter, werd ’s nachts steeds vaker wakker en kon een tijdlang niet meer in slaap komen – zeker nadat de weg langs haar huis een klinkerlaag had gekregen. ‘Dit is een dertigkilometerzone, maar ’s nachts wordt er best hard gereden en dan klinkt het net als een beving.’


HET AMERIKA VAN DE ZIEL

Ik ga uw nieuwsgierigheid prikkelen, uw drang tot verder lezen uitlokken door u het begin van het titelhoofdstuk integraal aan u door te geven. Ik ga zelfs zo ver in het u uitdagen dat ik de volgende keer nog eens drie bladzijden u aanreik. Het gaat om de 372 bladzijden tellende paperback Het Amerika van de ziel van Karl Ove Knausgard en uitgeverij De Geus met de ondertitel ‘Essays 1996-2013’. Om u de context te geven citeer ik eest De Geus met het gezegde op de site. Ook noteer ik de titels van de chapiters en dit alles om u drang tot verder lezen te stimuleren. De Geus: ‘Karl Ove Knausgård is in 1968 geboren in Noorwegen.
In 2010 verscheen bij De Geus zijn roman Engelen vallen langzaam, waarvoor hij een nominatie kreeg voor de prestigieuze Literatuurprijs van de Noordse Raad. Het project waarmee hij hierna begon, de zesdelige ‘Mijn strijd’-serie, is ondertussen bekend als een van de grootste literaire projecten óóit in Noorwegen. ‘Vrouw’ is het laatste deel uit de serie. Knausgård heeft oneindig veel lof gekregen voor alle tot nu toe verschenen delen en wordt nu al tot de grootste Noorse schrijvers van deze tijd gerekend. Hij woont met vrouw en kinderen in het Zweedse Malmö. Nog voor Karl Ove Knausgård zijn eerste roman publiceerde, schreef hij essays over kunst en literatuur, en gedurende zijn verdere schrijverschap is hij dat blijven doen.

In Het Amerika van de ziel zijn de belangrijkste teksten van de voorbije twintig jaar verzameld. Variërend van stukken over het bijwonen van de begrafenis van zijn vader, tot het bloedbad op Utøya of de betekenis van eenzaamheid in de beelden van de Amerikaanse fotografe Francesca Woodman. De vaak persoonlijke teksten tonen de sterke observator die Knausgård is. De essays ontstonden parallel aan het schrijven van de ‘Mijn strijd’-serie, en kunnen dan ook gelezen worden als een begeleidend boek bij deze romans.’ De chapiters: Tien jaar, Alles wat in de hemel is, Ogen, Welkom in de werkelijkheid, De  monofone mens, De sandhornet, Het Amerika van de ziel, Op de bodem van het universum, De varkensmens, De bruine staart, De idioot van de kosmos, Bijbelassistent, Genade, Het voor allen gelijke, Het leven in de oneindige sfeer van berusting, De literatuur van het kwaad, Het onuitputtelijke precieze, Daar waar het verhaal niet komt. Aan u de uitdaging te achterhalen wat onder deze titels schuilgaat.

Knausgard: Het Amerika van de ziel - Er kwamen twee mannen van de naburige boerderij noordwaarts gesjokt, ze hadden een donker gezicht en een dunne, grijzende baard, een van hen droeg een draaiorgeltje op zijn rug. Er was vast niemand in het hele gehucht die had verwacht dat er die dag iets bijzonders zou gebeuren, maar toen doken deze twee vreemdelingen op, ze gingen op een opvallende plek tussen de huizen staan, zetten het orgeltje op een poot en begonnen te draaien. Het hele dorp liep uit, kinderen en vrouwvolk, jongelui en mensen die slecht ter been waren, er stond een kring van mensen om de muziek heen. Nu het winter was, was er zoo weinig dat de zinnen kon verzetten, alle mannen waren naar de Lofoten, niemand danste en niemand zong, in het hele dorp was het armoe troef, deze onbekende speelmannen waren daarom een hele belevenis, een avontuur dat iedereen zich vast zijn leven lang zou herinneren. De ene man draaide. Er was iets met zijn oog, hij leek er blind aan te zijn. De andere man droeg een zak, maar deed verder niets, hij was slechts zijn metgezel, hij stond naar zijn armoedige laarzen te staren. Plotseling rukte hij zijn hoed van zijn hoofd en ging ermee rond. Hoe kon hij nu geld verwachten op deze armetierige plek, waar men nauwelijks het hoofd boven water kon houden tot de mannen in de lente van de visvangst terugkeerden. Hij kreeg niets en zette zijn hoed weer op. Hij bleef een tijdje staan en begon toen in een vreemde taal tegen zijn kameraad te praten, steeds luider en bozer, het leek erop dat hij de muziek wilde stoppen en zijn kameraad mee wilde krijgen. Maar de muzikant ging door met spelen, hij wisselde de rol en draaide een zachte, donkere melodie die de menigte aangreep.

Een jonge vrouw die het iets beter had, draaide zich snel om, ze wilde misschien thuis een schilling gaan halen, maar dat moest zijn maat verkeerd hebben begrepen, die dacht waarschijnlijk dat ze er genoeg van had en hij riep haar schimpend na. Sst. Zei de muzikant tegen hem. Sst. Zijn metgezel was er niet de man naar om zich het zwijgen te laten opleggen, hij werd razend, vloog zijn kameraad aan en gaf hem een klap. Dat was zo erg nog niet, maar de halfblinde muzikant kon zich niet verweren, hij moest het orgeltje in evenwicht houden dat op zijn poot stond te wiebelen, hij had geen hand meer vrij en dook alleen weg met zijn hoofd. Uit de toeschouwers stegen kreten op bij deze onverwachte aanval, de kring week onmiddellijk uiteen, kinderen werden bang en zetten het op een schreeuwen. Toen rende Edevart naar voren, een opgeschoten jongen, dertien jaar, met sproeten en blond haar, zijn ogen schitterden van opwinding. Hij was nergens bang voor, onverschrokken stak hij zijn been uit om de aanvaller pootje te haken, maar dat mislukte, bij de volgende poging had hij geluk en kreeg hij de man op de grond. De jongen stond te hijgen als een blaasbalg, zijn moeder schreeuwde tegen hem, wilde hem daar weg hebben, maar Edevart bleef staan. Hij was buiten zichzelf, hij trok zijn lippen op zodat je zijn tanden zag. Je gaat nu naar huis riep zijn moeder opnieuw, ze had het niet meer. Ze was mager en zwak, niet meer dan een stofje, altijd stil en vroom, ze had geen gezag. De vreemdeling kwam overeind, hij loerde naar de jongen, maar deed hem niets, integendeel, hij leek beschaamd en klopte met bestudeerde gebaren de sneeuw van zich af. Toen zei hij weer iets tegen zijn kameraad, dreigde hem met zijn vuisten en droop af, verdween. De muzikant stond nog wat te snotteren. Er liep een rode streep over zijn wang, een merkwaardige blauwige kleur voor bloed, maar dat kwam vast omdat hij uit een vreemd land kwam en zo’n donkere huid had.

Zo begint de roman Zwervers van Knut Hamsun uit 1927. Vervolgens krijgt de bloedende orgelman een hoop geld van deze arme dorpsmensen. Als hij vertrekt gaat de jonge Edevart hem achterna het bos in, waar hij tot zijn verbazing de aanvaller samen met de orgelman ziet. Ze lachen. De orgelman veegt het bloed van zijn gezicht. Dan knikken ze naar Edevart en lopen verder naar het volgende gehucht. Dit voorval klinkt na in de rest van de roman, er duiken de hele tijd nieuwe, vergelijkbare voorvallen op, variaties op hetzelfde thema: iedereen houdt iedereen voor de gek. Alles is een spel. Niets is wat het lijkt. Als Edevart horloges verkoopt voor de klokkenjood Papst, staat er: ‘Edevart kwam terug in het pension en ging er niet meer op uit. Hij had er genoeg van gekregen. Hij had weer over een omheining gegluurd: geen grote spiegel en geen vergulde spullen te zien, het was wereld waar iedereen elkaar on de de tuin leidde…’  De metafoor ‘over een omheining gluren’ keert in de roman ook verschillende keren terug. Edevart maakt kennis met de grote handelsman Knoff, en er gebeurt hetzelfde, hij kijkt over een omheining en daar ziet hij hetzelfde.’ 


HET GOEDE LEVEN

Ik spreek de waarheid: aan het begin van de middag reikte de man van de post mij een pakketje aan met daarin een boek dat ik in de tuin gezeten meteen deels tot mij nam. Ik had over de voorganger ervan met de titel ‘Gouden jaren’ enthousiast bij u bericht en ook nu weer kan ik met vaste overtuiging zeggen dat het vervolg daarop weer een bestseller wordt. De top-tien van de betere boekhandelaren kent inmiddels dit werk in hun gelederen. Het gaat om de 350 bladzijden tellende, authentiek geïllustreerde paperback Het goede leven van Annegreet van Bergen en Atlas Contact met de ondertitel ‘Hoe Nederland in een halve eeuw steeds welvarender werd’. Uiteraard wandel ik later met u door het intrigerende werk dat tintelt van nostalgie, maar u is mijn optie dat u weet dat Het goede leven er is. Ik volsta derhalve nu met het doorgeven van de tekst van de uitgever op de omslag en het begin van het hoofdstuk ‘Tijdens vakantie zwaaien naar landgenoten’.

Maar eerst dit. Mijn jonge jaren mocht ik doorbrengen in Kralingseveer, een wijk op de oosterflank van Rotterdam. Mijn ouders waren vooruitstrevend en gingen in begin jaren vijftig met het gezin van zes personen op vakantie, en wel naar Leersum. Daar wij nog niet in het rijke bezit van een eigen auto waren, werd oom Jo van Campen gecharterd om ons naar het oord in de bossen te brengen. Oom was echter visboer en dat betekende dat er op zaterdag met de wagen de klanten bezocht dienden te worden. In de vroege avond was de kar van visluchten gezuiverd en haalde oom ons op. In de laadbak zaten wij met ons vijven. Onze moeder mocht voorin naast zwager Jo, want zij had het vlees voor de zondag al gebraden. Met het pannetje veilig tussen haar benen toerden wij naar het Utrechtse. Maar wij vertrokken niet nadat bijna de hele Lamastraat ons nagezwaaid had. Op vakantie gaan voor een hele week in eigen land was toen iets bijzonders, beter: iets gedurfds. Het huisje in Leersum was klein, met stapelbedden en aanrecht in een houten ruimte, maar wij vierden een zonnige week met gemeenschappelijke wc en douche. Het enige incident was dat vader op donderdag om vier uur in de morgen verschrikt opstond, omdat hij vliegtuigen over het huisje hoorde scheren. Vader dacht echt dat het weer oorlog was.

Atlas Contact: ‘Nederland is in korte tijd rijker geworden dan we ooit voor mogelijk hadden gehouden. Nieuwe wetenschappelijke inzichten en technische mogelijkheden zagen het licht. Het goede leven laat zien hoe door dit alles de wereld letterlijk en figuurlijk werd opengebroken. Met bromfiets of auto kwamen we steeds verder van huis. Televisie bracht onbekende landen en volkeren de woonkamer binnen. De zondag veranderde van een rustdag in een dag om erop uit te trekken. In Het goede leven pakt Annegreet van Bergen de draad op van haar bestseller Gouden jaren en laat ze met nieuwe observaties en anekdotes zien hoe de grote naoorlogse groei het leven in Nederland onherkenbaar heeft veranderd. Huismoeders doen hun boodschappen niet meer met een netje in de hand bij de kruidenier om de hoek. De tijd is voorbij dat verloofde stellen jaren moesten sparen voor hun uitzet of dat mensen maanden op een telefoonaansluiting moesten wachten. Welke vrouw wordt nu nog ontslagen als ze gaat trouwen? Wie biedt zijn gasten nog een rokertje aan? En: welk kind spaart tegenwoordig nog sigarenbandjes?

Annegreet van Bergen: ‘Tijdens vakantie zwaaien naar landgenoten - Wanneer de zomervakantie begint, is het dringen geblazen. Schiphol moet op topdagen bijna een kwart miljoen passagiers verwerken. Het ooit door Frankrijk gemunte begrip Zwarte Zaterdag (door vakantieverkeer veroorzaakte chaos, files en ongelukken) wordt over heel Europa uitgerold en is al lang niet meer beperkt tot één zaterdag. Overal duikt in de zomermaanden het begrip ‘topdrukte’ op. Gewoon druk is het in de meivakantie, wanneer Nederland – net als met Pasen, Pinksteren en kerst – ook massaal op stap gaat. Van de relatieve rust in de tussenliggende perioden profiteren senioren door er dan op uit te trekken. Voor je plezier de wijde wereld in trekken was eeuwenlang een genoegen dat alleen rijke mensen smaakten. Begin twintigste eeuw kwam daar een beetje verandering in, maar pas in de loop van de jaren zestig van de vorige eeuw kregen grote groepen Nederlanders geld voor vakantie. Mijn in 1903 in de Zaanstreek geboren oma kwam dankzij mijn ouders voor het eerst buiten Nederland. Die namen haar wel eens een weekje mee naar Duitsland.

Toen in 1974 de reis naar Zwitserland zou gaan, schreef ze op een kaart aan mij: ‘Oma naar Zwitserland? Ik kan het haast niet geloven.’ Voor haar ging er een nieuwe wereld open toen ze daar met eigen ogen de eeuwige sneeuw zag. Toen ze onderweg voor de zoveelste keer het bord ‘Ausfahrt’ zag, vroeg ze wanneer dat plaatsje nu eindelijk eens kwam. Op de terugweg sliepen ze in Limburg, in een klassiek hotelletje. Zo eentje ‘waar meneer zich thuis voelt, en mevrouw er eens helemaal uit is’. 

Zelf kamperen - Rond de vorige eeuwwisseling was kamperen een uit Engeland overgewaaide, ietwat zonderlinge liefhebberij van welgestelde jongemannen. Tussen de twee wereldoorlogen omarmde in Nederland ook de arbeidersbeweging het vrijwillige verblijf in tenten in de vrije natuur. Socialistische jongeren, verenigd in de ajc (Arbeiders Jeugd Centrale), zagen kamperen als oefening op weg naar een betere samenleving met daarin volop ruimte voor ‘de nieuwe mens’. Dat was ‘de mens die weet dat geen vreugde bloeien kan op een akker die gemest is met anderer leed en zorg en pijn’, schreef voorman Koos Vorrink (1891-1955) in 1934. Op de AJC-kampeerplaats de Paasheuvel in Vierhouten heerste een blije, optimistische sfeer. De meeste jongeren wilden wel áltijd zo kameraadschappelijk leven als daar. Terug in Amsterdam voelden ze zich soms behoorlijk misplaatst. ‘Wat zijn de mensen in de tram lelijk!’ schreef een deelneemster. ‘Geen spoor van vreugde op hun gezichten. Met verwondering kijken ze naar dat vreemde schepsel, dat zo in de tram dorst te gaan! Verbeeld je, met bloemen in het haar, met een rugzak op de rug en een heide-omwonden stok in de hand in de tram!’ Ook in Vierhouten wekten de ajc’ers met hun korte broeken en bloemetjesjurken verbazing én wrevel. Net als elders op de christelijke Veluwe vond de plaatselijke bevolking de kleding en het vermaak van de kampeerders maar niets. De Amsterdamse speeltuinvereniging Ons Genoegen organiseerde in Voorthuizen een kinderkamp. Mieke Dings vertelt in ‘Tussen tent en villa’ dat de lokale bevolking ‘zich stoorde aan de “half geklede communisten” – oftewel kinderen met korte broek of ontbloot bovenlijf – die dit kamp bevolkten en de zondagsrust verstoorden met tromgeroffel’.

Er werden rond Voorthuizen diverse kampeerterreinen en vakantieparken met primitieve houten zomerhuisjes gesticht. Het was een mooie, landelijke streek met veel kippenboeren. Hun kippenhokken stonden in de zomer dikwijls leeg en na een goede schoonmaakbeurt verhuurden ze die als vakantiehuisje. Ook socialistische jongeren verbleven in zulke accommodaties. In Zelf kamperen verhaalt Gerard Reve (1923-2006) over zijn vakantiebelevenissen op de Veluwe. ‘Het kampement bestond uit tenten maar ook uit enige voor bewoning geschikt gemaakte kippenhokken, in die tijd een gewild want niet extreem duur zomerverblijf, dat bij een tentenkamp altijd een veilige toevlucht bleef bieden tijdens slecht weder.’

Poepschepje - Na de oorlog gingen ook gezinnen kamperen. Niet iedereen vond dat even fijn. De samensteller van Onder de luifel, een in 1955 uitgegeven vuistdik ‘kampeertechnisch handboek’, mijmert in zijn voorwoord: ‘Met een zekere weemoed denkt de kampeerder, die de stormachtige ontwikkeling van zijn hobby heeft meegemaakt, terug aan de tijd dat hij nog vrij kon kamperen, waar hem dat goed dacht; toen hij zelfs op de weinige kampeercentra nog de illusie kon hebben met zichzelf alleen te zijn.’ Toch was kamperen in de jaren vijftig nog steeds met een idealistisch waas omgeven, of op z’n minst met het verlangen één met de natuur te zijn. Dat was ook niet zo moeilijk, want de voor kamperen bestemde terreinen waren uiterst primitief. Soms was er alleen een waterpomp en/of een wasbak en ontbraken wc-hokjes, terwijl er van douches al helemaal geen sprake was.

Het ‘kampschopje’ waarover Onder de luifel schrijft dat ‘men er goed mee moet kunnen spitten […] voor het wegbergen van faecaliën’ kent Anneloes (1955) als het ‘poepschepje’. Zij kampeerde met haar ouders en broers op natuurcampings zonder wc. ‘Wanneer je moest, groef je eerst achter een boom of struik een kuiltje en dat gooide je weer dicht als je gepoept had. Kamperen ging bij ons helemaal volgens de boekjes. Van tent opzetten zonder dat er in het doek ook maar één vouw zat, tot en met het maken van een kampvuur met twijgjes en strootjes, waarbij er altijd een emmertje zand onder handbereik moest zijn voor het geval dat. Mijn vader wist hoe het moest, want hij zat vroeger bij de padvinderij en was zelfs hopman geweest.’ In de eerste jaren dat ze als gezin kampeerden, hadden haar ouders nog geen auto en was het een hele expeditie om vanuit hun woonplaats Leiden naar het kampeerterrein in Ommen te komen. Anneloes: ‘Zelf reisden we met de trein. Van Gend & Loos, hét transportbedrijf uit die tijd, bracht de grote houten kist met onze kampeerspullen en kleren naar Ommen. Als de kist uitgepakt was, werd hij gebruikt als tafel. Daar zaten we – mijn ouders op visstoeltjes, kinderen op de grond – met z’n allen omheen. Oergezellig vond ik dat. Mijn moeder kookte op een primus in speciale kampeerpannen die in elkaar pasten en die aan de rand uitsteekseltjes hadden, waarachter je de pangreep haakte zodat je de pan kon optillen.’ [...]
 

DRIE VAN DE HARMONIE

Al jaar en dag houdt Elsbeth Louis van uitgeverij De Harmonie ons op de hoogte van haar nieuwe publicaties. Deze week stuurde zij naar mij drie gloednieuwe publicatie voor de kids van ons. Ik geef u de tekst van de omslag door en laat dat voorafgaan door titel en auteur. Verdere notitie hebben deze drie niet nodig, want De Harmonie staat voor kwaliteit. Als u maar weet dat deze boeken er zijn.
 
1) Wat doen we met Toribio – Isol
Toribio is een onmogelijk ventje: hij wil niet slapen, zijn haren niet wassen of netjes eten. Aan het eind van de dag zijn zijn ouders uitgeput. Ze houden weliswaar heel veel van hun zoontje, maar 's nachts dromen ze ervan dat Toribio op een dag zal veranderen. Isol kreeg in 2013 de Astrid Lindgren Memorial Award toegekend. Na het glow-in-the-dark droomreceptenboek Nocturno volgden het grappige prentenboek Mijn moeder is een stekelvarken, De mooie Griselda en De Kleine.




2) Fred zoekt vriend - Pépé Smit
Fred voelt het als hij wakker wordt: hij heeft geen zin in alleen, hij heeft zin in samen. Jammer genoeg heeft niemand tijd voor hem. Fred vindt het maar een stomme dag, totdat hij slak Piet ontmoet, die hij snel tot zijn nieuwe allerbeste vriend bombardeert. Maar zijn Piet en Fred wel zulke geschikte vrienden voor elkaar? Beeldend kunstenaar en illustrator Pépé Smit debuteerde met Fred het (heel erg eigenwijze) hert, inmiddels een klassieker. Het werd bekroond door de Kinder- en Jeugdjury Vlaanderen. Daarna verschenen Pluis is het zat, over een konijn dat niet met zich laat sollen, en Evert-Jan, een poepvlieg met smetvrees, over een poepvlieg die niet van vies houdt. Maar ook Fred beleefde nieuwe avonturen in Fred kan niet slapen en Fred wil ook naar school.

3) De bel van Isabel – Karel Eykman
Met De bel van Isabel voltooit Karel Eykman zijn trilogie ontroerende alledaagse kinderverhalen. Eerder verschenen De K van Kasper en De veer van Veerle. In De bel van Isabel kiest Eykman voor de dichtvorm. Het slakvriendje Sjaak en een kameel in de tram, grappig water en de wonderplee, de zelfverzonnen hemel en de meefietsende maan, het lekkere jasje en de jaszak vol geheimen; het zijn de kleine waarnemingen van kinderen die in De bel van Isabel de hoofdrol spelen.

De gedichten zijn voorzien van prachtige illustraties van Patsy Backx. Karel Eykman schrijft liedjes, gedichten en verhalen voor kinderen en volwassenen en werkte mee aan de meest succesvolle televisieprogramma's van de afgelopen vijftig jaar, zoals De ‘Stratemakersopzeeshow’, ‘De film van Ome Willem’, ‘Het Klokhuis’ en ‘Sesamstraat’. Zijn meest recente boek is Jaarringen, een poëtisch zelfportret. Patsy Backx las als kind strips als Kuifje en Donald Duck. Na een aantal jaar kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, studeerde ze aan de Rietveld Academie. Vanaf 1991 illustreert Backx kinderboeken. Voor haar eerste kinderboek, Stippie en Jan, ontving ze twee Vlag en Wimpels.
 
 

CULTUURMIX 10 SEPTEMBER 2018

Papendrecht 10-09-2018

IN EUROPA

Voor mij ligt een macht en een pracht van een magazine, dat in toegankelijke taal en magnifieke beelden het thema van de komende Open Monumentendag luisterrijk vorm geeft. Anders gezegd: ik strijk met de handen over de beeldende woorden en over de  kleurrijke illustraties, die ons uitnodigen tot een verkennende trip in het weekend van 8 en negen september. Ik heb het over het 64 grote bladzijden tellende, van meet tot finish kien geïllustreerde In Europa van Open Monumentendag 2018. Als intro pluk ik uit het eerste chapiter ‘In Europa’: ‘Voor Open Monumentendag 2018 is als thema gekozen: In Europa. Met dit thema sluit de Open Monumentendag in Nederland aan bij het Europese Jaar van het Cultureel Erfgoed. Het accent zal dit jaar liggen op wat ons in dit deel van de wereld bindt, met aandacht voor internationale architectuurstromingen, vergelijkbare én onderscheidende (bouw)technieken, wederzijdse inspiratie in toegepaste kunsten en uitwisseling van kennis en wetenschap. Uiteraard zal ook veel aandacht uitgaan naar de historische context waarin monumenten zijn gebouwd en gebruikt.

Samen met zo’n vijftig andere landen maakt Nederland deel uit van Europa, samen zijn wij Europa. Of we willen of niet. Een klein continent, maar tegelijk een lappendeken van volkeren, landen, talen en religies, kortom: een multiculturele megamix. Eeuwenlang hebben de volkeren van Europa elkaar op leven en dood bestreden. Elkaar verdreven of onderworpen. Maar net zo lang hebben ze elkaar opgezocht om verbonden te sluiten, om handel te drijven, om kennis uit te wisselen. Juist omdat elk volk, elk land en elke cultuur iets te bieden had wat de ander niet had. Nederland heeft in die hectische eeuwen van strijd en toenadering beide kanten van de medaille leren kennen. Ons land werd geciviliseerd door de Romeinen, geplunderd door de Noormannen, bezet door de Spanjaarden, ingelijfd door de Fransen, maakte vijf jaar deel uit van het Duitse ‘Dritte Reich’. Maar we dreven ook volop handel, werden schatrijk, sloten vredesakkoorden, namen honderdduizenden vluchtelingen op, werden een vrijhaven voor vrijdenkers. Onze vorsten en adel sloten ‘grensoverschrijdende’ huwelijken, met alle culturele uitwisseling van dien. En veel gebeurtenissen en ontwikkelingen hadden ook een keerzijde die vaak ook nu nog, of soms nu pas, zichtbaar is. Anno 2018 is er in Europa nog steeds heel veel wat culturen, landen en volkeren van elkaar onderscheidt en scheidt. Maar sinds de Tweede Wereldoorlog is in de meeste Europese landen het besef gegroeid dat er meer is wat ze bindt. Met de Europese Unie, vrede, welvaart en onderlinge solidariteit is er een gemeenschappelijke basis die in de loop van de tijd mede gestalte heeft gekregen in de vorm van ons gemeenschappelijke Europese erfgoed. Of het nu om bodemvondsten gaat, om roerende en onroerende monumenten, om cultuurlandschappen, om handelsroutes, migratie, internationale verdragen, transport, of om immaterieel erfgoed: overal zit wel een Europese dimensie aan. 

Om u de diversiteit, originaliteit en creativiteit van het boekwerk ‘In Europa’ te illustreren reik ik u de titels en de ondertitels van de twaalf hoofdstukken aan, in de veronderstelling dat uw nieuwsgierigheid geprikkeld wordt. 

1) Importeur van erfgoed – Of Peter de Grote zelf zijn handen – of zijn mond – gebrand heeft aan het blazen van deze klokjes, is niet bekend. 
2) Ik heb lekker de hoogste – Het jonge paar had in Engeland de beschikking over vorstelijke optrekjes als Kensington Palace en Hampton Court.
3) De stelling alsnog bewezen – Als je op topografische kaarten keek, zag je die forten er soms helemaal niet op staan, wat alles nog spannender maakte: geheime militaire terreinen, veroverd door jou. 
4) Wat we zien als we door Hindeloopen lopen – Er is een duidelijke verwantschap met de beroemde Noorse rosemaling, vooral in het gebruik van acanthusmotieven. 
5) Het mirakel Mariken – Het ‘mirakelspel’ rond Mariken – de vroegst bekende gedrukte versie dateert uit 1516 – is een echt Europees verhaal.
6) En de molenaar, hij maalde voort – Ome Jan kon zo ‘gigantisch boeiend’ vertellen dat de kleine Fred en zijn vriendjes aan zijn lippen hingen. 
7) Joost mag het weten – ‘Wonderlijkste manifestaties (…), onuitwisbare bloedspatten, onderaardse gangen, lugubere kelders waar onlangs menselijke skeletten werden aangetroffen, maken het slot tot de griezeligste burcht die ik ken’.
8) Een goudmijn in de steentijd – Door met andere stenen op die knollen te kloppen, kun je vlijmscherpe scherven of ‘klingen’ losmaken: ideaal om pijlen, speren en bijlen mee te maken. 
9) Holland op z’n smalst – Het IJ sneed in die dagen nog diep Noord-Holland binnen, tot aan de duinen bij Velsen. Daar was ‘Holland op z’n smalst’ en daar moest dus de doorgang naar zee gemaakt worden, over een afstand van bijna zes kilometer.
10) Vriezenveen aan de Neva – Klinkt ‘Pley’ u bekend in de oren? Dat kan kloppen: Herman Pleij, onze bekendste tv-historicus, is een stamboomgenoot van Hospers. 
11) De dodendraad als rode draad – Romanieke moest haar baan halsoverkop opzeggen om nog naar Koewacht terug te kunnen keren. Want de grens ging dicht – en hoe… 
12) De ster van de Melkweg – Op 7 september 2017, tijdens de officiële opening van de Open Monumentendag, vielen de monden van de deelnemers aan de excursie ‘Radiotelescoop Dwingeloo’ meermaals open. De wonderen waren niet van de lucht, sterker nog: ze kwamen van ver buiten de dampkring. 


FILOSOFIE VAN DE BURN-OUT

Ik vraag uw aandacht voor een heerlijk concreet boek over een veelvuldig voorkomende, echter vaak onbegrepen ziekte. Ik mag u aankondigen het bestaan van een werk, dat in concrete taal een onbestemde kwaal een geestrijke dimensie geeft. Het gaat om de 138 bladzijden tellende paperback Filosofie van de burn-out van Pascal Chabot en Amsterdam University Press met de prachtige en doordachte ondertitel ‘Voor hen die beschouwen’.  Ik las de tekst op de site van de uitgever en het eerste gedeelte van het beginhoofdstuk ‘Er is iets aan de hand’ en traceerde dat het om een opzienbarend en horizon verleggend boek gaat, dat voor zieken en gezonden een bron van inzicht aanreikt. Ik geef u beide teksten met de verwachting dat u dit heilzame boek tot u gaat nemen. 

AUP: ‘Het fenomeen burn-out is niet alleen een persoonlijk probleem van uitgeputte personen, het is een spiegel van het disfunctioneren van de mens in zijn omgeving. 'Aantal burn-outs zeer sterk gestegen', kopte de Volkskrant in november 2017. '15 procent van de Nederlandse vrouwen zegt een burn-out te hebben of te hebben gehad. Twee jaar geleden was dit nog 9,4 procent. Het aantal opgebrande of overspannen mannen steeg in diezelfde periode van 6 naar 9 procent.' Er bestaan veel gidsen, zelfhulpboeken, medische studies en persoonlijke verslagen over het fenomeen burn-out. Maar niet eerder was er een filosofisch boek. Terwijl een burn-out niet slechts een persoonlijk probleem is van uitgeputte personen maar een maatschappelijke ziekte, een spiegel van het disfunctioneren van de mens in zijn omgeving. Zo betoogt de Belgische filosoof Pascal Chabot. Chabot onderscheidt drie dimensies binnen burn-out. De eerste is vooral eigen aan beroepen waarin de zorg voor anderen centraal staat, en gaat om de uitputting van de mentale vermogens. De tweede komt voort uit problemen van aanpassing en perfectionisme. En de derde is een gevolg van de vraag om erkenning. De filosofische implicaties van deze verschillende, maar samenhangende dimensies worden in dit boek geduid. Daarbij passeren tal van persoonlijkheden uit heden en verleden de revue.’

Pascal Chabot: ‘ Er is iets aan de hand. Op de vluchtstrook van de snelweg zat een vrouw in haar stilstaande auto. Ze zat te huilen, een onuitstaanbare tranenvloed waarin haar hele lichaam zich leek te willen ontdoen van emoties die ze niet meer kon beheersen. Haar handen beefden, ze schokte op haar autostoel, haar gezicht drukte verbijstering en angst uit. Ze zeggen weleens dat huilen een wasbeurt voor de emoties kan zijn, maar de tranen van deze vrouw maakten niets schoon. Ze maakten kapot. Hier was iemand die toch altijd doorging voor een evenwichtig persoon ten prooi gevallen aan wanhoop. Haar eigen lichaam, haar auto, haar hele leven, alles leek ineens nutteloos en onverdraaglijk. Haar inzinking zou nog te begrijpen zijn geweest als ze diep in de rouw was geweest of net aan het scheiden was, of als dit zich afspeelde in een oorlog. Maar voor de instorting van deze vrouw diende zich zo’n verklaring niet aan. Er was ook iets aan de hand met de man, een veertiger, die met verwilderde blik een heel uur lang roerloos achter zijn computer zat, met open mond, ontsteltenis in zijn ogen. Hij was de dag begonnen met het controleren van een paar cijfers op een spreadsheet. Toen werd alles donker, een gevoel van eindeloos diepe leegte deed hem duizelen en hij verloor het besef dat hij er was, op een manier die aan plots ingetreden krankzinnigheid deed denken. Hij wilde opstaan maar zijn rug gehoorzaamde niet meer. Zijn ruggengraat was compleet verstijfd, zoals hij dat nog nooit had meegemaakt. Er moest een ambulance komen en voor de ogen van zijn hoogst verbaasde collega’s werd hij afgevoerd. Drie maanden bleef hij in bed, verkerend in een schemertoestand waarin hij probeerde de slaap te vatten. Deze man die elke tien minuten zijn e-mail placht te checken, begon nu te beven wanneer alleen maar de naam van het bedrijf werd genoemd. 

Met deze twee voorbeelden, naar het leven getekend, begin ik dit boek over bepaalde vreemde verschijnselen die naar mijn stellige overtuiging een filosofische beschouwing waard zijn. De filosofie moet proberen fenomenen zoals die ik hierboven beschreef, te begrijpen en te situeren in onze tijd waarin zoveel aan de hand is. Het onderwerp van dit boek, de burn-out, is niet alleen een probleem van individuen. De burn-out staat in nauwe relatie tot de vooruitgang en de technologie, tot gedrag en behoeften die karakteristiek zijn voor onze tijd. Er is in de geest van onze tijd een bezetenheid te bespeuren die stimulerend maar ook verontrustend is. Mensen nemen bij zichzelf waar hoe ze veranderen door de technologie waarvan ze zich bedienen. Het systeem waarin ze leven drukt zwaar op hun geestesgesteldheid, en op hun hoop. De burn-out is een van de gezichten van die onrust van onze tijd. De burn-out is ook een bron van verwondering. En ook in dat opzicht is het een filosofisch vraagstuk, want in de filosofie draait het om verwondering: wat betekent het dat levens die zo plezierig en comfortabel leken van het ene op het andere moment konden instorten? Want de huilende vrouw in de auto en de verlamde man achter zijn computer zijn prototypes van de trouwe aanhangers van de waarden van de eenentwintigste eeuw, Ze zijn hoogopgeleide mensen, ze werken met inzet en overtuiging, ze zijn niets minder dan de overijverige steunpilaren van de hedendaagse manier van leven. Door noeste arbeid, meer dan veertig uur per week, kan het systeem blijven bestaan. Toch zijn zij het die het tegen datzelfde systeem afleggen.

De burn-out is een ziekte die onze beschaving op velerlei manieren raakt. We putten de aarde uit. We hebben de biosfeer getransformeerd tot een hulpbron, tot materiaal. We zien de natuur niet langer als iets om te aanschouwen en te ervaren, maar als iets dat geëxploiteerd kan worden. We speuren voortdurend naar mogelijkheden om alles wat groeit en bloeit winstgevend te maken. We hebben onze voetafdruk inmiddels overal op de planeet achtergelaten. Wanneer uitputting mensen treft, gaat ze niet voorbij aan juist degenen van wie in de westerse samenleving wordt gedacht dat zij zich het gemakkelijkst aan de kwalijke gevolgen van de vooruitgang konden onttrekken. Managers wier werk het is te sturen, blijken niet minder dan anderen te lijden onder de effecten van de mentaliteit van sturende uitbuiting. Was dat te voorzien geweest? Volgens sommigen wel, want waarom zou de alom geldende techno-kapitalistische logica aan een specifieke groep mensen voorbijgaan? Maar anderen werden er totaal door verrast. Want er was ons ooit een betere wereld in het vooruitzicht gesteld.
Als je nu bepaalde denkers en ideologen van de jaren zestig herleest, valt het je op hoe optimistisch ze waren over de technologische ontwikkeling. De machines zouden ons bevrijden van het werk. Ze zouden zwoegen zodat wij dat niet hoefden te doen. Ze zouden ons volop laten genieten van de tijd, die meest essentiële van alle grondstoffen. Dat was de belofte van de vrijetijdsbeschaving, de laatste versie die we zouden kennen van de mythe van het aards paradijs: niet die van een Hof van Eden maar die van stranden en auto’s. Het leek allemaal op een faire overeenkomst. Het individu accepteerde meer technologie, op voorwaarde dat hij zijn gewoonten en gedrag aanpaste, en kreeg in ruil daarvoor vermindering van arbeidslast, betere bescherming en vooral de vrijheid om zijn verlangens na te jagen. Maar nu zien we dat de vrijetijdsbeschaving eigenlijk een Trojaans paard is geweest. In zijn zware flanken bleek zich de eis van een nieuwe dienstbaarheid te hebben verborgen. De machines en apparaten zijn minder autonoom dan de handleidingen deden geloven, want in werkelijkheid hebben ze ons nodig.

We worden opgeëist door de computers die voor ons het rekenwerk zouden moeten doen maar die ons in werkelijkheid dwingen tien uur per dag voor een scherm te zitten. Communicatie beheerst ons hele leven. De tijd gaat almaar sneller. De complexiteit van het systeem verlamt ons. En de invulling van onze vrije tijd is vaak niet meer dan een aaneenschakeling van moeizame afleidingen. De stranden zijn er natuurlijk nog wel, maar dan als de reclames in hoge resolutie op onze beeldschermen.’

 

ROME

Ik leg een culturele gids voor u op de plank, die u vaak zult opnemen om tot u te nemen. Ik reik u een historisch relaas aan, dat u met andere, betere ogen naar het hier en nu doet blikken. Het gaat om de 510 bladzijden tellende, gul geïllustreerde paperback Rome van Matthew Kneale en uitgeverij Spectrum met de ondertitel ‘Een geschiedenis van de stad in zeven plunderingen’. De bedoeling van mijn eerste introductie is u nieuwsgierig maken naar het thema en  u laten proeven van het proza. Ik citeer daartoe de Inleiding van de Engelse auteur en het begin van hoofdstuk 1 ‘Galliërs’. De volgende keer reik ik u de tekst van de omslag aan en verhaal ik over mijn eigen belevenissen in het boek Rome. Wat het laatste betreft: met mijn echtgenote vertoefde ik enige malen in Rome en ik leg mijn indrukken naast die van Matthew Kneale. Nu gaat het louter om de optie en de toegankelijkheid van Kneale.

De Inleiding: ‘De stad Rome kent geen gelijke. Geen enkele andere metropool heeft haar verleden zo goed bewaard. In Rome kun je bruggen oversteken waarop Cicero en Julius Caesar gelopen hebben, je kunt tempels bezoeken van negentienhonderd jaar of een kerk binnenlopen waar honderden pausen de mis hebben opgedragen. Naast bekende bezienswaardigheden – de fonteinen, het Pantheon, het Colosseum, de Sint-Pieter, de Sixtijnse Kapel, kun je Mussolini’s fascistische propaganda zien, die nog goeddeels intact is. De Romeinen hebben zelfs het hoofdkwartier van de Gestapo laten staan. Het is des te opmerkelijker dat zoveel is overgeleverd gezien alles wat Rome in de loop der eeuwen heeft moeten verduren: tientallen enorme overstromingen, branden, aardbevingen, plagen en bovenal aanvallen van vijandige legers. Ik was acht toen ik Rome voor de eerste keer bezocht. Nog nooit had ik een stad gezien waar zoveel van haar verleden nog zichtbaar was. Mijn fascinatie nam toe en op latere leeftijd kwam ik er vaak terug. Inmiddels woon ik vijftien jaar in Rome; in de loop der tijd heb ik de stad bestudeerd en elke straathoek van de stad leren kennen. Ik besefte dat ik over de geschiedenis van Rome wilde schrijven om te laten zien hoe de stad geworden is wie zij is – om het volledige verhaal van de stad te vertellen, van drieduizend jaar geleden tot op de dag van vandaag. 

Er was een probleem. Het verleden van Rome is een zeer omvangrijk onderwerp. De stad is zo ingrijpend veranderd dat er vele Romes zijn geweest, die voor Romeinen uit andere tijden nagenoeg onherkenbaar zouden zijn. Boeken die pogen een volledig beeld van de stad te schetsen, lijden vaak aan het manco dat ze te lang zijn, en desondanks zijn ze te gehaast omdat ze alle gebeurtenissen willen benoemen. Het merendeel van mijn werk als auteur bestaat uit fictie, en romans hebben onder meer een heldere en sterke structuur nodig. Ik begon mij af te vragen welke structuur geschikt zou zijn om de geschiedenis van Rome in te kaderen, met vermijding van een eindeloze stroom aan ‘en toen en toen en toen’. Ik kreeg het idee om me te richten op een handvol momenten uit het bestaan van de stad, momenten die de stad veranderde en haar in een nieuwe richting wezen. Plunderingen lagen voor de hand. Zoals Romeinen droevig constateren heeft Rome daaraan geen gebrek gehad.

Zeven leek een goed aantal. Zeven heuvels, zeven plunderingen. Ik vond de belangrijkste plunderingen uit de geschiedenis van Rome, die plaatsvonden in tijden dat het karakter van de stad volledig verschilde van voorgaande tijdperken. Ik begon me een beeld te vormen van de manier waarop elk hoofdstuk, net als een verhaal, verteld kon worden. Eerst zien we de vijanden de stad naderen. We leren wie ze zijn en waarom ze zijn gekomen. Vervolgens staan we stil bij de stad zelf: hoe stond ze ervoor voordat de crisis begon en nog een staat van normaliteit genoot? Als een soort briefkaart van Rome geeft elk hoofdstuk een indruk van hoe het eruitziet, hoe het aanvoelt, hoe het ruikt; wat Romeinen – rijk en arm – bezitten; wat ze verbindt en scheidt; hoe hun woningen eruitzien; wat ze eten; wat ze geloven; hoe proper ze zijn; hoe kosmopolitisch; waarmee ze zich vermaken; hoe ze denken over seks; hoe mannen en vrouwen met elkaar omgaan; en wat hun levensverwachting is. Gaandeweg zien we hoe Rome sinds de vorige briefkaart is veranderd en op die manier krijgen we, net als puzzelstukjes die in elkaar vallen, een indruk van de gehele geschiedenis van de stad. Ten slotte keren we terug naar het drama van de plundering, om te ontdekken hoe de vijand de stad is binnengedrongen, wat ze daar doen en hoe Rome door die gebeurtenissen verandert.

Dit boek is de neerslag van vijftien jaar onderzoek naar de stad. Het was een genoegen om het te schrijven, omdat ik zo een beter begrip heb gekregen van een stad waarvan ik, met al haar tekortkomingen, bijzonder houd, en voor mij is Rome niet minder fascinerend dan toen ik hier voor het eerst als jongen kwam. Het verleden van Rome heeft voor mij iets geruststellends, in onze vreemde tijden waarin de wereld heel broos kan lijken. De Romeinen hebben vaak rampen van zich afgeschud, om hun stad weer op te bouwen en een nieuwe generatie aan grootse monumenten toe te voegen. Vrede en oorlog hebben beide een rol gespeeld bij de totstandkoming van de uitzonderlijke stad die het tegenwoordig is.’ 

Het begin: ‘Galliërs. Veertien kilometer ten noorden van Rome, waar de Tiber door een kleine vlakte kronkelt, krijgt hij gezelschap van een zijriviertje, eigenlijk niet meer dan een beek, die de Allia heet. Tegenwoordig valt de plek moeilijk te ontdekken. Aan de overzijde van de Tiber dendert het vrachtverkeer over de A1 en haastten hogesnelheidstreinen zich noordwaarts richting Florence en Milaan. Het vraagt enige fantasie – en vermoedelijk oordopjes – om te zien wat het ooit was: een slagveld. Hier, in het jaar 387 v.Chr., op 18 juli – voor Romeinen lange tijd een ongeluksdag – maakte het voltallige leger van de Romeinse Republiek, zesenhalf- à negenduizend man sterk, zich op voor de strijd tegen een oprukkend leger Galliërs. De Romeinen zullen er indrukwekkender hebben uitgezien. Hun soldaten waren in formatie en uitgerust met metalen helmen, harnassen, lange speren en grote ronde schilden. Ze maakten gebruik van tactieken die door de Grieken waren uitgevonden, waarbij de schilden en speren een geduchte barrière vormden. Vijanden die erdoorheen probeerden te breken, kregen de speren van de Romeinen te verduren, eerst laag in het lichaam, in benen, maag en kruis, en daarna hoog, in nek en gezicht. Oorlogvoering was tweeënhalfduizend jaar geleden allesbehalve afstandelijk.

Hiermee vergeleken waren de Galliërs een ongedisciplineerde horde. De vrouwen en kinderen zullen niet op afstand zijn gehouden van de strijd, maar zoveel mogelijk hebben meegevochten. Het was geen rondzwervende stam maar een krijgsbende, uit op problemen, roem en schatten. Net als andere rondtrekkende legers uit die tijd zullen hun krijgers hebben gestonken en met luizen besmet zijn geweest. Hoewel we over deze vroege periode weinig volstrekt zeker weten, kunnen we aardig wat gissingen doen. Sommigen zullen te voet zijn geweest, anderen te paard. Sommigen zullen tweemans strijdwagens hebben bereden waarmee ze in een oogwenk een belangrijk deel van het slagveld konden bereiken. Ze zullen bewapend zijn geweest met kleine rechthoekige schilden, zwaarden en speren, en fraai bewerkte helmen hebben gedragen. Ze zullen snorren en lang haar hebben gehad en torques om hun nek hebben gedragen. Maar wat zij niet droegen, zal meer in het oog hebben gesprongen. Sommigen zullen gekleed zijn geweest, maar anderen droegen waarschijnlijk alleen maar een riem of mantel. Latere bronnen bevestigen dat Galliërs soms naakt vochten, in de overtuiging dat ze zo afschrikwekkender op de vijand zouden overkomen. Ten slotte zullen ze zelfverzekerd zijn geweest. Op dat moment overheersten de Keltisch sprekende Galliërs Europa.

Om een idee te krijgen van de omvang van hun gebieden, hoeven we alleen maar te kijken naar de regio’s die Galicia heten, wat ‘land van de Galliërs’ betekent. In Noordwest-Spanje ligt een Galicia, net als in Oekraïne en Turkije. En dan is er uiteraard nog Wales, waarvan de Franse naam weer hetzelfde is: ‘Pays des Galles’. Tijdens de twee eeuwen voorafgaand aan de Slag aan de Allia hadden Gallische volkeren de Noord-Italiaanse Po-vallei van de Etrusken ingenomen. Omstreeks 391 v.Chr. was een van deze volkeren, de Senones geheten (die zich gevestigd hadden langs Italiës Adriatische kust, in de nabijheid van de moderne badplaats Rimini, minder dan tweehonderd kilometer bij Rome vandaan), de Apennijnen overgestoken en had de Estruskische stad Clusium geplunderd. Vier jaar later waren ze terug. Rome was aan de beurt. De Galliërs hadden veel van hun successen te danken aan twee vaardigheden waarin ze uitblonken. Ze waren de smeden van Europa en beroemd om hun ijzerwerk. Ze makten prachtige ornamenten met complexe geometrische patronen waarin vaak dieren verwerkt waren. Ook stonden ze bekend om hun wielvoertuigen; de weinige Keltische woorden die het Latijn wisten binnen te dringen, waren begrippen voor dergelijke voertuigen, zoals handkarren en rijtuigen. Door strijdwagens en fraai vervaardigde wapens hadden de Kelten zich over Europa verbreid.

Wat het dagelijks leven van de Senones betreft, zijn we aangewezen op geschreven bronnen die dateren van enkele eeuwen na de Slag aan de Allia. Niettemin bevatten ze enkele intrigerende aanwijzingen. Latere Keltische volkeren hadden een veel minder door mannen gedomineerde samenleving dan de Romeinen. Vrouwelijke heersers waren vrij gangbaar en er waren zelfs vrouwelijke druïden. Verder hadden de Kelten het een en ander gemeen met hun verre bloedverwanten in India. Zij hadden een kastenstelsel dat, net als in het vroege hindoeïsme, afgesloten klassen omvatte van priesters, krijgers, handwerklieden en arme boeren. De Keltische druïden, die geen magiër-genezers maar priester-rechters waren, genoten dezelfde hoge status als de Indiase brahmanen. De Kelten geloofden ook in reïncarnatie. Zoveel vertelt Julius Caesar, die een kenner van de Kelten werd in de jaren dat hij ze onderwierp. Vroege Ierse legenden bevatten bovendien verhalen over vlinders en eendagsvliegen die als mens herboren worden.

Het valt te betwijfelen of ook maar iets hiervan indruk op de Romeinen zal hebben gemaakt. Opnieuw stamt onze kennis van hoe de Romeinen over de Galliërs dachten uit latere eeuwen, maar er is geen reden aan te nemen dat hun vooroordelen in 387 v.Chr. nog niet bestonden. Latere Romeinen beschouwden de Kelten als eloquente sprekers, maar ook als primitievelingen, lamlendige zuiplappen, met een gruwelijk gebrek aan zelfbeheersing, geobsedeerd door oorlog en belust op goud. Deze bijtende opvattingen bevatten wel een kern van waarheid. De Galliërs hielden van een slok en hun graven in Noord-Italië waren gevuld met verfijnde wijnschenkvaten. Ze hadden een voorliefde voor knokken en goud, en combineerden die twee als dat mogelijk was. Dat deden ze waarschijnlijk ook toen ze naar Rome oprukten. Slechts een paar maanden na de Slag aan de Allia verscheen een groep Galliërs in Sicilië, waar ze als huurlingen vochten voor Dionysius, de Griekse heerser van Syracuse, en het is zeer waarschijnlijk dat het om dezelfde oorlogsbende ging die de Romeinen op 18 juli aanviel. Rome, zo lijkt het, was niet de beoogde bestemming van de Galliërs, maar het bood wel de kans om een lange tocht te onderbreken voor wat winstgevend geweld. Hoewel latere Romeinen zich boven de Galliërs verheven voelden, hadden ze meer met hen gemeen dan ze wisten. De oude Gallische en Latijnse talen waren zeer aan elkaar verwant, zodanig zelfs dat men aanneemt dat zij ongeveer zestig generaties eerder een gemeenschappelijke oorsprong hadden. Met andere woorden: slechts 1500 jaar voordat ze elkaar bij de Allia troffen waren de Kelten en Romeinen één enkel volk geweest. ‘
 

AMSTELGLORIE

Ik ga u de komende weken goeddoen met citaten uit een bijzonder boek. Ik wil u dan laten proeven van de tintelende taal waarmee een groot auteur de eigen bodem vangt. Ik zal dan u de smaak geven van goed proza dat de natuur van eigen heem op heterdaad betrapt. Ik leg voor u op de toonbank de 432 bladzijden tellende, gul en authentiek geïllustreerde paperback Amstelglorie geoogst door Onno Blom en uitgegeven door De Bezige Bij met de ondertitel ‘De volkstuin van Jan Wolkers’.

Om u met de neus in de boter te laten vallen: Wolkers noteerde op woensdag 3 april 1974 in zijn volkstuindagboek ‘Op de tuin is het een heel gespit aan de waterkant door het bleke breekbare vlechtwerk van de wortels van de harige wilgenrozen heen om een plek voor de waterflora te maken. Zet blauwe vergeet-mij-nieten om de gele dotters.’

Wolkers verstond de kunst de natuur in woorden te vatten. In mijn jaren voor de klas confronteerde ik mijn leerlingen havo/átheneum tijdens de uren Nederlands met het fenomeen Wolkers door het begin van het verhaal ‘Serpentina’s petticoat’ aan hen voor te leggen. Ik wees de lui in de klas er op hoe Wolkers de triestheid en treurnis van een oorlogsjaar pakte door het meedoen van de natuur. Ik citeer: ‘Het was zo’n natte novembermaand dat we dikke stukken hout op gelijke afstanden van elkaar in de tuin hadden gelegd, zodat we van blok tot blok springend tenminste met droge voeten in de schuur kwamen. De regen hield aan. Als lange draden grijze wol stroomden de stralen naar beneden, uit kluwens waar geen eind aan scheen te komen. De tuin kwam blank te staan. De stukken hout dreven weg en bleven tegen struiken en verdorde planten aan dobberen. Ze leken op een uit elkaar geslagen vloot en deden me denken aan een gravure in mijn geschiedenisboek, waaronder stond: Gods adem heeft ze verstrooid. – We moeten toch in de schuur zien te komen, zei ik tegen Evert en Eddy. Ik haalde de rubber jachtlaarzen van mijn vader tevoorschijn die al jaren niet meer gebruikt waren, zodat ik me afvroeg of ze nog wel waterdicht zouden zijn. Op het hoge stoepje voor de zijdeur van het huis trok ik ze aan. Ik liep er even aarzelend mee het water in, als iemand die in april de zee probeert. Mijn voeten bleven droog. Daarna draaide ik met de rug naar Eddy toe en spreidde mijn armen uit. Hij sprong zo wild, dat ik bijna mijn evenwicht verloor. Ik sloeg mijn armen rond zijn harde lange dijen en ging in de richting van de schuur lopen. Als ik een voet verplaatste bleef er een klein bruin wolkje in het water achter. Ik voelde me als een vliegtuig dat door ontploffende granaten achtervolgd wordt. Mijn tenen moest ik omhoog steken om niet uit de laarzen te schieten die in de modder vastzogen. Toen ik terugging om Evert te halen liep ik over het gazon. Als geheime donkere kreeften lagen grote dahliaknollen onder water, die op het gras te drogen waren gelegd voor de regen kwam. Mijn vader had ze maar laten liggen. Je kunt ze toch niet eten en wie denkt er aan bloemen voor volgend jaar in zo’n verschrikkelijke tijd, had hij gezegd. Ik trapte tegen de knollen. Ze vielen uit elkaar, terwijl er een lichtgele brij langzaam in het water opwolkte.’

Dat Wolkers niet alleen de ouderlijke tuin tot domein had maar ook de eigen volkstuin beschrijft zijn biograaf Blom in zijn inleiding met de titel ‘De kleine hortus’. Ik pluk een fragment eruit: ‘Die kreeg Wolkers pas in de winter van 1972. Driehonderd vierkante meter grond met een houten huisje erop, perceel nummer 294 op het complex van volkstuinvereniging Amstelglorie. Het zou zijn eigen Hof van Eden worden. Jan en Karina waren op Amstelglorie terechtgekomen op een van hun lange wandelingen langs de Amstel. Soms bleven ze aan de stadskant van de rivier: langs het Mirandapaviljoen, waar zij elkaar op een zonnige zomerse dag in 1962 hadden ontmoet, en begraafplaats Zorgvlied. Soms staken ze de Utrechtsebrug over en liepen aan de overkant van de rivier. Dan stuitten ze na een paar honderd meter op de bakstenen zuilen met afrikaantjes die de ingang van het park markeerden. Karina kende Amstelglorie al. Als vuurrode communistendochter bracht ze in de zomervakantie ‘De Waarheid’ rond in de Rivierenbuurt. Ze moest ook een aantal kranten op het volkstuincomplex bezorgen, waar nogal wat oude communisten een tuin hadden. De droom van elke arbeider, Een keer was Karina lastiggevallen door een man die opdringerig met haar meefietste langs de Amstel en haar stuur wilde pakken. De dag erna fietste haar vader mee, voor het geval die man opnieuw naast haar zou opduiken. Vader Gnirrep zei tegen haar: ‘Je hoeft je niet laten verkrachten voor het bezorgen van ‘De Waarheid’. Het was Karina toen al opgevallen hoe mooi het was op Amstelglorie. En dat ontging Jan ook niet, toen zij samen het terrein op liepen.

Op 29 oktober 1971 noteerde Wolkers in zijn dagboek: ‘We wandelden in het volkstuincomplex Amstelglorie. Prachtig herfstweer. Gouden oktober, ha ha. Maar al die tuintjes zijn geweldig met al die gele, rooie en okerkleurige gewassen. Soms liggen er achter een raam groene tomaten in de zon. Boompjes met peertjes en appeltjes. Slootjes vol met kroos waarop luchtig gele wilgenblaadjes liggen. Huisjes met kleine galerijtjes, druivenkasjes, kleine Japanse dromen. Reigers in het gras. Japanse eenden lopen rond onze voeten te bedelen.’

Ik ga met u in het najaar grasduinen in Amstelglorie en voorlopig houd ik het bij het doorgeven van de tekst van de uitgever op de omslag. Wel wil ik nu al kwijt: na het lezen van de volkstuindagboeken blikt u met andere, betere ogen naar de flora en fauna om u heen. "Hoera!' schreef Jan Wolkers in zijn dagboek op 8 december 1972, toen hij van het bestuur van de Amsterdamse volkstuinvereniging Amstelglorie had gehoord dat tuintje 294 aan hem was toegewezen. "Spitten, schoffelen en groente kweken!' Voor Wolkers was de volkstuin in de jaren zeventig zijn Hof van Eden, een weelderig groen paradijs met een klein wit houten huisje, dat hij vaardig naar zijn hand kon zetten en waar hij in alle seizoenen voluit leefde. "We werken in de tuin, ik schrijf, Karina kijkt mijn werk na en studeert wat, 's avonds drinken we een whisky met een stukje ijs. Zo is het leven hier in de vrije natuur, die al met lijsterbessen en mistige ochtenden vol parelende spinnenwebben en bedauwde planten naar de herfst gaat.'
 

DRIE BOEKEN IN DE ETALAGE

Ik leg voor u in de etalage drie boeken die hoe verschillende ook van thema met elkaar gemeen hebben dat ze van gewicht. Het zijn werken die er echt toe doen. Ik noem nu titel, auteur, ondertitel en uitgever en laat die volgen door de tekst op de omslag. U hebt het thema te pakken en over een paar weken wisselen wij hier onze leeservaringen met elkaar uit.

1) Het jaar van de tuinier – Karel Capek – Met tekeningen van Josef Capek – Rainbow
Met een zeldzaam gevoel voor humor beschrijft de Tsjechische schrijver Karel Čapek het wel en wee van de tuinier in de loop van de twaalf maanden van het jaar. Rake observaties en komische situatieschetsen - leest u vooral de passage over het gevecht met de tuinslang! - kenmerken dit schitterende boekje dat in 1929 voor het eerst in Praag verscheen, maar sindsdien nog niets aan kracht heeft ingeboet. Met prachtige illustraties van Josef Čapek. 'Na het lezen van Capek kijk je met andere ogen naar een tuin en zijn bezitter.' NRC Handelsblad







2) Bella Figura – Joost Houtman en Philip Roose – Waarom de Italianen zo Italiaans zijn – Vrijdag
Waarom zijn de Italianen zo bijgelovig? Waarom blijven volwassen mannen tot voorbij hun 30e bij hun mamma wonen? Waarom zijn de Italianen allergisch aan alles wat de staat dicteert? Waarom is er niets mis met een politicus die elf keer van partij verandert? En waarom moet in alles dat verduvelde ‘fare bella figura’ nagestreefd worden? Waarom doet het er niet toe of iets ‘goed’ of ‘slecht’ is, maar wel of het mooi overkomt? Waarom is Mona Lisa’s faam te danken aan een sullige Italiaanse amateurschilder? Waarom is Jezus eigenlijk een Italiaan? En Napoleon ook? Wat maakt de Italianen zo Italiaans? Bella Figura wil dat achterhalen. Die zoektocht wordt u geserveerd in een lasagne gevuld met de meest wonderlijke verhalen. Met humor en passie leggen de auteurs de essentie van het zoete leven in De Laars bloot. Dat u na het lezen de Italianen iets beter zal begrijpen is zeker. Dat u in een volgend leven als Italiaan wil herboren worden, al helemaal.

3) Halabja – Kees Schaepman – Aantekeningen bij de strijd om Koerdistan – Walburg Pers
Op 16 maart 1988 werd de Koerdische stad Halabja met gifgas bestookt, vijfduizend inwoners kwamen om. Journalist Kees Schaepman reisde destijds naar het noorden van Irak om verslag te doen van die moord op een stad. In Halabja beschrijft Kees hoe die reportagereis zijn leven beïnvloedde en verwoordt hij zijn betrokkenheid bij de onophoudelijke strijd van de Koerden voor een eigen land. 'Vooral één beeld blijft mij bij. Niet van de dode jochies in een greppel langs de weg. Niet van de meisjes in fleurige jurken die ik dood op een binnenplaats vind. Ook niet van de vader die op de stoep voor zijn huis ligt, de arm beschermend om zijn zoontje heengeslagen.

Halabja was een hel, maar daar was ik op voorbereid. De lijken die nog overal waren blijven liggen om ze als bewijs van de Iraakse misdadigheid aan de pers te tonen, de oude Koerdische strijder die met een enorme vlag liep te zwaaien, de portretten van Khomeini langs de weg, de oude pick-up truck met op het dak van de cabine een luidspreker waaruit militaire marsmuziek klonk, afgewisseld door haatboodschappen gericht tegen Saddam Hoessein en Ronald Reagan - ik herinner mij dat hele lugubere circus als de dag van gisteren, een morbide parodie op een film van Fellini. Maar het was te veel om te ontroeren. Als journalist leer je bovendien in heftige situaties je emoties onder controle te houden, ze kunnen je waarneming beïnvloeden. Ik doe het werk waarvoor ik zelf heb gekozen en daarbij hoort professionele distantie. Maar toch. Wat mij ondanks mijn zelfopgelegde afstandelijkheid van mijn stuk bracht, was een dood katje, midden op de weg. De onverwachte confrontatie met dat arme beest bracht alle gruwelen die ik in mijn notitieblok genoteerd had tot hanteerbare proporties terug.'
                                                           

CULTUURMIX 3 SEPTEMBER 2018

Papendrecht 03-09-2018

KLEINE ENCYCLOPEDIE VAN DE EENZAAMHEID

Wat hebben Vincent van Gogh, Boudewijn Büch, Ilja Leonard Pfeijffer, Jeroen Brouwers, Willem Elsschot, Annejet van der Zijl, Etty Hillesum, Louis Paul Boon en Arthur Japin met elkaar gemeen. Ze komen voor in de rubriek ‘Bronnen’ van een onthullend, opzienbarend, horizon verleggend, uniek boek. Ik heb het over de 320 bladzijden tellende hardcover Kleine encyclopedie van de eenzaamheid van Johanna Spaey en uitgeverij De Geus. Om u ‘in the mood’ te brengen van de intrigerend tocht die Spaey langs de mijlpalen van eenzaamheid maakt, geef ik u de tekst van de omslag en het voorwoord van de auteur. De volgende keer zoek ik met u hier wat eenzame plaatsen in het boek op.

De Geus: ‘Er zijn evenveel definities van eenzaamheid als mensen die dat ervaren. Johanna Spaey ontleedt eenzaamheid in samenhang met kunst, liefde, wetenschap en tal van andere gebieden. Zo werpt ze een verrassend nieuw licht op een begrip dat veelzijdiger is dan we denken. Uit het lemma ‘Liefde’. ‘Of eerder: wanneer is liefde geen eenzaamheid? Als ze je gemoedsrust en verbondenheid geeft. Maar als liefde iets is waarvan de ander niet weet, dan is het eenzaamheid. En ook als liefde vunzig, passioneel en ongecontroleerd is, zal ze je isoleren van je geliefde. Er is geen evenwicht meer, geen brug die je gezamenlijk kunt oversteken.'

Johanna Spaey: ‘In boeken lees ik altijd dat ik op zoek moet naar ‘eenzaamheid’, maar ik heb de schrijvers opgezocht op Google, en ze hebben allemaal een man of een vrouw, kinderen  en kleikinderen’, zegt Eleanor Rigby in Douglas Couplands gelijknamige roman uit 2004. Ze is, zoals in het liedje van The Beatles, een van die onzichtbare mensen die ontworteld en solitair door het leven gaat. ‘Ik kan me de gezichten van de schrijvers voorstellen terwijl ze vanachter hun schrijftafel met een uitgestreken smoel hun wijsgerige gemeenplaatsen neerkalken: ‘Waarom alleen zijn als je ook kunt genieten van de eenzaamheid?’ Douglas Coupland stelt in naam van Eleanor Rigby een terechte vraag: hoe kan een schrijver met een gezin en kinderen schrijven over mensen die door en door alleen zijn? Moet een schrijver die het over een van de meest ontwrichtend ervaringen heeft niet weten wat eenzaamheid echt is? En niet ‘een beetje eenzaam’ of ‘mijn man begrijpt me niet’, maar eenzaamheid in haar aller zuiverste vorm? Elke dag alleen opstaan en gaan slapen, geen partner die naar het geworstel met de deadlineduivel luistert en intussen wel even het huishouden doet, mee voor een inkomen zorgt of je dankzij kinderen op z’n minst een toekomstige tijd belooft. Er is geen soulmate, geen mens voor wie je op de eerste plaats komt, niemand die, laten we even overdrijven, voor jou wil sterven. Je hoeft niet eens op eenzame trektocht of naar een hut in de bergen om te weten hoe alleen-zijn voelt. Je bent het gewoon, thuis en overal.

Omdat ik al het grootste deel van mijn leven alleen ben en niet altijd alleen wil zijn, vaak ben, en ook wel wil, maar niet heel de tijd, omdat ik ooit zal doodgaan en bang ben dat er niemand voor mij graf zal zorgen – besloot ik om voor Eleanor Rigby een boek te schrijven dat over eenzaamheid en alleen-zijn gaat. Want ze bestaan wel degelijk, die schrijvers alleen. Meer dan tien jaar geleden leek dat laatste een goed argument. Maar hoe spreek je over ervaringen en gevoelens die je zo fundamenteel isoleren dat je ze misschien ook niet kunt delen? Hoe schakel je de teleurstelling in jezelf en anderen uit en maak je iets wat het solitaire overstijgt? En heeft een eenzame schrijver wel recht van spreken als hij of zij naar eenzaamheid verlangt? Het kon, heel gemakkelijk ook, een klaagboek worden. Een dat geen rekening hield met hoe je leven zich kan ontwikkelen, met een last die lichter werd, dood en hoop, onverwachte liefde, een gesprek met een vriend. Bovendien groeide de overtuiging dat er vele soorten eenzaamheid waren; vaak hadden die niets te maken met alleen leven. Eenzaam zijn we dan ook met velen: honden en bomen zijn het, neanderthalers en Sinterklaas, we zijn het vrijwillig en onvrijwillig, eenzaam-met-Kerstmis voelt anders dan getrouw-zijn-met-iemand-die-je-zelfs-op-een-terras-in-Venetië-niets-meer-te vertellen-hebt. Dertien- en tachtigjarigen zijn  eenzaam, schrijvers, zangers en politici, zieke mensen, topfitte mensen, achterblijvers en  stervenden, gelukkigen en ongelukkigen.

In al die jaren dat ik aan dit boek werkte, kwam er een labyrint van vele soorten eenzaamheid en alleen-zijn tevoorschijn, vol gedachten, eigen ervaringen en vreemde invallen. Lemma’s die ik wel volledig naar eigen zin heb ingevuld. Af en toe zit ik er waarschijnlijk flink naast, daarom is het een encyclopedie in wording, een ‘kleine’ ook, een die ik nog kan uitbreiden  of waaraan de lezer zijn eigen vormen van eenzaamheid kan toevoegen. Nog even een opmerking over de referenties die ik heb gebruikt om de lemma’s te kruiden: sinds mijn tienerjaren noteer ik fragmenten ui de boeken die ik lees. Dat er opvallend veel Scandinaviërs tussen zitten of bijna vergeten schrijvers heeft deels nog met mijn leespatroon van toen te maken. Mijn duidelijke belangstelling in dit boek voor de Eerste Wereldoorlog, muziek uit de jaren zeventig en tachtig en Canada bewijst opnieuw waarom dit een ‘kleine’ encyclopedie is geworden, niet exhaustief  of allesomvattend, maar persoonlijk en eigengereid.


VAARWEL, COWBOY

Ik kreeg voorbije dinsdagmiddag een pakketje aangereikt, ik las de inleiding en begreep meteen dat ik verbaal goud in handen had. Hoe heerlijk is het een boek in te zien, waarvan je terstond weet een leesavontuur te gaan beleven. Ik heb het over de 240 bladzijden tellende paperback Vaarwel, Cowboy van de Kroatische Olja Savicevic en uitgeverij Bananafish. De intro bracht mij zo in de nieuwsgierigheid van een goedwillende lezer dat ik de woorden van Chris Keulemans integraal aan u doorgeef en die laat voorafgaan door de tekst op de omslag. De komende weken zullen u en ik de roman tot ons nemen, waarna wij onze leeservaringen hier met elkaar uitwisselen.

Bananafish: ‘Dada denkt met een verhuizing naar Zagreb ontsnapt te zijn aan een troosteloze jeugd in het oude deel van kustplaats Split, maar de vermeende zelfmoord van haar jongere broer Danijel brengt haar terug naar haar geboorteplaats. Daar wordt ze opgewacht door een kettingrokende zus en een aan kalmeringsmiddelen verslaafde moeder. Ze begint een onderzoek naar de werkelijke oorzaak van haar broers dood. Dat leidt haar naar documenten waarin Danijel het einde van zijn leven beschouwt in het licht van zijn idool Ned Montgomery, de held uit de in Split opgenomen spaghettiwesterns. Vaarwel, Cowboy is een poëtische arthouse-western, gesitueerd in de plakkerige, geheimzinnige en bloederige steegjes van het hedendaagse Split, waar de Balkanoorlog nog alom voelbaar is.’

Chris Keulemans: ‘Een badplaats na de oorlog, wat is er triester? De dorre velden, de verbleekte graffiti, het vuil dat door de straten waait aan de achterkant van die badplaats. De huizen daar, aan de achterkant, onder de schroeiende zon, waar mensen wonen en elke dag op de vorige lijkt. Levens die nergens meer naartoe gaan, vastgekoekt op een plek waar elke zomer de toeristen landen om even later weer te vertrekken. Ongelooflijk, hoe Olja Savičević van zo’n plek, ergens aan de Dalmatische kust, een verhaal kan maken dat geen seconde stilstaat. Het is springerig van begin tot eind, nerveus en rusteloos. Haar zinnen hebben geen geduld. Ze blijven nauwelijks langer dan een alinea of twee in het gareel. Net als ze even met zijn allen iets lijken te beweren wervelen ze alweer uit elkaar, als een stofwolk van snoeppapiertjes, losse takjes en ongemakkelijke herinneringen die door de straten waait van die badplaats na de oorlog.

Over de oorlog zelf zegt ze weinig. Haar hoofdpersoon Dada, het meisje dat stoer doet omdat ze anders uit elkaar zou vallen van verdriet en verveling, ook niet. En het hoeft ook niet. Wat valt er nog over te zeggen? Kijk om je heen, in die badplaats, aan de Dalmatische kust in Kroatië. Alles wat kapot kon is kapot. De oude bioscoop van haar vader, bouwkranen die niets meer te bouwen hebben, hotel Ilirija, dat nog wel open is maar vervalt waar je bijstaat. ‘De sfeer van stilte en rust ’s middags bij de receptie en in de lounge; ook hingen er geen witte, ruwe badhanddoeken met een ingeweven logo en de naam van het hotel, maar simpele, gekleurde handdoeken die door het eindeloos wassen bijna doorzichtig dun waren geworden. Maar de meest essentiële geurelementen waren er wel: de chloorlucht van gewassen en gesteven lakens, de geur van pastei en Indiase thee en de stank van andermans zomervakantie.’ De onschuld van zomeravonden, liefde zonder bijbedoelingen, dorpsfeesten waar niemand ontbreekt – het is allemaal verdwenen en komt niet terug. Langs de weg hangt een levensgroot affiche van generaal Gotovina, oorlogsmisdadiger. Kroatië is een serieus getroebleerd land, een land met foute helden en een slecht geweten. Dat wak in het zelfbewustzijn, al is het twintig jaar geleden, wordt nog altijd opgelapt met provisorisch vermaak en broeierig, zomaar opflakkerend geweld. Savičević heeft het er niet over. Niet direct. Haar gebutste personages, allemaal met hun eigen mankementen, zeggen genoeg.

De vadsige buurman, een dierenarts die de schoonheid zoekt in veel te jonge jongens. Haar moeder, die op een nacht zo op drift raakt dat Dada haar terugvindt langs de snelweg, op één schoen, niet in staat nog een woord uit te brengen. Haar mooie broer Danijel, die voor de trein is gesprongen. En de cowboy uit de titel. Nog zo’n fabelachtig personage. Ned Montgomery, een van die Amerikaanse B-acteurs die het in Hollywood niet redde, in de jaren zeventig, maar een posterboy werd in Joegoslavië, toen daar het hele land smulde van derderangswesterns in het kielzog van Sergio Leone. Hij komt nog één keer terug, de shoot-out moet plaatsvinden in de dorre velden aan de achterkant van de badplaats. Montgomery is een schim van zichzelf, een cynische alcoholist die niet meer recht vooruit kan plassen. Hij staat met een zware kater in het toilet, op de ochtend van de laatste opnamedag, en ziet de pis langs zijn knokige benen omlaag sijpelen. Maar ook de afgetakelde cowboy is uiteindelijk niet de held op wie de camera van Savičević blijft hangen. Ook als hij eenmaal opduikt blijft haar blik verspringen. Telkens als haar rusteloze zinnetjes even samenballen, als ze even inzoomt op de donkere kern van het verhaal, dan dwaalt ze alweer verder. Dat is haar methode, en die is vreselijk effectief. Juist omdat ze zelf nooit erg lang stilstaat bij het grote drama – de zelfmoord van Danijel, het verval van Kroatië, de oorlog – blijft dat bij de lezer des te pijnlijker hangen. Als de nabeelden die je ziet als je je ogen sluit omdat je te lang in de schroeiende zon hebt gekeken.’


CLUB MARS

Het overkwam mij gelukkig weer vanmorgen: ik kreeg een boek in handen, begon erin te lezen en voelde dat het naar vorm en inhoud om een bijzonder goed werk ging. Ik verorberde de eerste bladzijden en had de smaak te pakken. Om u deelgenoot van mijn gerief te maken geef ik u de tekst van de site en het begin van  de roman die van een gerenommeerde Amerikaanse krant de woorden ‘hartverscheurend en onvergetelijk’ meekreeg. Ik heb het over de 366 bladzijden tellende paperback Club Mars van Rachel Kushner en Atlas Contact. De komende dagen verblijf ik in dit boek en hoe dat mij beviel hoort u later. Of nog beter: neem en lees dit boek. 

Atlas Contact: ‘In Club Mars is de negenentwintigjarige Romy Hall onlangs veroordeeld tot tweemaal levenslang plus zes jaar. Ze slijt haar dagen in een maximaal beveiligde vrouwengevangenis in Noord-Californië. Buiten is het San Francisco van haar jeugd en Club Mars, de stripclub waar ze ooit danste voor de kost. En haar zevenjarige zoontje Jackson. Binnen is de nieuwe, absurde realiteit: duizenden vrouwen die hun levensbehoeften bij elkaar proberen te scharrelen, dagelijks geweld door zowel bewakers als gevangenen. Romy ziet de toekomst voor zich uitstrekken in een lange, onverbiddelijk rechte lijn. Totdat ze uit haar sleur wordt gerukt door nieuws van buiten, en haar lot naar eigen hand moet proberen te zetten.’

Rachel Kushner: ‘Eens per week, op donderdag, is het chain night. Eens per week is dat het beslissende moment voor de zestig vrouwen die hier vastzitten. Voor sommige van die zestig komt dat beslissende moment steeds weer terug. Die zijn er al aan gewend. Ik heb het maar één keer meegemaakt. Om twee uur ’s nachts werd ik wakker gemaakt, vastgeketend en geteld, Romy Leslie Hall, gedetineerde w314159, en bij de andere vrouwen in de rij gezet voor een nachtelijke rit dwars door Californië. Toen onze bus het gevangenisterrein af reed, drukte ik me tegen de met gaas beveiligde ruit om te proberen iets van de buitenwereld te zien. Veel bijzonders was dat niet. Tunnels en opritten, donkere, verlaten wegen. Er was niemand op straat. We reden door het holst van de nacht, waarin de stoplichten niet meer op rood of groen sprongen maar alleen oranje knipperden. Er kwam een auto langs. Zonder licht. Hij schoot voorbij, donker, en met een duivelse snelheid. Een meisje op mijn afdeling in het huis van bewaring had onvoorwaardelijk levenslang gekregen alleen omdat ze had gereden. Zij had niet geschoten, zei ze tegen iedereen die het wilde horen. Zij had niet geschoten. Alleen maar de auto bestuurd. Dat was alles. Ze hadden nummerbordherkenning gebruikt. Ze hadden alles met bewakingscamera’s gefilmd. Wat ze hadden was een opname van de auto die ’s nachts over straat reed, eerst met het licht aan, daarna met het licht uit. Als de bestuurder de lichten dooft, is het voorbedachte raad. Als de bestuurder de lichten dooft, is het moord.

Dat ze ons op dat uur vervoerden had een reden, had meerdere redenen. Als ze ons in een capsule naar de gevangenis hadden kunnen schieten, hadden ze dat gedaan. Alles om de rest van de wereld de aanblik te besparen van een troosteloze groep geketende vrouwen in een politiebus.
Een paar van de jongsten zaten te janken en te snotteren toen we de snelweg op reden. Er zat een meisje in een kooi, zo te zien was ze een maand of acht zwanger, haar buik was zo dik dat ze een extra lang stuk ketting om haar middel hadden moeten doen om haar handen daaraan vast te ketenen. Ze zat te hikken en te trillen, haar gezicht onder de tranen. Ze hadden haar in die kooi gestopt vanwege haar leeftijd, om haar tegen ons te beschermen. Ze was vijftien.

Een vrouw verder voorin draaide zich om naar de zielige geluiden die uit de kooi kwamen en siste alsof ze met een bus mierengif spoot. Toen dat niet werkte, begon ze te schreeuwen. ‘Kop dicht, godverdomme!’ ‘Godsamme,’ zei iemand tegenover me. Ik kom uit San Francisco en ik kijk heus niet op van een trans, maar deze figuur zag er echt uit als een vent. Schouders zo breed als het gangpad en een dun baardje langs de kaken. Ik nam aan dat ze uit de pottenafdeling van het huis van bewaring kwam. Het was Conan, die heb ik later beter leren kennen. ‘Godsamme zeg, het is een kind. Laat d’r janken.’De vrouw zei tegen Conan dat ze haar kop moest houden, toen begonnen ze te bekvechten en kwamen de bewakers tussenbeide.

Bepaalde vrouwen in de gevangenis willen iedereen de wet voorschrijven en de vrouw die zei dat het stil moest zijn was er ook zo eentje. Als je je aan hun regels houdt, bedenken ze nog meer regels. Je moet tegen ze knokken, anders blijf je nergens. Ik had al geleerd om niet te huilen. Twee jaar eerder, toen ik werd gearresteerd, kon ik daar juist niet mee ophouden. Mijn leven was voorbij en dat wist ik. De eerste nacht in de gevangenis hoopte ik nog dat ik wakker zou worden uit de droom waarin ik terecht was gekomen. Maar ik werd nergens anders wakker dan op een matras dat naar pis stonk, en ik hoorde niks anders dan slaande deuren, gillende gekken en alarmbellen. Het meisje dat bij mij op cel zat, en dat geen gek was, schudde me ruw door elkaar om mijn aandacht te trekken. Ik keek op. Ze draaide zich om en tilde haar gevangenishemd op om de tattoo op haar onderrug te laten zien, haar tramp stamp. Er stond Shut the Fuck Up. Het werkte. Ik hield op met huilen. Dat was aardig van mijn celgenote. Ze wilde me helpen. Niet iedereen kan z’n bek houden en hoewel ik wel altijd mijn best deed, was ik anders dan mijn celgenote, die ik later als een soort heilige ben gaan beschouwen. Niet door de tattoo op zich, maar door haar trouw aan dat voorschrift. 

De politie had me naast een andere blanke vrouw in de bus gezet. Ze had lang, slap, glanzend bruin haar en een brede, griezelige lach, alsof ze reclame maakte voor een tandenbleekmiddel. In de gevangenis zijn er niet veel met witte tanden en die had zij ook niet, maar ze had wel die zelfingenomen, ongepaste grijns. Dat stond me niet aan. Ze zag eruit alsof een deel van haar hersenen operatief was verwijderd. Ze noemde haar voor- en achternaam, Laura Lipp, en vertelde dat ze werd overgeplaatst van Chino naar Stanville, alsof we allebei niks te verbergen hadden. Sindsdien heeft niemand zich ooit nog met zijn voor- en achternaam aan me voorgesteld, of bij de eerste kennismaking een geloofwaardig lijkend levensverhaal verteld, niemand doet dat, ik ook niet. ‘Lipp met dubbel p is de naam van mijn stiefvader, die heb ik later aangenomen,’ zei ze, alsof ik daarnaar had gevraagd. Alsof mij dat iets kon schelen, toen of wanneer dan ook. ‘Mijn vader-vader was een Culpepper. Een Culpepper uit Apple Valley, niet uit Victorville. Er zit een schoenmaker in Victorville die ook Culpepper heet, maar dat is geen familie.’ Het is niet de bedoeling dat je in de bus met elkaar praat. Van die regel trok ze zich niets aan. ‘Mijn familie woont al drie generaties in Apple Valley. Klinkt dat niet heerlijk, Apple Valley? Je kan de appelbloesem bijna ruiken, je hoort de bijen zoemen en je krijgt zin in verse appelcider en warme appeltaart. In juli hebben ze in de Craft Cubby al de herfstdecoraties staan, gekleurde bladeren en plastic pompoenen. Maar crystal meth brouwen is pas echt een traditie in Apple Valley. Niet in mijn familie, hoor, je moet geen verkeerde indruk krijgen. De Culpeppers maken zich nuttig. Mijn vader had een eigen aannemersbedrijf. Ze zijn niet zoals mijn schoonfamilie, die… O! O kijk! Daar is Magic Mountain!’ We kwamen langs de witte parabolen van een achtbaan naast de brede meerbaanssnelweg.

Toen ik drie jaar eerder naar Los Angeles verhuisde, leek dat pretpark de poort tot mijn nieuwe leven. Het eerste grote herkenningspunt langs de snelweg als je naar het zuiden raasde, schel, lelijk en spannend, maar dat deed er nu niet meer toe. ‘Er zat een vrouw op mijn afdeling die kinderen uit Magic Mountain stal,’ zei Laura Lipp, ‘samen met die psychopaat van een man van d’r.’ Ze gooide steeds haar gordijn van glanzend haar naar achteren zonder haar armen te gebruiken, alsof het haar met elektrische stroom aan haar lichaam vastzat. ‘Ze heeft me verteld hoe ze dat deden. De mensen vertrouwden haar en haar man omdat ze oud waren. Van die lieve, vriendelijke oudjes, weet je wel, en dan was er weleens een moeder met kinderen die alle kanten op renden en als die moeder dan achter een van die kinderen aan ging, zat die oude mevrouw – ik zat in het ciw bij haar op cel, toen heeft ze me het hele verhaal verteld –, dan zat zij daar te breien en zei ze tegen zo’n moeder dat ze wel even op haar andere kind wilde letten. Zodra de moeder uit het zicht verdwenen was, werd dat kind met het mes op de keel naar een wc gesmokkeld. Die oude vrouw had met haar man een heel plan bedacht. Het kind kreeg een pruik op, andere kleren aan, en werd daarna door dat gluiperige ouwe stel mee het park uit genomen.’
‘Wat verschrikkelijk,’ zei ik. Ik probeerde wat verder bij haar vandaan te gaan zitten, voor zover dat met die ketting mogelijk was. Ik heb zelf een kind, Jackson. Ik hou van mijn zoon, maar het valt me zwaar om aan hem te denken. Ik probeer dat niet te doen.’ [...]


ZEEMANSGRAF VOOR EEN KORT VERHAAL

Ik kreeg een roman voor u ter recensie van de ons zo bekende pr-dame Eva Bouman. De proloog en het begin van het eerste chapiter van deel een ‘Jet’ bekoorden mij zo zeer dat ik die integraal aan u doorgeef. Opdat u met mij in de bekoring geraakt van een prachtig proza. De auteur vindt het heerlijk met de taal te spelen en weet tegelijkertijd met het vertelde te boeien. De drang tot verder lezen krijgt u als gevoelen. U proeft dat de auteur geniet van het schrijven. Ik heb het over de 288 bladzijden tellende paperback Zeemansgraf voor een kort verhaal’ van Dorothee Albers en Cossee. Om u de context te schetsen citeer ik eerst de tekst van de uitgever op de site. Een volgende keer wandelen wij door de roman om erachter te komen waar de titel voor staat.

Cossee: ‘Drie generaties, drie musici. Moeder, zoon en kleindochter ontmoeten elkaar nooit in deze geraffineerde roman, maar alle drie geven ze alles voor de muziek en stellen de hoogste eisen aan zichzelf. Oefenen, oefenen, oefenen, het kan altijd beter. Wat Jet, Jurre en Fine verbindt is hun talent. Als Jet, beginnend concertpianiste, zwanger wordt van een begaafde cellist, verbieden haar ouders een huwelijk met hem. Een jood is in de jaren vlak na de oorlog in hun ogen geen goede partij voor een katholiek meisje. Zij wordt naar een klooster gestuurd en moet direct na de geboorte het nog naamloze jongetje afstaan. Jurre komt terecht bij een Gronings boerengezin, ontdekt als puber de saxofoon, en wil tot verdriet van zijn ouders geen boer worden, maar beroepsmuzikant. Als hij er later achter komt, dat zij zijn pleegouders zijn, houdt hij dat welbewust voor zichzelf. Zowel Jet als Jurre zwijgen over hun verleden. En net als Jet en Jurre probeert ook Jurres dochter Fine in de muziek datgene uit te drukken waar zij geen woorden voor heeft. Maar als ze haar podiumangst niet meer de baas kan, begint haar talent een last te worden. Hoe komt het dat talent behalve een gave ook een kwelling kan zijn? Vaak lijkt het erop dat zo'n bijzondere eigenschap de liefde en het gewone leven in de weg staat.’

Dorothee Albers: ‘Aan de rand van het ven spreidde Jet de zijden sjaal uit in het zand. Het was een cadeau geweest dat ze voor vertrek van hem gekregen had. Een afscheidscadeau, al had hij dat beslist niet zo bedoeld. Geknipt voor dit doeleinde. Uit de canvas koffer nam ze al die dingen die ze afgelopen maanden als relikwieën had bewaard en legde ze op de rode stof: brieven, kaarten, een paar foto’s, partituren, de zelfgebreide sokjes. Een koffer op een gebedskleedje. Zij zat er op haar knieën naast en keek er onbewogen naar. Ze nam de ring van haar vinger. Voordat ze hem vastmaakte aan het koordje dat ze om een babyvoetje had willen strikken, staarde ze naar de inscriptie aan de binnenzijde: ZEV 15-11-’55. Alsof ze zou vergeten wat er stond. Nog een keer schoof ze hem terug en toen resoluut weer van haar ringvinger af. Tot slot legde ze een kei bij de spullen. Meegenomen uit de kloostertuin om het pakket te verzwaren. Ze knoopte de sjaal stevig dicht. De reep stof die als een staart uit het bundeltje  stak, wikkelde ze op tot een koord. Ze stond op, draaide als een discuswerper een paar maal om haar as en slingerde de rode knapzak de lucht in. Een schreeuw ontsnapte haar, waarop ze abrupt de lege handen voor de mond sloeg. Zwalkend zocht de glanzende bal zich een weg naar het water. Om zijn baan te volgen moest ze haar ogen half dichtknijpen. Met de plons was daar de opluchting. Een paar kuifeenden schoten verstoord op. Ze keek om zich heen, was ze wel alleen hier? Een eeuwigheid duurde het voordat het water weer rimpelloos was. Met haar lange wollen jas strak om zich heen getrokken – ze voelde weer de druk van het sluitlaken waarin ze haar gewikkeld hadden en dat haar adem had afgesneden – zeeg ze, happend naar lucht, neer in het zand. Toen ze verkleumd overeind kwam, kon ze niet zeggen of ze tien minuten, een halfuur of de hele middag zo gezeten had. Ze wreef haar handen warm. Een vreemd gezicht was het, die kale linkerhand. Ze pakte haar koffer op. Het was tijd om te gaan.

Op klakkende hakken liep Jet het stadscentrum uit. Een doordeweekse donderdag was het, met doordeweekse gedachten. Het was een eind lopen van de Korte Beestenmarkt naar het Statenkwartier. Ze had tijd om na te denken. Iedere vinger moest onafhankelijk worden en even sterk, moest uitgroeien tot een eigen persoonlijkheid, had haar pianodocent ’s ochtends gezegd. Als een refrein van een meezinger was het in haar hoofd blijven hangen. Ze moest zich als eerstejaars niets verbeelden. Ze kon bijvoorbeeld denken dat ze heel aardig op tempo kon spelen, maar op tempo spelen was iets wat ze van binnenuit zou moeten ontwikkelen.

Ze had naar het conservatorium gewild om vooruit te komen. Het voelde alsof ze weer van voren af aan moest beginnen. Naast een uitmuntende techniek moesten ze de komende jaren bovendien een eigen geluid zien te creëren. Als tien pianisten hetzelfde stuk speelden, dan wilde de docent met zijn ogen dicht kunnen zeggen wie er aan de vleugel zat. Waaraan je dat moest kunnen horen, hoe groot een pianist zijn naam als een stempel op een compositie zette, dat had hij niet gezegd. Ineens hoorde ze achter zich fluiten. Ze ging langzamer lopen. Geen verlegenheid was het die haar ervan weerhield om direct om te kijken, maar een neiging om spanning op te bouwen en vast te houden, zoals ze dat spelend deed. Dit klonk niet als een goedgemutste wandelaar die een deuntje fluit. Dit was Brahms. Op haar beide armen gingen tegelijkertijd de haartjes overeind staan. Het ‘Allegretto grazioso’ uit het Tweede Pianoconcert. Ze lachte in zichzelf, haalde diep adem en zette zo hard in als ze kon. Fluiten vond haar vader ordinair en juist daarom kon ze het goed. Aan Brahms had ze zich fluitend nooit gewaagd. Nu liep de flierefluiter naast haar. Net als hij keek ze heel even opzij en toen weer voor zich uit. Hij torste een cello aan zijn schouder. Zij viel stil na een aantal maten, maar hij floot verder. Toen de beginmelodie zich herhaalde, haakte Jet weer aan waarna ze zwijgend zij aan zij bleven staan. Zijn waterige ogen leken niet op hun plaats in het hoekige gezicht met het opgeschoren haar. Alleen op zijn kruin probeerde een krul aan het strenge kapsel te ontkomen. Ze herkende hem van de wandelgangen in school. Maar niet van zo dichtbij. Boven zijn linkeroor zat een streepje wit haar; een pigmentloos uitroepteken.  Ze meende dat hij derdejaars was.

‘Zev. Aangenaam. Wat loop je hard. Maakte je je ergens kwaad over?’ Ze fronste haar wenkbrauwen en pakte zijn uitgestoken hand. ‘Jet,’ zei ze. ‘Jet Hamelink. Je kan aardig fluiten. Heel aardig zelfs.’ ‘Ik heb naar je geluisterd vanmorgen. Ik kwam te laat.’ De warmtegolf die op haar voorhoofd te zien moest zijn, strekte zich uit onder haar jas en haar blouse, tot in de diepe hals van haar onderjurk. ‘Ik moet me niets verbeelden, zegt mij docent.’ ‘Dat zeggen ze allemaal. Spelen we een keer samen?’ Hij neigde zijn hoofd naar zijn instrument. ‘Afgesproken.’ ‘Ik moet de andere kant op.’ Tegelijk keken ze over hun schouder. De zon zette een rij esdoorns in lichterlaaie. In haar hoofd klonk Brahms voort; een sonate voor cello en piano nu. Voordat ze de hoek omsloeg, haar eigen straat in, haar vlecht van links naar rechts springend op haar rug, ontdekte ze onder de dakrand van het transformatorhuisje, waar ze honderden keren aan voorbij was gelopen, een opschrift: LA VIE EN ROSE. In haastige hanenpoten opgetekend.’


DE PELIKAAN

Een van mijn volgers op radio en tv vroeg mij of ik mijn verhaal over een goed boek dat ik de eerste week van het jaar bij u introduceerde nog een keer wil herhalen. Ik doe dat met de restrictie dat ik mijn verhaal van toen integraal aan u opnieuw doorgeef. Daar gaat het dan.

Het geluk was mij de voorbije kerstdagen beschoren: ik begon te lezen in het nieuwste boek van een schrijver die ons vorig jaar zo bekoorde met zijn novellenbundel Rivieren. Ik nam het eerste van de vijf bedrijven tot mij en werd opnieuw bepaald bij de schoonheid van een meeslepend verhaal dat gedempt is in prachtig proza. Het gaat om een 200 bladzijden tellende roman, de hardcover De pelikaan van Martin Michael Driessen en van Uitgeverij Van Oorschot met de ondertitel ‘Een komedie’. Ik haast mij te zeggen dat de subtitel ons op het verkeerde been dreigt te zetten, want ondanks de fijne humor die er steevast in tintelt schuren goed en kwaad voortdurend door elkaar en langs elkaar heen. Het eerste stuk van De pelikaan, dat ik u aanreik om ‘in the mood’ te komen etaleert dat. Ik wil u die humor op heterdaad laten betrappen, maar eerst geef ik de tekst van de uitgever op de wikkel en doe ik u de belofte dat wij elkaar in de loop van januari wederom om dit fantastisch mooi geschreven verhaal over een driest verlopende vriendschap ontmoeten.

De lotgevallen van de twee hoofdpersonages, Andrej en Josip, worden vanaf op afstand, van de zee. gevolgd door trekkende onaangedane pelikanen. Ik heug me nog de jonge dag dat ik in de ban raakte van de woorden en zinnen in het verhaal Peerke en z’n kameraden van W.G. van de Hulst. Ik prijs mij gelukkig dat ik sindsdien boeken tot mij mag nemen die een intrigerend verhaal in bekoorlijk proza weten te vatten. ‘De pelikaan’ is zo’n boek. Zeker weten: u gaat smullen van ware literatuur, naar vorm en naar inhoud!

Van Oorschot: ‘Andrej is postbode in een slaperig stadje aan de Adriatische kust in communistisch Joegoslavië. Josip is verantwoordelijk voor de kabeltrein naar het heldenmonument boven op de heuvel. Hij is ongelukkig getrouwd en houdt er een minnares op na. Amateurfotograaf Andrej weet beelden van een amoureuze ontmoeting vast te leggen en begint Josip ermee te chanteren. Kort hierna ontdekt Josip dat postbode Andrej brieven open stoomt en geld steelt. Om aan de verwachtingen van zijn onbekende chanteur te voldoen begint hij op zijn beurt Andrej te chanteren. Intussen kabbelt de blauwe zee rustig door. Met een gedegen blik op beider geestesgesteldheid en met empathie zet Martin Michael Driessen zijn hoofdpersonen vast in een parabel van wederzijdse gebondenheid. Deze roman toont tegen een achtergrond van kapitalistisch hoogstandjes als gokken en knevelarij in laat-communistische Joegoslavië Driessens ongeëvenaarde vermogen alledaags leven te verheffen tot opwindende literatuur.

Martin Michael Driessen: ‘De kleine stad aan de Adriatische kust had ooit deel uitgemaakt van het Ottomaanse en toen van het Habsburgse rijk en behoorde nu tot Joegoslavië. Er was nooit veel veranderd en als de postbode Andrej zijn ronde honderd jaar eerder had gemaakt zou het door vrijwel dezelfde stad zijn geweest als nu. Vervallen huizen waren vervangen door eendere, in dezelfde bouwstijl; alleen hoger op de grijze hellingen lagen nieuwbouwwijken met betonnen flats, die echter buiten zijn revier vielen want Andrej bezorgde de post in het oude gedeelte van de stad, de wirwar van stegen en gangetjes boven de havenboulevard die, stedenbouwkundig gezien, hoogstens interessant was vanwege het na de oorlog aangelegde Plein van het Volk en de voormalige aartshertogelijke residentie. De boulevard werd door een lange rij palmen opgesierd die ooit ter ere van een bezoek van Tito waren geplant. Het parkeerverbod was bij ontstentenis van veel toerisme eigenlijk geheel overbodig, en werd dan ook sinds jaar en dag genegeerd. De vissershaven was pittoresk, de blauwe kustlijn ten noorden en ten zuiden van de baai eveneens; er was een kabelspoorweg, en het stadje kon op een klokkenmuseum zonder weerga bogen. Ondanks deze bijzondere kwaliteiten was het een muurbloempje van de Europese geschiedenis. Hier gebeurde niets, het stadje had de ene generatie na de andere voortgebracht en begraven, zonder dat één van zijn kinderen naam had gemaakt in de wereld. Misschien waren juist de ogenschijnlijke attracties hem fataal geworden: fraai, maar te klein en ook weer niet mooi genoeg om met steden als Zadar en Dubrovnik te concurreren. Al honderd jaar in reisgidsen aangeprezen, werd het stadje nooit echt populair. En het had nog steeds geen industrie, nauwelijks handel, en de kuststrook was agrarisch gezien vrijwel onbeduidend.

Andrej speelde in zijn jonge jaren in het eerste voetbalelftal, eerst als spits en later als keeper. Afgezien van het klokkenmuseum waren het vooral de pelikanen die het stadje allure gaven. Het waren roze pelikanen, die elk jaar terugkeerden en bezit namen van de boulevard; onwaarschijnlijke creaturen, haast messiaans in hun verschijning, die zich een paar maanden lieten voederen eer ze naar Afrika terugkeerden.
De huizen hadden allemaal hoge plafonds en ramen met luiken ervoor, van zwaar hout, met kleine spleten tussen de lamellen, die alleen in de koele avond. en ochtenduren met haken tot een kier werden geopend. Alle trappenhuizen waren als met opzet smal en bedompt; het ging er niet om ergens heen te gaan of ergens vandaan te komen; men bleef bij voorkeur waar men was. Het elektriciteitsnet was voorwereldlijk. Het bestond uit een bedrading die noch afdoende geïsoleerd, noch planmatig aangelegd was, en dateerde van zo lang geleden dat de bewoners van het stadje het als een soort atavistisch wortelwerk beschouwden, dat ze liever ongemoeid lieten. Dat gold ook voor waterleiding en riolering. Het stadje had voorts nog een hondenrenbaan, die ten oosten van de zoutbekkens op een stoffig veldje lag en niet makkelijk bereikbaar was. De kabelspoorweg was in 1892 aangelegd door dezelfde ingenieur die de beroemde Nerobahn in Wiesbaden had gebouwd: een technisch wonder, dat de driehonderd meter hoogteverschil tussen het dalstation en de orthodoxe kerk op de heuveltop zonder motoraandrijving overwon, dankzij het gepatenteerde principe van waterballast in de dalende wagon, die door het toegevoegde gewicht een tweede wagon naar boven trok. Het reservoir werd op peil gehouden met water uit het stuwmeer hogerop in het gebergte, zodat de baan vrijwel zonder kosten opereerde. Het probleem van de voormalig volkseigen attractie was dat bijna niemand er gebruik van maakte. De enige die dagelijks het socialistische heldenmonument bezocht dat nu de plaats van de in de oorlog verwoeste basilica innam was Josip Tudjman, de machinist en conducteur van de kabelspoorbaan, die er zijn lunchpauze doorbracht. Normaal gesproken bediende hij de baan alleen, wat betekende dat hij vanuit het dalstation het steile pad op moest om de boven geparkeerde wagon met waterballast te vullen en daarna weer af te dalen om het loket te bemannen. De oorspronkelijke dienstvoorschriften vereisten dat beide wagons te allen tijde een machinist aan boord moesten hebben, maar tegenwoordig mocht de wagon die geen passagiers vervoerde onbemand blijven.

Josip woonde op een steenworp afstand van het dalstation en zou dus evengoed tussen de middag naar huis kunnen gaan, maar hij was ongelukkig getrouwd en gaf er de voorkeur aan het loket voor een uur op slot te doen en zichzelf in een van de mahoniehouten wagons naar boven te transporteren om dat uur alleen door te brengen. In feite was hij zelf een van de meer dan levensgrote vaderlandse helden die in bronzen bevlieging met vooruitgestoken bajonetten de sokkel af leken te stormen waarop hij zijn broodtrommeltje uitpakte; want hij was een veteraan, gedecoreerd met de Orde van het Volksleger, en dat was ook de reden dat hij dit baantje had gekregen. Als hij boven op de grijze heuvel zat, zijn salami kauwend en uitkijkend over de rimpelloze zee en de stad aan zijn voeten en het lijnrechte dubbele spoor van zijn kabeltrein, ging er niets in hem om. Dit was Josips favoriete gemoedstoestand want als er wel iets in hem omging, waren het zorgen; om zijn kind, om wat de vrouw die het gebaard had hem nog meer zou kunnen aandoen. Zolang er niets gebeurde, gebeurde er tenminste niets slechts. Hij zette zijn pet af en leunde tegen de bronzen laars van een held. Om precies twee uur vulde hij het reservoir van de wachtende wagon, zette de baan in beweging en daalde af om het loket weer te bemannen. Soms daalde hij te voet de helling af, om zich een hernieuwde klim te besparen. Hij had ook een licentie om staatsloten te verkopen, en voor de kiosk stond een draadijzeren molentje met tijdschriften, die weinig opbrachten maar hem ook niets kostten. De enige die iets anders afnam dan de plaatselijke krant was de postbode Andrej; die kocht niet alleen elke week een lot maar wilde alles waar een kleurenfoto opstond, liefst van prinses Diana.

Andrej was erg groot, wat hem nochtans als keeper niet veel voordeel had verschaft omdat hij onhandig en in wezen niet sportief was. Hijzelf had zijn meer dan gemiddelde lengte altijd als iets bijzonders beschouwd, tot hem duidelijk werd dat die net als zijn zeer grote neus en zijn enorme schoenmaat eerder belachelijk werd gevonden. Dat had hij de mensheid nooit vergeven.
Hij had elke dag een uur of vijf nodig om te post te sorteren en rond te brengen; dat laatste deed hij bij voorkeur midden op de dag en niet in de koelte van de ochtend. In de middag namelijk sliep bijna iedereen achter gesloten luiken en had hij het rijk voor zich alleen, op een paar katten na. Hij had een fiets met een hoog frame, een dubbele stang, een krat voor pakketjes boven het voorwiel, en twee gevulkaniseerde tassen aan weerszijden van de achtervork. Andrej zag zich als de man die het stadje met de buitenwereld verbond, hoewel er niet veel postverkeer was. Hij duwde zijn zware fiets met de meestal bijna lege tassen door de steilste stegen, droeg hem waar nodig traptreden op, en reed aan het eind van zijn ronde via de geasfalteerde Nikole Zrinskog weer omlaag naar de haven, waar hij woonde. Dan pas nam hij zijn zwarte pet af en ketende de fiets, die eigendom van de posterijen was, aan de tralies voor het raam van zijn souterrainwoning. Hij was al vroeg in zijn carrière begonnen post te openen. Hij stelde zich graag voor dat maarschalk Tito hem onderscheiden zou hebben omdat hij waakzaam was geweest en een kapitalistisch complot had verijdeld. Hij stoomde de enveloppen open in zijn keukentje en gomde ze, na de inhoud bestudeerd te hebben op het formica tafelblad, weer zorgvuldig dicht. Al had hij nooit iets van enige betekenis ontdekt, toch schonk het vakkundig verrichten van deze bezigheden hem veel voldoening. Maar Tito was allang dood, net als Gracia van Monaco, en sindsdien was de wereld niet meer dezelfde.

CULTUURMIX 27 AUGUSTUS 2018

Papendrecht 27-08-2018

JOUW HUID

Ik ga u een roman inloodsen door de eerste vier pagina’s onverkort aan u door te geven. U zult dan omarmd worden door het literaire proza dat klinkt als een klok. En wel zo dat u in heerlijke verleiding komt het boek in zijn geheel tot u gaat nemen. Het gaat om de 254 bladzijden tellende paperback Jouw huid van Jeroen Theunissen en De Bezige Bij. Opdat u het thema van het verhaal te weten komt, geef ik eerst de tekst van de uitgeverij op de omslag. Het spreekt voor zich dat wij over twee weken met elkaar hier de leeservaringen uitwisselen. Of u nu nog vakantie viert of de draad van het gewone leven weer opgepakt hebt: met Jouw huid zit u goed.

De Bezige Bij: ‘Hij een eurocraat, zij iemand zonder verblijfsvergunning. Hij lobbyt voor grote bedrijven, zij doet allerhande onderbetaalde klusjes. Hij een westerling, zij een Afrikaanse. Maar allebei komen ze van elders. Wanneer Griff en Ama een relatie krijgen, moeten ze heel wat twijfels en vooroordelen opzijzetten. Overwint liefde alles? Of gebruiken ze elkaar alleen maar even, tot ze de ander niet meer nodig hebben? En wat is dat met de stad waarin ze wonen?
Brussel, wereldstad tegen wil en dank, vol kunst en fijnstof, de ene dag vriendelijk en de volgende dag grimmig, met soms wat zon maar meestal met veel te dikke wolkenpartijen. In een sensuele, meeslepende stijl onderzoekt Jouw huid wat liefde en stedelijkheid in de eenentwintigste eeuw betekenen. Zijn wij allen wereldburgers geworden? Of verdwalen we alleen maar een beetje?’

Jeroen Theunisse: ‘Brussel, lente. Een windstoot, druppels komen binnen, en een lange man die je hier nog niet hebt gezien, met een overjas en een zwart rugzakje, verschijnt. Hij duwt een opgevouwen fiets voor zich uit, draagt een fietshelm. Je ziet dat hij niet past in deze verloren stadsplooi, aan dit plein zonder toekomst en zonder duidelijk verleden, met schilferende bomen, verveelde hangjongeren en wat verderop de drukke doorgangsweg. Hij past in een ander, beter en netter deel van de stad. Een man van veertig, denk je. De man is doorweekt, en hij oogt verbouwereerd, alsof de regen hem persoonlijk beledigd heeft. Je glimlacht naar hem omdat het van jou verwacht wordt, maar ook vanwege de situatie, onhandig en vreemd. Hij wordt door de stamgasten gemonsterd. Je probeert Napoleon nog tegen te houden, die opspringt, naar de natte bezoeker holt, hem uit zijn evenwicht brengt. Maar de man herstelt zich, kijkt rond, knikt iedereen afzonderlijk toe. Wanneer hij zijn overjas uittrekt, verschijnt een maatpak. De man aait Napoleon. Niet veertig, zie je nu, eerder dertig. Een man van dertig. Vijfendertig. Een man van vijfendertig.

Je sust Napoleon. Terwijl je de hond wegleidt, kijk je naar de man, die tussen de tafels en de puinzooi en de rariteiten een vrije plek zoekt. Man en hond lijken dezelfde ogen te hebben. Is hij een man die van honden houdt? Wanneer hij zijn jas over de stoel heeft gevouwen, zijn rugzakje naast de tafel op de grond heeft geplaatst en zijn platte haren heeft losgeschud, komt hij naar je toe en bestelt in het Engels een glas witte wijn. Zijn bleke hoofd, de mond als een streep en de rode vlekken op de wangen alsof hij urenlang geravot heeft. Borstelige wenkbrauwen, zelfde kleur als het hoofdhaar, ze lijken er door een kleuter opgeplakt. Er gaat kracht van hem uit, of misschien is het alleen zijn lengte. De man heeft een iets te nasale stem en loopt gebogen, alsof hij nog groter is dan hij is. Je zoekt de fles, voelt hoe het hete hondenlijf van Napoleon tegen je op schuurt, om aandacht fleemt, je hebt nu even geen tijd, hebt eigenlijk toch best wel tijd, zet de fles neer en liefkoost en streelt die harige massa, en wast achteraf je handen, de straal van warm water op je huid, je houdt ervan, of gewoon de handen te laten zakken, voorzichtig te dopen in het meestal lauwe maar soms toch nog hete afwassop. Die tintelende sensatie. In een hoekje zit de man op de oude cinemastoel onder de purperen bloempot met de hangplant waarvan de onderste bladeren als hij zijn rug recht zijn haren raken. Hij opent een laptop, legt naast die laptop een smartphone. Haalt een verfrommelde pet uit zijn jas, legt die daar weer naast. Lijkt even weg te dromen. Probeert zich een houding aan te meten maar slaagt er niet in. En je ziet dat hij acteert, ongetwijfeld met talent. Zijn maatpak glimt. Hij heeft de stropdas losgemaakt en voor zich bij de pet gelegd. Grijze pet, met ruitpatroon. Er nog naast die fietshelm. Hij stopt een bierviltje onder een poot om de tafel te stabiliseren.

Behalve Pierre, die hem in de gaten houdt, let geen van de stamgasten meer op hem, aanvaard is hij niet maar hij ziet eruit alsof hij niemand kwaad doet, en na de regen, denkt men, verdwijnt hij. Hij vraagt of er hier wifi is, een code voor de internettoegang, maar dit is niet zo’n hipsterkroeg, hier komen alleen mensen zonder werk of alleszins zonder laptop. Waarop hij je ongelovig aanstaart. En je lacht dus opnieuw, en haalt je schouders op, vervolgens lijkt ook hij te lachen, in een vertrouwelijk gebaar leg je een hand op zijn arm, omdat je hem gerust wilt stellen dat het oké is. Dat ook jij hier vreemd bent. Dat we hier allemaal vreemd zijn. Dat het zo is, in deze stad, dat het zo moet zijn, dat het goed is. En misschien omdat je hem mag. Je denkt aan hoe je hier passeerde, aan deze hoek. Maanden geleden, hoe je hier nog niet lang was, werk zocht in deze nerveuze stad, moeilijke dagen waren het, en dan dat lieve en eenzame dier liggend aan de deur, hoe je er een band mee opbouwde. Pepe die de habitués zelf hun drank liet pakken en meestal maar wat met een koffie verkeerd (‘café con leche’ noemt hij dat) in zijn fauteuil zat. Hij begon een gesprek. In die tijd was hij nog vriendelijk, zelfs charmant. Had hij geen werk voor jou? Poetsen en opdienen, op het café letten wanneer hij er niet is, zoals nu. Poetsen is het laagste, vindt mama. Misschien omdat je te lang in zijn buurt blijft staan, toont die nieuweling je iets op zijn smartphone, een foto van een standbeeld, een man en een vrouw die in een soort overwinningsgebaar een lantaarn omhoogduwen. ‘Hier wat verder,’ zegt hij. ‘Maakt u foto’s?’ ‘Soms.’ ‘Bent u journalist?’ ‘Nee.’ Hij glimlacht. ‘Mooie pet.’ Erg lelijk. ‘Dank je. Hij is van mijn grootvader geweest.’ Hij grijnst. Je laat hem. Wat weet jij van de gewoonten hier? Voor jou past die pet aan de wand tussen Pepe’s prullaria, de speren en de vazen, de harlekijnen en de marionetten, de schilderwerkjes en de beeldjes, de boeken, de Jamaicaanse vlaggen met hennepblad, de opgezette dieren en de fossielen, de prentkaarten, de kledingstukken, de discobal, de parkieten, de cactussen, de pin-ups... Pierre, op zijn vaste barkruk, vraagt: ‘Wat zei hij?’ ‘Dat de pet van zijn grootvader is geweest.’ ‘Aha.’ 

En je wandelt weer naar het raam, kijkt naar het grijze asfalt. Het water dat met zichzelf geen blijf weet, een punt zoekt waar het onder de stenen van de stad kan verdwijnen, in de grond en misschien in de rivier die hier gestroomd moet hebben, ooit, maar die nu langs onderaardse gangen naar buiten wordt geleid. Een rivier die jou fascineert, een onzichtbare rivier. Je gaat naar de bar om glazen af te wassen, tikt ritmes met een bierviltje. Na de eenzaamheid van de winter begint de stad jou te bevallen. De kakofonie en de rijkdom, het lawaai en de rust, de stank en de geur, de chaos en de mogelijkheden. De details. Af en toe werp je een blik op die nieuweling, hij intrigeert omdat de delen en het geheel niet passen, zijn ongeschoren kin en zijn perfecte bruinlederen schoenen, zijn ironische manier van doen en zijn trouwe ogen, het maatpak en het gepeuter in zijn neus, de pet en de fietshelm en de vouwfiets, grote slokken wijn en de concentratie waarmee hij werkt. Soms belt hij iemand of belt iemand hem, zo lijkt hij van het café zijn kantoor gemaakt te hebben en van de tafel, die op andere momenten vooral gebruikt wordt door de Spaanse vrienden van Pepe wanneer ze hun gefrituurde sardienen, gekocht bij de Griek naast de deur, komen opeten, zijn bureau. Blikken kruisen. Een koppige zon breekt de wolken, laat een groot blauw gat verschijnen, gerafeld aan de randen. De donkerte van die eerste winter, de neerslachtigheid, je wist niet wat je overkwam. Maar nu komt een prachtige overgang van een lichtrijke schoonheid die je in Accra nooit hebt meegemaakt. Alles op het plein glanst. In het blauwe gat bestudeer je de vliegtuigstrepen, tot het gat zich weer sluit, en het andermaal gaat regenen, waarna een nieuw gat verschijnt, waarna het andermaal gaat regenen. Er is veel tijd. Poetsen vijf euro per uur, opdienen ieder kwartier een euro. Plus fooien, had Pepe gezegd, maar die zijn er niet.’


PIJN IN HET PELOTON

Op het moment van dit schrijven meldt mijn echtgenote dat de Elfstedenzwemmer Maarten van der Weijden vlak voor Dokkum zijn machtige durftocht gestaakt heeft. Volgens artsen was de moedige durfal te ziek om naar finish in Leeuwarden te halen. Na 55 uur en 163 kilometer maakte liggend in een vervolgboot het einde uit van die heldhaftige koers, die geld op moest brengen voor het bestrijden van kanker. Naast gevoelens van misselijkheid moet Van der Weijden ook te kampen hebben gehad met pijnen en pijntjes. Zijn collega-sporters doen over dat lichamelijk ongemak een boek open in de 320 bladzijden tellende, formidabel en indrukwekkend geïllustreerde paperback Pijn in het peloton van Pieter Cramer en Frans Bevers en van De Arbeiderspers met de ondertitel ‘13 beruchte blessures bij wielrenners & meer ellende’. Om de inhoud te schetsen geef ik u integraal de tekst van het eerste chapiter ‘Inrijden’. Maar eerst reik ik u de woorden van de uitgever op de omslag aan. Met u wil ik een volgende keer een tocht maken door dit boek dat er echt toedoet.

De Arbeiderspers: ‘Voor Pijn in het peloton baseren de auteurs zich op uitvoerige gesprekken met ervaringsdeskundigen, van wielrenners en artsen tot en met fotografen en koersdirecteurs. Vanuit verschillende perspectieven worden oorzaken en gevolgen van wielerleed besproken. Bloederige beelden die iedereen op het netvlies staan zijn voor de betrokken renner lang niet altijd de belangrijkste herinnering aan het leed. Wat weten we van de strijd van de coureur tijdens een langdurig genezingsproces? Kan hij terugkomen of besluit hij uiteindelijk zijn wielerloopbaan te beëindigen? Wanneer neemt de geest de pijn van het lichaam over? Pijn in het peloton is een hommage aan de soms onvoorstelbaar hoge pijngrens waarover wielrenners beschikken, het doorzettingsvermogen om het doel te bereiken en het geloof om altijd weer beter terug te komen. Het is een nagenoeg complete inventaris van alles wat er in het lichaam en de geest van een wielrenner fout kan gaan. In dertien hoofdstukken passeert – van hoofd tot voeten – een gevarieerde reeks blessures, ongemakken en ongelukken de wielerrevue. Een fascinerende combinatie van feiten, verhalen en analyses. Geïllustreerd met foto's van Klaas Jan van der Weij en Wouter Roosenboom (Pro Cycle Shots).’

Cramer en Bevers met hun ‘Inrijden’: ‘Het peloton jaagt over een rechte weg door een verder verlaten Frans bos. Gekromde ruggen met nummers rijden voor de camera uit. In een fractie van een seconde ligt een kluwen renners op de grond. Twee renners, onder wie de Belgische kampioen, ontworstelen zich aan de in elkaar gehaakte warwinkel van frames. Ze vervolgen hun tocht, zo snel mogelijk terug naar het voortjakkerend peloton, waarvan het staartje achter een verre bocht verdwijnt. ‘o, valpartij hier. Wat is dit nu toch?’ ‘Tulk staat erbij, Gesink staat erbij.’ De tv-reporters Dijkstra en Ducrot zijn in een ruk klaarwakker. De Fransman Angelo Tulik van Direct Energie is vlug overeind. Hij lijkt niet aangeslagen, praat in zijn microfoontje en bekijkt zijn rode fiets. De 37-jarige Manuele Mori ligt als een spartelend insect op zijn rug en kermt luid. ‘Oe, dit ziet er niet goed uit. Aerch… last van z’n rug.’ ‘Z’ n schouder’, corrigeert Ducrot. ‘Gesink gevallen, het zal toch niet waar zijn?’ ‘Het is waar.’ ‘Gisteren nog zo dicht bij etappewinst.’ ‘Die andere is Mori, de man die eergisteren mee was in de ontsnapping.’ ‘Gesink heeft ook pijn, hoor.’ De kopman van Lottonl-Jumbo doet in vertwijfeling stapjes naar links en rechts. En buigt en buigt, zijn handen in zijn zij gedrukt. Het is geen trage indianendans, maar een opkomend besef dat het weer eens goed fout zit in dat verdraaide lijf. Met een driftige zwenk stuurt Gesinks ploegleider de geel-zwarte volgwagen naar de kant van de weg. Kort overleg. Er wordt een te hoog opgetaste brancard het beeld in geduwd. Robert Gesink steunt erop, maar ziet geen kans er zelf op te stappen. Het peloton is al ver weg en heeft de pijn achtergelaten.

Zo gaat het steeds weer, een val of een tegenslag, hoe dan ook, het peloton raast voort en de pijn blijft achter. Pijn die talrijke fysieke, maar ook mentale gedaantes kent, stuk voor stuk uitgebreid beschreven in medische handboeken. Zo diep zullen we er niet op ingaan. Wij willen weten wat er in het hoofd en lichaam van de wielrenner omgaat bij alle mogelijke ellende die zich tijdens de uitoefening van zijn beroep kan voordoen, door valpartijen, overbelasting of ziektes. En hoe al die narigheid vervolgens wordt bestreden, Om daarachter te komen moet je bij de betrokkenen zelf zijn. ‘Er zijn een heleboel mensen die allerlei verhalen hebben over het is zus of het is zo. Maar je moet naar de mensen gaan die ’t hebben meegemaakt, niet die ’t van horen zeggen hebben, telt niet,’ benadrukt ex-wielrenner Rini Wagtmans. Het klinkt logisch, dus komen de renners aan het woord. En de mensen er dicht omheen, de behandelaars, de verzorgers, ploegleiders, de organisatoren, de verslaggevers en de naasten.

Is dit boek over blessures en andere ellende een naslagwerk zonder nepnieuws? Ja en nee. Ja, omdat alle beschreven malheur overzichtelijk per lichaamsdeel in hoofdstukken, van het hoofd afdalend naar de voeten, bijeen is gebracht. En nee, hoewel er tevens deskundigen en wetenschappers aan het woord komen, is het ook bij hen vooral de ervaring die hier telt. Er zijn omissies, ongetwijfeld ontbreken er pijnen en pijntjes. Enerzijds omdat wij er geen weet van hadden en anderzijds omdat er af en toe domweg ellende zo grondig uit de actualiteit de vergeethoek in rolt, dat niemand er meer over praat. Over de kniepeesproblemen bijvoorbeeld van onder anderen de Franse veelvoudige Tourwinnaar Bernard Hinault. Een euvel dat ontstond doordat renners met een te zwaar verzet de cols op reden, en dat nauwelijks nog een issue is sinds de toppers als Lance Armstrong en Chris Froome met een razend lichte tred de steilste hellingen op vliegen. Ze kregen vragen voorgeschoteld, de wielrenners. Wat, waar en hoe erg was jouw pijn? ‘Maar hoe kan je pijn uitleggen?’ reageerde ex-renner Maarten Ducrot. ‘Het is zo’ n mentaal concept. Iedereen zegt: ja je hebt pijn, maar dat durf je ook bijna niet te zeggen. Het ligt er maar aan hoe je ertegen aankijkt. Ik ben nu een grote melker, ik bedoel, ik kan niks hebben, auw…’ Het is het proberen waard, praten over pijn. Er loopt geen mens rond op deze aarde die nooit pijn heeft gekend. Toch is de herinnering eraan van korte duur. De intensiteit van de pijn ebt weg en is ook bij de ander niet zichtbaar. Ja, de kermende renner op de grond heeft pijn, het is hem aan te zien. En Robert Gesink loopt niet voor niks als een knikkende kraanvogel rond. Maar wie op de fiets stapt en de koers vervolgt, is aangeschoten wild. Er worden prestaties verwacht, want hij functioneert toch weer? Ex-coureur Peter Winnen legt uit in een column: ‘Ik herinner me dat tijdens week drie de pijn van vermoeidheid zich in lagen manifesteerde. Eerst is er de verzuring, bekend bij iedereen die weleens aan sport deed. Daaronder ligt een bijzonder geniepige maar basale uitputting, die vooral te maken heeft met een drooglopend hormoonsysteem. Je voelt je een droogkokende fluitketel; nee, je bent er een. De derde laag is een pijn die eigenlijk geen pijn doet, maar te maken heeft met een zenuwstelsel dat aan revisie toe is. De dagelijkse portie koersstress heeft het vernietigende werk succesvol verricht. Gek genoeg uitte zich dat bij mij persoonlijk in de gewaarwording van een afvallend gezicht. Een gezicht dat, om met Reve te spreken, veel weg had van een varkenslederen masker.’ De metamorfose van de pijn via diverse stadia die door euforie in genot verandert. Het komt allemaal aan bod in dertien hoofdstukken met een happy end.

PS- Overpeinzingen over persoonlijke ervaringen met pijn. De auteurs vormen geen uitzondering, ook zij kennen pijn, zowel mentaal als fysiek. Ook zij braken ledematen bij een val van de fiets:  Bevers zijn elleboog bij een duikeling over een ongeziene drempel in het wegdek en Cramer zijn heup in een iets te scherp genomen bocht. Het gebeurt, er zijn hobbels en kronkels in het leven. Het levert ervaring op en daar doe je iets mee, of niet, Soms tot in het extreme. De zanger Nick Cave verloor zijn zoon bij een ongeluk en zette zich de pijn verbijtend toch weer aan het klavier: Because someone’s gotta sing the stars And someone’s gotta sing the rain And someone’s gotta sing the blood And someone’s gotta sing the pain. Wanneer iemand moet over de sterren zingen, en over de regen. En iemand moet over het bloed zingen, en over de pijn. Die handschoen pakten we op. En op die ongeluksdag in juli raapte Angelo Tulik zijn BH Bike op. Reed de etappe uit en vervolgens de hele Tour. Manuele Mori’s schouder werd terug in de kom gezet, waarna de artsen in het ziekenhuis een gebroken schouder en een klaplong diagnosticeerden. Op 28 september van dat jaar vervolgde hij zijn koersleven in de Coppa Sabatini. Robert Gesink belandde met een gebroken ruggenwervel in het ziekenhuis. Hij kreeg een strak korset omgesnoerd en na een tergend lang genezingsproces kondigde hij in december zijn terugkeer in het peloton aan.
Op de vraag in het NOS Sportjournaal: ‘Was 1 oktober jouw Bevrijdingsdag?’ reageert Gesink ongebroken: ‘Zeer zeker. De dag dat het korset af mocht en ik eindelijk weer op de fiets naar buiten kon. Sindsdien heb ik alle dagen keihard gewerkt en hier staat hij fris en fruitig voor het nieuwe seizoen.’
 

TSJAIKOVSKISTRAAT 40

Voorbije zondagavond was er de vierde aflevering van het zo gewaardeerde interviewprogramma ‘Zomergasten’ op de televisie, waarin Janine Albring de schrijver en Ruslandcorrespondent Pieter Waterdrinker onthaalde. Ik was zelf onder de indruk van de rijke woordenschat en de gedrevenheid van de auteur, vooral toen hij het over Rusland repte, waarin hij sinds 1996 woont. Een volger van mij op radio en tv herinnerde mij aan een recensie die ik vorig jaar in mijn media bracht en vroeg of ik het toen gezegde nog eens wilde herhalen. Als hommage aan Pieter Waterdrinker. Daar gaat ie dan. ‘Een roman nam ik tot mij die de grote en kleine geschiedenis met elkaar mixt. Een relaas las ik dat  het Russische verleden mengt met een persoonlijk geleefd leven. Ik moest daarbij denken aan de honderden foliovellen die mijn vader zaliger vol typte met zijn eigen zogenoemde kleine memoires waardoorheen hij flarden van het wereldgebeuren weefde. Alleen overheerste bij vader het eigen accent, zo niet bij het boek van deze week.

Ik heb het over de 432 bladzijden tellende hardcover Tsjaikovskistraat 40 van de alom gevierde auteur Pieter Waterdrinker en van uitgeverij Nijgh & Van Ditmar met de ondertitel ‘Een autobiografische vertelling uit Rusland’. U ziet het: de ondertitel ‘verraadt’ de mix van groot en klein. Een blij punt van Waterdrinker is dat hij met mooi proza de lezer meteen in de handeling plaatst en wel zo dat de lezer ware spanning voelt, de drang tot verder lezen. Ik ga u dat aantonen door het begin van Tsjaikovskistraat 40 aan te reiken maar eerst citeer ik de uitgever met zijn tekst op de wikkel. Over een paar weken wisselen wij hier onze leeservaringen met elkaar uit!
Nijgh & Van Ditmar: ‘In Waterdrinkers nieuwste, sterk autobiografische roman Tsjaikovskistraat 40 neemt hij de lezer mee op een duizelingwekkende reis door de Russische geschiedenis en door zijn eigen leven. Vertrekpunt is zijn huis in Sint-Petersburg, waar de auteur woont met zijn vrouw en drie poezen, midden in de buurt die honderd jaar geleden het epicentrum was van de Russische revolutie van 1917. Behalve een kroniek over deze periode, die de loop van de Europese geschiedenis van de twintigste eeuw ingrijpend zou bepalen, is de roman een verslag van het onwaarschijnlijk avontuurlijke leven van de auteur, die de afgelopen kwarteeuw in de Sovjet-Unie en Rusland doorbracht. In de handen van meesterverteller Waterdrinker wordt dit een rit op een literaire achtbaan. Een roman van een aangrijpende schoonheid, een ode aan de gespleten ziel van Rusland en de eeuwige interne strijd die dat oplevert. Groots ook in de wijze waarop Waterdrinker zijn eigen worsteling beschrijft met het leven, zijn schrijverschap, de liefde.’

Pieter Waterdrinker: ‘Op een late oktoberochtend in het jaar 1988 vroeg een heerschap uit Leiden mij of ik in staat was een kleine zevenduizend bijbels af leveren in de Sovjet-Unie. Hoe hij mij gevonden heeft weet ik nog steeds niet. In die tijd waren er maar weinigen in Nederland die Russisch spraken, die ooit de ussr hadden bezocht. Ik was er slechts één keer geweest, ruim zeven jaar ervoor. Misschien berustte alles ook wel op zuiver toeval, want dat is wat het leven mij heeft geleerd: deze wereld wordt geregeerd door willekeur. Ik was zesentwintig; kort ervoor was ik weer bij mijn ouders ingetrokken, nadat ik ruim anderhalf jaar lang op de Canarische Eilanden en in een bergdorpje op het Spaanse vasteland had gewoond. Ik was terug op mijn akelige jongenskamer, twee bij drieënhalve meter. ‘Mag ik even binnenkomen?’ De man had natte zwarte haren, zorgvuldig naar één richting gekamd. De scheiding leek er met een tang in gebrand. Hij droeg een bruine regenjas, met bruine knopen. ‘Mijn ouders zijn niet thuis,’ antwoordde ik. ‘Ze zijn in Haarlem, naar het ziekenhuis.’ Hij kwam niet voor hen, hij kwam voor mij.

‘Siderius,’ zei de vooroorlogse verschijning toen. Een paar tellen later zat hij op de bank, zich in zijn regenjas breed makend, als een roofvogel op zijn nest; hij stak een sigaret op en blies de rook door zijn haakneus naar buiten. ‘Mijn tijd is beperkt,’ begon Siderius. ‘En de kwestie waarvoor ik ben gekomen is eigenlijk nogal simpel. Kunt u over – laten we zeggen – een week of drie zorg dragen voor de aflevering van een partij Russische bijbels in de haven van Leningrad?’ De vraag was absurd, ongerijmd. Ik knikte enigszins wezenloos; de sigarettenrook hing als blauwe vitrage tussen mij en de man in. ‘God Onze Vader, de Schepper die Zijn enige zoon naar de aarde heeft gezonden om ons te redden, verkeert in zwaar weer. Het oosten is op drift. Ik neem aan dat u het allemaal volgt. Maar het is net als bij een oorlog: de zege is er pas als de victorie is bereikt. Alles wat ik u nu ga vertellen is geheim, om in de terminologie van onze vijanden van de KGB en de Stasi te spreken: ‘gekwalificeerde informatie!’ Heeft u misschien een glaasje water? Ik moet mijn pillen innemen… Jicht, kiespijn in de gewrichten, bij een aanval wil ik het liefst dood…’

Toen ik terug was uit de keuken dronk de man het glas met een pijngrimas leeg en begon daarna over een fenomeen waarvan ik nooit eerder had gehoord: het grootscheepse illegale transport van voornamelijk Russische bijbels naar het Oostblok. Op de grens van Finland met de Sovjet-Unie liet men soms ballonnen opstijgen met bijbels eraan, in de hoop dat deze ergens zouden neerdalen in het imperium van de antichrist, in het door Lenin gestichte Rode Rijk. Maar de echte religieuze contrabande vond centraal georganiseerd plaats over de weg, in speciaal omgebouwde luxeauto’s, personenbusjes, een enkele motor met zijspan, waarin activistische gelovigen van voornamelijk protestantse signatuur koers zetten naar landen als de DDR, Hongarije en Roemenië. Het was tamelijk riskant – arrestatie en gevangenisstraf dreigden. De DDR-grenswachters met hun herdershonden waren het meest gevreesd. Ze stonden klaar om met spiegels onder de auto’s te gluren, met hamertjes het chassis en de rest van de voertuigen af te gaan, op zoek naar dubbele bodems, waartussen opruiende antisocialistische lectuur, porno en bijbels mogelijk waren weggepropt. De perfecte dekmantel was het gezin; het gelukkige, kinderrijke gezin dat op weg was naar de velden, de bossen en de stranden voor een vakantie in de heilstaat. Ook Siderius was dikwijls oostwaarts getrokken; door een ziekte van zijn vrouw had hij het zendingswerk echter gestaakt. Het naderen van de grens was onveranderd voorafgegaan door een gebed in Gods vrije natuur. Nooit was er ook maar één van de achter het keukenwandje en onder de opklapbedden van zijn VW-busje verborgen bijbels gevonden.

‘Dus u doet het?’ Siderius, wiens rechterhand met pioenrode knobbels was overwoekerd, draaide nu zo krachtig aan zijn trouwring dat hij er die van af leek te willen trekken. ‘Wat precies?’ ‘Zorg dragen voor de aflevering van die zevenduizend bijbels in Leningrad. U spreekt toch Russisch? U bént daar in de Sovjet-Unie toch weleens eerder geweest?’ Met een hemelse lichtval in zijn felblauwe ogen keek Siderius me bijna smekend aan.

De volgende dag wachtte Siderius me op voor station Rotterdam Centraal. Met een klein autootje waren we door de stortregen naar Pernis gegaan, om kennis te maken met de organisatie. Hij betoogde: ‘De politiek in het oosten is aan het schuiven, als graan aan boord van een schip. Maar weet je in welk gevaar een schip op volle zee verkeert, als de lading in het ruim eenmaal op drift is? Dan kan het zomaar naar de kelder gaan!’ Volgens Siderius was er bij de bijbelsmokkel in de loop der jaren een soort concurrentie tussen de kerken ontstaan. Zelf was hij Nederlands-hervormd, maar diverse geledingen onder de gereformeerden, zelfs de mormonen en de doopsgezinden waren voor zichzelf begonnen.

Er was een competitie-element ingetreden. ‘De kerkenraad ziet de huidige situatie als oorlog: het is nu of nooit. De strijd, de ammunitie aan het front moet worden opgevoerd. De aantallen bijbels in personenbusjes schieten niet snel genoeg op. We moeten onze door Marx geknechte broeders en zusters massaal voorzien van geestelijk voedsel, van hoop, van licht. Wat u zo direct gaat zien is een proefzending: zevenduizend Russische bijbels, keurig verstopt tussen een paar ton Zeeuwse piepers. Als deze missie slaagt, liggen er nog tachtigduizend andere op ons te wachten in een pakhuis in Gouda. Om via Leningrad hun weg te vinden naar Moskou, naar de Oeral, naar dorpen diep in Siberië. De gereformeerden zijn eveneens iets met een schip van plan, maar ze zwijgen als het graf, eeuwig achterbaks!’ In een loods waar aardappelen als bergen steenkool opgeslagen lagen, werd ik voorgesteld aan drie mannen van middelbare leeftijd in lange herenjassen. Zwijgend hadden ze me de hand gedrukt, met wantrouwend-schuwe blikken, waarna ze in een hoekje met elkaar als duiven begonnen te koeren en de middelste van de drie uiteindelijk zei: ‘Goed, Siderius, als jij zegt dat deze broeder deugt, dan vertrouwen we daarop.’

Vervolgens was hij in gebed voorgegaan. Voor het welslagen van mijn missie. Sinds mijn kinderjaren had ik niet meer gebeden; ik hield mijn ogen een paar tellen gesloten. Met gevouwen handen bestudeerde ik de gelovigen: goede, krachtige, solide Hollandse koppen, als uit steen gehouwen. Vliegreis, verblijfsvisum alsmede de hotelkosten zouden worden vergoed. Ik ging vanwege het avontuur; voor de rest moest ik vertrouwen op Gods beloning.’


HET OOG VAN DE NAALD

Het geschiedde aan het eind van de woensdagmorgen 22 augustus. Petra van de post had een boek in het mandje voor de deur gevlijd, ik had het in mijn armen opgenomen en ik was aan het lezen geslagen. Dat ik in de tuin de buxus heg aan het korten was, nam ik verder voor lief. Het ging om de 236 bladzijden tellende paperback Het oog van de naald van A.L. Snijders en AFdH Uitgevers met de ondertitel ‘196 zkv’s’. Ik mocht het al eerder met u over de zeer korte verhalen van Snijders met u hebben, wij waren zeer in de euforie en derhalve heeft deze nieuweling geen verdere aankondiging en promotie nodig. Als u maar weet dat Het oog van de naald bestaat. Ik laat u wel drie van de bijna tweehonderd zkv’s proeven, opdat u de smaak weer te pakken krijgt. De volgende keer komt ik nog een keer met een trio van Snijders bij u langs. Als intro volgt eerst de tekst van de site van de uitgever.

AFdH: ‘In 2006 publiceerde AFdH Uitgevers de eerste bundel zeer korte verhalen van de toen nog volslagen onbekende A.L. Snijders. Elf jaar later verschijnt de tiende bundeling -De auteur is inmiddels tachtig jaar. Hij is de gerenommeerdste kortverhalenschrijver van de Lage Landen geworden. Onlangs kwam er een Franse vertaling van zkv’s uit, een Duitstalige editie is in voorbereiding, in de USA verschijnt een bloemlezing uit Snijders’ werk en ook in Zuid-Amerika werkt men aan een Snijders-vertaling. We zeggen het met trots: mede dankzij hem is het zeer korte verhaal zich aan het emanciperen, zelfs school aan het maken. In Het oog van de naald verschijnen de zeer korte verhalen van 2015 en 2016 in druk. Ook de stukken die de auteur schreef voor de Vlaamse krant ‘De Standaard’ zijn in de bundel opgenomen. Het is opnieuw een fantastische bundel geworden met de altijd weer verrassende mengeling van taoïsme, humoristische observaties over stad en land, mooie verhalen over literatuur en dieren en veel wijsheid.’ 

A.L. Snijders met het titelverhaal 02.01Het oog van de naald: ‘ Omdat ik gek dreigde te worden belde ik in Amsterdam de Wegenwacht. Het was de laatste dag van het jaar, onderweg op de A1 had de auto me plotseling gewaarschuwd: de achterdeur stond open. In de parkeerhaven bleek de achterdeur potdicht. De auto legde zich vijf minuten neer bij mijn conclusie en begon toen weer om de tien seconden een snerpende toon uit te zenden. Ik stopte nog een paar keer om de deur hard in het slot te gooien – tevergeefs. Ik parkeerde naast het Rijksmuseum en voerde een gesprek met de receptioniste van de Wegenwacht. Tot mijn opluchting billijkte zij mijn klacht, zij achtte het inderdaad niet uitgesloten dat ik na de twee uur durende terugtocht in het gekkenhuis zou belanden. Binnen een uur zou er hulp komen. 

Op tien meter afstand stond het borstbeeld van P.C. Hooft. Dar was zestig jaar geleden onthuld – ik was erbij geweest. Het beeld was door een laken geheel aan het oog onttrokken. Een wethouder sprak enige statige woorden, een professor in de zeventiende-eeuwse letterkunde vertelde dat Hooft van eminent belang was geweest voor onze cultuur. Toen het laken eraf werd getrokken bleek dat we achter het beeld stonden. Aan dit symbolische incident werd later op de universiteit aandacht besteed: het verleden keert je soms de rug toe zonder dat je er weet van hebt. De monteur was er na een uur. Het euvel was heel moeilijk te vinden, zijn vrouw wachtte in IJmuiden met oliebollen en champagne, maar hij gaf het niet op. Na een uur experimenteel onderzoek vond hij diep in de achterdeur het stekkertje dat door vocht ontregeld was. Ik reed terug in een zwijgende auto, mijn geest bleef ongeschonden, ik kwam om vijf voor twaalf in het stille huis. Ver achter de horizon ontplofte het nieuwe jaar, ik was door het oog van de naald gekropen. 

10.01 Receptie: ‘Het is de gewoonte dat ik op de nieuwjaarsreceptie van de gemeente na de burgemeester een kort verhaal voorlees. Deze keer duurde het vier minuten, het ging over het bos van het landgoed De Veldhorst dat door Natuurmonumenten beheerd wordt. Ik fiets daar vaak en soms wandel ik er ook. Tegenwoordig liggen er reusachtige stapels gezaagd beukenhout, zware oude bomen. Ik lees een couplet van Vasalis voor.                                                                        

Er is een boom geveld met lange groene lokken
Hij zuchtte ruisend als een kind
terwijl hij viel, nog vol van zomerwind
Ik heb de kar gezien die hem heeft weggetrokken.

De mensen die daar wonen vertellen dat dit hout naar China gaat, waar ze er goedkoop speelgoed van maken dan weer teruggaat naar Europa waar wij het dan voor een habbekrats bij de Action kunnen kopen. Ik kan het bijna niet geloven, goedkoop speelgoed van beukenhout, de mooiste boom uit het bos. Slachtoffer van de uitgekiende geldzucht van Natuurmonumenten. Maar er staat iets tegenover, het Kienveen, een prachtig klein natuurgebied in hetzelfde bos. Op het educatieve bordje staat de ontstaansgeschiedenis. De mooiste zin is: ‘Na de vondst van het zeer zeldzame melkviooltje besloot Natuurmonumenten het gebied open te maken door bos te kappen en te plaggen.’ Op de receptie – glas in de ene hand, toastje in de andere – word ik benaderd door iemand die diep in het bos woont. Hij vindt het jammer dat ik zo genuanceerd ben geweest, hij had liever een harde, eenzijdige aanval op Natuurmonumenten gehoord, zonder de uitvlucht van het melkviooltje. Ik zeg: We gaan ten onder, dat is duidelijk, maar niet uit slechtheid – we gaan ten onder omdat we eigenlijk niet beseffen dat we twee gezichten hebben en dat daar niet mee te leven valt.’

Dorpel: ‘De man werkt in een oude schuur van twee verdiepingen. Hij is alleen, de schuur staat in een verlaten bergstreek in Zuid Frankrijk. Hij is bezig met de voorbereidingen voor een contrefort tegen een hoge, bollende binnenmuur. Het is een stille man, hij zegt niet veel, hij heeft de razernij van de wereld de rug toegekeerd. Hij leest geen kranten, hij heeft geen televisie, hij heeft geen kinderen, zijn vrouw heeft hem na vijf jaar huwelijk verlaten en is in een grote stad gaan wonen om de verloren tijd in te halen. 's Avonds luistert hij soms naar de muziek van Morton Feldman, maar meestal is zelfs dat teveel voor hem en zit hij roerloos in het stille huis. Terwijl hij bezig is met het fundament van de steunbeer hoort hij kleine knabbelende geluiden, hij laat de troffel in de specie los en richt zich op – hij hoort het gebouw ademen. Het is tien meter naar de buitendeur, tien meter tussen leven en dood. Terwijl het gebouw instort wordt hij gered door de taaie, gekromde dorpel van de deur. Niemand kan hem zien zoals hij daar staat als het weer stil wordt, een middeleeuwse heilige in de lijst van een schilderij.’


SELFIE

En weer mocht ik het beleven: een boek aangereikt krijgen, dat mij meteen in de ban had. De afzender was de ons zo bekende pr-dame Thea van Duijvenbooden. Petra van de post gaf mij vanmorgen een pakketje waarin een boek gevlijd was, dat op het eerste gezicht een intrigerend juweel was, naar vorm en naar thema.
Ik nam het eerste chapiter tot mij en ik besefte het algemeen belang van deze uitgave. Ik heb het over de 400 bladzijden tellende hardcover Selfie van de Britse journalist Will Storr en de bij ons zo beminde uitgeverij Scriptum met de ondertitel ‘Hoe we zo bezeten zijn geraakt van onszelf, en wat het met ons doet’. Ik pluk uit het eerste van de zeven hoofdstukken met de titel ‘De stervende mens’ opdat u mijn drang tot verder lezen zult onderschrijven. Vooraf citeer ik de uitgever via de tekst op de site. gouden wikkel. Het spreekt voor zich dat wij met elkaar over deze Selfie nog te spreken komen.

Scriptum: ‘We leven in de tijd van het individu. We worden verondersteld slank, welvarend, gelukkig, extravert en geliefd te zijn. Dit is het beeld in onze cultuur van het volmaakte zelf dat we overal zien: in de reclame, in het nieuws, op social media. Maar dit model van het volmaakte zelf kan uitermate gevaarlijk zijn. Mensen lijden onder de zware kwelling van deze onmogelijke fantasie. Ongekende sociale druk leidt tot toename van depressie en zelfmoord. Waar komt dit ideaal vandaan? Waarom is het zo invloedrijk? Is er een manier om haar betovering te verbreken? Om deze vragen te beantwoorden neemt Selfie ons mee van de kusten van het Griekenland uit de klassieke oudheid, via de christelijke middeleeuwen, naar het Californië van de jaren tachtig, de opkomst van het narcisme en de selfie-generatie, helemaal naar het hyper-individualistische neoliberale tijdperk waarin we nu leven. Will Storr is journalist en auteur. Zijn artikelen zijn verschenen in verschillende publicaties, waaronder ‘The Guardian, Sunday Times’, ‘Observer’, ‘Esquire’, ‘New Yorker’ en de ‘Sydney Morning Herald’. Hij is meeschrijvend redacteur bij het tijdschrift ‘Esquire’. Hij werd benoemd tot New Journalist of the Year, en won een National Press Club-prijs voor uitmuntendheid.

Will  Storr: ‘Aanvankelijk was er niets. Ze was een persoon, aan bed gekluisterd, en dat was het dan ook. Geen geheugen, geen gedachten, slechts vreemde geluiden: elektronische piepjes, een zacht mechanisch gezoem. Toen opeens klonk er een stem vanuit die waas: ‘Kun je me vertellen wat dit is?’ Er zweefde iets voor haar ogen. ‘Een pen?’, zei ze. In vage oprispingen van bewustzijn had ze de contouren in de kamer wel herkend: een bed, een stoel. Om de een of andere reden kon ze er echter geen samenhangend geheel van maken. Menselijke vormen bogen zich over haar heen en zeiden dat ze haar kenden. Zelf had ze geen idee wie ze was. Ze wist niet dat het de tweede week in juni 2007 was, niet dat dat zij 43 jaar oud was, en ook niet dat zij Debbie Hampton uit Greensboro in de staat Noord-Carolina, was. Op gegeven moment begreep ze echter de essentie van haar netelige situatie. Ze leefde. En daar was ze razend over. Enkele dagen eerder had Debbie een overdosis van meer dan negentig pillen geslikt. Wel tien verschillende geneesmiddelen die je alleen op recept kon krijgen; sommige had ze gestolen uit een nachtkastje bij de buren. Al sinds zij dat slungelige meisje was dat door iedereen op school voor aap was uitgemaakt, had ze geleden onder een laag zelfbeeld. Haar jeugd was niet gemakkelijk geweest. ‘Mijn ouders zijn gescheiden toen ik zestien was’, vertelde ze mij, ‘en ik zwoer toen, op dat moment, dat ik mijn kinderen dat nooit zou aandoen.’ 

Op haar eenentwintigste trouwde ze met haar jeugdvriendje, en ze kregen al snel kinderen. Ze moest en zou de vrouw van zijn dromen worden. ‘Mijn schoonmoeder was het toonbeeld van de perfecte moeder en echtgenote. Zij bleef thuis, voedde de kinderen op, kon fantastisch koken, was gewiekst. Zo iemand wilde ik ook zijn.’ Hoezeer ze het echter ook probeerde, het lukte Debbie niet om net als die vrouw te zijn. Het leven als huisvrouw verveelde haar. ‘Ik was onaangenaam gezelschap. Ik was boos.’ Het huwelijk liep stuk. Daar zat ze dan, als de alleenstaande moeder die ze gezworen had nooit te zullen zijn. Ze ging daten, maar dat ging niet goed. ‘Mijn jongste zoon zat midden in de hal en huilde tranen met tuiten omdat hij een “echte” vader wilde.’ Als kind had Debbie altijd geprobeerd het kind te zijn dat haar moeder graag wilde zien. Als volwassene had ze haar uiterste best gedaan om de vrouw te worden naar wie haar man volgens haar verlangde. Haar hele leven had ze die droom van perfectie nagejaagd, en steeds lukte het haar maar niet om die perfectie te bereiken. Nu voelde ze zich een mislukking. ‘Ik dacht: Je voldoet niet als moeder, je verdient nooit je eigen geld, je wordt ouder en je krijgt nooit een man die jou gelukkig maakt.’ Rond elven in de ochtend van 6 juni 2007 zat Debbie op haar bed, sloeg de pillen achterover met wat goedkope Shiraz en zette een CD van Dido op om naar te luisteren terwijl ze stierf. Wat later stond ze op, ging naar haar computer beneden, zette die aan, en begon een afscheidsbriefje te schrijven: ‘Lieve familie, ik schrijf dit met tranen in mijn ogen. Ik ben bang dat ik niemand van jullie ooit nog zal zien. Ik ben gevangen genomen door de blanke mannen en zit op een slavenschip naar een verafgelegen land.’ Ze voelde zich heel raar, maar schreef toch nog een tijdje door en sloot het briefje toen af: ‘Vaarwel en laat je niet pakken zoals mij is gebeurd, Kunta Kinte.’ Rond drie uur in de namiddag vond een van Debbie’s zonen haar liggend op de keukenvloer. Ze werd in allerijl naar het ziekenhuis gebracht, waar ze uiteindelijk wakker werd, razend op zichzelf. ‘Ik was woedend’, zei ze. ‘Ik had het verknald. Ik verweet mezelf dat ik mijn zelfmoord had verprutst. Ik zal zo vol zelfverwijt dat ik dacht eronder te zullen bezwijken.’

Zelfmoord is een raadsel. Het druist in tegen al onze fundamentele inzichten over de menselijke natuur. Wij mensen zijn doeners, we willen dingen bereiken, we zijn vechters. Of we nu goed of kwaad in de zin hebben, we zetten er hoe dan ook de schouders onder. We bouwen grote steden, delven kolossale mijnen, stichten enorme rijken, vernietigen ecosystemen en leefomgevingen, rekenen af met de beperkingen van onze dromen van gisteren en krijgen natuurwetten in onze greep om magische dingen tot alledaagse dingen te maken. We willen van alles hebben en we krijgen het ook; we zijn hebzuchtig, ambitieus, sluw, weten van geen ophouden. Zelfvernietiging komt in dit plaatje niet voor. Het past er niet in. Toch zit het er in. Moet er in passen. Bood het verhaal van Debbie misschien een aanknopingspunt, vroeg ik me af, iets wat kon verklaren waarom iemand zozeer het spoor bijster kon raken? In de afgelopen jaren heb ik veel mensen gesproken die te maken hadden gekregen met zelfmoord. Iedere keer opnieuw kreeg ik in wezen het verhaal van Debbie te horen: hooggestemde verwachtingen die waren uitgelopen op een mislukking, waarna de persoon in kwestie van zichzelf ging walgen en in een impuls besloot er een einde aan te maken. […]

Perfectionisme is natuurlijk niet iets wat je nu eenmaal hebt of niet hebt. Het is geen virus of een botbreuk. Het is een gedachtepatroon. Iedereen bevindt zich wel ergens op de schaal van perfectionisme. Iedereen is in meer of mindere mate een perfectionist, en naarmate je hoger op de schaal zit, ben je gevoeliger voor signalen uit je omgeving dat je het niet goed doet. Ook al beschouw je jezelf niet als een perfectionist, dan nog heb je vermoedelijk een beeld van jezelf waaraan je denkt te moeten voldoen, en voelt het op zijn minst aan als een klap wanneer je beseft dat je hebt gefaald; dat is waarover we het hier hebben.
Volgens Flett geldt perfectionisme tegenwoordig ‘als een ideaal’, maar de genoemde schaduwkanten ervan – en ook de wisselende vormen ervan – zijn minder algemeen bekend. ‘Op jezelf gericht perfectionisme’ is niet sociaal – de eis van perfectionisme komt van binnenuit. Er is ‘narcistisch perfectionisme’, waarbij mensen echt denken dat zij tot de allergrootste hoogten kunnen stijgen maar vervolgens kwetsbaar worden wanneer ze beseffen dat dat toch niet lukt. Verder is er ‘neurotisch perfectionisme’, de categorie waartoe zowel Debbie als ikzelf vermoedelijk behoren. De mensen in deze categorie hebben een laag zelfbeeld en ‘hebben gewoon het gevoel dat ze nooit voldoen’. Ze maken zich zorgen en zijn angstig, en er gaapt een kloof tussen wie ze zijn en wie ze willen zijn. Ze generaliseren enorm over zichzelf. Als ze ‘iets niet goed doen’, dan voelt dat voor hen alsof ze als persoon volledig hebben afgedaan.[…] 

Vanzelfsprekend heeft iedereen een enigszins verschillend ideaalbeeld waarnaar men streeft, afhankelijk van geslacht, levensovertuiging, leeftijd, familie en sociale achtergrond, werk enzovoort. Debbie’s model van de ‘perfecte echtgenote en moeder’, bijvoorbeeld, lijkt voort te komen uit een cultureel tijdperk dat voor veel mensen volstrekt achterhaald is. Wat is dan echter het ideale zelfbeeld van de hedendaagse cultuur? Dat is niet zo moeilijk te bepalen. Het is meestal een extroverte, slanke, mooie, individualistische, optimistische, hard werkende, maatschappelijk bewuste maar ook zichzelf zeer wel respecterende wereldburger met ondernemerszin en selfie-camera. Dit zelfbeeld mag graag van zichzelf denken dat het uniek is, probeert de wereld ‘beter te maken’, en is onder meer erg gesteld op persoonlijke authenticiteit, ofwel ‘echt zijn’. Ook zal dit zelfbeeld uitdragen dat je ‘trouw moet zijn aan jezelf ’ en ‘je droom moet volgen’ om gelukkig en succesvol te zijn. En als jouw dromen maar groot genoeg zijn, aldus sportarts dr. Con Mitropoulos – die persoonlijk de bittere schaduwkant van deze ideeën heeft meegemaakt – ontdek je dat ‘alles mogelijk is’. En, oh ja, het zelfbeeld is meestal ook nog geen dertig jaar oud.’
 

CULTUURMIX 20 AUGUSTUS 2018

Papendrecht 20-08-2018

DE VERLOREN TOON

Een literair kleinood leg ik in de etalage dat een aanvulling is op de vele werken die ik over het wel en wee van de Tweede Wereldoorlog tot mij mocht nemen. Anders gezegd: ik mag het met u hebben over een boek dat ondanks de verwoorde verschrikkingen af en toe tintelt van levensvreugde. Het gaat om de 192 bladzijden tellende paperback De verloren toon van Lida Winiewicz en Querido. Op de omslag staat een foto van de in 1928 in Wenen geboren auteur: vol verwachting en verwondering blikt de vertelster Lida als kleuter met haar zes jaar oudere zus Claudia op straat de lezer tegemoet. De twee hadden in de jaren dertig niet het flauwste benul ervan dat zij het ongeluk hadden als mischling op de wereld gekomen te zijn. Zij hadden deels een Joodse achtergrond, want hun katholieke moeder was met een half-Joodse man getrouwd. Zij hadden in de termen van de nazi’s gemengd bloed met Arische en Joodse genen.

Sinds ik Het achterhuis van Anne Frank in de jaren vijftig gelezen heb, verorber ik boeken, fictief of non-fictief, over de rampspoed van de jaren 40-45 en dan vooral die waarin kinderen in die jaren hun ervaringen beleven. Door hun ogen blikken wij in de rampspoed. Ik las ze -wellicht omdat ik als geboortejaar 1940 heb. Ik las en introduceerde later bij mijn leerlingen havo/atheneum o.a. de verhalen Het bittere kruid van Marga Minco, Wierook en tranen van Ward Ruyslinck, Kinderjaren van Jona Oberski, De aanslag van Harry Mulisch, De donkere kamer van Damocles van Willem Frederik Hermans, Bezonken rood van Jeroen Brouwers, Het verdriet van België van Hugo Claus en Serpentina’s petticoat van Jan Wolkers. 
Ik zal u de titel De verloren toon verklaren door een citaat eruit. Maar eerst de context waarbij ik Michel Krielaars volg in zijn interview getiteld ‘’Tijdens de oorlog hebben we wat afgelachen’ met Lida Winiewicz van 13 juli in de NRC. Lida’s autobiografische relaas speelt zich af tussen 1929 en 1947 in Wenen.

Het zijn de jaren van crisis, armoede en frustratie voor de meeste Oostenrijkers, die na afloop van de Eerste Wereldoorlog het Habsburgse keizerrijk uiteen hebben zien vallen. Na de Anschluss, de annexatie van Oostenrijk door Hitler-Duitsland in 1938, staan de meesten van hen dan ook te juichen. Lida, wier katholieke moeder in 1929 is overleden, wordt nu ineens met haar deels Joodse achtergrond geconfronteerd, iets waar ze zich nooit eerder van bewust is geweest. Vrienden en bekenden wenden zich van haar en haar familie af en hebben het over ‘Jodengebroed’. Als haar half-Joodse vader Karl met zijn Joodse tweede vrouw Annie naar Parijs vlucht, blijven Lida en haar zus Claudia in Wenen bij een tante achter. Later zullen ze hun ouders volgen. Althans, dat wordt hun voorgespiegeld, want achteraf blijkt  dit nooit de bedoeling te zijn geweest. Het zal echter hun redding zijn, want vader en moeder Winiewicz worden in Frankrijk gearresteerd, naar Auschwitz gedeporteerd en vergast. Hun dochters overleven de oorlog in Wenen.

Lida die op haar negenstigste in De verloren toon haar herinneringen op vitale en muzikale toon verwoordt, heeft in de oorlog te kampen met gevoelens van angst, discriminatie en vervolging. Toch is er in het in korte stukjes proza verdeelde verhaal ruimte voor vrolijkheid, vertier en vreugde. Ondanks de terreur wordt er in het gewone leven toch bij tijd en wijle gelachen. Dat doet me denken aan de eigen jeugdjaren. Terwijl ik blik naar een in 1942 door een beroepsfotograaf kiek aan de wand met vader, moeder, broer Jan, denk ik aan onze vakantie in Bunnik in dat jaar, aan de treintocht naar Amsterdam, aan de fietstocht bij vader voorop, allemaal in hetzelfde oorlogsjaar. Het gewone leven had ook toen z’n  bekoring.
Nu het fragment uit De verloren toon waarin de titel verklaard wordt. 
Op blz. 109 en 110 schrijft Lida: ‘Mevrouw Eybel, Duits en muziek, merkt dat ik kan zingen. Ze zet me op het programma van het feestconcert ter gelegenheid van de Dag van de Duitse Huismuziek met ‘Heideroosje’ van Schubert. Ik heb het lang niet meer gezongen. De dag tevoren repeteren we in de feestzaal, mevrouw Eybel aan de piano. ‘’t Knaapje sprak: ik breek jou wel, roosje op de heide. ’t Roosje sprak: ik steek jou wel…’ De deur gaat open. Meneer Weiss komt binnen. Mevrouw Eybel gaat door met spelen. ‘…dat jij eeuwig denkt aan mij. En ik wil ’t niet lijden. ’Meneer Weiss gaat naar buiten. ‘Roosje, roosje roosje rood, roosje op de heide.’ ‘Heel goed’ zegt mevrouw Eybel en ze doet de piano dicht. ‘Tot morgen. Spaar je stem.’ Ik ga terug naar de klas. Even later komt mevrouw Eybel en wenkt me. ‘Ben jij een Mischling in de tweede graad?’ ‘Ja.’ ‘Dat wist ik niet. Het spijt me. ‘Heideroosje’ is geschrapt. De directeur wil niet dat een kind met Joodse familie optreedt op De Dag van de Duitse Huismuziek. Trek het je niet aan. Je hebt een mooie stem. Die kan niemand je afpakken.’ Mis. Vanaf dat moment is  mijn stem weg. Precies vanaf de g, de hoogste toon van het lied ‘Heideroosje’ van Schubert.’

Lida was kwart-Joods en mocht daarom niet naar het gymnasium. Haar droom ooit operazangeres te worden werd verstoord door het missen van de hoogste toon. Automonteur was haar bestemming. Toch eindigt zij haar memoires met ‘Het schijnt dat je ook kunt leven zonder te kunnen zingen.’ De verloren toon is een literair kleinood, zei ik aan het begin. Waarvan akte.


MIJN JAREN MET OBAMA

Ik leg een bijna vuistdikke paperback voor u neer en ik wil u ervoor lekker maken door de eerste bladzijden van de proloog te citeren. Opdat u in de ban komt van goed proza dat  politieke memoires als thema heeft. Het gaat om het 534 bladzijden tellende Mijn jaren met Obama van Ben Rhodes en De Bezige Bij met de ondertitel ‘Achter de schermen van een presidentschap’. Waarom ik integraal het begin van dit verslag van de belangrijkste adviseur van Barack Obama aan u doorgeef? Ik wil illustreren dat een goed verhaal verteld moet worden in goede, beter: literaire taal. Mijn jaren met Obama is een macht van een boek, naar vorm en inhoud, dat u de loop van het wereldgebeuren aan de hand doet. Voor mijn citaat reik ik u de tekst van de uitgever op de omslag aan. Het spreekt voor zich dat wij na de vrije weken elkaar weer om Mijn jaren met Obama ontmoeten.

De Bezige Bij: ‘Ben Rhodes was een buitenbeentje in het politieke en diplomatieke universum van Washington D.C. toen hij zich in 2007 meldde bij de campagne van Barack Obama. Rhodes ging in de jaren daarna van campagnemedewerker naar speechschrijver, om uiteindelijk Obama’s belangrijkste adviseur te worden. Samen met de president maakte hij de meest cruciale en controversiële wereldpolitieke gebeurtenissen mee. De zoektocht naar Osama bin Laden, de Arabische Lente, de oorlog in Syrië, de opkomst van alt-right en Donald Trump – Rhodes was erbij. Tien jaar lang hield Ben Rhodes alles voor zichzelf. Nu deelt hij eindelijk het verhaal over zijn samenwerkingen vriendschap met een uitzonderlijke president. ‘Mijn jaren met Obama’ vertelt de hele geschiedenis: van de begindagen van de campagne, tot de laatste Beuren van Obama’s presidentschap.

Ben Rhodes: ‘Bij zijn laatste buitenlandse bezoek als president van de Verenigde Staten van Amerika nestelde Barack Hussein Obama zich in zijn stoel terwijl een beveiliger de zware deur dichtsloeg. ‘Tijd om naar huis te gaan,’ zei hij. In de presidentiële limousine – die bekendstaat als ‘het Beest’ – hoor je niets van de buitenwereld. Die wordt op afstand gehouden door centimeters dik kogelwerend glas en gepantserd metaal. Het heeft iets griezelig vertrouwds om in een colonne mee te rijden, of dat nu in een uitgestorven Saoedische woestijn is of in een drukke straat in Hanoi. Op de twee stoelen voorin zitten altijd mensen van de geheime dienst, die nooit een woord zeggen. Zij spieden de route af en wij zijn eraan gewend geraakt hen volledig te negeren als we met elkaar praten. Obama keek me aan en kreeg een twinkeling in zijn ogen. ‘Heb je gezien dat Ben zijn sokken vergeten is?’ zei hij tegen Susan Rice, terwijl hij een Nicorette uit een pakje haalde en in zijn mond stak. Hij lachte bij voorbaat al om zijn volgende zin. ‘Kom op man, je sokken!’ Elke dag dat je in het buitenland onderweg bent met de president zet je je koffer voor de deur van je hotelkamer en wordt die op een vooraf afgesproken tijd opgehaald. Dat maakt deel uit van de prettige reisroutine die nu snel tot het verleden zou behoren. Ik zei dat ik dacht dat ik een paar sokken apart had gelegd toen ik om drie uur ’s nachts mijn bagage... Hij maakte een handgebaar. ‘Ik snap het wel. Het was laat geworden. Ik ben blij dat jullie je vermaakt hebben terwijl ik de APEC-informatie zat door te lezen.’

Ik keek naar buiten, naar de laatste grote menigte. De straten van Lima stonden vol publiek tegen een achtergrond van hoge moderne flatgebouwen en oudere, enigszins vervallen huizen. De toeschouwers keken, zwaaiden, hielden hun smartphones omhoog en deden hun best om een glimp van Barack Obama op te vangen – de zoveelste portie mensheid na de miljoenen gezichten die ik door de jaren heen vanuit de auto had gezien. Af en toe keek hij tijdens dit soort ritjes uit het raam en zwaaide hij even. Dan zag ik iemands gezicht verstarren in een schok van herkenning. Soms hield ik zelf mijn telefoon omhoog en maakte ik foto’s van de massa’s die foto’s van ons maakten, de enige manier om me verbonden te voelen met een menigte mensen die ik nooit echt zou en kon leren kennen. Normaal gesproken pakte Obama nu zijn iPad en scrolde hij door de nieuwsberichten of ging hij verder met een eindeloos potje Scrabble terwijl hij aan ons vroeg hoe wij dachten dat hij het gedaan had bij de net afgesloten persconferentie. Ik zat tegenover hem, net als bij reizen naar tientallen andere landen in de afgelopen acht jaar. Maar nadat het gelach om mijn sokken was weggestorven, zat hij nu stilletjes op zijn Nicorette te kauwen en naar buiten te staren. Dit was de laatste reis, en ondanks de vertrouwde routine was er voor mijn gevoel niets normaals aan. De hele wereld leek langs ons heen te gaan.

Ik keek naar het presidentiële zegel op het houten paneeltje naast de stoel van Obama – een stoel waarop over een paar maanden Donald J. Trump zou zitten. Voor onze eerste bestemming op deze reis, Athene, hadden we eerst een toespraak gepland waarin we de veerkracht van de democratie zouden roemen in haar geboorteplaats, tegen de achtergrond van de Akropolis. We zouden Rusland en zijn revanchistische leider Vladimir Poetin op niet mis te verstane wijze op de korrel nemen. Maar op de een of andere manier leek dat niet gepast meer. Twee weken daarvoor was Donald Trump tot president gekozen. De toespraak werd nu binnen gehouden, in een zaal die zich overal had kunnen bevinden.
Op de Akropolis lieten we het bij een rondleiding, op een heldere, warme morgen. Vanaf de heuvel zag de wereld er vriendelijk en rustig uit – de strakblauwe lucht en het geweldige uitzicht over de stad deden in niets denken aan de financiële crisis die Griekenland in haar greep had, aan de stroom vluchtelingen die de grens over kwam of aan de onzekerheid die deze krachten hadden veroorzaakt in de rest van de wereld. Ik volgde Obama op enige afstand terwijl hij tussen de antieke zuilen, de steigers en de eerbetonen aan de goden door liep: een monument voor de oorsprong van de democratie en van de ruïnes die zijn achtergelaten door verdwenen wereldrijken en verstreken geloofsovertuigingen. Later herhaalde hij de woorden die hij met me gedeeld had op de vroege morgen na de verkiezing van Trump, een spreuk die alles in perspectief plaatste: ‘Er staan meer sterren aan de hemel dan er zandkorrels op aarde zijn.’

In Berlijn, ons tweede reisdoel, wilde Angela Merkel op onze eerste avond met Obama dineren. Merkel had een soort omgekeerd charisma – stoïcijns, beheerst, een flauwe maar toch innemende glimlach, een vrouw die zich op haar gemak voelt in haar machtige positie en goed in haar vel zit – en ze begroette hem met een hand op elke arm. Zij was zijn hechtste partner in een wereld met weinig vrienden, en ze had haar politieke toekomst op het spel gezet door een miljoen Syrische vluchtelingen in Duitsland te verwelkomen. Obama bewonderde haar pragmatisme, haar onverstoorbaarheid en haar koppige trekjes. In het voorafgaande jaar had hij strijd geleverd met zijn eigen bureaucratie om het aantal vluchtelingen dat Amerika zou opnemen te vergroten, waarbij hij bleef herhalen dat we ‘Angela niet mogen laten bungelen’.
Ze zaten samen aan een kleine, eenvoudige tafel midden in een vergaderzaal van een hotel. Drie uur lang zaten ze te praten en te eten. Zo lang had Obama in die acht jaar met geen enkele andere buitenlandse leider alleen doorgebracht. Een aantal van ons dineerden in een zaal ernaast, samen met haar medewerkers. De Duitsers maakten een aangeslagen indruk en spraken met onbehagen over de wereld die eraan zat te komen en over de last die Merkel daarin op haar schouders zou krijgen. ‘Op de leider van de vrije wereld,’ toostte ik, treurig en ironisch tegelijk. Een van de Duitsers vertelde me dat de benoeming van Steve Bannon tot stafmedewerker in het Witte Huis in Duitsland voorpaginanieuws was geweest. ‘Wij kennen Bannon,’ zei hij, terwijl hij mijn kant op leunde alsof hij me een geheim toevertrouwde. Buiten baadde de Brandenburger Tor in een goudkleurig licht en was ook de Rijksdag te zien, die zwaar beschadigd was geraakt bij de mogelijk in opdracht van Hitler gestichte brand van 1933.

Later vertelde Obama me dat Merkel met hem had gesproken over haar aanstaande besluit of ze zich al dan niet opnieuw verkiesbaar zou stellen. Ze neigde er nu meer naar om dat wel te doen, vanwege de brexit en Trump. Toen Obama aan het eind van ons bezoek afscheid van haar nam bij het portier van het Beest, verscheen er een traan in haar oog – iets wat wij geen van allen ooit eerder hadden gezien. ‘Angela staat er helemaal alleen voor,’ zei hij hoofdschuddend.
In Lima, de derde en laatste bestemming van deze reis, waar we waren voor een top van landen rond de Stille Oceaan, werd Obama door de ene na de andere leider terzijde genomen om hem te vragen wat ze moesten verwachten van Donald Trump. Obama was zich zoals altijd bewust van de normen en waarden van zijn ambt en drukte zijn gesprekspartners plichtsgetrouw op het hart om de nieuwe regering een kans te geven. ‘Kijk het even aan,’ zei hij. De leiders van elf andere landen, die de moeizame onderhandelingen over het tpp-handelsakkoord hadden gevoerd, troffen Obama op onze eerste dag. Als zij er boos over waren dat ze pijnlijke politieke besluiten hadden genomen om hun economische toekomst aan de Verenigde Staten te verbinden en nu met een nieuwe president te maken zouden krijgen die zich ertoe verplicht had om daar onderuit te komen, wisten ze dat goed te verbergen. Bijna verontschuldigend lieten ze doorschemeren dat ze het akkoord waarschijnlijk in een of andere vorm zouden doorzetten, ook zonder de Verenigde Staten. Voor het eerst in acht jaar ontglipte de geschiedenis ons. […]


LEZEN IN FRANKRIJK

Ik leg voor u een literaire reisgids op het bagagerek van uw auto die voor alle liefhebbers van goed proza en van gedegen informatie een must is. Met dit reisboek gaat u de te bezoeken locaties beter plaatsen en waarderen. Het gaat om de 338 bladzijden tellende paperback Lezen in Frankrijk van Margot Dijkgraaf en Amsterdam University Press met de ondertitel ‘Een literaire tour de France’.

In mijn eerste jaren van studie Nederlandse taal- en letterkunde vond ik het heerlijk de regio te bezoeken die een centrale rol in de werken van een auteur vervullen. Zo verkende ik de Lopikerwaard van Herman de Man, het Brabantse platteland van Antoon Coolen en het Maassluis van Maarten ’t Hart. De romans Het wassende water, Dorp aan de rivier en Stenen voor een ransuil gingen nog meer  voor zich spreken. Deze gedachte kwam bij mij op toen ik Lezen in Frankrijk tot mij nam.

Ik geef een voorbeeld.
In 1986 verbleven wij als gezin in de Dordogne, om preciezer te zijn in het gehucht Monpazier. De eerste dag van onze vakantie vertoefden wij in Rocamadour heel wat kilometers verderop. Mijn agenda vermeldt alleen dat wij daar waren op 30 juli. Verdere informatie ontbreekt en een reisjournaal hield ik niet bij. Zodoende moet ik het van het geheugen hebben, dat bij het ouder worden minder scherp wordt. Vandaar dat ik in mijn sas ben met Lezen in Frankrijk, want Margot Dijkgraaf leest niet alleen, maar schrijft op locatie over een boek waarin de plaats van handeling een cruciale rol vervult. Zo gaat zij naar Rocamadour om niet alleen een literair werk te achterhalen,  maar ook de couleur locale op heterdaad te betrappen. Ik pluk uit het chapiter ‘Michel Houellebecq: Chapelle Notre-Dame, Rocamadour’ de entree en u zult met mij in de ban geraken van het schrijftalent van Dijkgraaf waarmee zij een locatie verwoordt. Maar eerst reik ik u de tekst van de uitgever op de omslag aan.

AUP: ‘Frankrijk: iedereen heeft er een beeld van. Een zwerm culturele connotaties bepaalt het imago van het land, maar vaak blijft dat beperkt tot clichébeelden. De culturele identiteit van een land wordt voor een groot deel bepaald door schrijvers. Dit boek laat zien welk beeld van Frankrijk er uit de hedendaagse Franstalige literatuur naar voren komt. In elk hoofdstuk neemt een Franse schrijver de lezer mee op reis naar een plek die een belangrijke rol speelt in zijn of haar werk. Zo brengt Michel Houellebecq ons naar Rocamadour, een op een rots gebouwde middeleeuwse bedevaartplaats in Zuidwest-Frankrijk, om er de Zwarte Madonna te vereren. We reizen met Patrick Modiano mee naar Nice, en we bezoeken de multiculturele wijk Château Rouge in Parijs met Alain Mabanckou. Vanuit de favoriete plek van de schrijver of schrijfster duikt Dijkgraaf verder het boek in. Zo ontstaat een caleidoscopisch beeld van het hedendaagse Frankrijk en een nieuw portret van de Franstalige literatuur van nu. Een boek voor iedereen die zich voor het huidige Frankrijk interesseert, of je er nu op vakantie gaat of er slechts in gedachten verkeert.’

Margot Dijkgraaf: ‘Midden in de zomer is Rocamadour, een beroemde bedevaartsplaats in de Lot, het Centraal Massif, een toeristische kermis. Het middeleeuwse stadje is op spectaculaire wij ze tegen een rotswand aan gebouwd. Van welke D-weg je ook aan komt rijden, je ziet de burcht al van verre, hoog op de rotsen. De huizen hangen eromheen, alsof een reus ze ertegenaan heeft gesmeten. Kilometers van te voren word je er al op gewezen dat je niet in het centrum kunt parkeren, er valt te kiezen tussen een paar grote parkeerterreinen in de omgeving. Vandaar ga je te voet. Je loopt omhoog, door kronkelende straatjes vol met toeristische en religieuze kitsch, die in de winter, zonder de massa toeristen, vast pittoresk moeten zijn. Je kunt ook met de lift naar boven, dan sta je in 14 seconden een paar honderd meter hoger, in het hart van het pelgrimsoord. De trappen en de lift komen uit op een kleine binnenplaats, waar het, op zo’n zomerse dag, erg heet is. Vlak voor de souvenirwinkel worden gratis flesjes water uitgedeeld. Je krijgt er meteen een overzicht bij van de tijden waarop je naar de mis kunt en een overzicht van andere religieuze activiteiten: samenzang, zelfreflectie, gebeden. Aan de Parvis des Églises, zoals de binnenplaats officieel heet, liggen volgens de plattegrond zeven heiligdommen, waaronder de basiliek Notre-Dame, de basiliek Saint-Sauveur en drie kapellen, die van Saint-Jean-Baptiste, van Saint-Blaise en Sainte-Anne. In de Saint-Sauveur wordt net een mis opgedragen, wierookgeuren komen ons tegemoet. We zien een kleine honderd mensen het hoofd buigen, tientallen anderen proberen naar binnen of juist naar buiten te schuifelen.

In de ernaast gelegen Chapelle Notre-Dame is het al net zo druk. De Chapelle wordt ook wel de ‘chapelle miraculeuse’ genoemd, vanwege het klokje dat hoog in de kapel hangt en uit de negende eeuw dateert. Volgens de overlevering begon het enkele keren te rinkelen op het moment dat zeelui op zee in gevaar waren en hun beschermvrouwe, de Zwarte Madonna, aanriepen – een wonder, want het smeedijzeren klokje, handwerk uit vroeger tijden, met de hamer vervaardigd, heeft geen touw of ketting en begon dus uit zichzelf te luiden. Dat zou op 31 december 1612 voor het laatst gebeurd zijn. Een in gevaar verkerende Bretonse schipper werd gered. De fameuze Zwarte Madonna hangt hoog boven de bezoekers. Het is donker in de kapel, zodat je haar gezicht nauwelijks kunt zien. De hele ruimte hangt vol met ex-voto’s in de vorm van marmeren dankzeggingen. Hoog aan het plafond, aan de stenen bogen, hangen miniatuur schepen – alles bij wij ze van dank aan de madonna die ervoor zorgde dat dierbaren veilig terugkwamen van zee. Hier komt de verteller van Onderworpen uiteindelijk terecht als hij ‘op zondag 29 mei’ besluit naar het zuidwesten te rijden.

Onderworpen is de titel van de meest recente roman van Michel Houellebecq uit 2015. De roman van Frankrijks beroemdste en meest omstreden schrijver verscheen precies op de dag dat de aanslag op Charlie Hebdo werd gepleegd, op 7 januari 2015. Die dag zat ik in de Thalys, onderweg van Amsterdam naar Parijs, en nog in de trein werd ik van alle kanten gebeld over de aanslag. Op de dag zelf leek het of er een verband was tussen de aanslag en het  verschijnen van het boek. Was het toeval dat Houellebecq op de cover stond van het nummer van Charlie Hebdo van die week? In de betreffende karikatuur laat tekenaar Luz hem zeggen: ‘In 2015 verlies ik mijn tanden, in 2022 houd ik me aan de ramadan’ – een verwijzing naar het thema van zijn nieuwe boek. Onderworpen speelt in 2022, in Frankrijk worden verkiezingen gehouden. President François Hollande heeft er twee termijnen op zitten. Dit keer gaan de verkiezingen tussen Marine Le Pen en Mohammed Ben Abbes, de leider van de Moslimbroederschap. De laatste wint, met steun van een ‘breed Republikeins front’. De media zien niets aankomen, ‘hun gebrek aan nieuwsgierigheid was werkelijk een zegen voor intellectuelen’. De verkiezingen worden verstoord door bloedige terroristische aanslagen, het leger wordt ingezet, een burgeroorlog dreigt.


DE GEUR VAN MILJOENEN

Ik laat u van het nieuwe werk proeven van een auteur die wij eerder met gejuich begroetten: zijn beide romans De nacht en ’t Jagthuys waren immers een schot in de roos. Naar vorm, prachtig proza, naar inhoud, boeiende motieven en thema’s, vormden ze de top van onze vaderlandse literatuur. Nu onthaalt de man ons op twaalf verhalen. Het gaat om de 208 bladzijden tellende paperback De geur van  miljoenen van Merijn de Boer en Querido. Mijn proeverij, die bestaat uit het begin van het titelverhaal, laat ik vooraf gaan door de tekst van de uitgever op de omslag. Een tip voor het verdere lezen van De geur van miljoenen: de verhalen ‘Een acrobaat in Accra’, ‘Uit liefde voor Vestdijk’ en ‘Het cassettebandje’ zijn ook beauty’s. Na de vakantie wil ik gaarne van u vernemen hoe het dozijn short story’s bij u overgekomen is.

Querido: ‘In De geur van miljoenen gaan ernst en spel hand in hand. Veel verhalen zijn reacties op of geïnspireerd door het werk van schrijvers die De Boer bewondert, zoals Gogol, Springer, Nabokov en Proust. Een man krijgt tot zijn verbazing een rouwkaart van een oud-collega door wie hij altijd werd gehaat. Op de crematie krijgt hij tot zijn nóg grotere verbazing een vipbehandeling. In een ander verhaal zet een man een advertentie in de krant: hij wil samen met iemand alle romans van Vestdijk lezen. Iedereen die reageert beschouwt zijn oproep als een contactadvertentie, terwijl hij echt alleen maar Vestdijk wil lezen. De geur van miljoenen toont De Boer in vele gedaanten. Met deze verhalen laat hij zien waartoe hij als schrijver in staat is. Merijn de Boer: De geur van miljoenen - ’Edzard Maris, 32 jaar en al gepromoveerd chirurg, zat met zijn vrouw Anna in het vliegtuig naar Belgrado. Hij was uitgenodigd om te spreken op een congres, dat als hoofdonderwerp ‘De mogelijke complicaties bij colorectale ingrepen’ had. Daar ging zijn proefschrift ook over. Hun plaatsen bevonden zich halverwege het vliegtuig. Maris verdiepte zich ter voorbereiding in een wetenschappelijk tijdschrift. Anna, die op een stoel aan het gangpad zat, stootte hem aan. ‘Ik geloof dat dat Alexandre Molenaar is, daar.’

Zo nieuwsgierig als zij altijd was naar haar omgeving, zo in zichzelf gekeerd en onverstoorbaar was hij. En hoewel haar woorden grote impact moesten hebben, sloeg hij rustig een bladzijde om en las verder. Mogelijk verstond hij zijn vrouw gewoon niet, omdat zijn oren nog dichtzaten na het opstijgen. Hij las trouwens een artikel over de karteldarm. Anna pakte het tijdschrift en wierp dat op de vrije plaats naast hem. Verbaasd keek hij haar aan. ‘Daar verderop zit Alexandre Molenaar,’ zei ze.
Zonder iets terug te zeggen boog hij zich over haar heen. Met zijn ogen volgde hij haar vinger, die naar een stoel aan de andere kant van het gangpad wees, vier rijen voor hen.
Was hij het? Maris kon het niet met zekerheid zeggen. Hij herkende de lange vette haren, die tot over zijn kraag op de rug van zijn overhemd lagen. Bovendien hield de man ‘de krant van Wakker Nederland’ als een uitgevouwen landkaart voor zich. Maar er waren wel meer mannen die De Telegraaf lazen en lang haar hadden. Anna klikte onrustig haar veiligheidsgordel open. ‘Ik loop naar de wc,’ zei ze, ‘en dan kijk ik op de terugweg of het ’m echt is.’

Terwijl ze opstond en wegliep, pakte hij zijn tijdschrift weer op. Ook al had ze gelijk en zat daar inderdaad de man die de afgelopen jaren nooit helemaal uit zijn gedachten was geweest, dan zou hij niet weten wat hij daar nu mee zou moeten doen. Wekenlang waren ze naar hem op zoek geweest. Maar toen hij eenmaal volledig van de aardbodem verdwenen leek, en ze de moed hadden opgegeven dat ze hem ooit nog zouden vinden, was zijn naam een abstract begrip geworden. Iets wat hooguit nog gekoppeld kon worden aan een schim of een historische figuur. Als het waar was dat ze nu met hem in een tamelijk krappe Airbus zaten, dan was dat iets wat hij maar nauwelijks kon bevatten. ‘Het is hem echt,’ zei ze toen ze weer zat. ‘Heeft hij je gezien?’ ‘Nee, hij was uiteraard weer volledig verdiept in zijn krant.’
In Maris’ hoofd verscheen het beeld van Alexandre Molenaar die aan hun keukentafel zat en daar urenlang niet van was weg te slaan. De Telegraaf lag uitgespreid op diezelfde tafel. Maris begreep nooit hoe je zoveel uren kon doorbrengen met het lezen van deze krant. De enkele keer dat hij zich had laten verleiden tot een politieke discussie met deze cryptofascistische jongen, die bij een studentenschietvereniging zat en regelmatig onsmakelijke grapjes maakte over allochtonen, was hij woedend geworden. Maar Maris was iemand die zich geen raad wist met woede. Waarschijnlijk had Alexandre Molenaar niet eens gemerkt dat hij boos was. ‘Wat doen we nu?’ vroeg Anna. ‘Wat mij betreft doen we niks,’ antwoordde hij. ‘We blijven rustig zitten en we vergeten dat hij daar ook zit.’ ‘Maar die man is een oplichter!’

In 2005 woonden Anna en hij samen in een appartement in de Tweede Looiersdwarsstraat. Het was een smal en tamelijk bouwvallig huis, dat ondanks alle gebreken was voorzien van een royale huurprijs. Ze zaten allebei in de eindfase van hun studie. Omdat ze met z’n tweeën de maandelijkse huur niet konden betalen, en omdat er bovendien makkelijk drie of eigenlijk zelfs vier studenten in zouden kunnen wonen, moesten ze op zoek naar een derde huurder.
In hun eigen omgeving vonden ze niemand die bij hen wilde intrekken, wat niet zo vreemd was, want er is weinig vervelender dan een derde wiel aan de wagen te zijn. Daarom organiseerden ze op een maandagavond een hospiteerronde. En zo ontmoetten ze Alexandre Molenaar. Hij ergerde zich ineens ontzettend aan dat ‘Alexandre’. Waarom heette hij niet gewoon Alexander? Een Franse achtergrond kon hij onmogelijk hebben, want Maris had hem eens het woord ‘entrecôte’ horen uitspreken. Misschien heette hij eigenlijk wel heel anders. ‘Je hebt gelijk,’ zei hij, ‘we moeten iets doen.’ Hij legde zijn tijdschrift weg. ‘Gaan we naar hem toe?’ Ze wilde al opstaan. Alleen al de gedachte aan een openbare ruzie in het vliegtuig, of nog erger: een scène, stond hem verschrikkelijk tegen. ‘Ik weet het niet,’ zei hij. ‘Misschien moeten we het toch maar laten...’ Hij keek Anna aan en wist dat de lafheid in zijn ogen stond. ‘Weet je hoeveel geld we nog van hem krijgen!’ riep ze. Een vrouw aan de andere kant van het gangpad, met stekeltjes en een paars brilletje op, draaide haar hoofd naar hen toe. Het leek wel of het mens geen ogen had, zo klein waren ze. Ze zaten met een bejaarde mol in de lucht. ‘Twaalfhonderd euro,’ zei hij. Hij staarde nog steeds naar de vrouwelijke mol, waardoor het leek alsof hij het tegen haar had. Ze keek hem vragend aan.’
 

HET PILGRIM FATHERS COMPLOT

Ik kreeg een thriller in handen waarover ik in de kranten wervende advertenties gezien had. Het ging om een nieuwe loot van een door ons beminde uitgeverij, Op de omslag voorzijde staat dat het om zes moorden, drie continenten, een wereldwijde cultus en een verborgen manuscript gaat. Het gaat om de bijna vuistdikke paperback Het Pilgrim Fathers Complot van Jeroen Windmeijer en Harper Collins. Op mijn leesexemplaar huisvest een sticker met de annonce ‘Nieuw. Van de Dan Brown van de Lage Landen’. Over deze slogan wil ik het nu met u hebben en dat met een knipoog naar de heerlijke leesdagen van de vakantie. Ik wil illustreren hoe formidabel Windmeijer in de voetsporen van Brown treedt. De lezer duikt pardoes het verhaal in.  Maar eerst geef ik u de tekst van de uitgever op achterzijde omslag. De volgende keer verwijl ik met u in het Woord vooraf van de auteur.

Harper Collins: ‘Het anders zo rustige Leiden schrikt op wanneer de voorzitter van de plaatselijke vrijmetselaarsloge op gruwelijke wijze om het leven wordt gebracht. Bijna tegelijkertijd wordt er in een archief een manuscript gevonden waarin een anonieme auteur de tot dan toe verborgen geschiedenis vertelt van de Pilgrim Fathers, de Founding Fathers van de Verenigde Staten. Van 1609 tot 1620 woonden zij in Leiden, waarna een deel van hen naar Amerika vertrok. Ongewild raakt universitair docent Peter de Haan bij deze zaken betrokken. Waarom bleef zo'n groot deel van de Pilgrim Fathers in Leiden achter? Wat hebben de vrijmetselaars daarmee te maken? En welke relatie onderhield Peters vriendin met de vermoorde voorzitter? In razende vaart neemt Windmeijer je mee van de nauwe steegjes van Leiden naar de weidse wateren van Cape Cod in de Nieuwe Wereld tot aan de verzengend hete Sinaïwoestijn in Egypte. Daar kom je er elke keer weer achter dat de geschiedenis nooit is zoals de boeken ons willen doen geloven.’

Jeroen Windmeijer:’Peter de Haan legde zijn hand op de klink van de deur die toegang gaf tot de werkplaats, zoals de vrijmetselaars hun plek van samenkomst of tempel noemden. Na de open avond, waarop de Achtbare Meester, voorzitter Coen Zoutman, de bezoekers over ‘zijn’ loge Ishtar had verteld, was er beneden in de koffiekamer nog een borrel geweest. De voorzitter zelf was boven in de tempel achtergebleven om wat vragen van geïnteresseerden te beantwoorden. Het was voor buitenstaanders immers een unieke kans geweest om eens een kijkje te kunnen nemen in het gebouw aan de Steenschuur, dat toch met wat mysterie omgeven was. Peter en zijn vriendin, Fay Spežamor, wilden naar huis gaan, maar niet zonder eerst Coen gedag te hebben gezegd. Sinds de oprichting in 2014 was Fay lid van de loge Ishtar, een groep van mannelijke én vrouwelijke vrijmetselaars, wat best bijzonder was omdat niet lang daarvoor de loges nog altijd uitsluitend voor mannen toegankelijk waren geweest. 

Plotseling overviel Peter een onheilspellend gevoel, waardoor hij aarzelde met het omlaagduwen van de klink. Fay, die daar niet op gerekend had en al in beweging gekomen was, botste van achteren tegen hem op. ‘Wat is er?’ vroeg ze verbaasd. ‘Ik weet het niet,’ antwoordde Peter, voordat hij langzaam de deur opende. De lichten in de tempel waren uit. Slechts één spotlicht brandde. Peter en Fay volgden de steeds breder wordende lichtstraal. Op exact hetzelfde moment hielden ze hun adem in, alsof ze samen in het water van een ijskoude rivier gesprongen waren. Op de zwart-wit geblokte tegels lag, keurig uitgelicht, de Achtbare Meester, als een omgevallen koning op een schaakbord. Fay slaakte een kreet, die ze zelf onmiddellijk dempte door haar hand voor haar mond te slaan. Met een paar grote stappen was Peter bij het slachtoffer, wiens hoofd baadde in een poel van bloed. Op de grond lag een hamer, waaraan haren en bloed kleefden. Uit de borst stak een winkelhaak, die daar met grote kracht in geduwd leek. Het meest bizarre van alles was de passer die dwars door de beide samengevouwen handen gestoken was.

Hoewel Peter wist dat het een overbodige handeling was, legde hij de wijs- en middelvinger van zijn rechterhand in de hals van de voorzitter, maar daar was geen teken van leven meer te bespeuren. Peter draaide zich om naar Fay, die vanuit de deuropening roerloos stond toe te kijken, haar ogen wijd opengesperd en haar hand nog steeds voor haar mond. Verbijsterd schudde hij zijn hoofd, toen stond hij op en pakte zijn mobiel om 112 te bellen. Moet ik vragen om de politie of een ambulance, vroeg hij zich af. Het schermpje lichtte op toen hij 112 intoetste. Vrijwel direct nadat de telefoon was overgegaan, werd er opgenomen. ‘Wilt u de politie, brandweer of ambulance hebben?’ klonk een vriendelijke, maar besliste stem. ‘Politie,’ zei Peter. ‘In Leiden.’ Hij werd meteen doorgeschakeld. ‘Politie Leiden,’ meldde een vrouw zich na enkele seconden. ‘Wat is er aan de hand?’  ‘Hallo, met Peter de Haan,’ zei hij, na een korte, aarzelende stilte. ‘Ik, eh… Er is iemand vermoord… Ik…’ ‘Pardon?’ Peter herpakte zichzelf. ‘We hebben de politie nodig en een ambulance, denk ik, hoewel het slachtoffer al overleden is.’ ‘Waar bent u nu, meneer?’ ‘Ik ben… We zijn in Leiden, aan de Steenschuur. Steenschuur nummer 6.’ ‘Een momentje, dan maak ik direct een melding. Binnen tien minuten is er iemand bij u.’ Er volgde een korte stilte. ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg de vrouw toen. ‘We zijn in het pand van de vrijmetselaars. Er was een open avond. Ik ben met mijn vriendin in een ruimte, de tempel, en de voorzitter van de vereniging ligt hier op zijn rug op de grond. Hij is neergeslagen met een hamer, zo lijkt het.’ ‘U weet zeker dat hij niet meer leeft?’ ‘Ja, ik heb aan zijn hals gevoeld. Er is geen teken van leven meer.’ Peter keek neer op de man, die nog maar zo kort tevoren met beminnelijke blik de zaal rondgekeken had.

Langzaam achteruitlopend begaf hij zich in de richting van Fay, zijn blik gefixeerd op de dode. ‘Wat is de naam van het slachtoffer?’ Inmiddels was hij bij Fay aangekomen, die haar hand op zijn rug legde. ‘Hij heet Coen…’ Vragend keek hij Fay aan. ‘…Zoutman,’ maakte ze zijn zin af. ‘Zoutman,’ zei Peter. ‘Coen Zoutman. Coen met een “c”.’ Er klonk een kort geratel van een toetsenbord. ‘De politie is zo bij u, meneer De Haan,’ zei de vrouw.  ‘Raakt u alstublieft niets aan en zorgt u ervoor dat niemand anders de ruimte betreedt. Heeft u me gehoord?’ ‘Ja, ja,’ antwoordde Peter afwezig. ‘Er is ook een ambulance onderweg, meneer,’ zei de telefoniste. ‘Nogmaals, raakt u niets aan en laat geen andere mensen de ruimte binnen. Heeft u dat goed begrepen?’ ‘Ik heb het begrepen.’ ‘Zodra de assistentie gearriveerd is, ga ik de verbinding verbreken. Is dat duidelijk?’ ‘Ja.’ ‘Het nummer waarmee u belt, is dat van uw telefoon?’ ‘Ja, dat is van mij. Peter de Haan dus.’ Hij gaf ook zijn adres op toen ze hem daarnaar vroeg. ‘Zorgt u er ook voor dat niemand het pand verlaat,’ zei ze nog snel. ‘Er zijn al heel veel mensen weg,’ zei Peter. ‘Maar ik zal het doorgeven.’ Het bleef zo lang stil aan de andere kant van de lijn, dat Peter zich afvroeg of de vrouw er nog wel was. ‘Ik krijg zojuist een melding dat de agenten aan de Steenschuur 6 voor de deur staan,’ zei ze toen. ‘Zij nemen het vanaf hier over.’ Na deze woorden zei ze Peter gedag en verbrak de verbinding. Peter stond met de telefoon in zijn hand en staarde er uitdrukkingsloos naar, alsof hij verwachtte dat het ding al zijn vragen zou beantwoorden. ‘Kom,’ zei hij tegen Fay, die nog steeds niet gesproken had. Ze liet haar hand op Peters rug rusten, zelfs toen ze de ruimte verlieten, alsof ze om zou vallen als ze losliet. Net op het moment dat hij de deur achter zich sloot, klonk de deurbel beneden in de hal. ‘Kom, we gaan naar beneden,’ zei Peter. Fay knikte en liet hem los. De warme plek verkilde ogenblikkelijk. ‘Peter?’ vroeg ze. Toen hij zich naar haar omdraaide, omhelsde ze hem kort. ‘Dit is krankzinnig,’ bracht ze moeizaam uit. Ze maakten zich van elkaar los en liepen de trap af naar beneden.

Er werd nogmaals aangebeld, dringender dan zo-even. Peter deed open. Twee jonge agenten, een man en een vrouw, stonden op de stoep. De spanning was van hun gezichten af te lezen. ‘Goedenavond,’ zei de vrouw. ‘Mijn naam is Dijkstra, politie Leiden. Bent u meneer De Haan?’ ‘Ja.’ ‘U heeft gemeld dat u iemand gevonden heeft. Waar is het slachtoffer?’ ‘Boven in de tempel.’ Zonder nog te wachten kwamen de agenten de gang binnen. ‘Van Hal,’ zei de mannelijke agent, terwijl hij Peter beleefd een hand gaf. Toen liepen ze de trap op. ‘Ik kom er zo aan!’ riep Peter hen achterna. ‘Ik breng eerst even mijn vriendin naar de grote zaal.’ Er volgde geen reactie van de agenten. Fay was stokstijf blijven staan. Ze kwam pas weer tot leven toen Peter haar zachtjes aanraakte. Afwezig glimlachte ze naar hem, alsof ze zich probeerde te herinneren wie hij ook alweer was. Samen gingen ze de grote zaal in, waarbij Peter Fay stevig vasthield. De aanwezigen keken als één man hun kant op, alsof ze aanvoelden dat hier iets ongewoons aan de hand was. Het was net alsof iemand met een afstandsbediening het geluid uitgezet had, zo abrupt kwamen de gesprekken tot een einde. Nadat Peter Fay rustig plaats had laten nemen op een stoel, haalde hij een glaasje water voor haar, dat ze in kleine teugjes leegdronk. Vervolgens richtte hij zich tot de groep, die in een halve cirkel om hem heen was komen staan. ‘Mensen,’ zei hij, ‘ik ben Peter de Haan, ik ben de vriend van Fay. Er is iets verschrikkelijks gebeurd. Toen Fay en ik net naar boven gingen om de Achtbare Meester gedag te zeggen, troffen we hem liggend op de grond aan. Hij is dood.’ Kreten van afschuw vulden de ruimte, een paar mensen begonnen te huilen. ‘Ik heb 112 gebeld. Inmiddels zijn er twee agenten boven. Ik ga nu naar ze toe, maar er mag niemand weg nu.’


HET VERLOREN KONINKRIJK

Ooit waren wij als in Rusland, preciezer gezegd na de val van De Muur in  Sint Petersburg en Moskou, en sindsdien ben ik nog meer in de ban van dit rijk. Verheffend is het dan ook wanneer je kennissen tegenkomt die ook euforisch zijn over hun ervaringen in het land van Poetin. Zo mocht ik zojuist, vlak voor een onweer losbarstte, een babbel hebben met het echtpaar Van Beek dat tot voor kort boekhandel De Gruyter runde. Man en vrouw hadden drie weken met de motorfietsen een tocht gemaakt door het oosten van Europa en waren vooral verrukt over hun belevenissen in Moskou. Zij zeiden de broodnodige informatie over dit enorme rijk tot zich te willen gaan nemen. Ik kon meteen reageren door het bestaan te melden van een intrigerend werk, dat recent in een Nederlandse vertaling was verschenen: de 496 bladzijden tellende paperback Het verloren koninkrijk van Serhii Plokhy en uitgeverij Spectrum met de ondertitel ‘De geschiedenis van Rusland van 1470 tot heden’. Onder de slogan van ‘Om het heden te begrijpen moeten we het verleden kennen’ dacht ik er goed aan te doen dit historische verhaal aan te bevelen, ook omdat de verhaaltrant mij zeer beviel door het toegankelijke proza. Ik zal u daar een voorbeeld  van geven door de eerste vier bladzijden van het eerste chapiter ‘De geboorte van het tsaardom’ integraal aan u door te geven, maar vooraf citeer ik de uitgever op de site.
Het verloren koninkrijk zal u vaak van de plank gaan halen en de volgende keer kom ik opnieuw met dit kei van een boek bij u langs.

Spectrum: ‘Toen Rusland in 2014 de Krim annexeerde stond de wereld grotendeels in shock toe te kijken bij deze schending van de soevereiniteit van een ander land. Dit was echter niet de eerste, maar een van vele Russische inspanningen om de Russische grenzen te verleggen en het pan-Russische ideaal te verwezenlijken – de vereniging van mensen en gebieden met de Russische etniciteit, cultuur en identiteit. Identiteit vormt een kernpunt in de Russische geschiedenis: tijdens de laatste vijfhonderd jaar werd die op vele verschillende manieren gedefinieerd. Het verloren koninkrijk volgt de geschiedenis van de opbouw van de Russische identiteit tot aan onze tijd. Centraal staan de politieke leiders, van Ivan de Verschrikkelijke en Stalin tot Poetin, die allen bestaande vormen van die identiteit exploiteerden en nieuwe varianten bedachten om hun wereldrijk uit te breiden. Een meesterlijke geschiedenis van het Russische nationalisme die Poetins politiek in een nieuwe context plaatst.’

Serhii Plokhy: ‘Op de koude herfstdag van 12 november 1472 trouwde de 32-jarige grootvorst Ivan III van Moskou met de 23-jarige Sophia, de dochter van Thomas Palaiologos (Palaeologus), despoot van de Griekse staat Morea. Het was Ivans tweede huwelijk en Sophia’s eerste. De ceremonie vond plaats in een houten kerk in het Kremlin, naast de nog niet afgebouwde Oespenski-kathedraal, al waren latere Russische kroniekschrijvers het er niet over eens of de plechtigheid nu werd geleid door de metropoliet of een reguliere aartspriester. Ondanks het bescheiden voorkomen had het huwelijk enorme symbolische betekenis: de heerser over Moskou werd een familielid en opvolger van de Byzantijnse keizers. Sophia’s oom, Constantijn XI Palaiologos, was in mei 1453 gesneuveld bij de verdediging van Constantinopel tegen de Ottomanen. Dat was tevens het einde van het Byzantijnse Rijk, maar niet dat van de imperiale ambities van de orthodoxe machthebbers. Door te trouwen met Sophia hulde Ivan III van Moskou zich in de mantel van de Byzantijnse keizers.

Het was waarschijnlijk te danken aan Sophia’s Romeinse connecties dat Ivan een groep Italiaanse architecten naar Moskou kon halen om nieuwe muren voor het Kremlin te bouwen – de zetel van de grootvorsten die Ivan nu ombouwde tot een keizerlijke vesting. Marco Ruffo, die in 1485 in Moskou arriveerde, bouwde een aantal Kremlin-paleizen en -kerken. Samen met een andere Italiaanse architect, Pietro Antonio Solari, bouwde hij ook het Facettenpaleis, de rijk gedecoreerde banketzaal en ontvangsthal van de tsaar. Solari, die in 1487 naar Moskou kwam, zag ook toe op de constructie van de Kremlin-torens, waaronder de Spasskaja- of Verlosserstoren. Dit iconische symbool voor Moskou en Rusland draagt nog altijd de inscriptie ter nagedachtenis aan de architect die hem bouwde: de tekst op de binnenpoort is in het Russisch, die aan de buitenkant in het Latijn. Die eerste luidt: ‘In het jaar 6999 [1491], in juli, door Gods genade, werd deze toren gebouwd, op bevel van Ivan Vasiljevitsj, soeverein en autocraat van alle Roeslanden en grootvorst van Vladimir en Moskou en Novgorod en Pskov en Tver en Joegra en Vjatka en Perm en Boelgar en andere in het dertiende jaar van zijn bewind, en hij werd gebouwd door Pietro Antonio Solari uit de stad Milaan.’ Ivans titel somde zowel zijn oude als nieuwe bezittingen op. Terwijl zijn huwelijk en ambitieuze bouwproject vooruit wezen naar de imperiale toekomst, was zijn titel als heerser van ‘alle Roeslanden’ en de claims op individuele gebieden geworteld in het verleden – om precies te zijn in de middeleeuwse oorsprong van zijn dynastie en rijk. Historici wijzen op de tweeledige bron van de macht van de Moskovische vorst, die tegelijk functioneerde als kan en als basileus (de Byzantijnse keizer) – tegelijk als seculiere en religieuze leider van het rijk. Wat bij deze focus op de dubbele bron vaak over het hoofd wordt gezien is het belang van de titel grootvorst, die helemaal tot halverwege de zestiende eeuw een centrale rol zou blijven spelen voor de identiteit van Ivan III en zijn opvolgers. De titel associeerde de vorsten van Moskou met de machthebbers van het Kievse Rijk uit het verre verleden, waardoor de vorsten het oppergezag over de Roeslanden konen claimen – de voormalige Kievse bezittingen die zich uitstrekten van de Zwarte Zee in het zuiden tot de Baltische Zee in het Noorden. Ivans recht om zowel de plaatsen Vladimir en Moskou als Novgorod en Pskov te besturen was gebaseerd op zijn claim van afstamming van de Scandinavische Rurikse dynastie, waarvan de oorsprong terugging tot de legendarische figuur van Vikingkoning (konung) Rurik.

De Ruriken hadden het Kievse Rijk geregeerd als een sterke staat die het toppunt van macht bereikte van de elfde tot de vroege twaalfde eeuw. Tot de meest vereerde vorsten van Kiev hoorde Volodymyr (Vladimir), die het rijk bestuurde van 980 tot 1015 en het Byzantijnse christendom invoerde in de Roeslanden, een prestatie waarvoor de orthodoxe kerk hem heilig verklaarde. Een andere belangrijk figuur was Vladimirs zoon Jaroslav de Wijze (978-1054), de bouwer van de Sint-Sophiakathedraal in hartje Kiev. Volgens de overlevering voerde hij het eerste Russische wetboek in en bevorderde hij de kroniekschrijving. Ten slotte was er nóg een Vladimir, bekend als Monomach vanwege zijn familieconnectie met de Byzantijnse keizer Constantijn IX Monomachos, die in de loop van zijn twaalfjarige bewind (1113-1125) de aangetaste eenheid van het Kievse Rijk wist te herstellen. De Rurikse heerschappij over het Kievse Rijk kwam halverwege de dertiende eeuw abrupt ten einde, toen de Mongolen, vergezeld door Turkse steppestammen die in het rijk bekendstonden als Tataren, de Russische vorstendommen aanvielen en onderwierpen. In de herfst van 1237 stuurde Batoe Khan, een kleinzoon van Dzjengis Khan en stichter van het oostelijkste deel van het Mongoolse Rijk, gezanten naar vorst Joeri van Vladimir in de noordoostelijke Roeslanden om zijn overgave te eisen. De vorst weigerde. In de volgende paar maanden belegerden en vernietigden de Mongolen Rjazan en een aantal andere Roessteden. De vorst zelf sneuvelde bij een veldslag in maart 1238. In de winter van 1239 plunderden de Mongolen de steden Tsjernihiv (Tsjernigov) en Perejaslav. Het jaar daarop doken ze op in de buurt van Kiev, ooit het centrum van een enorme staat. Omdat Kiev zich niet wilde overgeven, belegerden de Mongolen de stad met zware stormrammen om de stadswallen te slechten. ‘Batoe plaatste stormrammen nabij de stad bij de Poolse Poort,’ schreef de kroniekschrijver, verwijzend naar een locatie die nu in de binnenstad van Kiev ligt, ‘want daar voerde een dicht woud naartoe. Door onophoudelijk, dag en nacht, in te beuken op de wallen, doorbrak hij ze.’ Begin december snelden de Mongolen over een bevroren beek die niet langer een barrière vormde en stroomden de stad in. Tegen het einde van die korte winterdag namen de Mongolen de stadswallen en palissades over, waar ze de nacht doorbrachten, in afwachting van de dag raad. Dat was waarschijnlijk de angstigste nacht in de het leven van de verdedigers van de stad.

Historici geloven dat de Kievse strijders en de resterende inwoners zich terugtrokken in de Maria-Hemelvaartkathedraal. Deze oudste stenen kerk van Kiev werd het laatste toevluchtsoord voor degenen die weigerden te capituleren. ‘Ondertussen renden mensen naar de kerk en haar dak met hun bezittingen,’ schreef de kroniekschrijver over de gebeurtenissen van 7 december 1240, de laatste dag van de verdediging van Kiev, ‘[en] de muren van de kerk stortten in onder het gewicht en aldus werd de vesting ingenomen door de [Tataarse] krijgers.’ Weinig inwoners en verdedigers van Kiev overleefden de val. Batoe en zijn legers trokken westwaarts om de overige Russische vorstendommen te veroveren en Polen en Hongarije binnen te vallen. De Mongolen slaagden deels omdat de Roesgebieden, die ooit verenigd waren rond Kiev, niet langer een coherente staat vormden en werden bestuurd door elkaar om macht en invloed beconcurrerende vorsten. Op het moment van de Mongoolse invasie erkenden de meeste noordoostelijke Roesvorsten, die de gebieden van het huidige midden-Rusland regeerden, de soevereiniteit van de vorsten van Vladimir. Het zuidwestelijke Roesgebied, inclusief de stad Kiev, werd geregeerd door de Galicisch-Wolynische vorsten, terwijl de republiek Novgorod in het noorden onafhankelijk van de andere Roesgebieden opereerde. En de Mongoolse invasie verergerde de politieke fragmentatie van Kiev-Roes alleen maar. Het Mongoolse bewind over wat nu Oekraïens en Wit-Russisch grondgebied is, was grotendeels indirect en hield maar een paar decennia stand. Het gebied kwam uiteindelijk onder controle van het groothertogdom Litouwen en het koninkrijk Polen. Verder naar het noorden en oosten was de situatie anders. De Mongolen hielden strikt controle over het noordoostelijke Roesgebied, dat mettertijd een overheersend Russisch territorium werd.’
 
 
 

CULTUURMIX 23 JULI 2018

Papendrecht 23-07-2018

DAGEN VAN INKEER

Ik ga u een verhalenbundel inlokken door het begin van de eerste story Broer op zondag integraal aan u voor te leggen. De verzameling omvat twaalf verhalen waarvan het derde het titelverhaal is. Het gaat om de 316 bladzijden tellende paperback Dagen van inkeer van de Amerikaanse A.M. Homes en uitgeverij De Bezige Bij. Om het thema te vatten geef ik eerst de tekst van de uitgever op de omslag. Mijn optie is dat u bevlogen geraakt door de las tussen de verhalen en door de verhaaltrant van Homes. U zult dan begrijpen waarom Dagen van inkeer al weken op de top tien lijsten prijkt. Na uw vakantie wisselen  wij hier onze leeservaringen met elkaar uit. 

De Bezige Bij: ‘In Dagen van inkeer schrijft A.M. Homes met de voor haar zo kenmerkende humor en compassie over het moderne leven. Bijna dertig jaar na het verschijnen van haar debuutbundel De veiligheid der dingen weet ze ook nu opnieuw de oppervlakkigheid en hypocrisie van Amerika bloot te leggen, zonder daarbij het menselijk aspect uit het oog te verliezen. Zo komen in het titelverhaal twee oude vrienden elkaar weer tegen tijdens een congres over genocide – zowel op spiritueel als fysiek vlak herontdekken ze elkaar en ze vinden troost in aloude tradities. In het satirische "Een prijs voor iedere speler' wordt een man genomineerd voor het presidentschap terwijl hij boodschappen doet met zijn gezin. En in Hallo allemaal schrijft Homes over een familie die zich volledig richt op uiterlijk vertoon, uit angst om hun gevoelens te moeten onderzoeken. ‘Dagen van inkeer’ is het eerste nieuwe werk van Homes sinds het bekroonde Vergeef ons en een belangwekkende toevoeging aan het oeuvre van een moedige, visionaire auteur.

A.M. Homes: ‘Broer op zondag - Ze is aan de telefoon. Hij ziet haar in de badkamerspiegel, een headset op haar hoofd alsof ze een luchtverkeersleider of een agent van de geheime dienst is. ‘Weet je het zeker?’ fluistert ze. ‘Ik kan het gewoon niet geloven. Ik wil het niet geloven. Als het zo is, is het verschrikkelijk... Natuurlijk weet ik niets! Als ik iets wist, zou ik het je zeggen... Nee, hij weet ook niets. Als hij het wist, zou hij het zeggen. We hebben beloofd dat we niets voor elkaar geheimhouden.’ Ze zwijgt, luistert even. ‘Ja, natuurlijk, geen woord.’ ‘Tom,’ roept ze. ‘Tom, ben je zover?’ ‘Bijna,’ zegt hij. Hij bekijkt zichzelf in haar make-upspiegel. Hij trekt zijn wenkbrauwen omhoog, ontbloot zijn tanden, glimlacht. En dan glimlacht hij nog eens, nog breder, zodat je zijn tandvlees ziet. Hij kantelt zijn hoofd naar links en naar rechts, kijkt waar de schaduwen vallen. Hij doet het licht aan en draait de spiegel in de vergrootstand. Er komt een dunne zilveren naald in beeld; een close-up van huid, de glanzende punt van de naald omgeven door een halo van licht. Zijn ogen knipperen. De naald gaat erin; hij houdt de spuit met vaste hand vast. Hij injecteert een beetje hier, een beetje daar; een kwestie van bijwerken, een rimpelvuller. Later, als iemand zegt: ‘Wat zie je er goed uit,’ zal hij glimlachen en zijn gezicht zal zachtjes plooien, maar er zullen geen rimpels verschijnen. ‘Op doktersvoorschrift,’ zal hij zeggen. Hij doet de dop weer op de injectiespuit, stopt hem in het zakje van zijn overhemd, klapt de toiletbril omhoog en doet een plas. Als hij uit de badkamer komt, zit zijn vrouw Sandy in de slaapkamer te wachten. ‘Wie had je aan de telefoon?’ ‘Sara,’ zegt ze. Hij wacht, weet dat ze meer vertelt als hij zwijgt. ‘Susie heeft Sara gebeld, ze is bang dat Scott een verhouding heeft.’ ‘Scott is wel de laatste van wie ik dat zou denken,’ zegt hij gemeend. ‘Ze weet niet of hij een verhouding heeft, ze vermoedt het alleen maar.’

Sandy stopt een omslagdoek in een tas en geeft hem zijn camera. ‘Die moet je niet vergeten,’ zegt ze. ‘Dank je,’ zegt hij. ‘Ben je zover?’ ‘Kijk even naar mijn rug,’ zegt ze. ‘Ik voel iets.’ Ze draait zich om en trekt haar blouse omhoog. ‘Je hebt een teek,’ zegt hij en hij plukt hem van haar af. Ergens in het zomerhuis gaat een harde zoemer af. ‘De handdoeken zijn klaar,’ zegt ze. ‘Moeten we wijn meenemen?’ vraagt hij. ‘Ik heb een fles champagne en wat sinaasappelsap ingepakt. Het is tenslotte zondag.’ ‘Mijn broer komt tenslotte,’ zegt hij. Roger, zijn broer, komt één keer per jaar naar het strand, als een tropische storm die alles verandert. ‘Het is een prachtige dag,’ zegt ze. En ze heeft gelijk.

Tom zit in een lage stoel met zijn gezicht naar het water, zijn voeten begraven in het zand. Op de reddingspost vlak voor hem wappert zachtjes een Amerikaanse vlag. Zijn zonnebril is zijn schild, de dikke laag witte zonnebrand een soort futuristisch harnas waardoor hij kan doen alsof hij onzichtbaar is. Hij gelooft dat je op het strand mag staren, alsof je niet naar iemand maar dwars door iemand heen kijkt, voorbij iemand naar het water, voorbij het water naar de horizon, voorbij de horizon in de oneindigheid. Hij ziet dingen die hij zich anders niet toestaat. Hij staart. Hij heeft ontzag, is gebiologeerd door het lichaam, door de elegantie en het gebrek aan elegantie. Hij neemt foto’s – ‘studies’ noemt hij die. Dat is zijn gewoonte, zijn hobby. Waar is hij naar op zoek? Wat denkt hij als hij dat doet? Dat vraagt hij zich af en hij merkt dat hij over zichzelf vaak in de derde persoon denkt – een onpartijdige toeschouwer. Het wordt drukker op het strand, er worden badhanddoeken uitgerold en parasols opengeklapt alsof het feestversiering is, en wanneer het warmer wordt, worden lichamen langzamerhand uitgepakt. Van alle mensen weet juist hij wat wel en wat niet echt is. Je hebt degenen die zich het vlees van hun botten af hebben gehongerd en degenen die het chirurgisch hebben laten weghalen of laten verplaatsen. Iedereen takelt anders af – de putjes in de dijen, de zwembandjes, het onvermijdelijke uitzakken. Hij kan er niets aan doen dat hij het ziet.

Naast hem zitten zijn vrienden te praten. Hij weet niet wie precies wat zegt, daarvoor luistert hij niet goed genoeg – hij krijgt alleen een indruk, het ritme mee. ‘Heb jij gisteravond de vis genomen? Ik heb iets met vis gemaakt. We hebben vis gekocht. Zijn broer is dol op vissen. Ik heb een halsketting gekocht. Wij hebben een huis gekocht. Ik heb nog een horloge gekocht. Hij overweegt een nieuwe auto te kopen. Heb jij er vorig jaar niet een gekocht? Ik wil verbouwen. Jullie huis is zo mooi. Vroeger was zijn vrouw een schoonheid. Kun je je haar nog voor de geest halen? Ben ik nooit vergeten. Tom is een keer met haar uit geweest.’ ‘Eén keer maar?’ ‘Hij heeft niet overdreven veel sociale vaardigheden,’ zegt zijn vrouw. Nu hebben ze het over hem. Hij zou zich eigenlijk moeten verdedigen. Hij laat de camera zakken en draait zich naar hen toe.
‘Waarom zeg je dat altijd?’ ‘Omdat het zo is,’ zegt Sandy. ‘Dat mag dan zo zijn, maar daarom is het niet bij één keer gebleven.’ ‘Waarom ben je dan niet vaker met haar uitgegaan?’ wil ze weten. ‘Omdat ik jou tegenkwam,’ zegt hij en hij brengt zijn camera weer op ooghoogte alsof hij een leesteken invoegt.

De zon is zo fel dat hij zijn ogen tot spleetjes moet knijpen om iets te kunnen zien en soms ziet hij niets meer, is er een verblindend teveel aan licht en schittering. Hij moet aan een blind meisje denken dat vroeger bij hem in de buurt woonde: Audra Stevenson. Ze was slim en erg knap. Ze had een donkere bril en zocht haar weg over de stoep tikkend met haar stok, een dik wit bolletje aan het uiteinde. Hij keek altijd naar haar als ze over straat liep en vroeg zich af of ze thuis ook haar bril ophad. Hij vroeg zich af hoe haar ogen eruitzagen. Misschien waren ze heel gevoelig; misschien zag ze wel te veel – zo dacht hij erover. Misschien was ze niet blind in de zin dat alles zwart was, maar blind in de zin dat er te veel licht was, zodat alles overbelicht en melkwit werd met hier en daar gekleurde vlekken die erdoorheen kwamen – een rood overhemd, een bruine tak, grijzige schaduwen van mensen. Hij had haar een keer mee uit gevraagd. Hij hield haar staande op straat en stelde zich voor. ‘Ik weet wel wie je bent,’ zei ze. ‘Jij bent die jongen die altijd naar me kijkt als ik naar huis ga.’ ‘Hoe weet je dat?’ vroeg hij. ‘Ik ben wel blind, maar niet achterlijk,’ zei ze. Hij haalde haar thuis op, haakte zijn arm in de hare en leidde haar naar de bioscoop. Tijdens de film fluisterde hij voortdurend in haar oor wat er gebeurde, totdat ze uiteindelijk tegen hem zei: ‘Sst. Als je er steeds doorheen praat, versta ik niet wat ze zeggen.’
Na hun afspraakje maakte Roger, die twee jaar ouder was, hem belachelijk omdat hij te verlegen was om een ‘gewoon meisje’ mee uit te vragen, maar vast ook omdat hij veel eerder een afspraakje had dan Roger. Geen enkel meisje was goed genoeg voor Roger: haar wenkbrauwen waren te zwaar, de kin van Grace te lang, de ogen van Molly stonden te ver uit elkaar, de lach van Ruthie was te schel. Ieder meisje was slechts één winding van de erfelijke helix van een of ander syndroom verwijderd. Toen Audra wegliep, dreef Roger luidruchtig de spot met ‘kleine Tommy’, zoals hij hem graag noemde, en Tom voelde zich zo vernederd, was er zo van overtuigd dat Audra elk woord had gehoord, dat hij haar nooit meer durfde aan te spreken.’

U bent vast van plan de bundel Dagen van inkeer aan te schaffen. Ik heb u door goed proza en goede entree lekker gemaakt voor de hele bundel.


KAPITEIN MICHALIS

Ik geef u het voorwoord door van een epische roman die sinds 1953 met graagte gelezen wordt en nu in een gloednieuwe vertaling verschijnt van Hero Hokwerda. U kent uiteraard het bestaan van dit epos en dat het nu in een nieuwe uitgave het licht weer ziet is volgens kenners te danken aan het vertaalwerk uit het Grieks. Ik heb het over de 542 bladzijden tellende paperback Kapitein Michalis van Nikos Kazantzakis en Wereldbibliotheek met de ondertitel (Vrijheid of dood). De inleidende woorden van de auteur brengen u ‘in the mood’ van het prachtige proza dat Kapitein Michalis rijk is. Dit boek zal uw vrije dagen, waar u die ook doorbrengt, meer glans geven. Een volgende keer duiken wij met elkaar het verhaal in dat als thema de strijd tussen de christelijke Kretenzers en de islamitische Turken kent.                                                  

Kazantzakis: ‘Voorwoord. Toen ik, op mijn oude dag nu, Kapitein Michalis begon te schrijven, was mijn heimelijk doel dit: het visioen van de wereld zoals mijn kinderogen het geschapen hadden te redden door het met woorden te omkleden. En wanneer ik het visioen van de wereld zeg, bedoel ik het visioen van Kreta. Ik weet niet hoe het de andere kinderen, van het bevrijde Griekenland,* in die tijd verging, maar de kinderen van Kreta ademden in de heroïsche lijdensjaren van kapitein Michalis een tragische lucht in, toen de Turken onze grond nog bezet hielden en je tegelijk de bloedbespatte vleugels van de Vrijheid naderbij kon horen komen. Op dat kritieke overgangsmoment, een en al koorts en verwachtingen, werden de kinderen van Kreta in snel tempo tot man; de nimmer sluimerende bekommernis van de volwassenen om hen heen om het vaderland, de vrijheid, de God die de christenen beschermt, de God die het zwaard opheft om de Turken te verdrijven, legden zich over alle gewone vreugde en verdriet van het kind heen. Van jongs af beleefden we het conflict dat elk ogenblik tot uitbarsting kon komen. We voelden aan dat er in deze wereld twee grote machten in een strijd met elkaar verwikkeld waren: christen en Turk, Goed en Kwaad, Vrijheid en Tirannie, en dat het leven geen spel was, maar strijd. En ook nog dit: dat er een dag zou komen dat ook wij de strijd in moesten gaan; al van jongs af stond voor ons vast dat we, geboren als Kretenzers, ertoe voorbestemd waren ons leven door dit Moeten te laten regeren.

Vanaf het ogenblik dat onze hersenen begonnen te ontwaken, zagen we de christenen en de Turken elkaar als stieren beloeren en vergramd hun snor opdraaien; zagen we de soldaten van de Sultan gewapend door de straten gaan en christenen vloekend hun deuren vergrendelen; hoorden we de oude mannen over slachtingen, heldendaden en oorlogen spreken, over vrijheid en Griekenland, en zagen we vol bewondering de oude kapiteins, in hun wijde pofbroeken en witte laarzen, de dolk met het zwarte heft in de gordel, als goedige wilde dieren uit de bergen afdalen en rondgaan in de nauwe straten van Grote Vesting.

Onze God had het gelaat en de gestalte aangenomen van een oude strijder; ook Hij droeg een wijde pofbroek, had een dolk in handen en ging door Grote Vesting rond; de volwassenen zagen Hem niet, maar voor ons, wanneer we ’s middags van de onderwijzeres terugkeerden, waren er dagen dat we in de duistere turkenbuurten Zijn wapens konden zien blinken. En wanneer de paasweek aanbrak, vergramde ons hart. In onze kinderfantasie viel het lijden van Christus samen met het lijden van Kreta; in de nacht van Stille Zaterdag zagen we, achter de rug van Christus, ook de opstanding van Kreta, en op Goede Vrijdag was het voor ons niet Maria Magdalena die aan de voeten van de Gekruisigde neerzeeg en met haar lokken het heilig bloed afveegde, maar Kreta, dat, onder het bloed en al weeklagend, Hem smeekte met Hem mee te mogen opstaan. De Kretenzertjes beleefden in die jaren diep en stom het gevaar, ze balden hun kleine knuisten en wachtten tot ze groot waren om beter te kunnen begrijpen wat de zin van al deze dingen – oorlogen, slachtingen, vrijheid, Griekenland – was en om hun oudeheer en hun grootvader achterna te gaan, het gevecht in. Omringd door zulke vlammen gingen onze kinderjaren voorbij. Grote Vesting was in die tijd niet een kluitje huizen, winkels en nauwe straatjes, weggedrongen aan een baai van Kreta en gebeukt door een altijd even grimmige zee, en de zielen die er woonden vormden niet een hoofdeloos of veelhoofdig samenraapsel van mannen, vrouwen en kinderen die al hun kracht verspilden aan dagelijkse bekommernissen van brood, kind, vrouw. Een ongeschreven, onbuigzame orde regeerde hen; niemand kwam in opstand tegen de strenge wet boven hen.

Heel de stad was een burcht, en elke ziel was al evenzeer een burcht, die eeuwig in staat van beleg verkeerde en als kapitein een heilige had, de Heilige Minás, schutspatroon van Grote Vesting. De hele dag stond hij onbeweeglijk op zijn icoon in zijn kleine kerk, gezeten op zijn schimmel en met een rode lans in de hoogte gehouden. Zongebrand, met korte krulbaard en grimmige blik. Beladen met zilveren votiefgeschenken, handen, ogen, voeten, harten, die de vestingbewoners aan Zijne Genade hadden opgehangen met het verzoek hen te genezen. De hele dag stond hij daar maar onbeweeglijk te doen of hij alleen een schilderij was, verf op hout, maar zodra de nacht viel en de christenen in hun huizen wegkropen en een voor een de lichten doofden, nam hij een aanloop, duwde de zilveren wijgeschenken en de verf opzij, gaf zijn paard de sporen en trok de griekenbuurten in; hij ging op patrouille. Voor de vestingbewoners was hij immers niet zomaar een heilige, hij was hun kapitein. Kapitein Minás noemden ze hem, en ze gingen een kaarsje voor hem branden en keken hem een hele tijd aan met wie weet wat voor klachten aan zijn adres, dat hij Kreta nog altijd niet bevrijd had.

Velen die Kapitein Michalis gelezen hebben menen dat zulke kinderen – zulke mannekes, zoals we op Kreta zeggen – nooit bestaan hebben, en ook geen mannen met zo veel kracht in hun handen en zo veel kracht in hun ziel, die met zo veel verlangen het leven liefhebben en met zo veel minachting de dood onder ogen zien. Hoe kunnen ongelovigen geloven wat voor wonderen het geloof kan voortbrengen? Ze vergeten dat de ziel van de mens almachtig wordt wanneer ze zich door een grote gedachte laat meevoeren. Je schrikt wanneer je, na bittere beproevingen, begrijpt dat er in ons een kracht bestaat die de kracht van de mens te boven kan gaan; je schrikt omdat je, als je eenmaal begrepen hebt dat die kracht bestaat, geen rechtvaardigingen meer voor je onbeduidende of onmannelijke daden, voor je verloren leven kunt vinden door de schuld op anderen te schuiven; je weet dan dat jij, niet de fortuin, niet het noodlot en ook niet de mensen om je heen, alleen jij, wat je ook doet en wat je ook wordt, geheel en al de verantwoordelijkheid hebt. En dan durf je niet meer te lachen, durf je geen spot meer te drijven wanneer een brandende ziel naar het onmogelijke streeft. Maar al te goed heb je intussen begrepen dat de waarde van de mens is: naar het onmogelijke streven en wéten dat hij daarnaar streeft. En er zeker van zijn dat hij het bereiken zal, omdat hij er zeker van is dat, als hij de moed niet verliest, als hij niet naar de sermoenen van de logica luistert, maar zijn ziel niet laat kisten en in geloof verdergaat en koppig achter het onmogelijke aan blijft jagen, dat dan het wonder geschiedt waar het vleugelloze gezonde verstand nooit enig vermoeden van zou kunnen hebben: het onmogelijke wordt mogelijk. Als de Griekse stam tot vandaag de dag gered is, als ze al die – buitenlandse en binnenlandse, vooral binnenlandse – vijanden overleefd heeft, al die eeuwen miserie, slavernij en honger, dan heeft ze dat niet te danken aan de logica – denken jullie maar eens aan de drie handelaartjes die het Vriendengenootschap* oprichtten, denk aan 1821 –, maar aan het wonder. Aan de nooit slapende vonk die in Griekenlands innerlijk brandt. Gezegend de vonk die de verstandige raadgevingen van de logica trotseert en, wanneer de stam tot vlak bij de rand van de afgrond nadert, de hele ziel laat ontvlammen en het wonder brengt. Aan de wonderen heeft Griekenland zijn leven te danken. ‘Vaderland, vaderland,’ verzucht Makryjannis,* ‘ je hebt het niet getroffen met de mensen die je gingen regeren! Alleen God… regeert je en houdt je nog in stand!’ Waarachtig, alleen God, alleen de vonk; op het ogenblik dat die ergens in een hoek van Griekenland dreigt te doven, slaat ze naar een andere hoek over en wordt een uitslaande brand. Vandaag de dag is ze naar Cyprus overgeslagen.

Wie kan er, sprekend over Kreta en kapitein Michalis, niet met ondraaglijke pijn en trots denken aan het Griekse wonder dat zich voor onze ogen weer hernieuwt, aan Cyprus en aan Akritis? Gezegend zij dit heldhaftige prinseneiland; de wereld waarvan we in deze naoorlogse jaren van ontbinding meenden dat ze verrot was, heeft nog zielen die het wagen in opstand te komen tegen hypocrisie, onrecht en schaamteloosheid. Cyprus is geen detail, geen eiland zomaar in een uithoek van de Middellandse Zee; het is vandaag geworden tot het strijdperk, door het lot voorbestemd, waar de morele waarde van de hedendaagse mens op het spel staat. Weer komen de verstandigen, de kleingelovigen met hun nuchtere adviezen aanzetten, een en al logica; hoe kan een vonkje licht, zeggen ze, het opnemen tegen zo veel almachtige duisternis? Maar de waarachtige man kent geen wanhoop; hij weet dat in deze eerloze, wispelturige wereld, al is het in maar heel weinig harten, enkele grondbeginselen leven, dochters van de mens, door hemzelf met bloed, zweet en tranen geschapen en onsterflijk. De meeste van die beginselen zijn in Griekenland geboren, met als twee belangrijkste: de vrijheid en de waardigheid van de mens. Er bestaat op deze wereld een verborgen wet – als ze niet bestond, zou de wereld al van duizenden jaren her verloren zijn – die hard en onschendbaar is: altijd triomfeert het kwaad in het begin en altijd wordt het aan het eind verslagen. Het lijkt erop dat het voor de mens onontkoombaar is veel strijd en veel zweet te moeten voldoen om zijn recht te verkrijgen – en het goed dat het duurst betaald wordt is de vrijheid; die wordt nimmer kosteloos geschonken, door de mens noch door God, ze gaat van land tot land, waar ze maar geroepen wordt, en van hart tot hart, ze kent geen slaap en is altijd tegen de keer en compromisloos. Nu is ze naar Cyprus geroepen, en we zien haar met vaste tred over het bloedbespatte Cypriotische land voortstappen. Kreta stuurt Cyprus een boodschap, de stem van Kreta doorklieft de zee, snelt voorbij de Dodekanese en roept het eiland toe: ‘Houd vol, zuster; zoals ik zelf gekruisigd en gepijnigd ben en de opstanding beleefd heb, zo zul ook jij die beleven!’

Het lot – zegt Makryjannis weer – houdt ons, Grieken, altijd maar met weinigen… van oudsher tot vandaag de dag vallen alle wilde dieren ons aan om ons te verslinden, en het lukt ze niet; ze eten van ons en er blijft nog gist over. Die gist noem ik vonk. Het is de vonk die onsterflijk brandt in het innerlijk van Griekenland. Dat is het geheim van Griekenland; het verbrandt zoals de vogel uit het sprookje en wordt tot as, en uit de as springt het hernieuwd tevoorschijn. Zal dit ras dan nooit sterven? Kan zelfs de tweedracht het niet van het aangezicht der aarde wegvagen? Nee, dat kan ze niet; vast en zeker bestaat er in dit ras iets onverwachts, iets wat zich telkens hernieuwt, iets waarlijk goddelijks. Onze kinderogen hadden gelijk toen ze het lijden van Christus vereenzelvigden met het lijden van Kreta, zoals vandaag de dag, daar ben ik zeker van, de kleine Cypriootjes het lijden van Christus met het lijden van Cyprus vereenzelvigen en, net als wij destijds, met onwankelbaar geloof de Opstanding verwachten. Maar tot de Opstanding komt, zal ons ras aan het kruis hangen en het uitschreeuwen. Denk aan het apocriefe evangelie waarin over de geliefde discipel Johannes staat dat hij onder bij het kruis met tranen in de ogen naar de gekruisigde Heiland stond te kijken. Hij zag duidelijk hoe Jezus’ gezicht verscheurd werd van de pijn, maar geleidelijk aan vervaagde het gezicht, en plotseling sloeg Johannes de schrik om het hart: hij zag aan het kruis niet langer het gezicht van Christus, maar duizenden gezichten – mannen, vrouwen en kinderen – die gekruisigd waren. En toen, ineens, waren ze allemaal verdwenen en stond op de verlaten rots alleen nog het kruis, en aan het kruis een schreeuw die gekruisigd was. Deze schreeuw vandaag die gekruisigd is, deze schreeuw vol pijn en opstanding, is Griekenland.’


RETOUR DE FRANCE

Onder het devies van ‘ik ga op vakantie en neem mee’ schuif ik een reisgids in mijn valies die een gang naar het verleden en een stop in het heden is. Anders gezegd: ik ontving van de postdame Ingeborg een boek dat mij terugvoerde naar het eertijds en dat in het nu een pas op de plaats maakt. Ik heb het over de 272 bladzijden tellende, adequaat geïllustreerde paperback Retour de France van Peter Giesen en uitgeverij Thomas Rap met de ondertitel ‘Over de route nostalgique  naar het Frankrijk van nu’. Titel en subtitel verklaart historicus Giesen in zijn proloog en die geef ik u integraal door opdat u te weten komt wat u te wachten staat. Ook reik ik u de tekst van de uitgever op de omslag aan. Maar eerst dit. Met mijn studievriend Henk van Schaardenburg, met mijn eega Jans, met de kids Muel, Time en Briam, met het hele gezin en aanhang reed ik voor en na 1970 - toen als snellere weg de Autoroute du Soleil werd aangelegd - om en om de 1000 km van Parijs naar Menton. Op de  N7 of Route nationale 7, ook wel Route bleue (Blauwe weg) of Route des vacances (Weg van de vakantie) genoemd, was meer naar landschap en stedenschoon te beleven maar dat eiste ook zijn tol: een weg door een ris plaatsen en op twee banen.  In mijn agenda’s van die jaren staan de doorgangswegen met de steden keurig op een rij. De clou is echter dat ik mijn belevenissen niet verwoord heb. Zo anders met Peter Giesen die niet alleen reisde maar ook onderweg noteerde. En zo ontstond zijn Retour de France dat heel toegankelijk de oude weg beschrijft met alles er op en er aan, maar dan zo dat de las met het hier en nu steeds verwoord wordt.

Op mijn vakantie gaat wis en waarachtig zijn logboek mee en ik weet nu al dat ik met andere, betere ogen naar de context ga kijken. Dankzij Peter Giesen. Over een paar weken kom ik nog eens langs met zijn boek dat een frisse en nieuwe kijk geeft op een oud en rijk land. 

Thomas Rap: ‘Al decennialang is Frankrijk ons favoriete vakantieland. Tegenwoordig rijden we met hoge snelheid over de autoroute naar het zuiden, maar vroeger was het de kronkelende Route 7 die ons vanuit Parijs dwars door talloze steden en dorpen naar de Côte d'Azur leidde. Over deze ‘route nostalgique’ trekt Volkskrant-correspondent Peter Giesen dwars door Frankrijk, op zoek naar de ziel van het land. Onderweg naar het zuiden schrijft hij over het Parijs van Haussman, de islam in de banlieue, de hofcultuur van Versailles, het belang van het katholieke geloof in Nevers, alsook over de kunst, de auto-industrie, de landbouw en de beroemde gastronomie. Over een land dat onder president Macron  keer op keer probeert aansluiting te vinden bij de moderne tijd, om zich telkens weer te laven aan dat kleurrijke verleden.’

Peter Giesen met zijn Proloog: ‘Ontelbare keren reed ik naar Zuid-Frankrijk over de Autoroute du Soleil, een ongezellige snelweg met irritante tolpoorten en karakterloze wegrestaurants. Langzamer, maar een stuk leuker is de Route Nationale 7, de bijna duizend kilometer lange tweebaansweg tussen Parijs en Menton. Je rijdt door plaatsen die je alleen kent van de borden boven de snelweg: Valence, Montélimar, Orange. Op een warme zomeravond vind je jezelf terug op een pleintje in de oude stad van Montélimar bij restaurant Aux Gourmands, waar de ober vertelt dat de pistachenoten bij de tarte tatin afkomstig zijn van een lokale producent die slechts twee bomen heeft. Veel sterker dan op de snelweg ervaar je hoe het land langzaam van kleur verschiet, van het sappige groen van de Bourgogne naar het azuurblauw van de Méditerranée, via het droge geel van de Provence. Tegenwoordig is het rijden van de Route ‘slow driving’, maar vroeger was de Nationale 7 de levensader van Frankrijk. Elke dag denderden de vrachtwagens met groente, fruit en wijn van het Zuiden naar Parijs, de vraatzuchtige metropool. In de jaren vijftig en zestig was de Nationale 7 de vrolijkste weg van Frankrijk:  ‘Route des vacances’ voor miljoenen Fransen die voor het eerst geld hadden om naar het Zuiden te rijden, in hun net aangeschafte 2CV, Renault Dauphine of Simca Aronde – een decennium later misschien in een Renault 16, een Peugeot 404 of zelfs een Citroën DS.

De Nationale 7 is een Franse Route 66, symbool van naoorlogs optimisme. Een weg die geluk bracht, die Parijs en zijn grijze industriële voorsteden verbond met de zon, de zee en het strand van de Middellandse Zee. ‘Parijs wordt een buitenwijk van Valence, een voorstad van Saint-Paul-de-Vence,’ zong Charles Trenet in zijn klassieke chanson ‘Route Nationale 7’ uit 1955. ‘De blauwe lucht van de zomer verjoeg het zuur van de grote stad, we zingen en feesten onder de blauwe olijfbomen. ‘On est heureux, Nationale 7’.Wij zijn gelukkig dankzij de Nationale 7.’
In de zomer van 2014 begon ik over de Route Nationale 7 te schrijven. Aan de hand van een klassieke route wilde ik schrijven over de hedendaagse problemen van Frankrijk, maar vooral ook over zijn geschiedenis en zijn cultuur. Ik had een romantisch boek in gedachten. Over de ‘route nostalgique’, die herinnert aan gelukzalige tijden toen Frankrijk even het modernste land ter wereld leek met zijn kerncentrales en het supersonische vliegtuig Concorde. Over de wijngaarden van het Rhônedal en de goktempels van Monte Carlo. Over Brigitte Bardot, die op blote voeten op het strand van Saint-Tropez danste. En toen werd het 7 januari 2015. Radicale moslims slachtten de redactie van ‘Charlie Hebdo’ af en schoten mensen dood in een joodse supermarkt. Het leek de gebeurtenis van het jaar te worden, totdat op 13 november nog eens 130 mensen om het leven kwamen bij een reeks aanslagen, onder meer op de concertzaal Bataclan. Het was afgelopen met de romantiek. Opeens bevond ik me in de frontlinie van de mondiale strijd tussen de radicale islam en de liberale democratie. Een hedendaagse chansonnier zou een zwarte versie van ‘Route Nationale 7’ kunnen schrijven, waarin de opgewekte zang van Charles Trenet is vervangen door grimmige rap of meedogenloze metal. Van Parijs, waar terroristen het publiek van de Bataclan afslachtten naar Menton, waar Afrikaanse migranten wanhopig over de rotsen klauteren om het land binnen te komen. Via Fréjus met zijn burgemeester van het Front National langs de boerkinistranden van de Côte d’Azur naar Nice, waar een gestoorde moslim met een vrachtwagen op het publiek inreed.

Ik heb overwogen om mijn boek over de Route Nationale 7 af te blazen. Wie wil nog een romantisch boek lezen? Zou ik me niet beter kunnen concentreren op de duistere kant van Frankrijk, die sinds 2015 zo veel relevanter lijkt dan de herinnering aan Brigitte Bardot of Serge Gainsbourg? Toch besloot ik vast te houden aan mijn oorspronkelijke plan. Natuurlijk zal de ‘oorlog’ tussen islam en democratie ruimschoots aan de orde komen. De Nationale 7 voert langs plaatsen waar jihadi’s opgroeiden en hun slachtoffers stierven. Maar ik wilde geen terreurboek schrijven. Frankrijk is een land met een rijke cultuur en een fascinerende geschiedenis, dat niet versmald mag worden tot de strijd tussen het Westen en het islamisme. Ik had ook een principiële reden om over de romantische kant van Frankrijk te blijven schrijven, al klinkt dat misschien een beetje zwaarwichtig. De terreurgolf van november 2015 was een aanslag op het plezier, gericht tegen de jeugd die naar een concert gaat, een restaurant bezoekt, een biertje drinkt met vrienden op het terras. De westerse cultuur is leeg en zonder spiritualiteit, zeiden sommige mensen na de aanslagen. Maar als je geconfronteerd wordt met jihadi’s die hun vreugdeloze ‘spirituele’ model proberen op te leggen, merk je hoe waardevol die ‘leegte’ is. We blijven naar het terras gaan, zeiden de Parijzenaars, anders hebben ‘zij’ gewonnen.
Daarom moeten we doorgaan met plezier maken, Camus lezen, vakantie vieren, genieten van kastelen, kathedralen en de betonpoëzie van Le Corbusier, een glas pastis nemen onder een plataan op een pleintje in Zuid-Frankrijk. De Route Nationale 7 rijden. Zoals president Hollande zei bij een herdenking van de aanslagen, het beste antwoord op terreur is: ‘Aimez la vie, aimez profondément la vie’. ‘Houd van het leven, houd intens van het leven.’

Na de aanslagen van 2015 kende mijn correspondentschap een tweede scharnierpunt, de verkiezing van Emmanuel Macron tot president in mei 2017. Voor die tijd was het gebruikelijk om Frankrijk in meewarige termen te beschrijven als een hopeloos ouderwets land dat niet in staat was zichzelf te veranderen. Dat regenachtige beeld is vervangen door een spannende vraag: zal Macron in staat zijn Frankrijk te veranderen? Tijdens mijn reis over de Route Nationale 7 zag ik hoe groot de problemen zijn waarvoor de president staat. Het was een tocht langs diepe breuklijnen, tussen de grandeur van Parijs en de verwaarlozing van de banlieue, tussen de dynamiek van de grote steden en de stilstand van het platteland, tussen een diepgeworteld secularisme en een opkomende islam. De kerken en kathedralen voerden me terug naar de diepere aardlagen van het land, naar de monarchie, het katholicisme, de Revolutie, de staat. Het oude Frankrijk voelt zich slecht op zijn gemak in de moderne wereld. Zijn hiërarchische cultuur botst op het dominante liberalisme, de staat waar de Fransen zo dol op zijn heeft in een tijdperk van globalisering steeds minder te vertellen. Macron heeft zichzelf een historische missie toebedeeld. Zoals president De Gaulle in de jaren zestig het agrarische Frankrijk verzoende met de industriële wereld, zo wil Macron een van oudsher antiliberaal land verzoenen met een liberale wereldorde. Het is een enorme opgave, juist omdat zo’n aanpassing de Franse identiteit raakt. Maar de inzet is hoog, voor Frankrijk en Europa. Als Macron faalt, zullen antiliberale en anti-Europese krachten een nieuwe kans krijgen.


IK GA OP REIS EN NEEM MEE

Onder het devies van ‘Ik ga op reis en neem mee’ reik u de thema’s van zes boeken aan, zoals die door de uitgever op de omslag verwoord zijn. Na mijn opgave van titel, schrijver, ondertitel of genre en uitgever laat ik dus een ander aan het woord. Na uw vrije dagen wisselen wij hier onze leeservaringen met elkaar uit. Tot dan.
 
1) Twee zussen – Asne Seierstad – Bruiden van IS – De Geus
Op een dag in 2013 komen de tieners Ayan en Leila onverwacht niet thuis. 's Avonds hoort hun vader dat ze naar Syrië zijn vertrokken om te strijden in het kalifaat. Hij, zelf een voormalig kindsoldaat in zijn geboorteland Somalië, gaat naar hen op zoek, een beangstigende reis die hem voert naar gebieden die gecontroleerd worden door IS. Twee zussen is het huiveringwekkende verhaal van twee meisjes die een oorlog vechten die hun familie en een land splijt. En het is het verhaal over ons, in het gepolariseerde West-Europa van vandaag. Verteld door een auteur die als geen ander dit intense verhaal in al zijn facetten kan laten zien, dicht op de huid, alsof we er zelf bij zijn.

2) De afstand die ons scheidt – Renato Cisneros – Roman – De Geus
Renato Cisneros duikt diep in zijn eigen familiegeschiedenis, op zoek naar het ware verhaal van zijn vader, de beruchte El Gaucho, een controversieel en gewelddadig politicus. Hij was onder meer minister van Binnenlandse Zaken tijdens de donkerste jaren van de Peruaanse geschiedenis, het regime van Francisco Morales; daarna was hij minister van Oorlog. Hoe kan Cisneros als zoon zo'n vader ooit begrijpen? En hoe kan hij zich ooit met hem verzoenen? Dankzij het intieme perspectief en het verstrijken van de tijd is Cisneros in staat het werkelijke verhaal te ontrafelen van een man, een familie en een land.

3) Operatie Laat niets in het leven – Arnold Karskens & Henk Willem Smits – Het bizarre leven van oorlogsmisdadiger Guus Kouwenhoven – Q
Rotterdammer Guus Kouwenhoven begon zijn carrière als zakenman en sjacheraar, om te eindigen als de grootste Nederlandse oorlogsmisdadiger van de laatste decennia. Op 21 april 2017 werd "Mr Gus' tot 19 jaar cel veroordeeld voor medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden en wapensmokkel voor de Liberiaanse leider Charles Taylor tijdens een oorlog waarin naar schatting 100 000 doden vielen. Arnold Karskens en Henk Willem Smits beschrijven hoe Kouwenhoven in zijn jonge jaren in contact stond met grote Nederlandse criminelen en in Liberia schatrijk werd met houtkap. Ook vertellen ze hoe hij werd gepakt en vanuit zijn cel nog getuigen onder druk zette. Het boek is het spannende en kleurrijke verhaal van iemand die zich meermaals aan de verkeerde kant van de wet begaf en daarbij niks en niemand ontzag. Beide auteurs publiceerden al eerder artikelen over Kouwenhoven.

4) Het is klasse Suffie, niet identiteit – Ewald Engelen – Maatschappelijke analyse – Editie Leesmagazijn
Sinds de Fortuyn-revolte van 2002 staart de babbelende kaste zich blind op identiteitspolitiek. Talkshows, praatprogramma's, nieuwsrubrieken, kranten, tijdschriften: het gaat al vijftien jaar lang over de islamisering van Nederland, hoofddoekjes, dubbele nationaliteiten, genderneutrale rompertjes, de onverenigbaarheid van de islam met ''onze'' waarden, en de vraag wie wij zijn.
In dit boek betoogt Ewald Engelen dat daardoor de echte oorzaken van het electorale ongenoegen onbenoemd blijven: torenhoge woonlasten, slecht onderwijs, stagnerende inkomens, toenemende ongelijkheden, afnemende biodiversiteit, zorgen om de levenskansen van kinderen en kleinkinderen, en een elite die weliswaar doet alsof ze er voor de gewone Nederlander is, maar er tegelijkertijd diep op neerkijkt. Engelen pleit voor eerherstel van de aloude klassenstrijd om de groeiende kloof tussen burger en elite te overbruggen en Nederland een links-populistische toekomst in te voeren.

5) De oversteek – Jeroen Siebelink – Het waargebeurde verhaal van een noodlottige reis – Thomas Rap
Op de Atlantische Oceaan en zo'n duizend kilometer van de Amerikaanse kust, vlak bij de plek waar ooit de Titanic verging, dobbert een zeiljacht rond. De grote oversteek naar Nederland is niet helemaal verlopen als gepland. De bemanning had een sportieve vakantie in gedachten, maar het is een strafkamp geworden. Zes man op een roerloos bootje van dertieneneenhalve meter. Met sommige bemanningsleden valt al dagen geen gesprek meer te voeren, andere liggen levenloos gestapeld in hun kooien. Een drijvend mortuarium. Terwijl ze wachten op het moment dat het roer eronderuit valt, het schip vol water loopt en ze naar de diepte zinken, vragen ze zich af hoe het zover kon komen. Een waargebeurd verhaal over hoe mensen omgaan met een onvoorziene, ontwrichtende situatie. De een bevriest, de ander vecht, maar als het er werkelijk om gaat, moeten ze allemaal constateren dat ze niet de persoon waren die ze dachten te zijn.

6) Natuurbescherming als hartstocht – Frank Saris – Victor Westhoff (1916-2001) – ISVW
Victor Westhoff was een Nederlands bioloog en natuurbeschermer. Als geen ander bracht hij na de oorlog een doorbraak teweeg in het denken over natuurbescherming en natuurbeheer. Hij was pionier en koploper in uiteenlopende vakgebieden als plantensociologie, vegetatiekunde en natuurbehoud en schreef invloedrijke boeken over planten in het Nederlandse landschap. Als autoriteit op het terrein van de natuurbescherming zijn de denkbeelden van Westhoff over het ingrijpen van de mens in zijn omgeving nog steeds van groot belang. Het voortbestaan van onze natuur ging Westhoff na aan het hart, niet alleen omdat zij een eigen recht op leven heeft maar ook omdat zij de hoogste en meest directe bron van schoonheid vormt. Hij schreef hierover vele bloemrijke gedichten. Een uniek mens van wie tot op heden nog geen biografie was verschenen. Die omissie vult ‘Natuurbescherming als hartstocht’ op.
 

 

Postadres

Postbus 1112
3350 CC Papendrecht
078-7706308 (di en do)
Bezoekadres

Gemeente Papendrecht
Markt 22
3351 PB Papendrecht