Cultuurmix

CULTUURMIX 12 NOVEMBER 2018

Papendrecht 12-11-2018

RAUTER

Begin deze week kreeg ik een lijvig werk toegezonden, dat mij meteen in de ban had. Het ging om het hele verhaal van een vooraanstaande beul uit de Tweede Wereldoorlog. Het betrof het levensrelaas van de nazi die de dood van velen bewerkstelligde. Het had als rode draad de biografie van nazi die wij als gezin vele malen op afstand in de tijd tegenkwamen. Ik heb het over de 748 bladzijden tellende paperback Rauter van Theo Gerritse en uitgeverij Boom met de ondertitel ‘Himmlers vuist in Nederland’. Ik begin met een herinnering uit het eigen verleden.

Met echtgenote en drie zonen fietste ik vele malen over de Veluwe. Een vast traject was hierbij de lommerrijke weg van Hoenderloo naar Loenen. Bij het oversteken van de Oude Arnhemseweg verwijlden wij immer bij de buurtschap met het restaurant Woeste Hoeve voor het monument dat herinnert aan de aanslag in de nacht van 6 op 7 maart 1945 op de SS-generaal Hans Albin Rauter. De bedoeling van het verzet was een Duits legervoertuig te bemachtigen en men wist niet dat Rauter zich in de auto bevond. De man was zwaargewond maar overleefde het vuurgevecht. De Duitsers lieten als represaille enkele honderden gevangenen executeren, van wie 117 bij Woeste Hoeve. Op gepaste wijze stonden wij stil voor het gedenkteken dat sinds 1992 ook een stenen plaat kent dat dichtregels heeft van Dietrich Bonhoeffer’:

Als je van iemand houdt En je bent van diegene gescheiden 
Kan niets de leegte vullen
Je moet dat niet proberen
Je moet eenvoudig aanvaarden en volharden
Dat klinkt erg hard
Maar het is ook een grote troost
Want zolang de leegte werkelijk leegte blijft
Blijf je daardoor met elkaar verbonden.

Deze regels nam ieder van ons met zich mee en vormden het thema van het gesprek op de fiets: wie veroorzaakte die leegte: Rauter.  U kunt zich voorstellen dat ik de komende dagen mij ga verdiepen in het toegankelijk en tintelend geschreven werk Rauter, dat het proefschrift behelst van Theo Gerritse. Over een paar weken wisselen wij hier met elkaar onze leeservaringen over Rauter uit en als bagage voor de leestocht onderweg geef ik u de tekst van Boom op de omslag en die van Ad van Liempt uit de Volkskrant van 27 oktober met de titel ‘Fascinerend portret van een nazi die op geen menselijk trekje te betrappen viel’ en de ondertitel ‘Eindelijk is er een complete biografie over de hoogste man van de SS in Nederland tijdens de Duitse bezetting. Theo Gerritse maakte een gedetailleerd, fascinerend portret.’ Op de voorzijde omslag zien wij Rauter op de schietbaan van de SS-Schule Avegoor in Ellekom. 

Boom: ‘Gitzwarte biografie van de man die zonder enig berouw de taken van SS- leider Heinrich Himmler uitvoerde in Nederland. Hanns Albin Rauter (1895-1949) was tijdens de Tweede Wereldoorlog de meest gevreesde en gehate vertegenwoordiger van de Duitse bezetting in Nederland. Als vertegenwoordiger van Himmler voerde hij zonder mededogen de taken van de bezetter uit. Zo sloeg hij de Februaristaking (1941) en de April-meistakingen (1943) neer, maakte hij jacht op verzetsstrijders en regisseerde hij de deportatie van Joden. Daarnaast stond onder vele doodvonnissen zíjn handtekening. In Rauter schetst Gerritse het zwarte beeld van een man die opklom van een kleine straatvechter in Oostenrijk tot de belichaming van het kwaad als de rechterhand van Himmler. Niet eerder verscheen er een werk waarin de misdaden van deze 'tweede Alva' zo uitgebreid aan het licht werden gebracht.’ 

Van Liempt: Op 25 maart 1949 trad Hanns Albin Rauter in de duinen bij Scheveningen voor het vuurpeloton. De hoogste man van de SS en van de politie in Nederland tijdens de Duitse bezetting weigerde de blinddoek, riep ‘Deutschland’ en daarna, in het Nederlands, ‘VUUR’. De leden van het peloton schoten direct, ze maakten een einde aan het leven van de man die tot de laatste snik de leiding wilde hebben. Het is een typerende scène, beschreven in de biografie Rauter – Himmlers vuist in Nederland van Theo Gerritse.
Ruim 73 jaar na de Duitse capitulatie is eindelijk grondig uitgezocht wat dat voor man was, die de hele oorlog de meedogenloze bezetter verpersoonlijkte, die leiding gaf aan het terreurapparaat en die nooit op een menselijk trekje te betrappen viel. Theo Gerritse heeft er tien jaar over gedaan, een deprimerend karwei, vooral, omdat in geen van al die documenten die hij bestudeerde plaats was ‘voor twijfel, een persoonlijke noot, iets van humor, een warm gebaar’. Rauter (1895) kwam zijn jonge jaren niet ongeschonden door. Als student bouwkunde liep hij littekens in zijn gezicht op bij zijn favoriete schermsport, als vrijwilliger in het leger kreeg hij in de Eerste Wereldoorlog een kogel in zijn bovenbeen en na zijn herstel nog een in zijn schouder. Vrede was aan Rauter niet erg besteed: hij wijdde zich na 1918 geheel aan politieke strijd, eerst in zijn geboorteland Oostenrijk (mislukte staatsgreep, agitatie in de naar fascisme neigende Heimatschutz) en vanaf 1933 in Duitsland. Daar trad Rauter toe tot de SS van Heinrich Himmler, waar zijn carrière een hoge vlucht nam.

Hij werd in 1940 Himmlers hoogste vertegenwoordiger in Nederland; ondergeschikt aan rijkscommissaris Seyss-Inquart, maar met bijna onbeperkte macht inzake orde en veiligheid. Voortdurend hield hij Himmler op de hoogte van zijn vorderingen op de twee punten die de hoogste prioriteit hadden: de strijd tegen het verzet en de verwijdering van de Joden uit Nederland. Die rapporten aan Berlijn geven een inkijkje in Rauters strategie: hij overdreef de successen tegenover zijn hoogste chef. Gerritse noemt hem een borstklopper die voortdurend ‘zijn eigen rol opwreef’. Dat we dat allemaal kunnen weten, en dat Gerritse dat allemaal kon bestuderen, was eigenlijk niet de bedoeling. Rauter had zijn hele archief op tijd laten vernietigen. Bij zijn proces na de oorlog had hij er de pest over in dat het Openbaar Ministerie over veel documenten beschikte die hij had laten verbranden. Wat bleek? Himmler had zijn eigen archief grotendeels intact achtergelaten, het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie had er 20.000 stukken uit laten fotokopiëren, en zo was er een karrevracht aan bewijs tegen Rauter.

Gerritses studie toont opnieuw aan hoe druk het nazibestuur in Nederland het had met zichzelf. Eindeloos zijn de onderlinge bureaucratische gevechten, ‘een strijd van allen tegen allen’. Rauter deed daar onvermoeibaar en met volle overgave aan mee; hij was er ook goed in, de zinnen in zijn correspondentie waren, aldus Gerritse, ‘uit plaatstaal gezaagd’. Vooral NSB-leider Anton Mussert was zijn vaste doelwit. Mussert wilde een soort minister-president van Nederland binnen een Groot-Germaans rijk worden. Rauter liet Seyss-Inquart weten dat hij in dat geval zou vertrekken. Maar Mussert wegwerken lukte hem ook niet – op de achtergrond wilde Hitler voorkomen dat daarmee de NSB zou opdrogen als reservoir van soldaten en mannen voor de vuile klusjes. Gerritse toont overtuigend aan dat Rauters macht scheuren ging vertonen bij de nadering van de geallieerden. Als Germaanse strijder wilde hij een rol spelen in de te verwachten slag tegen de vijand, en tegelijk verloor hij zijn greep op het Nederlandse verzet. Hij radicaliseerde steeds verder. Toen de spoorwegstaking uitbrak, stelde hij zelfs voor dat Amsterdam totaal moest worden afgesloten – Seyss-Inquart praatte het hem uit het hoofd.
De laatste twee maanden van de oorlog maakt hij niet bewust mee. Bij een aanslag van het verzet (die niet op hem was gericht) raakt hij zwaar gewond. Zijn omgeving besluit tot de executie van meer dan 260 gevangenen, bij wijze van represaille – ‘een afscheidscadeau in stijl’ noemt zijn biograaf dat. Na zijn herstel kan hij, opgelapt en wel, in Nederland terechtstaan. Rauter stelt zich fel teweer, hij vindt het overwinnaarsrechtspraak: ‘De verliezer wordt voor de wagen gespannen, de winnaar hanteert de zweep.’ Rauter bagatelliseert nu opeens zijn rol, ontkent zelfs dat hij wist wat er met de gedeporteerde Joden gebeurde.

Gerritse heeft in die tien jaar zoveel documenten gelezen dat hij de lezer precies kan bijlichten waar Rauter het Gerechtshof voorloog. Na het doodvonnis krijgt zijn vrouw Else (22 jaar jonger, inmiddels moeder van vijf kinderen) de kans hem te bezoeken. Na de bevestiging van het vonnis in cassatie mag ze nog een keer komen, met twee dochters. De jongste dochter Almut heeft Rauter nooit gezien. Familieleden van Rauter heeft Gerritse niet te spreken gekregen. Maar ook zonder hen heeft hij een compleet en fascinerend portret kunnen tekenen van de man die afwisselend ‘de tweede Alva’ en ‘de gier uit de Alpen’ werd genoemd. Alleen merkwaardig dat in het boek alle Duitse citaten onvertaald zijn weergegeven. Dat gebrek aan service zal veel mensen het lezen een stuk minder aangenaam maken.’
 

1 INTERVIEWER 10 GEBODEN 100 EN ENIGE SCHRIJVERS 
 
Ik kondig u een vuistdikke bundel aan, die boeiend en bruisend is van meet tot finish. Ik doe u bericht over een collectie vraaggesprekken waarvan ik wekelijks een proeve tot mij nam. Ik wil bij u introduceren een werk dat inspirerende gesprekken over geloof, moraliteit, liefde, werk, familie, zeg maar over de Tien Geboden bevat. Het gaat om de 814 bladzijden tellende paperback 1 interviewer 10 Geboden 100 en enige schrijvers van Arjan Visser en Atlas Contact.
In het dagblad ‘Trouw’ lees ik elke zaterdag het vraaggesprek van Visser, die als leidend thema de Tien Geboden - in de protestantse of katholieke versie - kennen. Een groot deel van de geïnterviewde denkers werd gevormd door schrijvers binnen de eigen landsgrenzen. En die maken nu in de bundeling de dienst uit. Uit de inmiddels twintig jaargangen met vijfhonderd afleveringen van Arjan Visser beleven meer dan honderd auteurs hun revival en de inhoudsopgave was dan ook voor mij een feest van herkenning. Om maar enkele hoofdfiguren te noemen die in onze Cultuurmix hun opwachting maakten: Jan van Aken, Gerbrand Bakker, Jan Brokken, Jessica Durlacher, Anna Enquist, Arnon Grunberg, Stine Jensen, Jan Siebelink, A.L. Snijders, Henk Spaan, Franca Treur, Thomas Verbogt, Tommy Wieringa, Koos van Zomeren. Zij gingen zitten in de biechtstoel aangereikt door Arjan Visser.

Met een knipoog naar de nakende winterweken met als pieken de vrije feestdagen, zeg ik u dat deze bundel krachtig en prachtig leesvoer is. Elke dag dertien weken achtereen een interview tot u nemen, dan komt u geestrijk deze winter door.  Ik wil u voorpret geven door het eerste interview uit de bundel integraal aan u door te geven: dat met Jan van Aken, van wie wij vrij recent de historische roman De ommegang met elkaar bespraken. Overigens: dat ‘voorpret’ met een korrel zout nemen, want Van Aken gooit de knuppel in ons eigen hoederhok. De volgende keer ga ik voor de schrijver, van wie wij het gehele oeuvre hier gezamenlijk doornamen: Jan Siebelink. Arjan Visser vroeg voorbije 28 juli 2018 Jan van Aken de hemd van het lijf naar aanleiding van de katholieke versie van de Tien Geboden.
 
1 Gij zult de Here uw God aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten - God, dat is zo'n ruim begrip. Ik vind het hele idee van een persoonlijke God absurd. En ik heb al helemaal een hekel aan alles wat wil monopoliseren. Mocht ik op een dag uit de dood ontwaken om er achter te komen dat God tóch bestaat, dan zou ik hogelijk verbaasd en bovendien bijzonder teleurgesteld zijn; ik zou het zo'n kinderachtige, simplistische werkelijkheid vinden... Een God die wil dat een stel van die beestjes op zo'n planeet hem aanbidden? Wat is dat voor een zielepoot? Nee, het beeld van de monotheïstische God is volslagen ongeloofwaardig. Ik geloof - met Nietzsche - dat wij, in het Westen, veel te rationeel zijn geworden om in een God te kunnen geloven. Hier is godsdienst een soort folklore geworden, iets wat erbij hoort maar niet écht doorvoeld of doorleefd wordt. Ik denk niet dat er nog veel christenen in Nederland te vinden zijn die blijmoedig de brandstapel opklimmen om te getuigen van hun rotsvaste geloof in Jezus. Dat is het ook probleem met het wereldwijd opkomende fundamentalisme: iedereen probeert steeds maar allerlei oorzaken te verzinnen voor de religieus geïnspireerde geweldsexplosies - want nee, met islam, boeddhisme, christendom heeft het niets te maken! - maar we kunnen ons gewoon niet meer voorstellen dat er wel degelijk een compleet, alles verzengend, religieus vuur in de mens kan branden."

II Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken. "God is maar een woord. We kunnen er op honderdduizend manieren mee variëren - getverdemme, gatverdamme, potverdikkie, grutjes nog aan toe - maar eigenlijk heb ik een hekel aan eufemismen, aan al die politiek-correcte termen voor van alles en nog wat. Als iemand zijn teen stoot, zegt hij godverdomme. Ook als hij religieus is. Nee? Goed, breng mij een heel religieus persoon, dan wil ik hem weleens op zijn teen stampen zodat we wetenschappelijke kunnen vaststellen dat ik wel degelijk gelijk heb. Overigens: ik vind atheïsten ook vaak erg irritant in hun ijver om hun standpunt over te dragen. Soms heb ik het idee dat ze vooral zichzelf willen overtuigen. Ik wil mijzelf überhaupt niet positioneren ten opzichte van een God, ik zie geen enkele grond om zoiets te veronderstellen. Voor mij is religie iets anders dan 'godsdienst'; het is een functie van het bewustzijn. Wel geloof ik in religieuze ervaringen. Dat zijn de momenten waarop je een grootsheid ziet, die je opheft, en waardoor je je verbonden weet met alles om je heen. Het is moeilijk uit te leggen, maar dat is ook precies het kenmerk van zo'n ervaring. De Tao waarover gepraat kan worden is niet de echte weg. Het is het onzegbare.''

III Gij zult de dag des Heren heiligen. "Ik word iedere ochtend om vijf, zes uur wakker. Heel even overweeg ik te blijven liggen, maar na een minuut begin ik de eindeloze mogelijkheden te overdenken die de komende dag biedt en dan móet ik opstaan. In principe wil ik dan schrijven. Vaak komt het daar helemaal niet van. Er zijn zoveel interessante dingen te doen. Halverwege de dag stort ik in, slaap anderhalf uur, kijk daarna misschien nog een paar filmpjes op bed en dan probeer ik me weer aan het schrijven te zetten. Dat is het ritme van alle dagen. Ik weet vaak niet eens welke dag het is. Ik vind het ook niet erg. Zie je die klok daar? Is het je al opgevallen hij nog steeds op tien over tien staat? Heel fijn is dat. Nu heb ik geen idee meer hoe lang ik heb liggen niksen en hoef ik me daar dus ook niet meer schuldig over te voelen."

IV Eer uw vader en uw moeder. "In mijn jeugd had je nog het generatieconflict. Dat schijnt nauwelijks meer voor te komen. Ik zie de dingen nu in een bredere context dan ik vroeger deed. Mijn ouders zijn van voor de oorlog en groeiden op in de jaren veertig, vijftig, in katholieke dorpjes in de Achterhoek. Ze hebben die gezapige jaren vijftig meegemaakt, terwijl de enorme versnelling van de jaren zestig met de afbraak van alle heilige huisjes enigszins aan hen voorbijging, want wij woonden als gezin in de jaren zestig op Aruba waar mijn vader als onderwijzer werkte op een katholieke basisschool. Ik heb altijd het idee gehad dat de Nederlanders daar leefden in een tijdloze luchtbel van de cultuur waar ze uit voortkwamen terwijl elders in de wereld een enorme ontwikkeling gaande was. "Op mijn twaalfde of dertiende verhuisden we terug naar Nederland. Ik had aanpassingsmoeilijkheden. Ik begreep de culturele, maatschappelijke codes niet. Op Aruba zat ik een paar jaar als het enige blanke kind van de klas op een katholieke zwarte school en moest ik altijd spitsroeden lopen. Maar ook in later jaren, op een gemengde, protestantse school, leerde ik vooral om iedereen die me iets aandeed onmiddellijk voor zijn bek te slaan. Dat bleef ik in Nederland nog een tijdje doen. Ook thuis kon de botsing niet uitblijven, ik wilde niet in het gareel blijven lopen. Op mijn zeventiende ben ik het huis uitgegaan. Het ging er in mijn optiek zo streng, zo onredelijk aan toe dat ik wel weg móest. Er was geen keuze meer. Als ze mij gewoon met rust hadden gelaten, was alles misschien heel anders gelopen. Hoe meer je mij onder druk zet, hoe meer ik denk: wegwezen hier.

"Later, toen ik volwassen werd en zelf ouder was geworden, begon ik in te zien dat het helemaal niet zo eenvoudig is om kinderen op te voeden. Het lijkt me geen goed idee om mijn ouders hier, nu, te bekritiseren. Ik zou van alles over mijn jaren op Aruba kunnen zeggen, maar ik weet dat ik hun daar verdriet mee zal doen omdat ze een andere beleving hebben van die tijd, dus waarom zou ik? Ik heb dat vroeger al gedaan en die periode staat nu zo ver van me af, dat het een ander persoon lijkt te betreffen. Ik ben dol op mijn ouders. Het lijkt me een heel goed idee om je ouders te eren. Behalve, natuurlijk, als het volslagen idioten zijn die je aan de verwarming vastbinden, je een bak hondenvoer te vreten geven, en zelf vervolgens op vakantie naar het buitenland gaan."

V Gij zult niet doden. "In mijn geest ben ik gewelddadig, altijd al geweest. Mijn oude leraar Nederlands zei ooit tijdens een interview op een literaire avond dat hij zich na al die jaren nog precies kon herinneren wat hij dacht toen hij mijn eerste opstel las: 'Deze jongen kan schrijven.' En zijn tweede gedachte was: 'Deze jongen is knettergek.' Het was een en al moord- en doodslag, het bloed droop er vanaf. Dat was dus in de brugklas, mijn eerste jaar in Nederland. Maar ik zit nog steeds vol geraas en furie en ik wil nog wel eens fantaseren over hoe ik de mensen zal mishandelen die me in mijn leven hebben dwarsgezeten."

VI Gij zult geen onkuisheid doen. "Vroeger was alles vies. En raar. Om te beginnen waren er vieze woorden waarvan ik niet eens wist wat ze betekenden. Dan kwam ik thuis met 'poep', 'pies' of 'piemel' en was de wereld te klein. Kut? Daar kan ik bij mijn moeder nog steeds niet mee aankomen! Het werd niet expliciet gemaakt - daar was een kind niet aan toe - maar je moest nóóit met vreemde mannen meegaan, want die zouden 'rare dingen' met je doen. Daardoor besloot ik al snel om eens naar zo'n vreemde man op zoek te gaan in de hoop dat ik hem kon ontfutselen wat hij nou eigenlijk precies voor rare dingen in gedachten had. Tja, onkuisheid... De ideeën daarover veranderen ook voortdurend. Honderd jaar geleden was homoseksualiteit nog onkuis, nu is het zo gewoon dat hetero's zich al bijna abnormaal beginnen te voelen. Onkuisheid is een glijdend begrip. Laten we het daar maar op houden."

VII Gij zult niet stelen. "Ik ken de cijfers niet, maar heb wel eens gehoord dat er zelfhulpgroepen zijn voor ex-koloniale kinderen die in Nederland in de problemen raakten. Ik heb er zelf verschillenden gekend die de fout in gingen. Ik ging ook gebruiken, al ben ik nooit zo'n junk geworden die zijn familie ging bestelen of zo. Sterker nog: ik had het redelijk onder controle. Ik gebruikte cocaïne en heroïne, maar ik at ook altijd twee keer per dag warm, ging regelmatig naar de sportschool en ik kon makkelijk na een nacht van drank en drugs nog een heel eind gaan hardlopen. De vriendin met wie ik op mijn zeventiende ging samenwonen, was echt verslaafd. We kregen een kind toen ik negentien was. Nog voor zijn eerste verjaardag zijn we uit elkaar gegaan. In die tijd gebruikte ik zelf niet of nauwelijks, dat begon pas een paar jaar later. Het ging heel lang goed met me, ik gebruikte beheerst, met tussenpozen, maar na een ernstig auto-ongeluk waarbij mijn nieren en mijn rugwervels ontzet werden, begon ik steeds meer te gebruiken. Tegen de pijn. Ik moest toch 's ochtends mijn kind naar school brengen? Even een snuifje of een trekje en ik kon er weer tegenaan. Tot ik er op een dag genoeg van had, afkickte en opnieuw begon. Uiteindelijk ben ik ambulant afgekickt, kon gewoon thuis blijven wonen. Ik was volgens mijn psycholoog een junkie van het ergste soort. Eentje die er mee om kon gaan en nooit de bodem had gezien. Het klinkt misschien gek, maar ik hou er helemaal niet van om verslaafd te zijn. Dat past niet bij mij. Als iemand me nu iets aanbiedt - 'Wil je een snuif?' - dan zeg ik weleens 'O, ja, leuk' maar het is niet zo dat ik dan de volgende keer weer moet gebruiken. Sterker nog: drank en drugs zitten mijn werk enorm in de weg. Schrijven is voor mij het allerbelangrijkst. Dat zorgt ook voor een roes. De roes van de creativiteit, het stromen van de verbeelding, veel fijner dan alles wat drank en drugs te bieden hebben."

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen. "Wat ik je zojuist vertelde staat ongeveer zo in Het Fluwelen Labyrint, de historische en antihistorische roman die ik in 2005 heb geschreven. Het is een totaal versplinterd portret, het zijn de aan elkaar geplakte scherven van een stukgeslagen spiegel. Gaat het over mij? Ja en nee. Ik heb de hele vorm van het boek, met een koor aan onbetrouwbare vertellers, gekozen om te laten zien hoe moeilijk het is om jezelf te kennen, om de tijd waarin je leeft te doorzien. Ik zie mezelf als een voortdurend veranderende entiteit. Ik ben de hoofdpersoon in mijn eigen rapsodische vertelling, maar aan het einde van het boek vragen de vertellers zich af of ze nu de echte persoon hebben laten zien, of dat het een mislukte archeologische reconstructie is, een monster van Frankenstein, gemaakt van aaneengenaaide lappen."

IX Gij zult geen onkuisheid begeren. "Trouw vind ik ook een complex begrip, het betekent voor mij waarschijnlijk iets anders dan voor jou. Ik heb het huwelijk nooit als iets vanzelfsprekends gezien. En de romantische liefde ook niet. Bruiloften: wat een poppenkast! Ik ga er niet meer heen. Wat me het meest tegenstaat is de monopolisering van het huwelijk: dit is het en zo hoort het voor altijd te zijn. Inmiddels kennen we gelukkig vele soorten huwelijken en samenlevingsvormen. Ik vind dat alle waarden voortdurend omgedraaid en bekeken moeten worden. Is dit, wat wij nu hebben, echt wel zo gewoon? En wat die onkuise begeerte betreft: wie van ons kan zeggen dat hij zonder begeerte is?"

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort. "Ons dienstmeisje op Aruba woonde in een huis met een grote tuin. Achterin die tuin, vol bananenbomen, groentebedden en planten in van die grote Blue Bandblikken, stond een tuinhuisje. Het huisje was volgepakt met boeken. Er was alleen nog ruimte voor een fauteuil. Ik was acht of negen en ik dacht: zoiets wil ik later ook hebben. Een mooie tuin en een schrijvershuisje vol boeken. Nou, kijk: hier zit ik, in Ruigoord, op precies zo'n plek. Help me eraan herinneren dat ik je straks een maaltje Japanse wijnbessen meegeef. En wat pruimen. Als de vogels ze nog niet hebben opgegeten. Hier kan ik de grootsheid ervaren waarover we in het begin hebben gesproken. Ik heb het goed. Met mijn huisje, mijn werk en de mensen van wie ik hou. Tegelijkertijd zie ik hoe er allerlei verschuivingen op komst zijn. Wie een beetje realistisch is, begrijpt dat het helemaal fout gaat met de aarde. We hebben idioten aan de macht geholpen, waanzinnigen die de klimaatverandering een hoax durven noemen. Alle pijlen wijzen op een enorme ramp. En al leven we in een complexe wereld waarin voorspellingen, zeker voor de lange termijn, zelden uitkomen, de trends zijn duidelijk: hongersnood, natuurgeweld, oorlogen. Er is geen enkele reden tot optimisme en toch word ik altijd vrolijk wakker. Ik las ooit, ik geloof in de Mahabharata (omvangrijk religieus en filosofisch epos uit India - A.V.), dat iemand het bestaan vergelijkt met een monnik die op de vlucht is voor een tijger, uitglijdt, het ravijn in dondert, maar zich nog net kan vasthouden aan een boomwortel. Onder hem hapt een krokodil naar zijn opgetrokken benen. Boven zijn hoofd staat de tijger te grommen. En dan ziet de monnik ineens een bloemetje uit de rotswand steken. Hij laat één hand los, vangt met zijn gestrekte wijsvinger een druppel honing en steekt die tevreden in zijn mond. Dat is het leven. Die monnik, dat ben ik."


SNOECKS 2019

En weer snelde een jaar voorbij, en wel zo vlug schoot de tijd langs, dat ik de voorganger van dit kijk- en leesalbum nog maar net ruggelings naast de rij in mijn boekenkast gezet heb. De fotoboeken zetten mij immer in volle gloed en daarom haal ik ze steeds van de plank. Ik roep een hartelijk welkom toe aan het 576 bladzijden tellende, van meet tot finish grandioos geïllustreerde Snoecks 2019 dat wederom uitgegeven is door Scriptum uit Schiedam. Op de omslag zien wij een bloedmooi meisje, gehuld in rood haar en sproeten. Op blz. 528 staat als entree van het chapiter ‘Maja Topcagic – Het unieke van sproeten: ‘De Bosnische fotograaf Maja Topcagic (1989) heeft duidelijk iets met roodharige vrouwen en sproeten. Haar reeks ‘Freckled’, een persoonlijk project, is daarvan het onomstotelijk bewijs. ‘Ik werd aangetrokken door roodharigen omdat ze zo uniek zijn. Minder dan twee procent van de mensen heeft rood haar.’ In het artikel figureren vervolgens deze vrouw zes collegaatjes die pronken met ravissant rood haar en sprankelende sproeten. Overigens, Snoecks  2019 is ook te verkrijgen met op de cover een foto van Reine Paradis. De 95ste editie van het jaarboek mag er wis en waarachtig weer zeker zijn. 

Ik geef u de intro van hoofdredacteur Geert Stadeus en uitgever Paul Snoeck: ‘Het was weer een feest om de vele kunstenaars, fotografen en vertellers bij elkaar te zoeken. We zijn blij u opnieuw bijna zeshonderd pagina’s lang een boeiend en internationaal palet te kunnen tonen van architectuur, literatuur, verhelderende reportages en uiteraard schitterende fotografie van vandaag, over alle genres heen. Snoecks neemt u deze keer mee naar de bruisende Pioneer Studio in Brooklyn waar Dustin Yellin werkt aan zijn sculpturen en een betere wereld, en naar het atelier in Boppard waar Frank Kunert de maquettes bouwt die aan de grondslag liggen van zijn fantasierijke fotografie. Kijk met hoeveel liefde en respect Patrick Willocq de rituelen van de Wale in beeld brengt en bezoek met Carlo Bevilacqua intrigerende utopische gemeenschappen in India en de Verenigde Staten. Maak uw borst nat voor de eigengereide architectuur van Eric Owen Moss en leer de ‘furries’ kennen dankzij Tom Broadbent. We hebben zelfs de mooiste houten fietsen voor u uitgekozen, en een uitstekend nieuw verhaal van de Duitse misdaadauteur Ferdinand von Schirach. Of u nu meteen aan het lezen slaat, of u liever al bladerend laar verrassen door de knappe foto’s, het wordt een begin van een mooie reis.’

Om u het album in te lokken noem ik de hoofdstukken van de afdelingen ‘Wereld’ en ‘Mens’. U weet dan ongeveer wat u te wachten staat. Daar komen ze: Carnaval in Haïti, Tulpen in Amerika,  Utopische communes, Houten fietsen, Kindboksers in Thailand, Rituelen van de Wale, Cuba: het slavernijverleden, IJsland, Het Dubai van Nick Hannes, Vluchtelingen in Europa, De furries van Tom Broadbent, Russen en hun slangen, Motoren in de sneeuw. En dan voor de vuist weg: op de pagina’s 91, 271, 319, 424, 476, 517 poseren zich blootgevende vrouwen, die dat ook doen op vele andere locaties in deze Snoecks.

U kent mij vooral als de man die zich ophoudt met werken uit het literaire genre. Deze Snoecks gaat mijn introducties bij u ver te boven. Zo in de afdeling ‘Snoecks Boeken’: wat daarin verteld wordt over Het enige verhaal van Julian Barnes, 1968 van Paul Goossens, De heilige Rita van Tommy Wieringa, De vluchtelingen van Viet Thanh Nguyen, De laatste getuigen. Kinderen in de Tweede Wereldoorlog van Svetlana Alexijevitsj, Het litteken van de dood van Onno Blom, Raadselvader van Jolande Withuis, en Dagelijks werk van Renate Dorrestein vormt niet alleen een feest van herkenning, maar vooral ook een panorama op niet vermoede gezichten en opinies. De volgende keer maak ik met u hier nog een tintelende trip door de 95jarige Snoecks. U weet nu in ieder geval al welk lees- en kijkvoer u in 2018 en 2019 te wachten staat.
Met een knipoog naar de komende dagen in december: ‘Snoecks 2019’ is wederom een pracht van een geschenk. Voor nog geen twintig euro kunt u het kijk- en leesalbum aan uzelf of een ander cadeau doen.
 

WIJ, DE MENS

Ik leid u naar de proloog van gelukkig weer een nieuw werk in het non-fictieve oeuvre van een alom gevierd auteur. Ik geef u een brok proza die de proloog vormt van een schrijver wiens boeken steeds in deze rubriek hun opwachting maakten. Ik noem de titels De graanrepubliek, Ararat, Stikvallei, Een woord een woord  en In het land van de ja-knikkers en u bent verheugd over deze annonce. Het gaat om de 282 bladzijden tellende paperback Wij, de mens van Frank Westerman en Querido Fosfor. De beste reclame voor deze nieuweling is het bericht dat het boek op de toonbank ligt van uw boekhandelaar. Om de proloog van Westerman een context te geven citeer ik eerst de tekst op de omslag. 

Querido: ‘Allemaal slaan we verwoed met onze staart op het water, maar anders dan de walvis menen wij mensen dat ons spetteren ertoe doet. September 2003. In een grot op Flores, Indonesië, komt een fossiele oermens bloot te liggen van amper een meter hoog. Rondom haar liggen skeletten van ratten zo groot als honden, olifanten zo klein als pony's en reuzenooievaars van 1 meter 80. Wat zegt deze spiegelwereld over wie wij zijn en waar we vandaan komen? ‘Wij, de mens’ neemt de lezer mee op een filosofische wereldreis – van de Maasvallei tot op de vulkaanhellingen van Indonesië. De inzet is hoog. Want als wij de overtreffende trap van het dier zijn, waarin schuilt dan het onderscheid?

Frank Westerman: ‘Ik had een hele tijd nodig om te begrijpen waar hij vandaan kwam. De kleine prins ondervroeg mij voortdurend, maar scheen mijn vragen nooit te horen. Pas langzamerhand, door toevallig gesproken woorden, is het mij duidelijk geworden. Zo vroeg hij, toen hij voor het eerst mijn vliegtuig zag [...]: ‘Wat is dat voor een ding?’ ‘Dat is geen ding. Het vliegt. Het is een vliegtuig, mijn vliegtuig.’ Ik was er een beetje trots op hem te vertellen dat ik kon vliegen. Toen riep hij uit: ‘Maar dan ben je uit de hemel gevallen!’ ‘Ja,’ zei ik bescheiden. ‘Nee maar, dat is grappig...’ En de kleine prins begon uitbundig te lachen. Dat maakte me een beetje boos. Ik stel er prijs op dat men mijn tegenspoed serieus neemt. Toen zei hij weer: ‘Dus dan kom jij ook uit de hemel! Van welke planeet?’ – Antoine de Saint-Exupéry, De kleine prins

Op tweede pinksterdag 2012 zet de eenmotorige Cessna Skyhawk met staartteken PH-SJK een daalvlucht in boven Ouddorp. Een minuut lang duikt de piloot onder het wolkendek om zicht te krijgen op de kustlijn en de door hem uitgestippelde koers. In de verte stijgen nevels op uit zee. Ze glijden in een vloeiende beweging het strand op – zoals ooit de eerste zeedieren aan land moeten zijn gekropen. Eerder die ochtend om 10.22 uur heeft het KNMI in zijn bulletin voor de luchtvaart gewaarschuwd voor de aanvoer van vochtige lucht via een noordwestelijke stroming. Het wordt een stralende dag, maar langs de kust is er ‘kans op nevel en op meerdere plaatsen ook mist’. Het type mist dat de piloot voor zijn ogen ziet ontstaan komt gemiddeld eens in de twee jaar voor en heet zeevlam. Zeevlam dankt zijn naam aan de optische illusie van een rokende branding: de golven spatten niet gewoon, ze dampen als theeketels.

Om 11.19 uur bereikt het vliegtuigje het diepste punt van zijn duikvlucht: 450 voet. Een voet is zo lang als een grote schoen, maat 47. Om je een voorstelling te maken van de vlieghoogte kun je ‘hak tegen neus’ 450 stappen afmeten. Zet de afstand die je dan krijgt als een denkbeeldige ladder tegen de wolken en bestijg die. Je bent er zo. Zodra de piloot het landschap in zich heeft opgenomen, trekt hij het neuswiel van de Skyhawk weer op. Onder sonoor gepruttel maakt hij een bocht in de richting van de open zee, met de bedoeling de opkomende mist te omzeilen. Het is 11.20 uur (één minuut na de dip onder de wolken) wanneer de PH-SJK via de boordradio contact maakt met de verkeerstoren van Rotterdam Airport. De piloot vraagt te mogen landen via de naderingsroute hotel. Dit betekent: met een boog over de monding van Maas en Rijn en dan oostwaarts over de Nieuwe Waterweg – net als de olietankers en containerschepen, maar dan hoger. De toren heet papa. Ginds ligt de landingsbaan als een uitgerold kleed te blakeren in de zon; er is letterlijk geen vuiltje aan de lucht. ‘This is Rotterdam information papa,’ antwoordt de verkeersleider van dienst. Hij draagt de piloot op naar 1500 voet te klimmen en zich boven Hoek van Holland opnieuw te melden. Gezien de koers, de kruissnelheid en de positie op de radar zou de PH-SJK binnen vijf minuten op de afgesproken plek moeten zijn. Maar de PH-SJK zal zich niet meer melden. Nooit meer, bij niemand. Een inwoner van Ouddorp is de laatste die de rood-witte Cessna ‘visueel heeft gespot’: de man ziet het staartstuk van de vierzitter oplossen in de wolken boven de duinrand.

Op enkele vliegminuten ten noorden van Ouddorp verzamelt zich tegelijkertijd een groep ouders met kinderen voor een rondrit met de Futureland Express. Dit is een stoer treintje bestaande uit een landbouwtractor die twee tot rijtuigen omgebouwde karren voorttrekt. De passagiers zijn opgewonden, omdat ze tot de eersten behoren die op maagdelijke gronden worden gedropt: de pas opgespoten Maasvlakte 2 is nog nagenoeg onbetreden terrein. Fysiek gezien is het een kleine stap om straks van de treeplank op dit nieuwe land-in-zee te springen; toch voelt het als iets gewichtigs, als iets wat iedereen aangaat. Volgens schema zal de Futureland Express om 12.00 uur vertrekken vanaf een platform van betonplaten op de rand van het bestaande havengebied. De ochtendhemel is blauw, maar tegen het middaguur betrekt de lucht. Er steekt een briesje op, de temperatuur daalt. De driebladige windmolens van Greenchoice staan nogal eenzelvig te roeren in de opkomende mist. Ze mengen de zilte zeelucht met de fabriekswalmen uit de havens. Eerder die week is de Maasvlakte 2 met een vuurwerk van blauwe rook in gebruik genomen. Met het uitbrengen van een champagnetoost – op dinsdag 22 mei 2012 – is ook het omliggende strand opengesteld voor publiek. Bij dit nieuwe strand hoort een duinenrij van veertien meter hoog met daarachter de ‘zandlichamen’ van de toekomstige kades. Omdat de aanplant van helmgras op zich laat wachten, lijkt de Maasvlakte 2 vooralsnog op de Sahara. Op deze pinkstermaandag drijft een koude mist de badgasten vroegtijdig naar huis. De tocht van de Futureland Express gaat door, al neemt het zicht kort voor vertrek af tot vijftig, hooguit honderd meter. De tractormachinist noch zijn passagiers hebben die ochtend het geronk van een propellervliegtuig gehoord. Alleen meeuwengekrijs. 

De verdwijning van een vliegtuig in een van de dichtstbevolkte landen ter wereld is een rariteit. Het vliegen zelf niet meer; navigeren door de lucht voelt onderhand aan als een tweede natuur. De Onderzoeksraad voor Veiligheid brengt een jaar later een 151 pagina’s tellend rapport uit onder de titel Vliegtuig vermist. Anders dan bij schepen in de Bermudadriehoek is de vermissing van de Cessna Skyhawk niet voorgoed. Zij duurt 301 minuten. Vijf uur na het laatste contact met Rotterdam papa wordt het wrak van de PH-SJK gevonden op 800 meter voorbij de verste halteplaats van de Futureland Express, op de in aanbouw zijnde kade tussen de twee prinsessenhavens – de Prinses Amaliahaven en de Prinses Alexiahaven. Het vliegtuigje, geknakt en vleugellam, ligt een kwartslag gedraaid naast zijn eigen inslagkrater. Als een vogel die tegen een ruit is gevlogen. De wijzer van de snelheidsmeter staat stil op 118 knopen – 219 kilometer per uur. Voor in de cockpit hangt het lichaam van de 50-jarige piloot. De uit de lucht gevallenene is niet aanspreekbaar, maar ademt nog. Hij zal niet meer bij kennis komen en twee weken later sterven in het ziekenhuis. Het scherm van zijn telefoon toont een rijtje gemiste oproepen. In zijn vliegtas zit een Visual Approach Chart voor het aanvliegen op Rotterdam Airport. Op deze luchtnavigatiekaart (uit 2008) ligt de kustlijn drieënhalve kilometer landinwaarts. Ook de reddingsbrigade werkt met kaarten die door de voortschrijdende werkelijkheid zijn ingehaald. De Cessna zou in zee zijn gestort, ware het niet dat de kustlijn is verlegd. Het water heeft plaatsgemaakt voor het droge. Maar bij het intikken van de laatst bekende coördinaten van de ph-sjk (zesendertig seconden voor impact) verschijnt op de computerschermen op Rotterdam Airport een positie boven zee. Weliswaar staat er being reclaimed, maar de kleur van de kaart is helderblauw (water). ‘We hebben, denken we ... [onverstaanbaar] in zee zien crashen,’ meldt een luchtverkeersleider aan de kustwacht. Hierop varen vijf schepen uit.

De Maasvlakte 2 is een nationaal zandkasteel, met de prinsessenhavens als slotgrachten. Het gebruikte zand komt uit een onderzeese groeve: het is via de zuigstangen van baggerschepen opgeslobberd uit een zandbank, zes mijl uit de kust. In de ijstijden lag die zandbank droog. Over de winderige vlakte tussen wat nu Engeland en Nederland heet liepen nijlpaarden en hyena’s, mammoeten en neushoorns, grottenleeuwen en bosolifanten. Door de Noordzeebodem af te graven doen wij mensen onbedoeld iets krankzinnigs: we spuiten de prehistorie terug naar de oppervlakte. Natuurlijk, de baggeraars zijn uit op zand en grind, dat ze in glinsterende modderbogen ‘rainbowen’ naar de plekken waar land moet komen. Maar hun bijvangst bestaat uit mammoetkiezen, elandgeweien, versteende hyenakeutels – overblijfselen van de oertijdfauna. De deelnemers aan de Futureland Express hebben in principe genoeg aan twee meter zicht; als ze het zand onder hun voeten maar kunnen zien. Strandjutters zijn het. Ze zoeken geen overboord geslagen kratten whisky, ook geen schelpen, maar fossielen. De hoofdprijs zou zijn: de schedel van een mensachtige. Verderop langs de kust, in Zeeland, is het eerste stukje oermens al gevonden. Een wandelaar raapte het op tussen het puin dat door een schelpenzuiger aan land was gespuwd. Het betrof een schedelfragment met een uitstulping boven de oogkassen die bij de moderne mens ontbreekt. Bij nadere bestudering bleek het te gaan om de eerste in Nederland gevonden neanderthaler, die in 2009 onder de naam ‘Krijn’ aan de rest van de bevolking is voorgesteld. Bij leven moet hij een jager zijn geweest die over de mammoetsteppe doolde in de delta van de rivieren Theems, Rijn en Maas – tussen de honderd- en veertigduizend jaar geleden. Sindsdien smolten de ijskappen, steeg de zeespiegel, stierf de neanderthaler uit en leerde de ongevleugelde homo sapiens zichzelf vliegen. Hij leerde ook land van water scheiden. Het nieuwe land is nog niet opgeleverd of er nadert een Cessna Skyhawk. Hoewel de toren de piloot heeft opgedragen te stijgen, duikt hij nog een keer onder de wolken om te kijken waar hij vliegt. Als een dolfijn, maar dan gespiegeld in de lucht. Er is alleen één verschil met daarnet: onder de wolken hangt een dichte mist. De piloot blijft de stuurknuppel naar voren duwen. Zijn vliegtuig dompelt zich in een grauwe wereld van waterdamp die doorloopt tot op het nieuwe, van fossielen vergeven aardoppervlak.’


TIEN TIPS VOOR DE SINT

Sint Nicolaas gaat de komende weken weer op tournee door ons land, waar hij als goedheiligman zo graag zijn jaardag viert. Sint geeft bij voorkeur goede boeken cadeau en om de baas uit Spanje wat te gerieven reik ik hem nu en straks een lijstje aan, waarop tien werken via de tekst op de omslag bij u hun opwachting maken. Ik wil na 5 december gaarne van u vernemen hoe de bisschop bij u uitgepakt heeft. Wisselen wij dan onze leeservaringen met elkaar uit.
 
1) Doornroosje – Katy Flint en Jessica Courtney-Tickle – Navertelling – Christofoor
In deze navertelling van het klassieke ballet De schone slaapster ontmoeten we de koning en de koningin, als ze een feest geven om de geboorte van hun dochter prinses Aurora te vieren. Een boze fee komt binnen en spreekt een verschrikkelijke vloek uit over het kleine prinsesje.
Zou er nog iemand zijn die haar kan helpen?
Er zit muziek in dit boek. Op elke bladzijde kun je op een noot drukken, waardoor het verhaal tot leven komt met muziek van Tsjaikovski's Doornroosje. Net als bij onze titel ‘Een jaar in één dag’ en ‘De Notenkraker’ hoor je de bekende klanken van een echt orkest! Aan het eind van het boek vind je alle muziek nog een keer! (De meegeleverde batterij kan worden vervangen).

2) Het grote vakantiepark – Willem du Gardijn – Verhalen – Koppernik
Na Negen raven toont Willem du Gardijn in Het grote vakantiepark opnieuw zijn talent voor het genre. De composities zijn zorgvuldig, zijn personages geloofwaardig. De taal is ingetogen, soms lyrisch op een klassieke manier. De lezer kan veel plezier beleven aan deze zes werelden met eigen toon, eigen conflict en eigen onverwachte wendingen. Tegelijkertijd is het boek één omdat er één thema is: de verbondenheid van liefde en verlies.

3) Boudewijn – Mark van den Wijngaert en Emmanuel Gerard – Koning met een missie – Davidsfonds
'Boudewijn legt weinig of geen nuances in zijn oordeel, iets is goed of kwaad, daartussenin bestaan voor hem haast geen schakeringen. 'Welke invloed had koning Boudewijn in het naoorlogse België? Vijfentwintig jaar na zijn overlijden maken Mark Van den Wijngaert en Emmanuel Gerard de balans op. Boudewijn erfde van zijn vader Leopold III een door de koningskwestie uitgehold koningschap. De politieke partijen maakten meer en meer de dienst uit. Alleen in crisismomenten kon hij nog van zijn sleutelpositie gebruikmaken om de politieke stromingen enigszins te beïnvloeden. Vanuit zijn religieuze overtuiging gaf hij aan de tweede helft van zijn koningschap een moreel-humanitair karakter. Hij bleef een koning met een missie. Boudewijn. Koning met een missie richt zich niet enkel tot de geïnteresseerden in het koningshuis, maar tot al wie de politieke geschiedenis van België beter wil leren kennen.

4) Beste Obama - Jeanne Marie Laskas – Ontwapenende briefwisselingen met de 44ste president – Harper Collins
Miljoenen brieven kreeg president Obama van de Amerikaanse bevolking gedurende zijn acht jaar in het Witte Huis. Brieven over armoede, eenzaamheid, verlies, verdriet, wanhoop en boosheid, maar ook brieven vol dankbaarheid en blijdschap. Alle brieven werden in categorieën verdeeld en beantwoord, of ze nu positief of negatief waren. En elke dag zocht een team van toegewijde medewerkers en vrijwilligers tien brieven uit die de president ook daadwerkelijk zelf las. Jeanne Marie Laskas bundelde de meest bijzondere brieven uit deze collectie in een inspirerend en aangrijpend boek over de échte Amerikanen, dat laat zien hoe zij samen één volk vormen, ondanks hun verschillen en de soms zeer persoonlijke problemen waar ze mee te maken hebben. De intieme brieven schetsen een wondermooi beeld van Obama zelf, als persoon en als president van het volk.

5) Zonder paniek geen paradijs – Joachim Meyerhoff – Roman – Signatuur
Na zijn jeugd op het terrein van een psychiatrische instelling, een tussenjaar in de Amerikaanse Wild West en een bijzonder ontmoedigende tijd aan de theaterschool, is Joachim een jonge, niet echt succesvolle acteur. Als hij Hanna ontmoet, een ambitieuze en briljante studente, lijkt zijn liefdesleven tenminste ergens heen te gaan. Maar dan verschijnt Franka, danseres en compleet het tegenovergestelde van Hanna. En dan is er nog Ilse, een bakker, in wier keuken hij zich gelukkiger en veiliger voelt dan waar dan ook. De vraag is: kan dit allemaal goed gaan? Het antwoord is: nee. In zijn vierde autobiografische roman vertelt Meyerhoff ontroerend en vermakelijk over zijn strubbelingen met de liefde. Wederom een onvergetelijk boek!

6) Descartes in Amsterdam – Hans Dooremalen – Filosofische detective – Boom
Amsterdam, oktober 1634. Naast de Westerkerk wordt een lijk gevonden. In de verse sneeuw is een vreemd symbool getekend en de hand van het naakte lijk omklemt een rapier. Wanneer meer doden onder vergelijkbare, mysterieuze omstandigheden worden aangetroffen, wordt de hulp ingeschakeld van een beroemde inwoner van de stad: René Descartes. De Franse filosoof zet zijn befaamde methode in om het mysterie te ontrafelen. Descartes in Amsterdam is niet alleen een spannende detective, maar ook een filosofische en historische roman. Het boek biedt een introductie in de vroege cartesiaanse methode en dompelt de lezer onder in het sociale en politieke leven van het zeventiende-eeuwse Amsterdam, bevolkt door beroemde historische figuren als Caspar Barlaeus, Andries Bicker en Nicolaes Tulp.

7) Als de schaduw die verdwijnt – Antonio Munoz Molina – Roman – De Geus
Terwijl de FBI naar hem op zoek is voor de moord op Martin Luther King, lukt het James Earl Ray om op valse paspoorten vanuit Amerika Lissabon te bereiken. Met behulp van vrijgekomen FBI-stukken reconstrueert Antonio Muñoz Molina de laatste stappen van Ray voor zijn arrestatie en neemt hij ons mee in diens hersenspinsels en zijn beruchte misdaad. Lissabon is ook de stad die Muñoz Molina inspireerde voor zijn eerste roman, Winter in Lissabon. Als hij er na dertig jaar terugkeert, wordt de stad het toneel voor drie elkaar afwisselende verhalen: Ray, die in 1968 het mikpunt is van een internationale klopjacht; de schrijver die er in 1987 zijn literaire stem zoekt; en Muñoz Molina die in het heden reflecteert op de mogelijkheid om via de roman de wereld door andermans ogen te verbeelden.

8) De onfatsoenlijken – Jan Antonissen – Een reis  door populistisch Europa – Polis
Ze zijn overal. Ze begrijpen het niet. Ze deugen niet. Ze zijn een gevaar, een pest, een schandvlek. In De onfatsoenlijken gaat Jan Antonissen op zoek naar de mensen die door de goegemeente met de nek worden aangekeken: de bange blanke mannen en vrouwen, het racistische stemvee van de populisten, de white trash uit onze voorsteden. Het zijn medeburgers voor wie de globalisering geen pretpark is, met leuke citytrips en goedbetaald kenniswerk. Die verliezers vindt Antonissen in de vele oude industriebekkens die Europa rijk is, van het Ruhrgebied tot Limburg, en van Noord-Frankrijk tot de Povlakte. De onfatsoenlijken is een roadmovie waarin iedereen een stuk van zichzelf zal herkennen. Angst om het morgen slechter te hebben dan vandaag is niemand vreemd. De mensen die de pech hebben om uit de middenklasse te tuimelen, naar hen kijkt niemand meer om. Jan Antonissen noteert hun brutale levensverhalen en beschrijft hoe velen van hen blijven knokken om te overleven.

9) Grijs slavernijverleden? – Jeroen Dewulf – Over zwarte milities en redimoesoegedrag - AUP
‘Redimoesoegedrag' staat in Suriname voor ‘verraad tegen de eigen groep'. Het begrip gaat terug op slaven die in de 18de eeuw in ruil voor vrijheid aan de zijde van de gouvernementssoldaten vochten tegen de ‘marrons', gevluchte slaven. Zij droegen een rode muts, vandaar redimoesoes. Dit was geen nieuw fenomeen; "zwarte milities' hadden ook al in Nederlands-Brazilië en Nieuw-Nederland bestaan. Vanwege hun complexe tussenpositie is het moeilijk om redimoesoes binnen het traditionele ‘goed-en-fout denken' over slavernij een plaats te geven. Als voormalige slaven waren zij tegelijk ‘slachtoffers' en ‘daders'. Toch was hun leven in het ‘grijze' gebied tussen slaaf en meester niet uitzonderlijk. Slechts een minderheid van de slaven maakte een radicale keuze voor gewelddadig verzet. De meesten handhaafden zich in een dienende rol, goedschiks of kwaadschiks. Daarbij was een vorm van accommodatie onvermijdelijk. Hoe moeten we het "grijze' gedrag van de redimoesoes beoordelen? De auteur maakt hiervoor gebruik van concepten die teruggaan op de discussie over ‘goed-en-fout-gedrag' tijdens de Duitse bezetting en de Holocaust. Een verrassend nieuwe visie op het slavernijverleden, maar ook een evenwichtsoefening die hij met glans uitvoert.

10)  De Sigmund Almanak – Peter de Wit – Gegarandeerd 100% psychologie van de koude grond – De Harmonie
‘Mijn naslagwerk DSM – De Sigmund Methode, dat in 2013 het levenslicht zag, kreeg een bijzonder positief onthaal binnen en buiten mijn vakgebied. Uit de vele herdrukken is gebleken dat zowel patiënten als therapeuten wereldwijd hadden uitgekeken naar dit definitieve diagnostische naslagwerk om iedereen voor gek te verklaren. Het uitgangspunt van mijn nieuwe boek De Sigmund Almanak is weer even simpel als geniaal. Sinds mensenheugenis was de mensheid voor haar geestelijke welzijn aangewezen op de psychologie van de koude grond. Met niets dan slechts enkele zegswijzen en fabels met een moraal, ‘tried and tested’ huismiddeltjes, lichaamstaal, astrologie en droomduiding probeerde het volk zich staande te houden. Kan deze volkstherapie nu ook nog een zinnige en vooral kostenbesparende bijdrage leveren aan onze peperdure geestelijke gezondheidszorg? Ik heb het antwoord voor u geformuleerd in De Sigmund Almanak en kan hier alvast verklappen dat de uitkomst niets minder dan een sensatie is die ons vakgebied zal doen schudden op zijn grondvesten!’ – Sigmund
 

CULTUURMIX 5 NOVEMBER 2018

Papendrecht 05-11-2018

DE EEUW VAN GISELE

Een hardcover leg ik voor u neer die in prachtige, beeldende taal het bewogen, fascinerende leven van een grande dame uit de vorige eeuw weergeeft. Een rijk verhaal over een boeiend bestaan, daar gaat het om. Hoe verheffend is het dat door een gerenommeerd auteur een geleefd interessant leven aan de vergetelheid onttrokken wordt. Het gaat om 448 bladzijden tellende, van fotokaternen voorziene De eeuw van Gisèle van Annet Mooij en De Bezige Bij met de ondertitel ‘Mythe en werkelijkheid van een kunstenares’. Voor de tocht naar dit boek geef ik de inleiding van Annet Mooij integraal aan u door met de uitnodiging over twee weken met elkaar van gedachten te wisselen over de intrinsieke waarde van de ondertitel.

De inleiding van Mooij gaat als: ‘Zou zij nog hebben geleefd, dan had Gisèle d’Ailly-van Waterschoot van der Gracht alles in het werk gesteld om te voorkomen dat deze biografie het licht zou zien. Ze kon daarin ver gaan. Bij een haar onwelgevallige publicatie die in 2005 verscheen, had ze de volledige oplage van het betreffende boek, waarin twee bladzijden aan haar waren gewijd, wel willen opkopen om op die manier de distributie ervan te verhinderen. Daarvoor was ze te laat, maar haar interventie leidde er wel toe dat onmiddellijk een tweede druk uitkwam waaruit de voor haar aanstootgevende passages waren verwijderd. Op zich sprak het idee dat er over haar een biografie geschreven zou worden Gisèle wel aan. Ze rekende daar misschien zelfs wel een beetje op. De laatste periode van haar leven besteedde ze aan de ordening van haar kolossale archief, zodat anderen er na haar dood hun weg in zouden kunnen vinden. Maar de biografie die zij voor ogen had, zou dan wel het verhaal moeten vertellen dat zijzelf ook altijd aan de wereld presenteerde, het verhaal van een sprookjesleven. Dat verhaal is ijzersterk en aansprekend, en zo overtuigend neergezet dat de verleiding vaak groot is er klakkeloos in mee te gaan. Om te beginnen zou Gisèle zelf als personage niet misstaan in een sprookjesachtige vertelling. Ze was een bijzondere verschijning met een enorme uitstraling. Waar zij ook kwam, met haar tengere, meisjesachtige gestalte en opvallende vogelkop was ze altijd het middelpunt van het gezelschap. In elke ruimte en in elk gezelschap zoog ze de aandacht naar zich toe. Ze was niet snel vertrouwelijk in de omgang en had in haar overvolle sociale leven maar enkele echte intimi, maar veel van haar gespreksgenoten gaf ze het gevoel juist met hen een speciaal contact en een bijzondere band te hebben, al was het maar voor even. Een korte ontmoeting met Gisèle maakte op veel mensen al een onuitwisbare indruk.

Door de vele wonderlijke tegenstrijdigheden die ze in zich verenigde en de sterk uiteenlopende werelden die ze vertegenwoordigde, bleef ze een raadselachtig wezen, waar niemand snel op uitgekeken raakte. Gisèle leefde vrij en onafhankelijk maar was ook ten diepste met anderen verbonden. Ze bleef, met ups en downs, levenslang trouw aan het strenge katholicisme dat ze van haar ouders meekreeg, maar hield er bij tijden een levensstijl op na die daar op geen enkele manier mee te verenigen viel. Ze groeide op met huispersoneel en zilveren bestek, maar beleefde haar gelukkigste momenten in een verlaten Grieks kloostertje zonder elektriciteit en stromend water. Ze schonk miljoenen weg, maar kon bij een duur uitgevallen kopje koffie opeens de hakken in het zand zetten. In de prachtige, lichte ruimte van haar atelier, dat uitkijkt over de daken van de Amsterdamse binnenstad, omringde ze zich de laatste dertig jaar van haar leven met haar vele gekoesterde bezittingen: haar schilderijen, haar kunstboeken, de foto’s van dierbaren, familiesouvenirs. Op de brede vensterbanken lag haar verzameling kleinoden uitgestald, de stenen en schelpen, wervels en botten, veren en blaadjes die ze in diverse delen van de wereld bijeen had geraapt. Gisèle bewaarde alles wat haar dierbaar was, en dat was veel. Bijna elk souvenir was voor haar met betekenis geladen, achter elk voorwerp school wel een verhaal of anekdote. Oud en frêle, maar nog kwiek en met de oogopslag van een ondeugend jong meisje, leidde ze nieuwe bezoekers rond in haar atelier, zo nu en dan stilstaand bij iets uit haar collectie om de geschiedenis ervan uit de doeken te doen.

Gisèle beschikte over een uitgebreid repertoire van beeldende verhalen ter illustratie van een lang en fascinerend leven. Was Gisèle als karakter al ‘larger than life’, ook haar persoonlijke geschiedenis bevat ingrediënten van een sprookjesachtige allure. Als dochter van een Amsterdamse patriciër en een Oostenrijkse barones leidde zij een kleurrijk en tot de verbeelding sprekend leven. Een deel van haar jeugd bracht ze door op het reusachtige kasteel van haar moeders familie, in de afgebladderde glitterwereld van de Oostenrijkse adel. Ze groeide op in verschillende landen, woonde tussen de indianen in het Wilde Westen van Amerika, ging voor haar kunstopleiding naar Parijs, maakte deel uit van interessante kunstenaarsmilieus en verrijkte haar leven met vele vriendschappen en liefdes. Zeer aansprekend is ook de moedige rol die Gisèle gespeeld heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen zij met gevaar voor eigen leven haar kleine bovenwoning aan de Amsterdamse Herengracht openstelde voor de Duitse dichter Wolfgang Frommel en twee van zijn jonge Joodse vrienden. Mede dankzij haar werd het leven van deze jongens gered.

Onder druk van de extreme omstandigheden kwam op de kleine etage een gemeenschap van onderduikers en geregelde bezoekers tot ontwikkeling waarin werd gelezen, gedicht en getekend. De Duitse poëzie en de Europese cultuurgeschiedenis vormden het geestelijk voedsel waarmee men deze moeilijke jaren niet alleen grotendeels ongeschonden, maar ook onderling zeer hecht verbonden wist door te komen. Na de oorlog bleef deze vriendengroep bestaan. Ze bleef een baken in Gisèles leven. Er kwamen een woongemeenschap, een literair tijdschrift en een uitgeverij uit voort, die zij tot het einde van haar leven onderdak verleende in het hoekhuis aan de Herengracht, dat ze in de naoorlogse jaren in zijn geheel had weten te bemachtigen. Tot op de dag van vandaag ligt heel dit boeiende, eeuwomspannende leven opgeslagen in dit Amsterdamse grachtenpand. Wie het bezoekt, betreedt een tijdcapsule. De kleine onderduiketage lijkt rechtstreeks uit de jaren veertig de eenentwintigste eeuw in te zijn gekatapulteerd en maakt een onaangeraakte indruk. Een verdieping hoger bevindt zich de oude salon met zijn donkere meubilair en zijn hoge uitzicht over de grachten, waar Gisèle na haar huwelijk met de oud-burgemeester van Amsterdam Arnold d’Ailly haar gasten ontving. De ruimte ruikt intussen wat stoffig, maar ligt er verder bij alsof de voormalige bewoners slechts even de deur uit zijn. Alles ademt er nog de sfeer van de jaren vijftig. Gisèles oude atelier is inmiddels leeggeruimd, maar ook daar is de oude sfeer intact gebleven. Er worden nu bijeenkomsten gehouden door de culturele stichting die Gisèles nalatenschap beheert. Het geheel is van een grote imponerende kracht. Er is vrijwel geen bezoeker die niet wordt geraakt door het bijzondere leven dat in deze omgeving met zoveel zorg wordt geconserveerd.

Er valt veel voor te zeggen om het leven van Gisèle een door haarzelf vervaardigd kunstwerk te noemen. Volgens sommigen van haar naaste vrienden is dit zelfs haar grootste en belangrijkste schepping geweest, imposanter dan haar schilderkunst. Beide kwamen tot stand volgens de kunstopvatting waarmee ze opgroeide en waarvan ze nooit echt los zou komen: kunst moet mooi zijn. Op haar doeken is zelden iets te zien van strijd of conflict. Je ziet er nauwelijks duistere krachten of gevoelens in werkzaam, haar werk is gestileerd en afgerond. Dezelfde polijsting onderging ook de voorstelling van haar eigen leven. Ook daarin is geen plaats voor conflict of teleurstelling, wroeging of eenzaamheid. Die bleven in het donker gehuld, werden weggeretoucheerd of overgeschilderd. Wat Gisèle op deze manier deed, is wat iedereen tot op zekere hoogte doet: een verhaal creëren dat de werkelijkheid zin en betekenis geeft. Maar Gisèles onconventionele leven en haar veelkantige persoonlijkheid stelden haar in staat er iets bijzonders van te maken, een verhaal dat niet alleen haarzelf gelukkiger maakte, maar dat ook anderen wist en weet te inspireren. Tegelijk was zij wel een erg fanatieke regisseur van haar eigen leven. Ze kneedde zo consequent en met zoveel overtuiging haar eigen werkelijkheid dat de vraag rijst waar zij deze mentale strategie voor nodig had. Waar kwam die onbedwingbare behoefte aan mooi maken vandaan? Wie daar iets over aan de weet wil komen, begint al spoedig te krabben aan het gladde oppervlak. En ja, dan komt daaronder een complexere werkelijkheid tevoorschijn, die Gisèle zelf altijd voor het oog van de wereld verborgen trachtte te houden. Dat is precies de reden dat deze biografie haar niet zou hebben behaagd. De blootlegging en benoeming van kwesties die ze zelf uit haar levensverhaal had weggewerkt, wekten haar woede en ontsteltenis. Maar het is niet de taak van de biograaf de gevoeligheden van zijn of haar onderwerp uit de weg te gaan. Dat heb ik dan ook niet gedaan. Het kunstwerk van Gisèles leven heb ik niet alleen willen beschrijven, maar vooral willen bevragen en onderzoeken. Hoe kwam het tot stand? Wat werd erdoor aan het oog onttrokken? Welk effect had het op omstanders en toeschouwers? En hoe verhoudt het zich tot de werkelijkheid? Het is daarbij niet mijn doel om te ontmaskeren of op de een of andere manier bedrog aan te tonen. Eerder wil ik op deze manier licht werpen op het meest bijzondere aspect van Gisèles persoonlijkheid: haar vermogen uit een complexe en lang niet altijd fraaie werkelijkheid een betekenisvol en aansprekend verhaal te scheppen.

Ik ontmoette Gisèle voor het eerst toen ze negenennegentig was. Ze was bijna volslagen doof en in haar hoofd schemerde het al geruime tijd, zodat een echt gesprek niet meer mogelijk was. De communicatie was voornamelijk tactiel, maar zo nu en dan, als haar iets niet zinde of als haar aandacht door iets werd getrokken, konden haar ogen oplichten en schalde haar harde, nasale stem opeens door de ruimte als een misthoorn door de nevel. In een bijrol kon zij zich nu eenmaal moeilijk schikken. Op 11 september 2012 vierde ze haar honderdste verjaardag in het souterrain van haar huis aan de Herengracht, een happening met vrienden, familie, bekenden en een toespraak van de burgemeester van de stad waar ze al zeventig jaar woonde. Het was haar laatste openbare optreden. In mei 2013 overleed ze. In de eeuw die Gisèles leven omspande, veranderde het aanzien van de wereld drastisch, maar haar leven is geen typisch voorbeeld van een leven waarin de tijden zich weerspiegelen. Zij had bovendien zelf geen gevoel voor zoiets als de ‘tijdgeest’. Kranten, radio en later televisie interesseerden haar nagenoeg niet, van haar stemrecht maakte ze nooit gebruik. In haar bestaan bleef de realiteit van politiek, wereldgebeuren en maatschappelijk leven bijna steeds op afstand. De Duitse bezetting vormt hierop de grote uitzondering. De gevolgen daarvan drongen diep in haar persoonlijk leven door.

Dit boek volgt voornamelijk twee rode draden in Gisèles leven.
De eerste is die van haar kunst. Gisèle liet een kunstzinnig oeuvre na dat eigenzinnig is, persoonlijk en divers. Zij maakte met gebrandschilderd glas en wandtapijten aanvankelijk naam in de toegepaste kunst, maar toen de financiële omstandigheden het toelieten, stapte ze over op het vrije schilderen, wat ze tot op hoge leeftijd bleef doen. Het kunstenaarschap was voor Gisèle van levensbelang, al kwamen roeping en ambitie op dit vlak een stuk later dan ze achteraf zelf geloofde. Van bescheidenheid had ze geen last: ze stond vrijwel kritiekloos tegenover haar eigen werk en kon daar nauwelijks hiërarchie in aanbrengen, in haar eigen ogen was bijna alles even mooi. In de buitenwereld werd er strenger geoordeeld. Gisèle was in de naoorlogse kunstwereld een marginale figuur. Naast de klassieke biografische vraag naar de relatie tussen leven en werk is in haar geval daarom ook de vraag interessant waarom de gehoopte erkenning uitbleef. Had dat alleen te maken met de kwaliteit van haar werk of zijn daar ook andere oorzaken voor aan te wijzen? 

Het tweede grote thema vormt Gisèles relatie tot Castrum Peregrini. Deze naam – de burcht van de pelgrim – werd gekozen als schuilnaam van de onderduikgemeenschap en bleef na de oorlog in gebruik ter aanduiding van de vriendengroep, het tijdschrift en het uitgevershuis die hieruit voortkwamen. Spil van dit geheel vormde de al genoemde Wolfgang Frommel. Gisèles kennismaking met hem in 1939 kun je gerust schicksalbestimmend noemen. Het gezamenlijk leven met hem en zijn schare jonge vrienden en de magie van vriendschap en dichtkunst die hen onder Duitse bezetting had beschermd, behoren tot de meest aansprekende onderdelen van haar sprookjesleven. De belangrijke plaats die Castrum in haar leven innam, wordt weerspiegeld in dit boek, dat naast het persoonlijk levensverhaal van Gisèle ook de werdegang vertelt van de gemeenschap waaraan zij haar lot had verbonden. Frommel was een goeroe-achtige figuur. Met zijn Castrum Peregrini probeerde hij in Amsterdam een alternatieve leefvorm te stichten in navolging en in de geest van de Duitse dichter Stefan George. Frommel bezat een groot vermogen bij jonge mensen de juiste snaar te raken en hen te begeesteren voor een leven buiten de gebaande maatschappelijke paden. Het uitgebreide vriendennetwerk dat uit dit project voortkwam, is altijd schuilgegaan achter een façade van gecultiveerde geheimzinnigheid. Ik heb geprobeerd daarachter te kijken, waardoor niet alleen nieuw licht geworpen wordt op het leven in de pelgrimsburcht, maar ook ruimte ontstaat voor nieuwe en soms ongemakkelijke vragen naar de betrekkingen tussen Gisèle en Castrum Peregrini. Hoe mooi was die dichterswereld eigenlijk en wat had zij te zoeken in deze niet bepaald vrouwvriendelijke mannengemeenschap? Een beter geconserveerd en gedocumenteerd leven dan dat van Gisèle d’Ailly is nauwelijks denkbaar.

Naarmate ze ouder werd kreeg de archiefkoorts steeds meer vat op haar. Bij haar dood liet ze naast haar schilderijen en tekeningen een pakhuis vol papieren na. De ooit lege atelierruimte was er langzamerhand door overwoekerd geraakt: archiefkasten met familiedocumenten en foto’s uit alle periodes van haar leven, planken met de gesorteerde brieven van meer dan vijfhonderd correspondenten, ordners met reisverslagen, bureaulades met aantekeningen, gesorteerd en ongesorteerd, stapels mappen met opschriften: ‘Important notes about my life’, ‘Ungeordnete Souvenirs’, ‘Notes on painters and poets’ of raadselachtiger: ‘To be or not to be’, ‘What machines can do’. En tussendoor de briefjes, overal briefjes: to-dolijstjes, herinneringsflarden en geheugensteuntjes, invallen en aforismen, gedachten en gedichten, instructies aan zichzelf en anderen. Dat er van deze doolhof ook een soort routebeschrijving voorhanden was, is te danken aan het werk van de germanist Leo van Santen, die vanaf 1986 vrijwel elke zaterdag Gisèle bezocht om haar te helpen met het ordenen, inventariseren en toegankelijk maken van haar papierwinkel. Gisèle dicteerde aan hem de inhoud van al haar oude agenda’s, waarin ze niet alleen afspraken en gebeurtenissen noteerde, maar ook dagboekachtige notities bijhield. Het feit dat dit materiaal hierdoor digitaal beschikbaar en doorzoekbaar was, was uiteraard een zegen. Gisèles uitpuilende privéarchief is het resultaat van haar jarenlange strijd tegen oprukkende vergeetachtigheid en dreigende vergetelheid. Tegelijk is het ook een zelfopgericht monument van iemand die als een cerberus waakte over haar eigen beeldvorming. Enig wantrouwen is daarom op zijn plaats. Zo was het een tijdrovende maar nuttige exercitie om de inhoud van haar agenda’s zoals ze die aan Van Santen dicteerde te vergelijken met de originele agenda’s, die gelukkig eveneens bewaard zijn gebleven. Dat leverde interessante aanvullingen op en inzicht in de manier waarop Gisèle zelf haar biografie opschoonde.

Een vergelijkbare blik achter de schermen biedt een aantal intrigerende kladbrieven. Ook zij tonen een kant van de werkelijkheid die tot nu toe buiten beeld is gebleven. Hoe omvangrijk het ook is, ook in Gisèles archief bleken enkele gaten te zitten. Door plundering van het familiekasteel in Oostenrijk en brand in haar Limburgse atelier is bijvoorbeeld veel materiaal over haar jeugd verloren gegaan. In haar latere jaren wordt vooral de onzinnige overvloed een probleem. Uit de zee van kerstkaarten, verjaarswensen en vakantiegroeten valt maar weinig van waarde op te diepen. Snoeien was hier het enige devies. Velen van haar tientallen vrienden, bekenden en dierbare contacten zullen op de volgende pagina’s vergeefs naar hun naam zoeken. Volledigheid zou slechts een dikker boek hebben opgeleverd, geen scherper beeld.’


EEN ILLUSTERE VROUW

Het gebeurde de dinsdagmorgen 23 oktober. De dame van de post reikte mij een boek aan en meteen was ik erin verzonken. Het begin was naar vorm en inhoud zo pakkend dat ik totaal vergeten was dat in de tuin de buxus aan het snoeien was. Stagiaire marketing Jolijn van Rossem had mij de dag daarvoor de roman toegezegd ter introductie bij u en de verwachtingen werden geheel overtroffen. Ik ga dat zo aantonen. Ik heb het over de 428 bladzijden tellende paperback Een illustere vrouw van Therese Anne Fowler en Luitingh-Sijthoff met de ondertitel ‘De opkomst van de Vanderbilts’. Ik geef u integraal de eerste drie bladzijden en laat die voorafgaan door de tekst van de uitgever op de omslag. U zult net als ik in de ban geraken van het begin van deze roman en ik verzoek u met mij over twee weken over Een illustere vrouw hier van gedachten te wisselen.

Luitingh-Sijthoff: Een illustere vrouw van Therese Anne Fowler is een historische roman over de powervrouw Alva in de machtige familie Vanderbilt uit de Verenigde Staten, aan het eind van de 19e eeuw. In de geschiedenis van de Vanderbilts, vol glamour, persoonlijke drama's en intriges, speelde Alva een cruciale rol. Na de Burgeroorlog trouwt Alva in de vermogende, maar door de elite niet geaccepteerde Vanderbilts. Genegeerd door de gevestigde families in New York, is Alva Vanderbilt vastbesloten om respect te verwerven voor haarzelf en haar familie. Ze ontwerpt en bouwt 9 villa's, organiseert royale gala's en zorgt ervoor dat haar dochter trouwt met een hertog. Wanneer de familie Vanderbilt uiteindelijk wordt geaccepteerd in de hogere kringen gebeurt het ondenkbare: Alva gaat zich inzetten voor de politieke positie van Amerikaanse vrouwen.’

Therese Anne Fowler:  ‘Als ze haar vroegen naar de Vanderbilts en de Belmonts, hun feesten en hun strooptochten, de villa’s en de bals, de rechtszaken, het verraad en de ruzies – als ze Alva vroegen waarom ze al die extreme dingen had gedaan, antwoordde ze dat het allemaal heel eenvoudig was begonnen: er was eens een wanhopige jonge vrouw wier moeder was overleden en wier vader zijn laatste dagen op aarde bijna net zo snel zag vervliegen als zijn fortuin. Het was de zomer van 1874. Ze was eenentwintig jaar oud, een rijpe vrucht die ongeplukt aan de tak hing te rotten. ‘Bij elkaar blijven, meisjes,’ riep mevrouw Harmon tegen de acht jongedames die de veilige omgeving van de twee koetsen verlieten en op de klinkers van de smalle straat stapten. De meisjes – voor de  zekerheid gekleed in eenvoudige dagjaponnen en onopgesmukte hoeden – klitten als schichtige jonge eendjes voor de deur van de huurflat bij elkaar. De huizen waren hier benauwend dicht op elkaar gebouwd, en op deze warme middag stonk het hevig naar de aangekoekte paardenmest op de straat. In de steegjes lagen vuile, gescheurde matrassen, kapotte meubels en roestige blikken. Er hing rook van kolenkachels in de windstille lucht. Van Broome Street tot aan Grand hingen armoedige lijntjes met futloos wasgoed tussen de vensterbanken. Zelfs de gebouwen leken van ellende een beetje te zijn doorgezakt. ‘Bij elkaar blijven?’ zei Alva’s zus Armide. ‘Waar zouden we hier in vredesnaam naartoe kunnen lopen?’ ‘Naar de hel, ‘ antwoordde Lydia Roosevelt. ‘Net als al die andere mensen in deze straat.’ Lydia, een telg van de familie Roosevelt uit Oyster Bay, was verwant aan een van de oprichtsters van de liefdadigheidsinstelling. Alva wist niet meer of die oprichtster nu een nicht of een tante van Lydia was, maar ze besloot er niet naar te vragen. Als ze dat wel deed, zou Lydia alle takken van de familiestamboom uit de doeken doen, en daar had Alva geen zin in.

Onder ‘al die andere mensen’ in de straat bevonden zich veel afgetobde meisjes en vrouwen die zwaarbeladen de huizen in en uit liepen, een paar oude mannen die op stoepjes of met hun rug tegen een muur zaten, en de vuilste kinderen die Alva ooit had gezien. De meeste kinderen speelden blootsvoets op straat. Hadley Berg, die zich altijd spiegelde aan haar vriendin Lydia, merkte op: ‘Tja, wat had je dan verwacht? Deze mensen zijn bij hun geboorte al inferieur aan ons.’ ‘Dat geloof je zelf niet,’ zei Alva. ‘Wat, dat ze inferieur aan ons zijn?’ Hadley verschoof haar hoed om haar gezicht tegen de zon te beschermen. Ze wees op een jongetje met vettig haar en korstjes op zijn knieën, dat tussen zijn tanden pulkte en naar hen keek. ‘Dat hun armoede van nature bij hen hoort?’ ‘Ja,’ zei Armide. ‘Bepaalde omstandigheden spelen ook een rol.’ Alva wierp haar een korte blik toe, want dat laatste beseften zij en haar zus maar al te goed. Als hun omstandigheden niet snel drastisch veranderden, zouden zij en hun twee jongere zusjes misschien ook in zo’n omgeving belanden. Dan moesten zij misschien ook verhuizen naar een kamer zonder stromend water, en hun behoefte doen in een schemerig steegje of op een open binnenplaats, waar iedereen hen kon zien. Ze moesten nu al hun voedsel rantsoeneren , minder vaak uitgaan en tevreden zijn met twee bedienden in plaats van negen, zoals vroeger. Voor de buitenwereld probeerden ze die bezuinigingen zo goed mogelijk te verbergen. Onder het toeziend oog van de wachtende meisjes gaf mevrouw Harmon aanwijzingen aan de koetsiers, die de manden van de koets haalden. In elke mand zaten twintig zakjes van neteldoek, die met twijndraad waren dichtgebonden. Elk zakje bevatte een stuk zeep. Een boekje met eenvoudige, opbeurende gedichten, een lolly, vier penny’s en een naaisetje met twee naalden, draad, spelden en een vingerhoed. De meisjes hadden de ochtend gebruikt om de zakjes te maken en  gingen ze nu uitdelen aan kinderen die tot de armste van Manhattan behoorden: vondelingen, weglopers, immigranten, wezen, straatschoffies, enzovoort. Mevrouw Harmon zei dat  mensen die goed leerden naaien misschien wel tien dollar in de week konden verdienen. Zelfs het werk van een klein kind kon al twintig cent per dag opleveren, een bedrag dat net het verschil kon betekenen tussen een knorrende maag en een gevulde buik.

‘Je kunt de blanke kinderen schoonschrobben en naar school sturen, maar zelfs dan kun je van die jongens nog geen heren maken,’ zei Lydia. ‘Dat gaat gewoon niet. Zo heeft God hen niet geschapen.’ ‘Als die mensen nu eens van de drank afbleven als ze in moeilijkheden raken…’ merkte Hadley op. ‘Dat is nu net het probleem,’ zeil Lydia. ‘De Ieren komen bij wijze van spreken al dronken ter wereld. De Ierse mannen drinken alcohol bij alles wat ze doen, en zelfs de vrouwen zijn er uiterst gevoelig voor. Vorige week hebben we nog een drankzuchtige dienstmeid moeten ontslaan. Mijn moeder betrapte haar toen de stomdronken zilveren bestek in haar zakken stond te proppen.’ ‘Duitsers zijn al bijna net zo erg,’ zei Hadley. ‘Wij hadden vroeger inderdaad een vreselijke Duitse gouvernante,’ zei Armide. ‘Hadden? Verleden tijd? Wie geeft er nu dan les aan je zusjes?’ wilde Lydia weten. ‘Armide,’ antwoordde Alva. ‘Dat kan ze heel goed, en nu moeder er niet meer is, hebben de meisjes het liefst les van haar.’ ‘Vier moederloze, ongetrouwde meisjes.’ Lydia schudde haar hoofd. ‘Wat een pech.’ ‘Maar de joden zijn het ergst,’ vervolgde Hadley. ‘Niet qua drank, want volgens mij is alcohol tegen hun geloof, maar zij zijn stiekem en achterbaks. Uitgekookt.’ ‘En blanke Amerikaanse christenen zijn zeker perfect,’ zei Alva. Lydia hief haar ogen ten hemel. ‘We zeggen gewoon hoe de wereld in elkaar zit, Alva Smith.
Als jij een betere opleiding had gehad, zou je misschien weten hoe dom je nu klinkt.’ Armide kwam tussen hen in staan. ‘Volgens mij is mevrouw Harmon klaar.’ ‘Goed, meisjes.’ Mevrouw Harmon kwam naar hen toe. ‘Vergeet niet dat goede christenen ruimhartig zijn, zowel in daad als in woord.’ Ze gaf de jongedames opdracht groepjes van twee te maken en hun manden te pakken, en daarna zei ze: ‘Wij zijn ervan overtuigd dat iedereen zijn leefsituatie kan verbeteren, ongeacht de omstandigheden van zijn geboorte. Als we maar voldoende middelen en scholing tot onze beschikking krijgen, kunnen we allemaal keurige, verantwoordelijke burgers worden.’ ‘Ja, mevrouw Harmon,’’ klonk een koor van hoge meisjesstemmen. ‘


EEN DUITS MEISJE

Een navrant, tot op het bot gaand, eerlijk, niets ontziend persoonlijk relaas van een jong leven leg ik voor u neer. Het is een autobiografische terugblik van een twintiger die afscheid nam van een extreemrechtse jeugd. In het eerste chapiter met de titel ‘Mijn twee levens’ en de ondertitel ‘Tot mijn  achttiende kende ik alleen nazi’s’ legt zij meteen uit wat er aan de hand was. Ik heb het over de 222 bladzijden tellende paperback Een Duits meisje van Heidi Benneckenstein en De Arbeiderspers met de ondertitel ‘Mijn leven in een neonazifamilie’. Op de voorkant van de omslag ziet u de hoofdpersoon, die de prooi werd van een autoritaire opvoeding en rassenideologie, wat leidde tot een fervente en gedreven nationaalsocialiste. In de Volkskrant van 22 september las ik een interview met de auteur onder de titel van ‘Geen gewoon Duits meisje’ en nu geef ik de eerste bladzijden van Een Duits meisje. Over een tweetal weken wisselen wij met elkaar onze leeservaringen uit.

Heidi Benneckenstein: ‘Ik heet Heidrun, maar mijn vriendinnen noemen me Heidi. Ik ben vierentwintig. Ik heb een man, een zoon en een hond van wie ik meer hou dan van wie dan ook, en een beroep waar ik veel plezier in heb. Ik woon in München, een van de mooiste en welvarendste steden van het land. Als ik de deur uitga, zie ik studenten in cafés zitten en toeristen rondlopen met een reisgids in de hand. Ons huis is niet heel groot, maar ik ben er blij mee, het gaat goed met me. Ik werk als leidster op een crèche, en als ik ’s ochtends bij de tramhalte sta, val ik niet op. Ik ben onopvallend, eerder groot dan klein, eerder slank dan mollig. Ik heb halflang, blond haar en ik draag een spijkerbroek en sportschoenen. Als andere mensen naar me kijken, denken ze – geloof ik – niets bijzonders, en dat is fijn. Ze hebben er geen idee van dat degene die ik achttien jaar ben geweest, niet meer bestaat, dat er iemand voor ze staat die een paar jaar geleden opnieuw is geboren. Ik wil nu eindelijk een leven leiden waar ik trots op kan zijn en waar ik jarenlang hard voor heb gevochten. In de afgelopen jaren heb ik zo vaak over de eerste achttien jaren van mijn leven nagedacht dat ik elk moment afzonderlijk kan oproepen en als een film voor mijn ogen kan afspelen. Het is alsof ik door de tijd reis en op allerlei scenes en fases in- en uit kan zoomen. Het is niet erg fraai wat ik heb meegemaakt. Veel is onaangenaam, veel is verschrikkelijk, sommige dingen zijn kwetsend, beledigend en zelfs schokkend. Ik zie grauwe gestalten, kwaaie koppen, uniformen, fakkels en hakenkruisen, en ik zie een lief meisje dat soms onzeker, soms woedend en dan weer sprakeloos is. Ik was eigenlijk alles, behalve gelukkig. Nooit voelde ik me veilig of beschermd. Daarom heb ik inmiddels drie jaar geleden alles wat ik nog heb uit die tijd in een kist gestopt en die op de zolder in het huis van mijn oma weggeborgen. Ik wilde niets meer met de inhoud van die kist te maken hebben. Het is een en al ellende.

Toch ben ik een jaar geleden nog een keer die zolder opgegaan. Ik haalde de kist tevoorschijn, veegde het stof eraf, deed het deksel open en keel alles door, las elk boek, elke brief, elke ansichtkaart. Makkelijk was het niet, maar het moest, want ik wilde een boek schrijven. Ik voelde dat ik mijn eerste leven alleen kon afsluiten als ik zo veel mogelijk herinneringen aan mijn kindertijd en mijn jeugd opriep, ook de onprettigste en  onaangenaamste. Ik moest de eerste achttien jaar van mijn leven nog een keer helemaal herbeleven om alles achter me te kunnen laten. Helemaal bovenop lag ‘Het Liedboek van de Duitse, Vlaamse en Noordse Jeugd’, niet meer dan een schotschriftje eigenlijk, beduimeld, de pagina’s lieten los. Ik bladerde het door en las hier en daar een paar regels. De liederen heetten ‘Zwart vaandel, houd stand’, ‘Ruim baan, volkeren’, of ‘Duitsland, Duitsland boven alles.’ Sommige titels klonken onschuldig, alsof het om romantische volksliedjes uit de negentiende eeuw ging, ‘De wind waait over de velden’ bijvoorbeeld, maar als je een paar coupletten las, werd snel duidelijk uit welke hoek die wind waaide: ‘Laat ons geest en hand bewegen Stalen onze jonge kracht Dat zij eens met God zijn zegen Ons een sterk Duitsland bracht. Laat niet nijd je blik verduist’ren Oordeel niet naar loze schijn Laat ons tucht en orde minnen Plichtsgetrouw tot ’t uiterste zijn.’ Ik legde het boekje weg en groef verder. Eronder lag een grote stapel brieven, ansichtkaarten en uitnodigingen van de Junge Nationaldemokraten en de Heimattreue Deutsche Jugend, geadresseerd aan Heidrun Redeker, aan mij. Ik las ze van de eerste tot de laatste regel door. Herinneringen ontwaakten, beelden kwamen terug. Er kwamen pamfletten van de Nationaldemokratische Partei Deutschlands (NPD) en de Deutsche Volksunion (DVU) tevoorschijn. ‘Laat Duitsland Duitsland zijn’ stond erop. Ik kon me goed herinneren hoe ik ze met een vriendelijke glimlach uitdeelde onder voorbijgangers in winkelcentra.

Ik vond mijn voorouderpaspoort, een boekje gebonden in perkamentpapier, waarin ik de namen, geboortedata en de geloofsovertuiging van mijn ouders, grootouders en overgrootouders had genoteerd. Mijn handschrift was kinderlijk en precies, ik moet het geconcentreerd en ijverig hebben opgeschreven, alsof ik elk moment kon worden gecontroleerd. ‘Hulde wie met liefde aan zijn vader denkt’, luidt het motto van het boekje. 
Ook vond ik twee T-shirts. Op de ene stond ‘Doodstraf voor pedofielen’, op het andere ‘Een God die ijzer groeien laat, die wil geen knechten’, het begin van het volkslied van Ernst Moritz Arndt uit 1812. Ik vond cd’s van de bands Stahlgewitter, Landser en Gigi uit die Braune Stadtmusikanten. De laatsten domineerden een paar jaar geleden de kranten en nieuwsuitzendingen, omdat Gigi en zijn stadsmuzikanten in 2010, een jaar voor de Nationalsozialistischer Untergrund werd opgerold, de NSU-moorden in hun nummer ‘Doner-Killer’ hadden bejubeld. Als je nu de eerste coupletten leest, is het verbijsterend hoe exact de gebeurtenissen worden beschreven: ‘Neun mal hat er es jetzt getan. Die SoKo Bosporus, sie schlagt Alarm. Die Ermittler stehen unter Strom. Ein blutige Spur und keiner stoppt das Phantom. Sie dreben durch, weil man ihn nicht findet. Er kommt, er totet und veschwindet. Spannender als jeder Thriller, Sie jagen der Doner-Killer.’ ‘Wat wist Gigi?’ luidde de kop in ‘Die Zeit’ – maar pas in april 2012, veel te laat dus. Ik had genoeg gezien, deed het deksel weer dicht en bracht de kist terug naar de zolder. Ik was in de war, het voelde alsof ik achttien jaar het leven van iemand anders had geleid. Het was geen weerzin wat ik voelde, het leek meer alsof ik een blik had geworpen in het verleden van iemand die ik vroeger hooguit oppervlakkig had gekend.

Het kost me moeite om herinneringen, waarvan ik weet dat het de mijne zijn, in overeenstemming te brengen met de persoon die ik ben. Als ik denk aan wat ik vroeger heb gezegd, waar ik in geloofde, waar ik aan twijfelde, dan schaam ik me, maar word ik vooral woedend. Heel soms moet ik er ook om lachen, maar een bevrijdende lach is het nooit, eerder een lachen uit ongeloof, uit verbijstering. Ik heb de eerste achttien jaren van mijn leven tussen nazi’s doorgebracht. Niet op veilige afstand, of een, twee jaren in mijn pubertijd, maar er middenin, exclusief en van het begin af aan. Ik werd door ze opgevoed en op het leven voorbereid. Ik werd door de geslagen en getreiterd, door ze geprezen en beloond. Ik kende eigenlijk helemaal geen andere mensen: mijn grootouders, mijn vader, de vrienden van mijn ouders, de kinderen waar ik in de vakanties mee speelde, mijn eerste vriendengroep, mijn eerste vriendje, zelfs de man met wie ik nu getrouwd ben – het waren allemaal nazi’s, de een radicaal, de ander wat minder, de meesten militant, gewelddadig en met een strafblad. Van jongs af aan ben ik ideologisch geschoold en op militaire wijze gedrild. Als meisje liep ik mee in kilometerslange voetmarsen, zwaaide ik met vlaggen voorzien van twijfelachtige symbolen, strekte ik mijn arm in de Hitlergroet en zong ik verboden liederen mee.

Als tiener zat ik aan biertafels van militante broederschappen, zoop ik bij naziconcerten, stond ik achter kraampjes van de NPD of zat ik bij een kampvuur naast een gast die ik een jaar later terugzag – in de beklaagdenbank van het NSU-proces. Ik sloeg mensen in elkaar en werd zelf in elkaar geslagen, ik viel agenten aan en sloeg voor ze op de vlucht. Ik was lid van de Heimattreue Deutsche Jugend, stond schouder aan schouder met NPD-kaderleden, droeg fakkels, bezocht kameraden in de gevangenis en vierde feest in het Braunes Haus in Jena – en vond dat toen zo gewoon, dat ik achteraf pas begrijp in wat voor moeras ik was weggezonken. Ik was een nazimeisje. Onschuldig schuldig, op de verkeerde plek geboren, erin geschoven, erin geperst, maar toch: een nazi.’


NET VAN BESCHERMING

Ik kreeg gisteren uit het Amsterdamse voor u een boek uit het Italiaanse land toegestuurd, die ik bij u wil introduceren door integraal de eerste bladzijden door te geven en die ik wil voorzien van een romantechnische opdracht aan u. De romancier Willem Fredrik Hermans vond dat een roman geen overbodig woord moest bevatten. Geen mus mocht van het dak vallen of het moest gevolgen hebben voor de dramatische handeling. Ik kwam op de uitspraak van Hermans toen ik het begin las van 292 bladzijden tellende thriller Net van bescherming van Andrea Camilleri en uitgeverij Serena Libri. U zult zo meteen ga lezen met welke droom de hoofdpersoon bij het ontwaken te maken heeft. Indachtig de mus: welke functie heeft die droom in het verloop van het verhaal? Camilleri heeft die toch niet zomaar in zijn verhaal geplaatst. Om de context aan te reiken geef ik vooraf de tekst van de uitgever op de omslag. 

Serena Libri: ‘Het slaperige Vigàta veert op wanneer een Zweeds-Italiaanse filmploeg de jaren vijftig wil doen herleven. Blonde Zweden! Dat laat commissaris Montalbano koud, maar dan duikt er een film van een stuk muur op. Zes filmpjes, elk jaar één, van hetzelfde muurtje. Hij zou Livia opzoeken maar dit moet eerst uitgezocht worden, Livia moet even wachten.  Dan vallen twee gemaskerde mannen klas IIIB van de school binnen, schreeuwend en schietend. Niemand gaat dood maar Livia moet nog even wachten. Citaat uit het boek: Bij het horen van die naam sprong de blonde beer op, hij liet zijn tanden nog harder knarsen, maar daarbij stootte hij nu ook keelklanken uit die eerder op leeuwengebrul leken dan op het gegrom van een beer. Onmiddellijk kwam ook de Zweedse producent overeind, hij pakte de beer bij zijn arm en wist hem, zacht in zijn oor fluisterend, weer in zijn stoel te krijgen.’

Andrea Camilleri: ‘De wekker begon akelig te rinkelen. Met zijn ogen nog dicht stak Montelbano zijn arm uit naar het nachtkastje, hij tastte wat rond en probeerde het ding uit te zetten, bang als hij was dat de naast hem slapende Livia er wakker van zou worden, Maar zijn vingers botsten tegen een glas dat eerst omviel en toen op de grond terechtkwam. Hij vloekte. En meteen hoorde hij Livia grinniken. Hij keerde zich naar haar om. ‘Ben je wakker geworden van de …?’ ‘Nee, ik was al een poosje wakker.’ ‘Echt? En wat deed je dan?’ ‘Nou, wat dacht je? Ik lag te wachten tot het dag werd en ik keek naar jou.’ Montelbano bedacht dat zijn hoofd van achteren bezien wel een monotoon landschap moest zijn. ‘Wist jij eigenlijk wel dat je de laatste tijd in je slaap soms fluit?’ vroeg Livia. God mocht weten waarom, maar dit nieuws zorgde voor ergernis bij Montelbano. ‘Hoe moet ik dat weten als ik slaap? En je moet ook wat preciezer zijn: fluit ik liedjes, stukken uit opera’s of wat?’ ‘Kalm aan, je bent toch niet beledigd,  hoop ik. Ik zal het beter uitleggen: af en toe maak je een soort fluitend geluidje.’ ‘Met mijn neus?’ ‘Dat weet ik niet.’ ‘Let de volgende keer dan op of het uit mijn neus of uit mijn mond komt, en dan kun je het tegen me zeggen.’ ‘Maak het wat uit dan?’ ‘Ja, wel degelijk. Ik heb eens gelezen over iemand met een fluitend geluid uit zijn neus en dat bleek later een symptoom van iets dodelijks.’ ‘Hou toch op. Ik hen trouwens eng gedroomd.’ ‘Vertel.’

‘Ik zat te lezen, op net zo’n veranda als die van ons, maar dan met het uitzicht op de kade bij de haven, Opeens hoor ik opgewonden stemmen en ik kijk op. Ik zie een man om hulp schreeuwen. Hij wordt achtervolgd door een andere man die roept dat hij moet stoppen. De man die wegrent heeft een grote sjaal om zijn hoofd, een soort sjerp, iets wat onder zijn kin zit vastgeknoopt. Zijn achtervolger heeft een brede riem om en daar heeft hij een heleboel lange messen achter gestoken. Op een gegeven moment staat de voorste man bij de zijkant van een vrachtschip. Hij twijfelt even en zijn achtervolger neemt dat moment van aarzeling te baat en gooit een mes naar hem dat hem van achteren in zijn nek raakt, het gaat dwars door hem heen, komt er bij zijn keel weer uit en blijft steken in de houten zijkant van dat schip. Afschuwelijk. Dan stopt de achtervolger en hij begint andere messen naar het slachtoffer te gooien, tot hij de omtrek van die man helemaal heeft uitgetekend met die messen. Plotseling keert hij zich om en zet een stap in mijn richting. Op dat moment werd ik gelukkig wakker.’ ‘We zijn ons gisteren nogal te buiten gegaan aan die inktvisjes.’ was het commentaar van Montalbano. ‘En wat heb jij gedroomd?’ vroeg Livia. Precies op dat moment ging de wekker. Maar hoe kon dat nou? Die was vijf minuten geleden toch ook al afgegaan. Nog half slapend deed de commissaris zijn ogen open en meteen begreep hij dat hij alleen in bed lag. Livia was er niet, die zat in Boccadasse. Hij had alles gedroomd, tot en met de droom van Livia aan toe.’


JIJ BENT NIET ZOALS ANDERE MOEDERS

Ik ga u onderdompelen in badwater van een razend bruisend boek. Ik laat u kennismaken met eer roman die in de realiteit van het bestaan zijn bron heeft. Ik ga u confronteren met een arsenaal aan fictie die ontleend is aan de non-fictie. Het gaat om een literair product waarvan er al in de Heimat 1 miljoen exemplaren verkocht zijn. Ik heb het over de 462 bladzijden tellende paperback Jij bent niet zoals andere moeders van Angelika Schrobsdorff en Nieuw Amsterdam met de ondertitel ‘Het levensverhaal van een gepassioneerde vrouw’. De titel wordt meteen door het motto voorin verklaard, want ‘Jij bent niet zoals andere moeders, je hebt geen oude handen en geen wit haar En je omringt me niet met verstikkende zorg.’ Het is de eerste strofe uit een gedicht van Peter Schwiefert, opgedragen aan zijn moeder. De moeder ontmoeten wij weer in de ondertitel, want zij is de gepassioneerde, Joodse vrouw Else Kirschner uit de Charlottenburg in het Berlijn van voor de Tweede Wereldoorlog. En om nog meer uit de doeken te doen: de schrijfster Angelika Schrobsdorff is de dochter van het hoofdpersonage Else[PK1]  Kirschner.

Else kent als geboortejaar 1893 en haar ouders Daniel en Minna hebben het goed, want Duitsland was hun vaderland, Duits hun taal, Duits hun cultuur en Joods hun religieuze en familiaire bewustzijn. Ze respecteerden de keizer, omdat hij nou eenmaal de keizer was en bovendien een mens onder wiens heerschappij ze in rust en vrijheid leefden, werkten en studeerden. Ze konden geld verdienen en hogere posities bereiken en tegelijk trouw blijven aan hun jodendom. Else kan het leven vieren tot de nazi’s van Hitler met hun antisemitisme in de jaren dertig er bot een eind aan maken en zij als balling in Bulgarije een heenkomen vindt. Voordat het zover is leeft Else een losbandig leven waarin huwelijkse trouw principieel taboe is. Zij verkeert met Fritz Schwiefert, Hans Huber en Erich Schrobsdorff die in gezamenlijk de Dahlemse villa frequenteren en de drie vaders zijn van respectievelijk Peter, Bettina en Angelika. De laatste baseerde haar roman op dagboeken en honderden brieven van en aan haar moeder Else. De uitdaging bij het noteren van een  familieverhaal is niet alleen een bewogen geschiedenis maar vooral ook een tintelende verteltrant. Het proza van Angelika laat ik nu horen of lezen door het eerste stuk aan u door te geven. U weet van mij dat ik een hang heb naar werken over het voorspel, verloop en naspel van de Tweede Wereldoorlog: Jij bent niet zoals andere moeders is voor mij een eyeopener. De illustratie op de omslag is in zoverre functioneel, dat Else tot de jaren dertig mag likken van het leven.

Angelika Schrobsdorffe: ‘Vandaag, 30 juni, haar verjaardag, heb ik het dunne, langwerpige boekje uit de kist gehaald waarin ik de dingen van vroeger bewaar. Het is van stevig karton met een zwart-gouden versiering langs de randen en een gouden opschrift. Er staat: levensverhaal van ons kind Else De hoeken van het boekje zijn wat beschadigd, verder oogt het als nieuw. Het is achtennegentig jaar oud. Ook de ingeplakte eerste haarlokjes van Else zijn achtennegentig jaar oud, maar ze zien eruit alsof ze eergisteren zijn afgeknipt. Ze zijn bruin, vervolgens honingblond en ten slotte, in 1897, koperrood. Is haar onvergankelijk? Vergaat het niet tot stof? Het voelt zijdeachtig aan onder mijn vingers. Toen ik Else, mijn moeder, leerde kennen, had ze bronskleurig haar, sterk als de manen van een paard. Ze oogde altijd ongekapt, ook als ze net van de kapper kwam. Haar volle, kortgeknipte krullen waren niet in bedwang te krijgen. Het was niet het enige aan haar wat niet te bedwingen was. Ik had graag haar krullen en haar vitaliteit geërfd. Maar op deze punten – en nog een paar andere – heb ik meer van mijn vader.

O god, de ongerijmde gedachten die me bij de aanblik van het rode boekje overvallen, de herinneringen, het verlangen! Verlangen naar het verleden waarin ik leefde, verlangen naar een verleden waarin ik niet heb geleefd. Berlijn rond de eeuwwisseling. Wat stel ik me daarbij voor? Waarschijnlijk een intacte, inmiddels verdwenen wereld: trams en door paarden getrokken dubbeldeksbussen; kasseien en gaslantaarns; solide huizen met de kleur van koffie verkeerd en ‘deftige’ villa’s in grote tuinen; draaiorgels, bloemen- en fruitstalletjes, worst- en krantenverkopers; de eerste luxe warenhuizen; dansgelegenheden, cafés met een strijkorkestje, chique eetgelegenheden met obers in rokkostuum; variététheaters en schouwburgen; parken in alle tinten groen, met donkere, prachtige bouwwerken en onverzettelijke monumenten; de Kurfürstendamm en Unter den Linden, waar heren in een zwart colbert met een grijs gestreepte broek en dames met een mof, een met bloemen versierde hoed en een hooggesloten blouse flaneerden; en rond de stad de meren, de Spree, de dennenbossen waar de mensen in huurrijtuigen naartoe reden om te picknicken en te roeien, en waar ze in een uitspanning witbier dronken en gehaktballen aten terwijl er een militaire muziekkapel enthousiast speelde.

De wereld van mijn moeders jeugd. Was die zo? Was die intact? Daar lijkt het wel op. ‘Ik was het kleine, geliefde meisje van Joodse ouders, liefdevolle ouders, liefdevoller kan niet. Wij, mijn drie jaar jongere broertje Friedel en ik, waren gelukkige kinderen en het ontbrak ons aan niets.’ Dat schreef ze. De aantekeningen die haar moeder Minna over haar leven maakte, zijn nogal karig, en ik kan me voorstellen waarom. Minna’s literaire smaak was streng, en het boekje dat ze waarschijnlijk van een van haar vele familieleden had gekregen, stond vol met pijnlijke gedichten, zoals: Buiten bloeit alles zo prachtig/ Het is een en al geur en glans/ Rond het schomm’lend wiegje/ Zweven engelen in hemelse dans. ‘Buitenissig’ noemde ze zoiets, een woord dat ze vaak gebruikte. Een hoed kon buitenissig zijn, een persoon, een toetje, zelfs een begrip. Het beeld dat sommige mensen, vooral jongeren, van de liefde hadden, was bijvoorbeeld volkomen buitenissig. Liefde tussen man en vrouw was niet meer dan inbeelding. Kinderen waren de enige grote liefde en het enige echte geluk van een vrouw, en met dat doel sloot je een
huwelijk, een weloverwogen, door de ouders gearrangeerd en geregeld huwelijk. Wat kon jou de wereld schelen met je familie waarin je je geborgen voelde; die jou nodig had, voor wie je er moest en wilde zijn, van de eerste tot de laatste snik. Dat was Minna’s instelling, en dat was de voorwaarde waarop ze trouwde met de vrolijke, hartelijke Daniel Kirschner, een man met een buikje, ogen als waterdruppels en de eigenaar van een groothandel in jurken, blouses en peignoirs. Na twee jaar werd Else geboren.

De geboorteadvertentie, die vast in een Joodse krant werd geplaatst en op de eerste bladzijde van het rode boekje is geplakt, is bescheiden: Wij zijn zeer verheugd over de voorspoedige geboorte van ons gezonde dochtertje Daniel Kirschner en echtgenote Minna, geb. Cohn Berlijn, 30 juni 1893.
Hoe zal ze er toen hebben uitgezien, de kleine, fragiele Minna, die ik niet anders heb gekend dan in zwarte kleren, waaruit alleen haar handen en haar gezicht staken, een lang, smal, door scepsis en melancholie verduisterd gezicht dat meteen ophelderde en begon te stralen als ze haar kleinkinderen om zich heen had. Ze rouwde nog altijd om haar zoon, had mijn moeder me uitgelegd, ze kwam niet over zijn dood heen. Siegfried, die gelukkig Friedel werd genoemd, was in 1918 overleden aan de Spaanse griep. Ik heb nooit een foto van hem gezien of een woord van mijn grootouders over hem gehoord, want alleen al het noemen van zijn naam had een desastreuze uitwerking op Minna’s gemoedstoestand.
Ik kan me dus nauwelijks voorstellen hoe ze er als jonge vrouw uitzag, in lichte kleren en op haar gezicht een overmoedige lach. Nee, overmoedig was ze waarschijnlijk niet, maar wel tevreden, want haar leven, waar ze geen buitenissige eisen aan stelde, had haar een verstandig huwelijk met een goede, zachtaardige man en de geboorte van een gezond kind geschonken. Misschien was ze zelfs vrolijk of in ieder geval een beetje vrolijk, maar aanleg tot melancholie heeft ze vermoedelijk altijd gehad. Haar voorouders kwamen uit Spanje en het Sefardische bloed had haar uiterlijk bepaald: een lichte olijfkleurige huid, bijna zwarte, amandelvormige ogen en prachtig dik, golvend haar dat ze in mijn tijd in een stevige, staalgrijze knot opstak.

Het gotische schrift waarin ze de belangrijkste ontwikkelingen van haar dochter in het rode boekje schreef, is even fragiel en netjes als zijzelf. Ze noteert gewicht, inentingen, het eerste tandje, de eerste stapjes en de eerste woordjes. Uit de bladzijden met de titel ‘Dagboek’ maak ik op dat Elsje al met tweeënhalve maand haar eerste jurkje draagt, met negen maanden voor het eerst de bokkenpruik opzet, op haar eerste verjaardag wordt gefotografeerd – de foto is goed gelukt – met anderhalf jaar ‘Anna Marie’, ‘Vos van onze ganzen heb je weer een weggediefd’ en ‘Word wakker, het zonnetje is al op’ zingt, met ruim twee jaar de hele Piet de Smeerpoets uit het hoofd kan opzeggen, en met vierenhalf jaar naar de kleuterschool gaat, waar ze haar eerste handwerkje maakt, dat echt alleraardigst is gelukt. Deze aantekeningen laten al duidelijk het uitgestippelde levenspad van de kleine Else zien. Ze wordt vanaf haar babytijd klaargestoomd voor een welgesteld huwelijk, waarin ze niets anders moet en mag zijn dan vrouwtje en moeder. Het is ongetwijfeld Minna die binnen het gezin de lakens uitdeelt, wat Daniel zonder protest laat gebeuren. Hij houdt van zijn vrouw en waardeert haar, hoewel ze hem nooit de warmte en tederheid geeft die meer voor hem zouden gaan betekenen dan de onberispelijke vervulling van haar huwelijkse plichten. Hij erkent haar als slimmer en intellectueler, want ze komt uit een veruit betere familie. Sigmund, haar vader, was arts in West-Pruisen; Aaron, zijn vader, bakker ergens bij de Poolse grens. Zij komt uit een gezin met zes kinderen en genoot een goede opleiding, hij had acht broers en een zus en moest op zijn veertiende van school. Zij had boeken gelezen en piano gespeeld, hij had met zijn acht broers brood moeten bezorgen en in het koor van de synagoge gezongen. Zijn moeder was vroegtijdig bij de elfde bevalling gestorven, zijn vader, een orthodoxe Jood, had overdag in de bakkerij staan zwoegen en daarna tot diep in de nacht in de Thora gelezen en de Talmoed bestudeerd. Nadat de negen zoons voortijdig van school waren gehaald, werden ze de wereld ingestuurd om een ambacht te leren – waar en wat dan ook. Ze waren alle negen in het veelbelovende Berlijn beland en bouwden daar een fatsoenlijk bestaan op. Op hoge leeftijd verhuisde hun vrome vader ook naar Berlijn, waar hij bij een van zijn zoons introk. Hij stelde huiverend vast dat zijn kinderen, die streng in de leer waren opgevoed, de geboden van de Heer zeer verwaarloosden en zwichtten voor de verleidingen van de goddeloze tijd. Ik ken maar één verhaal over mijn overgrootvader Aaron. Vermoedelijk het enige verhaal dat Else vanwege de verstrekkende gevolgen niet is vergeten. Ze moet het ergens na mijn dertiende hebben verteld, want daarvoor had ik – en dat van mijn vader – slechts over één Jood gehoord, en dat was Jezus.’
 

CULTUURMIX 29 OKTOBER 2018

Papendrecht 29-10-2018

DE VULKAAN

Ik ga op reis en neem mee, ik vul mijn herfstvakantie met, ik doe een vuistdikke paperback in mijn valies, ik breng mijn dagen door met een enkel boek. Ik heb het over de 544 bladzijden tellende epos De vulkaan van Klaus Mann en Querido met de ondertitel ‘Roman onder emigranten’. Ik genoot van de voorpret van het lezen van dit boek door de intro  van het eerste hoofdstuk tot mij te nemen en om u dezelfde geneugte te bezorgen citeer ik het fragment. Uiteraard wilt u de context weten en daarom geef ik eerst het woord aan de uitgever op de site. Na onze vrije leesdagen wisselen wij onze ervaringen met elkaar hier uit.

Querido:
Een groep aan de nazi’s ontvluchte kunstenaars en bohemiens spreekt begin jaren dertig regelmatig af in een Parijs café. Onder hen de actrice Marion, de begaafde jonge, aan heroïne verslaafde dichter Martin (in wie we Klaus Mann zelf herkennen), zijn geliefde (de mooie Braziliaan Kikjou) en een Amsterdamse professor. Wat hen bindt is de angst voor het opkomende nazisme, de heimwee naar hun vaderland en de hoop op een betere toekomst. Maar in de jaren die volgen neemt de dreiging almaar toe: in 1939 staat Europa als een vulkaan op uitbarsten. De vulkaan, door Klaus Mann als zijn beste boek beschouwd, is een van de belangrijkste exilromans ooit geschreven. Mann vluchtte voor de nazi’s naar Amsterdam, waar hij onderdak vond bij de door Emanuel Querido en Fritz Landshoff opgerichte exiluitgeverij Querido Verlag. In 1939 publiceerde hij er Der Vulkan, dat nu voor het eerst in een Nederlandse vertaling verschijnt.’

Klaus Mann: ‘Het kleine restaurant op de hoek van Boulevard Saint-Germain en Rue des Saints-Pères was om halfnegen al bijna helemaal leeg. In Parijs wordt gedineerd tussen halfzeven en acht uur, daarna zitten er alleen nog maar gekken of buitenlanders aan tafel. De laatste twee gasten, een Amerikaans echtpaar, zaten net hun koffie te drinken toen de serveerster geschrokken naar de deur keek: er kwamen nog vier mensen binnen, twee jongemannen, een jonge en een oudere vrouw. Een van de jongemannen – hij was opvallend bleek en mager; boven zijn gezicht, dat wel van was leek, stonden zijn zwarte haren rechtovereind, als in voortdurende ontzetting te berge gerezen – informeerde of ze nog iets te eten konden krijgen. De serveerster wilde al nee zeggen toen de patronne van achter de bar haar stem liet horen: maar natuurlijk, ze had nog twee porties poulées en een ‘schnitzel viennois’, en voor een van de dames kon ze wel een omelet maken. De vier namen daar genoegen mee; terwijl ze aan een tafel in de hoek gingen zitten, zei de jongeman die de vraag aan de serveerster had gesteld: ‘Ik heb nieuwe kranten uit Berlijn te pakken gekregen!’ Hij legde een stapel bladen voor zich neer. De jonge vrouw trok een grimas en zei: ‘Bah!’ Ze spraken Duits – wat het echtpaar aan de tafel naast hen de oren deed spitsen. Nu was het de Amerikaanse die een grimas vol weerzin trok. Tegelijk haalde ze haar schouders op en zei ze iets tegen haar man, waarschijnlijk iets kwetsends over Duitsers in het algemeen en over die vier in hun hoekje in het bijzonder. Haar man leek haar op alle punten gelijk te geven; hij knikte verontwaardigd en riep toen met daverende stem: ‘L’addition, mademoiselle!’

De Duitsers hadden intussen hun kranten voor zich uitgespreid. De jonge vrouw zei, met een mooie sonore, wat mokkende stem: ‘Ook nog geld uitgeven voor die rommel! Schande!’ Terwijl haar gezicht van afkeer vertrokken bleef, alsof er iets stinkends, een dierenlijkje of braaksel, op het tafelkleed tussen de couverts lag, stak ze haar lange, onrustige, gespierde handen gretig naar de bladen uit. ‘Laat meteen maar het afschuwelijkste zien!’ riep ze met een duister lachje. ‘De Berliner Illustrirte!’

De magere zwartharige jongeman hield haar somber plagend de voorpagina van de Illustrirte voor; daarop stond de Führer en Rijkskanselier in een idyllisch tête-à-tête met een klein meisje met blonde vlechten, dat hem een enorme bos bloemen aanreikte. ‘Mooie man, hè,’ zei de bleke jongeman met een zuur glimlachje. De oudere vrouw – ze viel op door haar kortgeknipte, harde grijze haren en een roodbruin kapiteinsgezicht – zette haar armen in haar zij en riep bulderend: ‘Hoho!’ De Amerikaanse dame zei tamelijk luid: ‘Disgusting!’ en stond op. De vier Duitsers, verdiept in de foto, hoorden het niet; ze zagen ook niet hoe dreigend het gezicht van de Amerikaanse was toen ze, gevolgd door haar echtgenoot, de zaal doorkruiste op weg naar de uitgang. ‘Hij krijgt een buikje!’ constateerde de tweede jongeman, waarbij hij de Führer bedoelde.
Toen de Amerikaanse langs de tafel kwam waar Duits werd gesproken en de foto van Hitler werd bekeken, bleef ze even staan en zei heel duidelijk: ‘En bas les boches!’ Ze sprak het Frans vrij behoorlijk uit, veel beter in elk geval dan haar man, die er nog met een zwaar accent aan toevoegde: ‘En bas les nazis!’ Hij was inmiddels al bij de deur. Maar de dame draaide zich nog even om en nu spuugde ze. Van een afstand van minstens twee meter spuugde ze heel krachtig en trefzeker – van die respectabele, zeker niet meer jonge vrouw had je dat niet verwacht – zodat er een mooie, sappige portie speeksel vlak naast de schoenen van de magere jongeman op de vloer kletste. Toen viel de deur achter de Amerikaanse dicht. De serveerster en de patronne van het restaurant hadden zwijgend naar het incident staan kijken; de serveerster met een nauwelijks zichtbare boosaardige grijns, de patronne met een schouderophalen, alsof ze wilde zeggen: ‘Waarom zou je je zo opwinden over die Duitsers? Zolang ze hun rekening betalen zal het me allemaal een zorg zijn.’

De vier aan tafel waren zo geschrokken en verbijsterd dat secondenlang geen van hen een woord kon uitbrengen. De twee jongemannen en de jonge vrouw waren erg bleek geworden, terwijl het gezicht van de oudere vrouw stralend roodbruin bleef. Zij was het die het zwijgen verbrak doordat ze keihard begon te lachen. ‘Geweldig!’ bracht ze schaterend uit, waarbij ze herhaaldelijk dreunend op de tafel sloeg. ‘Uitgerekend ons moet dat overkomen! Kostelijk! Ongelooflijk!’ De twee jongemannen probeerden mee te lachen, maar het resultaat was erbarmelijk, ze kwamen niet verder dan een bittere zweem van een glimlachje. De jonge vrouw keek naar haar bord en zei zacht: ‘Ik vind het helemaal niet grappig.’ Waarom niet grappig, hoezo niet? wilde de oudere vrouw weten. Maar nu bekende de tweede jongeman, die blond en fors was, met een licht, breed, knap, enigszins week en vermoeid gezicht: ‘Ik kan het eigenlijk ook niet zo leuk vinden. Mijn hemel, ik ben me doodgeschrokken!’ Hij legde zijn hand op zijn hart en keek met grote, verbijsterde ogen, koket om medelijden vragend, van de een naar de ander. De magere zwartharige jongeman keek peinzend naar de fluim die nog naast zijn voeten op de grond lag. ‘Twee weken geleden,’ zei hij zacht, ‘precies twee weken geleden ben ik bespuugd door een SA’er in Berlijn, op de Kurfürstendamm. Ook van een tamelijk grote afstand. Hij mikte nog wat beter dan deze lady, zijn speeksel bleef aan mijn schoenen plakken.’ In de korte stilte die op deze mededeling volgde, zei de vrouw met het grijze haar: ‘Arme David.’ De serveerster zette met een demonstratief gebrek aan voorkomendheid de twee porties poulées, de schnitzel viennois en een omelet op tafel. ‘We hadden die mensen uit de droom kunnen helpen,’ zei de blonde jongeman met zijn mooie, weke gezicht – hij had een lijzig melodieuze manier van praten; zijn woorden kwamen aarzelend en vleiend uit zijn mond. ‘We hadden ze kunnen vertellen dat we dan misschien wel “sales boches” zijn, maar zeker geen “sales nazis”. Ik weet alleen niet of die mensen überhaupt belangstelling voor zulke nuances hadden gehad, waarschijnlijk is het voor hen allemaal één pot nat.’ Hij haalde zijn schouders op en glimlachte berustend. ‘Bovendien gaven ze ons niet de tijd om uitvoerig met ze in gesprek te gaan.’

De jonge vrouw met de mooie mokkende stem schoof de kranten weg die nog steeds opengeslagen tussen de wijnglazen en de borden lagen. ‘Dit soort dingen moet je je laten welgevallen! Ik was er meteen al tegen om met die rotzooi’ – ze gaf de papieren nog een woedende duw – ‘in een openbare gelegenheid te gaan zitten. Het is gewoon te compromitterend!’ Ze zag er in haar woede heel aantrekkelijk uit. Fraaie vlammen van woede schoten uit haar ogen, die een merkwaardig donkergroene, naar zwart neigende kleur hadden. De blonde jongeman – hij heette Martin Korella – legde een arm om haar schouders en smeekte met zijn lijzige vleiende stem: ‘Erger je niet, Marion! Eigenlijk ging het helemaal niet over ons. Eigenlijk moeten we er blij om zijn: het bewijst hoe de nazi’s in het buitenland gehaat worden. In Amerika schijnt de stemming echt tegen ze te zijn. Die twee waren toch Amerikaans?’ vroeg hij.
Maar Marion wilde zich niet laten kalmeren. ‘Het is afschuwelijk!’ klaagde zij. ‘Het is die Hitler binnen de kortste keren gelukt de Duitsers in de wereld weer zo gehaat te maken dat je de kans loopt bespuugd te worden als je laat merken dat je Duitser bent!’

Martin, wiens arm nog steeds om Marions schouders lag, zei nadenkend: ‘Maar het is de vraag of die mondiale verontwaardiging van blijvende aard is. De mensen vergeten zo gauw, en er komen weer andere sensaties. Over vijf jaar zouden we misschien blij zijn als de mensen bij het zien van Berlijnse kranten nog woedend werden.’ De grijze vrouw stelde voor: ‘Laten we nou maar eens wat eten, mensen, alles wordt koud! Mijn schnitzel ziet er heerlijk uit!’ Ze zei ‘mijn schnitzel’, hoewel ze nog helemaal niet hadden besproken hoe de gerechten verdeeld zouden worden. ‘Moeder Schwalbe heeft altijd gelijk,’ constateerde Martin Korella, en hij schonk de resolute oude vrouw een lange, teder triomfantelijke blik vanuit zijn slaperig sensuele ogen. ‘Ja, we gaan eten!’ David zei snel: ‘Ik heb niet zo’n honger, ik neem de omelet wel als jullie het goed vinden.’ Hij had een vreemde manier om bij het praten zijn rechterschouder met een scheef rukje opzij te buigen, waarbij hij zijn ongezond blauwe lippen vertrok tot een beminnelijk angstig lachje. Het was een ontroerende en enigszins groteske, zowel meelijwekkende als vermakelijke kleine beleefdheidspantomime. ‘Ik laat mij de eetlust niet bederven,’ verklaarde moeder Schwalbe, al druk bezig met haar schnitzel. En David, voor wie ze het niet erg aanlokkelijk ogende harde omeletje hadden overgelaten, merkte schuchter op: ‘Ik vind het hier wel leuk. Dit restaurant bevalt me wel. En dat we hier zo met z’n vieren bij elkaar zitten... Daar heb ik in Berlijn vaak naar verlangd,’ bekende hij, en over zijn wasbleke gezicht trok een vluchtige, lichte blos. ‘Sommige wensen gaan onder uiterst vreemde omstandigheden in vervulling, heel anders dan je je oorspronkelijk had voorgesteld.’ Zijn reebruine, bijziende ogen schoten heen en weer tussen Marion, Martin en moeder Schwalbe, totdat hij ze bescheiden en angstig neersloeg.’
[...]



21 LESSEN VOOR DE 21ste EEUW

Ik mocht bij u introduceren de bestsellers van de Israëlisch historicus, filosoof, filosoof en transhumanist, die verbonden is aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. Ik heb het over ‘Sapiens’ over het verleden en over ‘Homo Deus’ over de toekomst, Nu mag ik aankondigen een werk over het heden. Ik vraag uw aandacht voor het 448 bladzijden tellende 21 lessen voor de  21ste eeuw van Yuval Noah Harari en uitgeverij Thomas Rap. Daar ik dit bij voorbaat opnieuw belangrijke boek nog maar een paar dagen in heb, maar - met een wenk naar de voor velen van u nakende herfstvakantie – wil ik nu al ervan gewag maken door het Voorwoord integraal aan u door te geven. Het spreekt voor zich dat wij in november wederom elkaar rond dit boek elkaar ontmoeten. U weet na het lezen van deze geloofsbrief wat u te wachten staat. 

Yuval Noah Harari: ‘
In een wereld die overspoeld wordt met irrelevante informatie is helderheid macht. In theorie kan iedereen meediscussiëren over de toekomst van de mensheid, maar het is zo moeilijk om alles helder te blijven zien. Vaak merken we niet eens dat er een discussie gaande is of wat de belangrijkste punten zijn. Miljarden mensen hebben zelden de luxe om mee te denken, omdat ze belangrijker zaken aan hun hoofd hebben: ze moeten naar hun werk, voor de kinderen zorgen of bejaarde ouders assisteren. Helaas doet de geschiedenis niet aan ‘niet goed, geld terug’. Als er besloten wordt over de toekomst van de mensheid zonder dat jij erbij bent, omdat je het druk had met het voeden en kleden van je kinderen, dan zullen jij en zij de consequenties van die beslissingen niet ontlopen. Dat is heel oneerlijk, maar wie zei dat de geschiedenis eerlijk was? Als historicus kan ik mensen geen eten of kleren geven, maar ik kan wel proberen het een en ander te verhelderen, zodat de kansen wat eerlijker verdeeld worden. Als dat ook maar een paar extra mensen de kans geeft om mee te discussiëren over de toekomst van onze soort, is mijn missie geslaagd. Mijn eerste boek, Sapiens, ging over het verleden van de mens en over de vraag hoe een onbetekenende aap de absolute heerser op aarde werd. Homo Deus, mijn tweede boek, was een onderzoek naar de toekomst van het leven op aarde op de lange termijn, waarin ik mijn gedachten liet gaan over de verschillende manieren waarop mensen uiteindelijk misschien goden zullen worden, en over het uiteindelijke lot van intelligentie en bewustzijn.

In dit boek wil ik me richten op het hier en nu, op de huidige stand van zaken en de nabije toekomst van onze menselijke samenlevingen. Wat gebeurt er op dit moment? Wat zijn de grote uitdagingen en keuzes van nu? Waarop moeten we letten? Wat moeten we onze kinderen bijbrengen? Uiteraard zijn er zeven miljard mensen op de wereld, met zeven miljard verschillende wensenpakketten, en zoals ik al zei, is het een relatief zeldzame luxe om te kunnen nadenken over grote kwesties. Een arme alleenstaande moeder die twee kinderen moet zien groot te brengen in een achterbuurt van Bombay kan niet veel verder denken dan de volgende maaltijd, bootvluchtelingen die ronddobberen op de Middellandse Zee turen de horizon af naar land, en een stervende patiënt in een overvol Londens ziekenhuis heeft al zijn krachten nodig om nog één keer adem te halen. Ze hebben allemaal veel urgentere problemen dan het broeikaseffect of de crisis waarin onze democratieën verkeren. Er is geen boek dat aan dat alles recht kan doen en voor mensen in dat soort situaties heb ik geen wijze lessen. Ik kan alleen maar hopen dat ik iets van hen kan leren. In dit boek laat ik mijn blik over de hele wereld gaan. Ik kijk naar de belangrijkste krachten die overal ter wereld inwerken op onze samenlevingen en die hoogstwaarschijnlijk de toekomst van onze planeet als geheel zullen beïnvloeden. Klimaatverandering is misschien het laatste waar mensen in doodsnood aan denken, maar uiteindelijk zou het heel goed kunnen dat daardoor de achterbuurten van Bombay onleefbaar worden, er enorme nieuwe golven vluchtelingen de Middellandse Zee over komen en er een wereldwijde zorgcrisis ontstaat. De werkelijkheid is een web met vele draden en in dit boek behandel ik verschillende aspecten van de hachelijke situatie waarin we ons bevinden, zonder aanspraak te maken op volledigheid. Anders dan ‘Sapiens’ en ‘Homo Deus’ is dit boek niet bedoeld als een groot historisch overzicht, maar meer als een verzameling lessen. Die lessen worden niet afgesloten met simpele antwoorden. Ze zijn bedoeld om lezers te stimuleren er dieper over na te denken en handvatten te bieden waarmee eenieder zijn stem kan laten horen in de grote debatten van onze tijd.

In wezen is dit boek geschreven in samenspraak met het publiek. Veel hoofdstukken zijn ontstaan als reactie op vragen van lezers, journalisten en collega’s. Eerdere versies van sommige stukken zijn in andere vorm al eerder gepubliceerd, wat me de kans gaf om feedback te krijgen en mijn argumenten bij te slijpen. Sommige stukken gaan over technologie, sommige over politiek, sommige over religie en weer andere over kunst. Bepaalde hoofdstukken zijn een lofzang op de menselijke wijsheid, andere belichten de cruciale rol van de menselijke domheid. Maar de overkoepelende vraag blijft hetzelfde: wat gebeurt er momenteel in de wereld en wat is de diepere betekenis daarvan? Wat heeft de overwinning van Donald Trump te betekenen? Wat kunnen we doen aan de epidemie van nepnieuws die ons overspoelt? Waarom verkeert de liberale democratie in een crisis? Is God terug van weggeweest? Zit er een nieuwe wereldoorlog aan te komen? Welke beschaving domineert de wereld: het westen, China, de islam? Moet Europa de deur open blijven houden voor immigranten? Kan het nationalisme effectieve oplossingen bieden voor problemen als ongelijkheid en klimaatverandering? Hoe moeten we terrorisme aanpakken? Hoewel dit boek een mondiaal perspectief biedt, zal ik de persoonlijke factor niet verwaarlozen. Integendeel, ik wil de verbanden tussen de grote revoluties van ons tijdperk en het zielenleven van afzonderlijke individuen juist benadrukken. Terrorisme is bijvoorbeeld niet alleen een mondiaal politiek probleem, maar ook een intern psychologisch mechanisme. Terrorisme werkt doordat het de angstknop in het diepst van onze hersenen indrukt en de fantasie van miljoenen individuen op hol laat slaan. Op dezelfde manier speelt de democratische crisis zich niet alleen af in parlementen en stembureaus, maar ook in neuronen en synapsen. Het is ontzettend cliché om te zeggen dat het persoonlijke politiek is, maar in een tijd waarin wetenschappers, grote bedrijven en overheden er steeds beter in worden om het menselijk brein te hacken, klinkt het onheilspellender dan ooit. In dit boek becommentarieer ik dan ook niet alleen het gedrag van hele samenlevingen, maar ook dat van individuen. 

Een geglobaliseerde wereld legt meer druk dan ooit op ons persoonlijke handelen en onze moraal. We zitten allemaal verstrikt in talloze allesomvattende spinnenwebben, die aan de ene kant onze bewegingsvrijheid inperken, maar tegelijk de kleinste individuele sparteling doorzenden naar verre bestemmingen. Onze dagelijkse routine beïnvloedt het leven van mensen aan de andere kant van de wereld en sommige persoonlijke gestes kunnen onverwacht de hele wereld over gaan, zoals gebeurde met de zelfverbranding van Mohammed Bouazizi in Tunesië die de Arabische Lente inluidde, en met de vrouwen die hun verhalen over seksuele intimidatie deelden en de #MeToo-beweging in gang zetten. Doordat ons persoonlijke leven zo’n mondiale dimensie heeft gekregen, is het nu belangrijker dan ooit om ons bewust te zijn van onze religieuze en politieke vooroordelen, onze raciale en gendergerelateerde privileges en onze ongewilde medeplichtigheid aan systematische onderdrukking. Maar is dat een realistische onderneming? Hoe kan ik een degelijke ethische basis vinden in een wereld die tot ver achter mijn horizon reikt, die we als mensen nauwelijks nog in de hand hebben en waarin alle goden en ideologieën verdacht zijn geworden? Dit boek begint met een overzicht van de huidige politieke en technologische knelpunten. Aan het eind van de twintigste eeuw leek het erop dat de grote ideologische veldslagen tussen fascisme, communisme en liberalisme waren geëindigd met een overweldigende overwinning voor het liberalisme. Democratie, mensenrechten en de vrije markt leken voorbestemd om de hele wereld te veroveren. Maar zoals altijd nam de geschiedenis een onverwachte wending en na de val van het fascisme en het communisme raakt nu het liberalisme in de knel. Dus waar gaan we met zijn allen naartoe?

Deze vraag is vooral zo urgent omdat het liberalisme zijn geloofwaardigheid verliest op precies hetzelfde moment dat revoluties in informatietechnologie en biotechnologie ons voor de grootste uitdagingen stellen die onze soort ooit heeft meegemaakt. De fusie tussen infotech en biotech zal mogelijk al heel snel miljarden mensen van de arbeidsmarkt drukken en daarmee vrijheid én gelijkheid ondermijnen. Big-data-algoritmen kunnen digitale dictaturen creëren waarin alle macht in handen van een kleine elite komt, terwijl de massa niet eens meer wordt uitgebuit, maar – erger nog – volkomen irrelevant wordt. In mijn vorige boek, Homo Deus, heb ik het uitgebreid gehad over de fusie tussen infotech en biotech, maar waar dat boek ging over onze vooruitzichten op de lange termijn – en dan heb ik het over eeuwen of zelfs millennia – concentreer ik me in dit boek op de sociale, economische en politieke crises die nú spelen of ontstaan. Het gaat me hier minder om het uiteindelijke ontstaan van anorganisch leven en meer om de dreigende ondergang van de verzorgingsstaat en specifieke instituten als de Europese Unie. Ik zal in dit boek niet proberen alle implicaties van nieuwe technologieën op te sommen. Van technologie valt veel goeds te verwachten, maar hier wil ik vooral de risico’s en gevaren ervan belichten. Aangezien de bedrijven en ondernemers die de technologische revolutie aanvoeren van nature geneigd zijn hun eigen creaties de hemel in te prijzen, is het aan sociologen, filosofen en historici als ik om alarm te slaan en uit te leggen wat er allemaal voor vreselijks mee mis kan gaan.

Na een korte schets van de uitdagingen die ons te wachten staan, gaan we in het tweede deel van het boek in op een breed scala aan mogelijke oplossingen. Kunnen Facebooktechneuten met behulp van ai een mondiaal netwerk opzetten dat de menselijke vrijheid en gelijkheid kan waarborgen? Misschien moeten we de globalisering een halt toeroepen en de natiestaat weer meer macht geven? Misschien moeten we zelfs nog verder teruggaan en hoop en wijsheid putten uit oeroude religieuze tradities? In het derde deel van dit boek zullen we zien dat de technologische uitdagingen die we moeten aangaan weliswaar ongekend zijn en de politieke onenigheid enorm, maar dat de mensheid ze wel degelijk het hoofd kan bieden als we onze angsten onder controle houden en iets nederiger zijn in onze opvattingen. In dit deel wordt onderzocht wat er gedaan kan worden aan de dreiging van het terrorisme, aan het gevaar van een wereldoorlog en aan de vooroordelen en de haat die dergelijke conflicten voeden. Het vierde deel gaat in op het idee van post-truth en stelt de vraag in hoeverre we allerlei mondiale ontwikkelingen überhaupt nog kunnen volgen en of we nog wel onderscheid kunnen maken tussen goed en kwaad. Kan homo sapiens de wereld die hij heeft geschapen nog wel overzien? Zijn er nog wel duidelijke grenzen tussen werkelijkheid en fictie? In het vijfde en laatste deel breng ik de verschillende onderwerpen bij elkaar en werp ik een iets algemenere blik op het leven in deze chaotische tijden. De oude verhalen zijn geïmplodeerd en er is nog geen nieuw verhaal opgekomen dat als vervanging kan dienen. Wie zijn we? Wat moeten we aan met ons leven? Wat voor vaardigheden hebben we nodig? Wat kunnen we, met alles wat we weten en niet weten over wetenschap, God, politiek en religie, zeggen over de zin van het leven van nu? Dit klinkt misschien wat al te ambitieus, maar homo sapiens kan niet wachten. Filosofie, religie en wetenschap voeren een race tegen de klok. De mens discussieert al duizenden jaren over de zin van het leven. We kunnen die discussie niet tot in de eeuwigheid blijven voeren. De dreigende milieucrisis, de toenemende dreiging van massavernietigingswapens en de opkomst van nieuwe ontwrichtende technologieën staan dat niet toe. En wat misschien wel het belangrijkste is: kunstmatige intelligentie en biotechnologie geven de mensheid het vermogen om het leven naar eigen inzicht om te vormen en om te bouwen. Heel binnenkort zal iemand toch moeten beslissen hoe dat vermogen gebruikt gaat worden en dat zal gebeuren op basis van een impliciet dan wel expliciet verhaal over de zin van het leven.

Filosofen zijn uiterst geduldige mensen, maar technici zijn een stuk minder geduldig en investeerders hebben het minste geduld van iedereen. Als je niet weet wat je aan moet met het vermogen om het leven zelf aan te passen, zal de markt niet duizend jaar wachten tot je een keer met een antwoord komt. De onzichtbare hand van de markt zal je blind zijn eigen antwoord opdringen. Je moet dus een duidelijk idee hebben waar het leven om draait óf je moet het prima vinden om de toekomst van alle leven toe te vertrouwen aan de kwartaalcijfers van dit of dat bedrijf. In het laatste hoofdstuk permitteer ik me de luxe van een paar persoonlijke opmerkingen en spreek ik van homo sapiens tot homo sapiens, vlak voordat het gordijn voor onze soort valt en er een compleet nieuw drama opgevoerd zal worden. Voor ik mijn intellectuele zoektocht aanvang, zou ik graag nog één cruciaal punt willen aanstippen. Een groot deel van dit boek gaat over de tekortkomingen van het liberale wereldbeeld en het democratische systeem. Niet omdat ik geloof dat de liberale democratie uitzonderlijk problematisch is, maar eerder omdat ik denk dat het het succesvolste en meest bruikbare politieke model is dat mensen tot dusver hebben ontwikkeld om de uitdagingen van de moderne tijd het hoofd te bieden. Het is misschien niet altijd even toepasbaar in alle maatschappijen of in al hun ontwikkelingsstadia, maar het heeft zijn waarde bewezen in meer samenlevingen en meer situaties dan alle alternatieven. Als we gaan kijken naar de nieuwe uitdagingen die ons wachten, is het dus belangrijk om de beperkingen van de liberale democratie te kennen en na te denken over manieren waarop we de huidige inrichting daarvan kunnen aanpassen en verbeteren. Helaas kunnen kritische kanttekeningen bij het liberalisme en de democratie in het huidige politieke klimaat al te makkelijk gekaapt worden door autocraten en allerlei bepaald onliberale bewegingen, die de liberale democratie alleen maar in diskrediet willen brengen in plaats van open en eerlijk de discussie aan te gaan over de toekomst van het mensdom. Ze staan altijd klaar om de problemen van de liberale democratie aan te kaarten, maar zelf kunnen ze niet of nauwelijks tegen kritiek. Ik moest als schrijver dus een moeilijke keuze maken. Moest ik me onomwonden uitspreken, op het gevaar af dat mijn woorden uit hun verband gerukt konden worden om ontluikende dictaturen mee te rechtvaardigen? Of moest ik aan zelfcensuur gaan doen? Dictatoriale regimes hebben de neiging de vrijheid van meningsuiting in te perken, zelfs buiten hun eigen grenzen. Nu er meer van dat soort regimes opkomen, wordt het steeds gevaarlijker om kritisch na te denken over de toekomst van onze soort. Na lang nadenken koos ik ervoor openlijk mijn mening te geven in plaats van mezelf te censureren. Zonder eerlijke kritiek op het liberale model zullen we dat nooit kunnen verbeteren of erop voort kunnen borduren. Maar let wel, dit boek kon alleen geschreven worden in een tijd waarin mensen nog steeds relatief vrij waren om te denken – en zeggen – wat ze wilden. Als je waarde hecht aan dit boek, zou je ook waarde moeten hechten aan de vrijheid van meningsuiting.’



BLINDGANGER

Ik trek u een roman binnen door het noemen van de auteur, het verwijzen naar de slogans op de voorzijde omslag, het citeren van de auteur op de achterzijde omslag en het doorgeven van de tekst op de eerste vijf pagina’s. Ik weet zeker dat u het hele verhaal via het boek zelf in de herfstvakantie tot u wilt nemen. Het gaat om de 286 bladzijden tellende paperback Blindganger van Michael Ondaatje en Nieuw Amsterdam. De slogans zijn: ‘Van de bestsellerauteur van The English Patient en ‘Een meesterwerk, volgens De Standaard’. De uitgever zegt op de omslag: ‘1946: Londen herstelt zich van de blitzkrieg. De veertienjarige Nathaniel en zijn zus Rachel zijn door hun geliefde moeder Rose achtergelaten bij een raadselachtige ‘voogd’ met de bijnaam De Mot. In eerste instantie denken ze dat hij een crimineel is maar ze groeien redelijk gelukkig op in de excentrieke wereld die hij creëert, vol kleurrijke vrienden die zich in de chaotische naoorlogse jaren op nogal ongebruikelijke wijze over hen ontfermen. Twintig jaar later reconstrueert Nathaniel zijn bijzondere verleden, het opgroeien in de wereld van De Mot en het grote geheim van zijn moeder. Werkelijkheid, herinnering en verbeelding komen samen in deze prachtige roman van meesterstilist Ondaatje.


Michael Ondaatje: ‘In het gezelschap van vreemden. In 1945 gingen onze ouders weg en werden wij toevertrouwd aan de zorgen van twee mannen die mogelijk crimineel waren. We woonden aan Ruvigny Gardens, een straat in Londen, en op een ochtend zei onze vader of moeder dat we na het ontbijt even met het hele gezin moesten praten, waarna ze vertelden dat ze een jaar naar Singapore gingen, zonder ons. Niet zo heel lang, zeiden ze, maar ook weer niet kort. Tijdens hun afwezigheid zou er uiteraard goed voor ons gezorgd worden. Ik weet nog dat mijn vader op zo’n oncomfortabele ijzeren tuinstoel zat toen hij het nieuws vertelde, terwijl mijn moeder in haar zomerjurk vlak achter zijn schouder keek hoe wij reageerden. Na een tijdje pakte ze de hand van mijn zus Rachel en hield die tegen haar zij, alsof ze hem zo kon warmen. Rachel en ik zeiden allebei geen woord. We keken met grote ogen naar onze vader, die uitgebreid vertelde over hun vlucht met de nieuwe Avro Tudor I, een vliegtuig dat afstamde van de Lancaster-bommenwerper en een kruissnelheid van ruim driehonderd mijl per uur kon behalen. Ze zouden minstens twee keer op een ander vliegtuig moeten overstappen om op hun bestemming aan te komen. Hij legde uit dat hij promotie had gekregen en het hoofdkantoor van Unilever in Azië zou overnemen, een volgende stap in zijn carrière. We zouden er allemaal beter van worden. Hij klonk ernstig, en op een gegeven moment wendde onze moeder zich af en richtte haar blik op haar augustustuin. Toen mijn vader was uitgepraat en ze zag dat ik in de war was, kwam ze naar me toe en haalde haar vingers als een kam door mijn haar.

Ik was veertien en Rachel bijna zestien, en ze zeiden dat we in de vakantie onder de hoede zouden komen van een voogd, zoals mijn moeder hem noemde. Ze omschreven hem als een collega. Wij kenden hem al – we noemden hem altijd De Mot, een naam die we zelf hadden verzonnen. Bij ons thuis waren we gewend om iedereen een bijnaam te geven, wat betekende dat we ook gewend waren dat mensen zich achter een masker verscholen. Rachel had al tegen me gezegd dat ze hem verdacht van criminele praktijken. Het leek dan misschien een merkwaardige regeling, maar omdat het leven zo vlak na de oorlog nog steeds verwarrend en onvoorspelbaar was, vonden we het helemaal niet zo’n vreemd voorstel. We legden ons bij de beslissing van onze ouders neer, zoals kinderen dat nu eenmaal doen, en De Mot, die net als huurder bij ons op de derde verdieping was komen wonen – een bescheiden man, groot maar met schuchtere bewegingen, waardoor hij veel weg had van een mot –, bood uitkomst. Kennelijk vonden onze ouders hem betrouwbaar genoeg. Of zij meer wisten over de criminele aard van De Mot was ons niet duidelijk. Ze hadden ooit heus wel een poging ondernomen om ons tot een hecht gezin te smeden. Een enkele keer mocht ik van mijn vader mee naar het kantoor van Unilever, dat in het weekend en op feestdagen uitgestorven was; en als hij dan bezig was, dwaalde ik door een schijnbaar verlaten wereld op de twaalfde verdieping van het gebouw. Ik kwam tot de ontdekking dat alle ladekasten op slot zaten. Er lag niets in de prullenmanden, nergens hingen foto’s of schilderijen aan de muur, al werd een van de wanden van zijn kamer wel gesierd door een grote reliëfkaart waarop de overzeese vestigingen van het bedrijf stonden aangegeven: Mombasa, De Cocoseilanden, Indonesië. En dichter bij huis: Triëst, Heliopolis, Benghazi, Alexandrië, steden die een kordon vormden rondom de Middellandse Zee, en ik nam aan dat die vestigingen onder mijn vaders gezag vielen. Daar boekten ze laadruimte op de honderden schepen die heen en weer voeren naar het Oosten. De lichtjes op de kaart die de steden en havens aangaven brandden in het weekend niet; dan bleef de kaart in duisternis gehuld, net als die verre buitenposten zelf. 

Toen het moment van vertrek naderde, werd besloten dat mijn moeder de laatste weken van de zomer thuis zou blijven om alles rondom het voogdijschap van de huurder te regelen en ons voor te bereiden op onze nieuwe kostscholen. Op de zaterdag voordat mijn vader in zijn eentje naar die verre wereld zou vliegen, nam hij me nog één keer mee naar het kantoor in de buurt van Curzon Street. Hij had voorgesteld om een flink eind te lopen; zijn lichaam zou de komende dagen immers vastgesnoerd zitten in een vliegtuig. Dus namen we de bus naar het Natural History Museum en liepen toen door Hyde Park naar Mayfair. Hij was opvallend kwiek en vrolijk, en zong keer op keer de regels van Housman: Net als de jas van moeders handen, slijt ook het hart in verre landen, bijna monter, alsof het een leus was. Ik vroeg me af wat het betekende. Ik weet nog dat we meerdere sleutels nodig hadden om het gebouw binnen te komen en de bovenste verdieping te bereiken, die volledig in beslag werd genomen door het kantoor waar hij werkte. Ik stond voor de grote, nog steeds onverlichte kaart en prentte me de steden in waar hij de komende nachten overheen zou vliegen. Ook toen al hield ik van landkaarten. Hij kwam achter me staan en toen hij de lampjes aandeed, wierpen de bergen hun schaduw over de reliëfkaart, al waren het nu niet zozeer de lampjes die me opvielen, als wel de zachtblauw oplichtende havens en de enorme stukken onverlichte aarde. Een deel van het panorama was 16 nu onzichtbaar, en ik vermoed dat het beeld dat Rachel en ik van het huwelijk van onze ouders hadden net zo onvolledig was. Ze hadden zelden iets over hun leven verteld. We waren gewend aan halve verhalen. Onze vader had een rol gespeeld in de slotfase van de oorlog, en ik denk dat hij voor zijn gevoel niet echt bij ons hoorde. Het sprak vanzelf dat zij met hem meeging. Voor ons was het ondenkbaar dat ze los van hem een bestaan kon hebben: ze was zijn vrouw. Het zou minder desastreus zijn, het gezin zou minder ontregeld raken als ze ons achterlieten dan als onze moeder op Ruvigny Gardens bleef om voor ons te zorgen. Bovendien konden ze ons niet zomaar van de scholen halen waarop we na al die moeite waren toegelaten, was hun redenering. Voor hij vertrok omhelsden we mijn vader met zijn allen; De Mot was zo tactvol om zich dat weekend niet te laten zien. 

En zo begonnen we aan een nieuw leven. Ik kon het toen nog niet helemaal geloven. En ik weet nog steeds niet of de periode die volgde mijn leven ontwrichtte of er juist een positieve impuls aan gaf. Ik raakte in die tijd de vastigheid en inperkingen van het gezinsleven kwijt, en het gevolg was dat ik op latere leeftijd iets aarzelends had, alsof ik mijn portie vrijheid te snel had opgebruikt. In elk geval ben ik nu op een leeftijd dat ik erover kan praten, over onze jeugd in de beschermende armen van vreemden. En het voelt alsof ik duiding geef aan een sprookje, over mijn ouders, over Rachel en mijzelf, en over De Mot, maar ook over de anderen die zich later bij ons voegden. Voor dat soort verhalen bestaan vast allerlei tradities en stijlfiguren. Iemand moet een beproeving doorstaan. Niemand weet wie de waarheid met zich meedraagt. De personages zijn niet wie of waar je denkt dat ze zijn. En er is iemand die vanaf een onbekende plek toekijkt. Ik weet nog dat mijn moeder graag vertelde over de trouwe ridders uit de Arthurlegendes die hun opdrachten vaak met bezwaard gemoed vervulden; soms situeerde ze die verhalen in dorpjes op de Balkan of in Italië waarvan ze zei dat ze er weleens was geweest en die ze voor ons opzocht op de kaart. Door het vertrek van mijn vader werd mijn moeders aanwezigheid belangrijker. De gesprekken tussen onze ouders gingen altijd over volwassen aangelegenheden. Maar nu begon ze over zichzelf te vertellen, over haar jeugd op het platteland van Suffolk. Vooral het verhaal over ‘het gezin op het dak’ vonden we geweldig.

Onze grootouders woonden in een streek in Suffolk die The Saints heette, waar hun rust hooguit werd verstoord door het geluid van de rivier, of nu en dan door een kerkklok uit een naburig dorp. Maar een maand lang had er op hun dak een gezin gewoond dat met spullen smeet en tegen elkaar schreeuwde, en wel zo hard dat het lawaai door het plafond heen hun eigen gezinsleven binnensijpelde. Het was een bebaarde man met zijn drie zonen. De jongste was de zwijgzame van het stel; zijn belangrijkste taak was de ladder op klimmen met emmers water voor de anderen op het dak. Maar elke keer dat mijn moeder het huis uit liep om eieren uit het kippenhok te halen of in de auto te stappen, zag ze dat hij naar haar keek. Het waren rietdekkers die het dak repareerden, en ze waren de hele dag druk in de weer. Rond etenstijd haalden ze hun ladders weer naar beneden en vertrokken. Maar op een dag werd de jongste zoon even opgetild door een harde windvlaag, waardoor hij zijn evenwicht verloor. Hij viel van het dak, dwars door de lindeberceau, en kwam op het plaatsje bij de keuken terecht. Zijn broers droegen hem naar binnen. De jongen, die Marsh heette, had zijn heup gebroken, en de dokter die erbij werd gehaald deed gips om zijn been en zei dat hij niet vervoerd mocht worden. Hij moest op een bank in de bijkeuken blijven liggen tot het dak klaar was. Mijn moeder – die toen acht was – moest hem zijn eten brengen. Af en toe bracht ze hem een boek, maar hij was zo verlegen dat hij nauwelijks iets zei. Die twee weken moeten voor hem een eeuwigheid hebben geduurd, zei ze tegen ons. Toen hun werk er eindelijk op zat, pakte het gezin de jongen op van de bank en vertrok.’


TERUG NAAR NEERPELT

Ik reik u een verhaal aan dat fascinerend is naar thema en naar taal. Ik beveel u van harte een literair werk aan dat een persoonlijk verhaal bevat van een auteur die ik eerder bij u introduceerde vanwege haar meeslepende en hartstochtelijke reisverhalen. Haar tocht van nu is een gang naar het eigen heem, haar thuishaven in België. Het gaat om de 256 bladzijden tellende paperback Terug naar Neerpelt van Lieve Joris en Atlas Contact. Met een saluut aan de voor velen vrije herfstweek geef ik om het thema te vatten de tekst van de uitgever op de omslag en om de taal te ondergaan citeer ik de eerste vijf pagina’s. In november praten wij door over dit sterke verhaal.

Atlas Contact: ‘Na haar reizen door het Midden-Oosten, Afrika, Oost-Europa en Azië keert Lieve Joris in Terug naar Neerpelt terug naar het Vlaanderen van haar jeugd, naar het huis aan het kanaal in Neerpelt, waar zij opgroeide als middelste van een woelig gezin van negen. Als kind trekt zij naar haar grootmoeder, als puber raakt zij in de ban van haar artistiek begaafde oudste broer. Hij doet de wind van vrijheid over het gazon waaien en wijst haar de weg het dorp uit, al zal hij daar zelf achterblijven en gaandeweg ontsporen. Met vallen en opstaan zoekt Lieve Joris haar weg in de wereld. Aan de personen in het huis aan het kanaal kan zij niet ontsnappen. Haar geboortedorp was een plek om vandaan te gaan, maar haar terugkeer was even onvermijdelijk. Uit deze familiegeschiedenis stijgt behalve een tijdsbeeld ook het verhaal op van een dorpsmeisje dat, dwars tegen haar lotsbestemming in, haar weg vindt naar het schrijverschap.’

Lieve Joris: ‘Mijn vader belt. Hij heeft van zichzelf al een doodgraversstem, maar nu klinkt die extra somber. Onze Fonny heeft een accident gehad. Eergisternacht, op zijn verjaardag. Hij ligt in coma op de intensieve. ‘Weten de anderen het al?’ ‘Ja, ja, behalve ons Nicole. En Hildeke – die hoeft het nog niet te weten.’ Op de weg van Hasselt naar Tongeren is Fonny’s auto tegen een boom gevlogen en twee keer over de kop gegaan. Fonny was onder invloed, natuurlijk, maar dat vertelt mijn vader er niet bij. ‘Hier is ma,’ kan hij nog net uitbrengen voor zij hem de hoorn uit de hand grist. Fonny zag er zo goed uit die ochtend. Wel had ze ruzie met hem gemaakt. Toen het ziekenhuis belde, hoopte ze dat hij dood zou zijn, maar inmiddels wil ze dat hij erdoor komt. Als hij invalide wordt, zal ze tot het einde van haar leven voor hem zorgen. ‘Ik ben zo sterk als een paard,’ zegt ze, met een snik in haar stem. ‘Ik werk, ik jank en ik bid tot mijne God.’ Dan is ze weer weg. ‘De verpleegsters hebben Fonny’s bebloede hemd meegegeven,’ vervolgt papa, een beetje geheimzinnig, ‘dat is ze in de bergplaats aan het wassen, in een emmer. Haar tranen druppen in het water – net een mater dolorosa.’ Niet alleen met mama, ook met zijn vriendin Annie heeft Fonny op zijn verjaardag onenigheid gehad. Hij heeft een ruit van haar appartement ingegooid en kwam ’s nachts om halftwaalf thuis aan: of papa zijn bed bij Annie wilde weghalen. Onze pa, welja, een gepensioneerde belastingontvanger van bijna zeventig jaar. Het is al dagenlang zo warm dat ik de satijnen gordijnen van mijn Amsterdamse werkkamer dichthoud. Buiten klinkt het getuf van bootjes op het water. Ik kan de schaars geklede passagiers rond hun geïmproviseerde tafeltjes met witte wijn en zoutjes dromen; de kinderen in hun oranje zwemvesten, handjes in het kabbelende water. Door de gordijnen valt zachtgeel licht de kamer binnen. Mijn tabernakel noemt Marek het. Ze weten dat ik me heb teruggetrokken om te schrijven, daarom hebben ze me waarschijnlijk niet eerder gebeld. Fonny zag er die ochtend helemaal niet zo goed uit, bekent mijn vader. Hij was met een vriend naar Holland gereden, zeker om drugs te kopen. Wat ze gepakt hadden weet hij niet, maar bij hun terugkeer deden ze allebei raar. ‘Je wordt er toch weemoedig van,’ zegt hij, ‘als je hem daar zo ziet liggen en bedenkt hoe lief hij was als kind.’ Wanneer sprak ik Fonny voor het laatst? Het moet een maand of vier geleden zijn. Ik was in Hasselt, mama draaide zijn nummer en reikte me de hoorn aan. ‘Hier, praat maar eens met uw broer.’ ‘Hei Fonny, hoe is ’t?’ ‘Stillekes.’ Zijn stem kwam van ver, alsof hij diep lag weggezonken in een stel kussens. Hij piepte van de astma. Zogenaamd had hij griep of een keelontsteking, maar hij was natuurlijk aan het afkicken. Dat weet ik nu, al kon ik het ook toen wel vermoeden. Mama bracht hem soms cola en eten – had hij zelf de kracht niet om op te staan. Ik deed of ik van niets wist, wenste hem beterschap, maakte gauw een einde aan het gesprek en voelde me achteraf schuldig dat ik hem zo had afgescheept.

Moest hij halfdood op de intensieve belanden vooraleer we ons om hem bekommeren? Want nu hij daar ligt, snelt iedereen toe. Onze Filip, die rechten heeft gestudeerd en zijn doctoraatsthesis schrijft, is uit Brussel gekomen. Terwijl die al tien jaar niet meer met hem spreekt. Toen Filip op een zondag in Hasselt werd verwacht, zorgde mama ervoor dat Fonny er ook was. Filip gaf mama en papa een kus en negeerde zijn oudste broer. ‘En Fonny?’ vroeg mama. ‘Met dat uitschot praat ik niet.’ Het woord ‘uitschot’ stuitert sindsdien door het huis, vergiftigt elk gesprek dat we met papa voeren: dat woord moet Filip terugnemen, als hij het niet terugneemt is hij zijn zoon niet meer. Filip bougeert niet. ‘Hoe moet ik hem dan noemen? Ik heb er echt geen ander woord voor.’ Maar gisteren zijn papa en Filip samen naar het ziekenhuis getogen. Ze spraken met dokters en verpleegsters, draaiden om Fonny heen en bekeken hem van alle kanten, zodat papa vrij gedetailleerd verslag kan doen: hij heeft buisjes in zijn neus en keel, zijn kin is genaaid, zijn rechterarm zit in het gips en behalve een gat in zijn kop heeft hij een drievoudige schedelfractuur, zeven gebroken ribben en een verbrande linkerhand. De vlammen sloegen uit de auto toen een buurtbewoner Fonny na middernacht naar buiten sleepte. Mijn vader vroeg aan de verpleegster of hij er een priester bij moest halen. Dat vond Filip een slimme manier om erachter te komen hoe ernstig Fonny’s toestand is. ‘Maar daarom vroeg ik het niet.’ Uit de bergplaats klinkt mama’s stem. ‘Ik zal eens gaan kijken hoe het is met ma.’ Mijn vader wil er iets aan toevoegen, maar hij aarzelt. Ten slotte vraagt hij: ‘Zeg Lieve, mater dolorosa – wat vindt ge van dat beeld?’ Eén ding weet ik zeker: ik moet nu niet naar Hasselt afreizen. Dan word ik meegezogen in een kolk van emoties en kan ik het schrijven wel vergeten.

Maar de telefoon rinkelt voortdurend en als het even stil is, grijp ik zelf naar de hoorn, op zoek naar meer nieuws. De activiteiten die Fonny ontplooide! Onafgebroken scheurde hij over Vlaanderens wegen, van zijn boerderij in constante verbouwing in Vliermaalroot via Maastricht en het appartement van Annie naar café De Munt in Hasselt. Tussendoor spoelde hij telkens aan in het ouderlijk huis om te vertellen over zijn belevenissen. Hij was het eerst van ons allemaal thuis weg, maar het is hem niet bevallen daar buiten – hij zit op zijn tweeënveertigste nog steeds met een elastiekje aan zijn ouders vast. ‘En nu ga ik naar mijn lief mamake,’ zei hij die avond tegen zijn vrienden in De Munt. In zijn eigen huis heeft hij ook dingen stukgeslagen, dat heeft mama gezien toen ze op inspectie ging. Ze heeft tegen de verpleegster, die ernaar vroeg, gezegd dat Fonny geen drugs gebruikt. Zou ze het zelf geloven? Ze wil het niet weten, ze zet tv-programma’s over dat onderwerp steevast uit. Het ziekenhuispersoneel begrijpt natuurlijk wat er aan de hand is, volgens papa krijgt Fonny methadon omdat hij, boven op al zijn blessures, aan het afkicken is. Wies vertelt over een drugsdealer in Hasselt die aids heeft. ‘Ze moeten Fonny’s bloed maar gauw onderzoeken. Als hij wakker wordt, komt daar natuurlijk niets meer van.’ Van Rik, die papa soms helpt bij zijn werk voor de verzekeringen, hoor ik dat de koeien in de belendende wei op hol zijn geslagen toen Fonny’s auto tegen de boom knalde. Een drachtige koe heeft het niet overleefd; de boer heeft aangifte gedaan. ‘Zullen onze pa en ik wat olie op de weg gaan gieten?’ grapt hij. ‘Dan zeggen we dat de auto geslipt is en kan Fonny misschien trekken van de verzekering.’ Mama en papa zijn wellicht naar het ziekenhuis, want als ik hen ’s avonds bel, hoor ik de plechtige stem van onze Filip zeggen: ‘Hallo, dit is het antwoordapparaat van meneer en mevrouw Joris. Wij zijn op dit ogenblik niet thuis, maar u kunt…’ Nooit geweten dat ze zo’n ding hadden. Filip blijkt het goedkoop op de kop te hebben getikt. Wies meldt tussen alles door dat ze een Olivier Strelli-pakje heeft gekocht voor een bruiloft waar ze binnenkort naartoe moet. Oranje – heel mooi. En dat ze haar gezicht eens goed heeft laten masseren. 

Als ik in bed lig, is het voor het eerst stil om me heen. In gedachten rij ik over de nachtelijke baan van Hasselt naar Tongeren en doemt de auto in het halfduister voor me op. Daar ligt ons Fonnyke, ingeklemd tussen het stuur en de stoel, bewusteloos, stijf van de drugs, zijn hand in het gloeiende koelwater van de radiator. Die hand, die lag daar dus te stoven. Net als de bleke kippenklauwen die ik laatst bij de chinees zag. Van die gedachte krijg ik het zo benauwd dat ik opsta. Op de vensterbank van mijn werkkamer zit ik een tijdlang te kijken naar de auto’s die op de kade schuin aan de overkant cruisen voor de roodverlichte vitrines. Dat doe ik altijd als ik niet kan slapen; de mysterieuze nachtelijke bedrijvigheid brengt me tot rust. ‘Wat lag je te piepen,’ zegt Marek de volgende ochtend. ‘Hoe dan?’ Hij doet het na – daar is hij heel goed in. Zo piepen waterhoentjes op het water voor mijn raam als ze in nood zijn. Wanneer ik die middag naar boven ren om verslag uit te brengen van het zoveelste telefoongesprek, zegt Marek: ‘Als ik jou was zou ik alles opschrijven.’ ‘Wat dan?’ ‘Wat ze zeggen. Straks ben je het allemaal vergeten.’ Ik ben verbaasd. Doorgaans is Marek niet zo gesteld op mijn familieperikelen en al helemaal niet op de blinde obsessie waarmee ik me erop stort. ‘Waarom zou ik het willen onthouden?’ ‘Je weet nooit waar het goed voor is. Doe maar – anders heb je later spijt.’ Na enige aarzeling open ik op mijn computer een document dat ik ‘Fonny’ noem en begin ik notities te maken. Niet alleen over wat er die dagen gebeurt, maar gaandeweg ook over dingen die vroeger zijn voorgevallen.’ 



DE BOSATLAS VAN DE WADDEN

Een kijk- en leesalbum leg ik voor u op de toontafel dat een lust is voor het oog en een streling van het gemoed. Een enerverend panorama in de vorm van een boeiend boek, daar gaat het om. Ik kondig met groot gejuich aan de 224 grote bladzijden tellende, van meet tot finish kleurrijk geïllustreerde hardcover De Bosatlas van de Wadden onder eindredactie van Meindert Schroor en wederom een publicatie van Noordhoff Uitgevers. Ik haast mij te zeggen dat dit album voor mij (en uiteraard ook voor u) niet alleen een eyecatcher maar ook een eyeopener is. Ik leg dat  uit. Toen onze drie kids Muel, Time en Briam in hun jonge jaren verkeerden, brachten wij onze vakanties in voorjaar, zomer en najaar vaak door bij de familie Tip aan de Ermermarkerweg in het Drentse Veenoord. Een immer terugkerende trip was toen voor ons naar Lauwersoog om daar de auto achter ons te laten en met de boot naar Schiermonnikoog te varen. Door mijn studie Nederlandse taal- en letterkunde in het Utrechtse wist ik waar de naam van het Waddeneiland voor stond: in de middeleeuwen was Schiermonnikoog een uithof van het cisterciënzerklooster Claercamp bij Dokkum. De monniken van het klooster, die het land indijkten, droegen  grijze pijen. Zo ontstond de naam: ‘schier’ betekent grijs en  ‘oog’ is etymologisch hetzelfde als ‘ei’ in ‘eiland’. Ik herinner mij nog levendig dat wij een enkele keer in het dorp halt en front maakten voor het in 1961 geplaatste standbeeld ‘De Schiere Monnik’ van Martin van Waning. In mijn Bosatlas van de Wadden kan ik traceren welke wetenswaardigheden het eiland Schiermonnikoog etaleert. Ik pluk van de bladzijden 170 en 171 maar eerst geeft ik integraal het Voorwoord van de uitgever. De volgende keer is het eiland Texel aan de orde, omdat ik dat met de zoons vaak frequenteerde tijdens onze fietstochten.

Noordhoff: ‘Nergens in Nederland zijn ruimte, stilte, licht en duisternis nog zo intens te ervaren als op de Wadden. En nergens bieden landschapen natuur zo’n gevarieerde aanblik: stranden, duinen, bossen, geulen en wadplaten, kwelders, imposante dijken met sluizen die hier ‘zijlen’ heten, uitgestrekte polders en terpdorpen die soms nog uit de tijd van de Romeinen stammen. Een verborgen paradijs in het uiterste noorden van ons land. We zijn ons er niet altijd van bewust, maar dat paradijs strekt zich ver naar het noordoosten uit, langs de Duitse en Deense kust. Dit uitgestrekte gebied is bovendien de thuisbasis van een bijzondere variëteit aan flora en fauna. Op het land en in het water leven meer dan 10.000 verschillende soorten planten en dieren. Het Waddengebied vormt daarnaast een belangrijke schakel in de weg die trekvogels afleggen, van het noorden van Scandinavië tot in het zuiden van Afrika. Jaarlijks maken maar liefst  10 tot 12 miljoen trekvogels gebruik van dit voedselrijke gebied, als rust- of als broedplaats. Een rijk landschap dat niet voor niets is uitgeroepen tot UNESCO werelderfgoed. Een gebied om te koesteren. Maar tegelijkertijd wonen er mensen die voor hun dagelijks brood moeten zorgen. Er wordt gas gewonnen en dat leidt tot bodemdaling en aardbevingen. Kokkelvissers verstoren het evenwicht op de zeebodem. Defensie oefent met de nodige geluidsoverlast op Vlieland. Ten noorden van de eilanden loopt een van de drukste scheepvaartroutes van Europa. Er zijn vele toeristen die het Wad omarmen – en tegelijkertijd natuurlijk ook belasten. Dat alles vraagt om beheer. Vele instanties spelen hierbij een rol. Er is een roep om dat alles beter te coördineren, maar ook zonder dat is het gemeenschappelijk doel duidelijk: dit gebied is het meer dan waard om te beschermen. In de ‘Bosatlas van de Wadden’ maakt u kennis met de vele kanten van dit gebied. De wonderbaarlijke aspecten van het getijdenlandschap, de planten en dieren die erin leven, de mensen die er werken, het toerisme, de rijke  geschiedenis, de folklore, het bestuur en beheer, de toekomstplannen, u vindt het allemaal in deze atlas.’

CULTUURMIX 15 OKTOBER 2018

Papendrecht 15-10-2018

STERVEN

Een novelle leg ik voor u op de salontafel (om in de sfeer te blijven) die trilt van nervositeit, gedoemd zijn, romantisch verlangen, ziek zijn, noodlot, drama en doodsbesef. Maar bovenal trilt het verhaal van een proza dat doet denken aan dat van Louis Couperus met zijn debuutroman Eline Veere uit 1888. Al lezend moest ik immer denken aan het fatale leven van de dame uit het Haagse. Ik heb het over de 158 bladzijden tellende hardcover Sterven van de Oostenrijker Arthur Schnitzler en uitgeverij Aspekt. Indien u de eerste drie bladzijden tot u genomen, beter: geproefd heb, zult u met mij in de bekoring geraken van de lotgevallen van Felix en Marie en van de verhaaltrant van Schnitzler. Maar eerst geef ik u de tekst van Aspekt op de omslag en doe ik de mededeling dat ook gelijktijdig bij de uitgeverij verschenen is de novelle Beate en haar zoon, waarover ik het de volgende keer met u wil hebben.

Aspekt: ‘Arthur Schnitzler (1862-1931) was de belangrijkste en meest controversiële Oostenrijkse schrijver uit het fin de siècle. Het is merkwaardig dat zijn eerste grote prozawerk, de debuutnovelle Sterven uit 1893, tot op heden nooit in het Nederlands in boekvorm is verschenen. Sterven is een melodramatisch verhaal over een jongeman die te horen krijgt dat hij nog slechts één jaar heeft te leven. Zijn vriendin Marie dreigt in zijn noodlot te worden meegezogen. Schnitzler vertelt dermate beklemmend, dat Sterven ook gezien kan worden als een literaire thriller avant la lettre.
A. Braam, de letterkundige die in de jaren vijftig enige novellen van Schnitzler in het Nederlands vertaalde, waagde zich destijds niet aan Sterven: te subtiel, te precair, te Weens, maar hij vond het wel een meesterwerk: ‘In zijn allereerste novelle, het in prachtige weemoedige grijzen gehouden Sterven, zet Schnitzler de koers uit, die hij ook in zijn volgende vertellingen niet meer zal verlaten.'

Arthur Schnitzler; ‘Het begon al te schemeren, en Marie stond op van de bank, waarop ze een halfuur lang gezeten had, eerst in haar boek lezend, maar daarna met haar blik gericht op het begin van de laan, waardoor Felix gewoonlijk kwam. Anders liet hij het niet lang op zich wachten. Het was iets koeler geworden, maar toch had de  lucht nog de zachtheid van de aflopende middag. Er waren niet veel mensen meer in het park, en de stoet van wandelaars begaf zich in de richting van de poort, die spoedig gesloten zou worden. Marie was al in de buurt van de uitgang toen ze Felix in het oog kreeg. Hoewel hij later was dan anders, liep hij langzaam, en pas toen zijn ogen de hare ontmoetten, haastte hij zich een beetje. Ze bleef staan, wachtte op hem, en toen hij glimlachend haar hand vastpakte, die ze nonchalant naar hem had uitgestrekt vroeg ze hem met een lichte onvrede in haar toon: ‘Heb je dan tot nu toe moeten werken?’ Hij reikte haar de arm en zei niets. ‘Nou?’ vroeg ze. ‘Ja, kindje,’ zei hij toen, ‘en ik heb helemaal vergeten op de klok te kijken.’ Ze nam hem van bezijden op. Hij leek bleker dan anders. ‘Geloof je niet,’ zei ze lievig, ‘dat het beter zou zijn, als je je nu eens een beetje meer aan je Marie zou wijden? Laat je werk toch een tijdje rusten. We zullen vanaf nu vaker gaan wandelen. Ja? Voortaan ga je altijd met mij de deur uit.’ ‘Zo…’Ja, Felix, ik zal  je helemaal niet meer alleen laten.’ Hij keek haar snel, als geschrokken aan. ‘Wat heb je nou?’ vroeg ze. ‘Niets.’

Ze waren bij de uitgang aangekomen en vrolijk avondlijk straatrumoer omgaf hen. Er leek over de stad iets van dat algemene, onbewuste geluk te liggen, dat het voorjaar altijd meebrengt. ‘Weet je wat we zouden kunnen doen?’ zei hij. ‘Nou?’ ‘Naar het Prater gaan.’ ‘He, nee, daar beneden was het laatst zo koud.’ ‘Maar kijk nou. Het is bijna zwoel hier op straat. We kunnen meteen weer omkeren. Laten we maar gaan.’ Hij sprak afgemeten, verstrooid. ‘Ja, zeg, hoe zeg je dat nou, Felix?’ ‘Hoezo?’ ‘Waar zijn je gedachten? Je bent bij mij, bij je meisje.’ Hij keek haar aan met een starre, afwezige blik. ‘Jij.’ riep ze angstig en drukte zijn arm steviger tegen zich aan. ‘Ja, ja,’ zei hij, tot zichzelf komend. ‘Het is zwoel zeer zeker. Ik ben niet verstrooid. En als ik het wel ben, mag je het mij niet kwalijk nemen.’ Ze namen de weg door de zijstraten in de richting van het Prater. Felix was zwijgzamer dan anders. De lichten in de lantarens brandden al. ‘Ben je vandaag bij Alfred geweest?’ vroeg ze plotseling. ‘Waarom?’ ‘Nou, dat was je toch van plan.’ ‘Hoezo?’ Je voelde je gisterenavond zo mat.’ ‘Inderdaad.’ ‘En je bent niet bij Alfred geweest?’ ‘Nee.’ ‘Maar zie je, gisteren was je nog ziek, en nu wil je naar dat vochtige Prater. Het is werkelijk onvoorzichtig.’ ‘Ach, het maakt allemaal niks uit.’ ‘Praat toch niet zo. Je zult je nog geheel te gronde richten.’ ‘Ik smeek je,’ zei hij met bijna huilerige stem, ‘laten we gaan. Ik verlang naar het Prater. We zullen naar die plek gaan, waar het laatst zo mooi was. Weet je, naar die tuinsalon, daar is het immers ook niet koud.’ ‘Ja, ja.’ ‘Echt niet. En vandaag is het zeker warm. We kunnen toch niet thuis gaan zitten. Het is te vroeg. En ik wil ook niet in de stad rondhangen, omdat ik vandaag geen zin heb in een café te gaan zitten, dan heb ik last van de rook, - en ik wil ook niet veel mensen zien, dat kabaal doet me pijn’ – In het begin had hij snel gesproken en luider dan normaal. Maar zijn laatste woorden liet hij zachtjes wegsterven. Marie haakte zich vaster aan zijn arm.

Ze was bang, ze praatte niet meer, omdat ze tranen in haar stem voelde. Zijn terugverlangen naar die stille uitspanning in het Prater, naar die lenteavond tussen het groen en de stilte, voelde zij nu ook. Nadat ze beiden een tijdje gezwegen hadden, zag ze op zijn lippen langzaam een zwak glimlachje verschijnen, en toen hij zich naar haar keerde, probeerde hij in zijn glimlach een uitdrukking van geluk te leggen. Maar zij, die hem goed kende, doorzag het gedwongene.’


EEN IETS BESCHUTTERE PLEK MISSCHIEN

Ik leg een bijna vuistdikke pil van een naar inhoud kolossaal boek bij uw bagagemand neer voor de nakende herfstvakantie. Ik leg voor u op de leestafel - indien u die vrije week thuis viert – een schat van inspirerend en verheffend werk. Het gaat om de 564 bladzijden tellende, authentiek geïllustreerde paperback Een iets beschuttere plek misschien van Cyrille Offermans en De Arbeiderspers met de ondertitel ‘Journaal 2017’. Postbode Petra reikte mij dit boek voorbije vrijdag aan en nu haast ik mij al u van het bestaan ervan u kond te doen. Dat kan ik met een gerust hart doen, omdat Cyrille Offermans (met geboortejaar 1945) himself in het culturele maandblad Zuiderlucht zijn pennenvrucht aan ons presenteert. Ik citeer de schrijver deels en wil met u uiteraard na de periode van verlof een verkennende tocht maken door dit jaarboek.

Offermans ‘Heel 2017 heb ik een journaal bijgehouden, meer precies: een cultureel of intellectueel journaal. Aan het eind van het jaar lagen er na schifting 170.000 woorden observaties, herinneringen, commentaar, essayistiek over alle denkbare onderwerpen: een zwarte zangeres die weigerde op te treden voor de ongelikte beer in Washington, het verband tussen carnaval en de twintigste-eeuwse avant-garde in de kunst, de hypocrisie van Moeder Teresa, de bedenkelijke smaak van prosecco, de afnemende tekenvaardigheid van de schooljeugd, literaire omkooppraktijken, een moedige diplomaat, de dood van een vriendin en de geboorte van een kleinkind, het verlangen naar sneeuw, enzovoorts. Er is alles in de wereld, zei Lucebert. En er is alles in dit boek. Niet verwonderlijk dat het begint en eindigt met de onbeschrijflijke oorlogsellende in Syrië en elders, waarvan wij, rijke westerlingen, niet meer de geruststellende illusie kunnen koesteren dat die zich ver van ons bed afspeelt.

Of we het nu leuk vinden of niet, het gaat ons allemaal aan: de vluchtelingen aan de Hongaarse grens, de verdwijnende tropische regenwouden, de mensonterende omstandigheden in de naaiateliers in Bangladesh, de stille armoede, óók in de westerse wereld, de oplopende zelfmoordpercentages onder zowel de kleine boeren in India als de Nederlandse jongeren – bij elke handeling die we verrichten en elke keuze die we maken dringt de wereld zich aan ons op en geven wij een signaal aan de wereld, hoe minimaal ook. Dat laatste kan tot het cynisme leiden van ‘na ons de zondvloed’ of tot het kortzichtige egocentrisme van populisten en nationalisten – maar ook tot een poging (het Franse ‘essai’ betekent probeersel, proeve, experiment) de demonen in de ogen te zien. Die poging wordt in Een iets beschuttere plek misschien met de middelen van de literatuur ondernomen. In alle onderwerpen die het aansnijdt, gaat dit boek uiteindelijk, impliciet, om niet minder dan een morele houding in de wereld – tegen de domheid, tegen de overspannen beloften van politieke charlatans, tegen de deprimerende onverschilligheid van de vermoeide consument voor wie ‘het’ allemaal lood om oud ijzer is. Beschaving is het leren zien van verschillen – en daarnaar te handelen. Hoe dichtgemetseld de wereld ook lijkt, er zijn altijd barsten waarneembaar die de verbeelding, in theorie en praktijk, kansen bieden. Het boek is te dik en te pluriform om er in één artikel een representatief beeld van te kunnen geven. Daarom heb ik twee fragmenten gekozen waarvan ik ook zelf pas bij herlezing ontdekte dat ze allebei bescheiden voetnoten vormen in een denkbeeldige encyclopedie van de utopische stad. Het eerste fragment, begin september 2017 geschreven, gaat over Sittard, mijn woonplaats ‘Over de effecten van slecht bestuur’.

Cyrille Offermans: ‘Het was echt een aardig museum. Nog geen top, uiteraard niet, daarvoor waren omvang en middelen te beperkt. Maar dankzij aan de weg timmerende conservatoren als Stijn Huijts en Roel Arkesteijn bevrijdde Het Domein zich vooral in het tweede decennium van zijn twintigjarige bestaan van zijn stoffige, regionale imago. Tentoonstellingen van Charlotte Seifert, The Yes Men, Eugenio Dittborn en Herman de Vries bezorgden het museum een eigenzinnige reputatie. Ook de kunstcritici van de landelijke dagbladen wisten al gauw de weg te vinden naar het weinig opzienbarende gebouw in het historische stadshart van Sittard. Maar zo zou het niet blijven. Zoals in zoveel gemeenten werden ook de Sittardse bestuurders in het begin van het nieuwe millennium uit hun slaap gehouden door grootse visioenen. De stad moest op de kaart gezet, nationaal en internationaal, hij moest aantrekkelijk worden voor avontuurlijke investeerders en creatieve ondernemers. Tijdens gemeentevergaderingen stookte het woord city branding de verwachtingen nog wat op. Er moest gebouwd worden, liefst door een architect van naam. Buurtgenoot Jo Coenen stond garant voor de supervisie. Jeanne Dekkers’ prijswinnende ontwerp van een ‘multifunctionele accommodatie’ net buiten de oude stadswallen zou de magneet worden die het zo vurig gewenste geld en talent naar het ingedommelde stadje zou trekken. Even leek de droom door de economische crisis wreed te worden verstoord. Elders in het land werden soortgelijke plannen afgeblazen, bang als men was voor een financieel debacle.

Zo niet in Sittard. Dat gebouw, om onnaspeurlijke redenen Ligne gedoopt, zou en moest er komen, al was nog niet één van de vele duizenden vierkante meters bedrijfsruimte verhuurd. Maar zo kortzichtig waren de stadsbestuurders niet dat ze de donkere wolken van leegstand en tekorten niet boven hun prachtgebouw zagen hangen. De crisissfeer vereiste bestuurlijke moed en doorzettingsvermogen. Nog voor de eerste schop in de grond ging, in november 2013, broedde men op reorganisatie- en bezuinigingsplannen. En daarvan werd museum Het Domein het belangrijkste slachtoffer. Het museum werd samen met de belangrijkste culturele instellingen van de stad – de schouwburg, het filmhuis, de bibliotheek, de muziek- en dansschool en het Euregionaal Historisch Centrum – ondergebracht in een overkoepelende organisatie met de weinig geruststellende naam ‘Het Cultuurbedrijf’. De nieuwe koers moest uiteraard minder elitair, meer markt- en klantgericht zijn. Als bedrijfsleider werd een ‘echte ondernemer’ gezocht, maar wel ‘een teambuilder met affiniteit voor cultuur’. Dat waren kwaliteiten waar de zittende directeuren kennelijk niet over beschikten, zij werden ontslagen en kwamen niet in aanmerking voor die functie. Tegen die absurde gang van zaken werd geprotesteerd door kunstenaars, door musea en kunstinstellingen elders in het land, door de ‘Vrienden van Het Domein’, door journalisten – en ook, in een rechtstreeks, op het scherp van de snede uitgevochten radiodebat met de beoogde nieuwe directeur, door mij.

Maar het mocht allemaal niet baten. De reorganisatie ging door volgens plan. Het Domein werd onderdeel van De Do MIJN en – een gespatieerd taalgedrocht dat blijkbaar de herinnering in leven moest houden aan die ellendige kolenmijnen die hier al bijna een halve eeuw geleden zijn gesloten. De teamleider met affiniteit voor cultuur leek uit diezelfde donkere jaren afkomstig. Hij ontpopte zich alras als de ouderwetse potentaat die zijn gebrek aan vanzelfsprekend gezag amechtig probeert te compenseren met botte decreten. In korte tijd slaagde hij erin zowat alle medewerkers tegen zich in het harnas en de ziekenboeg in te jagen; de bevlogen conservator moderne kunst van het voormalige Domein schijnt daar tot op de dag van vandaag te overwinteren. Museum Het Domein is met succes om zeep geholpen. Het gebouw in het centrum van de stad is er nog, maar wordt nu alleen nog gebruikt voor tentoonstellingen van lokaal of regionaal belang. Zeker, erg geschikt als huisvesting voor een eigentijds museum van moderne kunst was het voormalige schoolgebouw allerminst. Er was geen behoorlijke entree, geen logisch gestructureerde expositieruimte, geen restaurant of iets wat daar op leek, geen museumwinkel, zelfs geen behoorlijke garderobe en geen toiletten. Wie erheen ging moest genoegen nemen met wat er te zien was. Dat lijkt eeuwen geleden, die haast ascetische afwezigheid van verleidelijk comfort, het is al bijna niet meer voorstelbaar dat kunst als zodanig ooit zo belangrijk gevonden werd. Elke deskundige kan je vertellen dat een museum dat niet primair dient als prettige ontmoetingsplaats de tekenen des tijds niet verstaat en dus zijn eigen graf graaft. Of er ooit sprake zal zijn van een wederopstanding van Het Domein in Ligne mag daarom met reden worden betwijfeld. Evenzeer mag worden betwijfeld of de multifunctionele accommodatie Ligne het in economisch opzicht zal redden.

De leegstand in de binnenstad was al enorm toen het gebouw de tekentafels nog niet had verlaten. De verwachting dat het in de slag om de consument, eenmaal in vol bedrijf, een verpletterende dreun zou uitdelen aan de concurrerende gemeenten in de omgeving, blijkt op niets gebaseerd. De gigantische parkeergarages in het souterrain maken een spookachtig lege indruk. Opzichtig illustreren ze de overspannen verwachtingen van de opdrachtgevers. Ze zouden de perfecte locatie vormen voor een vlammend leerstuk over de effecten van slecht bestuur.’


DE OPSTAND IN DE NEDERLANDEN 1568-1648

Ik leg een kijk- en leesalbum voor u op de tafel voor de teevee, dat verbeeldt en verwoordt hetgeen wij in de nog lopende beeldbuisserie ‘80 jaar oorlog’ aanschouwd hebben. Op het moment van dit schrijven aan u, lees ik dat vrijdagavond 12 oktober deel 3 aan de orde is onder de titel van ‘Burgeroorlog in de Nederlanden’. Ik breng onder uw aandacht het bestaan van De Opstand in de Nederlanden 1568-1648 van Anton van der Lem en uitgeverij Vantilt met de ondertitel ‘De Tachtigjarige Oorlog in woord en beeld’. In mijn gids staat dat de derde aflevering laat zien hoe de strijd verhardt. Ook tussen burgers van de Nederlanden onderling. Sommigen houden vast aan het gezag van de Spaanse koning, terwijl anderen zich aansluiten bij de Optand. Van de door ons zo geliefde uitgeverij uit Nijmegen kreeg ik dit eclatante werk begin deze week toegezonden en derhalve heb ik nog geen oordeel erover. Maar Vantilt kennende zitten wij goed. Als eerste binnenkomer geef ik de tekst op de omslag en de recensie zoals die staat in ‘De Leesclub van Alles’ van Wouter van Dijk’. Mijn optie is nu vooral dat u weet dat dit album, waarin ook vele tv-beelden staan, bestaat. U krijgt blijvend in boekvorm wat u zag en gaat zien.

Vantilt: ‘Voor elke Nederlander en Vlaming die in dit herdenkingsjaar snel wil achterhalen waar de Tachtigjarige Oorlog precies over ging, is dit het perfecte boek. De kern van de strijd lag in drie fundamentele rechten: vrijheid van godsdienst en geweten, recht op zelfbeschikking en recht op inspraak. Vanuit deze actualiteit weet Anton van der Lem een ingewikkelde geschiedenis in kort bestek helder te presenteren en te illustreren met prachtige afbeeldingen. Hij zet de ingewikkelde politieke, religieuze en sociale oorzaken van de Opstand duidelijk uiteen en daarmee de scheiding tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden. Rake portretten van de hoofdrolspelers aan beide zijden verlevendigen zijn verhaal. De schrijver staat aan de kant van de katholieken én de protestanten, belicht aanhangers van de Republiek én de koningsgezinden. Daarnaast was de Tachtigjarige Oorlog niet alleen een strijd om vrijheden, maar net zo goed een burger- en belangenoorlog die steden, regio's en families uit elkaar dreef.

Niet alleen de belangen van de Lage Landen stonden op het spel tijdens de Opstand, maar de normen en waarden in heel Europa. Vandaar de vertalingen van De Opstand in het Duits (2016) en het Engels (2018). Deze tweede, geactualiseerde druk verschijnt op groter formaat, met nog meer verrassende afbeeldingen.

Wouter van Dijk: ‘De Nederlandse Opstand, of de Tachtigjarige Oorlog zoals hij vroeger genoemd werd, is misschien wel de meest belangrijke episode in onze vaderlandse geschiedenis. Cruciaal in het proces van staat- en natievorming dat al sinds de Bourgondische periode aan de gang was, en bepalend voor de, zo bleek later, blijvende scheiding tussen de Noordelijke en Zuidelijke gewesten van de Nederlanden. Anton van der Lem heeft de taak opgevat deze interessante maar ingewikkelde periode in de Nederlandse geschiedenis op overzichtelijke en bondige wijze bij het grote publiek onder de aandacht te brengen. Van der Lem is conservator oude drukken bij de Universiteitsbibliotheek Leiden en als zodanig als geen ander op de hoogte van de schat aan interessante documenten over de Opstand die daar bewaard worden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het boek vol zit met prachtige, weinig bekende, afbeeldingen waarvan er vele afkomstig zijn uit de Leidse Universiteits-bibliotheek.Van der Lem vertelt in acht beknopte hoofdstukken de aanloop naar, het verloop van, en de resultaten van de Opstand of Tachtigjarige Oorlog. 

Op chronologische wijze beschrijft hij eerst de eenwording van de Nederlanden onder de Bourgondische vorsten, en laat vervolgens zien hoe aanvankelijk loyale interne oppositie tegen het door Filips II gevoerde beleid hard wordt afgestraft, hetgeen alleen maar contraproductief bleek. Van der Lem stelt dat de Opstand een conflict was dat gedurende zijn verloop telkens is terug te voeren op een van drie hoofdredenen, namelijk de strijd om vrijheid van godsdienst en geweten, het recht op zelfbeschikking en het recht op medezeggenschap. Na de eerste hoofdstukken over het begin van het verzet tegen de autocratische regeerstijl van Filips II volgt de komst van Alva, die wanneer je Van der Lems boek leest misschien wel het meest bepalend bleek te zijn bij het uit de hand doen lopen van het Nederlands verzet tegen de Spaanse vorst. Nu voor de Nederlandse adel bleek dat er voor hun grieven geen redelijkheid van Filips’ kant viel te verwachten en hij er niet voor schroomde ook de hoogste edelen met hun hoofd op het hakblok te leggen, zoals de graven Egmond en Horne gebeurde, bleek er voor degenen die hun onvrede geuit hadden geen reden zich niet tot het uiterste te verzetten. Verzoening met de koning in Spanje was immers geen optie gebleken, hoe licht een vergrijp ook geweest was. Van der Lem laat zien dat het verschil binnen de Habsburgse Nederlanden niet zozeer lag tussen bijvoorbeeld enerzijds Friesland en Groningen en anderzijds Henegouwen en Namen, maar juist tussen de aan de zeekant gelegen verstedelijkte gewesten zoals Holland, Vlaanderen en Brabant aan de ene kant en de landinwaarts gelegen perifere gewesten aan de andere kant. Daarbij komt de rechtlijnige houding op godsdienstig vlak van zowel Filips II aan de rooms-katholieke kant, als van de calvinisten die wanneer zij ergens de dominante groep vormden ook geen godsdienstvrijheid aan andersdenkenden wilden toestaan.

De auteur schetst in een zeer heldere stijl het verloop van de langdurige strijd, en behoudt daarbij de nodige afstand tot het onderwerp. Dit maakt De Opstand in de Nederlanden een erg prettig leesbaar boek. Van der Lem toont aan dat de oorlog, zeker in de beginfase, meer de kenmerken had van een burgeroorlog dan een rebellie van een gehele natie tegen een ‘vreemde’ onderdrukker. Ook de scheiding tussen een noordelijke protestantse zone en een zuidelijke katholieke is een gevolg geweest van de staatkundige verdeling zoals die op militair gebied tot stand kwam, en niet een oorzaak waardoor de Nederlanden in deze twee staatjes uiteen vielen. Van der Lem is er uitermate goed in geslaagd in het kleine beslag van zo’n 200 pagina’s toch een heel compleet beeld van de Opstand met alle belangrijke spelers, oorzaken, onverwachte gevolgen en ontwikkelingen te geven. Het wordt duidelijk dat het verhaal van de Opstand niet verteld kan worden zonder ook te wijzen op de veelvuldige toevallige loop van omstandigheden, en de vele punten in de strijd waarop deze ook zomaar een andere wending had kunnen krijgen. Niet dat het zo zinvol is om what-if-geschiedenis te bedrijven, maar wel om altijd in het achterhoofd te houden dat de Opstand in de eerste plaats geen oorlog tussen Nederland en Spanje was, maar een zeer gecompliceerd conflict waarbij vaker het geval was dat buren in de Nederlanden elkaar naar het leven stonden dan dat ze eensgezind de ‘buitenlandse’ Spanjaard tegemoet traden. Een boodschap die Van der Lem uitstekend overbrengt.


DE RECHTVAARDIGEN

U hebt wis en waarachtig van mijn collega-recensenten al vernomen dat de gerenommeerde auteur van vooral historisch getinte werken weer van zich doet spreken, Een nieuw boek van de man is bij voorbaat een literaire gebeurtenis in het non-fictieve genre. Nu wil het dat de schrijver 13 maart volgend jaar zijn opwachting in de regio maakt, op uitnodiging van de Culturele Raad Papendrecht. Het vereert mij u te mogen begroeten met de 502 bladzijden tellende, authentiek geïllustreerde paperback De rechtvaardigen van Jan Brokken en Atlas Contact met de ondertitel ‘Hoe een Nederlandse consul duizenden Joden redde’. Een belangrijk facet van het schrijverschap van Brokken is dat hij de tijd neemt, dat wil zeggen dat hij aan zijn personages de couleur locale geeft. Om dat nu al te illustreren geef ik integraal het eerste van de 47 hoofdstukken. Als binnenkomer reik ik eerst de tekst van de uitgever op de omslag aan en roep in uw herinnering de lovende woorden die wij met elkaar uitwisselden omtrent Brokkens Baltische zielen, De vergelding, De Kozakkentuin en De gloed van Sint-Petersburg. Als voorbereiding voor woensdag de dertiende van maart schuiven wij de komende weken door De rechtvaardigen

Atlas Contact: ‘In De rechtvaardigen beschrijft Jan Brokken het verhaal van de Nederlandse consul, Jan Zwartendijk. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog ontdekte deze consul in Kaunas (Litouwen) een manier om duizenden uit Polen gevluchte Joden het leven te redden: hij schreef voor hen een visum uit voor Curaçao. Daarmee reisden de Joden met de Trans Siberië Express naar Japan, van waaruit ze zich over de hele wereld verspreidden – vrijwel allen overleefden de oorlog. In korte tijd schreef hij koortsachtig duizenden visa uit. Jan Brokken beschrijft het leven van Jan Zwartendijk en de lotgevallen van veel van de ontkomen Joden in een meeslepend epos, waarin een treffend beeld wordt geschetst van een wanhopige tijd.
De rechtvaardigen is een les in moed, in het maken van de juiste keuzes op het juiste moment.’

Jan Brokken: ‘Mr Radio Philips Alles van belang begint onverwacht en maakt je achterdochtig. Soms word je voor een onmogelijke keuze gesteld en moet je in een fractie van een seconde beslissen. Je weet het nog niet, maar je voorvoelt al wel dat de rest van je leven ervan af kan hangen. Hoe reageer je dan? Ik zou het van mezelf niet weten, en misschien heb ik me daarom als een mol in deze geschiedenis gegraven. Jan Zwartendijk hoorde de telefoon rinkelen. Hij stond al buiten met zijn tas onder de arm en een sleutel in zijn hand; hij had net de showroom en het kantoor afgesloten. Het liep tegen zes uur, OostEuropese zomertijd. De zon scheen onder de kruinen door van de bomen aan de Laisvés aléja, Vrijheidslaan, de langste en breedste boulevard van Kaunas. De radio’s glommen in de etalage; hun emblemen – vier sterren en drie golven – leken van zilver. Mr Radio Philips noemden ze hem in de stad, en altijd klonk er iets van bewondering in door, alsof hij de toestellen zelf in elkaar had geschroefd en van een elektronenbuis en luidspreker had voorzien. Meer nog dan in Nederland golden radio’s hier als voorbodes van de moderne tijd. Achterlijk kon je Kaunas allang niet meer noemen, maar het aantal telefoonaansluitingen vulde slechts een dunne gids. Iets zei hem dat het niet zonder consequenties zou zijn als hij de hoorn opnam. De datum flitste als een waarschuwing door zijn hoofd: 29 mei 1940. Hij mocht dan een doorsnee zakenman zijn – drieënveertig jaar oud,  getrouwd, drie kinderen – hij was ook een buitenlander die nooit precies wist wie hij geloven moest in Litouwen. Als het even kon, hield hij een veilige afstand aan. Door de deur te ontsluiten, terug te lopen naar zijn bureau en de hoorn op te nemen zou hij alle gevaren binnenlaten van een stad die op de rand van oorlog balanceerde.

Voor heldhaftigheid was hij niet in de wieg gelegd. Hij miste de ambitie. Het liefst was hij zo snel mogelijk naar huis gegaan. Een uurtje ontspanning in de tuin met Erni en de kinderen, voor ze aan tafel zouden gaan. Het was alweer zijn derde jaar in Kaunas en hij wist dat je van de warme zomeravonden moest genieten, anders kwam je de lange winter niet door. Onder de appelbomen zou de dolgedraaide wereld verschrompelen tot een wolk in de verte. Hij kon het soms niet nalaten om weg te vluchten uit de realiteit, ook al was het stompzinnig om in vrede te blijven geloven. De hele middag had hij spanning gevoeld op de zaak. Ogenschijnlijk was er niets aan de hand geweest, als je de overvolle asbakken over het hoofd zag. Geen klanten, geen bestellingen. Een landerig soort rust. Hij had De Haan en Van Prattenburg om halfzes naar huis gestuurd. De Haan, die leidinggaf aan de radioassemblagefabriek, sleet zijn dagen op het kantoor. Sinds de productie was gestaakt liet hij zich alleen ’s morgens even zien op de werkvloer om het personeel te laten weten dat hij nog altijd bestond. Van Prattenburg deed de administratie en was de financieel directeur. Alleen aan het einde van de week had hij het druk, als de lonen uitbetaald moesten worden. Veel meer dan nerveus sigaretten roken en om de andere minuut naar buiten kijken hadden de heren niet gedaan.

Iedereen in de stad verwachtte het Rode Leger. Maschewski was nog even gebleven, tot hij een vrouw in een veel te luchtige zomerjurk voor de etalage van de showroom had zien staan: hij was op haar afgestapt alsof ze een potentiële klant was en had hij een praatje met haar gemaakt. In het Duits, Litouws, Pools of Russisch – dat had Zwartendijk niet kunnen horen, maar hij was er wel zeker van geweest dat Maschewski vooral naar buiten was gelopen om zijn zenuwen tot bedaren te brengen. In Kaunas heerste de stilte voor de storm. De tanks konden ieder moment de stad binnenrollen om zich bij de bruggen over de Neris en Nemunas te posteren. Hij zag al voor zich hoe de Russische soldaten over de twee kilometer lange Laisvés aléja zouden marcheren die, o ironie, in de tsaristische tijd was aangelegd om meer luister te geven aan militaire parades. Het kon vandaag of morgen gebeuren. Vanaf dat moment zou het definitief gedaan zijn met het vrije, zelfstandige Litouwen. Het land zou ingelijfd worden bij de Sovjet-Unie, daar bestond geen twijfel over.

De telefoon bleef maar rinkelen. De hele week was hij nog niet één keer overgegaan. Eindelijk een order dan? Door de oorlogsdreiging maakten ze opnieuw nul omzet; het ging even beroerd als tijdens de crisisjaren die in Litouwen tot 1937, 1938 hadden voortgeduurd. Hij had vijftien werknemers van de assemblagefabriek naar huis moeten sturen en de overige twintig op non-actief gesteld. In de hele maand mei hadden ze niet één radio verkocht. De overgebleven personeelsleden hingen maar wat rond bij de lege montagetafels in afwachting van wat komen zou. Zoekend naar nieuws luisterden ze naar alle zenders die ze op de korte golf konden vinden. Volgens De Haan draaiden ze de volumeknop hoger als ze Hitler hoorden. Een order kon het niet zijn. Wie belde er nu op een doordeweekse dag even voor zessen om een gloednieuw apparaat aan te schaffen? Eindhoven was het evenmin: met het hoofdkantoor handelde hij alles schriftelijk af want internationaal telefoneren kostte evenveel als een treinreis naar Berlijn. Het moest iets anders zijn, iets wat geen uitstel duldde. Slecht nieuws ongetwijfeld. Hij hoopte dat het niet van Piet kwam. Met zijn eeneiige tweelingbroer was hij zo sterk verbonden dat hij begon te niezen als Piet tweeduizend kilometer verderop verkouden werd. Sinds de vorige maand had hij niets meer van zijn broer vernomen. Was Piet in Rotterdam geweest, op de 14de mei? Als hij niet opnam, zou hij zich de hele avond en hele nacht afvragen wat hem was overkomen. Of hield het toch verband met de dreigende situatie? En was het dan niet slap om net te doen alsof er niets aan de hand was?

Hij stak de sleutel in het slot, duwde de deur open, liep de showroom door, spurtte de trap op naar het kantoor op de bel-etage, tilde de hoorn van het bakelieten toestel en hijgde: ‘Hallo... Lietuvos Philips...’ ‘Zwartendijk?’ Een Nederlander, wiens ‘r’ op zuidelijke wijze rolde. Hij bromde instemmend en trok met zijn ene vrije hand zijn stropdas wat losser – hij had de hitte mee naar binnen genomen. ‘De Decker...’ De naam zei hem niet onmiddellijk iets. ‘Nederlands gezantschap in Riga...’ Ah ja, die De Decker. ‘Excellentie...’ ‘Laat u dat maar achterwege, de tijden zijn er niet naar.’

Hij had De Decker slechts één keer ontmoet, tijdens de receptie op het presidentiële paleis, toen de ambassadeur zijn geloofsbrieven was komen aanbieden. De Baltische landen waren toen nog zelfstandig; het was ergens in het voorjaar van 1939 geweest, een paar maanden voor Hitler en Stalin hun duivelspact hadden gesloten en Polen en de Baltische landen als tijdens een potje monopoly onder elkaar hadden verdeeld. De Decker was benoemd tot ambassadeur in Letland, Estland en Litouwen. In elk van die landen had hij zich aan de president en de voorzitter van het parlement moeten voorstellen. Een vroegoude man, nog geen zestig, getekend door het leven. Kort na aankomst in Riga was zijn vrouw overleden. Geen kinderen... Hoe voel je je dan in een land waar je geen mens kent? Als directeur van een van de weinige Nederlandse bedrijven in de regio had Zwartendijk het als zijn plicht gezien acte de présence te geven, ook al had hij een hekel aan recepties. Kaal. Langgerekt gezicht, kromme neus, ingevallen wangen. Op de receptie had hij gehoord dat de nieuwe ambassadeur Belg van geboorte was – wat hem verwonderd had. Geen Bourgondiër in ieder geval. Meer een type dat nooit de bloemetjes buitenzette, en nooit uit onderhandelingen wegliep voordat er resultaat was geboekt. Een man van weinig woorden ook. Na het voorstellen had hij gemompeld: ‘Ah, Philips... Uw hoeveelste post in het buitenland?’ Hij had niet willen uitweiden en alleen gezegd: ‘Lange tijd Praag... Toen Hamburg.’ Deed er niet toe dat dat voor een andere firma was geweest... De ambassadeur had hem even aangekeken. ‘Hamburg? Ik heb er net zeven jaar Düsseldorf op zitten als consul-generaal. Leuk, Duitsland... Heeft u ook zo genoten? Of werd u een beetje moe van al die gestrekte armen?’ Dat hij er niet bij grinnikte, was hem bevallen. Na de Hollandse capitulatie, die veel sneller kwam dan verwacht, was De Decker op zijn post gebleven. Het Koninkrijk der Nederlanden was nog niet in zijn geheel onder de voet gelopen – Indië, Curaçao en Suriname waren er nog, en de regering en de koningin waren niet afgetreden maar in ballingschap gegaan. 

Een paar dagen na de overgave had de ambassadeur hem in een telegram gevraagd of Philips in Litouwen openbleef. Hij had een telegram teruggestuurd: ‘Geen order tot sluiting uit Eindhoven.’ Ze hadden nooit eerder met elkaar gebeld. ‘Zwartendijk, om met de deur in huis te vallen: ik heb u nodig. Ik zit te springen om een consul in Kaunas.’ Hij zei even niets. Toen: ‘We hebben Tillmanns toch?’ ‘Een Duitser. Waanzin om Nederland na de inval en de capitulatie door Herr Doktor Tillmanns te laten vertegenwoordigen! En wat voor een Duitser! U weet...’ ‘Dat is meer zijn vrouw, die zou Hitler het liefst morgen met een bos bloemen begroeten. Tillmanns valt geloof ik wel mee. Hij woont al lang in Litouwen.’ ‘Alle Duitstaligen in Litouwen zijn pro-nazi, dat weet u beter dan ik. Goed, doet er niet toe, ik hoefde de consul niet eens de laan uit te sturen, Tillmanns heeft op de dag van de Duitse inval zijn functie neergelegd – echt op de dag zelf, op 10 mei –, wat voor de man pleit... Het ontslag van Tillmanns is nog niet bekrachtigd. Ik kan daar niet op wachten, ik heb stante pede een waarnemer nodig. Mijn keuze was snel gemaakt.’ ‘Kijk eens aan. Wat een eer!’ Hij vroeg zich af of het ironisch genoeg klonk. ‘Dan hebben we meteen een kantoor. Begrijpt u?’ Ah, was dat het! ‘... Tillmanns verschaft ons niet langer onderdak. We moeten zijn pand per direct verlaten. Uw zaak zou prima als consulaat kunnen dienen.’ ‘U gaat ervan uit dat Eindhoven dat goedkeurt?’ ‘De hele top van Philips is naar Londen uitgeweken, net als onze regering en Hare Majesteit de Koningin.’

‘De hele top, op Frits Philips en Guépin na, die zijn op hun post in Eindhoven gebleven. Guépin is mijn directe baas. Ik ontving gisteren een bericht van hem dat hij naar alle buitenlandse vestigingen heeft gestuurd.’ ‘En?’ ‘Het hoofd koel houden en doorgaan op de oude wijze.’ ‘Dat lijkt me een illusie, Zwartendijk. Philips is onder Duits beheer gesteld, zoals alle grote bedrijven in Nederland. Maar als ik me niet vergis staat u als directeur van Philips Litouwen aan het hoofd van een zelfstandige onderneming en heeft u een zekere vrijheid van handelen?’ ‘U bent goed ingelicht, meneer De Decker.’ ‘De opengevallen post moet zo snel mogelijk bemand worden. Begrijpt u?’ ‘Ik wil niet flauw doen, mijnheer de ambassadeur...’ ‘Gezant. Het Koninkrijk der Nederlanden heeft gezanten, geen ambassadeurs.’ ‘Wat is het verschil?’ ‘Kleine mogendheden hebben gezanten, grote ambassadeurs. Sinds het Congres van Wenen van 1815 heeft Nederland de status van “kleine mogendheid”. Een ambassadeur heeft voorrang boven een gezant, hij geniet “préséance”. Voor de ambassadeur van Duitsland, Frankrijk of Groot-Brittannië moet ik een stapje terug doen.’ ‘Zo ziet u maar, ik weet er helemaal niets vanaf.’ ‘Beschouw me als ambassadeur, maakt niet uit, zo word ik hier overal genoemd.’ ‘Ik wil u graag van dienst zijn, meneer De Decker, maar ik heb geen enkel benul van diplomatieke of consulaire zaken. Ik weet gewoon niet wat het inhoudt en wat het met zich meebrengt.’ ‘Vrijwel niets. Een enkele landgenoot wiens paspoort verlengd moet worden, of die hulp en bijstand nodig heeft. Misschien een firma die vraagt om bemiddeling. Het stelt weinig voor.’ De ambassadeur kuchte even alsof hij zelf in de gaten had dat hij een te simpele voorstelling van zaken gaf. 

‘Waar het om gaat, Zwartendijk, is dat Nederland in Litouwen vertegenwoordigd blijft. Als we het consulaat sluiten, zijn we weg uit deze contreien. Ik heb het consulaat in Tallinn ook opengehouden, en het gezantschap in Riga... Ik voel me zo’n beetje als kapitein op een zinkend schip. Ik heb hulp nodig, in mijn eentje red ik het niet... Er zullen veel dingen op ons afkomen... De nationalisaties... De mensenstroom... Iedereen is op drift geraakt in de regio. Ik vraag of u onze man in Kaunas wilt zijn.’ ‘Alles best en wel, excellentie, maar ik weet werkelijk niet hoe ik dat moet aanpakken, wat ik precies moet doen...’ ‘Tillmanns zal u de bescheiden en de stempels geven. En het archief. Ik stuur u de consulaire handleiding en instrueer u verder per brief. Als u er niet uit komt, kunt u me te allen tijde bellen op mijn kosten. Ik wil niet dramatisch doen, maar helpt u me in godsnaam. Er staan hier vreselijke dingen te gebeuren.’ ‘Het wordt oorlog, ja.’ ‘Niet alleen oorlog, het wordt...’ ‘Ondergang.’ ‘Juist, Zwartendijk, we moeten het ergste vrezen.’ ‘U kunt op me rekenen.’ ‘Versta ik het goed?’ ‘De consequenties ontgaan me nog grotendeels maar ik wil er verder niet over nadenken.’ ‘Ah, superbe, Zwartendijk. Dan bent u vanaf nu de waarnemend consul van het Koninkrijk der Nederlanden in Litouwen. Ik beëdig u per direct, vraag de regering in Londen het besluit te bekrachtigen en meld u aan bij de overgangsregering van Litouwen. Ga morgen direct bij Tillmanns langs en neem alle bescheiden van hem over.’ ‘Eén vraag toch: mijn vrouw heeft Duits als moedertaal. Ze is op de grens van Polen en Tsjechië geboren in een stadje dat tot het Oostenrijkse Keizerrijk behoorde. Hoe weet u dat zij deugt? Mijn kinderen zitten op een Duitse school, de oudste op het Duits gymnasium. Hoe weet u dat ik deug?’ Een kort lachje. ‘Mensenkennis, Zwartendijk. Een blik op u was voldoende.’ 

Zesenzeventig jaar sta ik in Kaunas op de Laisves aleja 29 en kijk door de winkelruit naar de plek waar Zwartendijk de telefoon opnam. Zijn dochter Edith staat naast me. Ze was dertien destijds, inmiddels is ze negenentachtig. Ze houdt mijn arm vast om haar evenwicht te bewaren en zegt met vaste stem dat het hier allemaal begonnen is op die bewuste avond in mei. Haar vader had net de showroom afgesloten toen hij de telefoon hoorde rinkelen. Vreemd genoeg is er niets veranderd aan het interieur. Dezelfde lichtbruine lambrisering, dezelfde houten trap van de showroom naar de bel-etage. Ik zie Zwartendijk daar staan, met de bakelieten hoorn in de hand. Edith maakt hem nog zichtbaarder. ‘Pa had direct een groot vertrouwen in De Decker. Dat was wederzijds. Later, toen de situatie explosief werd, belde hij vaak met de ambassadeur. Meestal ’s avonds, als hij afgepeigerd thuis was gekomen. Het toestel hing in de gang aan de wand, hij maakte wilde gebaren, trapte tegen de muur. Na een paar minuten zag ik hem kalm worden.’
 

EEN ZESTAL VOOR DE VRIJE HERFSTWEEK

De oktoberweek van vrijaf is komende en om die nog meer allure te geven, leg ik zes boeken op de tafel of bij de bagage, die gemeen hebben dat ze met z’n zessen uw herfstvakantie nog meer glans geven. Ik zet op een rij titel, auteur, ondertitel of genre en uitgever en laat die volgen door de tekst op de omslag, opdat u weet welk thema u te wachten staat. Eind van deze maand wisselen wij onze leeservaringen met deze zes uit. Goede leesdagen.

1) Een Duits meisje – Heidi Benneckenstein – Mijn leven in een neonazifamilie – De Arbeiderspers
Heidi Benneckenstein (1992) groeit op in een gezin dat de nazi-ideologie omarmt. De boeken die ze leest, de liedjes en gedichten die ze leert, de verhalen die ze hoort over de geschiedenis van Duitsland: alles is nationaalsocialistisch gekleurd. Als kind gaat ze op zomerkamp bij de "Heimattreue Deutsche Jugend', waar jongens en meisjes "völkisch' worden opgevoed en op paramilitaire wijze worden gedrild. Als vijftienjarige marcheert ze mee in demonstraties van neonazi's en slaat ze een fotojournalist in elkaar. Als ze negentien is, besluit ze samen met haar vriend om met het nazimilieu te breken, een besluit waar veel moed voor nodig is. In dit boek blikt ze nog eenmaal terug in de afgrond van deze parallelle wereld.

2) De mantel van astrakan – Piero Chiara – Romen – Serena Libri
De naamloze 'ik' besluit een paar maanden naar Parijs te gaan om zich in het mondaine leven te verdiepen. Hij trekt in bij een weduwe, madame Lenormand, die zich beklaagt over haar zoon, en bij Domitien, een ongenaakbare kat die zich niets laat aanleunen. De zoon is er met een Indochinese vandoor gegaan en laat niets meer van zich horen. Hij heeft een jas van astrakan achtergelaten. De ik maakt kennis met Valentine, een aantrekkelijke jonge vrouw, en na verloop van tijd krijgen ze een verhouding. Dan loopt het mis.  Maurice, de zoon van mevrouw Lenormand, is niet in Indochina. Hij zit in de gevangenis waaruit hij ontsnapt en Valentine raakt daarbij betrokken. Sliep ze met Maurice? Mismoedig slaapt hij met een majoor van het Leger des Heils. Van wie houdt Valentine?

3) 67 seconden – Jason Reynolds – Verzen – Blossom Books
"Mensen houden altijd meer van mensen als ze dood zijn.' Zestig seconden. Zeven verdiepingen. Drie regels. Een wapen. Will staat 67 seconden in de lift naar beneden, met in zijn broekband een pistool. Zijn broer Shawn is vermoord, en Will weet wat er van hem verwacht wordt. Niet snitchen. Niet huilen. Wraak. Het boek is geschreven in vrije versvorm en oorspronkelijk in het Engels, maar de vertaling is bijna net zo briljant als het origineel moet zijn. Het verhaal komt, mede door de versvorm, heel hard binnen en heeft op mij heel veel indruk gemaakt. Ik heb het hele boek lang mijn adem ingehouden en had aan het einde echt dat doffe gevoel, alsof er ineens iets wegviel. Een enorme aanrader, zeker ook voor mensen die moeilijk door boeken heen komen. De teksten zijn kort en behapbaar en ingedeeld in hele kleine stukjes. Hierdoor is het ook voor niet-lezers volgens mij heel geschikt! Jason Reynolds (1983) is een Amerikaanse auteur. De bestverkopende auteur van de New York Times. Bekend vanAll American Boys, de Track-serie, Long Way Down, For Everyone en Miles Morales-Spiderman. Hij schrijft voor jongvolwassenen, omdat hij weet dat een heleboel jongeren niet van lezen houden, omdat ze boeken saai vinden. Jasons missie is dan ook: geen saaie boeken schrijven. 67 seconden heeft echt enorm veel prijzen gewonnen en daarnaast zijn de filmrechten ook al gekocht door Universal.

4) Hoor me – Yolanda Hadid – De strijd tegen de onzichtbare symptomen van Lyme – Pepper Books
Yolanda Hadid werd wereldberoemd als model, Real Housewife of Beverly Hills en moeder van Bella en Gigi Hadid. Ze was ook ziek, en lange tijd wist niemand wat er met haar aan de hand was. Opgegroeid op een kleine boerderij in het Zuid-Hollandse Papendrecht, brengt Yolanda Hadid haar jeugd door met paardrijden, turnen en een bijbaantje bij de HEMA.
Op haar zestiende wordt ze gescout door een modellenbureau. Voor ze het weet vliegt ze als model de hele wereld over. Ondertussen gaat Yolanda's gezondheid achteruit. Haar lange zoektocht naar de juiste diagnose begint. Pas vele jaren later wordt vastgesteld dat ze leidt aan de chronische ziekte van Lyme. Medicijnen en behandelingen volgen, terwijl ze inmiddels ook een gezin heeft en onderdeel is van de realityserie The Real Housewives of Beverly Hills.
Ondanks alles lijkt Yolanda Hadid nooit de hoop te verliezen. Haar positie als beroemdheid gebruikt ze om meer bewustzijn te creëren rondom de ziekte van Lyme. Hoor me is het levensverhaal van Yolanda Hadid.

5) Brieven aan Koos – Tim Fransen – Avonturen van een zolderkamerfilosoof – Das Mag
Moeten we een gelukkig, of eerder een waardevol leven nastreven? Wat is er überhaupt van waarde, in het licht van onze eindigheid?  En  waarom drinken mensen wijn terwijl druivensap overduidelijk zoveel lekkerder is? Cabaretier en filosoof Tim Fransen verlaat zijn veilige plekje  in de bibliotheek en trekt erop uit, vastbesloten de antwoorden te vinden op de grote vragen van het leven. Terwijl hij zijn filosofische helden achterna reist – Immanuel Kant, Karl Marx, Friedrich Nietzsche, Albert Camus – belandt hij in onverwachte avonturen. Hij legt bloemen bij het graf van een onbekende man, rent angstig door een steeg in de hoerenbuurt van Leipzig en verzorgt bejaarden in een Russisch tehuis.
Zijn lessen  tekent hij op in brieven aan zijn goede vriend Koos; brieven die een even grote schat aan wijsheid als klunzigheid bevatten. 
‘Ontroerend en onweerstaanbaar grappig.’– Theo Maassen 

6) Schokland – Saskia Goldschmidt – Roman – Cossee
De grond onder het Hogeland van Groningen beeft. Eerst nauwelijks voelbaar, maar langzaamaan wordt het sterker. Als de bodem onder hun voeten steeds instabieler wordt, proberen Femke, haar moeder Trijn en haar grootvader zowel de boerderij als hun eigen leven onder controle te houden. Femke is in haar element tussen de dieren op de boerderij en de gedroomde opvolger van de melkveehouderij van haar grootouders. Haar moeder daarentegen deed ooit een poging aan het boerenbestaan te ontsnappen maar is tegen haar zin teruggekeerd. Sindsdien is ze nooit meer van het erf afgekomen. De spanning tussen moeder en dochter over de te volgen koers groeit. Femke wil verduurzamen, Trijn ziet dit als een aanval op de traditie.

Van oudsher ontvlucht Femke de wrokkige stiltes door het uitgestrekte rietland in te gaan, waar ze tussen de kuifeenden en reigers haar weg hervindt. Terwijl de scheuren in hun muren groter worden, staat een bewoner verslagen voor zijn gesloopte boerderij, raakt Femke onder invloed van een ambitieuze jonge boerin en moet de gemeenschap zich verzetten tegen de bedrijven die van hun grond willen profiteren. Voor haar nieuwste roman verhuisde Saskia Goldschmidt naar het door aardbevingen getroffen Groningse platteland. Ze woont daar inmiddels twee jaar, heeft tientallen bewoners gesproken en hielp mee in de stallen van verschillende melkveehouderijen. In Schokland onderzoekt ze wie je bent als je identiteit intens verstrengeld is met je geboortegrond. En hoe je overeind blijft staan als de wereld langzaam instort.
 

CULTUURMIX 8 OKTOBER 2018

Papendrecht 08-10-2018

ZOMERVACHT

Ik ga u dat aanbieden wat presentator Matthijs van Nieuwkerk en panellid Iris Meijer ons op 25 september onthouden heeft tijdens de eerste aflevering dit seizoen van ‘Het Boek van de Maand’ in DWDD. Matthijs en Iris hadden lovende woorden over de inhoud die zij kort doorgaven, maar waren ook onder de indruk van de stijl van het winnende roman. Het ging om de 320 bladzijden tellende hardcover Zomervacht van Jaap Robben en uitgeverij De Geus. Op de wikkel prijkt een wesp en die symboliseert het pijnlijke gevoel dat al lezende gaat overheersen bij ons als lezer. De titel wordt verklaard in het boek, als medebewoner van het kamp Emile zegt dat de hoofdpersoon Brian als een zomervacht is voor zijn zwaar gehandicapte drie jaar oudere broer Lucien. Om u de verteltrant van Robben te illustreren geef ik u de tekst van de eerste negen pagina's van deze meeslepende, ontluisterende, inlevende en ontmaskerende roman. Om de context te vatten citeer ik eerst de uitgever op de wikkel. De Geus: ‘De dertienjarige Brian woont bij zijn vader op een afgelegen terrein in een caravan. Brians verstandelijk en fysiek beperkte broer Lucien brengt zijn dagen door in een instelling. Een renovatie tijdens de zomer maakt het noodzakelijk dat Lucien elders wordt opgevangen. De vader, vooral gemotiveerd door de in het vooruitzicht gestelde vergoeding, haalt Lucien naar de caravan en maakt de jonge Brian verantwoordelijk voor de verzorging van zijn broer. ‘Maar hoe praat je met iemand die niet spreekt? Hoe zorg je voor iemand van wie je niet weet wat hij nodig heeft? Hoe maak je de juiste keuzes als je zelf nog zo veel moet ontdekken?’

Jaap Robben: ‘Ik dacht dat we zomaar een stukje gingen rijden. Vliesjes hooi waaien ons tegemoet en komen door de open ramen onze pick-up binnen. Het is oogstseizoen, maar niet voor ons. In de laadbak rammelen roestige verwarmingsbuizen en de kast van een wasmachine die we gisteren uit de berm hebben opgepikt. Pa slaat af en stopt bij het tankstation. ‘Moet jij nog iets?’ vraagt pa terwijl hij de tank laat vollopen. Dit kan alleen op maandagen, omdat Benoit dan werkt. Zijn baas verkoopt ons niks meer. Klanten als wij kosten hem geld, beweert hij. Een vrachtwagen met balen hooi dendert langs, en doet het verbleekte zeil klapperen dat reclame maakt voor de koffie die hier altijd in de aanbieding is. Dat spul ruikt alsof er dakbedekking doorheen is gemalen. ‘Hoi’, zeg ik tegen Benoit. Er rinkelt een schel belletje. ‘Jullie mogen niet meer naar binnen’, antwoordt Benoit vanuit zijn glazen cabine. Hij houdt zijn mond te dicht bij het microfoontje. ‘Dat heb ik vorige keer ook al gezegd.’ Ik wijs naar de kassa, gebaar naar mijn oren dat ik hem niet versta. ‘Ik zei dus dat ik jullie …’ Ik schud mijn hoofd, wijs weer naar mijn oren. Door de muur van gestapelde houtskoolzakken rond zijn kassa lijkt het alsof hij zich voor ons verschanst heeft . In de emmers ernaast staan bossen bloemen dood te gaan. Ik draal bij het koelvak met de blikjes energiedrank. Via de bolle spiegel tegen het plafond probeert Benoit me te volgen.

Het belletje van de deur rinkelt opnieuw. ‘Benoit!’ roept pa gul. ‘Ik zei net al tegen Brian dat ik jullie niks …’ ‘Doe deze er ook maar bij.’ Pa tilt een enorm chocolade-ei tevoorschijn uit de aanbiedingenbak. ‘Cadeautje voor zijn broer.’ ‘Gaan we naar Lucien?’ Pa drukt het prijsje tegen het veiligheidsglas. ‘En hier dan weer de helft van’, zegt hij terwijl hij aan de grote rode sticker pulkt. ‘Trouwens, deze kan erop blijven. Dat ziet zijn broer toch niet.’ ‘Jaja’, stamelt Benoit en tikt het bedrag met korting in. ‘Knoop er maar een flink stuk van dat blauwe lint om, dat vindt zijn broer mooi.’ ‘Aanbiedingen mag ik helaas niet inpakken.’ ‘Rood is ook best.’ ‘Dat mag ik dus niet doen.’ ‘Moet jij nog wat hebben?’ roept pa naar mij. Ik schud mijn hoofd. ‘Hoeveel krijg je van me?’ Benoit slikt, tuurt naar zijn kassa. ‘Ik kom op achtendertigvijfentwi…’ ‘Hierzo.’ Pa haalt een handvol munten uit de binnenzak van zijn leren jas en kwakt die in het bakje onder het raam. ‘En dan krijg je deze erbij.’ Uit zijn broekzak trekt hij een briefje van tien, dat hij keurig openvouwt en gladstrijkt. ‘Versier jij dat ding dan even mooi?’ ‘Eerst moet ik tellen of het klopt.’ ‘We hebben nogal haast.’ Zenuwachtig begint Benoit de muntjes te sorteren. 

Nog voor we bij de auto zijn, vlekt de chocola al tegen het plastic. Pa beent voor me uit. Blauw lint wappert achter hem aan. ‘Even doorstappen, Brai.’ ‘Gaan we echt naar Lucien?’ Benoit is naar buiten gekomen. ‘Ik kom nog zeven vijfentwintig tekort.’ Pa draait zich om, maar blijft achterwaarts doorlopen naar de auto. ‘Heb je wel goed geteld?’ ‘Het is te weinig.’ ‘Lijkt me sterk.’ Pa trekt zijn verbaasde smoel. ‘En we hebben een beetje haast. Zijn broer wacht.’ ‘Ik moet dit rapporteren.’ ‘Nounou, moeilijke woorden. Ga je zo met trouwe klanten om?’ Pa vertraagt zijn pas. ‘Morgen breng ik de rest.’ ‘Dan ben ik er niet.’ ‘Tja.’ Pa grinnikt. ‘Dan moet je het even voorschieten.’ We draaien terug de weg op, Benoit staat bij de deur. Pa zwaait amicaal naar hem, steekt zijn duim op. Benoit groet terug met een half opgestoken handje. ‘Waarom gaan we naar Lucien?’ ‘Mag wel weer eens, dacht ik.’ Mijn broer woont in een bed op een half uur rijden van onze caravan. De laatste keer dat we bij hem langsgingen, was voor zijn zestiende verjaardag en de keer daarvoor moet rond Kerstmis zijn geweest. Ik herinner me vooral dat hij sliep. Toen hij eindelijk wakker werd, keek hij alleen maar naar de glinsterende kerstslinger die voor zijn raam hing en zacht boven de radiator danste. We gaan nooit precies met Kerstmis of op de dag van zijn verjaardag om ma niet tegen te hoeven komen. Ook nu hoop ik dat haar auto niet op de parkeerplaats staat. 

Naast de hoofdingang loert die jongen met de bolle ogen naar ons, zijn gezicht bestaat voor het grootste deel uit voorhoofd. Donker haar piekt tussen de openingen van zijn leren helmpje. Hij kijkt streng, alsof hij weet dat we al lang niet meer op bezoek zijn geweest. Zodra we hier het gebouw binnenlopen, word ik altijd nerveus. Bang dat Lucien misschien boos is dat we zo lang zijn weggebleven of dat er iets met hem gebeurd is wat wij niet weten. Maar vooral omdat dit terrein meer van ma is dan van ons. Tot heuphoogte zijn de witte muren bekrast, bestreept en gedeukt door rolstoelen, karretjes en verrijdbare bedden. Over de lengte van de hele gang staan rolstoelen met alle mogelijke opzetstukken geparkeerd. Verder een karretje met een vuilniszak eraan, volle dienbladen en besmeurde borden. Op een blauwe mat in een zaal ligt een jongen naar het plafond te jammeren. Zijn benen in onbegrijpelijke hoeken gedraaid, alsof ze eigenlijk bij een ander lichaam horen en pas later aan zijn romp zijn vastgenaaid. Met gespreide armen wacht hij op degene die uit het systeemplafond moet vallen en die hij met een omhelzing wil opvangen.

‘Brai!’ Pa is al aan het eind van de gang. ‘Moet je hier zien.’ De automatische klapdeuren willen steeds dichtvallen, maar door waar hij staat schokken ze direct weer open. Achter hem gebaart een Mariabeeld dat we langzaamaan moeten doen, terwijl iedereen hier al zo sloom is. ‘Daar was Luciens kamer, toch?’ Dwars over de zijgang is een wand van doffe folie gespannen. Wanneer er ergens in het gebouw een deur of een raam opengaat, zuigt de folie zich met een klap hol en ritselt meteen daarna weer bol. Daarachter wordt geboord. Een silhouet duwt een kruiwagen. ‘Zou hij verhuisd zijn? Dat kan toch niet, dat had je ma moeten laten weten.’ Het cellofaan van het chocolade-ei knispert in zijn vuist. ‘Misschien hier ergens?’ We kijken op de naambordjes van willekeurige kamers, achter een van die deuren loeit iemand. ‘Even vragen bij de receptie?’

‘Waar is Lucien gebleven?’ Pa plant het chocolade-ei op de balie. ‘Zijn kamer is weg en ons is niks verteld.’ ‘Een momentje’, antwoordt de vrouw. ‘Even dit aftypen.’ Volgens haar naambordje heet ze Esmée. Haar blouse verbergt het soort borsten waar pa straks zeker een grap over zal maken. Zijn ogen glimmen. Esmée hamert met haar wijsvinger op enter, duwt haar bureaustoel naar achter en kijkt ons vriendelijk aan. ‘We zijn bezoek voor Lucien.’ ‘Lucien Chevalier?’ ‘Dat is zijn broer.’ ‘O … een broer’, zegt Esmée, maar ze kijkt me niet aan. ‘En wie bent u dan?’ ‘De pa.’ ‘Ah, natuurlijk …’ ‘Is hij nog hier?’ ‘Jazeker. Lucien ligt tijdelijk op één-nul-zes. We hebben intern moeten schuiven vanwege de verbouwing.’ Nog voor we kunnen vragen waar dat is, legt ze ons uit hoe we daar moeten komen: ‘Hier deze gang in, tweede gang links en dan is het de derde deur aan de rechterkant.’ ‘Goed’, zegt pa, zijn blik flitst naar haar borsten. Hij maakt zijn grapje waarschijnlijk al in zijn hoofd, want hij grinnikt. Tikt met twee vingers tegen zijn slaap. ‘Tot straks.’

In elke gang hangt een fotocollage van getekende superhelden met de pasfoto’s van bewoners als gezichten. ‘Man, man, man’, grinnikt pa. ‘Dat waren twee flinke boodschappentassen.’ ‘Wat?’ ‘Tussen die tieten wil je toch wonen?’ ‘Één-nul-één’, lees ik hardop voor. ‘Hier is één-nul-drie. We moeten aan de andere kant zijn.’ ‘We zullen eens zien’, mompelt pa. ‘Als hij slaapt, blijven we maar even.’ Luciens naambordje is versierd met geel en blauw gekras, waarschijnlijk heeft iemand van de leiding zijn vingers om een stift geknepen. ‘Ja?’ Pa heeft zijn hand al op de klink en kijkt me aan. ‘Brai?’ Ik knik. Met de kordaatheid waarmee hij vroeger losse melktanden uit mijn mond trok, gooit hij de deur open. De dichte lamellen klapperen tegen het open raam. Crêpepapieren vogels hangen met touwtjes aan het plafond. Daaronder ligt Lucien. Het stugge haar op zijn achterhoofd staat zoals altijd onkambaar overeind. Zijn onderlijf plat op de deken, zijn romp en gezicht van ons weggedraaid. Sinds ons laatste bezoek is hij weer dichter naar de randen van zijn bed gegroeid. Hij verandert in kleinigheden. Vollere wenkbrauwen. Zijn onderlip puilt verder naar buiten, als een wijwaterbakje. Puistjes langs zijn haarlijn. ‘Lucien?’ Zijn ogen openen zich tot een kier. In zijn ooghoek kleeft een gele broodkruimel slaap. Onze moeder zou dat meteen hebben weggepulkt. ‘Jij bent Lucien’, zeg ik om hem zo aan zichzelf te herinneren. ‘Wij zijn er weer.’ En ik tik op mijn borst. ‘Brian en pa.’ Ik schuifel wat verder door zodat er voor ons allebei genoeg plek is aan het bed. Toch blijft pa half achter me staan. Hij likt zijn lippen, kucht zonder dat het nodig is. Ik doe nog een stap opzij, gebaar dat hij naast me kan komen. ‘Ik sta hier best’, zegt hij en duwt het chocolade-ei tegen mijn hand. ‘Voor je broer.’ Ik heb het al aangepakt, maar wil liever dat hij het zelf geeft . ‘Doe jij maar’, fluister ik en probeer het hem weer terug te geven. ‘Nee, nee. Jij kunt dat beter.’ Zijn handen verdwijnen in zijn jaszakken. Lucien loert naar ons. Ik hou het ei even voor zijn gezicht. En zet het dan op zijn nachtkastje; Lucien snapt pas wat chocola is als hij het geproefd heeft .

‘Het is een paar maandjes geleden, hè.’ Ik wil hem ergens aanraken, weet alleen niet goed waar ik moet beginnen, dus blijven mijn handen op de bedrand. Op het magneetbord naast zijn hoofdeind krult een foto om van Lucien in een rolstoel. Ma zit er gehurkt naast. Hoog opgetrokken legging die haar buik in twee rollen verdeelt, staartje op haar hoofd en al duizend jaar dezelfde schoudertas, die ze met twee handen vastklemt. Daarboven een nieuwe foto met Didier. Zoals op alle foto’s laat ze zich door hem omhelzen, drukt haar wang tegen de zijne om aan ons te laten zien hoeveel hij van haar houdt. Die-djééé noemt pa hem altijd met een zeiktoontje. Hun foto’s hangt ze altijd in het midden. Half verscholen daarachter een groepsfoto van bewoners met Lucien ertussen. Bij de ingang van een pretpark. Iedereen kijkt in de lens, behalve mijn broer. De enige foto waarop hij glimlacht is die waarop vreemde handen een cavia tegen zijn wang houden. Rechts onderaan hang ik. Met de magneet half over mijn gezicht. Het is dezelfde pasfoto die ma achter een raampje in haar portemonnee had. Net een voortand gewisseld. Strak gekamd gelhaar. Ik weet nog dat ik me toen groot voelde, ik had net dat ringetje in mijn oorlel. En zo’n rattenstaartje in mijn nek, maar dat kun je op de foto niet zien. ‘Kijk’, zei ik tegen Lucien. ‘Dit was ik.’ Ik voel meteen weer de vertrouwde onwennigheid om tegen hem te praten. Vooral omdat hij niks antwoordt. Volwassenen kunnen dat beter, al klinkt het bij hen zoals ze tegen hun hond praten. Lucien gaapt naar de papieren vogels, die zacht schommelen aan het plafond sinds wij binnen zijn gekomen. ‘Zullen we een beetje licht maken?’ Pa trekt al aan het koordje van de lamellen. Aan alle ramen is een klem bevestigd waardoor die maar op ’n kier open kunnen, zodat bewoners niet naar buiten kukelen. We kunnen nu de zomer zien, die nergens verder weg lijkt dan aan het bed van Lucien. In het hele gebouw eigenlijk. Met de geur van het buitenzwembad worden hier de vloeren gedweild. Lucien knijpt zijn ogen dicht tegen het plotselinge licht, opent ze, sluit ze weer met korte kneepjes. Doet ze dan toch weer hoopvol open, alsof hij vergeten is waarom hij ze sloot.’ 


WAANWIJZE LASTERBENDE

En zo waar het geschiedde die tweede van oktober weer: de postvrouw reikte mij een boek aan en meteen werd ik geraakt door titel en thema. Toen ik de Inleiding ‘Acht keer schelden – Over vruchtbare onenigheid’ was zowaar verloren. Ik begreep dat dit werk goed aan mij besteed gaat worden. Daar ik meen dat u hetzelfde zal gaan ervaren geef ik nu de tekst van de wikkel en de inleiding en doe u de belofte dat wij later onze leeservaringen hier gaan uitwisselen. Het gaat om de 208 bladzijden tellende, relevant geïllustreerde hardcover Waanwijze lasterbende van Geertje Dekkers en uitgeverij Spectrum met de ondertitel ‘De geboorte van de wetenschap in acht ruzies.’ Op de wikkel voorzijde staat een kleurrijke afbeelding van het Mauritshuis in Den Haag en om onze tweede ontmoeting bij Waanwijze lasterbende nog meer sturing te geven, is onze gezamenlijke opdracht al lezende uit te vinden waar beeld en titel voor staan. Spectrum: ‘Dit boek maakt op heldere en vermakelijke wijze duidelijk dat de zeventiende eeuw een revolutionaire eeuw was.'- Maarten van Rossem. Schijnvroom, valshartig, waanwijs: de mannen in dit boek beledigen elkaar met de meest lasterlijke woorden die ze kunnen bedenken. Allemaal denken ze ware kennis over mens en kosmos in pacht te hebben. En allemaal zijn ze ervan overtuigd dat hun tegenstanders er faliekant naast zitten. Deze mannen leven in de zeventiende en achttiende eeuw en zijn betrokken bij de moeizame geboorte van een nieuwe manier van denken, die we nu "wetenschap' noemen en die ons leven iedere minuut beïnvloedt. Historicus en wetenschapsjournalist Geertje Dekkers verdiept zich in baanbrekende ruzies over onzichtbare krachten, priegelige "dierkens', minieme "lichaamtjes' en nieuwkomers die zich invechten in de geleerde wereld. De hoofdrolspelers leggen ziel en zaligheid in de strijd, op weg naar wetenschappelijke eer.

Waanwijze lasterbende geeft een unieke kijk in de geschiedenis van de wetenschap. Centraal staan opvliegende karakters en hun bijdragen aan de moderne wetenschap. Een fascinerend verhaal over een verwarrende zoektocht naar nieuwe manieren van denken. Geertje Dekkers is historicus en freelance wetenschapsjournalist en werkt onder andere voor Historisch Nieuwsblad, de Volkskrant en de Universiteit Utrecht. Ze is al jarenlang gefascineerd door zeventiende-eeuwse onderzoekers die nieuwe wegen insloegen en onbekende werelden blootlegden.’
Geertje Dekkers: ‘Stijfkoppig, zonder verstand, en steilorig bovendien: de mannen in dit boek overlaadden elkaar met beledigingen. Op hoge toon ruzieden deze zeventiende-eeuwers over de waarheid en verdedigden ze hun eigen gelijk tegen de warhoofdige praatjes van de ander. Terwijl ze hun vijanden uitmaakten voor bedriegers, schendzieke duisterlingen en letterzifters veranderden ze in grofweg een eeuw de kijk op de wereld. In hun ruzies lagen de kiemen voor de moderne natuurwetenschap.

Onder de hoofdrolspelers in de acht ruzies in dit boek waren nieuwlichters die knaagden aan oude kennis waarmee geleerden eeuwenlang waren opgevoed; die de kosmos binnenstebuiten keerden en beweerden dat er hele werelden waren die de mensheid nog nooit had gezien. Ze verzonnen nieuwe manieren om heelal en natuur te ontleden en bedachten theorieën die hun tegenstanders rillingen bezorgden. Dit waren aanvoerders of meelopers van de Wetenschappelijke Revolutie, de ommekeer in het denken die iets langer duurde dan de zeventiende eeuw en die de geleerde blik op de natuur definitief veranderde. Het merendeel woonde in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waar in die tijd veel opzienbarende ideeën vandaan kwamen. Liefhebbers van natuuronderzoek sloegen hier aan het experimenteren en ontdekten natuurwetten die ze beschreven met behulp van de wiskunde, net zoals onderzoekers dat tegenwoordig doen. De nieuwe natuurwetten beschreven een kosmos die erg lijkt op het heelal dat nu in schoolboeken staat beschreven: vol materie in beweging die gehoorzaamde aan mechanische regels van oorzaak en gevolg. Dat was een radicale breuk met het verleden, want de westerse mens was gewend aan een kosmos vol magische krachten, waarin materie bezield kon zijn en God regelmatig ingreep en wonderen verrichtte. In de wetten van de nieuwe kosmos was voor dat alles geen plaats meer, zo lezen we in vooral wat oudere geschiedenisboeken over deze omslag in het wetenschappelijk denken. 

Maar klopt dat wel? De afgelopen decennia hebben historici laten zien dat er in de zeventiende eeuw ook veel bij het oude bleef. Dat antieke kennis weliswaar veel klappen te verduren kreeg, maar ook veel aanhangers hield. En dat het geloof in bezieling en magie hardnekkig was. Vernieuwingsgezinde denkers die conservatieven razend maakten, bleken vaak zelf ook ‘ouderwetse’ ideeën te hebben. Oud en nieuw lopen in dit boek dan ook op verrassende manieren door elkaar en zijn vaak onontwarbaar. Sommige kenners zijn daarom van mening dat er nooit een Wetenschappelijke Revolutie is geweest; dat er van een omwenteling geen sprake was. Maar daarmee doen ze de hoofdrolspelers van dit boek geen recht. Die zagen de geleerde wereld van kleur verschieten, tot hun grote vreugde of nog grotere zorg. Dat leidde tot veel ruzies die de begeestering en de zorgen van de deelnemers blootlegden. De schermutselingen laten zien door welke onthullingen zij gegrepen waren en van welke godslasterlijke nieuwigheden ze wakker lagen. Welke kennis voor hun rotsvast stond, welke denkwijzen toelaatbaar waren en wie er mocht meedoen aan het geleerde debat. En hoe de taakverdeling diende te zijn tussen theologie en wetenschap. De spanningen liepen hoog op want iedere deelnemer was overtuigd van zijn gelijk en moest bovendien zijn eer verdedigen. Die was in de zeventiende eeuw nog belangrijker dan nu, ook in de geleerde wereld. Goede connecties waren daarin cruciaal, want vrienden hielpen elkaar aan informatie en aan nieuwe connecties. Wie te schande werd gemaakt, liep het risico vrienden te verliezen en zo zijn positie van relevante geleerde kwijt te raken. Vanwege die kwetsbaarheid kozen veel ruziemakers voor een aanval op de man en maakten ze hun vijand uit voor dief, leugenaar en wat voor lelijks ze verder maar konden verzinnen. Om zijn eer te redden reageerde het slachtoffer met een even venijnig weerwoord en zo liepen ruzies vaak uit de hand.

Soms gingen de ruzies over de inhoud. Over de vraag of de zon om de aarde draaide, bijvoorbeeld, of andersom. In zulke kwesties was er een waarheid, die tussen het gescheld naar boven kwam drijven. Voor de verliezende partij kon het moeilijk zijn zich daarbij neer te leggen – het Vaticaan hield zo’n drie eeuwen vast aan een verkeerd beeld van de kosmos – maar wetenschappelijke consensus was mogelijk. Iets lastiger werd het als geleerden onenigheid hadden over methoden. Over de vraag of een natuuronderzoeker experimenten moest doen, bijvoorbeeld, of wat een historicus had aan antieke verhalen en wat een goed wiskundig bewijs was. Dan waren de antwoorden minder eenduidig. Toch kwamen onderzoekers er met een dosis pragmatisme vaak uit. Echt verhit werd het debat als het christendom in het geding was en natuuronderzoekers durfden te tornen aan de Bijbel. Dat leidde tot slepende grensconflicten tussen geloof en wetenschap. Dit boek beschrijft creatieve pogingen om daarin te bemiddelen. Voor veel denkers waren die bevredigend, maar toch zouden deze ruzies nooit helemaal uitdoven – denk aan de boosheid die nog wel eens oplaait als het gaat om Darwin, de evolutieleer en de schoolboeken. Ondanks aanhoudende vijandigheden was er rond 1700 veel veranderd ten opzichte van een eeuw ervoor. De basis voor de moderne natuurwetenschap was gelegd en de kosmos, de natuur en de mens zelf zagen er fundamenteel anders uit voor wie wist waar hij moest kijken. Over die verandering in het wereldbeeld en over d worstelingen die die met zich meebracht, gaat dit boek.’ 


WANNEER HET WATER BREEKT

Actueel, universeel, meeslepend, persoonlijk, non-fictief, prachtig, een juweel van een boek, objectief, politiek, integer, dat waren de omschrijvingen die Margreet de Haan van een boekhandel uit Vlissingen tijdens de eerste sessie dit seizoen bij DWDD van het panel ‘Boek van de Maand’ aan het werk gaf. Ik leg voor u op de tafel de 286 bladzijden tellende hardcover Wanneer het water breekt van Chris de Stoop en van De Bezige Bij. De kwalificatie die presentator Matthijs van Nieuwkerk aan dit boek en de drie andere genomineerde werken gaf, was dat wij het niet mogen missen. Hoe terecht dat is, ga ik u illustreren door de proloog aan u door te geven. En dan heb ik het over de vorm waarin dit verhaal gegoten is. Het proza klinkt als een klok. Om u de context aan te reiken geef ik eerst de tekst van de uitgever op de wikkel. Ik heb Wanneer het water breekt nog maar een paar uur in huis en toch wil niet langer wachten met het loflied daarover aan te heffen. Met in het achterhoofd de enthousiaste loftuitingen die wij in 2015 elkaar gaven naar aanleiding van het eveneens meeslepende Dit is mijn hof van Chris de Stoop. De volgende keer wil ik gaarne vernemen of u de kwalificaties van Margreet de Haan kunt overnemen. Overigens, de Belgische plaats Wichelen ligt aan de Schelde. En over de titel gesproken: de eerste aanwijzing las ik op blz. 17: ‘De regen gutste neer op het strand dat vol afgerukte bomen en ingestorte muren lag. Daarop voelde  Tot hevige buikpijn. ‘En toen brak haar water,’ lacht Quyen, ‘in volle storm, in volle oorlog.’

De Bezige Bij: ‘Dit is het waargebeurde verhaal van een visser en zijn dochter, die al een tijd geleden hun vaderland ontvluchtten. Hung stak in een kleine vissersboot de zee over om hier in een dorp achter een hoge dijk een nieuw leven te beginnen. Gwen bouwde een succesvolle zaak op, maar worstelt nu met haar eigenheid. Het is ook het verhaal van de tientallen reisgenoten die langdurig ronddobberden op zee: een kleine gemeenschap van met elkaar verknoopte levens, bijeengebracht op een beslissend moment. Niet iedereen heeft het overleefd. Sommigen voelden
zich verloren. Anderen werden dokter, ingenieur, bankier of ondernemer. Wanneer het water breekt is het verhaal van de diepe breuk die migratie is – voor de betrokkenen en voor de bevolking. Hoe komen migrant en maatschappij tot een nieuwe vorm van samenleven? Een verhaal van deze tijd, op een persoonlijke manier verteld door Chris de Stoop, die de familie al jaren kent en met tientallen reisgenoten sprak.’

Chris de Stoop: ‘Hemellicht. Traag schuift een schip langs het hoge riet achter de tuin van Hung. Vroeger was hier veel nijverheid aan de stroom gevestigd, maar nu zit er alleen nog een brasserie in de oude pakhuizen. Toen Hung in Wichelen aankwam, werd de oever vooral door palingvissers gebruikt. En er was het pad der verliefden. ‘Nooit heb ik mij eenzamer gevoeld,’ zegt Hung, die vanmiddag Vietnamees gekookt heeft voor mij. Hij laat een stilte vallen. Dan glimlacht hij breed: ‘Ik vond nergens werk, maar gelukkig kon ik, als boeddhist, hier hulpkoster worden in de katholieke kerk.’ Het binnenschip op de rivier valt in het niet bij de mammoetschepen die over een van de drukste vaarroutes ter wereld voeren, tussen Hongkong en Singapore, maar die voor Hung en zijn reisgenoten niet wilden stoppen. Zelfs niet om wat water of eten te geven. Dat benadrukt Hung nog het meest, wanneer hij over z’n reis vertelt. Hij kan zich vergissen, maar hij denkt dat er zesentwintig schepen passeerden. Sommige zagen hen misschien niet, of deden alsof ze hen niet zagen. Maar andere kwamen tot op nauwelijks honderd meter van de stuurloze vissersboot. Soms zag hij zelfs mensen op het schip lopen. Ze keken niet op of om. ‘Help, help, kom ons alsjeblieft redden,’ riepen de vluchtelingen, wanneer er weer een schip aan de einder verscheen. En weer verdween.

Ze maakten zo veel mogelijk misbaar, gaven lichtsignalen, zwaaiden tot hun arm er bijna af viel. Geen reactie. Ze dachten dat de matrozen misschien bang waren van piraten en lieten alleen nog vrouwen en kinderen op het bovendek. Zonder resultaat. Ze dachten dat de matrozen misschien ook bang waren van vrouwen en kinderen en deden alsof iedereen dood op het dek lag. Vergeefse moeite. Ze zagen Australische, Japanse, Zuid-Koreaanse en andere schepen koudweg voorbijvaren. Ze begonnen al die landen, waar ze zo naar gehunkerd hadden, hartgrondig te haten. Telkens als ze een schip zagen vatten ze hoop, en telkens als het schip wegvoer voelden ze wanhoop. Geen drie keer, geen acht keer, maar zesentwintig keer. Dat was misschien nog erger dan de honger en dorst: dat mensen je zagen doodgaan, en ervoor kozen om je dood te laten gaan. Je leven was niets waard. Je was minder dan niets. Een rottend blad op de oceaan. Hung voelde alle ogen op hem gericht, de schipper. Hij zag de lichamen in al hun ellende, met nog nauwelijks onderscheid tussen mannen en vrouwen, zo mager en smerig waren die lijven. Sommigen waren door een zonnesteek geveld. Velen hadden diepe brandwonden. Verdroogde huid kwam in grote stukken los van hun lichaam. Hung zag ook de lompen, het vuilnis, de uitwerpselen in zijn boot. Hij spande een touw rond de boeg en vroeg de mensen zich in het water onder te dompelen om af te koelen. De meesten gingen aan het touw hangen, zelfs de grootmoeder van vierenzestig, ondanks de haaien die in het gebied voorkwamen. Hij maakte intussen het dek zo veel mogelijk schoon, want een vuile, stinkende boot vol drek en braaksel bracht alleen maar ongeluk en was een vloek voor de godin van de zee. Al dat water om hen heen, en geen druppel om hun dorst te lessen. Zelfs urine was er niet meer om te drinken, zo uitgedroogd waren ze.

Het werd ook voor een ervaren visser als Hung een ondraaglijke, gekmakende gedachte. Hij nam een kom en sprong in de golven. Als een waterduivel klom hij weer in de boot, stak de kom boven zijn hoofd en danste op en neer. Hij sprak: ‘De Godin van Genade, oftewel de patrones van de zee, heeft me gezond water gegeven. Iedereen moet een slok drinken. Het is gegarandeerd veilig.’ Bijna iedereen wilde hem geloven en dronk van de kom. Het was toch het einde, wat maakte het nog uit? Het was zo voorbestemd, ze konden het alleen maar aanvaarden. ’s Avonds weer de lichtjes van schepen. Hung probeerde nog kleren in brand te steken als noodsignaal. Een vrachtschip kwam zo dichtbij. Het vertraagde niet. Het versnelde. Hij schudde ongelovig het hoofd. Toen zag Hung een plek aan de hemel die onwerkelijk fel oplichtte. Ook vele anderen zagen de flits, als een grote ster die openspatte. De ziel van een gestorvene, dachten ze. Hung was erg geraakt en vroeg zijn reisgenoten om te bidden. Zelfs Phong met z’n grote mond, die in God noch gebod geloofde en zich tot baas maakte van de boot, bad mee... ‘Komaan, pak nog een loempia,’ besluit Hung, weer met een glimlach die vertrekt bij zijn mondhoeken, zich snel naar zijn ogen verspreidt en dan zijn hele gezicht verlicht. ‘Wat was dat hemellicht?’ vraag ik. ‘De geest van mijn overleden moeder,’ zegt Hung, die me nog twee zakken eten meegeeft, genoeg om een vluchtelingenfamilie bijna een week te voeden. ‘Een voorteken van wat komen zou.’   


WANNEER KUN JE BEGINNEN?

Ik leg voor u een boek in de etalage dat illustreert dat de werkelijkheid niet te verzinnen is, dat de verbeelding te boven gaat, dat de realiteit de illusie overstijgt, dat de sprookjes nog op de aardbol rondzweven. Ik heb het over de 384 bladzijden tellende paperback Wanneer kun je beginnen? Van Beck Dorey-Stein en Boekerij met de ondertitel ‘Als je eerste echte baan bij Obama in de Oval Office is’. Het geestverruimende non-fictieve boek is opgedragen aan ‘Voor de strijdlustigen’ en toont de locatie uit de titel op de omslag. Ik wil met u de komende weken een verkennende tocht door dit boek van belang maken en als richtingwijzers geef ik mee de tekst van de uitgever op de omslag, het begin van een interview van Aaf Brandt-Corstius en de proloog.

Boekerij: ‘Een modern, waargebeurd sprookje vol drama, liefde & vriendschap - maar dan in het beroemdste kantoor ter wereld! Beck is 25 wanneer ze in 2012 per ongeluk in het Witte Huis belandt. Ze is net in Washington DC komen wonen en probeert zo goed en zo kwaad als het gaat rond te komen. Tot ze op een dag online een vacature vindt die - funny story - een vacature blijkt voor stenograaf in het Witte Huis. Van de een op de andere dag maakt ze onderdeel uit van het eliteteam dat de president overal volgt, met een vast plekje in Air Force One. Het Witte Huis omvat een compleet nieuwe wereld vol glamour, drama, intriges en protocollen, maar het blijkt ook gewoon een kantoor, met leuke en minder leuke collega's. Beck beschrijft hoe ze de hele entourage leert kennen van Barack Obama, vriendschappen sluit en ook nog eens verliefd wordt op de rechterhand van de president die, net als zij, al bezet is.

‘Wanneer kun je beginnen?’ is het waargebeurde verhaal van een jonge vrouw die onwaarschijnlijke vriendschappen sluit, haar hart verpandt, haar stem ontdekt en leert wat er echt toe doet tijdens haar eerste échte baan. In het Witte Huis.
Aaf Brandt-Corstius in ‘Sir Edmund’ van de Volkskrant van 29 september. ‘Met Obama in het zweethok. Beck Dorey-Stein hing vijf jaar lang aan de lippen van Barack Obama – als zijn stenograaf. Ze werden maatjes tijdens hun ochtendsessies in de gym. Gouden materiaal voor een boek dat nu in het Nederlands verschijnt. Beck Dorey-Stein was 25, altijd blut. Ze woonde in Washington DC en combineerde vijf parttimebaantjes, waarmee ze toch vaak net niet de huur kon betalen. Toen zag ze een vacature voor een baan als stenograaf bij een advocatenkantoor. Ze schreef een mail, werd uitgenodigd voor een gesprek, maar zegde dat af omdat het tijdens haar werktijd bij Lululemon was, de yogaklerenwinkel waar ze een van haar vijf banen had. Maar toen kreeg ze een mail van Bernice, de vrouw met wie ze het sollicitatiegesprek zou hebben.

‘Ha Rebecca, ik begrijp dat je het druk hebt. In het kader van de transparantie wilde ik je even laten weten dat het om een baan in het Witte Huis gaat en dat je de president vergezelt op zijn nationale en internationale reizen. Laat me even weten of dit iets uitmaakt. Dit soort volstrekt ongeloofwaardige dingen gebeurt alleen in boeken en films. En in het leven van Beck Dorey-Stein, die na ontvangst van deze bizarre mail vijf jaar als stenograaf voor Obama zou werken (en twee korte, helse maanden voor Trump). Ze schreef er een boek over, From the Corner of the Oval, nu vertaald als Wanneer kun je beginnen? Met ondertitel ‘Als je eerste echte baan bij Obama in de Oval Office is’. Het boek wordt ook verfilmd, en als je Dorey-Stein als filmtype zou beschrijven, is ze honderd procent Reese Witherspoon. Blond, grappig, hagelwittetandenlach, complimenteus, beweeglijk, roze gympen en een ketting met een enorme gouden krokodil om haar hals.

Beck Dorey-Stein: ‘Op een avond als deze wacht ik op de stem van God. President Obama kan nu elk moment een verklaring afleggen in de East Room van het Witte Huis. Eén parkeerterrein, drie gangen en vijf opwaartse trappen verder lig ik op de bank in mijn kleine kantoor in het Eisenhower Executive Office Building, dat door de ondergaande zon in ontvlambaar oranje gehuld is. De stem van God is de anonieme persoon die de president aankondigt. Ik wacht tot ik hem hoor. Dat kan nu elk moment gebeuren. Ik ben echt heel erg goed geworden in wachten. Herinner je je die zeldzame avonden uit je jeugd nog, waarop je na het avondeten weer naar school ging voor een muziekuitvoering of een toneelstuk? Dat je dan voor je ouders uit langs je ingeslapen klaslokaal op het geluid van lachende kinderen en tot stilte manende leerkrachten afrende? Elke stap pulseerde van kinetisch kattenkwaad en je hart ging tekeer omdat je op zo’n magisch tijdstip op deze gewijde plek was. De hoek om naar de gang van de grote kinderen en daar waren ze, al je vrienden. Ze stonden al klaar in hun zwarte broek en witte overhemd, en gebaarden dat je erbij moest komen staan, want vanavond kon er van alles gebeuren. Je was op de juiste plek. Eindelijk hoor ik de stem van God en loop naar de tv waarop de beelden van de bewakingscamera’s te zien zijn om het geluid harder te zetten. Een minuut later verschijnt de president op het scherm. Hij maakt grapjes en laat zijn karakteristieke pauzes vallen, voordat hij het onderwerp van de avond aansnijdt. Hij spreekt eloquent, rustig en oprecht. Applaus overstemt de president als hij God vraagt zijn publiek en de Verenigde Staten van Amerika te zegenen. Ik typ de transcriptie, lees die door en stuur het bericht naar de persvoorlichtingsdienst, waarna ik mijn jack dichtrits, mijn rugzak omdoe en de houten deur van mijn kantoor achter me sluit. Het is na negenen als ik door de verlaten gangen loop. De zwartwitte marmeren vloer weergalmt van de geheimen en opwindende mogelijkheden. 

De afgelopen vijf jaar was dit mijn thuis. Al die tijd was dit de enige plek waar ik wilde zijn. Nu niet meer. Sinds november voelt elke dag hier als een begrafenis. Ik heb het gebouw voor mezelf; zelfs de schoonmakers in hun blauwe schorten zijn ergens anders met hun zware karretjes. Deuren die op een kier zijn blijven staan, onthullen lege bureaus, kale muren, leeggehaalde zwarte lijsten en stapels papier naast overstromende prullenbakken. Elke kamer is een schematische voorstelling van een andere fase van een onvermijdelijke echtscheiding. Ik loop door de trage automatische glazen deuren van het eeob de kille duisternis van de zoveelste januarinacht in. Vanaf de bovenkant van de trap zie ik groepjes mensen treuzelen onder een straatlantaarn na hun rondleiding door de West Wing. Het holle getik van het touw tegen de vlaggenmast is het enige wat ik hoor.

Deze plek voelt nu al meer als een monument en minder als de goed geoliede machine die ik heb leren kennen. Een volle maan balanceert vlak boven het Witte Huis als een vlag die halfstok hangt.  Dit is mijn school. Dit is mijn bedeplaats. Dit is mijn alles, en het verdwijnt met elke verstrijkende dag. Ik loop langs zijn auto en strijk met mijn vinger over de bumper in de wetenschap dat beveiligers toekijken vanuit hun stationair draaiende SUV’s. Nadat ik de nieuwe bewaker die is opgezadeld met de nachtdienst gedag heb gezwaaid, scan ik mijn badge, hoor achtereenvolgens gezoem, de klik en het gekreun van het hek, en loop een verlaten Pennsylvania Avenue op. Deze plek. Deze plek kan je een gebroken hart opleveren. Iedereen blijft maar praten over het eind, maar ik ga steeds weer terug naar het begin’.


HALLO, MENEER DE UIL

Ik blader een kijk- en leesalbum door dat mij terugvoerde naar de tijd dat onze kids Muel, Time en Briam nog in de kinderschoenen stonden. Als vader en moeder leefden wij intens mee met de avonturen op die zich afspeelden in Fabeltjesland maar tegelijkertijd de dagelijkse realiteit via tal van toespelingen in kaart brachten. Ik leg voor u op de toonbank de 130 grote bladzijden tellende, uitbundig authentiek geïllustreerde hardcover Hallo, Meneer de Uil van Patrick Bremmers en uitgeverij Rubinstein. Daar ik het bruine vermoeden heb dat veel van mijn volgers op radio en teevee de personages uit het fabelachtig inspirerende territorium niet geheel bekend zijn, hoewel zij  in de omgangstaal voortleven, geef ik van hen een overzicht. Als intro geef ik u de tekst van de uitgever op de omslag en doe u de uitnodiging in Hallo, Meneer de Uil te traceren hoe zij uit de verf komen. Het spreekt voor zich dat wij elkaar nog eens via dit rijke album ontmoeten in het land der fabelen.

Rubinstein: ‘Vijftig jaar geleden las Meneer de Uil voor het eerst voor uit De Fabeltjeskrant. Generaties kijkbuiskinderen groeiden op met Bor de Wolf, Juffrouw Ooievaar, Lowieke de Vos en al die andere dieren uit het Grote Dierenbos. "Hatsikidee', "Tuut-tuut-tuut-tuut' en natuurlijk "Oogjes dicht en snaveltjes toe' zijn gevleugelde uitspraken die voor altijd in ons collectieve geheugen staan gegrift. Hallo, Meneer de Uil – De Fabeltjeskrant vertelt voor het eerst het complete verhaal van de totstandkoming van dit unieke programma, de dieren uit Fabeltjesland en de mensen achter de schermen. Het boek staat bol van de mooie plaatjes en exclusief archiefmateriaal. Ontdek opnieuw de muziek, de dubbele bodems en de diepere lagen. Want dieren zijn immers precies als mensen. Bezoek de tentoonstelling Fabeltjesland, een reis door 50 jaar Fabeltjeskrant' vanaf 29 september 2018 in LP2 (Las Palmas) Wilhelminapier, Rotterdam. De tentoonstelling is een Fabel-experience voor het hele gezin.’

De personages in alfabetische volgorde. Droes de Beer is de broer van Wasa de Beer en dik bevriend met Jodokus de Marmot. Hij wordt soms als de boosaardige beer gezien. Hij heeft een grote rimpel op het voorhoofd en loopt al vittend door het bos. Rond 1977 had hij een relatie met Martha Hamster. De gebroeders Ed en Willem Bever zijn de klusjesmannen en technici van het bos. Ze zijn bijna altijd samen in de weer. Willem (met het witte schort) heeft enkel technische school gevolgd; Ed (met het zwarte schort) heeft doorgestudeerd tot boekhouder. Ze hebben in de jaren zeventig hits met ‘Hup, daar is Willem met de waterpomptang’ en ‘Het stoomlied’. Blinkert de Bliek, vormt een paar met Frija Forel. Zij wonen samen in de grote vijver in het Dierenbos. Greta Bontekoe, eigenlijk Margaretha, vormt een paar met Teun Stier. Van 1972 tot 1974 kwam ze in De Fabeltjeskrant voor, daarna vertrok ze met Teun naar het Verre Dierenbos. In 1985 kwam ze terug, gescheiden en geëmancipeerd. Ze werd toen Greet Koe genoemd, en opende een vrouwenhuis waar veel geroddeld werd. Frija Forel, de echtgenote van Blinkert de Bliek. Zij woonde alleen in 1969 in het Grote Dierenbos. Zoef de Haas is een eigenaardig personage. Hij helpt Juffrouw Ooievaar als haar assistent, en voert een eigen politiek. Soms zet hij een pet op en arresteert zomaar iemand. Hij begint bijna al zijn zinnen met de woorden "zoefzoef".

De gezusters Myra en Martha Hamster zijn twee sociale oude vrijsters. Ze zijn aardige types, maar sommigen vinden hen wat bemoeiziek. Door hun wangzakken slissen en lispelen ze nogal. Ze zijn altijd bereid zich in te zetten voor de 'zieke, zielige en nooddruftige dieren'. Martha is verpleegster bij dokter Meindert. In de jaren tachtig sluit Myra zich bij haar aan als hulpverpleegster. Plons de Kikvors. Mede-vijverbewoner van Blinkert en Frija. Plons woonde van 1968 tot 1969 in het Grote Dierenbos. Chico Lama is een verre neef van Zaza Zebra. Hij spuwt voortdurend. Hij is kok, en met de hulp van de Gebroeders Bever bouwde hij zijn eethuis 'Chico's Place', in wezen de omgebouwde, vroegere zuiveltram van Teun Stier. Toen dit in vlammen opging, werd een nieuw eethuis naast het Praathuis gebouwd. Harry Lepelaar is de gabber van Piet de Pad. Een beetje vaag figuur, ogenschijnlijk niet helemaal betrouwbaar: hij heeft een ooglapje voor; voor kinderen is hij dus het prototype van een boef. Evenals Piet woonde hij van 1971 tot 1974 in het Grote Dierenbos. Hij was de eerste verloofde van Juffrouw Ooievaar. In tegenstelling tot Piet kwam hij daarna echter niet meer terug. Mister Maraboe is de tweede verloofde van Juffrouw Ooievaar in de jaren tachtig. Eerst moet ze niets van hem hebben. Ze noemt hem die kale kunstooievaar, maar ze wordt daarin voornamelijk aangemoedigd door Woefdram, die Mister Maraboe als een vreemde indringer ziet. Later vindt Juffrouw Ooievaar hem toch wel aardig. De voornaam van Mister Maraboe is John, ofschoon hij ook weleens Pieter werd genoemd.

Jodokus de Marmot, een marmot die verslaafd is aan nagelbijten. Hij is dik bevriend met Droes de Beer. Halverwege de jaren zeventig vertrok Jodokus naar het Verre Dierenbos; hij is later niet meer verschenen. Truus de Mier is een bezig huisvrouwtje, het type dat zich gedraagt volgens de damesbladen. Desondanks kreeg ze toch een relatie in het Buitenbos met de vrouwenversierder Jules Cigale. Dit liep vanwege te grote karakterverschillen op niets uit. In 1988 stopte ze als huisvrouw en ging in Chico Lama's eetpaleis werken. Haar bekende uitspraak was 'tuut-tuut-tuut-tuut'. Momfer de Mol is een mompelend, lichtschuw personage, dat uit de Limburgse mijnen komt en met een zuidelijk accent praat. Hij heeft altijd een zonnebril op, rookt graag sigaren en loopt vaak al kuchend rond. Zijn bekende uitspraak is 'mmf, mmf, ik neem wel een zegaartje'. Juffrouw Kato Ooievaar ziet zichzelf als een belangrijke dame. Ze heeft een eigen mening en weet het altijd beter, maar is toch iemand die vaak raad weet en de mededieren helpt. Een bekende uitspraak van haar is 'laten wij de handen ineen slaan'.

Ellen van Eijk, met wie de schrijver Leen Valkenier tot 1971 getrouwd was, claimde model te hebben gestaan voor Juffrouw Ooievaar. Meindert het Paard studeerde na zijn carrière als renpaard geneeskunde, en kwam daarna als dierenarts naar het Grote Dierenbos. Via hem is ook Isadora Paradijsvogel naar het bos gekomen. Hij is een respectabele heer, en trad eind jaren tachtig in het huwelijk met Zaza Zebra. Hij was ook degene die het eerst Melis Das had ontmoet, een vrolijke flierefluiter die daarna in het Grote Dierenbos kwam wonen. Piet de Pad, bijgenaamd Piet Patat. Dit omdat hij eigenaar is van een friettent die hij 'Piet's Smikkelpaleis' noemt. Hij is een echte sjacheraar, die overal geld in ziet. Hij woonde van 1971 tot 1974 in het Grote Dierenbos, emigreerde toen naar het Buitenbos, maar keerde in 1988 weer terug. Isadora Paradijsvogel heet eigenlijk Doortje Spreeuw, maar gebruikt vaak haar artiestennaam. Ze is een oude artieste met een schorre stem, die tegenwoordig meer in het Praathuis bij een borrel te vinden is. Ze is via Meindert het Paard naar het Grote Dierenbos gekomen en had aanvankelijk ook een relatie met hem.
Ome Gerrit de Postduif is na een carrière in de duivensport, waar hij een manke poot opliep, in het Dierenbos komen wonen. Daar is hij de slechthorende eigenaar van het door hem geopende postkantoor. Hij was de winnaar van het in de jaren zeventig gehouden liedjesfestival 'Het Landjuweel'. Meneer de Raaf, officieel Crox de Raaf, is een heer die bij de andere dieren populair is. Hij geeft vaak ironisch-realistische opmerkingen, en gaat zo soms tegen de mening van Juffrouw Ooievaar in. Snoespoes is een Lamaar, geëmigreerd uit het Nijverdal. Ze vormt met Woef Hektor een stel. Ze is te zien in de afleveringen uit 1973-1974.

Stoffel de Schildpad is een personage dat soms medelijden opwekt. Hij kan zich maar traag verplaatsen en heeft voortdurend last van kwaaltjes. Een bekende uitspraak van hem is dan ook 'Ik voel me appelig'. De Gebroeders Bever bouwden voor hem een stoommobiel zodat hij zich sneller kan voortbewegen. In de jaren tachtig kreeg hij een relatie met Carmen Tortilla, die in het Buitenbos vertoefde. Meneer de Uil is degene die de kijkertjes voorleest uit de Fabeltjeskrant. Zijn echte naam, Jacob, wordt weinig gebruikt en in de verhalen zelf speelt hij slechts een ondergeschikte rol. Hij verschijnt in de begingeneriek en op het einde van het programma, en praat de verhalen aaneen. Bekende uitspraken van hem zijn: 'Dag, lieve kijkbuiskinderen' en 'oogjes dicht en snaveltjes toe'. Lowieke de Vos is een levensgenieter, hij is goed bevriend met Meneer de Raaf en verschijnt vaak in diens gezelschap. Beiden zijn stamgasten in het Praathuis. Bekende uitspraken zijn 'hatsekidee' en 'dat wordt smikkelen en smullen'. De stem werd ingesproken door Ger Smit. Rocus de Vrije Vogel kwam in deze serie voor van 1969 tot 1972 en is typisch een kind van de flowerpower. Zijn rol is die van bemiddelaar: bij ruzie in het Grote Dierenbos probeert hij de partijen weer tot elkaar te brengen. Hij spreekt met een Amerikaans accent. Een bekend liedje dat hij zong is 'Heb je last van wintertenen'.

Woefdram is een enigszins geniepig type, dat net als Zoef de Haas soms eigenaardige acties pleegt en bij Juffrouw Ooievaar nogal geliefd is. Zijn stem werd door Ger Smit ingesproken. Hij was afkomstig uit het Nijverdal uit de serie ‘De Woefs en de Lamaars’. Het is onduidelijk wat voor beest Woefdram is, mogelijk een hazewindhond. In 1985 kreeg Woefdram een ongeluk met vuurwerk en voortaan moest hij met een ooglapje door het leven. Bor de Wolf is een vreedzaam personage, hoewel van hem soms verwacht wordt dat hij zich als een woeste wolf gedraagt. Bor is de baas van het Praathuis, de centrale ontmoetingsplaats van de dieren. Begin jaren zeventig was hij verloofd met Oléta Vulpecula. Zij kregen samen een kind genaamd Borita. Het personage is autobiografisch gebaseerd op het leven van tekstschrijver en bedenker Leen Valkenier. Bekende uitspraak van Bor is 'Hoea, ik ga wel naar het Enge Bos'. Zaza Zebra werd door dokter Meindert vanuit het Derde Dierenbos naar het Grote Dierenbos gebracht. Het is een wat verlegen en schuw personage. Ze trouwt met Meindert, dit tot groot protest van Woefdram die haar als een vreemde indringster ziet. Op een zeker moment begon ze een apotheek in de stal van Greet Koe. Dit zinde Meindert aanvankelijk niet, maar later werd dit bijgelegd.


VOOR DE KIDS EN VOOR U

Als u toch op zoek bent naar goede kinderboeken in deze jaarlijkse week geef ik de tekst van de omslag van drie bij voorbaat boeiende boeken. Ik laat die voorafgaan door het noemen van een trio werken die afkomstig zijn van uitgeverijen die al jaar en dag zich zeer verdienstelijk maken door publicaties voor onze kids. Ik noteer van alle zes titel, schrijver, genre of ondertitel en uitgever. Vervolgens de woorden op de omslag. Na de Kinderboekenweek wisselen wij onze leeservaringen met elkaar uit.

1) De fantastische Meneer Vos – Roald Dahl – Fantasie optima forma – De Fontein
De fantastische Meneer Vos won in 1972 een Zilveren Griffel. Een geweldig kinderboek van bestsellerauteur Roald Dahl, met prachtige tekeningen van bekroond illustrator Quentin Blake. Fantastic Mister Fox werd omgetoverd tot animatiefilm door Wes Anderson. De stemmen van meneer en mevrouw Vos werden ingesproken door George Clooney en Meryl Streep. ‘En liefste?’ vroeg Meneer Vos. ‘Wat mag het wezen vanavond?’ ‘Ik denk dat we vanavond maar eens eend moesten eten,’ zei Mevrouw Vos. ‘Breng maar twee vette eenden mee, alsjeblieft. Eén voor ons samen, en één voor de kinderen.’ ‘Goed, dan nemen we eenden!’ zei Meneer Vos. ‘De beste die Bits maar heeft.’ Meneer Vos zou niet zoveel praatjes hebben als hij had geweten dat de boeren Bolus, Bits en Biet hem op dat ogenblik opwachten. Ze liggen achter een boom bij de ingang van het hol, een geladen geweer in de aanslag. Ze zijn vastbesloten om Meneer Vos dood te schieten, uit te hongeren of uit te graven, al duurt het nog zo lang...

2) Dagboek van een muts – Rachel Renée Russell – Liefdeskriebels – De Fontein Jeugd
Het schooljaar is bijna voorbij, en Nikki kan niet wachten tot het zomervakantie is. Maar dan komt er een nieuwe jongen in de klas, en hij is SUPERLEUK! Nikki voelt kriebels, maar wat moet ze daar nou weer mee? Want hoe moet dat dan met haar liefde voor Brandon? Aartsvijand MacKenzie zit er natuurlijk bovenop. Lukt het haar om Nikki en Brandon uit elkaar te drijven? Dagboek van een muts is de populairste meidenserie van dit moment. ‘Puppy love’, deel 10, won de Prijs van de Nederlandse kinderjury.

3) Dummie de Mummie en de schat van Sohorro – Tosca Menten – Boek vo geheimen – Van Goor
Zon, zee en relaxte muziek? Maashi! Dummie en Goos zijn op Jamaica! Het eiland is prachtig en ze mogen ook nog eens meedoen met een piratenspel rond een geheime schatkist. Maar Dummie wil liever een eigen schat. Hij graaft de ene kuil na de andere, maar vindt niks. Dan stuiten Dummie en Goos per ongeluk op een eeuwenoude schatkaart. Plotseling is Dummie niet meer te houden... Hij moet en zal die schat vinden! ‘Goos trok het broze papier voorzichtig los en vouwde het open. Er stonden rotsen op en golfjes, en stippellijntjes en getalletjes. 'Het is een landkaart,' zei hij verbaasd. 'Gheef ghier,' zei Dummie. Hij pakte het papier en hield het voor zijn gezicht. 'Maashi! jubelde hij. 'Is niet landkaart, Ghoos, deze is schatkaart!' Een boek vol geheimen en een kist vol piratengoud. Spannend, hilarisch en ontroerend tegelijk. Tosca Menten ging speciaal voor dit boek op reis nnaar het prachtige Jamaica.

4) Weduwen – Lynda La Plante – thriller – Karakter
Drie mannen komen om tijdens een dramatisch verlopen bankoverval. Ze laten drie radeloos en totaal ontredderde vrouwen achter; Dolly Rawlins, Linda Pirelli en Shirley Miller. Als één van hen, Dolly, erachter komt dat haar echtgenoot een kluis had, doet ze een ontdekking die grote gevolgen heeft. In de kluis ligt een pistool, geld en een uitgewerkt plan voor een overval. De twijfel slaat toe, ze moet een beslissing nemen. Gaat ze zo snel mogelijk alles vergeten? Gaat ze alles overdragen aan de politie? Of is het juist beter om eerst met de andere vrouwen samen te komen?

5) De bijlesgeneratie – Louise Elffers – Opkomst van de onderwijscompetitie – AUP
De uitgaven aan bijlessen groeiden de afgelopen jaren explosief. Waarom zijn ouders tegenwoordig zo gespitst op goede schoolprestaties? En waarom geven ze steeds meer geld uit aan extra onderwijs buiten school? Dit boek vertelt hoe ontwikkelingen in onderwijs en samenleving een onderwijscompetitie hebben aangewakkerd. Hoe het Nederlandse onderwijsstelsel hopeloos achterloopt op deze ontwikkelingen, wat de druk op leerlingen en ouders onnodig opvoert. Het boek toont waarom het zo lastig is om aan de onderwijscompetitie te ontkomen, ook al nemen ouders zich voor om níét die vmbo-vrezende vader of moeder te worden die er met hangen en wurgen een hoger niveau uit probeert te slepen. 'We willen voor onze leerlingen onderwijs dat verdomd goed is. Elffers pakt uit over de behoefte aan bijles in tijden dat regulier onderwijs niet meer genoeg lijkt. Gaat het tij nog keren?' - Meester Bart

6) Het pillenprobleem – Dick Bijl – Waarom we zoveel medicijnen gebruiken die niet werken en niet helpen – AUP
Medicijnen worden in de handel gebracht als keuringsinstanties vinden dat een middel meer werking dan bijwerking heeft. Maar meestal zijn die geneesmiddelen helemaal niet goed onderzocht, of alleen bij een heel kleine patiëntengroep. Eenmaal in de handel worden ze op grote schaal gebruikt door honderdduizenden patiënten. De farmaceutische industrie vaart daar wel bij, maar geldt dat ook voor de gebruikers van deze middelen? Epidemioloog en voormalig huisarts Dick Bijl stelt in Het pillenprobleem zeer kritische vragen over het gebruik van een aantal zeer veel gebruikte medicijnen. Is het wel nodig en verstandig dat zoveel mensen zoveel medicijnen gebruiken? Wat zijn eigenlijk de bewijzen voor de werkzaamheid van die middelen? En wat is werkelijk bekend over de bijwerkingen? Is minder medicijnen eigenlijk niet veel beter? 'De farmaceutische industrie haalt alle trucs uit de kast - en bedenkt steeds nieuwe - om hun middelen mooier voor te stellen dan ze zijn.' - Dick Bijl in Skepter.
 

CULTUURMIX 1 OKTOBER 2018

Papendrecht 01-10-2018

FOON

Ik laat u proeven van heerlijk proza door de eerste vier bladzijden van een roman integraal aan u door te geven. Opdat u de smaak te pakken krijgt van het werk van een spraakmakende auteur. Het gaat om de 320 bladzijden tellende paperback Foon van Marente de Moor en van uitgeverij Querido. Dat ‘foon’ uit de titel staat voor ‘eenheid van geluid’ en de hoofdpersoon Nadja krijgt daar in haar stulp in de Russische bossen mee van doen. Eigenlijk behoeft dit nieuwste boek van De Moor geen nadere aanbeveling, want hoe enthousiast waren wij niet met haar romans De overtreder (2007) en De Nederlandse maagd (2010). Mijn opzet is nu louter u opnieuw doen kennismaken met de verhaaltrant van Marente die in 1972 het levenslicht zag. Om u het thema te doen vatten citeer ik eerst de tekst van de uitgever op de omslag. Uiteraard ontmoeten wij elkaar nog om deze roman. U weet nu dat het boek er is. En hoe u goed proza tot u kunt nemen.

Querido: ‘Soms klinkt het als trompetgeschal. Soms als een voorwereldlijk beest. Het is iets tektonisch, zeggen Nadja en Lev ter geruststelling tegen elkaar. Iets meteorologisch, wellicht. Maar deze duistere klanken hingen niet altijd in de lucht boven hun huis in de Russische bossen. Ooit dreef het biologenechtpaar er een asiel voor verweesde berenwelpen, maar de vrijwilligers komen niet meer, en terwijl Lev zijn geheugen verliest, strijdt Nadja tegen haar herinneringen. Waar is iedereen gebleven? Wat gebeurde er in het jaar waaraan ze liever niet meer denkt?
Foon laat zien hoe eenzame mensen, ver van de ontwrichte samenleving die ze zijn ontvlucht, zich verhouden tot hun geliefden, tot de geschiedenis en tot de dierenwereld waarvan ze deel uitmaken. Als alle zekerheid wegvalt, is het de verbeelding die hen overeind houdt.’

Marente de Moor: ‘Ik hoor niets, maar het begint al licht te worden. Voor mij tekent zich het behang af met de kegeltjes en driehoekjes, achter mij wacht de kamer. Met de half verduisterde ramen en de gebroken vensterbanken. Met het fluwelen stoeltje waarop mijn overgooier hangt alsof ik er nog in zit. Met de eettafel, vier poten in het tapijt, de kast met de porseleinen dieren en nog maar drie kristallen glazen. Met de drempel die me zo de kolere wenst, en de gang die me zal spiegelen als een zwarte sloot. In de gang staan twee deuren op een kier, de een leidt naar de keuken met de afwas, de ander naar de kamer met hem erin. De voordeur is goed dicht. Toch glijdt tussen deur en drempel het ijs van de veranda naar binnen en duwt tegen die veranda de tuin, waarop nog zo’n dertig centimeter sneeuw ligt. Achter de tuin staat het hek naar het pad, daarop zullen mijn voetstappen de eerste zijn en de laatste, zoals de meeste dagen. Laten we daar niet te lang bij stilstaan, laten we doorlopen, links het huis van Serpjakov passeren, met de ramen die dof en grijs zijn geworden als de ogen van een staarlijder, en rechts de bushalte, ook al verlaten. Zo’n tien jaar, schat ik, misschien langer. In ieder geval was het in hetzelfde jaar dat de bussen wegbleven en onze enige buurman vertrok. In het jaar dat ik me liever niet herinner. We noemden hem Serpjakov de Vriendelijke. In deze streek was zijn karakter al even uitzonderlijk als zijn complete gebit. We houden het erop dat hij het zich in ieder geval kon veroorloven breeduit te lachen. En hij dronk niet, zelfs niet toen zijn vrouw overleed. We weten niet waarom hij is weggegaan, hij had juist de daklijsten van zijn huis in de lak gezet. Misschien nam hij wel die laatste bus en kon hij gewoon niet meer terug, misschien is het niet meer dan dat.

Na de bushalte komt het veld, dat eens een akker was, met nog een stuk of twintig gebouwen, kleine en grote, waaronder een schooltje, de bakkerij en de artsenpost. En daarachter ligt het complex van de oude batterijenfabriek. Alles is leeg en verlaten, en vanbinnen met hetzelfde grijze gruis bestoven. Volgens mij komt het van de tijd die te snel verstrijkt. De dagen vliegen steeds sneller om, de tijd probeert af te remmen, daar komt stof bij vrij. Verder, naar het moeras. Dat heeft nog nooit iemand iets opgeleverd, niet in vredestijd tenminste. In dit land is moeras bedoeld voor muggen en vijanden, als je die uitroeit heb je er niets meer aan, ligt het maar zo’n beetje te stinken als een bezopen veteraan op de keukensofa. Achter het moeras komt de rivier, met wat aftakkingen. Kilometer na kilometer vervelende wildernis volgt elkaar op tot aan de provinciegrens, als we een flink stuk naar het zuidoosten trekken komen we bij de hoofdstad, die heeft nog wat duizendjarige steden achter de hand. Verder, verder, koepels, poorten, burchten, heel veel steppe, bossen met bomen die almaar hoger worden, dorpen met mensen die steeds minder zeggen, de klok rent vooruit, het wordt later of moet ik zeggen eerder, in ieder geval rukken er zeven tijdszones uit het oosten op tot aan mijn bed. Vóór mij dus deze kegeltjes en driehoekjes. Ik heb ze een week na de verhuizing op de wand geplakt. Wat dacht ik toen? Dat er snel een beter behang overheen zou komen. Niet dat ik er na een oogwenk van eenendertig jaar nog naar zou liggen staren.

Een minuut of vijf zal het nog stil blijven, alles slaapt nog. De trein trekt alleen ’s nachts door deze bossen, zoals de vossen en de dassen. Achter deze muur liggen dingen die me geruststellen. De keurig opgestapelde houtvoorraad, de beek met de snoeken, forellen en kreeftjes, het bos, dat we altijd het sprookjesbos noemden omdat er tot ver buiten het seizoen goede paddenstoelen groeien. Ze houden ons in leven, ook al beweren de autoriteiten dat we sinds 2012 niet meer bestaan. Ze hebben ons uit de registers geschrapt, achter de naam van ons dorp staat het inwonertal nul. Verder, wat hebben we daar verder nog... de grote weg. Asfalt en rails. Het zwarte meer, dat echt zo heet, en de mijnen, die de partizanen in het mos hebben rondgestrooid in de hoop dat er een Duitser zijn voet op zou zetten. Van daaruit is het nog een uurtje rijden en je bent bij Europa, de Letten. De anderen. Mijn positie tussen het een en het ander, met honderdvijftig kilometer voor de boeg en negenduizend in de rug, is niet erg evenwichtig te noemen. Zonder me om te draaien strijk ik over het laken achter me. Nee, die tijden zijn voorbij. Lev ligt niet meer hier maar daar, in de studeerkamer met zijn droge handen op de deken en zijn vochtige benen eronder. Misschien slaapt hij nog, zoals al het andere in onze belachelijke bedoening. Dit is het moment van de dag waarop alleen de bodem zich roert, de damp uit de aarde, die alles bevochtigt, met alles wat daarin smelt en kruipt. De schepping voltrekt zich hier de laatste tijd elke ochtend. Elke dag scheurt God de vorige bladzijde uit zijn schriftje en begint hij opnieuw. Ik wou dat ik er iets van kon horen, maar voor geluiden moet je omhoogkijken. Dan hoor je, van boven naar beneden op volgorde van binnenkomst: gekwetter, gekras, gezoem, geritsel, gefladder, gehinnik, geblaf, geblaat, gesnuif, getok, en, heel laag op de poten, gegrom.

Belangrijk is de raaf die nu over de vensterbank scharrelt. Je kunt hem niet over het hoofd zien. Hij is bijna zo groot als het kozijn en honderd jaar oud. Als hij wil praten zie je het aankomen, dan trekt hij zijn bek al open voordat de woorden opbollen in zijn strot. Het is bijna allemaal gescheld wat eruit komt; hij zegt ‘klootzak’ en ‘rot op’. Maar nu niet, hij kijkt me aan met zijn ene oog en maakt zich klaar om op de ruit te tikken. Men zegt dat vogels op ruiten tikken omdat ze hun weerspiegeling aanzien voor een concurrent, maar dat is weer zo’n theorie die klakkeloos in vele collegebanken is overgenomen, want wie hier woont weet dat dit land de beesten toebehoort en dat die beesten altijd iets van ons moeten. Van mij dus, de laatste inwoner met nog een behoorlijk stel hersens. De eerste keer dat ik de raaf hoorde dacht ik dat het een mensenknokkel was, zo zwaar en ritmisch sloeg zijn snavel tegen de ruit. Ik deed het gordijn opzij, hij gaf me te verstaan dat er eten moest komen en ik gehoorzaamde. Had ik niet moeten doen. Sindsdien wekt hij me iedere ochtend twee keer, met een tussenpoos van een halfuur, en aangezien dit de tweede keer is moet het dus wel zeven uur zijn. ‘Verdomme!’ Hoor, de mens heeft zijn eerste woord gesproken. ‘Nadja!’ Dat ben ik. De vrouw.’ [...]


DE LIEVELINGSDIEREN VAN NIJNTJE
 
Het is niet raar maar waar. Onze jongste kleinzoon Ot vierde voorbije zaterdag zijn tweede jaardag en omringd door een keur aan geschenken op de tafel bij het voorraam had de man louter aandacht voor het zojuist ontvangen boek dat in helderheid en vrolijkheid nog meer kleur gaf aan zijn verjaarsfeest. Het ging om het prentenboek De lievelingsdieren van nijntje van Dick Bruna en uitgeverij Mercis. Ik vind het een voorrecht dat ik al jaar en dag de publicaties van Mercis bij u mag introduceren. Daar echter het lezerspubliek van Bruna steeds weer dankzij de uitgever verjongd wordt, geef ik de ins en outs van de auteur die vorig jaar het leven diende vaarwel te zeggen.  Dick Bruna (1927 - 2017) is een Nederlandse kunstenaar die wereldwijd bekend is, bij jong en oud, vooral door nijntje. Bruna begon met tekenen in 1940 en illustreerde onder andere de boeken uit de Zwarte Beertjes-serie. In zijn latere carriere maakte Bruna een groot aantal prentenboeken en werd hij geestelijk vader van onder meer Eegje Egel, Lotje, Gobe, het hondje Snuffie, Betje Big, de Beertjes Boris en Barbara en natuurlijk nijntje. Het oeuvre van Dick Bruna kenmerkt zich door een eenvoudige en directe tekenstijl. Dick Bruna publiceerde 120 prentenboeken. Naast prentenboeken, ontwierp Bruna ook nog eens meer dan tweeduizend boekomslagen, ruim honderd affiches en tientallen briefkaarten en prenten. De Bruna-collectie van het Centraal Museum bestaat uit meer dan 1.200 werken en groeit nog steeds. Het Centraal Museum heeft de collectie in langdurig bruikleen.
Mercis zegt zelf over haar jongste uitgave: ‘De lievelingsdieren van nijntje vind je in dit boek. Er is een hondje dat waf zegt, een aap die aan een tak slingert en zelfs een brullende leeuw. Grrr!

Met de tabs is het heel makkelijk om door het boek te bladeren. Staat jouw lievelingsdier er ook tussen? Een groot en stevig boek met vederlichte pagina's waardoor het zeer geschikt is voor jonge kinderen.
Met Ot en zijn broer, ouders, oma’s en opa’s keerden wij de bladzijden van De lievelingsdieren van nijntje om. Op het hardkartonnen prentenboek groet nijntje ons, gezeten op de brede rug van een heuse olifant. De favoriete dieren van nijntje presenteren zich in een afwisselend decor van wit, geel, oranje en zwart. De tabjes tonen ook om welke wilde en tamme dieren het gaat: hond, eend, aap, vis, papegaai, leeuw, poes, kip, koe, schaap, vlinder en olifant.  Via onderschriften stellen in het boek de twaalf zich voor in zwarte letters: het hondje zegt waf, welk geluid maakt de eend? ha aap wat doe jij daar? dag vis waar zwem jij naartoe? lorre zegt de papegaai koppie krauw, wat zegt de leeuw? dag poes waar kijk je naar? hoi kip waar ga jij naartoe? boe zegt de koe, welk geluid maakt het schaap? hallo vlinder waar fladder jij heen? dag olifant waar ga jij naartoe? De dag na Ots jaardag stuurde zijn vader Time een foto op: van zijn zoon voor de zoveelste keer in successie aan het bladeren, kijken en leren in De lievelingsdieren van nijntje. En dan te bedenken dat kleinzoon Ot ook nog gaat krijgen een tweede nieuwe spruit van Mercis: nijntje en nina. Maar daarover een volgende keer.


ONORTHODOX

Vrij regelmatig kent een  boek een proloog, af en toe is die zo goed dat ik het verhaal ingetrokken wordt. Dat geluk was mij gisteren beschoren toen ik een hardcover aangereikt kreeg, waaromheen een wikkel zat met de slogan uit Der Spiegel dat het niet alleen om een emancipatieverhaal van een vrouw gaat, maar ook een gelaagd getuigschrift over wat het betekent je uit de gevangenis van religieus extremisme te bevrijden. Ik leg voor u op de leesplank het 336 bladzijden tellende, authentiek geïllustreerde Onorthodox van de in een chassidische gemeenschap opgegroeide Deborah Feldman en uitgeverij De Geus met de ondertitel ‘De schokkende breuk met mijn roots’. Ik houd van non-fictie op voorwaarde dat het thema mij bekoort en dat het om literair proza gaat. Onorthodox voldoet in zijn geheel aan deze twee eisen. Ik illustreer dat door de tekst van De Geus op de omslag en door de proloog integraal u aan te reiken.

De Geus: ‘Als kind groeit Deborah Feldman op in de gesloten wereld van de Satmargemeenschap in Brooklyn. Ze moet gehoorzamen aan de regels en structuren van deze strengchassidische joden, waarin de rol van de vrouw enkel dienend is. Op haar zeventiende wordt ze uitgehuwelijkt en twee jaar later krijgt ze een zoon, maar dan is haar vrijheidsdrang niet meer te stuiten. Ze wil koste wat het kost een vrij leven leiden. In haar aangrijpende memoires beschrijft Feldman haar jeugd en uiteindelijke vlucht uit de religieuze sekte, waarbij het soms moeilijk voor te stellen is dat deze gebeurtenissen slechts enkele jaren geleden plaatsvonden, en wel midden in New York.’ 

Deborah Feldman: ‘Aan de vooravond van mijn vierentwintigste verjaardag interview ik mijn moeder. We spreken af in een vegetarisch restaurant in Manhattan dat prat gaat op zijn biologische, rechtstreeks bij de boer ingekochte ingrediënten, en hoewel ik de laatste tijd een zwak voor varkensvlees en zeevruchten heb ontwikkeld, kijk ik uit naar wat een goede, eenvoudige maaltijd belooft te worden. Onze ober heeft een overduidelijk niet-Joods uiterlijk, met warrig blond haar en grote, blauwe ogen. Hij behandelt ons met alle egards omdat we hier in de rijke Upper East Side zitten en bereid zijn honderd dollar te betalen voor een lunch die voor het grootste deel uit groenten bestaat. Ik vind het ironisch dat hij niet weet dat wij allebei buitenstaanders zijn, dat hij onze aanwezigheid zomaar accepteert. Nooit gedacht dat ik dat nog zou meemaken. Voor onze afspraak heb ik mijn moeder gezegd dat ik haar een paar vragen wilde stellen. Hoewel we in het voorbije jaar meer tijd samen hebben doorgebracht dan tijdens mijn tienerjaren, heb ik gesprekken over het verleden tot nu toe vermeden. Misschien omdat ik er niets over wilde weten. Misschien omdat ik niet wilde ontdekken dat alles wat me tot dan toen over mijn moeder was verteld fout was, of omdat ik juist niet wilde hoeven inzien dat het allemaal klopte. Maar goed, tijdens het schrijven van een levensverhaal hoor je nauwgezet en eerlijk te zijn – en dat geldt niet alleen voor de auteur.

Precies een jaar geleden heb ik de chassidische gemeenschap voorgoed verlaten. Ik ben vierentwintig en mijn hele leven ligt nog voor me. De toekomst van mijn zoon is vol mogelijkheden. Ik heb het gevoel dat ik net op tijd aan de start van een race ben verschenen om het startschot te horen klinken. Ik begrijp natuurlijk dat er overeenkomsten tussen mij en mijn moeder moeten zijn, maar de verschillen zijn veel makkelijker aan te wijzen. Zij was ouder toen ze vertrok, en zij nam mij niet met zich mee. Haar verhaal gaat meer over het zoeken naar geborgenheid dan over ze zoektocht naar geluk. Onze dromen hangen als wolken boven ons hoofd, en de mijne lijken groter en wolliger dan haar dunne cirrussliertje hoog in de winterse lucht. Voor zo lang ik me kan herinneren heb ik altijd alles uit het leven willen halen, alles wat het me maar kon bieden. Dat verlangen onderscheidt me van mensen die bereid zijn met minder genoegen te nemen. Het gaat er bij mij niet in dat mensen kleine wensen kunnen hebben, of geringe, beperkte ambities, terwijl de mogelijkheden zo eindeloos zijn. Ik ken mijn moeder niet goed genoeg om haar dromen te begrijpen; misschien zijn ze wel groot en belangrijk voor haar, en dat ik respecteren. We mogen nog zo verschillend zijn, dat hebben we in elk geval met elkaar gemeen: we hebben allebei voor iets beters gekozen. 

Mijn moeder is geboren en opgegroeid in een Duits-Joodse gemeenschap in Engeland. Haar familie was religieus, maar niet chassidisch. Haar ouders waren gescheiden, en ze vertelt dat ze als kind tobberig, verlegen en ongelukkig was. Op een huwelijk, laat staan een goed huwelijk, maakte ze weinig kans, zegt ze. De ober zet haar een bord met polentafriet en zwarte bonen voor en ze spietst een frietje aan haar vork.  Toen ze het aanbod kreeg om met mijn vader te trouwen, leek het wel een droom, vertelt ze tussen twee happen door. Hij kwam uit een rijke familie die hem koste wat  kost aan een vrouw wilde helpen. Zijn broers en zussen konden hun leven pas beginnen als hij verloofd was. Hij was vierentwintig, onvoorstelbaar oud voor een nette Joodse jongen, veel te oud om nog single te zijn. Hoe ouder ze worden, hoe moeilijker het is om nog een partner voor ze te vinden. Rachel, mijn moeder, was mijn vaders laatste kans. Iedereen in mijn moeders omgeving was dolblij voor haar, weet ze nog. Ze kon naar Amerika. Zijn ouders hadden haar een prachtig, gloednieuw appartement aangeboden, volledig gemeubileerd. Ze hadden aangeboden voor alles te betalen. Ze zou prachtige nieuwe kleren en juwelen krijgen. Een heel rijtje schoonzussen kon niet wachten om vriendschap met haar te sluiten. ‘Dus ze waren aardig voor je?’ vraag ik, refererend aan mijn ooms en tantes die, om redenen die ik nooit helemaal had begrepen, veelal op mij hadden neergekeken. ‘Ín het begin wel, ja’ zegt ze. ‘Ik was het nieuwe speeltje uit Engeland, snap je. Het mooie, slanke meisje met het grappige accent.’ Ze was de redster in nood voor al die jongere zonen en dochters. Het lot van ongetrouwd ouder worden bleef hun bespaard.

Aanvankelijk waren ze vooral dankbaar dat er een vrouw voor hun broer was gevonden. ‘Ik maakte een fatsoenlijke kerel van hem’, zegt mijn moeder. ‘Ik zorgde ervoor dat hij er altijd netjes uitzag. Hij kon niet voor zichzelf zorgen, maar ik wel, Ik zorgde ervoor dat hij goed voor de dag kwam, dat ze zich niet meer zo voor hem hoefden te schamen. Schaamte, dat is alles wat ik van mijn gevoelens voor mijn vader kan herinneren. In al die tijd dat ik contact met hem had, zag hij er vies en slordig uit, en gedroeg hij zich kinderlijk en ongepast. ‘Hoe denk je nu over mijn vader?’ vraag ik. ‘Wat is er mis met hem, denk je?’ ‘Och, ik weet niet. Hij lijdt aan waanbeelden, vermoed ik. Een psychische stoornis.’ ‘Echt waar? Denk je dat het zo erg is? Denk je niet dat hij gewoon zwakzinnig is?’ ‘Nou ja, in de tijd dat we getrouwd waren is hij een keer bij een psychiater geweest, en die vertelde me dat hij er redelijk zeker van was dat je vader een persoonlijkheidsstoornis had, weigerde mee te werken aan verder onderzoek en niet bij hem terug wilde komen voor een behandeling.’ ‘Tja, ik weet niet’, zeg ik bedachtzaam. ‘Tante Chaya heeft ooit verteld dat er als kind een verstandelijke beperking bij hem is vastgesteld. Ze zei dat hij een IQ van 66 had. Daar is verder niet zo veel aan te doen.’ ‘Maar ze hebben het niet eens geprobeerd’, hield mijn moeder vol. ‘Ze hadden hem in elk geval kunnen laten behandelen.’ Ik knik. ‘In het begin waren ze dus aardig. Maar daarna?’ Ik herinner me dat mijn tantes over mijn moeder hadden geroddeld en hatelijke dingen over haar zeiden.

‘Nou ja, toen alle drukte een beetje voorbij was, begonnen ze me te negeren. Dan gingen ze bijvoorbeeld samen iets doen en lieten ze mij erbuiten. Ze keken op mij neer omdat ik van een arme familie kwam, en omdat zij allemaal rijk waren getrouwd en rijk waren geboren en een heel ander leven hadden geleid. Je vader kon geen geld verdienen, en ik ook niet, dus werden we onderhouden door je grootvader. Maar die hield de hand stevig op de knip en gaf ons alleen het hoogstnoodzakelijke voor boodschappen. Het was een heel slimme man, je ‘zeide’, maar van mensen begreep hij niets. Hij had weinig voeling met het echte leven.’ Het steekt nog altijd als iemand iets negatiefs zegt over mijn familie, alsof ik voor ze moet opkomen. ‘Maar je ‘bobe’, die respecteerde me. Dat zag ik zo. Niemand luisterde ooit naar haar, maar ze was veel intelligenter en ruimdenkender dan iedereen dacht.’ ‘Ja. zeker, helemaal mee eens.’ Ik ben dolblij dat we toch iets gemeen hebben, dat er een familielid is over wie we hetzelfde denken. ‘Zo behandelde ze mij ook: met respect, zelfs toen de rest me maar een lastpost vond.’ ‘Maar goed … ze had weinig in de melk te brokkelen.’ ‘Nee, klopt’ Dus uiteindelijk had ze niets om zich aan vast te klampen, mijn moeder. Geen man, geen familie, geen huis. Op de universiteit zou ze echt bestaan, het idee hebben dat ze een doel had in haar leven, een richting. Je gaat weg als je niets meer hebt om voor te blijven; je gaat naar waar je van nut kunt zijn, waar mensen je accepteren.’

De ober brengt ons een chocoladebrownie met een kaarsje erin geprikt. ‘Happy birthday to you …’ zingt hij zachtjes, en even kruisen onze blikken. Ik voel dat ik begin te blozen en kijk weg. ‘Blaas uit’, moedigt mijn moeder me aan terwijl ze haar camera pakt. Ik moet lachen. Ik durf te wedden dat de ober denkt dat ik gewoon een jarige dochter ben die uit is met haar moeder, dat we dit elk jaar doen. Zou iemand kunnen raden dat mijn moeder tijdens mijn jeugd het grootste deel van mijn verjaardagen niet heeft meegemaakt? Hoe kan ze de draad zo makkelijk weer oppakken? Voelt het zo vanzelfsprekend voor haar? Voor mij in elk geval niet. Wanneer we de brownie hebben verslonden, veegt ze haar mond af en is ze even stil. Ze zegt dat ze me wel wilde meenemen, maar het niet kon. Ze had geen geld. De familie van mijn vader dreigde haar leven tot een hel te maken als ze me trachtte weg te halen. Chaya, mijn oudste tante, was het ergst, zegt ze. ‘Wanneer ik je kwam bezoeken, behandelde ze me als uitschot, alsof ik je moeder niet was, alsof ik je nooit had gebaard. Waar haalde ze het lef vandaan? Ze was zelf maar van de kouwe kant.’

Chaya trouwde met de oudste zoon van de familie en liet zich meteen gelden, herinnert mijn moeder zich. Ze moest altijd de baas spelen, altijd alles regelen, altijd overal haar mening over verkondigen. En toen mijn moeder voorgoed bij mijn vader wegging, nam Chaya ook de touwtjes van mijn leven in handen. Ze besloot dat ik bij mijn grootouders zou gaan wonen, dat ik naar de Satmarschool zou gaan en met een nette Satmarjongen uit een vrome familie zou trouwen.  Uiteindelijk was het Chaya die me leerde op eigen benen te staan, onvermurwbaar te zijn, net als zij, en me niet door anderen op mijn kop te laten zitten en ongelukkig te laten maken. Het was ook Chaya die Zeidy aanspoorde met de huwelijksmakelaar te praten, ontdekte ik, ook al ik toen net zeventien geworden. Zij was de koppelaarster; zij besloot met wie ik zou trouwen. Ik zou haar graag verantwoordelijk houden voor alles wat ik daardoor heb moeten doorstaan, maar ik ben wijzer dan dat. Ik weet hoe de wereld in elkaar zit en hoe mensen soms worden meegesleurd door de sterke stroming van eeuwenoude tradities.


GOEDE MANNEN

Ik wil u doen proeven van een roman die eigenlijk geen verdere aankondiging behoeft dan de mededeling dat hij er is. Het zoveelste werk van een alom geprezen schrijver daar gaat het om. De jongste loot aan de boom van de auteur met de titel Alle Voetnoten mocht ik een paar weken terug bij u introduceren en naar ik mocht traceren waren vele luisteraars en lezers in hun sas met deze uitgave. En nu is er al een nieuwe publicatie van deze (gelukkig voor ons) veelschrijver. Het gaat om de 510 bladzijden tellende hardcover Goede mannen van Arnon Grunberg en van Nijgh & Van Ditmar. Mijn ouverture bij u over dit boek bestaat uit het doorgeven van de tekst op de wikkel en de eerste vijf pagina’s. De herfst is aangebroken en derhalve past het niet langer te wachten met het bij u reppen over het bestaan van deze roman. Uiteraard gaan wij het in de loop van oktober nog uitgebreid met elkaar hebben over Goede mannen. Nog geen uur terug gaf de postman mij het boek en nu al de annonce.

Nijgh & Van Ditmar: ‘Geniek Janowski, brandweerman, liefdevolle echtgenoot, vader van twee zonen, mede-eigenaar van een pony en fatsoenlijk burger te Heerlen, wordt op een dag getuchtigd door het noodlot. De mannen van de C-ploeg slepen Janowski, die door iedereen de Pool wordt genoemd, erdoorheen en de vrouw van collega Beckers staat voor de deur met eetbare troost. Hun troost blijkt echter nog meer onheil te brengen. De Pool besluit daarop niet te walgen van zijn lot maar het te beminnen. Goede mannen is een ontroerende en wanhopige roman over een vader die denkt dat een goede man altijd een stapje opzij doet, dat goed zijn niet veel anders is dan verlangen naar het goede. Minder goede verlangens leg je gewoon het zwijgen op. Kan zo het onheil worden voorkomen? Wat kán een mens eigenlijk voorkomen?’

Arnon Grunberg: ‘De C-ploeg. De Pool deed wat hij zijn hele leven al wilde doen, hij was brandweerman. Eigenlijk heette hij Geniek Janowski, maar iedereen noemde hem de Pool en op een gegeven moment had hij die bijnaam geaccepteerd zoals je borstelige wenkbrauwen accepteert. Hij begon zijn oorspronkelijke naam te vergeten. Die naam speelde ook geen grote rol meer in zijn leven, alleen voor gemeentelijke instanties, banken, verzekeringen en zijn vader was hij nog Geniek Janowski. Het was een moeilijke naam, voor niet-Polen althans, en het grootste gedeelte van de wereld bestond uit niet-Polen. Als hij nou gewoon in Polen had gewoond was er geen probleem geweest maar nu moest hij iedereen steeds weer uitleggen dat het ‘Gen’ was en dat de ‘g’ werd uitgesproken als in het Duitse ‘gut’ en dan ‘jek’, Genjek. Zijn collega’s waren hem als eerste de Pool gaan noemen toen hij ruim zestien jaar geleden begon in de C-ploeg. Daar was hij opgeleid tot brandwacht en later tot brandwacht eerste klas. Ze hadden hem getest op hoogte- en dieptevrees en op claustrofobie, ze hadden onderzocht of hij een teamspeler was. Hij had hoogte- noch dieptevrees en aan claustrofobie leed hij ook niet. Daar kwam nog eens bij dat hij een aardige teamspeler was, maar Geniek vonden ze te ingewikkeld, de mannen van de C-ploeg, en Beckers had gezegd: ‘Die naam past ook niet bij jou.’ Alleen al daarom was Geniek ‘de Pool’ als een geuzennaam gaan beschouwen, de mannen vonden dat die naam namelijk wel bij hem paste. En na een jaar of twee in de C-ploeg was hij van top tot teen de Pool, alsof hij eindelijk was geworden wie hij altijd al was geweest.

Nu, op deze mistige novemberochtend zat hij tussen zijn collega’s in de kamer van de ploegchef te wachten tot Beckers zijn mond open zou doen. De Pool hield van de mist, hij vond alle weertypes prima maar voor nevel had hij een zwak. Het landschap mocht er zijn en de mist maakte het nog mooier. De bomen, de heuvels, de velden, de Pool wandelde graag door de mist. Hoe sneller hij de stad uit was hoe beter. De ploegchef had zijn mannen bij elkaar geroepen omdat Beckers iets wilde vertellen en al wist de C-ploeg ongeveer wat – de ploegchef had hen ingelicht, details had hij achterwege gelaten, twee zinnen, meer had hij niet nodig gehad – toch zaten ze gespannen rond de tafel. Alsof ze examen moesten doen, alleen waarvoor wisten ze niet. Alle mannen keken naar de Pool. Verwachtten ze dat niet Beckers maar hij iets ging vertellen?
Neel van de administratie liep langs en zwaaide vrolijk. Een paar jaar geleden was er voor het eerst een vrouw in de C-ploeg gekomen, die het niet lang had uitgehouden. Niet omdat ze een vrouw was maar omdat ze niet bij de groep paste, omdat ze moeilijk deed, kritiek had op het eten dat de brandweermannen met zoveel toewijding kookten. Toen hadden ze een grap met haar uitgehaald. Ze hadden de kamer waar ze sliep volgestopt met oude meubels en matrassen zodat ze niet meer naar binnen kon. Brandweerhumor. Beckers had het initiatief genomen. Practical jokes, daarin was Beckers goed. Zoals ze ooit naar de vrouw hadden gekeken zo keken ze nu naar de Pool. Hij had het gevoel dat hij precies wist welke woorden Beckers zou gebruiken, ze waren ongeveer op hetzelfde moment in de C-ploeg begonnen. Als hij zich met iemand hier verwant voelde was het Beckers, ondanks alle verschillen. Beckers was bijvoorbeeld een echte carnivoor. Een goede kerel. Ze hoorden bij elkaar, ze werkten al zo lang samen.

Deze ochtend zaten ze anders bij elkaar dan op andere ochtenden, als ze om een uur of zeven in de Wacht samenkwamen. En ook anders dan ’s avonds als ze in diezelfde Wacht hun avondeten naar binnen werkten, haastig omdat je nooit wist wanneer ze je nodig hadden. En als ze je nodig hadden kwam het geregeld voor dat je pas uren later terugkwam en je je amper kon herinneren dat in de Wacht een bord ijskoud eten op je stond te wachten. Soms was het vlees al aardig aan het verkleuren want de kwaliteit ervan liet te wensen over, wat geen wonder was met hun budget. Er waren er altijd een paar bij die weinig zeiden, het liefst helemaal niets. Ze zaten te puzzelen of ze keken een filmpje op hun telefoon. Meestal dezelfden, de zwijgers, maar zo stil als nu was het nooit. Alsof ze in de kerk zaten, terwijl ze daar toch niet heen gingen, hun ouders gingen daar al amper meer heen, behalve de vader van de Pool, die was met geen stok uit de kerk te slaan. Die kwam liever in de kerk dan in het café. Zijn God was nog niet dood, zijn God was nog springlevend.

De Pool voelde aan een korstje op zijn neus. Hij wist niet hoe dat daar was gekomen. Van de kat misschien, die hij drie dagen daarvoor uit een boom had moeten plukken. Het dier bleek niet gered te willen worden, althans niet door de Pool. Aan het eind van de tafel zat Beckers, die al een tijdje met zorgverlof was en die nu het woord zou gaan nemen, want daarvoor was hij verschenen, maar hij bleef zwijgen. Hij had een plastic bekertje met cappuccino uit de automaat in zijn hand en hij staarde naar het bekertje, terwijl hij toch een verhaal te vertellen had. De mannen vonden het ongepast hem aan te moedigen en ze vonden het nog ongepaster om zelf verhalen te gaan vertellen, terwijl ze dat goed konden – ook de zwijgers hadden iets te vertellen, zelfs de jonge Nelemans, hoewel ze het erover eens waren dat Nelemans, die in zijn vrije tijd liederen zong die hij zelf had geschreven, weinig te zeggen had en ze snoerden hem geregeld de mond maar dat deden ze plagerig, nooit gemeen. Ze waren niet gemeen, de mannen van de C-ploeg, als ze iets waren dan was het goed, ze zouden zichzelf goeie kerels noemen. De C-ploeg was de beste ploeg en hoewel iedere ploeg dat ongetwijfeld van zichzelf vond meenden zij dat zij meer redenen hadden dat te geloven, omdat ze stuk voor stuk fatsoenlijke mannen waren die niets anders wilden dan fatsoenlijk zijn, met het hart op de juiste plaats. Al had Nelemans nog meer ambities, hij probeerde door te breken als zanger met zijn liederen die hij zelf had geschreven en die vrolijk waren, om te lachen, want er waren al genoeg treurige liederen, er was al genoeg begrafenismuziek. Hij had gezworen dat hij ook na zijn doorbraak in de muziek de C-ploeg trouw zou blijven. Hij kende niet zoveel zingende brandweermannen en hij was van plan de eerste te worden. Ja, Nelemans wilde een zingende brandweerman worden.

De Pool keek naar Nelemans, de jongste van de groep. De zingende brandweerman hoefde zich amper te scheren, misschien zou hij zich nooit echt hoeven te scheren, en hij keek bedrukt alsof hij een reprimande verwachtte, alsof hem weer eens de mond zou worden gesnoerd. De Pool wilde dat Beckers eindelijk ging vertellen wat ze al wisten, dan waren ze ervan af, dan konden ze aan het werk. Hoewel hun werk natuurlijk voor een groot gedeelte bestond uit wachten was er een verschil of je wachtte op een brand of een ongeluk of dat je aan het wachten was op het verhaal van Beckers. De Pool dacht aan zijn zoon Jurek, die over tien dagen twaalf zou worden. Ze hadden hem Jurek genoemd omdat Wen vond dat Geniek en Jurek zo goed klonk, Geniek en Jurek, Jurek en Geniek, maar niemand noemde hem nog Geniek. Zelfs zijn eigen zoon had het tegenwoordig over de Pool. Als hij van school kwam vroeg Jurek aan zijn moeder: ‘Is de Pool thuis?’ Terwijl de jongen kon weten dat zijn vader thuis was, de Pool had 24 uur dienst en was dan twee dagen thuis om vervolgens weer 24 uur dienst te hebben, een ritme dat hem beviel, een ritme waarmee niet alleen hij maar het hele gezin was gaan samenvallen. De vader had het gevoel dat de zoon het alleen vroeg opdat de vader het kon horen, opdat de vader wist hoe hij genoemd werd, ook in zijn eigen huis: de Pool. Hij vatte het liefkozend op, het was de puberteit of de prepuberteit. Als de zoon tegen zijn moeder zei: ‘Heeft de Pool weer wat aan te merken?’ of ‘Gaat het weer eens niet zoals de Pool het wil?’ liet de vader het van zich af glijden. Zo waren pubers, zo waren jongens van die leeftijd. Meisjes schenen heel anders te zijn, daar had hij geen ervaring mee. ‘Je mag ook papa zeggen,’ had de Pool een keer gezegd. ‘Gewoon papa, zoals je me vroeger altijd noemde.’ Maar de prepuberteit was hard en volgens sommige deskundigen niet te onderscheiden van de puberteit. De Pool zelf kon zich niet herinneren ooit zo’n tiener te zijn geweest. Vanaf zijn achtste was hij alleen met zijn vader geweest, een goede en rechtschapen man die brutaliteit noch tegenspraak duldde. Hoe hij als puber was geweest deed er niet toe, je moest jezelf niet als maatstaf nemen had hij gelezen in een boek over het opvoeden van pubers en dat deed hij daarom ook niet, hij nam zichzelf niet als maatstaf. Ook zonder dat boek zou het niet in hem zijn opgekomen.’


EEX SEXTET GOEDE BOEKEN MET EEN BOEIEND THEMA

Ik leg een zestal werken voor u in de etalage die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat de een interessant onderwerp in fraaie woorden vatten. Ik geef titel, auteur, ondertitel of genre en uitgever. Om het thema te verwoorden geef ik de tekst van de uitgever op de omslag. In de maand oktober gaan wij onze leerervaringen over de zes met elkaar uitwisselen.

1) Jouw leven en het mijne – Majgull Axelsson – Roman – De Geus
Märit is onderweg om haar zeventigste verjaardag te vieren, wanneer ze voelt dat ze uit de trein moet stappen in haar oude studentenstad Lund. Hier zette ze als studente medicijnen de eerste stappen op weg naar een onbezorgde toekomst. Haar verstandelijk gehandicapte broer Lars zat er opgesloten in een instelling waar wetenschappelijke experimenten op de patiënten werden uitgevoerd.

2) Ed van Thijn – Willem van Bennekom – Leven als opdracht – Boom
Ed van Thijn publiceerde vele boeken en essays in zijn bijna zestigjarige loopbaan als politicus en burgemeester, maar werd zelf nog nooit onder de loep genomen. In Ed van Thijn. Leven als opdracht komt Willem van Bennekom tot een kritisch en indringend portret aan de hand van niet eerder gepubliceerde documenten en tientallen gesprekken met de hoofdpersoon en anderen, onder wie Hedy d'Ancona en Wim Kok. De levensloop van Ed van Thijn (1934) is voor een groot deel bepaald door zijn Joodse achtergrond. Tijdens de Duitse bezetting ontkwam hij als kind met zijn moeder uit Kamp Westerbork, waarna hij op maar liefst achttien verschillende adressen zat ondergedoken, alvorens in de Hongerwinter opnieuw in Westerbork te worden geïnterneerd. Na de oorlog studeerde Van Thijn politicologie en sociale wetenschappen. Hij werd actief in de Partij van de Arbeid en kreeg nationale bekendheid als Tweede Kamerlid, fractievoorzitter, minister van Binnenlandse Zaken en burgemeester van Amsterdam. ‘Leven als opdracht’ is een uniek document over een van de kleurrijkste publieke intellectuelen die het Nederlandse bestel van na 1960 heeft gekend.
 
 
3) De volgende scan duurt vijf minuten – Lieke Marsman – Gedichten en essay - Pluim
Meteen na haar schrijversresidentie in Tilburg kreeg Lieke Marsman ernstig nieuws: ze had kanker. In De volgende scan duurt vijf minuten onderzoekt zij in tien gedichten en een essay hoe een ziek lichaam zich verhoudt tot een zieke wereld. "De kortstondigheid van mijn behandeltraject heeft ervoor gezorgd dat ik sinds mijn operatie het gevoel heb met lege handen te staan en ik heb het schrijven van dit boekje nodig om de tijd kloppend te maken, mijn ziekteproces wat uit te rekken. Maar ik heb geen idee wat ik moet doen als ik dit boekje inlever. Hoe moet ik mijn leven weer oppakken?' In De volgende scan duurt vijf minuten wordt de blik niet uitsluitend naar binnen gericht, integendeel: het is ook een vurig pleidooi om om je heen te kijken en je maatschappelijke verantwoordelijkheid op je te nemen in een zieke samenleving.

4) Nijntje en nina – Dick Bruna – Groot verhalend prentenboek – Mercis Publishing
Het thema van de Kinderboekenweek dit jaar is 'vriendschap'. Nijntje en nina zijn vriendinnen en in dit verhaal komt nina bij nijntje logeren. Dat vinden ze allebei heel leuk! Het voorlezen van dit verhaal wordt nog leuker met deze speciale eenmalige uitgave op groot formaat. De originele (kleinere) uitgave van € 6,95 blijft ook leverbaar.

5) Wild van Freek – Studio Freek – Supervies boek – Blink Media
Welk dier heeft roze poep? Wie plast er over zijn handen om de vrouwtjes te versieren? En wie eet er kots? Dit boek staat vol met stinkende weetjes, vieze puzzels en smerige dierengewoontes. Zet dus snel een knijper op je neus en duik in de wereld van slijm, kots en drollen! Wild van Freek is het tijdschrift voor alle jongens en meiden die gek zijn op wilde dieren en Freek Vonk. In het tijdschrift neemt Nederlands bekendste bioloog de kinderen mee op avontuur. Ze liften mee in zijn rugzak naar onbereikbare plekken en staan oog in oog met de wilde dieren die hij tijdens zijn reizen tegenkomt. Het magazine geeft een uniek kijkje in het leven van Freek. Daarnaast staat het vol spectaculaire weetjes over wilde dieren, grappige strips, puzzels, quizzen, moppen en nog veel meer wild nieuws!

6) Trobi – Brian Elstak – In samenwerking met Esther Duysker – Das Mag
Daar is-ie dan: de opvolger van Tori! Het verrassende kinderboek dat menig kinderhart en een Zilveren Penseel veroverde. In Trobi komen de dappere mensenkinderen Cel, Bones en Zi in de problemen: de tijgerklauw met de kracht van honderd tijgers is van hen gestolen. En dan blijken ook nog eens alle boeven van het eiland op hen te zijn afgestuurd. Achter al deze trobi lijkt een glibberige octopus te zitten. Of zijn deze streken van iemand anders afkomstig? Als de klauw maar niet in de verkeerde poten terecht komt... Gewapend met hun potloodzwaard en ijzersterke colossusschild gaan de kids op zoek naar de gestolen tijgerklauw. En ontdekken ze dat achter elke bad guy een goede tori zit. 'Spannend!' - Arjen Lubach, 'Een heel leuk cadeau!' - Arie Boomsma, 'Mooi en spannend.' - de Volkskrant, 'Geen woorden voor hoe dope ik dit vind!' - Mr Probz,
'Prachtig geschreven en geïllustreerd.' - Het Parool,  'Een episch avontuur!' - De Correspondent. Beeldend kunstenaar Brian Elstak (1980), is een verhalenverteller pur sang. Eerder werk van hem was te zien in het Stedelijk Museum, op albumcovers en in videoclips. Esther Duysker (1985) is scenarist en toneelschrijfster.
 

Postadres

Postbus 1112
3350 CC Papendrecht
078-7706308 (di en do)
Bezoekadres

Gemeente Papendrecht
Markt 22
3351 PB Papendrecht