Cultuurmix

CULTUURMIX 27 NOVEMBER 2018

Papendrecht 27-11-2018

DE TWEELING - ACHTER DE SCHERMEN

Voorbije weekeinde las ik aan een ruk door het boek dat een van mijn lievelingswerken in het volle daglicht zet. Het ging om het verslag van de ontstaansgeschiedenis en van de latere ontvangst van een bestseller van een kwart eeuw terug. Het is het relaas van een roman die zijn roots heeft in de non-fictie. Het boek onderschrijft mijn gedachte dat de reinste fantasie niet kan leiden tot ware literatuur. De auteur ervan moet zich laten leiden door de werkelijkheid die hij op eigen wijze interrumpeert. Ik leg voor u neer de 222 bladzijden tellende paperback De tweeling – achter de schermen van Tessa de Loo en De Arbeiderspers met de ondertitel ‘Het verhaal van een wereldwijde bestseller’. In mijn bestaan als neerlandicus las ik met de leerlingen havo/atheneum sinds 1983 steevast de verhalenbundel De meisjes van de suikerwerkfabriek, waarmee Tessa de Loo (1946) haar opwachting maakte in onze literatuur en daarin verder tot op de dag van vandaag van zich liet horen. Om vier van haar werken te noemen die ik bij u mocht introduceren: Meander, Een bed in de hemel, De tweeling en Kenau deden u en mij goed. En nu is daar De tweeling – achter de schermen, dat vertelt hoe Tessa de Loo tot haar story gekomen is en wat na publicatie de ontvangst bij pers en publiek was. Centraal daarbij staan haar ontmoetingen met Maria Hesse die model stond voor Anna en haar herinneringen aan haar moeder die min of meer terug te vinden is in Lotte. Ik stel voor dat ik nu aan u doorgeef de samenvatting volgens Wikipedia en dat wij de volgende keer met ons boek in de handen gaan traceren hoe Maria en Tessa’s moeder erin verwerkt zijn. Fictie op basis van non-fictie.

Samenvatting: ‘In de herfst van 1990 verblijft de 74-jarige Lotte Goudriaan enige weken in het kuuroord Spa in de Belgische Ardennen. Zij lijdt aan artrose en de kuur die zij volgt, is bedoeld om haar pijn te verlichten. Op de derde dag ontmoet zij in de rustzaal van het Thermaal Instituut een Duitse vrouw van haar leeftijd. Zij is ook wegens versleten gewrichten bezig aan een kuur. De vrouw blijkt afkomstig te zijn uit Keulen en dat is ook de stad waar Lotte geboren is. Snel wordt duidelijk dat de Duitse, Anna Grosalie genaamd, de tweelingzus van Lotte is. Toen zij zes jaar oud waren, overleden hun ouders kort na elkaar. De familie besloot daarop dat Anna bij een oom en een tante op het Duitse platteland zou worden opgevoed, terwijl Lotte werd ondergebracht bij het gezin van een neef van de vader in Nederland. Door slechte verhoudingen binnen de familie, maar vooral door de oorlog zijn de twee zussen elkaar uit het oog verloren. Na hun gedwongen scheiding hebben ze elkaar slechts twee keer ontmoet, de laatste keer vlak na de oorlog. Hun toevallige weerzien na al die tijd is vanzelfsprekend een emotionele aangelegenheid.
Tijdens wandelingen in de bosrijke omgeving van Spa, in de conversatiezaal van het Thermaal Instituut, in een restaurant of in een van de lokale patisserieën vertellen zij elkaar wat ze hebben meegemaakt, sinds ze als jonge kinderen gescheiden werden. Daarbij passeert vooral de eerste dertig jaar de revue.

Lotte neemt vanaf het begin een koele en gereserveerde houding aan; soms wekt ze zelfs de indruk na al die jaren niets met haar Duitse tweelingzus (en dus haar eigen Duitse verleden) te maken te willen hebben. Anna is daarentegen verrukt over het weerzien en ze is blij dat zij eindelijk haar verhaal kan delen met degene bij wie ze zich vanaf de geboorte het meest geborgen heeft geweten. Anna komt na de dood van haar ouders terecht in een arm katholiek dorpsmilieu aan de rand van het Teutoburgerwoud. Haar grootvaders boerderij wordt geleid door haar oom Heinrich, een vertwijfelde man die eigenlijk helemaal geen boer wil zijn. Zijn luie, geniepige vrouw Martha maakt het leven voor Anna bijna ondraaglijk. Hoewel Anna goed kan leren, mag ze niet naar het gymnasium en wordt ze gedwongen om op de boerderij mee te helpen. Wanneer ze in de puberteit belangstelling voor een jongen toont met veel sympathie voor het opkomende nationaalsocialisme (waar haar oom van gruwt), straft haar oom dat af met fysieke mishandeling. Ze wordt dan enige tijd uit huis genomen om in een klooster op krachten te komen, waarna ze weer teruggaat naar de boerderij onder het toeziend oog van de kinderbescherming. Inmiddels is Hitler sinds 1933 aan de macht en in de daaropvolgende jaren komt ook het dorp steeds meer in de greep van het nazisme. Rond haar twintigste ontvlucht Anna de boerderij van haar oom en keert zij in haar eentje terug naar Keulen, waar ze een baan vindt als dienstmeisje.
In vergelijking met de jeugd van Anna is die van Lotte vrijwel zorgeloos verlopen. Zij groeit op in de mooie, bosrijke omgeving van het Gooi in een progressief socialistisch, niet-godsdienstig milieu. Haar pleegvader houdt zich vooral bezig met het lezen van Marx en de ontwikkeling van geluidstechniek. Lottes jeugd staat in het teken van de muziek en ze krijgt alle gelegenheid om haar zangtalent te ontplooien. Het huwelijk van haar nieuwe ouders is echter niet optimaal; de escapades van haar humeurige, egocentrische vader maken haar moeder depressief en later balanceert hij als gevolg van een ongeluk maanden op het randje van de dood. Naarmate de jaren dertig verstrijken neemt in Lottes omgeving de bezorgdheid toe over de politieke en maatschappelijke veranderingen in het naburige Duitsland.

Wanneer het Duitse leger in september 1939 Polen binnenvalt en de Tweede Wereldoorlog feitelijk begint, heeft Anna een betrekking als kamermeisje bij een adellijke familie op een landgoed aan de rand van Keulen. Lotte achterhaalt haar adres en nieuwsgierig geworden naar haar eigen wortels, besluit ze haar tweelingzus te gaan opzoeken. Hun ontmoeting tijdens oudjaar is echter een tegenvallende gebeurtenis voor Lotte. Zij kan het weerzien met Anna en haar eigen geboorteland niet los zien van haar kennismaking met het nazisme, dat zich overal zichtbaar in het Duitse dagelijkse leven heeft genesteld. Hoewel de Duitse inval in Nederland nog vijf maanden op zich zou laten wachten, krijgt voor Lotte het begrip ‘vijand’ voor het eerst van haar leven een concrete betekenis. De oorlog grijpt om zich heen. Na een ontmoeting met de Oostenrijkse soldaat Martin Grosalie ontwikkelt Anna een verhouding met hem. Hun relatie zal echter vooral uit een briefwisseling bestaan omdat hij meestal ergens in Europa aan het front ligt. Ook nadat ze midden in de oorlog in Wenen zijn getrouwd, leven ze goeddeels van elkaar gescheiden. Anna verhuist met de adellijke familie naar een slot in het oosten van Duitsland, omdat het in Keulen te gevaarlijk is geworden wegens de Engelse bombardementen.

Lotte ervaart de oorlog voor het eerst aan den lijve wanneer in de beginjaren van de bezetting een joodse vriend van haar wordt opgepakt en naar Duitsland wordt gestuurd. Zij is lid van het omroepkoor, maar ze verliest haar baan nadat ze weigert zich bij de Kultuurkamerte laten registreren. Vooral na de ernstige ziekte van haar pleegmoeder, gaat vervolgens al haar aandacht uit naar de verzorging van het gezin en de vele onderduikers die inmiddels bij de familie inwonen. Maar ook in Duitsland worden vanaf 1942 de leefomstandigheden steeds slechter en groeit de anarchie. Door de Russische dreiging aan het oostfront zegt Anna op aandrang van haar echtgenoot haar baan op en verhuist ze naar Wenen in afwachting van zijn terugkeer. Vlak na haar aankomst krijgt ze het bericht van zijn dood op het slagveld.
In de slotfase van de oorlog werkt Anna als Rode Kruiszuster in de veldhospitalen van het Duitse leger in Oostenrijk en de Beierse Alpen en ervaart ze zo het oorlogsleed van dichtbij. Op haar beurt leert Lotte tijdens de hongerwinter in Nederland wat schaarste betekent; voor haar en haar familie is leven nog slechts proberen te overleven. Uit angst voor een lege toekomst en omdat ze ook niet langer thuis wil blijven wonen, trouwt Lotte in het zicht van de bevrijding in alle stilte met een van de onderduikers, de violenmaker Ernst Goudriaan. De komst van de Amerikaanse bevrijders maakt een einde aan Anna’s werkzaamheden als verpleegster. De veldhospitalen gaan een voor een dicht en na een korte gevangenschap wordt zij maandenlang meegesleurd in de algehele ontreddering waarin het land verkeert. Op haar eenzame zwerftocht door het westen van Duitsland ontmoet ze uiteindelijk een vrouw die haar in contact brengt met de directrice van een opleidingsinstituut voor sociaal werksters. Zij wordt toegelaten tot de opleiding en kan vervolgens haar nieuwe leven gaan opbouwen. Na de bevrijding van Nederland gaat Lotte met haar man in Den Haag wonen. Enige tijd na de oorlog weet Anna haar adres te achterhalen. Bij haar bezoek in Den Haag wil Lotte echter niets van Anna weten; ze weigert zelfs Duits met haar te spreken en voor zover er sprake is van een dialoog fungeert de echtgenoot van Lotte als tussenpersoon. Lotte en haar man (die tien jaar voor het weerzien in Spa is overleden) zullen vijf kinderen krijgen. Anna hertrouwt niet en zal jarenlang bij de kinderbescherming werkzaam zijn. Aan het begin van de derde week in Spa, op de ochtend na het laatste gesprek tussen de twee zussen, sterft Anna in een veenturfbad aan een hartaanval. Wanneer een medewerker van het Thermaal Instituut aan Lotte vraagt naar haar band met de vrouw, antwoordt zij aarzelend, maar toch geëmotioneerd dat Anna haar zuster is. Vol wroeging beseft Lotte op dat moment dat haar erkenning van de familieband met haar Duitse wederhelft te laat is gekomen.


PESSIMISME KUN JE LEREN!

Een weemoedige, melancholische, geestrijke, humoristische, taalvondstrijke, tintelende, toegankelijke bundel boordevol zuivere poëzie leg ik voor u in het uitstalraam. Het gaat om een bloemlezing van de lievelingsgedichten van een BN’er die over een paar dagen zijn opwachting in onze regio maakt. Ik vraag uw aandacht voor de 86 bladzijden tellende hardcover Pessimisme kun je leren! van Levi Weemoedt en Nijgh & Van Ditmar met de ondertitel ‘De mooiste versjes uitgekozen door Özcan Akyol’. Ik zeg het duidelijker: op uitnodiging van de CRP staat Özcan Akyol aan de meet van PUP.

Ik geef integraal het persbericht, dat ik op verzoek schreef:
‘Zondag 25 november geeft de alom bekende schrijver, columnist en opiniemaker Özcan Akyol het startschot voor de culturele manifestatie Pop Up Papendrecht (PUP). Op uitnodiging van de Culturele Raad Papendrecht (CRP) zal de man uit 1984 en van Turkse origine van 14.00 uur tot 16.00 uur een bij voorbaat sprankelende en enerverende causerie houden. Akyol gaat het woord voeren in de tent van de ijsbaan op De Markt, die twee weken lang een oord van cultuur zal zijn. Als schrijver maakte Özcan naam en faam met zijn romans Eus(2012) en Turis (2016), waarin een van de thema’s  het ontworstelen aan de eigen roots is. Özcan is een vaste columnist bij o.a. ‘Algemeen Dagblad’ en ‘Nieuwe Revu’. Hij schuift als opiniemaker vaak aan de tafel bij ‘DWDD’ en ‘Pauw’.
In 2017 maakte Akyol de televisiedocumentaire serie ‘De neven van Eus’, waarin hij Turkije bezoekt met daar wonende familieleden als belangrijkste gidsen. Een paar weken terug vertelde hij aan Matthijs van Nieuwkerk over zijn literaire held Levi Weemoedt, voor wiens zeventigste jaardag hij de verzenbundel Pessimisme kun je leren met de ondertitel ‘De mooiste gedichten uitgekozen door Özcan Akyol’ samenstelde. De selectie werd meteen een bestseller. Alle ingrediënten worden op de middag van 25 november uit de kast gehaald om de bezoekers een warme bijeenkomst te garanderen. En… de toegang is gratis, want wordt u aangeboden door de CRP.’
Van een bevriende boekhandelaar vernam ik dat voor de literaire sessie van zondagmiddag zo’n zestig exemplaren van Pessimisme kun je leren! in de tent te koop zijn. Niet zo gek, daar in het colofon van mijn boek staat dat in de maand november al zeven drukken gewenst waren. Genoeg over Özcan Akyol. Nu over dichter Levi Weemoedt (met geboortejaar 1948) zelf. In het voorwoord en op de omslag zegt Akyol hoe hij op de man gekomen is, die een van zijn lievelingsdichters werd.

Ik citeer de omslag: ‘Aan het begin van deze eeuw, toen ik nog een puisterige puber was, voelde ik een grote behoefte om in de literatuur de antwoorden op mijn levensvragen te vinden. Dat lukte niet. Hoewel ik het kunstenaarsleven leidde, inclusief een getormenteerde ziel en een geveinsde zucht naar drank, net als mijn literaire helden, duwden de meeste boeken me verder in de put. Tot ik het werk van Levi Weemoedt ontdekte. De persoonlijke ellende spat van zijn poëzie, maar hij verpakt het in de liefde voor taal en ongebreidelde zelfspot, een combinatie die ik niet voor mogelijk hield. Als hij een mislukking beschreef, bood me dat troost, en moest ik ongemakkelijk lachen om mijn eigen pathetische overdrijvingen. Nog vaker deed hij me huiveren om zijn tekstuele spitsvondigheid en het superieure spel met woorden dat hij telkens speelt. De gedichten kwamen soms wat kort en eenvoudig op me over, maar er zijn maar weinig dichters die het autonoom na kunnen doen.

Het gedicht ‘Don Juan Lul’ tors ik al ruim een decennium ingelijst met me mee naar de verschillende huizen die ik heb bewoond. Nu hangt het pontificaal in onze woonkamer. In al zijn eenvoud schetst het een beeld van iemand die ogenschijnlijk alles al heeft opgegeven. In werkelijkheid houdt de taal hem overeind. Iedereen moet Weemoedt lezen! Vandaar deze bloemlezing, die ik met veel plezier heb samengesteld.' Om u de bundel, die bij de zeventigste jaardag van Weemoedt het licht zag, in te loodsen geef ik u vier verzen van de zeventig verzen.  Eerst het vers van de omslag, daarna twee over Drenthe, waar wij als gezin vaak verbleven op de vakantieboerderij van de familie Tip in Veenoord. Het laatste past wel in onze rubriek. Tot slot een tip: Pessimisme kun je leren! een grandioos geschenk in de cadeaudagen van december!

Don Juan Lul
'k Kan niet lezen en niet schrijven.
'k Ben de langzaamste in vlijt.
Maar het allerdroevigst ben ik
in sociale vaardigheid.

Nooit kan ik iets leuks verzinnen!
Sta ik voor een mooie meid,
ach, dan schiet mij slechts te binnen
dat ik dood wil. Heel de tijd.

Aan de reiziger
Het streekvervoer in Drenthe
is kortgezegd aldus:
indien er al 
iets langskomt
is het een collectebus

De Drenten
O, het zal hun een zorg zijn
of de wereld vergaat
als om zes uur het eten
maar op tafel staat.

Boekenweek
Hedenmiddag                                                                                                                                                 
signeert 
Jaap Kramer!
Ongesigneerd
zijn ze
zeldzamer.


EEN NAOORLOGSE ACHTBAAN

Een vuistdikke pil leg ik voor u op tafel die alle ingrediënten bevat van een informatief, doordacht, veelomvattend en toegankelijk werk. Het gaat om een werk van een bekende Britse historicus die zijn eigen tijd onder een vergrootglas legt, die een wijds panorama aanreikt van het recente verleden van dit continent, Ik heb het over de 702 bladzijden tellende, van twee fotokaternen voorziene paperback Een naoorlogse achtbaan van Ian Kershaw en Unieboek Het Spectrum met de ondertitel ‘Europa 1950-2017’. Eigenlijk behoeft dit bij voorbaat fascinerende boek geen aanbeveling, want hoe vol lof waren u en ik niet over het eerste deel van de tweeluik De afdaling in de hel, Europa 1914-1949. Met een knipoog naar de komende geschenkdagen, de lange winteravonden en de decemberfeestdagen, geef ik u nu integraal het ‘Woord vooraf’. De volgende keer reik ik de tekst van de omslag aan en neem ik met u de titels van de twaalf hoofdstukken door. Ik weet zeker dat u met Een naoorlogse achtbaan het eind van dit jaar en het begin van volgend jaar goed doorkomt.

Ian Kershaw: ‘In het voorwoord van De afdaling in de hel schreef ik dat dit het boek was dat me de meeste moeite had gekost om te schrijven. Dat gold tot aan dít boek. Het tweede deel over de geschiedenis van Europa vanaf 1914 tot onze eigen tijd stelde me voor nog veel grotere problemen, zowel qua interpretatie als qua compositie. Dat komt vooral omdat de Europese geschiedenis tussen 1950 en het heden geen overheersend thema kent dat vergelijkbaar is met de centrale plaats die oorlog vanzelfsprekend in het vorige deel, over de periode 1914 tot 1950, inneemt. Dit boek is eerder een verhaal over draaien en wendingen, hoogte- en dieptepunten, voorbijgaande veranderingen en grote, steeds snellere transformatie. Het verhaal over Europa sinds 1950 was als een rit in een achtbaan, inclusief spanning en angst. Ik wil laten zien hoe en waarom Europa in deze decennia van de ene tijd van grote onveiligheid in de andere terechtkwam. De beeldspraak van de achtbaan gaat enigszins mank. Tenslotte loopt een achtbaan, hoe bloedstollend spannend ook, over een vaste baan in een circuit en eindigt hij op een bekend punt. En misschien is het beeld van een pretparkattractie ook wel te triviaal en zorgeloos voor de ernst, zwaarte en vaak ook de tragiek van de naoorlogse Europese geschiedenis. Wel geeft het goed het schoksgewijze weer, de adembenemende momenten en de ervaring te worden meegevoerd door onbeheersbare krachten die – zij het op uiteenlopende wijze – vrijwel alle Europeanen aangingen.

De complexiteit van de Europese geschiedenis in deze periode levert grote problemen op voor de ‘opbouw’ van dit boek. Die worden nog versterkt doordat het continent veertig jaar lang was gedeeld door het IJzeren Gordijn. Behalve als een ‘idee’ van een gemeenschappelijke culturele identiteit (hoe versplinterd ook door religieuze, nationale, etnische en klassenverschillen) bestond Europa in deze decennia niet. De twee helften – West- en Oost-Europa – waren zelf zuiver politieke constructies. De interne ontwikkeling van elke helft van het continent in die periode is zo anders dat het tot de val van het communisme tussen 1989 en 1991 onmogelijk is deze op een coherente manier te integreren. Ofschoon Oost- en West-Europa ook dan heel verschillend blijven, maakt de invloed van de snel toenemende globalisering – een belangrijk thema in dit deel – het mogelijk ze daarna samen te behandelen, in plaats van afzonderlijk.

Net als in De afdaling in de hel betekent de brede opzet van dit boek dat ik zwaar moet leunen op het onderzoek en de publicaties van anderen – sterker nog zelfs, omdat ik nooit gespecialiseerd onderzoek heb gedaan naar enig aspect uit deze periode. Dat ik deze tijd zelf heb meegemaakt is geen vervanging. Toen ik aan dit boek begon suggereerde iemand dat het wel makkelijk te schrijven moest zijn, aangezien de periode samenviel met een groot deel van mijn leven. Maar geschiedenis meemaken levert herinneringen op die evenzeer vertekend of onjuist kunnen zijn als potentieel nuttig. Op een enkele plek heb ik in een voetnoot een persoonlijke herinnering toegevoegd. Die heb ik echter uit de hoofdtekst gehouden. Persoonlijke anekdotes en historische beoordeling kunnen naar mijn mening het best gescheiden blijven. Afgezien van de feilbaarheid van het geheugen is het effect van het meeste van wat zich dagelijks voordoet vluchtig. Om de betekenis van belangrijke gebeurtenissen te kunnen beoordelen is niet alleen gedetailleerde kennis noodzakelijk maar ook voldoende tijd voor verwerking. Daarom is het wetenschappelijk werk van anderen onmisbaar. Veel publicaties betreffen specialistische monografieën of artikelen uit wetenschappelijke tijdschriften.

In het voorwoord van De afdaling in de hel heb ik al een aantal uitstekende algemene werken over de geschiedenis van Europa in de twintigste eeuw genoemd, waar ik op dit moment nog aan toe kan voegen Out of Ashes van Konrad Jarausch. Met name over de tweede helft van de twintigste eeuw was de algemene studie Na de oorlog van Tony Judt het meeslependst. De boeken van Timothy Garton Ash, waarin hij topjournalistiek op briljante wijze paart aan historisch inzicht in onze eigen tijd, waren van onschatbare waarde, vooral die over Midden-Europa. En ik heb veel gehad aan een aantal boeken van Duitse historici – Heinrich August Winkler, Andreas Wirsching, Hartmut Kaelble, Andreas Rödder en Philipp Ther. Samen met andere werken die ik buitengewoon nuttig vond zijn ze opgenomen in de geselecteerde literatuurlijst. Ze vormen het topje van een heel grote ijsberg. Net als in het vorige deel en volgens de opzet van de serie ‘History of Europe’ van Penguin, zijn er geen verwijzingen in noten. En ook in dit deel zijn werken waaruit ik rechtstreeks citeer gemarkeerd met een sterretje.
Mijn aanpak komt overeen met die van De afdaling in de hel. Ook nu wilde ik vooral het drama laten zien, de onzekerheid vaak over het verloop van de geschiedenis, soms door een eigentijdse kijk op gebeurtenissen in te voegen. Daarom heb ik het boek chronologisch opgezet in hoofdstukken over betrekkelijk korte periodes, met een onderverdeling in thema’s. In de korte proloog licht ik mijn interpretatie toe.

De eerste drie hoofdstukken openen met de eerste Europese periode van onveiligheid, vanaf de spanningen van de Koude Oorlog en het ontstaan van de twee tegengestelde blokken van West- en Oost-Europa tot aan het midden van de jaren zestig. Hoofdstuk 4 en 5 gaan over de verbazingwekkend lange naoorlogse periode van hoogconjunctuur en de maatschappelijke implicaties daarvan, en vervolgens over de splitsing binnen de kunst en cultuur, waar enerzijds de treurige erfenis van het recente verleden aan de orde werd gesteld en anderzijds welbewust een nieuwe, opwindende eigentijdse sfeer werd opgeroepen. Hoe dit eind jaren zestig uitmondde in jongerenprotest, en de veranderende maatschappelijke en culturele waarden die uit de tijd van studentenopstand overbleven worden onderzocht in hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 handelt over een belangrijke periode: de essentiële verandering die plaatsvond in de jaren zeventig en begin jaren tachtig. Nadat voor de leiders van communistische staten de problemen ten oosten van het IJzeren Gordijn tegen de jaren tachtig schrikbarend toenamen, ligt in hoofdstuk 8 de nadruk op de persoonlijke rol van Michail Gorbatsjov bij de onbedoelde maar fatale ondermijning van de Sovjetoverheersing. Hoofdstuk 9 is gericht op de rol van de ‘Fluwelen Revolutie’ van 1989-1991 via veranderingsdruk van onderop. De moeilijke en dikwijls ontgoochelende overgang naar pluralistische democratieën en kapitalistische economieën in de landen van Oost-Europa en het rampzalige afglijden van Joegoslavië naar een etnische oorlog zijn de belangrijkste onderwerpen van hoofdstuk 10. In hoofdstuk 11 onderzoek ik het veranderde Europa in de nasleep van de aanval op New York in 2001 en de oorlogen in Afghanistan en Irak daarna. Ten slotte bestudeer ik de opeenvolgende crises die Europa sinds 2008 hebben getroffen en die bij elkaar neerkomen op een serieuze algemene crisis van het Europese continent.

In de Epiloog richt ik me van het verleden op de toekomst, zowel op de vooruitzichten voor de korte termijn als op de problemen voor de lange termijn die Europa in een nieuwe periode van onveiligheid het hoofd moet bieden. De afdaling in de hel eindigde op positieve toon. Toen Europa tussen 1945 en 1949 de ramp van twee wereldoorlogen te boven kwam, waren de tekenen van een betere toekomst duidelijk zichtbaar – zij het overschaduwd door de kernbom die beide supermachten bezaten. Het slotstuk van dit boek is ambivalenter – zeker wat de toekomst van Europa op de lange termijn betreft.

Alles kan snel veranderen. Geschiedschrijving ook. In het begin van de jaren negentig schreef Eric Hobsbawm vanuit een sombere kijk op de langdurige crisissituaties die dreigden en legde hij in zijn pessimistische conclusie nadruk op de vernietigende kracht van het kapitalisme. Maar de meeste analisten hadden een veel positiever oordeel over de recente Europese geschiedenis. Een aantal belangrijke studies over de twintigste eeuw van rond de millenniumwisseling waren uitgesproken optimistisch van toon. Mark Mazower noemde ‘de internationale vooruitzichten vreedzamer dan ooit’. Richard Vinen had het over ‘een periode van gezonde financiën’. Harold James sprak over de ‘vrijwel volledige triomf van democratie en kapitalisme’ (al dong hij daarop af door te wijzen op de toegenomen ontgoocheling daarover) en zag globalisering vrijwel uitsluitend positief als ‘het herstel van een internationale gemeenschap, cultuur en economie (“globalisering”)’. Ontwikkelingen in de nog jonge eenentwintigste eeuw zouden vraagtekens kunnen oproepen bij die positieve beoordelingen.
Ook het gezaghebbend werk van Tony Judt, voltooid kort na de millenniumwisseling, eindigde in grote lijnen optimistisch. ‘Het nationalisme was grotendeels verleden tijd.’ En de laatste zin uit zijn boek luidde: ‘De eenentwintigste eeuw zou weleens die van Europa kunnen zijn.’ Gezien de wanorde vanaf 2008, de opkomst van nationalistische en xenofobe partijen in veel landen, de uitdagingen op de lange termijn waar Europa voor staat en de schijnbaar onstuitbare opkomst en invloed van China als wereldmacht, lijken deze veronderstellingen uiterst dubieus.
Verandering op de korte termijn is uiteraard zeer onvoorspelbaar. De toekomstige situatie van Europa – dat zich nog steeds in een achtbaan bevindt – kan snel achter elkaar omhoogschieten en omlaag duiken.

Momenteel (najaar 2017) zijn de voorspellingen beter dan nog maar enkele maanden geleden, al blijft de glazen bol troebel. Verandering op lange termijn is een andere zaak. Op dat punt zijn de problemen waar Europa (en de rest van de wereld) voor staat overweldigend. In de komende decennia vormen de klimaatverandering, demografische ontwikkelingen, de energievoorziening, massale migratie, multiculturele spanningen, automatisering, de steeds diepere inkomenskloof, de internationale veiligheid en de risico’s op een mondiaal conflict grote uitdagingen. Het is moeilijk te zeggen hoe goed Europa is toegerust om deze het hoofd te bieden. De manier waarop die problemen moeten worden aangepakt en de toekomst van het continent gestalte moet krijgen ligt niet helemaal maar toch voor een groot deel bij de Europeanen zelf. In gevaarlijke wateren kan een konvooi schepen maar het best dicht bij elkaar blijven en niet uit elkaar drijven. Dat betekent dat de sinds de oorlog geleidelijk opgebouwde eenheid, samenwerking en eensgezindheid, hoe onvolmaakt ook, verder dienen te worden uitgebouwd en versterkt. Met goed stuurmanschap zal iedereen de gevaarlijke route kunnen afleggen naar een veiliger kust. Het was een zware opgave om de geschiedenis van mijn eigen tijd te schrijven. Maar het gaf me ook veel voldoening. Ik heb ongelooflijk veel geleerd over de gebeurtenissen en veranderingen die mijn leven hebben gevormd. Uiteindelijk heb ik een beter inzicht gekregen in hoe mijn eigen continent is gekomen waar het nu staat. Dat maakte voor mij deze hele onderneming op zich al de moeite waard. En wat de toekomst betreft: op dat punt zijn de voorspellingen van een historicus niet beter dan die van wie ook.’
 

WAAR DE WIND WAAIT

Ik ga u een brok no-fictie inlokken door de zin op de voorzijde omslag door te geven. Door de tekst van de uitgever op de cover over te nemen om het thema te vatten. Door integraal de eerste vijf bladzijden aan te reiken om u de smaak te doen proeven. Ik vraag uw aandacht voor de 352 bladzijden tellende paperback Waar de wind waait van Nick Hunt en uitgeverij Thomas Rap met de ondertitel ‘Een eigenzinnige reis door Europa’. Hoe de wind ook deze winter gaat waaien met dit boek zit u uit de wind, in de luwte. Mathijs Deen, van wie wij onlangs het meeslepende werk Over oude wegen van gedachten wisselden zegt op de cover: ‘Een boek dat je de adem beneemt’. En de uitgever debiteert ook op de cover: ‘Nick Hunt was nog maar zes jaar oud toen zijn moeder hem meenam naar een eiland voor de kust van North Wales. Daar stak een storm op die vat kreeg op zijn veel te grote windjack. Gelukkig kon zijn moeder hem nog net op tijd vastgrijpen: het scheelde weinig of de kleine Nick was opgestegen. Sindsdien is Nick Hunt gefascineerd door wind. Te voet trok hij door gebieden van Europa waar land en mensen zijn gevormd door de wind. De mistral in Zuid-Frankrijk, de föhn in de alpen, de bora in Kroatië, de helm in Noord-Engeland, de tramontane in de Pyreneeën, de meltemi in Griekenland; Nick Hunt doorkruiste het continent van oost naar west en van noord naar zuid, op zoek naar de plekken waar de wind een onuitwisbare invloed heeft. Waar de wind waait is niet alleen een reisboek en een cultuurgeschiedenis, het is ook een eigenzinnige en meeslepende kennismaking met het Europese continent.’ 

Nick Hunt begint zijn proloog met de titel ‘Van mijn sokken geblazen’ aldus: ‘Het was in 1987, toen de Britse eilanden werden getroffen door de Grote Storm, dat de wind me voor het eerst bijna van mijn sokken blies. Ik was zes jaar oud. Het gebeurde op de berghelling van de Ynys Enli, het heilige eiland voor de kust van Noord-Wales, waar mijn moeder me elk jaar mee naartoe nam om vrijwilligerswerk te doen voor de lokale natuurbescherming en ’s nachts de zeehonden te horen zingen. Nu zaten we daar vast vanwege de storm, want de wekelijkse veerdienst was geannuleerd. Er was geen winkel op het eiland en onze voedselvoorraad nam af; ik heb levendige herinneringen aan mijn moeder die in de gloed van een petroleumlamp een konijn probeerde te villen, die de boer had geschoten voor een stoofpot. Ik weet nog dat ik naar het privaat moest in de tuin en mezelf onderweg tegen de muur van de boerderij aan drukte, bang dat neerstortende dakpannen me de hersens zouden inslaan als ik me te ver daarbuiten waagde. Maar wat ik me vooral herinner is dat ik op de berghelling stond, de wind zich meester maakte van mijn opbollende jas – die veel te groot voor me was – en mijn voeten daadwerkelijk van de grond kwamen, totdat mijn moeder naar mijn benen greep en me weer terug op aarde zette. Later moesten we daarom lachen. Het werd een van de vele verhalen. Kon de wind me echt hebben weggeblazen over de met schuim bevlekte Ierse zee? Ik weet het niet, maar vanbinnen heb ik jarenlang stiekem gewenst dat het zo gelopen was en ik stelde me voor dat ik door de lucht was meegevoerd naar Ierland, Frankrijk, waar de wind waait Amerika, IJsland, het Noordpoolgebied of een van die andere prachtige oorden die de wereld voor mij in petto had. Ik was maar een klein stukje van de grond gekomen. Toch voelde het een beetje als een zegening. De wind had weliswaar vat op me gekregen, maar ik ben geen zweefvlieger, windsurfer, paraglider of windturbinebouwer geworden. Als ik wilde vliegeren, eindigde dat meestal met een hopeloze kluwen draad. Ik ben geen meteoroloog geworden, iemand met wetenschappelijke inzichten in het weer, zoals dit boek ongetwijfeld maar al te duidelijk zal maken. Maar ik werd wel iemand met de drang om te reizen, en liefst te voet, wat je de kans geeft routes te volgen die niet worden gedicteerd door wegen of spoorlijnen, routes die op geen enkele kaart staan vermeld, of helemaal geen routes: om vrijelijk rond te dwalen en je te verbazen, overal waar die voeten je heen voeren. Toch gehoorzaamt elke reis aan een zekere logica, zelfs als die onzichtbaar is.

Ik ben tot het besef gekomen dat we op al onze reizen een spoor volgen, of het nu gaat om een kustlijn, een oude migratieroute, een handelsroute, een grens of de voetstappen van een ander. Als ik de reisafdeling van een boekwinkel overzag, had ik het idee dat elk denkbaar spoor al was gevolgd. Er leken geen routes meer te bestaan die nog nooit waren betreden. Maar op een dag zag ik een kaart met routes die ik nog niet eerder had gezien. Het was een kaart van Europa, getransformeerd met kleurige lijnen, klauwende pijlen als van plunderende troepenmachten die door grenzen heen braken, over land en zee, en een band creëerden tussen streken en culturen die ik nooit met elkaar in verband had gebracht: Latijnse en Slavische landen, continentale streken en kustgebieden, Noord-Afrika en Zuid-Europa. Die mysterieuze doorgaande routes droegen namen die net zo verleidelijk klonken als de zijderoute of de Camino de Santiago: de Mistral, de Tramontana, de Föhn, de Sirocco, de Bora. Eentje daarvan lag zelfs in Noord-Engeland, met een wat stroevere naam: ‘de Helm’. Het waren de routes van streekwinden die op bepaalde momenten van het jaar met een onvoorstelbare kracht huishielden, normaal gesproken rond de wisseling van de seizoenen, zoals de overgang van de winter naar de lente, en wat mij interesseerde was dat ze op allerlei terreinen van invloed leken, van de architectuur tot de psychologie. Het feit dat deze onzichtbare krachten een naam hadden en niet eenvoudig naar de windrichting waren genoemd, bood hun een zekere allure, of zelfs iets van een eigen persoonlijkheid. Ze klonken als personages die ik kon opzoeken. Die kronkelende, priemende pijlen leken me te wijzen op routes die ik kon volgen, paden die nog niet waren betreden. Zodra ik die kaart zag wist ik: ik zou de wind achternagaan. Maar waar komt de wind vandaan en waar gaat hij heen? Kun je eigenlijk wel zeggen dat hij ergens ‘heen’ gaat, op de manier van een wandelaar of een weg die van A naar B loopt? En zo ja, wat gebeurt er met hem als hij daar is aangekomen?

Wat ís wind eigenlijk? Alvorens die vraag te stellen kun je beter een fundamentelere vraag stellen: wat is lucht? Ik schaam me ervoor om het te moeten bekennen, maar voor ik aan dit boek begon ging ik ervan uit – zoals velen, vermoed ik – dat lucht eigenlijk niets is, dat het niet op dezelfde manier bestaat als aarde en water. Ik zag het als een afwezigheid, een vacuüm dat ergens mee moest worden gevuld, dus het kwam als een verrassing toen ik ontdekte dat lucht wel degelijk van zichzelf iets is. Lucht is een gas, of een mengeling van gassen: voornamelijk stikstof en zuurstof, met kleine hoeveelheden koolzuurgas, argon en waterdamp. Zoals elk gas is het samengesteld uit moleculen, die zijn opgebouwd uit atomen. Lucht is dus niet alleen een vaste stof, maar heeft ook een zeker gewicht – dat was mijn volgende ontdekking – en de juiste term om dat gewicht, die opeenhoping van miljarden moleculen, mee te omschrijven is ‘luchtdruk’. Zoals de druk op de bodem van de zee hoger is dan aan het oppervlak, vanwege de watermassa die erop rust, zo is de luchtdruk hoger naarmate je dichter bij de grond komt, omdat er een groter gewicht op rust, en op grotere hoogte is dat gewicht dus minder en de druk lager. Luchtdruk is temperatuurafhankelijk: bij warm weer stijgt de lucht op en creëert een lagedrukgebied, en bij kou daalt hij neer, met het tegenovergestelde effect. Als naburige ‘luchtkavels’ in druk uiteenlopen, moeten ze met elkaar in overeenstemming worden gebracht en dus wordt de lucht uit een hogedrukgebied gedwongen door te stromen naar een lagedrukgebied om het evenwicht te herstellen. Het is eerder een kwestie van zuigen dan van blazen: dat was mijn derde ontdekking. Of tenminste, zo luidt het antwoord in onze cultuur. Andere culturen kwamen met andere antwoorden, verhalen die net zo grillig en gevarieerd waren als de wind zelf.

De oude Grieken positioneerden de wind aan het begin van de tijd: toen de godin Eurynome, moeder van alles, naakt uit de Chaos verrees en een scheiding creëerde tussen de zee en de lucht werd die lucht door haar dans in beweging gebracht en creëerde ze de noordenwind, ofwel de slang Ophion (en in een latere incarnatie de god Boreas). Eurynome copuleerde met deze slingerende, kronkelende slang van de wind en later, in de gedaante van een duif, legde ze het universele ei waaraan al het leven ontsprong. Wind en leven: die twee zijn op het diepste niveau van de taal met elkaar verbonden. De woorden voor ‘wind’, ‘adem’ en ‘geest’ zijn in vele talen aan elkaar gelijk, zoals ruach in het Hebreeuws en ruh in het Arabisch. Van het Griekse woord voor wind, anemos, is het Latijnse anima afgeleid, ‘ziel’, de kracht die bezielt of het leven schenkt aan ademende schepsels: dieren. Een ander Latijns woord, spirare, dat ‘ademen’ of ‘blazen’ betekent, lag aan de basis van de woorden spirit en respiration in het Engels. Bij de Grieken, zegt schrijver en vertaler Xan Fielding, ‘werden zachte briesjes vroeger zoogonoi genoemd, “verwekkers van leven”, en psychotrophoi, “voeders van zielen”; en de mythische voorouders van het menselijk ras die in Athene werden aanbeden (…) waren behalve voorouders ook wind-geesten, adem en ziel tegelijk.’


VRAGEN DIE IK KREEG OVER DE HOLOCAUST

Een schrijnend maar ook bemoedigend, een mensonterend maar bij tijd en wijle verheffend boek leg ik voor u neer, dat een bijzondere aanvulling is op de vele werken die ik bij u mocht introduceren. Sinds ik in de jaren vijftig met vader en broer de half uur durende documentairefilm ‘Nacht und Nebel’ in de bioscoop Rex gezien heb, blijf ik met vragen omtrent de vervolging van de Joodse landgenoten zitten. Hoe kon dit alles zo maar gebeuren? Ik las heel werken over de Shoah en de voorbije decennia deed ik u in deze rubriek de leesverslagen. Maar afdoende antwoorden werden niet mijn deel. Tot ik vorige week  het 144 bladzijden tellende, kostbare kleinood Vragen die ik kreeg over de Holocaust van Hedi Fried en Atlas Contact tot mij mocht nemen. Het wezenlijke van dit vraag- en antwoordboek is dat het hoofdpersonage de hel van de nazi’s doorstaan heeft. Ik geef u de tekst van de omslag om u de context te geven en reik alle vragen aan die aan Fried gesteld werden. Over een week geef ik enkele antwoorden aan u door.

Atlas Contact: ‘Hédi Fried (1924) is schrijver en psycholoog. Ze werd geboren in Sighet, Roemenië. Na haar bevrijding uit Auschwitz ging ze in Zweden wonen. Sindsdien zet ze zich in voor de democratische waarden en de bestrijding van racisme. Daarvoor werd ze bekroond met onder meer de Zweedse Vredesprijs, de Yad Vashemprijs en de Orde van Verdienste van de Bondsrepubliek Duitsland. In Vragen die ik kreeg over de Holocaust beantwoordt Auschwitz-overlevende Hédi Fried vragen die ze kreeg over de Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Fried reist al ruim dertig jaar langs middelbare scholen en universiteiten om over de Holocaust, antisemitisme en racisme te vertellen. In dit belangrijke boek beantwoordt ze de vragen die haar gesteld werden en die haar het meest bij zijn gebleven. Op openhartige, indringende en levenslustige wijze vertelt Fried over de dag dat haar familie werd gedeporteerd uit haar geboortedorp, over de tijd in het kamp en het leven daarna.’


De aan Hédi Fried gestelde vragen:
 
Wat is het ergste wat u hebt meegemaakt? 
Waarom haatte Hitler de Joden?
Hoe leefden jullie voor de oorlog? 
Wanneer besefte u dat uw gezin in gevaar was?
Hoe was het mogelijk dat een heel volk Hitler steunde?
Waarom boden jullie geen verzet?
Wat herinnert u zich van uw aankomst in Auschwitz?
Wat betekende het voor u dat uw zus ook in het kamp zat?
Hoe was het kampleven?
Hadden jullie de hele tijd honger? 
Welke talen werden er in Auschwitz gesproken?
Hoe hebt u het overleefd?
Was er saamhorigheid in het kamp?
Hoe was het om vrouw te zijn in het kamp? 
Hoe was het om ongesteld te zijn? 
Werden jullie verkracht?
Was u bang voor de dood?
Wat hadden jullie aan?
Waren jullie wel eens ziek? 
Waren er ook aardige SS’ers?
Droomde u ’s nachts in het kamp? 
Wat was het beste wat u in het kamp hebt meegemaakt?    
Wanneer drong het tot u door dat er sprake was van genocide?
Hoe stelde u zich uw leven na de oorlog voor?
Hoe is het met uw zus afgelopen?
Hoeveel mensen uit uw woonplaats hebben de oorlog overleefd?
Juichte u toen u bevrijd werd?
Waarom koos u voor Zweden?
Hoe werden jullie in Zweden ontvangen?
Was het moeilijk om u aan te passen aan het leven in Zweden?
Hoe hebt u uw trauma’s verwerkt?
Hoe bent u ertoe gekomen om lezingen te gaan geven?
Voelt u zich Zweeds?
Herkent u zich in de vluchtelingen van nu?
Bent u wel eens lastiggevallen door neonazi’s?
Haat u de Duitsers?
Hebt u wel eens een dader gesproken?
Kunt u vergeven?
Bent u wel eens terug geweest in uw geboorteplaats?
Hoe vaak denkt u nog aan de tijd in het kamp?
Hoe voelt het om oud te worden? 
Gelooft u na dit alles nog in God? 
Wat kan de school eraan bijdragen dat zoiets nooit meer gebeurt?
Hoe ziet u de toekomst? 
Wat kunnen we leren van de Holocaust?


TIEN TIPS VOOR DE SINT (3)

Sint Nicolaas gaat sinds vorige week zaterdag weer op tournee door ons land, waar hij als goedheiligman zo graag zijn jaardag viert. Sint geeft bij voorkeur goede boeken cadeau en om de baas uit Spanje wat te gerieven reik ik hem opnieuw een lijstje aan, waarop tien werken via de tekst op de omslag bij de heilige en ons hun opwachting maken. Ik wil na 5 december gaarne van u vernemen hoe de bisschop bij u uitgepakt heeft. Wisselen wij dan onze leeservaringen met elkaar uit. Nu titel, auteur, ondertitel of genre en uitgever. De laatste krijgt via de tekst op de omslag het woord.

1) Het grote Geschiedenisspel – Een superieur spel over spannende tijden - Scala leuker leren –
Superleuk spel over spannende tijden. Geschiedenis als een spannend spel, waarmee kinderen (en hun ouders) spelenderwijs de belangrijkste stof van de basisschool oefenen. Zeer compleet spel met prachtig geïllustreerd dubbelzijdig spelbord, diverse spelmateriaal en 600 vragen, antwoorden en uitleg over onze geschiedenis. Leeftijd: 9-99 jaar Speelduur: flexibel. Voor 2-4 spelers of teams

2) Op zoek naar Stella – Gerda den Dooven – Querido
In het eerste, bekroonde boek over Stella wordt ze per ongeluk door haar ouders gevonden. Ondanks hun goede zorgen vertrekt Stella naar een onbekend land waar ze zich meer thuis voelt. Haar ouders missen haar verschrikkelijk en besluiten haar te zoeken. Het wordt een moeilijke tocht over diepe zeeën, door weer en wind en langs vreemde wezens. Zijn ze reizigers of vluchteling? Zullen ze Stella vinden? En wil zij wel terug naar huis komen?

3) Bijbelse miniaturen – Carel ter Linden – Over Adam en Eva, Kain en Abel, Noach, Abraham, Mozes, David, Het Hooglied, Jona en jezus – De Arbeiderspers
Hoe de Bijbel ons dagelijks leven nog steeds raakt – en wat we daarmee kunnen doen Bijbelse verhalen zijn van grote invloed geweest op onze cultuur, meer dan veel mensen beseffen. Ze zijn niet het exclusieve bezit van de kerk, maar behoren tot het cultureel erfgoed van onze samenleving. In Bijbelse miniaturen laat Ter Linden op een boeiende en verrassende manier de verborgen boodschappen zien van deze oude verhalen, die hun betekenis voor ons leven en de wereld van vandaag nergens verloren hebben.

4) De Grote Boze Vos – Benjamin Renner – Strip – Scratch
Wie is er bang voor de Grote Boze Vos? Niemand, lijkt het wel. De kippen die hij probeert op te eten geven hem een grote mond en jagen hem de boerderij af. Zelfs de wolf kan hem niet trainen om net zo Groot en Boos te worden als hij. Net als de vos zich erbij heeft neergelegd dat hij de rest van zijn leven knolletjes zal eten, bedenkt de wolf een nieuwe strategie: als de vos een nest eieren steelt en die uitbroedt, kunnen ze straks een heleboel kippen eten! Het plan loopt gesmeerd, tot de vos ontdekt hoe lastig het is om een kuikentje op te eten als het "mama' tegen je zegt…

5) Stephen Florida – Gabe Habash – Roman – Nieuw Amserdam
Stephen Florida is worstelaar op een college in North Dakota. Het enige wat voor hem telt is het winnen van de titelbeker. Elke training, elke wedstrijd is een stap dichter bij de top en een stap dichter bij de waanzin. Met zijn onweerstaanbare stem neemt Stephen Florida je mee in dit claustrofobische verhaal over eenzaamheid, obsessie en de drang naar succes. "Stel je voor: binnen in je zit een kleine harde perzikpit met een nummer erin gekerfd, en dat nummer is de leeftijd waarop je op je best bent. Continu lopen mensen te zeiken dat ze niet of niet meer op hun innerlijke leeftijd zitten. Ik niet. Dit zijn mijn topjaren. Ik ben een motherfucking astronaut.'

6) Tot hier en nu verder – Cees van Lothringen – Nederland op de drempel van een nieuwe tijd – Writers United
Een stip op de wereldkaart, meer is het niet. En toch is Nederland al 400 jaar één van de meest succesvolle landen ter wereld. Wat is het geheim? En hoe wordt voorkomen dat deze succesformule uitgewerkt raakt? Cees van Lotringen duikt in 'Tot hier en nu verder, Nederland op de drempel van een nieuwe tijd' zowel in de nationale- als in zijn eigen (familie)geschiedenis om hierop een antwoord te geven. Hij beschrijft de langdurige karaktertraining die aan de Gouden Eeuw heeft bijgedragen en vergelijkt deze met de huidige naoorlogse periode van vrede, stabiliteit en hoge welvaart. Maar net als toen wordt deze bloeiperiode ook nu bedreigd door een combinatie van sterk toenemende kans- en inkomensongelijkheid, moreel verval en veranderende machts- en krachtsverhoudingen in de wereld, Nederland staat op de drempel van een nieuwe, revolutionaire tijd, één waarin ons eeuwenoude wereldbeeld op de schop gaat.

7) Patricia – Peter Terrin – Roman – De Bezige Bij
Astrid is een succesvolle eventmanager van negenendertig. Juist wanneer haar baan en het moederschap haar even te veel worden, valt haar iPhone in het bad van haar zoontje. Voor de buitenwereld, die haar voortdurend opeist, is ze plots onbereikbaar, als van de aardbol
verdwenen. Ze doet het ondenkbare: ze loopt het huis uit, start haar auto en rijdt weg uit de villawijk. Op de snelweg komt ze bij haar positieven en wordt ze bevangen door paniek. Ze haast zich terug, voordat haar vijfjarige zoontje Louis iets overkomt. Maar wanneer de auto van haar man David onverwacht voor het huis blijkt te staan, durft ze zich niet te vertonen. Vanaf dat moment zoekt ze angstvallig een weg terug naar haar eigen leven. Patricia is een fascinerende roman die de lezer van begin tot eind in spanning houdt. In beheerste zinnen vertelt Peter Terrin over een vrouw in crisis, die alles wat ze over zichzelf meende te weten in twijfel moet trekken.

8) Het Amusement – Brecht Evens – Persoonlijke impressie – Oogachtend
De grote stad als een decor voor verloren zielen. In Het Amusement volgen we de twintigers Rodolphe, Jona en Victoria in een nacht waarin elk van hen ontspoort in een roes van vrienden, drank en demonen uit het verleden. Elk lijkt te balanceren op de rand van een existentiële crisis, waarbij alleen de nabijheid van de stad ze nog op de been lijkt te houden. Brecht Evens' handschrift ontspoort met elk van de verhalen mee, waarbij de karakters soms niet meer zijn dan vlekken van kleur. Het boek is een ervaring, waarbij beeld en tekst in elkaar over vloeien, op een manier zoals alleen Evens dat kan. Drie twintigers. De exuberante, paradijselijke grootstad ligt aan hun voeten. Maar Rodolphe zit opgesloten in zijn hoofd, Jona wordt ingehaald door zijn kwalijke reputatie en Victoria wordt beteugeld door een cordon bezorgde vrienden. In deze pulserende mozaïek kruisen ze elkaar, in taxi, restaurant en discotheek, één zwoele zomernacht lang.

9) De nadagen – A. N. Ryst – Roman – Querido
Die avond sprak hij over de pil van Drion. "Jazeker,' zei hij, "ja, dat vind ik een oplossing. Voor als het niet meer gaat.' "Hè ja,' zei mijn moeder. "Lekker. En ik dan?' Mijn vader haalde zijn schouders op. "Je stopt mij maar onder de grond. Alles is geregeld.' "Wou je hem in je nachtkastje leggen?' vroeg mijn moeder.  "Waarom niet,' zei mijn vader. Ze waren even stil. Klagend schuurde de bries rondom het huis. "Tja,' zei mijn moeder. "Nou ja, als je het zo bekijkt... Misschien zou ik die pil dan ook moeten hebben.' Mijn vader reageerde met een kort, haast jongensachtig lachje. "Als jij hem neemt,' zei hij, "dan hoef ik hem niet meer.' Haak en Juan Ellerts de Wit wonen in een afgelegen huis in Friesland. Hun zoon Niek beschrijft met verve en compassie de laatste jaren van hun huwelijk: een emotionele periode van confrontaties, van herinneringen en van afscheid, omlijst door het woeste land waarin zij zich, ooit, hadden teruggetrokken. De nadagen is een monument voor de verloren tijd; een ontroerende, bevlogen en geestige vertelling over het onvermogen van mensen om elkaar te bereiken – over wat vergankelijk is, en over dat wat blijft.

10) Gordel van geweld – Art de Vos – Overleven in Indië, een familiekroniek – Scriptum
 Een jongeman uit Ede ontvlucht in 1932 de crisis in Nederland en wordt soldaat in Nederlands-Indië. Hij vindt daar zijn vrouw, wordt vader en neemt zich voor om "uitmuntend militair' te worden. Dan vallen in 1942 de Japanners aan en stort het trotse Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) in. Het is het begin van een chaotische, gewelddadige periode waarin man en vrouw elkaar uit het oog verliezen. Vader verricht dwangarbeid aan de Birmaspoorlijn, moeder en kinderen overleven ternauwernood de Jappenkampen. Uiteindelijk, na veel omzwervingen, vindt een moeizame gezinshereniging plaats op het idyllische eiland Billiton. Maar de strijd gaat door: vader neemt deel aan het keiharde Nederlandse militaire antwoord op de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. Na de verloren koloniale oorlog keert het gezin omstreeks 1950 berooid terug naar Nederland, dat bepaald niet op hen zit te wachten. Via onderluitenant Henk Navest, infanterist bij het koloniale KNIL, en zijn vrouw Trijntje met hun kinderen Ab en Ceel, krijgt de lezer een inkijkje in een bewogen leven. Aan de hand van familieverhalen, achtergehouden patrouilleverslagen en unieke dagboekaantekeningen reconstrueert Art de Vos het leven van Henk en Trijntje Navest en hun familieleden. De gebeurtenissen in dit meeslepende familieverhaal trekken diepe sporen in de karakters van de hoofdpersonen: zij waren tegelijkertijd getuige, slachtoffer én partij in dit zwarte hoofdstuk in onze vaderlandse geschiedenis.
 
 

               

CULTUURMIX 19 NOVEMBER 2018

Papendrecht 19-11-2018

DE VORM VAN VRIJHEID
 
De naam van de auteur noemen met de mededeling dat hij onlangs weer een boek het licht deed zien, is de optimale reclame voor de nieuweling. Ik wil u doen proeven van een brok proza met de intentie dat u de smaak van het geheel te pakken krijgt. Het gaat om de paperback De vorm van vrijheid van Paul Scheffer en De Bezige Bij. Ik geef u nu de eerste pagina’s van het beginhoofdstuk ‘Wraak van de geografie’ en laat dit voorafgaan door de tekst van de uitgever op de omslag. De volgende keer loop ik met u hier door ‘Woord vooraf’, dat de titel draagt van ‘Grensverkenningen’.
De Bezige Bij: ‘Al sinds Paul Scheffer op achttienjarige leeftijd voor de Berlijnse Muur stond is hij geïntrigeerd door grenzen en denkt hij na over de waarde en betekenis ervan. Naar aanleiding van de vluchtelingencrisis, het vertrek van de Britten uit Europa en de muur die Trump wil bouwen aan de Mexicaanse grens, heeft Scheffer zijn ideeën geordend en verder uitgewerkt. Voor hem bestaat er geen vrijheid zonder vorm: een open samenleving kan niet functioneren zonder een grens. Dat is de enige manier om burgerrechten en solidariteit te garanderen. Gebruikmakend van geschiedenis, filosofie, geografie en sociologie analyseert Scheffer hedendaagse problemen als migratie, protectionisme en terrorisme. Daarbij trekt hij ferme conclusies over de toekomst van Europa. De vorm van vrijheid is een actueel en urgent boek over een van de grote vraagstukken van onze tijd: de omgang met grenzen.

Paul Scheffer: ’Ontdekking van de wereldburger - Erasmus merkt in ‘Vrede’s weeklacht’ (1517) op dat de meest futiele aanleidingen worden gebruikt om tweedracht te zaaien: ‘De Engelsen verachten de Fransen om geen andere reden dan omdat ze Fransen zijn. Men heeft een hekel aan de Schotten, omdat ze Schotten zijn. De Duitser ligt overhoop met de Fransman en alle twee bestrijden ze de Spanjaard. Wat kan er slechter zijn dan volken die elkaar bestrijden alleen omdat ze andere namen hebben? Er zijn zoveel zaken die hen tot elkaar zouden moeten brengen. Waarom zijn ze als mensen niet welwillend tegenover hun medemensen?’ Hier herkennen we een kosmopolitisme dat de mensheid wil omarmen en nationale, religieuze of etnische verschillen van ondergeschikt belang acht. Daarmee is het kosmopolitisme ook altijd een pacifisme, namelijk een principieel pleidooi om door het overbruggen van verschillen duurzame vrede voort te brengen. Dat is een belangrijke en ook omstreden traditie in het Europese denken, die we hier vooral zullen bespreken aan de hand van de filosofen Desiderius Erasmus en Immanuel Kant. Door te beginnen met deze kleine ideeëngeschiedenis wil ik duidelijk maken hoe lang de aanloop is geweest naar een gelijkheidsideaal dat voorbij grenzen wil reiken. Het blijkt niet vanzelf te spreken om het algemeen menselijke voorop te stellen. Integendeel: de Fransen, Duitsers en Spanjaarden – om maar te zwijgen van de Schotten – hechten veel betekenis aan hun eigenheid. Deze omweg in de filosofie is ook van belang omdat we zullen zien hoezeer denkers als Erasmus en Kant in weerwil van hun kosmopolitische uitgangspunten gevangen waren in vooropgezette ideeën met een religieuze of nationale strekking.

Wie nadenkt over de zeggingskracht van het kosmopolitisme en pacifisme van Erasmus en Kant voor het hedendaagse Europa, vraagt om moeilijkheden. Hoe overbrug je al die eeuwen, wat kan hun denken voor ons betekenen? Erasmus en Kant waren kinderen van hun tijd, maar tegelijk waren ze hun tijd ver vooruit. En misschien helpen die tegenstrijdigheden ons verder: hun bevangenheden kunnen onze blik verruimen. Het beginpunt van het denken over de wereldburger ligt in de klassieke wereld. Filosofen als Plato en Aristoteles vatten de polis nog op als een beperkte kring van burgers. Lang niet iedereen die in de stad leefde, kon aanspraak maken op het burgerschap – slaven, vrouwen en residerende vreemdelingen vielen buiten de gelijkheid. Dat burgerschap werd ook nog eens scherp afgebakend tegenover de ‘barbaren’ van buiten. Het gelijkheidsideaal dat in Athene werd geformuleerd, kan dan ook niet worden gezien als een directe voorloper van een idee over menselijke gelijkwaardigheid. Een principiële opvatting over wereldburgerschap treffen we pas aan bij latere stromingen in de klassieke filosofie, vooral bij de stoïcijnen in de derde eeuw voor Christus. In de woorden van de grondlegger Zeno: ‘Onze levenswijze moet niet gebaseerd zijn op steden en districten, ieder met zijn eigen rechtsregels.’ We moeten zo leven dat ‘we alle mensen als onze medeburgers en buurtgenoten beschouwen’. In het werk van onder meer Seneca en Marcus Aurelius is die houding verder ontwikkeld. Bij de stoïcijnen is het kosmopolitisme een ethische theorie die zich baseert op het idee dat mensen worden verbonden in een gemeenschappelijke rationaliteit. Die rede is vooral gelegen in het vermogen om morele oordelen te vellen. Dat verenigt mensen ongeacht de plek waar ze geboren zijn.

In beginsel zijn alle burgers onderdeel van een morele gemeenschap die geen grenzen kan kennen. Zo’n wereldburgerschap is goed te verzoenen met het burgerschap in een specifieke stad of staat.
Dat is de uitleg die denkers als Marcus Aurelius aan het kosmopolitisme geven. In zijn meditaties schrijft hij: ‘Als wij mensen het denken gemeen hebben, is ook de rede, waardoor we redelijke wezens zijn, iets gemeenschappelijks. Dan is ook de rede die voorschrijft wat wel en niet gedaan mag worden gemeenschappelijk. Als dat zo is, is ook de wet gemeenschappelijk. Dan zijn wij allen burgers. Als dat zo is, maken wij deel uit van een bepaalde staatsgemeenschap. Dan is de kosmos als het ware een staat, want van welke andere staatsgemeenschap kun je zeggen dat alle mensen er deel van uitmaken.’ Volgens de stoïcijnen zijn de relaties van mensen opgebouwd uit concentrische cirkels die reiken van het meest nabije, zoals de familie, tot het meest universele. Bij dat wereldbeeld hoort het vermogen om je te verplaatsen in anderen, hoe vreemd of zelfs vijandig die ook kunnen zijn. De onderlinge afhankelijkheid en verbondenheid van mensen nodigen uit tot empathie, volgens Marcus: ‘De redelijke wezens staan, in hun gescheiden lichamen, in dezelfde verhouding tot elkaar als binnen de eenheid van het lichaam de ledematen, want ook zij zijn geschapen voor eenzelfde gemeenschappelijke werkzaamheid.’

Onze loyaliteit moet voor alles betrekking hebben op de gehele mensheid. Het toeval van de geboorte heeft geen morele betekenis: ieder mens heeft, wat ook zijn herkomst is, in gelijke mate recht op respect. Om nogmaals Marcus aan te halen: ‘De plaats maakt immers niets uit, omdat je overal als burger in de kosmos kunt leven.’ Het zou lang duren voordat deze gedachten in Europa een brede weerklank vonden. Na de klassieke tijd vormt de renaissance een volgend belangrijk moment voor het kosmopolitisme als ideaal. Meer in het bijzonder is het werk van de humanist Erasmus van betekenis. Achter zijn bijtende woorden over de Engelsen, de Duitsers en de Fransen schuilt een principiële keuze: wat mensen verenigt is vele malen belangrijker dan wat hen in nationale of religieuze zin doet verschillen. Dat was een groot idee aan het begin van de zestiende eeuw op een continent dat al door godsdienstige twisten was verscheurd en na de Reformatie in een religieuze oorlog verzeild raakte.
Bij nadere beschouwing is Erasmus’ bekentenis tot het wereldburgerschap beperkter. De vrijzinnige denker moest namelijk nogal manoeuvreren om zijn onafhankelijkheid veilig te stellen; zijn kosmopolitisme had een ronduit diplomatieke kant, was ook een soort overlevingskunst. Dat blijkt overduidelijk uit zijn brieven, waarin hij zich – zo concludeert Jan Papy – regelmatig bedient van gelegenheidsargumenten: ‘Erasmus had er geen moeite mee zich Duitser in Duitsland, Zwitser in Zwitserland of Engelsman in Engeland te noemen.’ Dat was vooral een gebaar naar het land waar hij op dat moment verbleef en een manier om de vrijgevigheid te stimuleren van de mecenassen van wie hij afhankelijk was. Wezenlijker is dat zijn kosmopolitisme beperkt bleef tot de christelijke wereld. Zijn afkeer van het nationalisme is ingegeven door de teleurstelling dat christenen met elkaar in conflict raken. Zo schrijft hij in de ‘Adagia’: ‘Een buur neemt de wapens op tegen een buur, een verwant tegen een verwant, een broer tegen een broer, een zoon tegen zijn vader en ten slotte, wat ik nog veel afschuwelijker vind, een christen bindt de strijd aan met een medemens of, wat ik er met tegenzin aan toevoeg omdat het volgens mij het afschuwelijkst van al is, een christen met een andere christen.’

Ook het pacifisme van Erasmus is beperkter dan het lijkt. Er is zelden zo hartstochtelijk tegen de oorlog geschreven. Erasmus put zich uit om de machthebbers ervan te doordringen dat oorlog het slechtste in de mens naar boven haalt en niets, maar dan ook niets met heldendom te maken heeft. Hij spreekt met walging over de in zijn ogen futiele aanleidingen om de wapens op te nemen. De verschrikkelijke gevolgen die dat heeft staan hem helder voor ogen. Maar ook in dit opzicht richt zijn appèl zich tot de christelijke vorsten en kerkleiders van zijn tijd. In 1523 schrijft hij aan Frans i, de koning van Frankrijk: ‘Zo moge eindelijk de tijd komen dat het evangelische geloof bij ons stevig is ingeburgerd en zeer wijd is verbreid, niet door andermans gebied binnen te vallen en het te plunderen – zo worden mensen armer, niet beter – maar door de evangelische leer overal door mensen met een evangelische geest te laten prediken.’ Hier lopen twee motieven door elkaar: aan de ene kant de wil tot bekering van allen die zich buiten de kring van het christendom bevinden en aan de andere kant het idee dat juist door het goede voorbeeld te geven de vijanden van het christendom worden teruggedrongen: ‘Nu slagen we er maar amper in wat van ons is tegen hen te beschermen, laat staan dat we hen op verre afstand kunnen houden. Hoewel: ik zag liever dat we hen op het juiste pad konden brengen dan dat we ze op verre afstand hielden. Hoe kunnen we anderen op het juiste pad brengen als we (vergeeft U me de uitdrukking) zelf haast verdorvener zijn dan zij?


DE AKTE VAN MIJN MOEDER

Een paar dagen terug kreeg ik een roman door de dame van de post aangereikt en toen ik het boek uit het pakketje had gevlijd, voelde ik meteen dat het om een geweldige uitgave ging. Mij bekroop de literaire sensatie iets bijzonders te gaan beleven. Het ging om de 336 bladzijden tellende paperback De akte van mijn moeder van de Hongaar Andras Forgach en uitgeverij Cossee. Ik nam het voorwerk tot mij en wist dat een goed boek mij ten deel was gevallen. Een dag later las ik in dagblad ‘Trouw’ een lovende recensie van Sofie Messeman met de titel ‘Eerbetoon aan foute ouders’ en met de ondertitel ‘Wanneer Andras Forgach ontdekt dat zijn moeder werkte voor de geheime dienst, moet hij zijn jeugd herschrijven.’ Het voorwerk. Op de rode wikkel om de roman staat ‘Internationale bestseller - Een moeder verraadt haar geliefde zoon als informante van de geheime dienst – ‘Andras Forgach moest ontdekken dat de dictatuur voor de val van het regime iedere avond met hem aan tafel zat. Hoogste tijd om de stoel onder haar kont weg te trekken.’, woorden van Konyves Blog. De flappen van de roman laten foto’s zien van het hoofdpersonage en suggereren dat het zogenaamde fictieve verhaal gebaseerd is op non-fictie. Op de ene flap staat een citaat uit het boek en dat ga ik straks in de context aan u doorgeven. Op de bladwijzer staat dezelfde annonce als op de wikkel. De andere flap vermeldt de personalia van de auteur. ‘Andras Forgach (Boedapest, 1952) is  een gerenommeerde Hongaarse schrijver, vertaler en beeldend kunstenaar. Tijdens het verzet tegen de Russen in de jaren zeventig en tachtig speelde hij een prominente rol.

De akte van mijn moeder is een groot succes in Hongarije en inmiddels een internationale bestseller.’ Op de achterzijde van de omslag staan woorden van Peter Nadas. ‘Een wonderbaarlijk goed boek, een boek vol pijn en catharsis, een monument voor een geliefde moeder en tegelijkertijd een woedend afscheid van haar. Een familiegeschiedenis die grondig herzien moet worden.’ Daaronder zegt Cossee: ‘De ontdekking sloeg in als een bom. Bijna dertig jaar na de val van het communistische regime in Hongarije komt András Forgách erachter dat zijn geliefde moeder van 1975 tot haar dood in1985 als ‘Mevrouw Pápai’ informatie aan de geheime dienst rapporteerde. Niet alleen over bekenden, maar ook over vrienden en zelfs over haar man en kinderen. Hoe kon Bruria Forgách, geboren Avi-Shaul, tegelijkertijd liefdevolle moeder, echtgenote, steun en toeverlaat én informant zijn. In De akte van mijn moeder beschrijft András Forgách het pijnlijke proces om de feiten en de tegenstrijdigheden boven tafel te krijgen. Wat dreef Bruria Forgách ertoe om alles over haar politiek andersdenkende zoon te rapporteren? Is er misschien ook zoiets als begrip voor haar verraad mogelijk, begrip voor haar dubbelleven vol zelfbedrog, afgronden en geheimen? Met het dossier over ‘Mevrouw Pápai’ verliest András Forgách voor de tweede keer zijn moeder, en zestig jaar aan familieherinneringen. Alles komt nu in een ander licht te staan.’ Het motto voorin gaat als ‘een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken’ en zijn van Prediker 3:7. De titel laat zich verklaren als het document dat moeder als geheim agent moest ondertekenen.

U verstaat mij wanneer ik zeg dat ik De akte van mijn moeder nog niet verorberd heb. Toch wil ik nu al met het autobiografische relaas confronteren om u de verhaaltrant van Forgach te doen proeven. Dit goede boek mag ik u niet langer onthouden en daarbij zeg ik u dat wij later onze leeservaringen met elkaar uitwisselen. Nu de eerste drie bladzijden integraal, waarbij de tip dat het cursieve gedeelte een fragment uit een de notities van een geheim agent is.
‘Mevrouw Pápai -- De verjaardag – ‘Mevrouw Pápai arriveerde precies op tijd voor de afspraak. De heren kwamen een kwartier te laat. Zij boden hiervoor meerdere malen hun nederigste excuses aan, overhandigden mevrouw Pápai daarna een boeket bloemen en feliciteerden haar hartelijk ter gelegenheid van haar zestigste verjaardag. Dit alles gebeurde op het Batthyányplein. Toen de heren zich alsmaar bleven verontschuldigen, wuifde mevrouw Pápai al hun onnutte woorden ongeduldig weg. ‘Laat dat ons grootste probleem zijn, heren!’ sprak zij met een ontwapenende glimlach en haar onmiskenbare accent, op de zangerige toon die haar charmante uitspraak slechts benadrukte, staande in de glinsterende sneeuw, waarvan het dossier overigens vergeet melding te maken. Ze zei natuurlijk ‘kameraden’, maar voor de ernst van dit verhaal blijven we toch maar bij ‘heren’, hetgeen toch iets getrouwer weerspiegelt hoe galant de mannen haar complimenteerden, vergezeld van een prachtige bos bloemen.

Hierna liep het kleine gezelschap, zoals vooraf overeengekomen, naar de rand van het plein. Naast of achter de kerk (afhankelijk van hoe men de ligging ervan interpreteert) was een koffiehuis te vinden in het souterrain, nog uit de tijd van vóór de grote overstromingen, toen de kelderverdieping op straatniveau lag. Bij het horen van de klaterende lach van mevrouw Pápai klaarden ook de grijze schuimkoppen van de rivier even op. Zelfs de grote Hokusai zou afgunstig hebben gekeken naar de prachtige aanblik van de diagonaal neerdalende reusachtige witte vlokken op het zilvergrijze water. Op dat moment vertrok vanuit de remise achter het metrostation met oorverdovend geknars tram 19 in de richting van de Kettingbrug, en overstemde daarbij zelfs het lachen van mevrouw Pápai. 

Ik rapporteer dat ik op 3 december 1982 in koffiehuis Angelika een ontmoeting heb gehad met geheim medewerker [gm] codenaam [cn] MEVROUW PÁPAI. Bij de ontmoeting waren tevens aanwezig kameraad luit. kol. János Szakadáti en kameraad luit.kol. Miklós Beider.
We arriveerden 10 minuten te laat op de afspraak. MEVROUW PÁPAI stond te wachten op het Batthyányplein. Na mezelf aan haar voorgesteld te hebben feliciteerde ik haar van harte met haar zestigste verjaardag, en ik deed mijn gelukwensen vergezeld gaan van een geborduurd tafelkleed met folkloremotieven, waar ze erg blij mee was, en een bos bloemen. Mevrouw Pápai ging niet bijster elegant gekleed, met haar warme, kleurige gebreide muts, die ze diep over haar voorhoofd had getrokken, en de onmodieuze beige gevoerde jas uit de Rode Oktober Kledingfabriek. Ze droeg eenvoudige platte schoenen, en als sieraad had ze alleen haar glinsterend mooie jaspiskleurige grijs en blauw oplichtende ogen. Alsof ze expres niets aan haar uiterlijk deed. ‘Dat is toch niet het belangrijkste, heren, ah! Kleren maken niet de man!’ zou ze gezegd hebben, als iemand haar ernaar gevraagd had. Haar sobere verschijning was overigens uitgesproken nuttig. Dat ze vandaag jarig was hadden ze ook niet van haar gehoord, want mevrouw Pápai had haar omgeving speciaal gevraagd om ‘geen gekke dingen te doen’ op deze dag. Ze hield niet van ophef en van overdreven ceremonieel. ‘Er zijn veel en veel belangrijkere dingen op deze wereld. Mensen lopen rond met honger en zonder schoenen, en worden bij bosjes geveld door ziektes en oorlogen.’

In feite hing er inderdaad een waas van geheimzinnigheid rondom de geboortedatum van mevrouw Pápai, al hadden de drie heren daar natuurlijk geen weet van. Soms viel haar verjaardag namelijk op een belangrijke religieuze feestdag die ieder jaar op een andere datum gevierd werd. In haar kindertijd werd haar geboortedag door de familie, die zich streng hield aan de godsdienstige voorschriften, afhankelijk van hoe de sfeer op dat moment was, als een dubbel feest beschouwd. Men vierde haar geboortedag tegelijk met het feest van de kaarsen, soms dagenlang, want zoals iedereen weet duurt het lichtfeest acht dagen. De ouders waren geneigd toe te geven aan hun buitenissige artistieke neigingen, en weken soms af van de oorspronkelijke, gewone datum, omdat de komst van hun dochtertje net zo’n groot feest voor hen was als het lichtfeest, dat dit jaar trouwens op 3 december viel, net als haar verjaardag. Zo kon het gebeuren dat mevrouw Pápai’s moeder, een vrouw met een geheugen als een zeef, beroemd om haar romantische affaires en bedeeld met een hartstochtelijke natuur, zo nu en dan een verkeerde geboortedag opgaf voor haar dochter, bij de diverse koloniale en andersoortige ambtelijke diensten (waar er ergerlijk veel van waren dankzij de dubbele administratie die het leven van de immigranten onnodig zuur maakte). In de haast wist ze vaak alleen nog maar dat haar dochter rond Chanoeka was geboren. Daarom werden er in mevrouw Pápai’s papieren verschillende geboortedata genoemd, van opeenvolgende dagen in december: 1, 2, 3 december – in één document stond zelfs 6 december! Dit verklaarde tevens waarom mevrouw Pápai zo ‘onverschillig’ was, en gezien haar overtuigde areligiositeit zelfs een grenzeloze afkeer had van haar verjaardag. Als niet vastgesteld kon worden op welke dag ze nu echt was geboren, had het inderdaad iets absurds om alle aandacht op een bepaalde dag te richten.
Maar dit alles konden de heren natuurlijk niet weten.’


DE GELIEFDEN VAN ALLERHEILIGEN

Dat een boek je meteen in de ban kan hebben, ga ik u aantonen. Dat een verhalenbundel je van stonde aan bij de kladden neemt, ga ik u illustreren. Dat zeven brokken proza naar vorm en thema een schot in de roos vormen, ga ik u laten ondervinden. Ik vraag uw aandacht voor de 188 bladzijden tellende hardcover De geliefden van Allerheiligen van Juan Gabriel Vasquez en Signatuur. De zeven verhalen zijn een voor een literaire hoogstandjes die overlopen van psychologische diepgang. Om u over de streep te trekken naar een goed boek geef ik u nu het begin van het eerste verhaal ‘Schuilplaatsen’ en volgende week gaan wij het thema opsporen van het titelverhaal. Ik laat mijn citaat voorafgaan door de tekst van de uitgever op de wikkel. En… met een wuif naar de komende decemberfeestdagen: een juweel van een geschenk aan u en aan de ander. Signatuur: ‘Een Colombiaanse auteur is getuige van een moord die hem voor altijd zal tekenen. Een vrouw zit alleen thuis, wachtend op haar man die twintig kilometer verderop in het bed van een andere vrouw ligt. In zeven ontroerende verhalen verbindt Vásquez vloeiend de levens van zijn personages door bloedstollend verraad, een liefdesaffaire, moord en wraak. Als geen ander doorgrondt hij in deze fragmenten de mens, emoties en moraliteit tegen de beklemmende achtergrond van de mooie, maar verraderlijke Ardennen. De geliefden van Allerheiligen is een bijzondere en intense verhalenbundel over de valkuilen van relaties, liefde en eenzaamheid. Pijnlijk triest en hypnotiserend mooi geschreven.’

Juan Gabriel Vásquez Schuilplaatsen ‘Ik kwam heel weinig buiten België in die tijd. Ik bleef in de Ardennen, waar ik de mensen observeerde en deelnam aan hun activiteiten, om daarna mijn ervaringen zo uitputtend mogelijk op te tekenen. In februari had ik van een Colombiaans tijdschrift de opdracht gekregen om een artikel te schrijven over een Parijse boekhandel. Vanuit Luik reden er alleen Franse treinen rechtstreeks naar Parijs, maar sinds twee weken werd er gestaakt en een oplossing was nog niet in zicht. Vandaar dat ik op station Aywaille een oude oranje trein moest nemen – voor elke twee coupés een schakelaar waarmee de passagiers de verwarming konden bedienen – in Luik moest overstappen op een groene en vervolgens bij een bevriend stel in Brussel moest overnachten om de volgende ochtend de eerste intercity naar Parijs te nemen. Ik kwam aan bij de boekhandel, liep een paar dagen mee in de winkel en schreef mijn artikel. Maar wat er die nacht in Brussel gebeurde, heeft me nooit meer losgelaten. Philippe haalde me af op Brussel-Centraal, het meest naargeestige van de drie stations waar treinen uit Luik aankomen. Hij droeg een Schots geruite pet en een bril met een zwaar montuur, die rode putjes aan weerszijden van zijn neus achterliet toen hij hem afzette om me te omhelzen. Philippe en Claire waren de zomer ervoor getrouwd; hij was theateracteur en zat op dat moment (het moment van mijn ongelegen bezoek) zonder werk; Claire had me over de telefoon verteld dat het hem de laatste tijd nogal tegenzat: een mooi contract voor een Franse film was wegens geldgebrek geannuleerd en zijn eerste vrouw had hem met een proces gedreigd als hij niet de helft van hun huis in Zaventem aan haar afstond, waar ze voor hun scheiding hadden gewoond. Ik sprak hem er niet over, want daar was onze relatie niet naar, maar aan zijn gezicht – soms afwezig als ik hem een welgemeende vraag stelde, soms vertrokken van ergernis als hij voor een rood stoplicht moest wachten – was te zien dat hij zorgen had.

We parkeerden pal voor huisnummer 287 in de Noyerstraat; er hing een geur van versgebakken brood toen we uitstapten, een eigenaardige omstandigheid (het was vier uur ’s middags) die ons van gespreksstof voorzag gedurende de ongemakkelijke minuten die volgden. Ongemakkelijk omdat Claire er niet bij was, die ’s middags in haar atelier aan het werk zou zijn en me gevraagd had na zevenen langs te komen om haar laatste werk te bekijken en daarna samen met haar ateliergenotes te eten. Ongemakkelijk ook vanwege het incident met de bloemen, dat ik elders, in een andere situatie of met een andere voorgeschiedenis, als onbeduidend of hooguit eigenaardig zou hebben afgedaan. Op de rustieke houten tafel die als eettafel en strijkplank fungeerde, stond een boeket rododendrons waaruit een eenzame zonnebloem omhoogstak. Er zat een bedrukt kaartje bij in de kleur van rauw vlees, met accenten in blauw aquarel aan de randen. Veel sterkte, stond er in reliëfletters op het karton.

‘Van mijn schoonvader,’ zei Philippe. Beau-père had hij gezegd, met veel nadruk op de medeklinkers, en hij glimlachte erbij met een sarcasme dat ik nooit achter hem gezocht had. Daarna zei hij niets meer. Hun huis was hoog en smal (drie verdiepingen van elk nog geen vier meter breed); Philippe verontschuldigde zich en liep de kreunende traptreden op, een voor een, alsof hij al zijn geduld bij elkaar moest rapen om naar de echtelijke slaapkamer op de tweede verdieping te komen, boven de werkkamer waar de enige telefoon in huis stond en onder de logeerkamer waar ik zou overnachten. De middag ervoor was Philippes schoonvader – Claires vader en tevens de eigenaar van het huis in de Ardennen dat ik tijdelijk bewoonde – me komen ophalen om te genieten van een vrij uitzonderlijk fenomeen: een zonnige dag aan het einde van de winter. ‘Het meer wacht op ons,’ zei hij. ‘Kom, het is niet lang meer licht.’ Monsieur Gibert wachtte mijn reactie niet af. Hij draaide zich om en bleef nog met de mouw van zijn jas aan de deurknop haken. Een paar minuten later hoorde ik zijn terreinwagen al met draaiende motor op me wachten.

Het meer was door monsieur Gibert zelf aangelegd als irrigatiewerk voor de kool die hij wilde verbouwen, maar het project was mislukt nog voor het van start was gegaan en nu lag het meertje er alleen nog als sporadisch vertier voor een eigenwijze gepensioneerde die er zijn eigen forellen ‘zaaide’ om er vervolgens op te vissen. Monsieur Gibert had een werphengel van het merk Sander bij zich en droeg handschoenen; ik liep achter hem aan en keek ondertussen uit over het groene water, de drassige oever, de kikkerkopjes die als glimmende muntstukken op het water dreven en zodra ze ons zagen met een zacht geplons wegdoken. Ik ging op een omgevallen beukenstam zitten. Monsieur Gibert zette zijn bril met leesvenster op en liet zijn vingers behendig langs de vislijn naar de drie scherpe punten van de haak glijden, die hard en zilver schitterden in de laagstaande namiddagzon. Hij sloot zijn linkerhand om het kurken handvat en drukte met zijn wijsvinger de vislijn tegen de hengel. Vervolgens zwaaide hij beide armen opzij en zwiepte de hengel door de lucht; het molentje draaide af met het geluid van een kinderlijke zucht en een meter of tien uit de oever brak de haak door het wateroppervlak, zacht alsof het bang was een slapende kikker te wekken. ‘Ik wil dat u uw ogen goed de kost geeft,’ zei hij. ‘Dat doe ik al, monsieur.’ ‘Bij hen thuis, bedoel ik. Ik wil dat u goed rondkijkt en me daarna verslag uitbrengt. Hoe ze wonen. Of het goed gaat met haar, of hij haar behandelt zoals ze verdient.’ Hij zei dit allemaal terwijl hij met zijn rechterhand aan het molentje draaide om de lijn binnen te halen. We keken elkaar niet aan; beiden tuurden we naar het loodje en de haak die als een kogel in slow motion op ons afkoersten en een fijn spoor door het water trokken alvorens aan de oever weer boven te komen.

Monsieur Gibert kende het huis van zijn dochter niet. Hij was wel een keer uitgenodigd maar had zich er toen met een nogal fantasieloze, slappe smoes van afgemaakt. Dat had Claire me verteld, en ze had daarbij zijn nasale stem en zogenaamd gewichtige gebaren geïmiteerd. Zelf had ik een heel andere indruk van Gibert; ik vond het niet prettig als Claire over hem klaagde, want ik was bang dat haar bitterheid op mij zou overslaan. Voor haar was alles wat er in haar leven gebeurde een gevolg van wat haar vader had verwoest, verkeerd gedaan, verspild (emotioneel, niet financieel). 

Gibert plukte de plantenresten van de haak. De slierten kleefden aan zijn behaarde handen. Hij wierp de hengel opnieuw uit. ‘Ik moet u iets verdrietigs vertellen,’ zei hij. ‘Philippe is niet goed voor mijn dochter. Het is een prima kerel, daar niet van, maar hij heeft problemen.’ ‘Maar die zijn niet van blijvende aard, monsieur. Hij vindt heus wel weer werk.’ ‘Werk?’ ‘Hij heeft een aanbod uit Montpellier,’ loog ik. ‘Voor de zomer. Straattheater, goedbetaald.’ ‘Zijn vader drinkt,’ zei hij. ‘De man van zijn zus heeft losse handjes.’ Hij haalde de haak binnen, plukte er nog een paar groene, op asperges lijkende takjes vanaf en wierp de hengel weer uit. ‘Hij slaat haar, bedoel ik, niet hem. De man van zijn zus slaat zijn zus.’ ‘Ja, monsieur, dat had ik al begrepen.’ ‘En hijzelf, met zijn eerste vrouw, al die toestanden... Enfin, een puinhoop. Dat is het, één grote puinhoop.’ Hij wilde net de lijn weer binnenhalen toen die ineens strak stond als een glazen buis. ‘Ha,’ zei Gibert. Zijn hand draaide verwoed aan het molentje en twee meter voor ons zagen we een bruingrijze forel in het water spartelen. Gibert haalde de lijn op; de forel verschoot in de lucht van kleur en belandde in het gras op de oever, waar de roze vlekjes op zijn flank feller oplichtten. ‘Hier, hou eens even vast.’ Gibert gaf me zonder te kijken de hengel aan. ‘Deze zetten we terug, veel te klein.’ Hij probeerde de forel van de haak te bevrijden, maar de punten staken al dwars door de wang heen in de bruine tong. Het bloed droop langs de zilverkleurige vishaak en Giberts bleke vingers naar beneden. De forel spartelde, viel op de grond, Gibert greep hem opnieuw vast om hem te bevrijden – ‘Rustig nou,’ zei hij, ‘conasse, ik probeer je te helpen.’ De tong bloedde, de haak zat er als een anker in vast, en ik stelde me voor hoeveel pijn dat moest doen en bedacht hoe wonderlijk een gezicht is – met ogen, een mond – waarop je geen pijn kunt zien. Ik vis eigenlijk nooit, misschien dat ik me daarom voorstelde hoe er een mes dwars door mijn tong ging, ik zou zelfs zweren dat ik een felle pijnscheut in mijn kaak voelde. ‘Stomme vis,’ zei Gibert. Zijn duimnagel kleurde waterig rood. ‘Trop tard,’ zei hij. ‘Te laat, smerig beest.’ Met de nog stuiptrekkende, als een astmapatiënt naar adem happende vis in zijn vuist liep Gibert terug naar de beukenstam. Daar hief hij zijn arm op en sloeg de forel met volle kracht tegen de boomstronk. Met een hol geluid kwam de kop op de schors terecht. Gibert sloeg drie keer snel achter elkaar en de doffe klank van brekend gebeente klonk helder door de lucht. Op de schors bleef een smurrie van schubben en bloed achter. De forel, één oog kapot, onder de houtsplinters, bewoog niet meer.’


STADSTOUR EN TAALGIDS PARIJS

Voorbije zaterdag waren de kids Fien en Daaf bij ons als hun grootouders te gast en de twee uit Vleuten lieten hun i-phone in de steek, omdat zij beiden geheel in de ban waren van het kaartspel. Meer kindvriendelijk gezegd: zus en broer leerden al spelende en zus en broer speelden als lerende. Zij kwartetten onder het motto van ‘Bienvenue a Paris’. Fien en Daaf legden de kaarten neer van het taalkwartet Parijs, dat als stadstour en taalgids uitgegeven wordt door Scala leuker leren en deel uitmaakt van de serie Londen, Berlijn, Rome, Barcelona, Lissabon en uiteraard Parijs. Op het doosje met speelkaarten lees ik o.a. ‘Leer spelenderwijs meer over Parijs en de Franse taal met dit leuke fotokwartet. Het spel bevat 18 kwartetten over diverse onderwerpen zoals de belangrijkste highlights, musea, bijzondere plekken, winkels,  eten en drinken, vervoer en nog veel meer. Alles in eenvoudige Franse zinnen met uitspraak en vertaling. Plus extra kaartjes met handige taaltips.’ Ik wandel door Parijs met de 18 delen en noteer steeds een de eerste tip.

1) Les sites - de bezienswaardigheden – Tour Eiffel
2) Les quartiers – de wijken – Montmartre
3) Les monuments – de monumenten – Hotel des Invalides
4) Les places – de pleinen – Place de la Concorde
5) Les musees – de musea – Louvre 
6) Les parcs et jardins – de parken en tuinen – Jardin du Luxembourg
7) Les achats – winkelen – Avenues des Champs-Elysees
8) Les eglises – de kerken – Sacre Coeur
9) La Seine – de Seine – Pont Neuf 
10) Le sport – de sport – Stade de France 
11) L’ architecture moderne – moderne architectuur – Centre Pompidou
12) Boire – drinken – Caves du Louvre 
13) Manger –eten – bistrot
14) Le sejour – het verblijf – auberge de jeunesse 
15) Le transport – het vervoer – batobus
16) La soiree – uitgaan – Palais Garnier
17) Les attractions – de attracties – Disneyland
18) Paris artistique – artistiek Parijs – Edith Piaf 

Ik zeg het voluit: dit kaartspel is niet alleen een gave voor de geest maar ook een lust voor het oog. En voor de juiste uitspraak. De eerste keer dat mijn echtgenote en ik in Parijs verkeerden vroegen wij in Bois de Boulogne de weg naar Versailles. De Fransen begrepen mij niet, totdat ik per ongeluk de klemtoon goed legde. En wij reden Parijs uit. Hadden wij Scala bij ons gehad, waren wij sneller in de juiste richting gegaan. De volgende keren gaan wij met de speelkaarten in de hand al kaarttrekkend door Londen, Berlijn, Rome, Barcelona en Lissabon. Ik kan mij levendig voorstellen dat de Sint deze kaarten in december gaat trekken.


STEINZ

Een kanjer van een kolossaal werk ligt voor mij op de schrijftafel dat een geactualiseerde reprise is van een bron waaruit wij al vele malen in deze boekenrubriek geput hebben. Het gaat om een boek, waarmee u de komende winteravond goed doorkomt.  Ik leg voor in de etalage het 560 bladzijden tellend, knap geïllustreerde Steinz van Jet & Pieter Steinz en uitgeverij Nieuw Amsterdam. Met de eclatante ondertitel ‘Gids voor de wereldliteratuur in 416 schrijvers, 104 meesterwerken, 26 one-book wonders, 52 boekwebben, 26 thema’s, 26 quizzen en 52 landkaarten.’ De komende weken wil ik vooral voor mijn nieuwe generatie volgers een tocht maken door dit virtuoze naslagwerk dat ook een wonderwerk is. De lezers die mij in 2003 al op de voet volgden weten dat ik laaiend enthousiast was over Lezen &cetera. Hoe vaak hebben wij immers deze luchtige en leerzame introductie tot het wereldwijde web van de fictie in de hand genomen om onze leeservaringen met elkaar uit te wisselen! Alleen, de auteur was toen solo, vader Pieter Steinz. De uit 1963 daterende Pieter Steinz werd bij deze zeg maar heruitgave Steinz nu vergezeld door zijn dochter Jet uit 1990. Zij was nog maar 25 lentes jong en mocht toen al haar pa vergezellen en dit helaas om een trieste reden: Pieter werd geveld door de ziekte van ALS (en overleed in 2016)  Wij mochten de twee bloedverwanten in 2015 aanschouwen toen in DWDD Matthijs van Nieuwkerk hun vrij baan gaf om hun copieuze compendium te presenteren. En al gauw was toen de eretitel van De Dikke Steinz geboren!

De nieuwe Dikke Steinz onderscheidt zich naar vorm meteen al door de omslag, want die is niet eentonig in roodbruin gehuld maar beeldt kleurrijk boeken af. Om ons te beperken tot boeken van eigen, oorspronkelijke taal: Tirza van Arnon Grunberg en De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon. De twee staan in het goede gezelschap van o.a. Dostojevski, Dumas, Kafka en Roth. Of dit kwartet aan het duo schatplichtig zijn, doen Jet & Pieter uit de doeken. Op vaak ludieke maar immer transparante en stimulerende wijze.

Om uw tocht door Steinz van de nodige mondvoorraad te voorzien geef ik u de tekst van de omslag, die van de inhoudsopgave en deels die van de inleiding ‘Het wijde web van de wereldliteratuur’. Deels omdat wij een volgende keer met de bagage van nu de inleiding verder citeren en de beloofde excursie gaan maken. In 2014 bij de introductie van dat (ook fenomenale) Made in Europe van Pieter Steinz zei ik: ‘grootvader P.W.J. Steinz gidste als leraar ons in Museum Boijmans Van Beuningen door de wonderwereld der beeldende kunst; kleinzoon doet dat dunnetjes over, door het el dorado der letteren.

De uitgever ‘Een introductie tot het wereldwijde web van fictie - Wat te lezen na ‘Honderd jaar eenzaamheid’, ‘Het diner’ of een ander favoriet boek? Hoe liep het af met Jane Eyre, en waarom is ‘Anna Karenina’ zo bijzonder? Door welke romans werd Haruki Murakami beïnvloed, en wie hebben zich op hun beurt laten inspireren door zijn romans? Steinz – Gids voor de wereldliteratuur geeft antwoord op deze en vele andere vragen, aan de hand van: 416 karakteriseringen van auteurs uit 26 taalgebieden, met aandacht voor hun beste werk, en met tips voor boeken in een vergelijkbare stijl of over hetzelfde onderwerp, 52 boekwebben, literaire schema’s rondom beroemde boeken, met een overzicht van invloeden en suggesties voor verder lezen, 104 enthousiasmerende samenvattingen van klassieken uit de wereldliteratuur, van de Decamerone tot Wolf Hall en van Advocaat van de hanen tot Der Zauberberg, 26 `one-book-wonders, auteurs die beroemd zijn om één briljant boek, 26 lijstjes met elk 13 boeken over één onderwerp, 52 landkaarten die laten zien waar de meesterwerken uit de wereldliteratuur zich afspelen ideaal voor `lezen op locatie, 26 quizzen rondom literaire thema’s Een introductie tot het wereldwijde web van de fictie.

Steinz  - Gids voor de wereldliteratuur, een samenvoeging, volledige bewerking en actualisering van de succesboeken Lezen &cetera’ (2003) en Lezen op locatie (2004), is een handboek voor de individuele lezer, maar ook een naslagwerk voor leesgroepen, boekhandelaars, scholieren, studenten en docenten. Een schat aan informatie en dwarsverbanden geïllustreerd met 182 boekomslagen.’

De ‘Inhoud’ geeft aan: ‘Het wijde web van de wereldliteratuur, Handleiding, Gebruiksvoorbeelden, De wereldliteratuur van A tot Z, De 104 uitgelichte meesterwerken, De 52 boeken die het middelpunt zijn van een boekweb, De 52 literaire landkaarten (‘lezen op locatie’), De 26 one-book wonders, De 26 thema’s (‘dertien boeken over …’/dertien …’, De oplossingen van de 26 literaire quizzen, Bibliografie, Register. U zult het met mij beamen: J & P hebben over alles nagedacht, ook over het getal 26!
Deels stuk 1: ‘Voor de 17de-eeuwse kamergeleerde Charles Du Fresne Du Cange was een dag pas geslaagd als hij een uur of twintig had gewerkt. Toen hem aan het eind van zijn leven werd gevraagd of hij het niet jammer vond dat hij altijd met zijn neus in de boeken had gezeten, antwoordde hij dat hij maar van één ding spijt had: zijn trouwdag, want toen had hij maar zes uur kunnen lezen. De tijden van Du Cange waren overzichtelijk. Op zijn laatste, 77ste, verjaardag, zal hij tevreden hebben kunnen terugkijken op zijn carrière als lezer; het totaal aan gedrukte boeken in de westerse wereld was minder dan de huidige jaarproductie van de Amerikaanse uitgeverijen. Wee de lezende 21ste-eeuwer. Zelfs hij of zij die zich beperkt tot fictie zal zich met een straffe dagindeling slechts door een fractie van de wereldliteratuur kunnen heen werken. Er moeten harde keuzes gemaakt worden: wél de Metamorfosen van Ovidius, niet De tocht van de Argonauten van Apollonios; áls Balzac, dan niet Hugo; Dickens ja, maar voorlopig even wachten met Trollope; De tandeloze tijd van A. F. Th. van der Heijden eerst, en pas na het pensioen de ‘Movo’-cyclus. Of omgekeerd natuurlijk.

Gelukkig is er hulp bij de selectie: vrienden of boekhandelaren die je een niet te missen roman aanraden; bewonderde schrijvers die aanstekelijk vertellen over de boeken die hen inspireerden; recensenten die argumenterend en enthousiasmerend schiften in het wekelijkse aanbod; leraren, bibliothecarissen en veel lezers die je uitleggen wat je zou moeten lezen en waarom. En dan zijn er leesgidsen, die de fanatieke biblionaut van het ene boek naar het andere loodsen. De ‘Good Fiction Guide’ van de Oxford University Press bijvoorbeeld, die een dappere poging doet om de wereldliteratuur samen te vatten in duizend auteurs en dertig genres. 1000 Books to Change Your Life van Time Out, dat de literatuur opdeelt in dertig thema’s van geboorte tot dood. The Novel Cure (‘De boekenapotheek’), waarin voor iedere kwaal of hebbelijkheid een roman wordt aangeraden. De Bloomsbury Good Reading Guide, die onder het motto ‘Discover Your Next Great Read…’ het doorverwijzen tot kunst heeft verweven — zodat je van David Mitchell terechtkomt bij Haruki Murakami en Jonathan Coe, en van Gogol bij Kafka, Tsjechov en Malamud. En niet te vergeten Lezen &cetera, de ‘Gids voor de wereldliteratuur’ die bijna twaalf jaar geleden verscheen en die de fictieproductie van Rabelais tot Grunberg presenteerde in 416 schrijverslemma’s, 104 uit- gelichte meesterwerken, 52 literaire schema’s, 52 thema’s en 26 quizzen. De netwerken en dwarsverbanden die door leesgidsen in de wereldliteratuur worden gelegd, zijn niet alleen enthousiasmerend, maar ook leerzaam; ze tonen de schatplichtigheid en de invloeden van schrijvers, en laten zien dat boeken niet in een (geografisch) vacuüm ontstaan. ‘Geen mens is een eiland’ schreef de Engelse dichter John Donne in de 17de eeuw, en voor romans en verhalenbundels geldt hetzelfde.

Schrijvers worden beïnvloed door schrijvers en beïnvloeden weer andere schrijvers. Boeken borduren voort op andere boeken, en deden dat al lang voordat ‘intertekstualiteit’, het citeren en parodiëren van hoogtepunten uit de literaire traditie, in de mode raakte. Hugo Claus, die veel succes had met een Vlaamse herschrijving van William Faulkners The Sound and the Fury (‘De Metsiers’, 1950), kon wijzen op beroemde voorgangers als Vergilius (die Homeros navolgde), Shakespeare (die Ploutarchos plunderde) en Joyce (die de ‘Odyssee’ in Dublin situeerde). Maarten ’t Hart verkreeg de bestsellerstatus met een actualisering van Vestdijks Terug tot Ina Damman (‘Een vlucht regenwulpen’, 1978) en Ilja Leonard Pfeijffer haalde zich bij zijn debuut Rupert (2002) de verdenking van plagiaat op de hals omdat hij onder meer The Waste Land van Eliot en Lolita van Vladimir Nabokov had geparafraseerd. Ook Steinz — Gids voor de wereldliteratuur bouwt voort op andere boeken (zie de bibliografie), maar het fundament was Lezen &cetera, waarvan de laatste, marginaal herziene editie in 2006 verscheen. De snelle veranderingen op de literaire landkaart in het afgelopen decennium maakten het noodzakelijk om de tekst en vooral de keuze van de 416 schrijvers flink op de schop te gooien. In 2002, toen Lezen &cetera werd opgezet, gold Peter Høeg (en niet Jens Christian Grøndahl) als de belangrijkste moderne Deense schrijver, en werd de joods-Amerikaanse literatuur gedomineerd door Bellow, Malamud en Roth in plaats van door Chabon, Englander, Foer en Roth. Vergeten klassieken als Stoner (John Williams) en Les Thibault (Roger Martin du Gard) waren nog niet herontdekt, althans niet vertaald, en de Nederlandse markt voor spannende boeken werd nog niet beheerst door zogeheten oestrogeenthrillers. Carl Friedman, Mordecai Richler en Gao Xingjian waren bekende schrijvers, terwijl de carrière van Esther Gerritsen, Jhumpa Lahiri, Peter Terrin en Tommy Wieringa in de kinderschoenen stond. Van Saskia De Coster, Khaled Hosseini, Karl Ove Knausgård of Gustaaf Peek had nog niemand gehoord.’


MUSSENLUST

Een kijk- en leesalbum leg ik voor u op onze leestafel, dat een lust voor ons oog en een streling van ons gemoed is. Het gaat om een lofzang op een gevogelte dat steeds minder onze tuinen fêteert. Ik heb het over de 136 bladzijden tellende, grandioos geïllustreerde hardcover Mussenlust samengesteld en uitgegeven door Peter Müller met de ondertitel ‘de huismus in 50 gedichten en 150 tekeningen van Peter Vos’. Het voorwoord ‘Bij wijze van standbeeld’ is van Jean-Pierre Ceelen en is zo verheffend dat wij voor de tocht door het werk zelf echt tot ons moeten nemen. Met een wenk naar de komende dagen van december: dit kostelijke mussenboek is een pracht van een geschenk aan uzelf en/of naar een goede beminde. Ik wil nu een eerste introductie van deze warme ode aan de mus geven door het citeren van de tekst op de omslag, het doorgeven van een recensie van Sander Becker in het dagblad Trouw van 4 september met de titel ‘In het land der letteren fladdert de mus nog volop rond’ en het aanreiken van drie van de gedichten uit Mussenlust. Een persoonlijke opmerking: bij het tot mij nemen van de vijftig gedichten werd ik overvallen door gevoelens van nostalgie: in de achtertuin van mijn ouders in Kralingseveer liet de mus zich het meest zien, nu heeft de koolmees in onze tuin de mussenplaats ingenomen. Toch anders… Daarom heb ik gevoelens bij het motto voorin van T. van Deel: ‘Ik ging naar Artis om een mus te zien’.

De omslag: ‘Hij lijkt zo'n alledaags vogeltje, maar er is helemaal niets gewoons aan. Mus en mens zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Geen wonder dat die mens zijn trouwe metgezel al sinds het begin van de jaartelling heeft bezongen in de poëzie. De mooiste, opmerkelijkste en ontroerendste mussengedichten zijn hier bijeengebracht, verrijkt met ragfijne, treffende tekeningen van Peter Vos (1935 - 2010), meesterlijke mussenman. De mus verdient een standbeeld, gehakt in woorden. Hier is het.’

Sander Becker in Trouw: ‘ Het gaat niet zo goed met de huismus, maar in het land der letteren fladdert hij nog volop rond. Sinds het begin van de jaartelling hebben poëten het vogeltje bezongen, en elk jaar komen er nieuwe mussengedichten bij. In de bundel ‘Mussenlust’ staan er vijftig afgedrukt. Het boek is geïllustreerd met grandioze aquarellen van de in 2010 overleden tekenaar Peter Vos. In een waaier van poses en in een eindeloze schakering van bruin, kastanje, beige, oker, grijs en antraciet trekken de dartele creatuurtjes voorbij. Minstens zo gevarieerd zijn de poëtische karakterschetsen van de mus. Sommige dichters, niet de minsten, beschimpen de vogel om zijn spreekwoordelijke saaiheid. “Mus – onkruid onder de vogels / zo huishoudelijk / gewoon en kleurloos”, dichtte Bernlef. Anderen laten zich door de mus juist inspireren tot verheven gedachten over het leven zelf. Ze voeren het nietige vogeltje ten tonele als metafoor van liefde, zorg en seksualiteit, of als brenger van religie en spiritualiteit.

De Romeinse dichter Catullus gaf vlak voor het jaar nul de aftrap. In zijn oergedicht presenteert hij de mus als huisdier waar zijn geliefde Lesbia intiem mee speelt. De dichter is stikjaloers, bekent hij in verzen waar de erotiek vanaf druipt. Wonderschoon is ook het prozagedicht van Ivan Toergenjev, over een moedermus die met doodsverachting toeschiet als haar uit het nest gewaaide kind belaagd wordt door een grote hond.

Nederlandse poëzie vormt de hoofdmoot van de bundel, uiteraard met het beroemde Tjielp tjielp van Jan Hanlo. Ook memorabel is het gedicht dat Patty Scholten schreef ter nagedachtenis aan de ‘dominomus’, in 2005 te Leeuwarden doodgeschoten toen hij een domino-recordpoging bedreigde. Het eindigt met de woorden: ‘ruim twintigduizend stenen op één grafje’. Samensteller Peter Müller levert met deze bundel zijn vierde mussenboek af. Hij lost er een oude schuld mee af, vertelt hij aan de telefoon. “Toen ik veertien was, had ik een windbuks. Ik móest ermee schieten. Er kwam een musje langs en het was raak. Dood. Ik schrok me rot. Ik voelde me zo schuldig dat ik die buks meteen heb weggedaan.” Het werd de opmaat naar een levenslange mussenmanie. Misschien wel het mooiste gedicht is dat van Paul Laurence Dunbar, een zwarte man, kind van vrijgemaakte slaven uit het 19de-eeuwse Amerika. In dit gedicht, vertaald door Bert Keizer, staat de mus voor vrijheid. Het vogeltje tjilpt in de vensterbank zijn opbeurende lied, maar de ploeterende dichter heeft er geen aandacht voor, geketend door het bestaan: “Wij zwoegen voort met in ons hart de dood / Te laat beseffend wat dat vogeltje bood.”

Gefladderd uit de bundel:
Van Jan Hanlo

De Mus
Tjielp tjielp – tjielp tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp – tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp
Tjielp
etc.

Van J. Eijkelboom

Werveling
Toen, in die hoek 
waar eerdere wind dood blad had vergaard
bracht onverhoeds een stormvlaag werveling teweeg
die als een bruine tol de lucht inging.
En uit die top daarvan
ontsprong vervolgens een fontein, een zwerm
voorheen verscholen, luid
kwetterende mussen.
Ze leken meer te twisten dan te zingen.
Toch hoorde ik in al dat leven 
de leeuwerikjes van de winter.  

Van Ed Leeflang

Achteruitzicht
De mus is gegaan
De mees is gekomen 
De tuinen zijn anders
en anders de bomen.
Anders zijn schuttingen, 
anders de goten van schuren.
De mus is gegaan.
En anders klinken de uren. 


TIEN TIPS VOOR DE SINT (2)

Sint Nicolaas gaat vanaf zaterdag weer op tournee door ons land, waar hij als goedheiligman zo graag zijn jaardag viert. Sint geeft bij voorkeur goede boeken cadeau en om de baas uit Spanje wat te gerieven reik ik hem nu en later een lijstje aan, waarop tien werken via de tekst op de omslag bij u hun opwachting maken. Ik wil na 5 december gaarne van u vernemen hoe de bisschop bij u uitgepakt heeft. Wisselen wij dan onze leeservaringen met elkaar uit.

1) Een kleine geschiedenis van de waarheid – Julian Baggini – Troost in tijden van nepnieuws – Klement
In Een kleine geschiedenis van de waarheid stelt publieksfilosoof Julian Baggini ons gerust: de waarheid bestaat! In een tijd waarin we overspoeld worden door nepnieuws en politici glashard feiten ontkennen, toont Baggini ons verschillende bronnen van waarheid. In korte hoofdstukken wapent Baggini ons tegen de opkomst van social media als nieuwsbron en het groeiende wantrouwen van feiten. Een positief, inspirerend cadeau voor iedereen die klaar is met post-truth, alternative facts en fake news.

2) Het gaat om heel eenvoudige dingen – Paul Kempers – Jean Leering en de kunst – Valiz
Een uitgebreide, zeer leesbare biografie over de gedreven idealist, mentor, schrijver, gentleman-activist Jean Leering (1934-2005), museumdirecteur van het Van Abbemuseum (1964-1973), het Tropenmuseum (1973-1975), met rollen in diverse internationale tentoonstellingen (o.a. documenta 4, 1968) en besturen. Vier decennia na zijn vertrek uit het Van Abbe- en Tropenmuseum blijkt een nieuwe generatie curatoren en jonge museumdirecteuren zich ruimhartig te laten inspireren door Leerings ideeën.

3) Duty free: wodka en sigaren – Jan Tjerk Mossel – Het geheim van de Russische maffia – Spectrum
Wanneer Jan-Tjerk Mossel in de jaren tachtig als export manager van Dannemann Cigars de opdracht krijgt een importeur te vinden in het postcommunistische Rusland, heeft hij nog geen idee wat hem te wachten staat. Hij begeeft zich – zonder het aanvankelijk te weten – tussen de onder- en de bovenwereld en valt van de ene verbazing in de andere. Na een moeizame start ontmoet hij Yacov Tilipman van de Kremlyovskaya Group en deze opent voor hem de deur naar het Moskouse nachtleven, waar niets onmogelijk is. Yacov heeft internationale partners en een niet door de douane gecontroleerde eigen trein. Deze transporteert onbelemmerd wodka en andere accijnsgoederen van Antwerpen naar Moskou. Via een bijna onbeperkt marketingbudget wordt Kremlyovskaya Wodka mondiaal gepromoot op een schaal die nog nooit is vertoond. In het kielzog van de wodkapromotie lift het sigarenmerk Al Capone mee. Totdat de heimelijke praktijken van de partners in crime aan het licht komen. Jan-Tjerk Mossel vertelt op meesterlijke wijze over zijn tijd in Rusland. Wodka & sigaren is een sensationeel verhaal waarin hotels, casino's en nachtclubs, wodka en sigaren centraal staan, maar waarin ook de sociaal-culturele ontwikkeling na glasnost en perestrojka een rode draad vormt.

4) Hoe overleef ik – Peter C. Gotsche – Wegwijzer in een overvloed aan medische informatie – Lemniscaat
De medische wereld staat bol van financiële belangenconflicten. En zelfs als uw arts niet direct profiteert van behandelingen of onderzoeken, zijn er vele andere redenen om als patiënt op uw hoede te zijn. Zo schrijven artsen in goed vertrouwen allerlei behandelingen voor die niet werken. En omdat elke behandeling bij een aantal patiënten schade veroorzaakt, kan dit bij veel mensen onnodig schade opleveren. U doet er dus goed aan om bij klachten zelf op zoek te gaan naar alle beschikbare informatie. Maar hoe weet u of een website, advertentie of een verhaal in een tijdschrift te vertrouwen is? Welk onderzoek is zinnig? Waar moet u op letten bij het lezen van een bijsluiter? En welke therapieën zijn betrouwbaar? In deze praktische gids leidt arts en gerenommeerd kritisch onderzoeker dr. Peter Gøtzsche u door een woud van belangen, feiten, meningen en goede bedoelingen van artsen, andere hulpverleners en de farmaceutische industrie. Voor een breed scala aan veelvoorkomende ziektes en problemen laat Gøtzsche zien wat u het beste kunt doen. Dit boek verkoopt geen medicijnen, therapieën of wonderbaarlijke genezingen. Het is vooral bedoeld als zelfhulpgids om de meest betrouwbare informatie te vinden over diagnostiek en behandelingen in de gezondheidszorg. Dat maakt Hoe overleef ik tot een onmisbare ondersteuning in het overleg tussen patiënten en hun zorgverleners.

5) Big History – David Christian – Het waanzinnige wetenschappelijke ontstaansverhaal van de mens, de wereld en het universum – Maven Publishing
Wat zou er gebeuren als we al onze huidige wetenschappelijke kennis zouden samenvoegen tot één samenhangend verhaal over onszelf en onze plek in het universum? Dit was het uitgangspunt van David Christian bij het creëren van een totaal nieuw wetenschapsveld: big history. Wetenschappers uit verschillende disciplines (zoals sterrenkunde, geologie, psychologie, biologie, geschiedenis en vele andere) werkten intensief samen om het allesomvattende en meeslepende verhaal van onze ontstaansgeschiedenis te reconstrueren. Het leidde tot dit boek, waarin we via 8 kritieke omslagpunten die de wereld hebben gevormd worden meegenomen door de afgelopen 13,8 miljard jaar. Oftewel, dankzij Big History wordt het grote plaatje nu voor het eerst zichtbaar. Dit boek maakt het mogelijk om te bevatten wie we zijn, waar we vandaan komen én wat ons te wachten staat. David Christian is directeur van het Big History Institute en hoogleraar moderne geschiedenis. Hij is de grondlegger van het nieuwe vakgebied big history en richtte het Big History Project op, dat online een gratis lesprogramma aanbiedt voor scholen over de hele wereld. Naast zijn academische werk is hij ook een graag geziene spreker bij TED en het World Economic Forum. Van de big bang tot de eerste sterren, ons zonnestelsel, leven op aarde, dinosauriërs, homo sapiens, landbouw, ijstijden, keizerrijken, fossiele energie, een maanlanding en globalisering, en wat ons nog te wachten staat.

6) Abraham – Trix van Bennekom – Kroniek van een politieke dynastie – Village
Op 25 mei 1896 arriveerde Julian Abraham aan boord van het stoomschip Marsala in de haven van New York. Een uit Libanon afkomstige christelijke jongeman, die via Parijs en Le Havre de avontuurlijke reis naar de Nieuwe Wereld ondernam. Twee jaar later trok hij verder naar Venezuela om zich uiteindelijk in 1903 in de Nederlandse kolonie Curaçao te vestigen. De emigrant uit de Levant was de vader van de in 1960 verongelukte Julio en de grootvader van Toon en Jopie Abraham. Julio en zijn twee zonen, Bonairiaanse politici die tussen 1949 en 2010 hun sporen in de politiek van de Nederlandse Antillen verdienden, waren ooggetuigen bij belangrijke momenten in de gemeenschappelijke geschiedenis met Nederland. De politieke dynastie omspant de periode van de eerste parlementaire verkiezingen in de kolonie in 1949 tot aan het staatkundig einde in 2010 van het land dat bij de dekolonisatie in 1954 ontstond. Drie legendarische politici: Julio de Man van het volk, Toon (1936) de Zakenman-politicus en Jopie (1948) de Revolutionair. Journalist Trix van Bennekom is sinds 2006 Antillen-correspondent voor Elsevier. Eerder schreef zij de succesvolle kroniek De Tragiek van Bonaire, over de veranderende maatschappij op het eiland waar zij woont.

7) Grand Hotel – Vicki Baum – Roman – Querido
Berlijn, jaren twintig. In een luxueus grand hotel raken de levens van enkele gasten korte tijd met elkaar verweven, wat voor ieder van hen grote gevolgen heeft – voor de ouder wordende Russische ballerina Groezinskaja, die smacht naar aandacht en liefde; de charmante oplichter baron Gaigern, die op haar parels aast; de terminaal zieke boekhouder Kringelein, die zijn laatste dagen wil doorbrengen in grandeur; de eigenzinnige, verleidelijke secretaresse Flämmchen, en de bijna failliete wanhopige ondernemer Preysing. Liefde, verraad, moord en geluk – met een speelse, ironische lichtheid en een adembenemende vaart verbindt Vicki Baum het lot van de hotelgasten met elkaar. Grand Hotel is een internationale bestseller uit 1929, verfilmd met Greta Garbo (en bekroond met een Oscar voor beste film) en herontdekt door The New York Review of Books.

8) Dansende beren – Witold Szablowki – Heimwee naar het communisme – Nieuw Amsterdam
Gedurende vele jaren leerden Bulgaarse zigeuners beren dansen. Met de val van het communisme kregen ook de beren hun vrijheid. Bij stress of onverwachte situaties echter schieten ze in een oude reflex en gaan op hun achterste poten staan, klaar om een kunstje te vertonen. Tijdens zijn journalistieke reis door onder meer Polen, Albanië en Bulgarije tekent Witold Szabłowski de intrigerende verhalen op van mensen die vrij zijn, net als de getemde beren, maar nog vaak verlangen naar de communistische tijd. Zo ontmoet hij verstokte aanbidders van Stalin in diens geboortehuis, en een Oekraïense geestelijke voor wie de Europese Unie een duivelse verleider is. Dansende beren is een fascinerend, metaforisch boek over grote maatschappelijke omwentelingen, waarbij mensen hun weg moeten zien te vinden in een nieuw sociaal en politiek landschap. Verweesd kunnen velen zich daarbij voelen, net als de beren zonder hun baas.

9) Calm. The. Fuck. Down – Asha ten Broeke – Columns – Maven Publishing
In dit boek zijn haar beste stukken verzameld. Waarom was iedereen Charlie, maar niemand bootvluchteling? Als alle politici zich druk maken over de rechtse onderbuikgevoelens, wie luistert er dan naar linkse onderbuiken? Hoe komt het dat we zieke vrouwen minder serieus nemen dan zieke mannen? Waarom is het kabinet niet blij met zzp’ers, is sletvrees al op de basisschool een issue en waarom wilde neurobioloog Dick Swaab een prinsessenjurk voor Asha kopen? Asha bespreekt deze en nog veel meer vragen vanuit één vurige en schaamteloze wens: een betere, rechtvaardigere wereld voor iedereen. En die begint met rustig tot tien tellen (oftewel: Calm. The. Fuck. Down.).

10) De dochter van Crusoe – Jane Gardam – Roman - Cossee
Aan het begin van de vorige eeuw wordt de zesjarige Polly Flint achtergelaten bij haar twee vrome tantes, een norse weduwe en een onberekenbare dienstmeid. In hun gele huis aan de Engelse kust, met niets anders dan duinen en een uitgestrekt landschap om zich heen, zit er voor de eenzame wees niet veel anders op dan te lezen. Vooral Robinson Crusoe sluit ze in haar hart, ze delen immers hetzelfde lot: beiden achtergelaten op een verlaten stukje land en beiden de held van hun eigen verhaal. Polly neemt het boek met zich mee wanneer de aristocratische Mr Thwaite, een mysterieuze kennis van de familie, haar uitnodigt voor een bezoek aan zijn landgoed op de vlaktes van York. Samen met zijn zus ontvangt hij verarmde schrijvers en artiesten. Daar wordt ze verliefd, eerst op een jonge dichter, later op een geheimzinnige Duitse
jongen uit een gegoede Joodse familie.  Meer dan acht decennia leven we met Polly mee. We zien hoe de overzichtelijke Victoriaanse tijd geleidelijk plaatsmaakt voor de chaos en de onzekerheid van de twintigste eeuw en hoe het afgezonderde gele huis aan de kust omsloten wordt door de moderne wereld, door woonwijken en autowegen. Deels gebaseerd op haar eigen jeugd en die van haar moeder in het eenzame Yorkshire, schetst Jane Gardam met het stilistisch vernuft dat we van haar kennen het portret van een jonge, onafhankelijke vrouw in het

CULTUURMIX 12 NOVEMBER 2018

Papendrecht 12-11-2018

RAUTER

Begin deze week kreeg ik een lijvig werk toegezonden, dat mij meteen in de ban had. Het ging om het hele verhaal van een vooraanstaande beul uit de Tweede Wereldoorlog. Het betrof het levensrelaas van de nazi die de dood van velen bewerkstelligde. Het had als rode draad de biografie van nazi die wij als gezin vele malen op afstand in de tijd tegenkwamen. Ik heb het over de 748 bladzijden tellende paperback Rauter van Theo Gerritse en uitgeverij Boom met de ondertitel ‘Himmlers vuist in Nederland’. Ik begin met een herinnering uit het eigen verleden.

Met echtgenote en drie zonen fietste ik vele malen over de Veluwe. Een vast traject was hierbij de lommerrijke weg van Hoenderloo naar Loenen. Bij het oversteken van de Oude Arnhemseweg verwijlden wij immer bij de buurtschap met het restaurant Woeste Hoeve voor het monument dat herinnert aan de aanslag in de nacht van 6 op 7 maart 1945 op de SS-generaal Hans Albin Rauter. De bedoeling van het verzet was een Duits legervoertuig te bemachtigen en men wist niet dat Rauter zich in de auto bevond. De man was zwaargewond maar overleefde het vuurgevecht. De Duitsers lieten als represaille enkele honderden gevangenen executeren, van wie 117 bij Woeste Hoeve. Op gepaste wijze stonden wij stil voor het gedenkteken dat sinds 1992 ook een stenen plaat kent dat dichtregels heeft van Dietrich Bonhoeffer’:

Als je van iemand houdt En je bent van diegene gescheiden 
Kan niets de leegte vullen
Je moet dat niet proberen
Je moet eenvoudig aanvaarden en volharden
Dat klinkt erg hard
Maar het is ook een grote troost
Want zolang de leegte werkelijk leegte blijft
Blijf je daardoor met elkaar verbonden.

Deze regels nam ieder van ons met zich mee en vormden het thema van het gesprek op de fiets: wie veroorzaakte die leegte: Rauter.  U kunt zich voorstellen dat ik de komende dagen mij ga verdiepen in het toegankelijk en tintelend geschreven werk Rauter, dat het proefschrift behelst van Theo Gerritse. Over een paar weken wisselen wij hier met elkaar onze leeservaringen over Rauter uit en als bagage voor de leestocht onderweg geef ik u de tekst van Boom op de omslag en die van Ad van Liempt uit de Volkskrant van 27 oktober met de titel ‘Fascinerend portret van een nazi die op geen menselijk trekje te betrappen viel’ en de ondertitel ‘Eindelijk is er een complete biografie over de hoogste man van de SS in Nederland tijdens de Duitse bezetting. Theo Gerritse maakte een gedetailleerd, fascinerend portret.’ Op de voorzijde omslag zien wij Rauter op de schietbaan van de SS-Schule Avegoor in Ellekom. 

Boom: ‘Gitzwarte biografie van de man die zonder enig berouw de taken van SS- leider Heinrich Himmler uitvoerde in Nederland. Hanns Albin Rauter (1895-1949) was tijdens de Tweede Wereldoorlog de meest gevreesde en gehate vertegenwoordiger van de Duitse bezetting in Nederland. Als vertegenwoordiger van Himmler voerde hij zonder mededogen de taken van de bezetter uit. Zo sloeg hij de Februaristaking (1941) en de April-meistakingen (1943) neer, maakte hij jacht op verzetsstrijders en regisseerde hij de deportatie van Joden. Daarnaast stond onder vele doodvonnissen zíjn handtekening. In Rauter schetst Gerritse het zwarte beeld van een man die opklom van een kleine straatvechter in Oostenrijk tot de belichaming van het kwaad als de rechterhand van Himmler. Niet eerder verscheen er een werk waarin de misdaden van deze 'tweede Alva' zo uitgebreid aan het licht werden gebracht.’ 

Van Liempt: Op 25 maart 1949 trad Hanns Albin Rauter in de duinen bij Scheveningen voor het vuurpeloton. De hoogste man van de SS en van de politie in Nederland tijdens de Duitse bezetting weigerde de blinddoek, riep ‘Deutschland’ en daarna, in het Nederlands, ‘VUUR’. De leden van het peloton schoten direct, ze maakten een einde aan het leven van de man die tot de laatste snik de leiding wilde hebben. Het is een typerende scène, beschreven in de biografie Rauter – Himmlers vuist in Nederland van Theo Gerritse.
Ruim 73 jaar na de Duitse capitulatie is eindelijk grondig uitgezocht wat dat voor man was, die de hele oorlog de meedogenloze bezetter verpersoonlijkte, die leiding gaf aan het terreurapparaat en die nooit op een menselijk trekje te betrappen viel. Theo Gerritse heeft er tien jaar over gedaan, een deprimerend karwei, vooral, omdat in geen van al die documenten die hij bestudeerde plaats was ‘voor twijfel, een persoonlijke noot, iets van humor, een warm gebaar’. Rauter (1895) kwam zijn jonge jaren niet ongeschonden door. Als student bouwkunde liep hij littekens in zijn gezicht op bij zijn favoriete schermsport, als vrijwilliger in het leger kreeg hij in de Eerste Wereldoorlog een kogel in zijn bovenbeen en na zijn herstel nog een in zijn schouder. Vrede was aan Rauter niet erg besteed: hij wijdde zich na 1918 geheel aan politieke strijd, eerst in zijn geboorteland Oostenrijk (mislukte staatsgreep, agitatie in de naar fascisme neigende Heimatschutz) en vanaf 1933 in Duitsland. Daar trad Rauter toe tot de SS van Heinrich Himmler, waar zijn carrière een hoge vlucht nam.

Hij werd in 1940 Himmlers hoogste vertegenwoordiger in Nederland; ondergeschikt aan rijkscommissaris Seyss-Inquart, maar met bijna onbeperkte macht inzake orde en veiligheid. Voortdurend hield hij Himmler op de hoogte van zijn vorderingen op de twee punten die de hoogste prioriteit hadden: de strijd tegen het verzet en de verwijdering van de Joden uit Nederland. Die rapporten aan Berlijn geven een inkijkje in Rauters strategie: hij overdreef de successen tegenover zijn hoogste chef. Gerritse noemt hem een borstklopper die voortdurend ‘zijn eigen rol opwreef’. Dat we dat allemaal kunnen weten, en dat Gerritse dat allemaal kon bestuderen, was eigenlijk niet de bedoeling. Rauter had zijn hele archief op tijd laten vernietigen. Bij zijn proces na de oorlog had hij er de pest over in dat het Openbaar Ministerie over veel documenten beschikte die hij had laten verbranden. Wat bleek? Himmler had zijn eigen archief grotendeels intact achtergelaten, het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie had er 20.000 stukken uit laten fotokopiëren, en zo was er een karrevracht aan bewijs tegen Rauter.

Gerritses studie toont opnieuw aan hoe druk het nazibestuur in Nederland het had met zichzelf. Eindeloos zijn de onderlinge bureaucratische gevechten, ‘een strijd van allen tegen allen’. Rauter deed daar onvermoeibaar en met volle overgave aan mee; hij was er ook goed in, de zinnen in zijn correspondentie waren, aldus Gerritse, ‘uit plaatstaal gezaagd’. Vooral NSB-leider Anton Mussert was zijn vaste doelwit. Mussert wilde een soort minister-president van Nederland binnen een Groot-Germaans rijk worden. Rauter liet Seyss-Inquart weten dat hij in dat geval zou vertrekken. Maar Mussert wegwerken lukte hem ook niet – op de achtergrond wilde Hitler voorkomen dat daarmee de NSB zou opdrogen als reservoir van soldaten en mannen voor de vuile klusjes. Gerritse toont overtuigend aan dat Rauters macht scheuren ging vertonen bij de nadering van de geallieerden. Als Germaanse strijder wilde hij een rol spelen in de te verwachten slag tegen de vijand, en tegelijk verloor hij zijn greep op het Nederlandse verzet. Hij radicaliseerde steeds verder. Toen de spoorwegstaking uitbrak, stelde hij zelfs voor dat Amsterdam totaal moest worden afgesloten – Seyss-Inquart praatte het hem uit het hoofd.
De laatste twee maanden van de oorlog maakt hij niet bewust mee. Bij een aanslag van het verzet (die niet op hem was gericht) raakt hij zwaar gewond. Zijn omgeving besluit tot de executie van meer dan 260 gevangenen, bij wijze van represaille – ‘een afscheidscadeau in stijl’ noemt zijn biograaf dat. Na zijn herstel kan hij, opgelapt en wel, in Nederland terechtstaan. Rauter stelt zich fel teweer, hij vindt het overwinnaarsrechtspraak: ‘De verliezer wordt voor de wagen gespannen, de winnaar hanteert de zweep.’ Rauter bagatelliseert nu opeens zijn rol, ontkent zelfs dat hij wist wat er met de gedeporteerde Joden gebeurde.

Gerritse heeft in die tien jaar zoveel documenten gelezen dat hij de lezer precies kan bijlichten waar Rauter het Gerechtshof voorloog. Na het doodvonnis krijgt zijn vrouw Else (22 jaar jonger, inmiddels moeder van vijf kinderen) de kans hem te bezoeken. Na de bevestiging van het vonnis in cassatie mag ze nog een keer komen, met twee dochters. De jongste dochter Almut heeft Rauter nooit gezien. Familieleden van Rauter heeft Gerritse niet te spreken gekregen. Maar ook zonder hen heeft hij een compleet en fascinerend portret kunnen tekenen van de man die afwisselend ‘de tweede Alva’ en ‘de gier uit de Alpen’ werd genoemd. Alleen merkwaardig dat in het boek alle Duitse citaten onvertaald zijn weergegeven. Dat gebrek aan service zal veel mensen het lezen een stuk minder aangenaam maken.’
 

1 INTERVIEWER 10 GEBODEN 100 EN ENIGE SCHRIJVERS 
 
Ik kondig u een vuistdikke bundel aan, die boeiend en bruisend is van meet tot finish. Ik doe u bericht over een collectie vraaggesprekken waarvan ik wekelijks een proeve tot mij nam. Ik wil bij u introduceren een werk dat inspirerende gesprekken over geloof, moraliteit, liefde, werk, familie, zeg maar over de Tien Geboden bevat. Het gaat om de 814 bladzijden tellende paperback 1 interviewer 10 Geboden 100 en enige schrijvers van Arjan Visser en Atlas Contact.
In het dagblad ‘Trouw’ lees ik elke zaterdag het vraaggesprek van Visser, die als leidend thema de Tien Geboden - in de protestantse of katholieke versie - kennen. Een groot deel van de geïnterviewde denkers werd gevormd door schrijvers binnen de eigen landsgrenzen. En die maken nu in de bundeling de dienst uit. Uit de inmiddels twintig jaargangen met vijfhonderd afleveringen van Arjan Visser beleven meer dan honderd auteurs hun revival en de inhoudsopgave was dan ook voor mij een feest van herkenning. Om maar enkele hoofdfiguren te noemen die in onze Cultuurmix hun opwachting maakten: Jan van Aken, Gerbrand Bakker, Jan Brokken, Jessica Durlacher, Anna Enquist, Arnon Grunberg, Stine Jensen, Jan Siebelink, A.L. Snijders, Henk Spaan, Franca Treur, Thomas Verbogt, Tommy Wieringa, Koos van Zomeren. Zij gingen zitten in de biechtstoel aangereikt door Arjan Visser.

Met een knipoog naar de nakende winterweken met als pieken de vrije feestdagen, zeg ik u dat deze bundel krachtig en prachtig leesvoer is. Elke dag dertien weken achtereen een interview tot u nemen, dan komt u geestrijk deze winter door.  Ik wil u voorpret geven door het eerste interview uit de bundel integraal aan u door te geven: dat met Jan van Aken, van wie wij vrij recent de historische roman De ommegang met elkaar bespraken. Overigens: dat ‘voorpret’ met een korrel zout nemen, want Van Aken gooit de knuppel in ons eigen hoederhok. De volgende keer ga ik voor de schrijver, van wie wij het gehele oeuvre hier gezamenlijk doornamen: Jan Siebelink. Arjan Visser vroeg voorbije 28 juli 2018 Jan van Aken de hemd van het lijf naar aanleiding van de katholieke versie van de Tien Geboden.
 
1 Gij zult de Here uw God aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten - God, dat is zo'n ruim begrip. Ik vind het hele idee van een persoonlijke God absurd. En ik heb al helemaal een hekel aan alles wat wil monopoliseren. Mocht ik op een dag uit de dood ontwaken om er achter te komen dat God tóch bestaat, dan zou ik hogelijk verbaasd en bovendien bijzonder teleurgesteld zijn; ik zou het zo'n kinderachtige, simplistische werkelijkheid vinden... Een God die wil dat een stel van die beestjes op zo'n planeet hem aanbidden? Wat is dat voor een zielepoot? Nee, het beeld van de monotheïstische God is volslagen ongeloofwaardig. Ik geloof - met Nietzsche - dat wij, in het Westen, veel te rationeel zijn geworden om in een God te kunnen geloven. Hier is godsdienst een soort folklore geworden, iets wat erbij hoort maar niet écht doorvoeld of doorleefd wordt. Ik denk niet dat er nog veel christenen in Nederland te vinden zijn die blijmoedig de brandstapel opklimmen om te getuigen van hun rotsvaste geloof in Jezus. Dat is het ook probleem met het wereldwijd opkomende fundamentalisme: iedereen probeert steeds maar allerlei oorzaken te verzinnen voor de religieus geïnspireerde geweldsexplosies - want nee, met islam, boeddhisme, christendom heeft het niets te maken! - maar we kunnen ons gewoon niet meer voorstellen dat er wel degelijk een compleet, alles verzengend, religieus vuur in de mens kan branden."

II Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken. "God is maar een woord. We kunnen er op honderdduizend manieren mee variëren - getverdemme, gatverdamme, potverdikkie, grutjes nog aan toe - maar eigenlijk heb ik een hekel aan eufemismen, aan al die politiek-correcte termen voor van alles en nog wat. Als iemand zijn teen stoot, zegt hij godverdomme. Ook als hij religieus is. Nee? Goed, breng mij een heel religieus persoon, dan wil ik hem weleens op zijn teen stampen zodat we wetenschappelijke kunnen vaststellen dat ik wel degelijk gelijk heb. Overigens: ik vind atheïsten ook vaak erg irritant in hun ijver om hun standpunt over te dragen. Soms heb ik het idee dat ze vooral zichzelf willen overtuigen. Ik wil mijzelf überhaupt niet positioneren ten opzichte van een God, ik zie geen enkele grond om zoiets te veronderstellen. Voor mij is religie iets anders dan 'godsdienst'; het is een functie van het bewustzijn. Wel geloof ik in religieuze ervaringen. Dat zijn de momenten waarop je een grootsheid ziet, die je opheft, en waardoor je je verbonden weet met alles om je heen. Het is moeilijk uit te leggen, maar dat is ook precies het kenmerk van zo'n ervaring. De Tao waarover gepraat kan worden is niet de echte weg. Het is het onzegbare.''

III Gij zult de dag des Heren heiligen. "Ik word iedere ochtend om vijf, zes uur wakker. Heel even overweeg ik te blijven liggen, maar na een minuut begin ik de eindeloze mogelijkheden te overdenken die de komende dag biedt en dan móet ik opstaan. In principe wil ik dan schrijven. Vaak komt het daar helemaal niet van. Er zijn zoveel interessante dingen te doen. Halverwege de dag stort ik in, slaap anderhalf uur, kijk daarna misschien nog een paar filmpjes op bed en dan probeer ik me weer aan het schrijven te zetten. Dat is het ritme van alle dagen. Ik weet vaak niet eens welke dag het is. Ik vind het ook niet erg. Zie je die klok daar? Is het je al opgevallen hij nog steeds op tien over tien staat? Heel fijn is dat. Nu heb ik geen idee meer hoe lang ik heb liggen niksen en hoef ik me daar dus ook niet meer schuldig over te voelen."

IV Eer uw vader en uw moeder. "In mijn jeugd had je nog het generatieconflict. Dat schijnt nauwelijks meer voor te komen. Ik zie de dingen nu in een bredere context dan ik vroeger deed. Mijn ouders zijn van voor de oorlog en groeiden op in de jaren veertig, vijftig, in katholieke dorpjes in de Achterhoek. Ze hebben die gezapige jaren vijftig meegemaakt, terwijl de enorme versnelling van de jaren zestig met de afbraak van alle heilige huisjes enigszins aan hen voorbijging, want wij woonden als gezin in de jaren zestig op Aruba waar mijn vader als onderwijzer werkte op een katholieke basisschool. Ik heb altijd het idee gehad dat de Nederlanders daar leefden in een tijdloze luchtbel van de cultuur waar ze uit voortkwamen terwijl elders in de wereld een enorme ontwikkeling gaande was. "Op mijn twaalfde of dertiende verhuisden we terug naar Nederland. Ik had aanpassingsmoeilijkheden. Ik begreep de culturele, maatschappelijke codes niet. Op Aruba zat ik een paar jaar als het enige blanke kind van de klas op een katholieke zwarte school en moest ik altijd spitsroeden lopen. Maar ook in later jaren, op een gemengde, protestantse school, leerde ik vooral om iedereen die me iets aandeed onmiddellijk voor zijn bek te slaan. Dat bleef ik in Nederland nog een tijdje doen. Ook thuis kon de botsing niet uitblijven, ik wilde niet in het gareel blijven lopen. Op mijn zeventiende ben ik het huis uitgegaan. Het ging er in mijn optiek zo streng, zo onredelijk aan toe dat ik wel weg móest. Er was geen keuze meer. Als ze mij gewoon met rust hadden gelaten, was alles misschien heel anders gelopen. Hoe meer je mij onder druk zet, hoe meer ik denk: wegwezen hier.

"Later, toen ik volwassen werd en zelf ouder was geworden, begon ik in te zien dat het helemaal niet zo eenvoudig is om kinderen op te voeden. Het lijkt me geen goed idee om mijn ouders hier, nu, te bekritiseren. Ik zou van alles over mijn jaren op Aruba kunnen zeggen, maar ik weet dat ik hun daar verdriet mee zal doen omdat ze een andere beleving hebben van die tijd, dus waarom zou ik? Ik heb dat vroeger al gedaan en die periode staat nu zo ver van me af, dat het een ander persoon lijkt te betreffen. Ik ben dol op mijn ouders. Het lijkt me een heel goed idee om je ouders te eren. Behalve, natuurlijk, als het volslagen idioten zijn die je aan de verwarming vastbinden, je een bak hondenvoer te vreten geven, en zelf vervolgens op vakantie naar het buitenland gaan."

V Gij zult niet doden. "In mijn geest ben ik gewelddadig, altijd al geweest. Mijn oude leraar Nederlands zei ooit tijdens een interview op een literaire avond dat hij zich na al die jaren nog precies kon herinneren wat hij dacht toen hij mijn eerste opstel las: 'Deze jongen kan schrijven.' En zijn tweede gedachte was: 'Deze jongen is knettergek.' Het was een en al moord- en doodslag, het bloed droop er vanaf. Dat was dus in de brugklas, mijn eerste jaar in Nederland. Maar ik zit nog steeds vol geraas en furie en ik wil nog wel eens fantaseren over hoe ik de mensen zal mishandelen die me in mijn leven hebben dwarsgezeten."

VI Gij zult geen onkuisheid doen. "Vroeger was alles vies. En raar. Om te beginnen waren er vieze woorden waarvan ik niet eens wist wat ze betekenden. Dan kwam ik thuis met 'poep', 'pies' of 'piemel' en was de wereld te klein. Kut? Daar kan ik bij mijn moeder nog steeds niet mee aankomen! Het werd niet expliciet gemaakt - daar was een kind niet aan toe - maar je moest nóóit met vreemde mannen meegaan, want die zouden 'rare dingen' met je doen. Daardoor besloot ik al snel om eens naar zo'n vreemde man op zoek te gaan in de hoop dat ik hem kon ontfutselen wat hij nou eigenlijk precies voor rare dingen in gedachten had. Tja, onkuisheid... De ideeën daarover veranderen ook voortdurend. Honderd jaar geleden was homoseksualiteit nog onkuis, nu is het zo gewoon dat hetero's zich al bijna abnormaal beginnen te voelen. Onkuisheid is een glijdend begrip. Laten we het daar maar op houden."

VII Gij zult niet stelen. "Ik ken de cijfers niet, maar heb wel eens gehoord dat er zelfhulpgroepen zijn voor ex-koloniale kinderen die in Nederland in de problemen raakten. Ik heb er zelf verschillenden gekend die de fout in gingen. Ik ging ook gebruiken, al ben ik nooit zo'n junk geworden die zijn familie ging bestelen of zo. Sterker nog: ik had het redelijk onder controle. Ik gebruikte cocaïne en heroïne, maar ik at ook altijd twee keer per dag warm, ging regelmatig naar de sportschool en ik kon makkelijk na een nacht van drank en drugs nog een heel eind gaan hardlopen. De vriendin met wie ik op mijn zeventiende ging samenwonen, was echt verslaafd. We kregen een kind toen ik negentien was. Nog voor zijn eerste verjaardag zijn we uit elkaar gegaan. In die tijd gebruikte ik zelf niet of nauwelijks, dat begon pas een paar jaar later. Het ging heel lang goed met me, ik gebruikte beheerst, met tussenpozen, maar na een ernstig auto-ongeluk waarbij mijn nieren en mijn rugwervels ontzet werden, begon ik steeds meer te gebruiken. Tegen de pijn. Ik moest toch 's ochtends mijn kind naar school brengen? Even een snuifje of een trekje en ik kon er weer tegenaan. Tot ik er op een dag genoeg van had, afkickte en opnieuw begon. Uiteindelijk ben ik ambulant afgekickt, kon gewoon thuis blijven wonen. Ik was volgens mijn psycholoog een junkie van het ergste soort. Eentje die er mee om kon gaan en nooit de bodem had gezien. Het klinkt misschien gek, maar ik hou er helemaal niet van om verslaafd te zijn. Dat past niet bij mij. Als iemand me nu iets aanbiedt - 'Wil je een snuif?' - dan zeg ik weleens 'O, ja, leuk' maar het is niet zo dat ik dan de volgende keer weer moet gebruiken. Sterker nog: drank en drugs zitten mijn werk enorm in de weg. Schrijven is voor mij het allerbelangrijkst. Dat zorgt ook voor een roes. De roes van de creativiteit, het stromen van de verbeelding, veel fijner dan alles wat drank en drugs te bieden hebben."

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen. "Wat ik je zojuist vertelde staat ongeveer zo in Het Fluwelen Labyrint, de historische en antihistorische roman die ik in 2005 heb geschreven. Het is een totaal versplinterd portret, het zijn de aan elkaar geplakte scherven van een stukgeslagen spiegel. Gaat het over mij? Ja en nee. Ik heb de hele vorm van het boek, met een koor aan onbetrouwbare vertellers, gekozen om te laten zien hoe moeilijk het is om jezelf te kennen, om de tijd waarin je leeft te doorzien. Ik zie mezelf als een voortdurend veranderende entiteit. Ik ben de hoofdpersoon in mijn eigen rapsodische vertelling, maar aan het einde van het boek vragen de vertellers zich af of ze nu de echte persoon hebben laten zien, of dat het een mislukte archeologische reconstructie is, een monster van Frankenstein, gemaakt van aaneengenaaide lappen."

IX Gij zult geen onkuisheid begeren. "Trouw vind ik ook een complex begrip, het betekent voor mij waarschijnlijk iets anders dan voor jou. Ik heb het huwelijk nooit als iets vanzelfsprekends gezien. En de romantische liefde ook niet. Bruiloften: wat een poppenkast! Ik ga er niet meer heen. Wat me het meest tegenstaat is de monopolisering van het huwelijk: dit is het en zo hoort het voor altijd te zijn. Inmiddels kennen we gelukkig vele soorten huwelijken en samenlevingsvormen. Ik vind dat alle waarden voortdurend omgedraaid en bekeken moeten worden. Is dit, wat wij nu hebben, echt wel zo gewoon? En wat die onkuise begeerte betreft: wie van ons kan zeggen dat hij zonder begeerte is?"

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort. "Ons dienstmeisje op Aruba woonde in een huis met een grote tuin. Achterin die tuin, vol bananenbomen, groentebedden en planten in van die grote Blue Bandblikken, stond een tuinhuisje. Het huisje was volgepakt met boeken. Er was alleen nog ruimte voor een fauteuil. Ik was acht of negen en ik dacht: zoiets wil ik later ook hebben. Een mooie tuin en een schrijvershuisje vol boeken. Nou, kijk: hier zit ik, in Ruigoord, op precies zo'n plek. Help me eraan herinneren dat ik je straks een maaltje Japanse wijnbessen meegeef. En wat pruimen. Als de vogels ze nog niet hebben opgegeten. Hier kan ik de grootsheid ervaren waarover we in het begin hebben gesproken. Ik heb het goed. Met mijn huisje, mijn werk en de mensen van wie ik hou. Tegelijkertijd zie ik hoe er allerlei verschuivingen op komst zijn. Wie een beetje realistisch is, begrijpt dat het helemaal fout gaat met de aarde. We hebben idioten aan de macht geholpen, waanzinnigen die de klimaatverandering een hoax durven noemen. Alle pijlen wijzen op een enorme ramp. En al leven we in een complexe wereld waarin voorspellingen, zeker voor de lange termijn, zelden uitkomen, de trends zijn duidelijk: hongersnood, natuurgeweld, oorlogen. Er is geen enkele reden tot optimisme en toch word ik altijd vrolijk wakker. Ik las ooit, ik geloof in de Mahabharata (omvangrijk religieus en filosofisch epos uit India - A.V.), dat iemand het bestaan vergelijkt met een monnik die op de vlucht is voor een tijger, uitglijdt, het ravijn in dondert, maar zich nog net kan vasthouden aan een boomwortel. Onder hem hapt een krokodil naar zijn opgetrokken benen. Boven zijn hoofd staat de tijger te grommen. En dan ziet de monnik ineens een bloemetje uit de rotswand steken. Hij laat één hand los, vangt met zijn gestrekte wijsvinger een druppel honing en steekt die tevreden in zijn mond. Dat is het leven. Die monnik, dat ben ik."


SNOECKS 2019

En weer snelde een jaar voorbij, en wel zo vlug schoot de tijd langs, dat ik de voorganger van dit kijk- en leesalbum nog maar net ruggelings naast de rij in mijn boekenkast gezet heb. De fotoboeken zetten mij immer in volle gloed en daarom haal ik ze steeds van de plank. Ik roep een hartelijk welkom toe aan het 576 bladzijden tellende, van meet tot finish grandioos geïllustreerde Snoecks 2019 dat wederom uitgegeven is door Scriptum uit Schiedam. Op de omslag zien wij een bloedmooi meisje, gehuld in rood haar en sproeten. Op blz. 528 staat als entree van het chapiter ‘Maja Topcagic – Het unieke van sproeten: ‘De Bosnische fotograaf Maja Topcagic (1989) heeft duidelijk iets met roodharige vrouwen en sproeten. Haar reeks ‘Freckled’, een persoonlijk project, is daarvan het onomstotelijk bewijs. ‘Ik werd aangetrokken door roodharigen omdat ze zo uniek zijn. Minder dan twee procent van de mensen heeft rood haar.’ In het artikel figureren vervolgens deze vrouw zes collegaatjes die pronken met ravissant rood haar en sprankelende sproeten. Overigens, Snoecks  2019 is ook te verkrijgen met op de cover een foto van Reine Paradis. De 95ste editie van het jaarboek mag er wis en waarachtig weer zeker zijn. 

Ik geef u de intro van hoofdredacteur Geert Stadeus en uitgever Paul Snoeck: ‘Het was weer een feest om de vele kunstenaars, fotografen en vertellers bij elkaar te zoeken. We zijn blij u opnieuw bijna zeshonderd pagina’s lang een boeiend en internationaal palet te kunnen tonen van architectuur, literatuur, verhelderende reportages en uiteraard schitterende fotografie van vandaag, over alle genres heen. Snoecks neemt u deze keer mee naar de bruisende Pioneer Studio in Brooklyn waar Dustin Yellin werkt aan zijn sculpturen en een betere wereld, en naar het atelier in Boppard waar Frank Kunert de maquettes bouwt die aan de grondslag liggen van zijn fantasierijke fotografie. Kijk met hoeveel liefde en respect Patrick Willocq de rituelen van de Wale in beeld brengt en bezoek met Carlo Bevilacqua intrigerende utopische gemeenschappen in India en de Verenigde Staten. Maak uw borst nat voor de eigengereide architectuur van Eric Owen Moss en leer de ‘furries’ kennen dankzij Tom Broadbent. We hebben zelfs de mooiste houten fietsen voor u uitgekozen, en een uitstekend nieuw verhaal van de Duitse misdaadauteur Ferdinand von Schirach. Of u nu meteen aan het lezen slaat, of u liever al bladerend laar verrassen door de knappe foto’s, het wordt een begin van een mooie reis.’

Om u het album in te lokken noem ik de hoofdstukken van de afdelingen ‘Wereld’ en ‘Mens’. U weet dan ongeveer wat u te wachten staat. Daar komen ze: Carnaval in Haïti, Tulpen in Amerika,  Utopische communes, Houten fietsen, Kindboksers in Thailand, Rituelen van de Wale, Cuba: het slavernijverleden, IJsland, Het Dubai van Nick Hannes, Vluchtelingen in Europa, De furries van Tom Broadbent, Russen en hun slangen, Motoren in de sneeuw. En dan voor de vuist weg: op de pagina’s 91, 271, 319, 424, 476, 517 poseren zich blootgevende vrouwen, die dat ook doen op vele andere locaties in deze Snoecks.

U kent mij vooral als de man die zich ophoudt met werken uit het literaire genre. Deze Snoecks gaat mijn introducties bij u ver te boven. Zo in de afdeling ‘Snoecks Boeken’: wat daarin verteld wordt over Het enige verhaal van Julian Barnes, 1968 van Paul Goossens, De heilige Rita van Tommy Wieringa, De vluchtelingen van Viet Thanh Nguyen, De laatste getuigen. Kinderen in de Tweede Wereldoorlog van Svetlana Alexijevitsj, Het litteken van de dood van Onno Blom, Raadselvader van Jolande Withuis, en Dagelijks werk van Renate Dorrestein vormt niet alleen een feest van herkenning, maar vooral ook een panorama op niet vermoede gezichten en opinies. De volgende keer maak ik met u hier nog een tintelende trip door de 95jarige Snoecks. U weet nu in ieder geval al welk lees- en kijkvoer u in 2018 en 2019 te wachten staat.
Met een knipoog naar de komende dagen in december: ‘Snoecks 2019’ is wederom een pracht van een geschenk. Voor nog geen twintig euro kunt u het kijk- en leesalbum aan uzelf of een ander cadeau doen.
 

WIJ, DE MENS

Ik leid u naar de proloog van gelukkig weer een nieuw werk in het non-fictieve oeuvre van een alom gevierd auteur. Ik geef u een brok proza die de proloog vormt van een schrijver wiens boeken steeds in deze rubriek hun opwachting maakten. Ik noem de titels De graanrepubliek, Ararat, Stikvallei, Een woord een woord  en In het land van de ja-knikkers en u bent verheugd over deze annonce. Het gaat om de 282 bladzijden tellende paperback Wij, de mens van Frank Westerman en Querido Fosfor. De beste reclame voor deze nieuweling is het bericht dat het boek op de toonbank ligt van uw boekhandelaar. Om de proloog van Westerman een context te geven citeer ik eerst de tekst op de omslag. 

Querido: ‘Allemaal slaan we verwoed met onze staart op het water, maar anders dan de walvis menen wij mensen dat ons spetteren ertoe doet. September 2003. In een grot op Flores, Indonesië, komt een fossiele oermens bloot te liggen van amper een meter hoog. Rondom haar liggen skeletten van ratten zo groot als honden, olifanten zo klein als pony's en reuzenooievaars van 1 meter 80. Wat zegt deze spiegelwereld over wie wij zijn en waar we vandaan komen? ‘Wij, de mens’ neemt de lezer mee op een filosofische wereldreis – van de Maasvallei tot op de vulkaanhellingen van Indonesië. De inzet is hoog. Want als wij de overtreffende trap van het dier zijn, waarin schuilt dan het onderscheid?

Frank Westerman: ‘Ik had een hele tijd nodig om te begrijpen waar hij vandaan kwam. De kleine prins ondervroeg mij voortdurend, maar scheen mijn vragen nooit te horen. Pas langzamerhand, door toevallig gesproken woorden, is het mij duidelijk geworden. Zo vroeg hij, toen hij voor het eerst mijn vliegtuig zag [...]: ‘Wat is dat voor een ding?’ ‘Dat is geen ding. Het vliegt. Het is een vliegtuig, mijn vliegtuig.’ Ik was er een beetje trots op hem te vertellen dat ik kon vliegen. Toen riep hij uit: ‘Maar dan ben je uit de hemel gevallen!’ ‘Ja,’ zei ik bescheiden. ‘Nee maar, dat is grappig...’ En de kleine prins begon uitbundig te lachen. Dat maakte me een beetje boos. Ik stel er prijs op dat men mijn tegenspoed serieus neemt. Toen zei hij weer: ‘Dus dan kom jij ook uit de hemel! Van welke planeet?’ – Antoine de Saint-Exupéry, De kleine prins

Op tweede pinksterdag 2012 zet de eenmotorige Cessna Skyhawk met staartteken PH-SJK een daalvlucht in boven Ouddorp. Een minuut lang duikt de piloot onder het wolkendek om zicht te krijgen op de kustlijn en de door hem uitgestippelde koers. In de verte stijgen nevels op uit zee. Ze glijden in een vloeiende beweging het strand op – zoals ooit de eerste zeedieren aan land moeten zijn gekropen. Eerder die ochtend om 10.22 uur heeft het KNMI in zijn bulletin voor de luchtvaart gewaarschuwd voor de aanvoer van vochtige lucht via een noordwestelijke stroming. Het wordt een stralende dag, maar langs de kust is er ‘kans op nevel en op meerdere plaatsen ook mist’. Het type mist dat de piloot voor zijn ogen ziet ontstaan komt gemiddeld eens in de twee jaar voor en heet zeevlam. Zeevlam dankt zijn naam aan de optische illusie van een rokende branding: de golven spatten niet gewoon, ze dampen als theeketels.

Om 11.19 uur bereikt het vliegtuigje het diepste punt van zijn duikvlucht: 450 voet. Een voet is zo lang als een grote schoen, maat 47. Om je een voorstelling te maken van de vlieghoogte kun je ‘hak tegen neus’ 450 stappen afmeten. Zet de afstand die je dan krijgt als een denkbeeldige ladder tegen de wolken en bestijg die. Je bent er zo. Zodra de piloot het landschap in zich heeft opgenomen, trekt hij het neuswiel van de Skyhawk weer op. Onder sonoor gepruttel maakt hij een bocht in de richting van de open zee, met de bedoeling de opkomende mist te omzeilen. Het is 11.20 uur (één minuut na de dip onder de wolken) wanneer de PH-SJK via de boordradio contact maakt met de verkeerstoren van Rotterdam Airport. De piloot vraagt te mogen landen via de naderingsroute hotel. Dit betekent: met een boog over de monding van Maas en Rijn en dan oostwaarts over de Nieuwe Waterweg – net als de olietankers en containerschepen, maar dan hoger. De toren heet papa. Ginds ligt de landingsbaan als een uitgerold kleed te blakeren in de zon; er is letterlijk geen vuiltje aan de lucht. ‘This is Rotterdam information papa,’ antwoordt de verkeersleider van dienst. Hij draagt de piloot op naar 1500 voet te klimmen en zich boven Hoek van Holland opnieuw te melden. Gezien de koers, de kruissnelheid en de positie op de radar zou de PH-SJK binnen vijf minuten op de afgesproken plek moeten zijn. Maar de PH-SJK zal zich niet meer melden. Nooit meer, bij niemand. Een inwoner van Ouddorp is de laatste die de rood-witte Cessna ‘visueel heeft gespot’: de man ziet het staartstuk van de vierzitter oplossen in de wolken boven de duinrand.

Op enkele vliegminuten ten noorden van Ouddorp verzamelt zich tegelijkertijd een groep ouders met kinderen voor een rondrit met de Futureland Express. Dit is een stoer treintje bestaande uit een landbouwtractor die twee tot rijtuigen omgebouwde karren voorttrekt. De passagiers zijn opgewonden, omdat ze tot de eersten behoren die op maagdelijke gronden worden gedropt: de pas opgespoten Maasvlakte 2 is nog nagenoeg onbetreden terrein. Fysiek gezien is het een kleine stap om straks van de treeplank op dit nieuwe land-in-zee te springen; toch voelt het als iets gewichtigs, als iets wat iedereen aangaat. Volgens schema zal de Futureland Express om 12.00 uur vertrekken vanaf een platform van betonplaten op de rand van het bestaande havengebied. De ochtendhemel is blauw, maar tegen het middaguur betrekt de lucht. Er steekt een briesje op, de temperatuur daalt. De driebladige windmolens van Greenchoice staan nogal eenzelvig te roeren in de opkomende mist. Ze mengen de zilte zeelucht met de fabriekswalmen uit de havens. Eerder die week is de Maasvlakte 2 met een vuurwerk van blauwe rook in gebruik genomen. Met het uitbrengen van een champagnetoost – op dinsdag 22 mei 2012 – is ook het omliggende strand opengesteld voor publiek. Bij dit nieuwe strand hoort een duinenrij van veertien meter hoog met daarachter de ‘zandlichamen’ van de toekomstige kades. Omdat de aanplant van helmgras op zich laat wachten, lijkt de Maasvlakte 2 vooralsnog op de Sahara. Op deze pinkstermaandag drijft een koude mist de badgasten vroegtijdig naar huis. De tocht van de Futureland Express gaat door, al neemt het zicht kort voor vertrek af tot vijftig, hooguit honderd meter. De tractormachinist noch zijn passagiers hebben die ochtend het geronk van een propellervliegtuig gehoord. Alleen meeuwengekrijs. 

De verdwijning van een vliegtuig in een van de dichtstbevolkte landen ter wereld is een rariteit. Het vliegen zelf niet meer; navigeren door de lucht voelt onderhand aan als een tweede natuur. De Onderzoeksraad voor Veiligheid brengt een jaar later een 151 pagina’s tellend rapport uit onder de titel Vliegtuig vermist. Anders dan bij schepen in de Bermudadriehoek is de vermissing van de Cessna Skyhawk niet voorgoed. Zij duurt 301 minuten. Vijf uur na het laatste contact met Rotterdam papa wordt het wrak van de PH-SJK gevonden op 800 meter voorbij de verste halteplaats van de Futureland Express, op de in aanbouw zijnde kade tussen de twee prinsessenhavens – de Prinses Amaliahaven en de Prinses Alexiahaven. Het vliegtuigje, geknakt en vleugellam, ligt een kwartslag gedraaid naast zijn eigen inslagkrater. Als een vogel die tegen een ruit is gevlogen. De wijzer van de snelheidsmeter staat stil op 118 knopen – 219 kilometer per uur. Voor in de cockpit hangt het lichaam van de 50-jarige piloot. De uit de lucht gevallenene is niet aanspreekbaar, maar ademt nog. Hij zal niet meer bij kennis komen en twee weken later sterven in het ziekenhuis. Het scherm van zijn telefoon toont een rijtje gemiste oproepen. In zijn vliegtas zit een Visual Approach Chart voor het aanvliegen op Rotterdam Airport. Op deze luchtnavigatiekaart (uit 2008) ligt de kustlijn drieënhalve kilometer landinwaarts. Ook de reddingsbrigade werkt met kaarten die door de voortschrijdende werkelijkheid zijn ingehaald. De Cessna zou in zee zijn gestort, ware het niet dat de kustlijn is verlegd. Het water heeft plaatsgemaakt voor het droge. Maar bij het intikken van de laatst bekende coördinaten van de ph-sjk (zesendertig seconden voor impact) verschijnt op de computerschermen op Rotterdam Airport een positie boven zee. Weliswaar staat er being reclaimed, maar de kleur van de kaart is helderblauw (water). ‘We hebben, denken we ... [onverstaanbaar] in zee zien crashen,’ meldt een luchtverkeersleider aan de kustwacht. Hierop varen vijf schepen uit.

De Maasvlakte 2 is een nationaal zandkasteel, met de prinsessenhavens als slotgrachten. Het gebruikte zand komt uit een onderzeese groeve: het is via de zuigstangen van baggerschepen opgeslobberd uit een zandbank, zes mijl uit de kust. In de ijstijden lag die zandbank droog. Over de winderige vlakte tussen wat nu Engeland en Nederland heet liepen nijlpaarden en hyena’s, mammoeten en neushoorns, grottenleeuwen en bosolifanten. Door de Noordzeebodem af te graven doen wij mensen onbedoeld iets krankzinnigs: we spuiten de prehistorie terug naar de oppervlakte. Natuurlijk, de baggeraars zijn uit op zand en grind, dat ze in glinsterende modderbogen ‘rainbowen’ naar de plekken waar land moet komen. Maar hun bijvangst bestaat uit mammoetkiezen, elandgeweien, versteende hyenakeutels – overblijfselen van de oertijdfauna. De deelnemers aan de Futureland Express hebben in principe genoeg aan twee meter zicht; als ze het zand onder hun voeten maar kunnen zien. Strandjutters zijn het. Ze zoeken geen overboord geslagen kratten whisky, ook geen schelpen, maar fossielen. De hoofdprijs zou zijn: de schedel van een mensachtige. Verderop langs de kust, in Zeeland, is het eerste stukje oermens al gevonden. Een wandelaar raapte het op tussen het puin dat door een schelpenzuiger aan land was gespuwd. Het betrof een schedelfragment met een uitstulping boven de oogkassen die bij de moderne mens ontbreekt. Bij nadere bestudering bleek het te gaan om de eerste in Nederland gevonden neanderthaler, die in 2009 onder de naam ‘Krijn’ aan de rest van de bevolking is voorgesteld. Bij leven moet hij een jager zijn geweest die over de mammoetsteppe doolde in de delta van de rivieren Theems, Rijn en Maas – tussen de honderd- en veertigduizend jaar geleden. Sindsdien smolten de ijskappen, steeg de zeespiegel, stierf de neanderthaler uit en leerde de ongevleugelde homo sapiens zichzelf vliegen. Hij leerde ook land van water scheiden. Het nieuwe land is nog niet opgeleverd of er nadert een Cessna Skyhawk. Hoewel de toren de piloot heeft opgedragen te stijgen, duikt hij nog een keer onder de wolken om te kijken waar hij vliegt. Als een dolfijn, maar dan gespiegeld in de lucht. Er is alleen één verschil met daarnet: onder de wolken hangt een dichte mist. De piloot blijft de stuurknuppel naar voren duwen. Zijn vliegtuig dompelt zich in een grauwe wereld van waterdamp die doorloopt tot op het nieuwe, van fossielen vergeven aardoppervlak.’


TIEN TIPS VOOR DE SINT

Sint Nicolaas gaat de komende weken weer op tournee door ons land, waar hij als goedheiligman zo graag zijn jaardag viert. Sint geeft bij voorkeur goede boeken cadeau en om de baas uit Spanje wat te gerieven reik ik hem nu en straks een lijstje aan, waarop tien werken via de tekst op de omslag bij u hun opwachting maken. Ik wil na 5 december gaarne van u vernemen hoe de bisschop bij u uitgepakt heeft. Wisselen wij dan onze leeservaringen met elkaar uit.
 
1) Doornroosje – Katy Flint en Jessica Courtney-Tickle – Navertelling – Christofoor
In deze navertelling van het klassieke ballet De schone slaapster ontmoeten we de koning en de koningin, als ze een feest geven om de geboorte van hun dochter prinses Aurora te vieren. Een boze fee komt binnen en spreekt een verschrikkelijke vloek uit over het kleine prinsesje.
Zou er nog iemand zijn die haar kan helpen?
Er zit muziek in dit boek. Op elke bladzijde kun je op een noot drukken, waardoor het verhaal tot leven komt met muziek van Tsjaikovski's Doornroosje. Net als bij onze titel ‘Een jaar in één dag’ en ‘De Notenkraker’ hoor je de bekende klanken van een echt orkest! Aan het eind van het boek vind je alle muziek nog een keer! (De meegeleverde batterij kan worden vervangen).

2) Het grote vakantiepark – Willem du Gardijn – Verhalen – Koppernik
Na Negen raven toont Willem du Gardijn in Het grote vakantiepark opnieuw zijn talent voor het genre. De composities zijn zorgvuldig, zijn personages geloofwaardig. De taal is ingetogen, soms lyrisch op een klassieke manier. De lezer kan veel plezier beleven aan deze zes werelden met eigen toon, eigen conflict en eigen onverwachte wendingen. Tegelijkertijd is het boek één omdat er één thema is: de verbondenheid van liefde en verlies.

3) Boudewijn – Mark van den Wijngaert en Emmanuel Gerard – Koning met een missie – Davidsfonds
'Boudewijn legt weinig of geen nuances in zijn oordeel, iets is goed of kwaad, daartussenin bestaan voor hem haast geen schakeringen. 'Welke invloed had koning Boudewijn in het naoorlogse België? Vijfentwintig jaar na zijn overlijden maken Mark Van den Wijngaert en Emmanuel Gerard de balans op. Boudewijn erfde van zijn vader Leopold III een door de koningskwestie uitgehold koningschap. De politieke partijen maakten meer en meer de dienst uit. Alleen in crisismomenten kon hij nog van zijn sleutelpositie gebruikmaken om de politieke stromingen enigszins te beïnvloeden. Vanuit zijn religieuze overtuiging gaf hij aan de tweede helft van zijn koningschap een moreel-humanitair karakter. Hij bleef een koning met een missie. Boudewijn. Koning met een missie richt zich niet enkel tot de geïnteresseerden in het koningshuis, maar tot al wie de politieke geschiedenis van België beter wil leren kennen.

4) Beste Obama - Jeanne Marie Laskas – Ontwapenende briefwisselingen met de 44ste president – Harper Collins
Miljoenen brieven kreeg president Obama van de Amerikaanse bevolking gedurende zijn acht jaar in het Witte Huis. Brieven over armoede, eenzaamheid, verlies, verdriet, wanhoop en boosheid, maar ook brieven vol dankbaarheid en blijdschap. Alle brieven werden in categorieën verdeeld en beantwoord, of ze nu positief of negatief waren. En elke dag zocht een team van toegewijde medewerkers en vrijwilligers tien brieven uit die de president ook daadwerkelijk zelf las. Jeanne Marie Laskas bundelde de meest bijzondere brieven uit deze collectie in een inspirerend en aangrijpend boek over de échte Amerikanen, dat laat zien hoe zij samen één volk vormen, ondanks hun verschillen en de soms zeer persoonlijke problemen waar ze mee te maken hebben. De intieme brieven schetsen een wondermooi beeld van Obama zelf, als persoon en als president van het volk.

5) Zonder paniek geen paradijs – Joachim Meyerhoff – Roman – Signatuur
Na zijn jeugd op het terrein van een psychiatrische instelling, een tussenjaar in de Amerikaanse Wild West en een bijzonder ontmoedigende tijd aan de theaterschool, is Joachim een jonge, niet echt succesvolle acteur. Als hij Hanna ontmoet, een ambitieuze en briljante studente, lijkt zijn liefdesleven tenminste ergens heen te gaan. Maar dan verschijnt Franka, danseres en compleet het tegenovergestelde van Hanna. En dan is er nog Ilse, een bakker, in wier keuken hij zich gelukkiger en veiliger voelt dan waar dan ook. De vraag is: kan dit allemaal goed gaan? Het antwoord is: nee. In zijn vierde autobiografische roman vertelt Meyerhoff ontroerend en vermakelijk over zijn strubbelingen met de liefde. Wederom een onvergetelijk boek!

6) Descartes in Amsterdam – Hans Dooremalen – Filosofische detective – Boom
Amsterdam, oktober 1634. Naast de Westerkerk wordt een lijk gevonden. In de verse sneeuw is een vreemd symbool getekend en de hand van het naakte lijk omklemt een rapier. Wanneer meer doden onder vergelijkbare, mysterieuze omstandigheden worden aangetroffen, wordt de hulp ingeschakeld van een beroemde inwoner van de stad: René Descartes. De Franse filosoof zet zijn befaamde methode in om het mysterie te ontrafelen. Descartes in Amsterdam is niet alleen een spannende detective, maar ook een filosofische en historische roman. Het boek biedt een introductie in de vroege cartesiaanse methode en dompelt de lezer onder in het sociale en politieke leven van het zeventiende-eeuwse Amsterdam, bevolkt door beroemde historische figuren als Caspar Barlaeus, Andries Bicker en Nicolaes Tulp.

7) Als de schaduw die verdwijnt – Antonio Munoz Molina – Roman – De Geus
Terwijl de FBI naar hem op zoek is voor de moord op Martin Luther King, lukt het James Earl Ray om op valse paspoorten vanuit Amerika Lissabon te bereiken. Met behulp van vrijgekomen FBI-stukken reconstrueert Antonio Muñoz Molina de laatste stappen van Ray voor zijn arrestatie en neemt hij ons mee in diens hersenspinsels en zijn beruchte misdaad. Lissabon is ook de stad die Muñoz Molina inspireerde voor zijn eerste roman, Winter in Lissabon. Als hij er na dertig jaar terugkeert, wordt de stad het toneel voor drie elkaar afwisselende verhalen: Ray, die in 1968 het mikpunt is van een internationale klopjacht; de schrijver die er in 1987 zijn literaire stem zoekt; en Muñoz Molina die in het heden reflecteert op de mogelijkheid om via de roman de wereld door andermans ogen te verbeelden.

8) De onfatsoenlijken – Jan Antonissen – Een reis  door populistisch Europa – Polis
Ze zijn overal. Ze begrijpen het niet. Ze deugen niet. Ze zijn een gevaar, een pest, een schandvlek. In De onfatsoenlijken gaat Jan Antonissen op zoek naar de mensen die door de goegemeente met de nek worden aangekeken: de bange blanke mannen en vrouwen, het racistische stemvee van de populisten, de white trash uit onze voorsteden. Het zijn medeburgers voor wie de globalisering geen pretpark is, met leuke citytrips en goedbetaald kenniswerk. Die verliezers vindt Antonissen in de vele oude industriebekkens die Europa rijk is, van het Ruhrgebied tot Limburg, en van Noord-Frankrijk tot de Povlakte. De onfatsoenlijken is een roadmovie waarin iedereen een stuk van zichzelf zal herkennen. Angst om het morgen slechter te hebben dan vandaag is niemand vreemd. De mensen die de pech hebben om uit de middenklasse te tuimelen, naar hen kijkt niemand meer om. Jan Antonissen noteert hun brutale levensverhalen en beschrijft hoe velen van hen blijven knokken om te overleven.

9) Grijs slavernijverleden? – Jeroen Dewulf – Over zwarte milities en redimoesoegedrag - AUP
‘Redimoesoegedrag' staat in Suriname voor ‘verraad tegen de eigen groep'. Het begrip gaat terug op slaven die in de 18de eeuw in ruil voor vrijheid aan de zijde van de gouvernementssoldaten vochten tegen de ‘marrons', gevluchte slaven. Zij droegen een rode muts, vandaar redimoesoes. Dit was geen nieuw fenomeen; "zwarte milities' hadden ook al in Nederlands-Brazilië en Nieuw-Nederland bestaan. Vanwege hun complexe tussenpositie is het moeilijk om redimoesoes binnen het traditionele ‘goed-en-fout denken' over slavernij een plaats te geven. Als voormalige slaven waren zij tegelijk ‘slachtoffers' en ‘daders'. Toch was hun leven in het ‘grijze' gebied tussen slaaf en meester niet uitzonderlijk. Slechts een minderheid van de slaven maakte een radicale keuze voor gewelddadig verzet. De meesten handhaafden zich in een dienende rol, goedschiks of kwaadschiks. Daarbij was een vorm van accommodatie onvermijdelijk. Hoe moeten we het "grijze' gedrag van de redimoesoes beoordelen? De auteur maakt hiervoor gebruik van concepten die teruggaan op de discussie over ‘goed-en-fout-gedrag' tijdens de Duitse bezetting en de Holocaust. Een verrassend nieuwe visie op het slavernijverleden, maar ook een evenwichtsoefening die hij met glans uitvoert.

10)  De Sigmund Almanak – Peter de Wit – Gegarandeerd 100% psychologie van de koude grond – De Harmonie
‘Mijn naslagwerk DSM – De Sigmund Methode, dat in 2013 het levenslicht zag, kreeg een bijzonder positief onthaal binnen en buiten mijn vakgebied. Uit de vele herdrukken is gebleken dat zowel patiënten als therapeuten wereldwijd hadden uitgekeken naar dit definitieve diagnostische naslagwerk om iedereen voor gek te verklaren. Het uitgangspunt van mijn nieuwe boek De Sigmund Almanak is weer even simpel als geniaal. Sinds mensenheugenis was de mensheid voor haar geestelijke welzijn aangewezen op de psychologie van de koude grond. Met niets dan slechts enkele zegswijzen en fabels met een moraal, ‘tried and tested’ huismiddeltjes, lichaamstaal, astrologie en droomduiding probeerde het volk zich staande te houden. Kan deze volkstherapie nu ook nog een zinnige en vooral kostenbesparende bijdrage leveren aan onze peperdure geestelijke gezondheidszorg? Ik heb het antwoord voor u geformuleerd in De Sigmund Almanak en kan hier alvast verklappen dat de uitkomst niets minder dan een sensatie is die ons vakgebied zal doen schudden op zijn grondvesten!’ – Sigmund
 

CULTUURMIX 5 NOVEMBER 2018

Papendrecht 05-11-2018

DE EEUW VAN GISELE

Een hardcover leg ik voor u neer die in prachtige, beeldende taal het bewogen, fascinerende leven van een grande dame uit de vorige eeuw weergeeft. Een rijk verhaal over een boeiend bestaan, daar gaat het om. Hoe verheffend is het dat door een gerenommeerd auteur een geleefd interessant leven aan de vergetelheid onttrokken wordt. Het gaat om 448 bladzijden tellende, van fotokaternen voorziene De eeuw van Gisèle van Annet Mooij en De Bezige Bij met de ondertitel ‘Mythe en werkelijkheid van een kunstenares’. Voor de tocht naar dit boek geef ik de inleiding van Annet Mooij integraal aan u door met de uitnodiging over twee weken met elkaar van gedachten te wisselen over de intrinsieke waarde van de ondertitel.

De inleiding van Mooij gaat als: ‘Zou zij nog hebben geleefd, dan had Gisèle d’Ailly-van Waterschoot van der Gracht alles in het werk gesteld om te voorkomen dat deze biografie het licht zou zien. Ze kon daarin ver gaan. Bij een haar onwelgevallige publicatie die in 2005 verscheen, had ze de volledige oplage van het betreffende boek, waarin twee bladzijden aan haar waren gewijd, wel willen opkopen om op die manier de distributie ervan te verhinderen. Daarvoor was ze te laat, maar haar interventie leidde er wel toe dat onmiddellijk een tweede druk uitkwam waaruit de voor haar aanstootgevende passages waren verwijderd. Op zich sprak het idee dat er over haar een biografie geschreven zou worden Gisèle wel aan. Ze rekende daar misschien zelfs wel een beetje op. De laatste periode van haar leven besteedde ze aan de ordening van haar kolossale archief, zodat anderen er na haar dood hun weg in zouden kunnen vinden. Maar de biografie die zij voor ogen had, zou dan wel het verhaal moeten vertellen dat zijzelf ook altijd aan de wereld presenteerde, het verhaal van een sprookjesleven. Dat verhaal is ijzersterk en aansprekend, en zo overtuigend neergezet dat de verleiding vaak groot is er klakkeloos in mee te gaan. Om te beginnen zou Gisèle zelf als personage niet misstaan in een sprookjesachtige vertelling. Ze was een bijzondere verschijning met een enorme uitstraling. Waar zij ook kwam, met haar tengere, meisjesachtige gestalte en opvallende vogelkop was ze altijd het middelpunt van het gezelschap. In elke ruimte en in elk gezelschap zoog ze de aandacht naar zich toe. Ze was niet snel vertrouwelijk in de omgang en had in haar overvolle sociale leven maar enkele echte intimi, maar veel van haar gespreksgenoten gaf ze het gevoel juist met hen een speciaal contact en een bijzondere band te hebben, al was het maar voor even. Een korte ontmoeting met Gisèle maakte op veel mensen al een onuitwisbare indruk.

Door de vele wonderlijke tegenstrijdigheden die ze in zich verenigde en de sterk uiteenlopende werelden die ze vertegenwoordigde, bleef ze een raadselachtig wezen, waar niemand snel op uitgekeken raakte. Gisèle leefde vrij en onafhankelijk maar was ook ten diepste met anderen verbonden. Ze bleef, met ups en downs, levenslang trouw aan het strenge katholicisme dat ze van haar ouders meekreeg, maar hield er bij tijden een levensstijl op na die daar op geen enkele manier mee te verenigen viel. Ze groeide op met huispersoneel en zilveren bestek, maar beleefde haar gelukkigste momenten in een verlaten Grieks kloostertje zonder elektriciteit en stromend water. Ze schonk miljoenen weg, maar kon bij een duur uitgevallen kopje koffie opeens de hakken in het zand zetten. In de prachtige, lichte ruimte van haar atelier, dat uitkijkt over de daken van de Amsterdamse binnenstad, omringde ze zich de laatste dertig jaar van haar leven met haar vele gekoesterde bezittingen: haar schilderijen, haar kunstboeken, de foto’s van dierbaren, familiesouvenirs. Op de brede vensterbanken lag haar verzameling kleinoden uitgestald, de stenen en schelpen, wervels en botten, veren en blaadjes die ze in diverse delen van de wereld bijeen had geraapt. Gisèle bewaarde alles wat haar dierbaar was, en dat was veel. Bijna elk souvenir was voor haar met betekenis geladen, achter elk voorwerp school wel een verhaal of anekdote. Oud en frêle, maar nog kwiek en met de oogopslag van een ondeugend jong meisje, leidde ze nieuwe bezoekers rond in haar atelier, zo nu en dan stilstaand bij iets uit haar collectie om de geschiedenis ervan uit de doeken te doen.

Gisèle beschikte over een uitgebreid repertoire van beeldende verhalen ter illustratie van een lang en fascinerend leven. Was Gisèle als karakter al ‘larger than life’, ook haar persoonlijke geschiedenis bevat ingrediënten van een sprookjesachtige allure. Als dochter van een Amsterdamse patriciër en een Oostenrijkse barones leidde zij een kleurrijk en tot de verbeelding sprekend leven. Een deel van haar jeugd bracht ze door op het reusachtige kasteel van haar moeders familie, in de afgebladderde glitterwereld van de Oostenrijkse adel. Ze groeide op in verschillende landen, woonde tussen de indianen in het Wilde Westen van Amerika, ging voor haar kunstopleiding naar Parijs, maakte deel uit van interessante kunstenaarsmilieus en verrijkte haar leven met vele vriendschappen en liefdes. Zeer aansprekend is ook de moedige rol die Gisèle gespeeld heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen zij met gevaar voor eigen leven haar kleine bovenwoning aan de Amsterdamse Herengracht openstelde voor de Duitse dichter Wolfgang Frommel en twee van zijn jonge Joodse vrienden. Mede dankzij haar werd het leven van deze jongens gered.

Onder druk van de extreme omstandigheden kwam op de kleine etage een gemeenschap van onderduikers en geregelde bezoekers tot ontwikkeling waarin werd gelezen, gedicht en getekend. De Duitse poëzie en de Europese cultuurgeschiedenis vormden het geestelijk voedsel waarmee men deze moeilijke jaren niet alleen grotendeels ongeschonden, maar ook onderling zeer hecht verbonden wist door te komen. Na de oorlog bleef deze vriendengroep bestaan. Ze bleef een baken in Gisèles leven. Er kwamen een woongemeenschap, een literair tijdschrift en een uitgeverij uit voort, die zij tot het einde van haar leven onderdak verleende in het hoekhuis aan de Herengracht, dat ze in de naoorlogse jaren in zijn geheel had weten te bemachtigen. Tot op de dag van vandaag ligt heel dit boeiende, eeuwomspannende leven opgeslagen in dit Amsterdamse grachtenpand. Wie het bezoekt, betreedt een tijdcapsule. De kleine onderduiketage lijkt rechtstreeks uit de jaren veertig de eenentwintigste eeuw in te zijn gekatapulteerd en maakt een onaangeraakte indruk. Een verdieping hoger bevindt zich de oude salon met zijn donkere meubilair en zijn hoge uitzicht over de grachten, waar Gisèle na haar huwelijk met de oud-burgemeester van Amsterdam Arnold d’Ailly haar gasten ontving. De ruimte ruikt intussen wat stoffig, maar ligt er verder bij alsof de voormalige bewoners slechts even de deur uit zijn. Alles ademt er nog de sfeer van de jaren vijftig. Gisèles oude atelier is inmiddels leeggeruimd, maar ook daar is de oude sfeer intact gebleven. Er worden nu bijeenkomsten gehouden door de culturele stichting die Gisèles nalatenschap beheert. Het geheel is van een grote imponerende kracht. Er is vrijwel geen bezoeker die niet wordt geraakt door het bijzondere leven dat in deze omgeving met zoveel zorg wordt geconserveerd.

Er valt veel voor te zeggen om het leven van Gisèle een door haarzelf vervaardigd kunstwerk te noemen. Volgens sommigen van haar naaste vrienden is dit zelfs haar grootste en belangrijkste schepping geweest, imposanter dan haar schilderkunst. Beide kwamen tot stand volgens de kunstopvatting waarmee ze opgroeide en waarvan ze nooit echt los zou komen: kunst moet mooi zijn. Op haar doeken is zelden iets te zien van strijd of conflict. Je ziet er nauwelijks duistere krachten of gevoelens in werkzaam, haar werk is gestileerd en afgerond. Dezelfde polijsting onderging ook de voorstelling van haar eigen leven. Ook daarin is geen plaats voor conflict of teleurstelling, wroeging of eenzaamheid. Die bleven in het donker gehuld, werden weggeretoucheerd of overgeschilderd. Wat Gisèle op deze manier deed, is wat iedereen tot op zekere hoogte doet: een verhaal creëren dat de werkelijkheid zin en betekenis geeft. Maar Gisèles onconventionele leven en haar veelkantige persoonlijkheid stelden haar in staat er iets bijzonders van te maken, een verhaal dat niet alleen haarzelf gelukkiger maakte, maar dat ook anderen wist en weet te inspireren. Tegelijk was zij wel een erg fanatieke regisseur van haar eigen leven. Ze kneedde zo consequent en met zoveel overtuiging haar eigen werkelijkheid dat de vraag rijst waar zij deze mentale strategie voor nodig had. Waar kwam die onbedwingbare behoefte aan mooi maken vandaan? Wie daar iets over aan de weet wil komen, begint al spoedig te krabben aan het gladde oppervlak. En ja, dan komt daaronder een complexere werkelijkheid tevoorschijn, die Gisèle zelf altijd voor het oog van de wereld verborgen trachtte te houden. Dat is precies de reden dat deze biografie haar niet zou hebben behaagd. De blootlegging en benoeming van kwesties die ze zelf uit haar levensverhaal had weggewerkt, wekten haar woede en ontsteltenis. Maar het is niet de taak van de biograaf de gevoeligheden van zijn of haar onderwerp uit de weg te gaan. Dat heb ik dan ook niet gedaan. Het kunstwerk van Gisèles leven heb ik niet alleen willen beschrijven, maar vooral willen bevragen en onderzoeken. Hoe kwam het tot stand? Wat werd erdoor aan het oog onttrokken? Welk effect had het op omstanders en toeschouwers? En hoe verhoudt het zich tot de werkelijkheid? Het is daarbij niet mijn doel om te ontmaskeren of op de een of andere manier bedrog aan te tonen. Eerder wil ik op deze manier licht werpen op het meest bijzondere aspect van Gisèles persoonlijkheid: haar vermogen uit een complexe en lang niet altijd fraaie werkelijkheid een betekenisvol en aansprekend verhaal te scheppen.

Ik ontmoette Gisèle voor het eerst toen ze negenennegentig was. Ze was bijna volslagen doof en in haar hoofd schemerde het al geruime tijd, zodat een echt gesprek niet meer mogelijk was. De communicatie was voornamelijk tactiel, maar zo nu en dan, als haar iets niet zinde of als haar aandacht door iets werd getrokken, konden haar ogen oplichten en schalde haar harde, nasale stem opeens door de ruimte als een misthoorn door de nevel. In een bijrol kon zij zich nu eenmaal moeilijk schikken. Op 11 september 2012 vierde ze haar honderdste verjaardag in het souterrain van haar huis aan de Herengracht, een happening met vrienden, familie, bekenden en een toespraak van de burgemeester van de stad waar ze al zeventig jaar woonde. Het was haar laatste openbare optreden. In mei 2013 overleed ze. In de eeuw die Gisèles leven omspande, veranderde het aanzien van de wereld drastisch, maar haar leven is geen typisch voorbeeld van een leven waarin de tijden zich weerspiegelen. Zij had bovendien zelf geen gevoel voor zoiets als de ‘tijdgeest’. Kranten, radio en later televisie interesseerden haar nagenoeg niet, van haar stemrecht maakte ze nooit gebruik. In haar bestaan bleef de realiteit van politiek, wereldgebeuren en maatschappelijk leven bijna steeds op afstand. De Duitse bezetting vormt hierop de grote uitzondering. De gevolgen daarvan drongen diep in haar persoonlijk leven door.

Dit boek volgt voornamelijk twee rode draden in Gisèles leven.
De eerste is die van haar kunst. Gisèle liet een kunstzinnig oeuvre na dat eigenzinnig is, persoonlijk en divers. Zij maakte met gebrandschilderd glas en wandtapijten aanvankelijk naam in de toegepaste kunst, maar toen de financiële omstandigheden het toelieten, stapte ze over op het vrije schilderen, wat ze tot op hoge leeftijd bleef doen. Het kunstenaarschap was voor Gisèle van levensbelang, al kwamen roeping en ambitie op dit vlak een stuk later dan ze achteraf zelf geloofde. Van bescheidenheid had ze geen last: ze stond vrijwel kritiekloos tegenover haar eigen werk en kon daar nauwelijks hiërarchie in aanbrengen, in haar eigen ogen was bijna alles even mooi. In de buitenwereld werd er strenger geoordeeld. Gisèle was in de naoorlogse kunstwereld een marginale figuur. Naast de klassieke biografische vraag naar de relatie tussen leven en werk is in haar geval daarom ook de vraag interessant waarom de gehoopte erkenning uitbleef. Had dat alleen te maken met de kwaliteit van haar werk of zijn daar ook andere oorzaken voor aan te wijzen? 

Het tweede grote thema vormt Gisèles relatie tot Castrum Peregrini. Deze naam – de burcht van de pelgrim – werd gekozen als schuilnaam van de onderduikgemeenschap en bleef na de oorlog in gebruik ter aanduiding van de vriendengroep, het tijdschrift en het uitgevershuis die hieruit voortkwamen. Spil van dit geheel vormde de al genoemde Wolfgang Frommel. Gisèles kennismaking met hem in 1939 kun je gerust schicksalbestimmend noemen. Het gezamenlijk leven met hem en zijn schare jonge vrienden en de magie van vriendschap en dichtkunst die hen onder Duitse bezetting had beschermd, behoren tot de meest aansprekende onderdelen van haar sprookjesleven. De belangrijke plaats die Castrum in haar leven innam, wordt weerspiegeld in dit boek, dat naast het persoonlijk levensverhaal van Gisèle ook de werdegang vertelt van de gemeenschap waaraan zij haar lot had verbonden. Frommel was een goeroe-achtige figuur. Met zijn Castrum Peregrini probeerde hij in Amsterdam een alternatieve leefvorm te stichten in navolging en in de geest van de Duitse dichter Stefan George. Frommel bezat een groot vermogen bij jonge mensen de juiste snaar te raken en hen te begeesteren voor een leven buiten de gebaande maatschappelijke paden. Het uitgebreide vriendennetwerk dat uit dit project voortkwam, is altijd schuilgegaan achter een façade van gecultiveerde geheimzinnigheid. Ik heb geprobeerd daarachter te kijken, waardoor niet alleen nieuw licht geworpen wordt op het leven in de pelgrimsburcht, maar ook ruimte ontstaat voor nieuwe en soms ongemakkelijke vragen naar de betrekkingen tussen Gisèle en Castrum Peregrini. Hoe mooi was die dichterswereld eigenlijk en wat had zij te zoeken in deze niet bepaald vrouwvriendelijke mannengemeenschap? Een beter geconserveerd en gedocumenteerd leven dan dat van Gisèle d’Ailly is nauwelijks denkbaar.

Naarmate ze ouder werd kreeg de archiefkoorts steeds meer vat op haar. Bij haar dood liet ze naast haar schilderijen en tekeningen een pakhuis vol papieren na. De ooit lege atelierruimte was er langzamerhand door overwoekerd geraakt: archiefkasten met familiedocumenten en foto’s uit alle periodes van haar leven, planken met de gesorteerde brieven van meer dan vijfhonderd correspondenten, ordners met reisverslagen, bureaulades met aantekeningen, gesorteerd en ongesorteerd, stapels mappen met opschriften: ‘Important notes about my life’, ‘Ungeordnete Souvenirs’, ‘Notes on painters and poets’ of raadselachtiger: ‘To be or not to be’, ‘What machines can do’. En tussendoor de briefjes, overal briefjes: to-dolijstjes, herinneringsflarden en geheugensteuntjes, invallen en aforismen, gedachten en gedichten, instructies aan zichzelf en anderen. Dat er van deze doolhof ook een soort routebeschrijving voorhanden was, is te danken aan het werk van de germanist Leo van Santen, die vanaf 1986 vrijwel elke zaterdag Gisèle bezocht om haar te helpen met het ordenen, inventariseren en toegankelijk maken van haar papierwinkel. Gisèle dicteerde aan hem de inhoud van al haar oude agenda’s, waarin ze niet alleen afspraken en gebeurtenissen noteerde, maar ook dagboekachtige notities bijhield. Het feit dat dit materiaal hierdoor digitaal beschikbaar en doorzoekbaar was, was uiteraard een zegen. Gisèles uitpuilende privéarchief is het resultaat van haar jarenlange strijd tegen oprukkende vergeetachtigheid en dreigende vergetelheid. Tegelijk is het ook een zelfopgericht monument van iemand die als een cerberus waakte over haar eigen beeldvorming. Enig wantrouwen is daarom op zijn plaats. Zo was het een tijdrovende maar nuttige exercitie om de inhoud van haar agenda’s zoals ze die aan Van Santen dicteerde te vergelijken met de originele agenda’s, die gelukkig eveneens bewaard zijn gebleven. Dat leverde interessante aanvullingen op en inzicht in de manier waarop Gisèle zelf haar biografie opschoonde.

Een vergelijkbare blik achter de schermen biedt een aantal intrigerende kladbrieven. Ook zij tonen een kant van de werkelijkheid die tot nu toe buiten beeld is gebleven. Hoe omvangrijk het ook is, ook in Gisèles archief bleken enkele gaten te zitten. Door plundering van het familiekasteel in Oostenrijk en brand in haar Limburgse atelier is bijvoorbeeld veel materiaal over haar jeugd verloren gegaan. In haar latere jaren wordt vooral de onzinnige overvloed een probleem. Uit de zee van kerstkaarten, verjaarswensen en vakantiegroeten valt maar weinig van waarde op te diepen. Snoeien was hier het enige devies. Velen van haar tientallen vrienden, bekenden en dierbare contacten zullen op de volgende pagina’s vergeefs naar hun naam zoeken. Volledigheid zou slechts een dikker boek hebben opgeleverd, geen scherper beeld.’


EEN ILLUSTERE VROUW

Het gebeurde de dinsdagmorgen 23 oktober. De dame van de post reikte mij een boek aan en meteen was ik erin verzonken. Het begin was naar vorm en inhoud zo pakkend dat ik totaal vergeten was dat in de tuin de buxus aan het snoeien was. Stagiaire marketing Jolijn van Rossem had mij de dag daarvoor de roman toegezegd ter introductie bij u en de verwachtingen werden geheel overtroffen. Ik ga dat zo aantonen. Ik heb het over de 428 bladzijden tellende paperback Een illustere vrouw van Therese Anne Fowler en Luitingh-Sijthoff met de ondertitel ‘De opkomst van de Vanderbilts’. Ik geef u integraal de eerste drie bladzijden en laat die voorafgaan door de tekst van de uitgever op de omslag. U zult net als ik in de ban geraken van het begin van deze roman en ik verzoek u met mij over twee weken over Een illustere vrouw hier van gedachten te wisselen.

Luitingh-Sijthoff: Een illustere vrouw van Therese Anne Fowler is een historische roman over de powervrouw Alva in de machtige familie Vanderbilt uit de Verenigde Staten, aan het eind van de 19e eeuw. In de geschiedenis van de Vanderbilts, vol glamour, persoonlijke drama's en intriges, speelde Alva een cruciale rol. Na de Burgeroorlog trouwt Alva in de vermogende, maar door de elite niet geaccepteerde Vanderbilts. Genegeerd door de gevestigde families in New York, is Alva Vanderbilt vastbesloten om respect te verwerven voor haarzelf en haar familie. Ze ontwerpt en bouwt 9 villa's, organiseert royale gala's en zorgt ervoor dat haar dochter trouwt met een hertog. Wanneer de familie Vanderbilt uiteindelijk wordt geaccepteerd in de hogere kringen gebeurt het ondenkbare: Alva gaat zich inzetten voor de politieke positie van Amerikaanse vrouwen.’

Therese Anne Fowler:  ‘Als ze haar vroegen naar de Vanderbilts en de Belmonts, hun feesten en hun strooptochten, de villa’s en de bals, de rechtszaken, het verraad en de ruzies – als ze Alva vroegen waarom ze al die extreme dingen had gedaan, antwoordde ze dat het allemaal heel eenvoudig was begonnen: er was eens een wanhopige jonge vrouw wier moeder was overleden en wier vader zijn laatste dagen op aarde bijna net zo snel zag vervliegen als zijn fortuin. Het was de zomer van 1874. Ze was eenentwintig jaar oud, een rijpe vrucht die ongeplukt aan de tak hing te rotten. ‘Bij elkaar blijven, meisjes,’ riep mevrouw Harmon tegen de acht jongedames die de veilige omgeving van de twee koetsen verlieten en op de klinkers van de smalle straat stapten. De meisjes – voor de  zekerheid gekleed in eenvoudige dagjaponnen en onopgesmukte hoeden – klitten als schichtige jonge eendjes voor de deur van de huurflat bij elkaar. De huizen waren hier benauwend dicht op elkaar gebouwd, en op deze warme middag stonk het hevig naar de aangekoekte paardenmest op de straat. In de steegjes lagen vuile, gescheurde matrassen, kapotte meubels en roestige blikken. Er hing rook van kolenkachels in de windstille lucht. Van Broome Street tot aan Grand hingen armoedige lijntjes met futloos wasgoed tussen de vensterbanken. Zelfs de gebouwen leken van ellende een beetje te zijn doorgezakt. ‘Bij elkaar blijven?’ zei Alva’s zus Armide. ‘Waar zouden we hier in vredesnaam naartoe kunnen lopen?’ ‘Naar de hel, ‘ antwoordde Lydia Roosevelt. ‘Net als al die andere mensen in deze straat.’ Lydia, een telg van de familie Roosevelt uit Oyster Bay, was verwant aan een van de oprichtsters van de liefdadigheidsinstelling. Alva wist niet meer of die oprichtster nu een nicht of een tante van Lydia was, maar ze besloot er niet naar te vragen. Als ze dat wel deed, zou Lydia alle takken van de familiestamboom uit de doeken doen, en daar had Alva geen zin in.

Onder ‘al die andere mensen’ in de straat bevonden zich veel afgetobde meisjes en vrouwen die zwaarbeladen de huizen in en uit liepen, een paar oude mannen die op stoepjes of met hun rug tegen een muur zaten, en de vuilste kinderen die Alva ooit had gezien. De meeste kinderen speelden blootsvoets op straat. Hadley Berg, die zich altijd spiegelde aan haar vriendin Lydia, merkte op: ‘Tja, wat had je dan verwacht? Deze mensen zijn bij hun geboorte al inferieur aan ons.’ ‘Dat geloof je zelf niet,’ zei Alva. ‘Wat, dat ze inferieur aan ons zijn?’ Hadley verschoof haar hoed om haar gezicht tegen de zon te beschermen. Ze wees op een jongetje met vettig haar en korstjes op zijn knieën, dat tussen zijn tanden pulkte en naar hen keek. ‘Dat hun armoede van nature bij hen hoort?’ ‘Ja,’ zei Armide. ‘Bepaalde omstandigheden spelen ook een rol.’ Alva wierp haar een korte blik toe, want dat laatste beseften zij en haar zus maar al te goed. Als hun omstandigheden niet snel drastisch veranderden, zouden zij en hun twee jongere zusjes misschien ook in zo’n omgeving belanden. Dan moesten zij misschien ook verhuizen naar een kamer zonder stromend water, en hun behoefte doen in een schemerig steegje of op een open binnenplaats, waar iedereen hen kon zien. Ze moesten nu al hun voedsel rantsoeneren , minder vaak uitgaan en tevreden zijn met twee bedienden in plaats van negen, zoals vroeger. Voor de buitenwereld probeerden ze die bezuinigingen zo goed mogelijk te verbergen. Onder het toeziend oog van de wachtende meisjes gaf mevrouw Harmon aanwijzingen aan de koetsiers, die de manden van de koets haalden. In elke mand zaten twintig zakjes van neteldoek, die met twijndraad waren dichtgebonden. Elk zakje bevatte een stuk zeep. Een boekje met eenvoudige, opbeurende gedichten, een lolly, vier penny’s en een naaisetje met twee naalden, draad, spelden en een vingerhoed. De meisjes hadden de ochtend gebruikt om de zakjes te maken en  gingen ze nu uitdelen aan kinderen die tot de armste van Manhattan behoorden: vondelingen, weglopers, immigranten, wezen, straatschoffies, enzovoort. Mevrouw Harmon zei dat  mensen die goed leerden naaien misschien wel tien dollar in de week konden verdienen. Zelfs het werk van een klein kind kon al twintig cent per dag opleveren, een bedrag dat net het verschil kon betekenen tussen een knorrende maag en een gevulde buik.

‘Je kunt de blanke kinderen schoonschrobben en naar school sturen, maar zelfs dan kun je van die jongens nog geen heren maken,’ zei Lydia. ‘Dat gaat gewoon niet. Zo heeft God hen niet geschapen.’ ‘Als die mensen nu eens van de drank afbleven als ze in moeilijkheden raken…’ merkte Hadley op. ‘Dat is nu net het probleem,’ zeil Lydia. ‘De Ieren komen bij wijze van spreken al dronken ter wereld. De Ierse mannen drinken alcohol bij alles wat ze doen, en zelfs de vrouwen zijn er uiterst gevoelig voor. Vorige week hebben we nog een drankzuchtige dienstmeid moeten ontslaan. Mijn moeder betrapte haar toen de stomdronken zilveren bestek in haar zakken stond te proppen.’ ‘Duitsers zijn al bijna net zo erg,’ zei Hadley. ‘Wij hadden vroeger inderdaad een vreselijke Duitse gouvernante,’ zei Armide. ‘Hadden? Verleden tijd? Wie geeft er nu dan les aan je zusjes?’ wilde Lydia weten. ‘Armide,’ antwoordde Alva. ‘Dat kan ze heel goed, en nu moeder er niet meer is, hebben de meisjes het liefst les van haar.’ ‘Vier moederloze, ongetrouwde meisjes.’ Lydia schudde haar hoofd. ‘Wat een pech.’ ‘Maar de joden zijn het ergst,’ vervolgde Hadley. ‘Niet qua drank, want volgens mij is alcohol tegen hun geloof, maar zij zijn stiekem en achterbaks. Uitgekookt.’ ‘En blanke Amerikaanse christenen zijn zeker perfect,’ zei Alva. Lydia hief haar ogen ten hemel. ‘We zeggen gewoon hoe de wereld in elkaar zit, Alva Smith.
Als jij een betere opleiding had gehad, zou je misschien weten hoe dom je nu klinkt.’ Armide kwam tussen hen in staan. ‘Volgens mij is mevrouw Harmon klaar.’ ‘Goed, meisjes.’ Mevrouw Harmon kwam naar hen toe. ‘Vergeet niet dat goede christenen ruimhartig zijn, zowel in daad als in woord.’ Ze gaf de jongedames opdracht groepjes van twee te maken en hun manden te pakken, en daarna zei ze: ‘Wij zijn ervan overtuigd dat iedereen zijn leefsituatie kan verbeteren, ongeacht de omstandigheden van zijn geboorte. Als we maar voldoende middelen en scholing tot onze beschikking krijgen, kunnen we allemaal keurige, verantwoordelijke burgers worden.’ ‘Ja, mevrouw Harmon,’’ klonk een koor van hoge meisjesstemmen. ‘


EEN DUITS MEISJE

Een navrant, tot op het bot gaand, eerlijk, niets ontziend persoonlijk relaas van een jong leven leg ik voor u neer. Het is een autobiografische terugblik van een twintiger die afscheid nam van een extreemrechtse jeugd. In het eerste chapiter met de titel ‘Mijn twee levens’ en de ondertitel ‘Tot mijn  achttiende kende ik alleen nazi’s’ legt zij meteen uit wat er aan de hand was. Ik heb het over de 222 bladzijden tellende paperback Een Duits meisje van Heidi Benneckenstein en De Arbeiderspers met de ondertitel ‘Mijn leven in een neonazifamilie’. Op de voorkant van de omslag ziet u de hoofdpersoon, die de prooi werd van een autoritaire opvoeding en rassenideologie, wat leidde tot een fervente en gedreven nationaalsocialiste. In de Volkskrant van 22 september las ik een interview met de auteur onder de titel van ‘Geen gewoon Duits meisje’ en nu geef ik de eerste bladzijden van Een Duits meisje. Over een tweetal weken wisselen wij met elkaar onze leeservaringen uit.

Heidi Benneckenstein: ‘Ik heet Heidrun, maar mijn vriendinnen noemen me Heidi. Ik ben vierentwintig. Ik heb een man, een zoon en een hond van wie ik meer hou dan van wie dan ook, en een beroep waar ik veel plezier in heb. Ik woon in München, een van de mooiste en welvarendste steden van het land. Als ik de deur uitga, zie ik studenten in cafés zitten en toeristen rondlopen met een reisgids in de hand. Ons huis is niet heel groot, maar ik ben er blij mee, het gaat goed met me. Ik werk als leidster op een crèche, en als ik ’s ochtends bij de tramhalte sta, val ik niet op. Ik ben onopvallend, eerder groot dan klein, eerder slank dan mollig. Ik heb halflang, blond haar en ik draag een spijkerbroek en sportschoenen. Als andere mensen naar me kijken, denken ze – geloof ik – niets bijzonders, en dat is fijn. Ze hebben er geen idee van dat degene die ik achttien jaar ben geweest, niet meer bestaat, dat er iemand voor ze staat die een paar jaar geleden opnieuw is geboren. Ik wil nu eindelijk een leven leiden waar ik trots op kan zijn en waar ik jarenlang hard voor heb gevochten. In de afgelopen jaren heb ik zo vaak over de eerste achttien jaren van mijn leven nagedacht dat ik elk moment afzonderlijk kan oproepen en als een film voor mijn ogen kan afspelen. Het is alsof ik door de tijd reis en op allerlei scenes en fases in- en uit kan zoomen. Het is niet erg fraai wat ik heb meegemaakt. Veel is onaangenaam, veel is verschrikkelijk, sommige dingen zijn kwetsend, beledigend en zelfs schokkend. Ik zie grauwe gestalten, kwaaie koppen, uniformen, fakkels en hakenkruisen, en ik zie een lief meisje dat soms onzeker, soms woedend en dan weer sprakeloos is. Ik was eigenlijk alles, behalve gelukkig. Nooit voelde ik me veilig of beschermd. Daarom heb ik inmiddels drie jaar geleden alles wat ik nog heb uit die tijd in een kist gestopt en die op de zolder in het huis van mijn oma weggeborgen. Ik wilde niets meer met de inhoud van die kist te maken hebben. Het is een en al ellende.

Toch ben ik een jaar geleden nog een keer die zolder opgegaan. Ik haalde de kist tevoorschijn, veegde het stof eraf, deed het deksel open en keel alles door, las elk boek, elke brief, elke ansichtkaart. Makkelijk was het niet, maar het moest, want ik wilde een boek schrijven. Ik voelde dat ik mijn eerste leven alleen kon afsluiten als ik zo veel mogelijk herinneringen aan mijn kindertijd en mijn jeugd opriep, ook de onprettigste en  onaangenaamste. Ik moest de eerste achttien jaar van mijn leven nog een keer helemaal herbeleven om alles achter me te kunnen laten. Helemaal bovenop lag ‘Het Liedboek van de Duitse, Vlaamse en Noordse Jeugd’, niet meer dan een schotschriftje eigenlijk, beduimeld, de pagina’s lieten los. Ik bladerde het door en las hier en daar een paar regels. De liederen heetten ‘Zwart vaandel, houd stand’, ‘Ruim baan, volkeren’, of ‘Duitsland, Duitsland boven alles.’ Sommige titels klonken onschuldig, alsof het om romantische volksliedjes uit de negentiende eeuw ging, ‘De wind waait over de velden’ bijvoorbeeld, maar als je een paar coupletten las, werd snel duidelijk uit welke hoek die wind waaide: ‘Laat ons geest en hand bewegen Stalen onze jonge kracht Dat zij eens met God zijn zegen Ons een sterk Duitsland bracht. Laat niet nijd je blik verduist’ren Oordeel niet naar loze schijn Laat ons tucht en orde minnen Plichtsgetrouw tot ’t uiterste zijn.’ Ik legde het boekje weg en groef verder. Eronder lag een grote stapel brieven, ansichtkaarten en uitnodigingen van de Junge Nationaldemokraten en de Heimattreue Deutsche Jugend, geadresseerd aan Heidrun Redeker, aan mij. Ik las ze van de eerste tot de laatste regel door. Herinneringen ontwaakten, beelden kwamen terug. Er kwamen pamfletten van de Nationaldemokratische Partei Deutschlands (NPD) en de Deutsche Volksunion (DVU) tevoorschijn. ‘Laat Duitsland Duitsland zijn’ stond erop. Ik kon me goed herinneren hoe ik ze met een vriendelijke glimlach uitdeelde onder voorbijgangers in winkelcentra.

Ik vond mijn voorouderpaspoort, een boekje gebonden in perkamentpapier, waarin ik de namen, geboortedata en de geloofsovertuiging van mijn ouders, grootouders en overgrootouders had genoteerd. Mijn handschrift was kinderlijk en precies, ik moet het geconcentreerd en ijverig hebben opgeschreven, alsof ik elk moment kon worden gecontroleerd. ‘Hulde wie met liefde aan zijn vader denkt’, luidt het motto van het boekje. 
Ook vond ik twee T-shirts. Op de ene stond ‘Doodstraf voor pedofielen’, op het andere ‘Een God die ijzer groeien laat, die wil geen knechten’, het begin van het volkslied van Ernst Moritz Arndt uit 1812. Ik vond cd’s van de bands Stahlgewitter, Landser en Gigi uit die Braune Stadtmusikanten. De laatsten domineerden een paar jaar geleden de kranten en nieuwsuitzendingen, omdat Gigi en zijn stadsmuzikanten in 2010, een jaar voor de Nationalsozialistischer Untergrund werd opgerold, de NSU-moorden in hun nummer ‘Doner-Killer’ hadden bejubeld. Als je nu de eerste coupletten leest, is het verbijsterend hoe exact de gebeurtenissen worden beschreven: ‘Neun mal hat er es jetzt getan. Die SoKo Bosporus, sie schlagt Alarm. Die Ermittler stehen unter Strom. Ein blutige Spur und keiner stoppt das Phantom. Sie dreben durch, weil man ihn nicht findet. Er kommt, er totet und veschwindet. Spannender als jeder Thriller, Sie jagen der Doner-Killer.’ ‘Wat wist Gigi?’ luidde de kop in ‘Die Zeit’ – maar pas in april 2012, veel te laat dus. Ik had genoeg gezien, deed het deksel weer dicht en bracht de kist terug naar de zolder. Ik was in de war, het voelde alsof ik achttien jaar het leven van iemand anders had geleid. Het was geen weerzin wat ik voelde, het leek meer alsof ik een blik had geworpen in het verleden van iemand die ik vroeger hooguit oppervlakkig had gekend.

Het kost me moeite om herinneringen, waarvan ik weet dat het de mijne zijn, in overeenstemming te brengen met de persoon die ik ben. Als ik denk aan wat ik vroeger heb gezegd, waar ik in geloofde, waar ik aan twijfelde, dan schaam ik me, maar word ik vooral woedend. Heel soms moet ik er ook om lachen, maar een bevrijdende lach is het nooit, eerder een lachen uit ongeloof, uit verbijstering. Ik heb de eerste achttien jaren van mijn leven tussen nazi’s doorgebracht. Niet op veilige afstand, of een, twee jaren in mijn pubertijd, maar er middenin, exclusief en van het begin af aan. Ik werd door ze opgevoed en op het leven voorbereid. Ik werd door de geslagen en getreiterd, door ze geprezen en beloond. Ik kende eigenlijk helemaal geen andere mensen: mijn grootouders, mijn vader, de vrienden van mijn ouders, de kinderen waar ik in de vakanties mee speelde, mijn eerste vriendengroep, mijn eerste vriendje, zelfs de man met wie ik nu getrouwd ben – het waren allemaal nazi’s, de een radicaal, de ander wat minder, de meesten militant, gewelddadig en met een strafblad. Van jongs af aan ben ik ideologisch geschoold en op militaire wijze gedrild. Als meisje liep ik mee in kilometerslange voetmarsen, zwaaide ik met vlaggen voorzien van twijfelachtige symbolen, strekte ik mijn arm in de Hitlergroet en zong ik verboden liederen mee.

Als tiener zat ik aan biertafels van militante broederschappen, zoop ik bij naziconcerten, stond ik achter kraampjes van de NPD of zat ik bij een kampvuur naast een gast die ik een jaar later terugzag – in de beklaagdenbank van het NSU-proces. Ik sloeg mensen in elkaar en werd zelf in elkaar geslagen, ik viel agenten aan en sloeg voor ze op de vlucht. Ik was lid van de Heimattreue Deutsche Jugend, stond schouder aan schouder met NPD-kaderleden, droeg fakkels, bezocht kameraden in de gevangenis en vierde feest in het Braunes Haus in Jena – en vond dat toen zo gewoon, dat ik achteraf pas begrijp in wat voor moeras ik was weggezonken. Ik was een nazimeisje. Onschuldig schuldig, op de verkeerde plek geboren, erin geschoven, erin geperst, maar toch: een nazi.’


NET VAN BESCHERMING

Ik kreeg gisteren uit het Amsterdamse voor u een boek uit het Italiaanse land toegestuurd, die ik bij u wil introduceren door integraal de eerste bladzijden door te geven en die ik wil voorzien van een romantechnische opdracht aan u. De romancier Willem Fredrik Hermans vond dat een roman geen overbodig woord moest bevatten. Geen mus mocht van het dak vallen of het moest gevolgen hebben voor de dramatische handeling. Ik kwam op de uitspraak van Hermans toen ik het begin las van 292 bladzijden tellende thriller Net van bescherming van Andrea Camilleri en uitgeverij Serena Libri. U zult zo meteen ga lezen met welke droom de hoofdpersoon bij het ontwaken te maken heeft. Indachtig de mus: welke functie heeft die droom in het verloop van het verhaal? Camilleri heeft die toch niet zomaar in zijn verhaal geplaatst. Om de context aan te reiken geef ik vooraf de tekst van de uitgever op de omslag. 

Serena Libri: ‘Het slaperige Vigàta veert op wanneer een Zweeds-Italiaanse filmploeg de jaren vijftig wil doen herleven. Blonde Zweden! Dat laat commissaris Montalbano koud, maar dan duikt er een film van een stuk muur op. Zes filmpjes, elk jaar één, van hetzelfde muurtje. Hij zou Livia opzoeken maar dit moet eerst uitgezocht worden, Livia moet even wachten.  Dan vallen twee gemaskerde mannen klas IIIB van de school binnen, schreeuwend en schietend. Niemand gaat dood maar Livia moet nog even wachten. Citaat uit het boek: Bij het horen van die naam sprong de blonde beer op, hij liet zijn tanden nog harder knarsen, maar daarbij stootte hij nu ook keelklanken uit die eerder op leeuwengebrul leken dan op het gegrom van een beer. Onmiddellijk kwam ook de Zweedse producent overeind, hij pakte de beer bij zijn arm en wist hem, zacht in zijn oor fluisterend, weer in zijn stoel te krijgen.’

Andrea Camilleri: ‘De wekker begon akelig te rinkelen. Met zijn ogen nog dicht stak Montelbano zijn arm uit naar het nachtkastje, hij tastte wat rond en probeerde het ding uit te zetten, bang als hij was dat de naast hem slapende Livia er wakker van zou worden, Maar zijn vingers botsten tegen een glas dat eerst omviel en toen op de grond terechtkwam. Hij vloekte. En meteen hoorde hij Livia grinniken. Hij keerde zich naar haar om. ‘Ben je wakker geworden van de …?’ ‘Nee, ik was al een poosje wakker.’ ‘Echt? En wat deed je dan?’ ‘Nou, wat dacht je? Ik lag te wachten tot het dag werd en ik keek naar jou.’ Montelbano bedacht dat zijn hoofd van achteren bezien wel een monotoon landschap moest zijn. ‘Wist jij eigenlijk wel dat je de laatste tijd in je slaap soms fluit?’ vroeg Livia. God mocht weten waarom, maar dit nieuws zorgde voor ergernis bij Montelbano. ‘Hoe moet ik dat weten als ik slaap? En je moet ook wat preciezer zijn: fluit ik liedjes, stukken uit opera’s of wat?’ ‘Kalm aan, je bent toch niet beledigd,  hoop ik. Ik zal het beter uitleggen: af en toe maak je een soort fluitend geluidje.’ ‘Met mijn neus?’ ‘Dat weet ik niet.’ ‘Let de volgende keer dan op of het uit mijn neus of uit mijn mond komt, en dan kun je het tegen me zeggen.’ ‘Maak het wat uit dan?’ ‘Ja, wel degelijk. Ik heb eens gelezen over iemand met een fluitend geluid uit zijn neus en dat bleek later een symptoom van iets dodelijks.’ ‘Hou toch op. Ik hen trouwens eng gedroomd.’ ‘Vertel.’

‘Ik zat te lezen, op net zo’n veranda als die van ons, maar dan met het uitzicht op de kade bij de haven, Opeens hoor ik opgewonden stemmen en ik kijk op. Ik zie een man om hulp schreeuwen. Hij wordt achtervolgd door een andere man die roept dat hij moet stoppen. De man die wegrent heeft een grote sjaal om zijn hoofd, een soort sjerp, iets wat onder zijn kin zit vastgeknoopt. Zijn achtervolger heeft een brede riem om en daar heeft hij een heleboel lange messen achter gestoken. Op een gegeven moment staat de voorste man bij de zijkant van een vrachtschip. Hij twijfelt even en zijn achtervolger neemt dat moment van aarzeling te baat en gooit een mes naar hem dat hem van achteren in zijn nek raakt, het gaat dwars door hem heen, komt er bij zijn keel weer uit en blijft steken in de houten zijkant van dat schip. Afschuwelijk. Dan stopt de achtervolger en hij begint andere messen naar het slachtoffer te gooien, tot hij de omtrek van die man helemaal heeft uitgetekend met die messen. Plotseling keert hij zich om en zet een stap in mijn richting. Op dat moment werd ik gelukkig wakker.’ ‘We zijn ons gisteren nogal te buiten gegaan aan die inktvisjes.’ was het commentaar van Montalbano. ‘En wat heb jij gedroomd?’ vroeg Livia. Precies op dat moment ging de wekker. Maar hoe kon dat nou? Die was vijf minuten geleden toch ook al afgegaan. Nog half slapend deed de commissaris zijn ogen open en meteen begreep hij dat hij alleen in bed lag. Livia was er niet, die zat in Boccadasse. Hij had alles gedroomd, tot en met de droom van Livia aan toe.’


JIJ BENT NIET ZOALS ANDERE MOEDERS

Ik ga u onderdompelen in badwater van een razend bruisend boek. Ik laat u kennismaken met eer roman die in de realiteit van het bestaan zijn bron heeft. Ik ga u confronteren met een arsenaal aan fictie die ontleend is aan de non-fictie. Het gaat om een literair product waarvan er al in de Heimat 1 miljoen exemplaren verkocht zijn. Ik heb het over de 462 bladzijden tellende paperback Jij bent niet zoals andere moeders van Angelika Schrobsdorff en Nieuw Amsterdam met de ondertitel ‘Het levensverhaal van een gepassioneerde vrouw’. De titel wordt meteen door het motto voorin verklaard, want ‘Jij bent niet zoals andere moeders, je hebt geen oude handen en geen wit haar En je omringt me niet met verstikkende zorg.’ Het is de eerste strofe uit een gedicht van Peter Schwiefert, opgedragen aan zijn moeder. De moeder ontmoeten wij weer in de ondertitel, want zij is de gepassioneerde, Joodse vrouw Else Kirschner uit de Charlottenburg in het Berlijn van voor de Tweede Wereldoorlog. En om nog meer uit de doeken te doen: de schrijfster Angelika Schrobsdorff is de dochter van het hoofdpersonage Else[PK1]  Kirschner.

Else kent als geboortejaar 1893 en haar ouders Daniel en Minna hebben het goed, want Duitsland was hun vaderland, Duits hun taal, Duits hun cultuur en Joods hun religieuze en familiaire bewustzijn. Ze respecteerden de keizer, omdat hij nou eenmaal de keizer was en bovendien een mens onder wiens heerschappij ze in rust en vrijheid leefden, werkten en studeerden. Ze konden geld verdienen en hogere posities bereiken en tegelijk trouw blijven aan hun jodendom. Else kan het leven vieren tot de nazi’s van Hitler met hun antisemitisme in de jaren dertig er bot een eind aan maken en zij als balling in Bulgarije een heenkomen vindt. Voordat het zover is leeft Else een losbandig leven waarin huwelijkse trouw principieel taboe is. Zij verkeert met Fritz Schwiefert, Hans Huber en Erich Schrobsdorff die in gezamenlijk de Dahlemse villa frequenteren en de drie vaders zijn van respectievelijk Peter, Bettina en Angelika. De laatste baseerde haar roman op dagboeken en honderden brieven van en aan haar moeder Else. De uitdaging bij het noteren van een  familieverhaal is niet alleen een bewogen geschiedenis maar vooral ook een tintelende verteltrant. Het proza van Angelika laat ik nu horen of lezen door het eerste stuk aan u door te geven. U weet van mij dat ik een hang heb naar werken over het voorspel, verloop en naspel van de Tweede Wereldoorlog: Jij bent niet zoals andere moeders is voor mij een eyeopener. De illustratie op de omslag is in zoverre functioneel, dat Else tot de jaren dertig mag likken van het leven.

Angelika Schrobsdorffe: ‘Vandaag, 30 juni, haar verjaardag, heb ik het dunne, langwerpige boekje uit de kist gehaald waarin ik de dingen van vroeger bewaar. Het is van stevig karton met een zwart-gouden versiering langs de randen en een gouden opschrift. Er staat: levensverhaal van ons kind Else De hoeken van het boekje zijn wat beschadigd, verder oogt het als nieuw. Het is achtennegentig jaar oud. Ook de ingeplakte eerste haarlokjes van Else zijn achtennegentig jaar oud, maar ze zien eruit alsof ze eergisteren zijn afgeknipt. Ze zijn bruin, vervolgens honingblond en ten slotte, in 1897, koperrood. Is haar onvergankelijk? Vergaat het niet tot stof? Het voelt zijdeachtig aan onder mijn vingers. Toen ik Else, mijn moeder, leerde kennen, had ze bronskleurig haar, sterk als de manen van een paard. Ze oogde altijd ongekapt, ook als ze net van de kapper kwam. Haar volle, kortgeknipte krullen waren niet in bedwang te krijgen. Het was niet het enige aan haar wat niet te bedwingen was. Ik had graag haar krullen en haar vitaliteit geërfd. Maar op deze punten – en nog een paar andere – heb ik meer van mijn vader.

O god, de ongerijmde gedachten die me bij de aanblik van het rode boekje overvallen, de herinneringen, het verlangen! Verlangen naar het verleden waarin ik leefde, verlangen naar een verleden waarin ik niet heb geleefd. Berlijn rond de eeuwwisseling. Wat stel ik me daarbij voor? Waarschijnlijk een intacte, inmiddels verdwenen wereld: trams en door paarden getrokken dubbeldeksbussen; kasseien en gaslantaarns; solide huizen met de kleur van koffie verkeerd en ‘deftige’ villa’s in grote tuinen; draaiorgels, bloemen- en fruitstalletjes, worst- en krantenverkopers; de eerste luxe warenhuizen; dansgelegenheden, cafés met een strijkorkestje, chique eetgelegenheden met obers in rokkostuum; variététheaters en schouwburgen; parken in alle tinten groen, met donkere, prachtige bouwwerken en onverzettelijke monumenten; de Kurfürstendamm en Unter den Linden, waar heren in een zwart colbert met een grijs gestreepte broek en dames met een mof, een met bloemen versierde hoed en een hooggesloten blouse flaneerden; en rond de stad de meren, de Spree, de dennenbossen waar de mensen in huurrijtuigen naartoe reden om te picknicken en te roeien, en waar ze in een uitspanning witbier dronken en gehaktballen aten terwijl er een militaire muziekkapel enthousiast speelde.

De wereld van mijn moeders jeugd. Was die zo? Was die intact? Daar lijkt het wel op. ‘Ik was het kleine, geliefde meisje van Joodse ouders, liefdevolle ouders, liefdevoller kan niet. Wij, mijn drie jaar jongere broertje Friedel en ik, waren gelukkige kinderen en het ontbrak ons aan niets.’ Dat schreef ze. De aantekeningen die haar moeder Minna over haar leven maakte, zijn nogal karig, en ik kan me voorstellen waarom. Minna’s literaire smaak was streng, en het boekje dat ze waarschijnlijk van een van haar vele familieleden had gekregen, stond vol met pijnlijke gedichten, zoals: Buiten bloeit alles zo prachtig/ Het is een en al geur en glans/ Rond het schomm’lend wiegje/ Zweven engelen in hemelse dans. ‘Buitenissig’ noemde ze zoiets, een woord dat ze vaak gebruikte. Een hoed kon buitenissig zijn, een persoon, een toetje, zelfs een begrip. Het beeld dat sommige mensen, vooral jongeren, van de liefde hadden, was bijvoorbeeld volkomen buitenissig. Liefde tussen man en vrouw was niet meer dan inbeelding. Kinderen waren de enige grote liefde en het enige echte geluk van een vrouw, en met dat doel sloot je een
huwelijk, een weloverwogen, door de ouders gearrangeerd en geregeld huwelijk. Wat kon jou de wereld schelen met je familie waarin je je geborgen voelde; die jou nodig had, voor wie je er moest en wilde zijn, van de eerste tot de laatste snik. Dat was Minna’s instelling, en dat was de voorwaarde waarop ze trouwde met de vrolijke, hartelijke Daniel Kirschner, een man met een buikje, ogen als waterdruppels en de eigenaar van een groothandel in jurken, blouses en peignoirs. Na twee jaar werd Else geboren.

De geboorteadvertentie, die vast in een Joodse krant werd geplaatst en op de eerste bladzijde van het rode boekje is geplakt, is bescheiden: Wij zijn zeer verheugd over de voorspoedige geboorte van ons gezonde dochtertje Daniel Kirschner en echtgenote Minna, geb. Cohn Berlijn, 30 juni 1893.
Hoe zal ze er toen hebben uitgezien, de kleine, fragiele Minna, die ik niet anders heb gekend dan in zwarte kleren, waaruit alleen haar handen en haar gezicht staken, een lang, smal, door scepsis en melancholie verduisterd gezicht dat meteen ophelderde en begon te stralen als ze haar kleinkinderen om zich heen had. Ze rouwde nog altijd om haar zoon, had mijn moeder me uitgelegd, ze kwam niet over zijn dood heen. Siegfried, die gelukkig Friedel werd genoemd, was in 1918 overleden aan de Spaanse griep. Ik heb nooit een foto van hem gezien of een woord van mijn grootouders over hem gehoord, want alleen al het noemen van zijn naam had een desastreuze uitwerking op Minna’s gemoedstoestand.
Ik kan me dus nauwelijks voorstellen hoe ze er als jonge vrouw uitzag, in lichte kleren en op haar gezicht een overmoedige lach. Nee, overmoedig was ze waarschijnlijk niet, maar wel tevreden, want haar leven, waar ze geen buitenissige eisen aan stelde, had haar een verstandig huwelijk met een goede, zachtaardige man en de geboorte van een gezond kind geschonken. Misschien was ze zelfs vrolijk of in ieder geval een beetje vrolijk, maar aanleg tot melancholie heeft ze vermoedelijk altijd gehad. Haar voorouders kwamen uit Spanje en het Sefardische bloed had haar uiterlijk bepaald: een lichte olijfkleurige huid, bijna zwarte, amandelvormige ogen en prachtig dik, golvend haar dat ze in mijn tijd in een stevige, staalgrijze knot opstak.

Het gotische schrift waarin ze de belangrijkste ontwikkelingen van haar dochter in het rode boekje schreef, is even fragiel en netjes als zijzelf. Ze noteert gewicht, inentingen, het eerste tandje, de eerste stapjes en de eerste woordjes. Uit de bladzijden met de titel ‘Dagboek’ maak ik op dat Elsje al met tweeënhalve maand haar eerste jurkje draagt, met negen maanden voor het eerst de bokkenpruik opzet, op haar eerste verjaardag wordt gefotografeerd – de foto is goed gelukt – met anderhalf jaar ‘Anna Marie’, ‘Vos van onze ganzen heb je weer een weggediefd’ en ‘Word wakker, het zonnetje is al op’ zingt, met ruim twee jaar de hele Piet de Smeerpoets uit het hoofd kan opzeggen, en met vierenhalf jaar naar de kleuterschool gaat, waar ze haar eerste handwerkje maakt, dat echt alleraardigst is gelukt. Deze aantekeningen laten al duidelijk het uitgestippelde levenspad van de kleine Else zien. Ze wordt vanaf haar babytijd klaargestoomd voor een welgesteld huwelijk, waarin ze niets anders moet en mag zijn dan vrouwtje en moeder. Het is ongetwijfeld Minna die binnen het gezin de lakens uitdeelt, wat Daniel zonder protest laat gebeuren. Hij houdt van zijn vrouw en waardeert haar, hoewel ze hem nooit de warmte en tederheid geeft die meer voor hem zouden gaan betekenen dan de onberispelijke vervulling van haar huwelijkse plichten. Hij erkent haar als slimmer en intellectueler, want ze komt uit een veruit betere familie. Sigmund, haar vader, was arts in West-Pruisen; Aaron, zijn vader, bakker ergens bij de Poolse grens. Zij komt uit een gezin met zes kinderen en genoot een goede opleiding, hij had acht broers en een zus en moest op zijn veertiende van school. Zij had boeken gelezen en piano gespeeld, hij had met zijn acht broers brood moeten bezorgen en in het koor van de synagoge gezongen. Zijn moeder was vroegtijdig bij de elfde bevalling gestorven, zijn vader, een orthodoxe Jood, had overdag in de bakkerij staan zwoegen en daarna tot diep in de nacht in de Thora gelezen en de Talmoed bestudeerd. Nadat de negen zoons voortijdig van school waren gehaald, werden ze de wereld ingestuurd om een ambacht te leren – waar en wat dan ook. Ze waren alle negen in het veelbelovende Berlijn beland en bouwden daar een fatsoenlijk bestaan op. Op hoge leeftijd verhuisde hun vrome vader ook naar Berlijn, waar hij bij een van zijn zoons introk. Hij stelde huiverend vast dat zijn kinderen, die streng in de leer waren opgevoed, de geboden van de Heer zeer verwaarloosden en zwichtten voor de verleidingen van de goddeloze tijd. Ik ken maar één verhaal over mijn overgrootvader Aaron. Vermoedelijk het enige verhaal dat Else vanwege de verstrekkende gevolgen niet is vergeten. Ze moet het ergens na mijn dertiende hebben verteld, want daarvoor had ik – en dat van mijn vader – slechts over één Jood gehoord, en dat was Jezus.’
 

CULTUURMIX 29 OKTOBER 2018

Papendrecht 29-10-2018

DE VULKAAN

Ik ga op reis en neem mee, ik vul mijn herfstvakantie met, ik doe een vuistdikke paperback in mijn valies, ik breng mijn dagen door met een enkel boek. Ik heb het over de 544 bladzijden tellende epos De vulkaan van Klaus Mann en Querido met de ondertitel ‘Roman onder emigranten’. Ik genoot van de voorpret van het lezen van dit boek door de intro  van het eerste hoofdstuk tot mij te nemen en om u dezelfde geneugte te bezorgen citeer ik het fragment. Uiteraard wilt u de context weten en daarom geef ik eerst het woord aan de uitgever op de site. Na onze vrije leesdagen wisselen wij onze ervaringen met elkaar hier uit.

Querido:
Een groep aan de nazi’s ontvluchte kunstenaars en bohemiens spreekt begin jaren dertig regelmatig af in een Parijs café. Onder hen de actrice Marion, de begaafde jonge, aan heroïne verslaafde dichter Martin (in wie we Klaus Mann zelf herkennen), zijn geliefde (de mooie Braziliaan Kikjou) en een Amsterdamse professor. Wat hen bindt is de angst voor het opkomende nazisme, de heimwee naar hun vaderland en de hoop op een betere toekomst. Maar in de jaren die volgen neemt de dreiging almaar toe: in 1939 staat Europa als een vulkaan op uitbarsten. De vulkaan, door Klaus Mann als zijn beste boek beschouwd, is een van de belangrijkste exilromans ooit geschreven. Mann vluchtte voor de nazi’s naar Amsterdam, waar hij onderdak vond bij de door Emanuel Querido en Fritz Landshoff opgerichte exiluitgeverij Querido Verlag. In 1939 publiceerde hij er Der Vulkan, dat nu voor het eerst in een Nederlandse vertaling verschijnt.’

Klaus Mann: ‘Het kleine restaurant op de hoek van Boulevard Saint-Germain en Rue des Saints-Pères was om halfnegen al bijna helemaal leeg. In Parijs wordt gedineerd tussen halfzeven en acht uur, daarna zitten er alleen nog maar gekken of buitenlanders aan tafel. De laatste twee gasten, een Amerikaans echtpaar, zaten net hun koffie te drinken toen de serveerster geschrokken naar de deur keek: er kwamen nog vier mensen binnen, twee jongemannen, een jonge en een oudere vrouw. Een van de jongemannen – hij was opvallend bleek en mager; boven zijn gezicht, dat wel van was leek, stonden zijn zwarte haren rechtovereind, als in voortdurende ontzetting te berge gerezen – informeerde of ze nog iets te eten konden krijgen. De serveerster wilde al nee zeggen toen de patronne van achter de bar haar stem liet horen: maar natuurlijk, ze had nog twee porties poulées en een ‘schnitzel viennois’, en voor een van de dames kon ze wel een omelet maken. De vier namen daar genoegen mee; terwijl ze aan een tafel in de hoek gingen zitten, zei de jongeman die de vraag aan de serveerster had gesteld: ‘Ik heb nieuwe kranten uit Berlijn te pakken gekregen!’ Hij legde een stapel bladen voor zich neer. De jonge vrouw trok een grimas en zei: ‘Bah!’ Ze spraken Duits – wat het echtpaar aan de tafel naast hen de oren deed spitsen. Nu was het de Amerikaanse die een grimas vol weerzin trok. Tegelijk haalde ze haar schouders op en zei ze iets tegen haar man, waarschijnlijk iets kwetsends over Duitsers in het algemeen en over die vier in hun hoekje in het bijzonder. Haar man leek haar op alle punten gelijk te geven; hij knikte verontwaardigd en riep toen met daverende stem: ‘L’addition, mademoiselle!’

De Duitsers hadden intussen hun kranten voor zich uitgespreid. De jonge vrouw zei, met een mooie sonore, wat mokkende stem: ‘Ook nog geld uitgeven voor die rommel! Schande!’ Terwijl haar gezicht van afkeer vertrokken bleef, alsof er iets stinkends, een dierenlijkje of braaksel, op het tafelkleed tussen de couverts lag, stak ze haar lange, onrustige, gespierde handen gretig naar de bladen uit. ‘Laat meteen maar het afschuwelijkste zien!’ riep ze met een duister lachje. ‘De Berliner Illustrirte!’

De magere zwartharige jongeman hield haar somber plagend de voorpagina van de Illustrirte voor; daarop stond de Führer en Rijkskanselier in een idyllisch tête-à-tête met een klein meisje met blonde vlechten, dat hem een enorme bos bloemen aanreikte. ‘Mooie man, hè,’ zei de bleke jongeman met een zuur glimlachje. De oudere vrouw – ze viel op door haar kortgeknipte, harde grijze haren en een roodbruin kapiteinsgezicht – zette haar armen in haar zij en riep bulderend: ‘Hoho!’ De Amerikaanse dame zei tamelijk luid: ‘Disgusting!’ en stond op. De vier Duitsers, verdiept in de foto, hoorden het niet; ze zagen ook niet hoe dreigend het gezicht van de Amerikaanse was toen ze, gevolgd door haar echtgenoot, de zaal doorkruiste op weg naar de uitgang. ‘Hij krijgt een buikje!’ constateerde de tweede jongeman, waarbij hij de Führer bedoelde.
Toen de Amerikaanse langs de tafel kwam waar Duits werd gesproken en de foto van Hitler werd bekeken, bleef ze even staan en zei heel duidelijk: ‘En bas les boches!’ Ze sprak het Frans vrij behoorlijk uit, veel beter in elk geval dan haar man, die er nog met een zwaar accent aan toevoegde: ‘En bas les nazis!’ Hij was inmiddels al bij de deur. Maar de dame draaide zich nog even om en nu spuugde ze. Van een afstand van minstens twee meter spuugde ze heel krachtig en trefzeker – van die respectabele, zeker niet meer jonge vrouw had je dat niet verwacht – zodat er een mooie, sappige portie speeksel vlak naast de schoenen van de magere jongeman op de vloer kletste. Toen viel de deur achter de Amerikaanse dicht. De serveerster en de patronne van het restaurant hadden zwijgend naar het incident staan kijken; de serveerster met een nauwelijks zichtbare boosaardige grijns, de patronne met een schouderophalen, alsof ze wilde zeggen: ‘Waarom zou je je zo opwinden over die Duitsers? Zolang ze hun rekening betalen zal het me allemaal een zorg zijn.’

De vier aan tafel waren zo geschrokken en verbijsterd dat secondenlang geen van hen een woord kon uitbrengen. De twee jongemannen en de jonge vrouw waren erg bleek geworden, terwijl het gezicht van de oudere vrouw stralend roodbruin bleef. Zij was het die het zwijgen verbrak doordat ze keihard begon te lachen. ‘Geweldig!’ bracht ze schaterend uit, waarbij ze herhaaldelijk dreunend op de tafel sloeg. ‘Uitgerekend ons moet dat overkomen! Kostelijk! Ongelooflijk!’ De twee jongemannen probeerden mee te lachen, maar het resultaat was erbarmelijk, ze kwamen niet verder dan een bittere zweem van een glimlachje. De jonge vrouw keek naar haar bord en zei zacht: ‘Ik vind het helemaal niet grappig.’ Waarom niet grappig, hoezo niet? wilde de oudere vrouw weten. Maar nu bekende de tweede jongeman, die blond en fors was, met een licht, breed, knap, enigszins week en vermoeid gezicht: ‘Ik kan het eigenlijk ook niet zo leuk vinden. Mijn hemel, ik ben me doodgeschrokken!’ Hij legde zijn hand op zijn hart en keek met grote, verbijsterde ogen, koket om medelijden vragend, van de een naar de ander. De magere zwartharige jongeman keek peinzend naar de fluim die nog naast zijn voeten op de grond lag. ‘Twee weken geleden,’ zei hij zacht, ‘precies twee weken geleden ben ik bespuugd door een SA’er in Berlijn, op de Kurfürstendamm. Ook van een tamelijk grote afstand. Hij mikte nog wat beter dan deze lady, zijn speeksel bleef aan mijn schoenen plakken.’ In de korte stilte die op deze mededeling volgde, zei de vrouw met het grijze haar: ‘Arme David.’ De serveerster zette met een demonstratief gebrek aan voorkomendheid de twee porties poulées, de schnitzel viennois en een omelet op tafel. ‘We hadden die mensen uit de droom kunnen helpen,’ zei de blonde jongeman met zijn mooie, weke gezicht – hij had een lijzig melodieuze manier van praten; zijn woorden kwamen aarzelend en vleiend uit zijn mond. ‘We hadden ze kunnen vertellen dat we dan misschien wel “sales boches” zijn, maar zeker geen “sales nazis”. Ik weet alleen niet of die mensen überhaupt belangstelling voor zulke nuances hadden gehad, waarschijnlijk is het voor hen allemaal één pot nat.’ Hij haalde zijn schouders op en glimlachte berustend. ‘Bovendien gaven ze ons niet de tijd om uitvoerig met ze in gesprek te gaan.’

De jonge vrouw met de mooie mokkende stem schoof de kranten weg die nog steeds opengeslagen tussen de wijnglazen en de borden lagen. ‘Dit soort dingen moet je je laten welgevallen! Ik was er meteen al tegen om met die rotzooi’ – ze gaf de papieren nog een woedende duw – ‘in een openbare gelegenheid te gaan zitten. Het is gewoon te compromitterend!’ Ze zag er in haar woede heel aantrekkelijk uit. Fraaie vlammen van woede schoten uit haar ogen, die een merkwaardig donkergroene, naar zwart neigende kleur hadden. De blonde jongeman – hij heette Martin Korella – legde een arm om haar schouders en smeekte met zijn lijzige vleiende stem: ‘Erger je niet, Marion! Eigenlijk ging het helemaal niet over ons. Eigenlijk moeten we er blij om zijn: het bewijst hoe de nazi’s in het buitenland gehaat worden. In Amerika schijnt de stemming echt tegen ze te zijn. Die twee waren toch Amerikaans?’ vroeg hij.
Maar Marion wilde zich niet laten kalmeren. ‘Het is afschuwelijk!’ klaagde zij. ‘Het is die Hitler binnen de kortste keren gelukt de Duitsers in de wereld weer zo gehaat te maken dat je de kans loopt bespuugd te worden als je laat merken dat je Duitser bent!’

Martin, wiens arm nog steeds om Marions schouders lag, zei nadenkend: ‘Maar het is de vraag of die mondiale verontwaardiging van blijvende aard is. De mensen vergeten zo gauw, en er komen weer andere sensaties. Over vijf jaar zouden we misschien blij zijn als de mensen bij het zien van Berlijnse kranten nog woedend werden.’ De grijze vrouw stelde voor: ‘Laten we nou maar eens wat eten, mensen, alles wordt koud! Mijn schnitzel ziet er heerlijk uit!’ Ze zei ‘mijn schnitzel’, hoewel ze nog helemaal niet hadden besproken hoe de gerechten verdeeld zouden worden. ‘Moeder Schwalbe heeft altijd gelijk,’ constateerde Martin Korella, en hij schonk de resolute oude vrouw een lange, teder triomfantelijke blik vanuit zijn slaperig sensuele ogen. ‘Ja, we gaan eten!’ David zei snel: ‘Ik heb niet zo’n honger, ik neem de omelet wel als jullie het goed vinden.’ Hij had een vreemde manier om bij het praten zijn rechterschouder met een scheef rukje opzij te buigen, waarbij hij zijn ongezond blauwe lippen vertrok tot een beminnelijk angstig lachje. Het was een ontroerende en enigszins groteske, zowel meelijwekkende als vermakelijke kleine beleefdheidspantomime. ‘Ik laat mij de eetlust niet bederven,’ verklaarde moeder Schwalbe, al druk bezig met haar schnitzel. En David, voor wie ze het niet erg aanlokkelijk ogende harde omeletje hadden overgelaten, merkte schuchter op: ‘Ik vind het hier wel leuk. Dit restaurant bevalt me wel. En dat we hier zo met z’n vieren bij elkaar zitten... Daar heb ik in Berlijn vaak naar verlangd,’ bekende hij, en over zijn wasbleke gezicht trok een vluchtige, lichte blos. ‘Sommige wensen gaan onder uiterst vreemde omstandigheden in vervulling, heel anders dan je je oorspronkelijk had voorgesteld.’ Zijn reebruine, bijziende ogen schoten heen en weer tussen Marion, Martin en moeder Schwalbe, totdat hij ze bescheiden en angstig neersloeg.’
[...]



21 LESSEN VOOR DE 21ste EEUW

Ik mocht bij u introduceren de bestsellers van de Israëlisch historicus, filosoof, filosoof en transhumanist, die verbonden is aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. Ik heb het over ‘Sapiens’ over het verleden en over ‘Homo Deus’ over de toekomst, Nu mag ik aankondigen een werk over het heden. Ik vraag uw aandacht voor het 448 bladzijden tellende 21 lessen voor de  21ste eeuw van Yuval Noah Harari en uitgeverij Thomas Rap. Daar ik dit bij voorbaat opnieuw belangrijke boek nog maar een paar dagen in heb, maar - met een wenk naar de voor velen van u nakende herfstvakantie – wil ik nu al ervan gewag maken door het Voorwoord integraal aan u door te geven. Het spreekt voor zich dat wij in november wederom elkaar rond dit boek elkaar ontmoeten. U weet na het lezen van deze geloofsbrief wat u te wachten staat. 

Yuval Noah Harari: ‘
In een wereld die overspoeld wordt met irrelevante informatie is helderheid macht. In theorie kan iedereen meediscussiëren over de toekomst van de mensheid, maar het is zo moeilijk om alles helder te blijven zien. Vaak merken we niet eens dat er een discussie gaande is of wat de belangrijkste punten zijn. Miljarden mensen hebben zelden de luxe om mee te denken, omdat ze belangrijker zaken aan hun hoofd hebben: ze moeten naar hun werk, voor de kinderen zorgen of bejaarde ouders assisteren. Helaas doet de geschiedenis niet aan ‘niet goed, geld terug’. Als er besloten wordt over de toekomst van de mensheid zonder dat jij erbij bent, omdat je het druk had met het voeden en kleden van je kinderen, dan zullen jij en zij de consequenties van die beslissingen niet ontlopen. Dat is heel oneerlijk, maar wie zei dat de geschiedenis eerlijk was? Als historicus kan ik mensen geen eten of kleren geven, maar ik kan wel proberen het een en ander te verhelderen, zodat de kansen wat eerlijker verdeeld worden. Als dat ook maar een paar extra mensen de kans geeft om mee te discussiëren over de toekomst van onze soort, is mijn missie geslaagd. Mijn eerste boek, Sapiens, ging over het verleden van de mens en over de vraag hoe een onbetekenende aap de absolute heerser op aarde werd. Homo Deus, mijn tweede boek, was een onderzoek naar de toekomst van het leven op aarde op de lange termijn, waarin ik mijn gedachten liet gaan over de verschillende manieren waarop mensen uiteindelijk misschien goden zullen worden, en over het uiteindelijke lot van intelligentie en bewustzijn.

In dit boek wil ik me richten op het hier en nu, op de huidige stand van zaken en de nabije toekomst van onze menselijke samenlevingen. Wat gebeurt er op dit moment? Wat zijn de grote uitdagingen en keuzes van nu? Waarop moeten we letten? Wat moeten we onze kinderen bijbrengen? Uiteraard zijn er zeven miljard mensen op de wereld, met zeven miljard verschillende wensenpakketten, en zoals ik al zei, is het een relatief zeldzame luxe om te kunnen nadenken over grote kwesties. Een arme alleenstaande moeder die twee kinderen moet zien groot te brengen in een achterbuurt van Bombay kan niet veel verder denken dan de volgende maaltijd, bootvluchtelingen die ronddobberen op de Middellandse Zee turen de horizon af naar land, en een stervende patiënt in een overvol Londens ziekenhuis heeft al zijn krachten nodig om nog één keer adem te halen. Ze hebben allemaal veel urgentere problemen dan het broeikaseffect of de crisis waarin onze democratieën verkeren. Er is geen boek dat aan dat alles recht kan doen en voor mensen in dat soort situaties heb ik geen wijze lessen. Ik kan alleen maar hopen dat ik iets van hen kan leren. In dit boek laat ik mijn blik over de hele wereld gaan. Ik kijk naar de belangrijkste krachten die overal ter wereld inwerken op onze samenlevingen en die hoogstwaarschijnlijk de toekomst van onze planeet als geheel zullen beïnvloeden. Klimaatverandering is misschien het laatste waar mensen in doodsnood aan denken, maar uiteindelijk zou het heel goed kunnen dat daardoor de achterbuurten van Bombay onleefbaar worden, er enorme nieuwe golven vluchtelingen de Middellandse Zee over komen en er een wereldwijde zorgcrisis ontstaat. De werkelijkheid is een web met vele draden en in dit boek behandel ik verschillende aspecten van de hachelijke situatie waarin we ons bevinden, zonder aanspraak te maken op volledigheid. Anders dan ‘Sapiens’ en ‘Homo Deus’ is dit boek niet bedoeld als een groot historisch overzicht, maar meer als een verzameling lessen. Die lessen worden niet afgesloten met simpele antwoorden. Ze zijn bedoeld om lezers te stimuleren er dieper over na te denken en handvatten te bieden waarmee eenieder zijn stem kan laten horen in de grote debatten van onze tijd.

In wezen is dit boek geschreven in samenspraak met het publiek. Veel hoofdstukken zijn ontstaan als reactie op vragen van lezers, journalisten en collega’s. Eerdere versies van sommige stukken zijn in andere vorm al eerder gepubliceerd, wat me de kans gaf om feedback te krijgen en mijn argumenten bij te slijpen. Sommige stukken gaan over technologie, sommige over politiek, sommige over religie en weer andere over kunst. Bepaalde hoofdstukken zijn een lofzang op de menselijke wijsheid, andere belichten de cruciale rol van de menselijke domheid. Maar de overkoepelende vraag blijft hetzelfde: wat gebeurt er momenteel in de wereld en wat is de diepere betekenis daarvan? Wat heeft de overwinning van Donald Trump te betekenen? Wat kunnen we doen aan de epidemie van nepnieuws die ons overspoelt? Waarom verkeert de liberale democratie in een crisis? Is God terug van weggeweest? Zit er een nieuwe wereldoorlog aan te komen? Welke beschaving domineert de wereld: het westen, China, de islam? Moet Europa de deur open blijven houden voor immigranten? Kan het nationalisme effectieve oplossingen bieden voor problemen als ongelijkheid en klimaatverandering? Hoe moeten we terrorisme aanpakken? Hoewel dit boek een mondiaal perspectief biedt, zal ik de persoonlijke factor niet verwaarlozen. Integendeel, ik wil de verbanden tussen de grote revoluties van ons tijdperk en het zielenleven van afzonderlijke individuen juist benadrukken. Terrorisme is bijvoorbeeld niet alleen een mondiaal politiek probleem, maar ook een intern psychologisch mechanisme. Terrorisme werkt doordat het de angstknop in het diepst van onze hersenen indrukt en de fantasie van miljoenen individuen op hol laat slaan. Op dezelfde manier speelt de democratische crisis zich niet alleen af in parlementen en stembureaus, maar ook in neuronen en synapsen. Het is ontzettend cliché om te zeggen dat het persoonlijke politiek is, maar in een tijd waarin wetenschappers, grote bedrijven en overheden er steeds beter in worden om het menselijk brein te hacken, klinkt het onheilspellender dan ooit. In dit boek becommentarieer ik dan ook niet alleen het gedrag van hele samenlevingen, maar ook dat van individuen. 

Een geglobaliseerde wereld legt meer druk dan ooit op ons persoonlijke handelen en onze moraal. We zitten allemaal verstrikt in talloze allesomvattende spinnenwebben, die aan de ene kant onze bewegingsvrijheid inperken, maar tegelijk de kleinste individuele sparteling doorzenden naar verre bestemmingen. Onze dagelijkse routine beïnvloedt het leven van mensen aan de andere kant van de wereld en sommige persoonlijke gestes kunnen onverwacht de hele wereld over gaan, zoals gebeurde met de zelfverbranding van Mohammed Bouazizi in Tunesië die de Arabische Lente inluidde, en met de vrouwen die hun verhalen over seksuele intimidatie deelden en de #MeToo-beweging in gang zetten. Doordat ons persoonlijke leven zo’n mondiale dimensie heeft gekregen, is het nu belangrijker dan ooit om ons bewust te zijn van onze religieuze en politieke vooroordelen, onze raciale en gendergerelateerde privileges en onze ongewilde medeplichtigheid aan systematische onderdrukking. Maar is dat een realistische onderneming? Hoe kan ik een degelijke ethische basis vinden in een wereld die tot ver achter mijn horizon reikt, die we als mensen nauwelijks nog in de hand hebben en waarin alle goden en ideologieën verdacht zijn geworden? Dit boek begint met een overzicht van de huidige politieke en technologische knelpunten. Aan het eind van de twintigste eeuw leek het erop dat de grote ideologische veldslagen tussen fascisme, communisme en liberalisme waren geëindigd met een overweldigende overwinning voor het liberalisme. Democratie, mensenrechten en de vrije markt leken voorbestemd om de hele wereld te veroveren. Maar zoals altijd nam de geschiedenis een onverwachte wending en na de val van het fascisme en het communisme raakt nu het liberalisme in de knel. Dus waar gaan we met zijn allen naartoe?

Deze vraag is vooral zo urgent omdat het liberalisme zijn geloofwaardigheid verliest op precies hetzelfde moment dat revoluties in informatietechnologie en biotechnologie ons voor de grootste uitdagingen stellen die onze soort ooit heeft meegemaakt. De fusie tussen infotech en biotech zal mogelijk al heel snel miljarden mensen van de arbeidsmarkt drukken en daarmee vrijheid én gelijkheid ondermijnen. Big-data-algoritmen kunnen digitale dictaturen creëren waarin alle macht in handen van een kleine elite komt, terwijl de massa niet eens meer wordt uitgebuit, maar – erger nog – volkomen irrelevant wordt. In mijn vorige boek, Homo Deus, heb ik het uitgebreid gehad over de fusie tussen infotech en biotech, maar waar dat boek ging over onze vooruitzichten op de lange termijn – en dan heb ik het over eeuwen of zelfs millennia – concentreer ik me in dit boek op de sociale, economische en politieke crises die nú spelen of ontstaan. Het gaat me hier minder om het uiteindelijke ontstaan van anorganisch leven en meer om de dreigende ondergang van de verzorgingsstaat en specifieke instituten als de Europese Unie. Ik zal in dit boek niet proberen alle implicaties van nieuwe technologieën op te sommen. Van technologie valt veel goeds te verwachten, maar hier wil ik vooral de risico’s en gevaren ervan belichten. Aangezien de bedrijven en ondernemers die de technologische revolutie aanvoeren van nature geneigd zijn hun eigen creaties de hemel in te prijzen, is het aan sociologen, filosofen en historici als ik om alarm te slaan en uit te leggen wat er allemaal voor vreselijks mee mis kan gaan.

Na een korte schets van de uitdagingen die ons te wachten staan, gaan we in het tweede deel van het boek in op een breed scala aan mogelijke oplossingen. Kunnen Facebooktechneuten met behulp van ai een mondiaal netwerk opzetten dat de menselijke vrijheid en gelijkheid kan waarborgen? Misschien moeten we de globalisering een halt toeroepen en de natiestaat weer meer macht geven? Misschien moeten we zelfs nog verder teruggaan en hoop en wijsheid putten uit oeroude religieuze tradities? In het derde deel van dit boek zullen we zien dat de technologische uitdagingen die we moeten aangaan weliswaar ongekend zijn en de politieke onenigheid enorm, maar dat de mensheid ze wel degelijk het hoofd kan bieden als we onze angsten onder controle houden en iets nederiger zijn in onze opvattingen. In dit deel wordt onderzocht wat er gedaan kan worden aan de dreiging van het terrorisme, aan het gevaar van een wereldoorlog en aan de vooroordelen en de haat die dergelijke conflicten voeden. Het vierde deel gaat in op het idee van post-truth en stelt de vraag in hoeverre we allerlei mondiale ontwikkelingen überhaupt nog kunnen volgen en of we nog wel onderscheid kunnen maken tussen goed en kwaad. Kan homo sapiens de wereld die hij heeft geschapen nog wel overzien? Zijn er nog wel duidelijke grenzen tussen werkelijkheid en fictie? In het vijfde en laatste deel breng ik de verschillende onderwerpen bij elkaar en werp ik een iets algemenere blik op het leven in deze chaotische tijden. De oude verhalen zijn geïmplodeerd en er is nog geen nieuw verhaal opgekomen dat als vervanging kan dienen. Wie zijn we? Wat moeten we aan met ons leven? Wat voor vaardigheden hebben we nodig? Wat kunnen we, met alles wat we weten en niet weten over wetenschap, God, politiek en religie, zeggen over de zin van het leven van nu? Dit klinkt misschien wat al te ambitieus, maar homo sapiens kan niet wachten. Filosofie, religie en wetenschap voeren een race tegen de klok. De mens discussieert al duizenden jaren over de zin van het leven. We kunnen die discussie niet tot in de eeuwigheid blijven voeren. De dreigende milieucrisis, de toenemende dreiging van massavernietigingswapens en de opkomst van nieuwe ontwrichtende technologieën staan dat niet toe. En wat misschien wel het belangrijkste is: kunstmatige intelligentie en biotechnologie geven de mensheid het vermogen om het leven naar eigen inzicht om te vormen en om te bouwen. Heel binnenkort zal iemand toch moeten beslissen hoe dat vermogen gebruikt gaat worden en dat zal gebeuren op basis van een impliciet dan wel expliciet verhaal over de zin van het leven.

Filosofen zijn uiterst geduldige mensen, maar technici zijn een stuk minder geduldig en investeerders hebben het minste geduld van iedereen. Als je niet weet wat je aan moet met het vermogen om het leven zelf aan te passen, zal de markt niet duizend jaar wachten tot je een keer met een antwoord komt. De onzichtbare hand van de markt zal je blind zijn eigen antwoord opdringen. Je moet dus een duidelijk idee hebben waar het leven om draait óf je moet het prima vinden om de toekomst van alle leven toe te vertrouwen aan de kwartaalcijfers van dit of dat bedrijf. In het laatste hoofdstuk permitteer ik me de luxe van een paar persoonlijke opmerkingen en spreek ik van homo sapiens tot homo sapiens, vlak voordat het gordijn voor onze soort valt en er een compleet nieuw drama opgevoerd zal worden. Voor ik mijn intellectuele zoektocht aanvang, zou ik graag nog één cruciaal punt willen aanstippen. Een groot deel van dit boek gaat over de tekortkomingen van het liberale wereldbeeld en het democratische systeem. Niet omdat ik geloof dat de liberale democratie uitzonderlijk problematisch is, maar eerder omdat ik denk dat het het succesvolste en meest bruikbare politieke model is dat mensen tot dusver hebben ontwikkeld om de uitdagingen van de moderne tijd het hoofd te bieden. Het is misschien niet altijd even toepasbaar in alle maatschappijen of in al hun ontwikkelingsstadia, maar het heeft zijn waarde bewezen in meer samenlevingen en meer situaties dan alle alternatieven. Als we gaan kijken naar de nieuwe uitdagingen die ons wachten, is het dus belangrijk om de beperkingen van de liberale democratie te kennen en na te denken over manieren waarop we de huidige inrichting daarvan kunnen aanpassen en verbeteren. Helaas kunnen kritische kanttekeningen bij het liberalisme en de democratie in het huidige politieke klimaat al te makkelijk gekaapt worden door autocraten en allerlei bepaald onliberale bewegingen, die de liberale democratie alleen maar in diskrediet willen brengen in plaats van open en eerlijk de discussie aan te gaan over de toekomst van het mensdom. Ze staan altijd klaar om de problemen van de liberale democratie aan te kaarten, maar zelf kunnen ze niet of nauwelijks tegen kritiek. Ik moest als schrijver dus een moeilijke keuze maken. Moest ik me onomwonden uitspreken, op het gevaar af dat mijn woorden uit hun verband gerukt konden worden om ontluikende dictaturen mee te rechtvaardigen? Of moest ik aan zelfcensuur gaan doen? Dictatoriale regimes hebben de neiging de vrijheid van meningsuiting in te perken, zelfs buiten hun eigen grenzen. Nu er meer van dat soort regimes opkomen, wordt het steeds gevaarlijker om kritisch na te denken over de toekomst van onze soort. Na lang nadenken koos ik ervoor openlijk mijn mening te geven in plaats van mezelf te censureren. Zonder eerlijke kritiek op het liberale model zullen we dat nooit kunnen verbeteren of erop voort kunnen borduren. Maar let wel, dit boek kon alleen geschreven worden in een tijd waarin mensen nog steeds relatief vrij waren om te denken – en zeggen – wat ze wilden. Als je waarde hecht aan dit boek, zou je ook waarde moeten hechten aan de vrijheid van meningsuiting.’



BLINDGANGER

Ik trek u een roman binnen door het noemen van de auteur, het verwijzen naar de slogans op de voorzijde omslag, het citeren van de auteur op de achterzijde omslag en het doorgeven van de tekst op de eerste vijf pagina’s. Ik weet zeker dat u het hele verhaal via het boek zelf in de herfstvakantie tot u wilt nemen. Het gaat om de 286 bladzijden tellende paperback Blindganger van Michael Ondaatje en Nieuw Amsterdam. De slogans zijn: ‘Van de bestsellerauteur van The English Patient en ‘Een meesterwerk, volgens De Standaard’. De uitgever zegt op de omslag: ‘1946: Londen herstelt zich van de blitzkrieg. De veertienjarige Nathaniel en zijn zus Rachel zijn door hun geliefde moeder Rose achtergelaten bij een raadselachtige ‘voogd’ met de bijnaam De Mot. In eerste instantie denken ze dat hij een crimineel is maar ze groeien redelijk gelukkig op in de excentrieke wereld die hij creëert, vol kleurrijke vrienden die zich in de chaotische naoorlogse jaren op nogal ongebruikelijke wijze over hen ontfermen. Twintig jaar later reconstrueert Nathaniel zijn bijzondere verleden, het opgroeien in de wereld van De Mot en het grote geheim van zijn moeder. Werkelijkheid, herinnering en verbeelding komen samen in deze prachtige roman van meesterstilist Ondaatje.


Michael Ondaatje: ‘In het gezelschap van vreemden. In 1945 gingen onze ouders weg en werden wij toevertrouwd aan de zorgen van twee mannen die mogelijk crimineel waren. We woonden aan Ruvigny Gardens, een straat in Londen, en op een ochtend zei onze vader of moeder dat we na het ontbijt even met het hele gezin moesten praten, waarna ze vertelden dat ze een jaar naar Singapore gingen, zonder ons. Niet zo heel lang, zeiden ze, maar ook weer niet kort. Tijdens hun afwezigheid zou er uiteraard goed voor ons gezorgd worden. Ik weet nog dat mijn vader op zo’n oncomfortabele ijzeren tuinstoel zat toen hij het nieuws vertelde, terwijl mijn moeder in haar zomerjurk vlak achter zijn schouder keek hoe wij reageerden. Na een tijdje pakte ze de hand van mijn zus Rachel en hield die tegen haar zij, alsof ze hem zo kon warmen. Rachel en ik zeiden allebei geen woord. We keken met grote ogen naar onze vader, die uitgebreid vertelde over hun vlucht met de nieuwe Avro Tudor I, een vliegtuig dat afstamde van de Lancaster-bommenwerper en een kruissnelheid van ruim driehonderd mijl per uur kon behalen. Ze zouden minstens twee keer op een ander vliegtuig moeten overstappen om op hun bestemming aan te komen. Hij legde uit dat hij promotie had gekregen en het hoofdkantoor van Unilever in Azië zou overnemen, een volgende stap in zijn carrière. We zouden er allemaal beter van worden. Hij klonk ernstig, en op een gegeven moment wendde onze moeder zich af en richtte haar blik op haar augustustuin. Toen mijn vader was uitgepraat en ze zag dat ik in de war was, kwam ze naar me toe en haalde haar vingers als een kam door mijn haar.

Ik was veertien en Rachel bijna zestien, en ze zeiden dat we in de vakantie onder de hoede zouden komen van een voogd, zoals mijn moeder hem noemde. Ze omschreven hem als een collega. Wij kenden hem al – we noemden hem altijd De Mot, een naam die we zelf hadden verzonnen. Bij ons thuis waren we gewend om iedereen een bijnaam te geven, wat betekende dat we ook gewend waren dat mensen zich achter een masker verscholen. Rachel had al tegen me gezegd dat ze hem verdacht van criminele praktijken. Het leek dan misschien een merkwaardige regeling, maar omdat het leven zo vlak na de oorlog nog steeds verwarrend en onvoorspelbaar was, vonden we het helemaal niet zo’n vreemd voorstel. We legden ons bij de beslissing van onze ouders neer, zoals kinderen dat nu eenmaal doen, en De Mot, die net als huurder bij ons op de derde verdieping was komen wonen – een bescheiden man, groot maar met schuchtere bewegingen, waardoor hij veel weg had van een mot –, bood uitkomst. Kennelijk vonden onze ouders hem betrouwbaar genoeg. Of zij meer wisten over de criminele aard van De Mot was ons niet duidelijk. Ze hadden ooit heus wel een poging ondernomen om ons tot een hecht gezin te smeden. Een enkele keer mocht ik van mijn vader mee naar het kantoor van Unilever, dat in het weekend en op feestdagen uitgestorven was; en als hij dan bezig was, dwaalde ik door een schijnbaar verlaten wereld op de twaalfde verdieping van het gebouw. Ik kwam tot de ontdekking dat alle ladekasten op slot zaten. Er lag niets in de prullenmanden, nergens hingen foto’s of schilderijen aan de muur, al werd een van de wanden van zijn kamer wel gesierd door een grote reliëfkaart waarop de overzeese vestigingen van het bedrijf stonden aangegeven: Mombasa, De Cocoseilanden, Indonesië. En dichter bij huis: Triëst, Heliopolis, Benghazi, Alexandrië, steden die een kordon vormden rondom de Middellandse Zee, en ik nam aan dat die vestigingen onder mijn vaders gezag vielen. Daar boekten ze laadruimte op de honderden schepen die heen en weer voeren naar het Oosten. De lichtjes op de kaart die de steden en havens aangaven brandden in het weekend niet; dan bleef de kaart in duisternis gehuld, net als die verre buitenposten zelf. 

Toen het moment van vertrek naderde, werd besloten dat mijn moeder de laatste weken van de zomer thuis zou blijven om alles rondom het voogdijschap van de huurder te regelen en ons voor te bereiden op onze nieuwe kostscholen. Op de zaterdag voordat mijn vader in zijn eentje naar die verre wereld zou vliegen, nam hij me nog één keer mee naar het kantoor in de buurt van Curzon Street. Hij had voorgesteld om een flink eind te lopen; zijn lichaam zou de komende dagen immers vastgesnoerd zitten in een vliegtuig. Dus namen we de bus naar het Natural History Museum en liepen toen door Hyde Park naar Mayfair. Hij was opvallend kwiek en vrolijk, en zong keer op keer de regels van Housman: Net als de jas van moeders handen, slijt ook het hart in verre landen, bijna monter, alsof het een leus was. Ik vroeg me af wat het betekende. Ik weet nog dat we meerdere sleutels nodig hadden om het gebouw binnen te komen en de bovenste verdieping te bereiken, die volledig in beslag werd genomen door het kantoor waar hij werkte. Ik stond voor de grote, nog steeds onverlichte kaart en prentte me de steden in waar hij de komende nachten overheen zou vliegen. Ook toen al hield ik van landkaarten. Hij kwam achter me staan en toen hij de lampjes aandeed, wierpen de bergen hun schaduw over de reliëfkaart, al waren het nu niet zozeer de lampjes die me opvielen, als wel de zachtblauw oplichtende havens en de enorme stukken onverlichte aarde. Een deel van het panorama was 16 nu onzichtbaar, en ik vermoed dat het beeld dat Rachel en ik van het huwelijk van onze ouders hadden net zo onvolledig was. Ze hadden zelden iets over hun leven verteld. We waren gewend aan halve verhalen. Onze vader had een rol gespeeld in de slotfase van de oorlog, en ik denk dat hij voor zijn gevoel niet echt bij ons hoorde. Het sprak vanzelf dat zij met hem meeging. Voor ons was het ondenkbaar dat ze los van hem een bestaan kon hebben: ze was zijn vrouw. Het zou minder desastreus zijn, het gezin zou minder ontregeld raken als ze ons achterlieten dan als onze moeder op Ruvigny Gardens bleef om voor ons te zorgen. Bovendien konden ze ons niet zomaar van de scholen halen waarop we na al die moeite waren toegelaten, was hun redenering. Voor hij vertrok omhelsden we mijn vader met zijn allen; De Mot was zo tactvol om zich dat weekend niet te laten zien. 

En zo begonnen we aan een nieuw leven. Ik kon het toen nog niet helemaal geloven. En ik weet nog steeds niet of de periode die volgde mijn leven ontwrichtte of er juist een positieve impuls aan gaf. Ik raakte in die tijd de vastigheid en inperkingen van het gezinsleven kwijt, en het gevolg was dat ik op latere leeftijd iets aarzelends had, alsof ik mijn portie vrijheid te snel had opgebruikt. In elk geval ben ik nu op een leeftijd dat ik erover kan praten, over onze jeugd in de beschermende armen van vreemden. En het voelt alsof ik duiding geef aan een sprookje, over mijn ouders, over Rachel en mijzelf, en over De Mot, maar ook over de anderen die zich later bij ons voegden. Voor dat soort verhalen bestaan vast allerlei tradities en stijlfiguren. Iemand moet een beproeving doorstaan. Niemand weet wie de waarheid met zich meedraagt. De personages zijn niet wie of waar je denkt dat ze zijn. En er is iemand die vanaf een onbekende plek toekijkt. Ik weet nog dat mijn moeder graag vertelde over de trouwe ridders uit de Arthurlegendes die hun opdrachten vaak met bezwaard gemoed vervulden; soms situeerde ze die verhalen in dorpjes op de Balkan of in Italië waarvan ze zei dat ze er weleens was geweest en die ze voor ons opzocht op de kaart. Door het vertrek van mijn vader werd mijn moeders aanwezigheid belangrijker. De gesprekken tussen onze ouders gingen altijd over volwassen aangelegenheden. Maar nu begon ze over zichzelf te vertellen, over haar jeugd op het platteland van Suffolk. Vooral het verhaal over ‘het gezin op het dak’ vonden we geweldig.

Onze grootouders woonden in een streek in Suffolk die The Saints heette, waar hun rust hooguit werd verstoord door het geluid van de rivier, of nu en dan door een kerkklok uit een naburig dorp. Maar een maand lang had er op hun dak een gezin gewoond dat met spullen smeet en tegen elkaar schreeuwde, en wel zo hard dat het lawaai door het plafond heen hun eigen gezinsleven binnensijpelde. Het was een bebaarde man met zijn drie zonen. De jongste was de zwijgzame van het stel; zijn belangrijkste taak was de ladder op klimmen met emmers water voor de anderen op het dak. Maar elke keer dat mijn moeder het huis uit liep om eieren uit het kippenhok te halen of in de auto te stappen, zag ze dat hij naar haar keek. Het waren rietdekkers die het dak repareerden, en ze waren de hele dag druk in de weer. Rond etenstijd haalden ze hun ladders weer naar beneden en vertrokken. Maar op een dag werd de jongste zoon even opgetild door een harde windvlaag, waardoor hij zijn evenwicht verloor. Hij viel van het dak, dwars door de lindeberceau, en kwam op het plaatsje bij de keuken terecht. Zijn broers droegen hem naar binnen. De jongen, die Marsh heette, had zijn heup gebroken, en de dokter die erbij werd gehaald deed gips om zijn been en zei dat hij niet vervoerd mocht worden. Hij moest op een bank in de bijkeuken blijven liggen tot het dak klaar was. Mijn moeder – die toen acht was – moest hem zijn eten brengen. Af en toe bracht ze hem een boek, maar hij was zo verlegen dat hij nauwelijks iets zei. Die twee weken moeten voor hem een eeuwigheid hebben geduurd, zei ze tegen ons. Toen hun werk er eindelijk op zat, pakte het gezin de jongen op van de bank en vertrok.’


TERUG NAAR NEERPELT

Ik reik u een verhaal aan dat fascinerend is naar thema en naar taal. Ik beveel u van harte een literair werk aan dat een persoonlijk verhaal bevat van een auteur die ik eerder bij u introduceerde vanwege haar meeslepende en hartstochtelijke reisverhalen. Haar tocht van nu is een gang naar het eigen heem, haar thuishaven in België. Het gaat om de 256 bladzijden tellende paperback Terug naar Neerpelt van Lieve Joris en Atlas Contact. Met een saluut aan de voor velen vrije herfstweek geef ik om het thema te vatten de tekst van de uitgever op de omslag en om de taal te ondergaan citeer ik de eerste vijf pagina’s. In november praten wij door over dit sterke verhaal.

Atlas Contact: ‘Na haar reizen door het Midden-Oosten, Afrika, Oost-Europa en Azië keert Lieve Joris in Terug naar Neerpelt terug naar het Vlaanderen van haar jeugd, naar het huis aan het kanaal in Neerpelt, waar zij opgroeide als middelste van een woelig gezin van negen. Als kind trekt zij naar haar grootmoeder, als puber raakt zij in de ban van haar artistiek begaafde oudste broer. Hij doet de wind van vrijheid over het gazon waaien en wijst haar de weg het dorp uit, al zal hij daar zelf achterblijven en gaandeweg ontsporen. Met vallen en opstaan zoekt Lieve Joris haar weg in de wereld. Aan de personen in het huis aan het kanaal kan zij niet ontsnappen. Haar geboortedorp was een plek om vandaan te gaan, maar haar terugkeer was even onvermijdelijk. Uit deze familiegeschiedenis stijgt behalve een tijdsbeeld ook het verhaal op van een dorpsmeisje dat, dwars tegen haar lotsbestemming in, haar weg vindt naar het schrijverschap.’

Lieve Joris: ‘Mijn vader belt. Hij heeft van zichzelf al een doodgraversstem, maar nu klinkt die extra somber. Onze Fonny heeft een accident gehad. Eergisternacht, op zijn verjaardag. Hij ligt in coma op de intensieve. ‘Weten de anderen het al?’ ‘Ja, ja, behalve ons Nicole. En Hildeke – die hoeft het nog niet te weten.’ Op de weg van Hasselt naar Tongeren is Fonny’s auto tegen een boom gevlogen en twee keer over de kop gegaan. Fonny was onder invloed, natuurlijk, maar dat vertelt mijn vader er niet bij. ‘Hier is ma,’ kan hij nog net uitbrengen voor zij hem de hoorn uit de hand grist. Fonny zag er zo goed uit die ochtend. Wel had ze ruzie met hem gemaakt. Toen het ziekenhuis belde, hoopte ze dat hij dood zou zijn, maar inmiddels wil ze dat hij erdoor komt. Als hij invalide wordt, zal ze tot het einde van haar leven voor hem zorgen. ‘Ik ben zo sterk als een paard,’ zegt ze, met een snik in haar stem. ‘Ik werk, ik jank en ik bid tot mijne God.’ Dan is ze weer weg. ‘De verpleegsters hebben Fonny’s bebloede hemd meegegeven,’ vervolgt papa, een beetje geheimzinnig, ‘dat is ze in de bergplaats aan het wassen, in een emmer. Haar tranen druppen in het water – net een mater dolorosa.’ Niet alleen met mama, ook met zijn vriendin Annie heeft Fonny op zijn verjaardag onenigheid gehad. Hij heeft een ruit van haar appartement ingegooid en kwam ’s nachts om halftwaalf thuis aan: of papa zijn bed bij Annie wilde weghalen. Onze pa, welja, een gepensioneerde belastingontvanger van bijna zeventig jaar. Het is al dagenlang zo warm dat ik de satijnen gordijnen van mijn Amsterdamse werkkamer dichthoud. Buiten klinkt het getuf van bootjes op het water. Ik kan de schaars geklede passagiers rond hun geïmproviseerde tafeltjes met witte wijn en zoutjes dromen; de kinderen in hun oranje zwemvesten, handjes in het kabbelende water. Door de gordijnen valt zachtgeel licht de kamer binnen. Mijn tabernakel noemt Marek het. Ze weten dat ik me heb teruggetrokken om te schrijven, daarom hebben ze me waarschijnlijk niet eerder gebeld. Fonny zag er die ochtend helemaal niet zo goed uit, bekent mijn vader. Hij was met een vriend naar Holland gereden, zeker om drugs te kopen. Wat ze gepakt hadden weet hij niet, maar bij hun terugkeer deden ze allebei raar. ‘Je wordt er toch weemoedig van,’ zegt hij, ‘als je hem daar zo ziet liggen en bedenkt hoe lief hij was als kind.’ Wanneer sprak ik Fonny voor het laatst? Het moet een maand of vier geleden zijn. Ik was in Hasselt, mama draaide zijn nummer en reikte me de hoorn aan. ‘Hier, praat maar eens met uw broer.’ ‘Hei Fonny, hoe is ’t?’ ‘Stillekes.’ Zijn stem kwam van ver, alsof hij diep lag weggezonken in een stel kussens. Hij piepte van de astma. Zogenaamd had hij griep of een keelontsteking, maar hij was natuurlijk aan het afkicken. Dat weet ik nu, al kon ik het ook toen wel vermoeden. Mama bracht hem soms cola en eten – had hij zelf de kracht niet om op te staan. Ik deed of ik van niets wist, wenste hem beterschap, maakte gauw een einde aan het gesprek en voelde me achteraf schuldig dat ik hem zo had afgescheept.

Moest hij halfdood op de intensieve belanden vooraleer we ons om hem bekommeren? Want nu hij daar ligt, snelt iedereen toe. Onze Filip, die rechten heeft gestudeerd en zijn doctoraatsthesis schrijft, is uit Brussel gekomen. Terwijl die al tien jaar niet meer met hem spreekt. Toen Filip op een zondag in Hasselt werd verwacht, zorgde mama ervoor dat Fonny er ook was. Filip gaf mama en papa een kus en negeerde zijn oudste broer. ‘En Fonny?’ vroeg mama. ‘Met dat uitschot praat ik niet.’ Het woord ‘uitschot’ stuitert sindsdien door het huis, vergiftigt elk gesprek dat we met papa voeren: dat woord moet Filip terugnemen, als hij het niet terugneemt is hij zijn zoon niet meer. Filip bougeert niet. ‘Hoe moet ik hem dan noemen? Ik heb er echt geen ander woord voor.’ Maar gisteren zijn papa en Filip samen naar het ziekenhuis getogen. Ze spraken met dokters en verpleegsters, draaiden om Fonny heen en bekeken hem van alle kanten, zodat papa vrij gedetailleerd verslag kan doen: hij heeft buisjes in zijn neus en keel, zijn kin is genaaid, zijn rechterarm zit in het gips en behalve een gat in zijn kop heeft hij een drievoudige schedelfractuur, zeven gebroken ribben en een verbrande linkerhand. De vlammen sloegen uit de auto toen een buurtbewoner Fonny na middernacht naar buiten sleepte. Mijn vader vroeg aan de verpleegster of hij er een priester bij moest halen. Dat vond Filip een slimme manier om erachter te komen hoe ernstig Fonny’s toestand is. ‘Maar daarom vroeg ik het niet.’ Uit de bergplaats klinkt mama’s stem. ‘Ik zal eens gaan kijken hoe het is met ma.’ Mijn vader wil er iets aan toevoegen, maar hij aarzelt. Ten slotte vraagt hij: ‘Zeg Lieve, mater dolorosa – wat vindt ge van dat beeld?’ Eén ding weet ik zeker: ik moet nu niet naar Hasselt afreizen. Dan word ik meegezogen in een kolk van emoties en kan ik het schrijven wel vergeten.

Maar de telefoon rinkelt voortdurend en als het even stil is, grijp ik zelf naar de hoorn, op zoek naar meer nieuws. De activiteiten die Fonny ontplooide! Onafgebroken scheurde hij over Vlaanderens wegen, van zijn boerderij in constante verbouwing in Vliermaalroot via Maastricht en het appartement van Annie naar café De Munt in Hasselt. Tussendoor spoelde hij telkens aan in het ouderlijk huis om te vertellen over zijn belevenissen. Hij was het eerst van ons allemaal thuis weg, maar het is hem niet bevallen daar buiten – hij zit op zijn tweeënveertigste nog steeds met een elastiekje aan zijn ouders vast. ‘En nu ga ik naar mijn lief mamake,’ zei hij die avond tegen zijn vrienden in De Munt. In zijn eigen huis heeft hij ook dingen stukgeslagen, dat heeft mama gezien toen ze op inspectie ging. Ze heeft tegen de verpleegster, die ernaar vroeg, gezegd dat Fonny geen drugs gebruikt. Zou ze het zelf geloven? Ze wil het niet weten, ze zet tv-programma’s over dat onderwerp steevast uit. Het ziekenhuispersoneel begrijpt natuurlijk wat er aan de hand is, volgens papa krijgt Fonny methadon omdat hij, boven op al zijn blessures, aan het afkicken is. Wies vertelt over een drugsdealer in Hasselt die aids heeft. ‘Ze moeten Fonny’s bloed maar gauw onderzoeken. Als hij wakker wordt, komt daar natuurlijk niets meer van.’ Van Rik, die papa soms helpt bij zijn werk voor de verzekeringen, hoor ik dat de koeien in de belendende wei op hol zijn geslagen toen Fonny’s auto tegen de boom knalde. Een drachtige koe heeft het niet overleefd; de boer heeft aangifte gedaan. ‘Zullen onze pa en ik wat olie op de weg gaan gieten?’ grapt hij. ‘Dan zeggen we dat de auto geslipt is en kan Fonny misschien trekken van de verzekering.’ Mama en papa zijn wellicht naar het ziekenhuis, want als ik hen ’s avonds bel, hoor ik de plechtige stem van onze Filip zeggen: ‘Hallo, dit is het antwoordapparaat van meneer en mevrouw Joris. Wij zijn op dit ogenblik niet thuis, maar u kunt…’ Nooit geweten dat ze zo’n ding hadden. Filip blijkt het goedkoop op de kop te hebben getikt. Wies meldt tussen alles door dat ze een Olivier Strelli-pakje heeft gekocht voor een bruiloft waar ze binnenkort naartoe moet. Oranje – heel mooi. En dat ze haar gezicht eens goed heeft laten masseren. 

Als ik in bed lig, is het voor het eerst stil om me heen. In gedachten rij ik over de nachtelijke baan van Hasselt naar Tongeren en doemt de auto in het halfduister voor me op. Daar ligt ons Fonnyke, ingeklemd tussen het stuur en de stoel, bewusteloos, stijf van de drugs, zijn hand in het gloeiende koelwater van de radiator. Die hand, die lag daar dus te stoven. Net als de bleke kippenklauwen die ik laatst bij de chinees zag. Van die gedachte krijg ik het zo benauwd dat ik opsta. Op de vensterbank van mijn werkkamer zit ik een tijdlang te kijken naar de auto’s die op de kade schuin aan de overkant cruisen voor de roodverlichte vitrines. Dat doe ik altijd als ik niet kan slapen; de mysterieuze nachtelijke bedrijvigheid brengt me tot rust. ‘Wat lag je te piepen,’ zegt Marek de volgende ochtend. ‘Hoe dan?’ Hij doet het na – daar is hij heel goed in. Zo piepen waterhoentjes op het water voor mijn raam als ze in nood zijn. Wanneer ik die middag naar boven ren om verslag uit te brengen van het zoveelste telefoongesprek, zegt Marek: ‘Als ik jou was zou ik alles opschrijven.’ ‘Wat dan?’ ‘Wat ze zeggen. Straks ben je het allemaal vergeten.’ Ik ben verbaasd. Doorgaans is Marek niet zo gesteld op mijn familieperikelen en al helemaal niet op de blinde obsessie waarmee ik me erop stort. ‘Waarom zou ik het willen onthouden?’ ‘Je weet nooit waar het goed voor is. Doe maar – anders heb je later spijt.’ Na enige aarzeling open ik op mijn computer een document dat ik ‘Fonny’ noem en begin ik notities te maken. Niet alleen over wat er die dagen gebeurt, maar gaandeweg ook over dingen die vroeger zijn voorgevallen.’ 



DE BOSATLAS VAN DE WADDEN

Een kijk- en leesalbum leg ik voor u op de toontafel dat een lust is voor het oog en een streling van het gemoed. Een enerverend panorama in de vorm van een boeiend boek, daar gaat het om. Ik kondig met groot gejuich aan de 224 grote bladzijden tellende, van meet tot finish kleurrijk geïllustreerde hardcover De Bosatlas van de Wadden onder eindredactie van Meindert Schroor en wederom een publicatie van Noordhoff Uitgevers. Ik haast mij te zeggen dat dit album voor mij (en uiteraard ook voor u) niet alleen een eyecatcher maar ook een eyeopener is. Ik leg dat  uit. Toen onze drie kids Muel, Time en Briam in hun jonge jaren verkeerden, brachten wij onze vakanties in voorjaar, zomer en najaar vaak door bij de familie Tip aan de Ermermarkerweg in het Drentse Veenoord. Een immer terugkerende trip was toen voor ons naar Lauwersoog om daar de auto achter ons te laten en met de boot naar Schiermonnikoog te varen. Door mijn studie Nederlandse taal- en letterkunde in het Utrechtse wist ik waar de naam van het Waddeneiland voor stond: in de middeleeuwen was Schiermonnikoog een uithof van het cisterciënzerklooster Claercamp bij Dokkum. De monniken van het klooster, die het land indijkten, droegen  grijze pijen. Zo ontstond de naam: ‘schier’ betekent grijs en  ‘oog’ is etymologisch hetzelfde als ‘ei’ in ‘eiland’. Ik herinner mij nog levendig dat wij een enkele keer in het dorp halt en front maakten voor het in 1961 geplaatste standbeeld ‘De Schiere Monnik’ van Martin van Waning. In mijn Bosatlas van de Wadden kan ik traceren welke wetenswaardigheden het eiland Schiermonnikoog etaleert. Ik pluk van de bladzijden 170 en 171 maar eerst geeft ik integraal het Voorwoord van de uitgever. De volgende keer is het eiland Texel aan de orde, omdat ik dat met de zoons vaak frequenteerde tijdens onze fietstochten.

Noordhoff: ‘Nergens in Nederland zijn ruimte, stilte, licht en duisternis nog zo intens te ervaren als op de Wadden. En nergens bieden landschapen natuur zo’n gevarieerde aanblik: stranden, duinen, bossen, geulen en wadplaten, kwelders, imposante dijken met sluizen die hier ‘zijlen’ heten, uitgestrekte polders en terpdorpen die soms nog uit de tijd van de Romeinen stammen. Een verborgen paradijs in het uiterste noorden van ons land. We zijn ons er niet altijd van bewust, maar dat paradijs strekt zich ver naar het noordoosten uit, langs de Duitse en Deense kust. Dit uitgestrekte gebied is bovendien de thuisbasis van een bijzondere variëteit aan flora en fauna. Op het land en in het water leven meer dan 10.000 verschillende soorten planten en dieren. Het Waddengebied vormt daarnaast een belangrijke schakel in de weg die trekvogels afleggen, van het noorden van Scandinavië tot in het zuiden van Afrika. Jaarlijks maken maar liefst  10 tot 12 miljoen trekvogels gebruik van dit voedselrijke gebied, als rust- of als broedplaats. Een rijk landschap dat niet voor niets is uitgeroepen tot UNESCO werelderfgoed. Een gebied om te koesteren. Maar tegelijkertijd wonen er mensen die voor hun dagelijks brood moeten zorgen. Er wordt gas gewonnen en dat leidt tot bodemdaling en aardbevingen. Kokkelvissers verstoren het evenwicht op de zeebodem. Defensie oefent met de nodige geluidsoverlast op Vlieland. Ten noorden van de eilanden loopt een van de drukste scheepvaartroutes van Europa. Er zijn vele toeristen die het Wad omarmen – en tegelijkertijd natuurlijk ook belasten. Dat alles vraagt om beheer. Vele instanties spelen hierbij een rol. Er is een roep om dat alles beter te coördineren, maar ook zonder dat is het gemeenschappelijk doel duidelijk: dit gebied is het meer dan waard om te beschermen. In de ‘Bosatlas van de Wadden’ maakt u kennis met de vele kanten van dit gebied. De wonderbaarlijke aspecten van het getijdenlandschap, de planten en dieren die erin leven, de mensen die er werken, het toerisme, de rijke  geschiedenis, de folklore, het bestuur en beheer, de toekomstplannen, u vindt het allemaal in deze atlas.’

CULTUURMIX 15 OKTOBER 2018

Papendrecht 15-10-2018

STERVEN

Een novelle leg ik voor u op de salontafel (om in de sfeer te blijven) die trilt van nervositeit, gedoemd zijn, romantisch verlangen, ziek zijn, noodlot, drama en doodsbesef. Maar bovenal trilt het verhaal van een proza dat doet denken aan dat van Louis Couperus met zijn debuutroman Eline Veere uit 1888. Al lezend moest ik immer denken aan het fatale leven van de dame uit het Haagse. Ik heb het over de 158 bladzijden tellende hardcover Sterven van de Oostenrijker Arthur Schnitzler en uitgeverij Aspekt. Indien u de eerste drie bladzijden tot u genomen, beter: geproefd heb, zult u met mij in de bekoring geraken van de lotgevallen van Felix en Marie en van de verhaaltrant van Schnitzler. Maar eerst geef ik u de tekst van Aspekt op de omslag en doe ik de mededeling dat ook gelijktijdig bij de uitgeverij verschenen is de novelle Beate en haar zoon, waarover ik het de volgende keer met u wil hebben.

Aspekt: ‘Arthur Schnitzler (1862-1931) was de belangrijkste en meest controversiële Oostenrijkse schrijver uit het fin de siècle. Het is merkwaardig dat zijn eerste grote prozawerk, de debuutnovelle Sterven uit 1893, tot op heden nooit in het Nederlands in boekvorm is verschenen. Sterven is een melodramatisch verhaal over een jongeman die te horen krijgt dat hij nog slechts één jaar heeft te leven. Zijn vriendin Marie dreigt in zijn noodlot te worden meegezogen. Schnitzler vertelt dermate beklemmend, dat Sterven ook gezien kan worden als een literaire thriller avant la lettre.
A. Braam, de letterkundige die in de jaren vijftig enige novellen van Schnitzler in het Nederlands vertaalde, waagde zich destijds niet aan Sterven: te subtiel, te precair, te Weens, maar hij vond het wel een meesterwerk: ‘In zijn allereerste novelle, het in prachtige weemoedige grijzen gehouden Sterven, zet Schnitzler de koers uit, die hij ook in zijn volgende vertellingen niet meer zal verlaten.'

Arthur Schnitzler; ‘Het begon al te schemeren, en Marie stond op van de bank, waarop ze een halfuur lang gezeten had, eerst in haar boek lezend, maar daarna met haar blik gericht op het begin van de laan, waardoor Felix gewoonlijk kwam. Anders liet hij het niet lang op zich wachten. Het was iets koeler geworden, maar toch had de  lucht nog de zachtheid van de aflopende middag. Er waren niet veel mensen meer in het park, en de stoet van wandelaars begaf zich in de richting van de poort, die spoedig gesloten zou worden. Marie was al in de buurt van de uitgang toen ze Felix in het oog kreeg. Hoewel hij later was dan anders, liep hij langzaam, en pas toen zijn ogen de hare ontmoetten, haastte hij zich een beetje. Ze bleef staan, wachtte op hem, en toen hij glimlachend haar hand vastpakte, die ze nonchalant naar hem had uitgestrekt vroeg ze hem met een lichte onvrede in haar toon: ‘Heb je dan tot nu toe moeten werken?’ Hij reikte haar de arm en zei niets. ‘Nou?’ vroeg ze. ‘Ja, kindje,’ zei hij toen, ‘en ik heb helemaal vergeten op de klok te kijken.’ Ze nam hem van bezijden op. Hij leek bleker dan anders. ‘Geloof je niet,’ zei ze lievig, ‘dat het beter zou zijn, als je je nu eens een beetje meer aan je Marie zou wijden? Laat je werk toch een tijdje rusten. We zullen vanaf nu vaker gaan wandelen. Ja? Voortaan ga je altijd met mij de deur uit.’ ‘Zo…’Ja, Felix, ik zal  je helemaal niet meer alleen laten.’ Hij keek haar snel, als geschrokken aan. ‘Wat heb je nou?’ vroeg ze. ‘Niets.’

Ze waren bij de uitgang aangekomen en vrolijk avondlijk straatrumoer omgaf hen. Er leek over de stad iets van dat algemene, onbewuste geluk te liggen, dat het voorjaar altijd meebrengt. ‘Weet je wat we zouden kunnen doen?’ zei hij. ‘Nou?’ ‘Naar het Prater gaan.’ ‘He, nee, daar beneden was het laatst zo koud.’ ‘Maar kijk nou. Het is bijna zwoel hier op straat. We kunnen meteen weer omkeren. Laten we maar gaan.’ Hij sprak afgemeten, verstrooid. ‘Ja, zeg, hoe zeg je dat nou, Felix?’ ‘Hoezo?’ ‘Waar zijn je gedachten? Je bent bij mij, bij je meisje.’ Hij keek haar aan met een starre, afwezige blik. ‘Jij.’ riep ze angstig en drukte zijn arm steviger tegen zich aan. ‘Ja, ja,’ zei hij, tot zichzelf komend. ‘Het is zwoel zeer zeker. Ik ben niet verstrooid. En als ik het wel ben, mag je het mij niet kwalijk nemen.’ Ze namen de weg door de zijstraten in de richting van het Prater. Felix was zwijgzamer dan anders. De lichten in de lantarens brandden al. ‘Ben je vandaag bij Alfred geweest?’ vroeg ze plotseling. ‘Waarom?’ ‘Nou, dat was je toch van plan.’ ‘Hoezo?’ Je voelde je gisterenavond zo mat.’ ‘Inderdaad.’ ‘En je bent niet bij Alfred geweest?’ ‘Nee.’ ‘Maar zie je, gisteren was je nog ziek, en nu wil je naar dat vochtige Prater. Het is werkelijk onvoorzichtig.’ ‘Ach, het maakt allemaal niks uit.’ ‘Praat toch niet zo. Je zult je nog geheel te gronde richten.’ ‘Ik smeek je,’ zei hij met bijna huilerige stem, ‘laten we gaan. Ik verlang naar het Prater. We zullen naar die plek gaan, waar het laatst zo mooi was. Weet je, naar die tuinsalon, daar is het immers ook niet koud.’ ‘Ja, ja.’ ‘Echt niet. En vandaag is het zeker warm. We kunnen toch niet thuis gaan zitten. Het is te vroeg. En ik wil ook niet in de stad rondhangen, omdat ik vandaag geen zin heb in een café te gaan zitten, dan heb ik last van de rook, - en ik wil ook niet veel mensen zien, dat kabaal doet me pijn’ – In het begin had hij snel gesproken en luider dan normaal. Maar zijn laatste woorden liet hij zachtjes wegsterven. Marie haakte zich vaster aan zijn arm.

Ze was bang, ze praatte niet meer, omdat ze tranen in haar stem voelde. Zijn terugverlangen naar die stille uitspanning in het Prater, naar die lenteavond tussen het groen en de stilte, voelde zij nu ook. Nadat ze beiden een tijdje gezwegen hadden, zag ze op zijn lippen langzaam een zwak glimlachje verschijnen, en toen hij zich naar haar keerde, probeerde hij in zijn glimlach een uitdrukking van geluk te leggen. Maar zij, die hem goed kende, doorzag het gedwongene.’


EEN IETS BESCHUTTERE PLEK MISSCHIEN

Ik leg een bijna vuistdikke pil van een naar inhoud kolossaal boek bij uw bagagemand neer voor de nakende herfstvakantie. Ik leg voor u op de leestafel - indien u die vrije week thuis viert – een schat van inspirerend en verheffend werk. Het gaat om de 564 bladzijden tellende, authentiek geïllustreerde paperback Een iets beschuttere plek misschien van Cyrille Offermans en De Arbeiderspers met de ondertitel ‘Journaal 2017’. Postbode Petra reikte mij dit boek voorbije vrijdag aan en nu haast ik mij al u van het bestaan ervan u kond te doen. Dat kan ik met een gerust hart doen, omdat Cyrille Offermans (met geboortejaar 1945) himself in het culturele maandblad Zuiderlucht zijn pennenvrucht aan ons presenteert. Ik citeer de schrijver deels en wil met u uiteraard na de periode van verlof een verkennende tocht maken door dit jaarboek.

Offermans ‘Heel 2017 heb ik een journaal bijgehouden, meer precies: een cultureel of intellectueel journaal. Aan het eind van het jaar lagen er na schifting 170.000 woorden observaties, herinneringen, commentaar, essayistiek over alle denkbare onderwerpen: een zwarte zangeres die weigerde op te treden voor de ongelikte beer in Washington, het verband tussen carnaval en de twintigste-eeuwse avant-garde in de kunst, de hypocrisie van Moeder Teresa, de bedenkelijke smaak van prosecco, de afnemende tekenvaardigheid van de schooljeugd, literaire omkooppraktijken, een moedige diplomaat, de dood van een vriendin en de geboorte van een kleinkind, het verlangen naar sneeuw, enzovoorts. Er is alles in de wereld, zei Lucebert. En er is alles in dit boek. Niet verwonderlijk dat het begint en eindigt met de onbeschrijflijke oorlogsellende in Syrië en elders, waarvan wij, rijke westerlingen, niet meer de geruststellende illusie kunnen koesteren dat die zich ver van ons bed afspeelt.

Of we het nu leuk vinden of niet, het gaat ons allemaal aan: de vluchtelingen aan de Hongaarse grens, de verdwijnende tropische regenwouden, de mensonterende omstandigheden in de naaiateliers in Bangladesh, de stille armoede, óók in de westerse wereld, de oplopende zelfmoordpercentages onder zowel de kleine boeren in India als de Nederlandse jongeren – bij elke handeling die we verrichten en elke keuze die we maken dringt de wereld zich aan ons op en geven wij een signaal aan de wereld, hoe minimaal ook. Dat laatste kan tot het cynisme leiden van ‘na ons de zondvloed’ of tot het kortzichtige egocentrisme van populisten en nationalisten – maar ook tot een poging (het Franse ‘essai’ betekent probeersel, proeve, experiment) de demonen in de ogen te zien. Die poging wordt in Een iets beschuttere plek misschien met de middelen van de literatuur ondernomen. In alle onderwerpen die het aansnijdt, gaat dit boek uiteindelijk, impliciet, om niet minder dan een morele houding in de wereld – tegen de domheid, tegen de overspannen beloften van politieke charlatans, tegen de deprimerende onverschilligheid van de vermoeide consument voor wie ‘het’ allemaal lood om oud ijzer is. Beschaving is het leren zien van verschillen – en daarnaar te handelen. Hoe dichtgemetseld de wereld ook lijkt, er zijn altijd barsten waarneembaar die de verbeelding, in theorie en praktijk, kansen bieden. Het boek is te dik en te pluriform om er in één artikel een representatief beeld van te kunnen geven. Daarom heb ik twee fragmenten gekozen waarvan ik ook zelf pas bij herlezing ontdekte dat ze allebei bescheiden voetnoten vormen in een denkbeeldige encyclopedie van de utopische stad. Het eerste fragment, begin september 2017 geschreven, gaat over Sittard, mijn woonplaats ‘Over de effecten van slecht bestuur’.

Cyrille Offermans: ‘Het was echt een aardig museum. Nog geen top, uiteraard niet, daarvoor waren omvang en middelen te beperkt. Maar dankzij aan de weg timmerende conservatoren als Stijn Huijts en Roel Arkesteijn bevrijdde Het Domein zich vooral in het tweede decennium van zijn twintigjarige bestaan van zijn stoffige, regionale imago. Tentoonstellingen van Charlotte Seifert, The Yes Men, Eugenio Dittborn en Herman de Vries bezorgden het museum een eigenzinnige reputatie. Ook de kunstcritici van de landelijke dagbladen wisten al gauw de weg te vinden naar het weinig opzienbarende gebouw in het historische stadshart van Sittard. Maar zo zou het niet blijven. Zoals in zoveel gemeenten werden ook de Sittardse bestuurders in het begin van het nieuwe millennium uit hun slaap gehouden door grootse visioenen. De stad moest op de kaart gezet, nationaal en internationaal, hij moest aantrekkelijk worden voor avontuurlijke investeerders en creatieve ondernemers. Tijdens gemeentevergaderingen stookte het woord city branding de verwachtingen nog wat op. Er moest gebouwd worden, liefst door een architect van naam. Buurtgenoot Jo Coenen stond garant voor de supervisie. Jeanne Dekkers’ prijswinnende ontwerp van een ‘multifunctionele accommodatie’ net buiten de oude stadswallen zou de magneet worden die het zo vurig gewenste geld en talent naar het ingedommelde stadje zou trekken. Even leek de droom door de economische crisis wreed te worden verstoord. Elders in het land werden soortgelijke plannen afgeblazen, bang als men was voor een financieel debacle.

Zo niet in Sittard. Dat gebouw, om onnaspeurlijke redenen Ligne gedoopt, zou en moest er komen, al was nog niet één van de vele duizenden vierkante meters bedrijfsruimte verhuurd. Maar zo kortzichtig waren de stadsbestuurders niet dat ze de donkere wolken van leegstand en tekorten niet boven hun prachtgebouw zagen hangen. De crisissfeer vereiste bestuurlijke moed en doorzettingsvermogen. Nog voor de eerste schop in de grond ging, in november 2013, broedde men op reorganisatie- en bezuinigingsplannen. En daarvan werd museum Het Domein het belangrijkste slachtoffer. Het museum werd samen met de belangrijkste culturele instellingen van de stad – de schouwburg, het filmhuis, de bibliotheek, de muziek- en dansschool en het Euregionaal Historisch Centrum – ondergebracht in een overkoepelende organisatie met de weinig geruststellende naam ‘Het Cultuurbedrijf’. De nieuwe koers moest uiteraard minder elitair, meer markt- en klantgericht zijn. Als bedrijfsleider werd een ‘echte ondernemer’ gezocht, maar wel ‘een teambuilder met affiniteit voor cultuur’. Dat waren kwaliteiten waar de zittende directeuren kennelijk niet over beschikten, zij werden ontslagen en kwamen niet in aanmerking voor die functie. Tegen die absurde gang van zaken werd geprotesteerd door kunstenaars, door musea en kunstinstellingen elders in het land, door de ‘Vrienden van Het Domein’, door journalisten – en ook, in een rechtstreeks, op het scherp van de snede uitgevochten radiodebat met de beoogde nieuwe directeur, door mij.

Maar het mocht allemaal niet baten. De reorganisatie ging door volgens plan. Het Domein werd onderdeel van De Do MIJN en – een gespatieerd taalgedrocht dat blijkbaar de herinnering in leven moest houden aan die ellendige kolenmijnen die hier al bijna een halve eeuw geleden zijn gesloten. De teamleider met affiniteit voor cultuur leek uit diezelfde donkere jaren afkomstig. Hij ontpopte zich alras als de ouderwetse potentaat die zijn gebrek aan vanzelfsprekend gezag amechtig probeert te compenseren met botte decreten. In korte tijd slaagde hij erin zowat alle medewerkers tegen zich in het harnas en de ziekenboeg in te jagen; de bevlogen conservator moderne kunst van het voormalige Domein schijnt daar tot op de dag van vandaag te overwinteren. Museum Het Domein is met succes om zeep geholpen. Het gebouw in het centrum van de stad is er nog, maar wordt nu alleen nog gebruikt voor tentoonstellingen van lokaal of regionaal belang. Zeker, erg geschikt als huisvesting voor een eigentijds museum van moderne kunst was het voormalige schoolgebouw allerminst. Er was geen behoorlijke entree, geen logisch gestructureerde expositieruimte, geen restaurant of iets wat daar op leek, geen museumwinkel, zelfs geen behoorlijke garderobe en geen toiletten. Wie erheen ging moest genoegen nemen met wat er te zien was. Dat lijkt eeuwen geleden, die haast ascetische afwezigheid van verleidelijk comfort, het is al bijna niet meer voorstelbaar dat kunst als zodanig ooit zo belangrijk gevonden werd. Elke deskundige kan je vertellen dat een museum dat niet primair dient als prettige ontmoetingsplaats de tekenen des tijds niet verstaat en dus zijn eigen graf graaft. Of er ooit sprake zal zijn van een wederopstanding van Het Domein in Ligne mag daarom met reden worden betwijfeld. Evenzeer mag worden betwijfeld of de multifunctionele accommodatie Ligne het in economisch opzicht zal redden.

De leegstand in de binnenstad was al enorm toen het gebouw de tekentafels nog niet had verlaten. De verwachting dat het in de slag om de consument, eenmaal in vol bedrijf, een verpletterende dreun zou uitdelen aan de concurrerende gemeenten in de omgeving, blijkt op niets gebaseerd. De gigantische parkeergarages in het souterrain maken een spookachtig lege indruk. Opzichtig illustreren ze de overspannen verwachtingen van de opdrachtgevers. Ze zouden de perfecte locatie vormen voor een vlammend leerstuk over de effecten van slecht bestuur.’


DE OPSTAND IN DE NEDERLANDEN 1568-1648

Ik leg een kijk- en leesalbum voor u op de tafel voor de teevee, dat verbeeldt en verwoordt hetgeen wij in de nog lopende beeldbuisserie ‘80 jaar oorlog’ aanschouwd hebben. Op het moment van dit schrijven aan u, lees ik dat vrijdagavond 12 oktober deel 3 aan de orde is onder de titel van ‘Burgeroorlog in de Nederlanden’. Ik breng onder uw aandacht het bestaan van De Opstand in de Nederlanden 1568-1648 van Anton van der Lem en uitgeverij Vantilt met de ondertitel ‘De Tachtigjarige Oorlog in woord en beeld’. In mijn gids staat dat de derde aflevering laat zien hoe de strijd verhardt. Ook tussen burgers van de Nederlanden onderling. Sommigen houden vast aan het gezag van de Spaanse koning, terwijl anderen zich aansluiten bij de Optand. Van de door ons zo geliefde uitgeverij uit Nijmegen kreeg ik dit eclatante werk begin deze week toegezonden en derhalve heb ik nog geen oordeel erover. Maar Vantilt kennende zitten wij goed. Als eerste binnenkomer geef ik de tekst op de omslag en de recensie zoals die staat in ‘De Leesclub van Alles’ van Wouter van Dijk’. Mijn optie is nu vooral dat u weet dat dit album, waarin ook vele tv-beelden staan, bestaat. U krijgt blijvend in boekvorm wat u zag en gaat zien.

Vantilt: ‘Voor elke Nederlander en Vlaming die in dit herdenkingsjaar snel wil achterhalen waar de Tachtigjarige Oorlog precies over ging, is dit het perfecte boek. De kern van de strijd lag in drie fundamentele rechten: vrijheid van godsdienst en geweten, recht op zelfbeschikking en recht op inspraak. Vanuit deze actualiteit weet Anton van der Lem een ingewikkelde geschiedenis in kort bestek helder te presenteren en te illustreren met prachtige afbeeldingen. Hij zet de ingewikkelde politieke, religieuze en sociale oorzaken van de Opstand duidelijk uiteen en daarmee de scheiding tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden. Rake portretten van de hoofdrolspelers aan beide zijden verlevendigen zijn verhaal. De schrijver staat aan de kant van de katholieken én de protestanten, belicht aanhangers van de Republiek én de koningsgezinden. Daarnaast was de Tachtigjarige Oorlog niet alleen een strijd om vrijheden, maar net zo goed een burger- en belangenoorlog die steden, regio's en families uit elkaar dreef.

Niet alleen de belangen van de Lage Landen stonden op het spel tijdens de Opstand, maar de normen en waarden in heel Europa. Vandaar de vertalingen van De Opstand in het Duits (2016) en het Engels (2018). Deze tweede, geactualiseerde druk verschijnt op groter formaat, met nog meer verrassende afbeeldingen.

Wouter van Dijk: ‘De Nederlandse Opstand, of de Tachtigjarige Oorlog zoals hij vroeger genoemd werd, is misschien wel de meest belangrijke episode in onze vaderlandse geschiedenis. Cruciaal in het proces van staat- en natievorming dat al sinds de Bourgondische periode aan de gang was, en bepalend voor de, zo bleek later, blijvende scheiding tussen de Noordelijke en Zuidelijke gewesten van de Nederlanden. Anton van der Lem heeft de taak opgevat deze interessante maar ingewikkelde periode in de Nederlandse geschiedenis op overzichtelijke en bondige wijze bij het grote publiek onder de aandacht te brengen. Van der Lem is conservator oude drukken bij de Universiteitsbibliotheek Leiden en als zodanig als geen ander op de hoogte van de schat aan interessante documenten over de Opstand die daar bewaard worden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het boek vol zit met prachtige, weinig bekende, afbeeldingen waarvan er vele afkomstig zijn uit de Leidse Universiteits-bibliotheek.Van der Lem vertelt in acht beknopte hoofdstukken de aanloop naar, het verloop van, en de resultaten van de Opstand of Tachtigjarige Oorlog. 

Op chronologische wijze beschrijft hij eerst de eenwording van de Nederlanden onder de Bourgondische vorsten, en laat vervolgens zien hoe aanvankelijk loyale interne oppositie tegen het door Filips II gevoerde beleid hard wordt afgestraft, hetgeen alleen maar contraproductief bleek. Van der Lem stelt dat de Opstand een conflict was dat gedurende zijn verloop telkens is terug te voeren op een van drie hoofdredenen, namelijk de strijd om vrijheid van godsdienst en geweten, het recht op zelfbeschikking en het recht op medezeggenschap. Na de eerste hoofdstukken over het begin van het verzet tegen de autocratische regeerstijl van Filips II volgt de komst van Alva, die wanneer je Van der Lems boek leest misschien wel het meest bepalend bleek te zijn bij het uit de hand doen lopen van het Nederlands verzet tegen de Spaanse vorst. Nu voor de Nederlandse adel bleek dat er voor hun grieven geen redelijkheid van Filips’ kant viel te verwachten en hij er niet voor schroomde ook de hoogste edelen met hun hoofd op het hakblok te leggen, zoals de graven Egmond en Horne gebeurde, bleek er voor degenen die hun onvrede geuit hadden geen reden zich niet tot het uiterste te verzetten. Verzoening met de koning in Spanje was immers geen optie gebleken, hoe licht een vergrijp ook geweest was. Van der Lem laat zien dat het verschil binnen de Habsburgse Nederlanden niet zozeer lag tussen bijvoorbeeld enerzijds Friesland en Groningen en anderzijds Henegouwen en Namen, maar juist tussen de aan de zeekant gelegen verstedelijkte gewesten zoals Holland, Vlaanderen en Brabant aan de ene kant en de landinwaarts gelegen perifere gewesten aan de andere kant. Daarbij komt de rechtlijnige houding op godsdienstig vlak van zowel Filips II aan de rooms-katholieke kant, als van de calvinisten die wanneer zij ergens de dominante groep vormden ook geen godsdienstvrijheid aan andersdenkenden wilden toestaan.

De auteur schetst in een zeer heldere stijl het verloop van de langdurige strijd, en behoudt daarbij de nodige afstand tot het onderwerp. Dit maakt De Opstand in de Nederlanden een erg prettig leesbaar boek. Van der Lem toont aan dat de oorlog, zeker in de beginfase, meer de kenmerken had van een burgeroorlog dan een rebellie van een gehele natie tegen een ‘vreemde’ onderdrukker. Ook de scheiding tussen een noordelijke protestantse zone en een zuidelijke katholieke is een gevolg geweest van de staatkundige verdeling zoals die op militair gebied tot stand kwam, en niet een oorzaak waardoor de Nederlanden in deze twee staatjes uiteen vielen. Van der Lem is er uitermate goed in geslaagd in het kleine beslag van zo’n 200 pagina’s toch een heel compleet beeld van de Opstand met alle belangrijke spelers, oorzaken, onverwachte gevolgen en ontwikkelingen te geven. Het wordt duidelijk dat het verhaal van de Opstand niet verteld kan worden zonder ook te wijzen op de veelvuldige toevallige loop van omstandigheden, en de vele punten in de strijd waarop deze ook zomaar een andere wending had kunnen krijgen. Niet dat het zo zinvol is om what-if-geschiedenis te bedrijven, maar wel om altijd in het achterhoofd te houden dat de Opstand in de eerste plaats geen oorlog tussen Nederland en Spanje was, maar een zeer gecompliceerd conflict waarbij vaker het geval was dat buren in de Nederlanden elkaar naar het leven stonden dan dat ze eensgezind de ‘buitenlandse’ Spanjaard tegemoet traden. Een boodschap die Van der Lem uitstekend overbrengt.


DE RECHTVAARDIGEN

U hebt wis en waarachtig van mijn collega-recensenten al vernomen dat de gerenommeerde auteur van vooral historisch getinte werken weer van zich doet spreken, Een nieuw boek van de man is bij voorbaat een literaire gebeurtenis in het non-fictieve genre. Nu wil het dat de schrijver 13 maart volgend jaar zijn opwachting in de regio maakt, op uitnodiging van de Culturele Raad Papendrecht. Het vereert mij u te mogen begroeten met de 502 bladzijden tellende, authentiek geïllustreerde paperback De rechtvaardigen van Jan Brokken en Atlas Contact met de ondertitel ‘Hoe een Nederlandse consul duizenden Joden redde’. Een belangrijk facet van het schrijverschap van Brokken is dat hij de tijd neemt, dat wil zeggen dat hij aan zijn personages de couleur locale geeft. Om dat nu al te illustreren geef ik integraal het eerste van de 47 hoofdstukken. Als binnenkomer reik ik eerst de tekst van de uitgever op de omslag aan en roep in uw herinnering de lovende woorden die wij met elkaar uitwisselden omtrent Brokkens Baltische zielen, De vergelding, De Kozakkentuin en De gloed van Sint-Petersburg. Als voorbereiding voor woensdag de dertiende van maart schuiven wij de komende weken door De rechtvaardigen

Atlas Contact: ‘In De rechtvaardigen beschrijft Jan Brokken het verhaal van de Nederlandse consul, Jan Zwartendijk. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog ontdekte deze consul in Kaunas (Litouwen) een manier om duizenden uit Polen gevluchte Joden het leven te redden: hij schreef voor hen een visum uit voor Curaçao. Daarmee reisden de Joden met de Trans Siberië Express naar Japan, van waaruit ze zich over de hele wereld verspreidden – vrijwel allen overleefden de oorlog. In korte tijd schreef hij koortsachtig duizenden visa uit. Jan Brokken beschrijft het leven van Jan Zwartendijk en de lotgevallen van veel van de ontkomen Joden in een meeslepend epos, waarin een treffend beeld wordt geschetst van een wanhopige tijd.
De rechtvaardigen is een les in moed, in het maken van de juiste keuzes op het juiste moment.’

Jan Brokken: ‘Mr Radio Philips Alles van belang begint onverwacht en maakt je achterdochtig. Soms word je voor een onmogelijke keuze gesteld en moet je in een fractie van een seconde beslissen. Je weet het nog niet, maar je voorvoelt al wel dat de rest van je leven ervan af kan hangen. Hoe reageer je dan? Ik zou het van mezelf niet weten, en misschien heb ik me daarom als een mol in deze geschiedenis gegraven. Jan Zwartendijk hoorde de telefoon rinkelen. Hij stond al buiten met zijn tas onder de arm en een sleutel in zijn hand; hij had net de showroom en het kantoor afgesloten. Het liep tegen zes uur, OostEuropese zomertijd. De zon scheen onder de kruinen door van de bomen aan de Laisvés aléja, Vrijheidslaan, de langste en breedste boulevard van Kaunas. De radio’s glommen in de etalage; hun emblemen – vier sterren en drie golven – leken van zilver. Mr Radio Philips noemden ze hem in de stad, en altijd klonk er iets van bewondering in door, alsof hij de toestellen zelf in elkaar had geschroefd en van een elektronenbuis en luidspreker had voorzien. Meer nog dan in Nederland golden radio’s hier als voorbodes van de moderne tijd. Achterlijk kon je Kaunas allang niet meer noemen, maar het aantal telefoonaansluitingen vulde slechts een dunne gids. Iets zei hem dat het niet zonder consequenties zou zijn als hij de hoorn opnam. De datum flitste als een waarschuwing door zijn hoofd: 29 mei 1940. Hij mocht dan een doorsnee zakenman zijn – drieënveertig jaar oud,  getrouwd, drie kinderen – hij was ook een buitenlander die nooit precies wist wie hij geloven moest in Litouwen. Als het even kon, hield hij een veilige afstand aan. Door de deur te ontsluiten, terug te lopen naar zijn bureau en de hoorn op te nemen zou hij alle gevaren binnenlaten van een stad die op de rand van oorlog balanceerde.

Voor heldhaftigheid was hij niet in de wieg gelegd. Hij miste de ambitie. Het liefst was hij zo snel mogelijk naar huis gegaan. Een uurtje ontspanning in de tuin met Erni en de kinderen, voor ze aan tafel zouden gaan. Het was alweer zijn derde jaar in Kaunas en hij wist dat je van de warme zomeravonden moest genieten, anders kwam je de lange winter niet door. Onder de appelbomen zou de dolgedraaide wereld verschrompelen tot een wolk in de verte. Hij kon het soms niet nalaten om weg te vluchten uit de realiteit, ook al was het stompzinnig om in vrede te blijven geloven. De hele middag had hij spanning gevoeld op de zaak. Ogenschijnlijk was er niets aan de hand geweest, als je de overvolle asbakken over het hoofd zag. Geen klanten, geen bestellingen. Een landerig soort rust. Hij had De Haan en Van Prattenburg om halfzes naar huis gestuurd. De Haan, die leidinggaf aan de radioassemblagefabriek, sleet zijn dagen op het kantoor. Sinds de productie was gestaakt liet hij zich alleen ’s morgens even zien op de werkvloer om het personeel te laten weten dat hij nog altijd bestond. Van Prattenburg deed de administratie en was de financieel directeur. Alleen aan het einde van de week had hij het druk, als de lonen uitbetaald moesten worden. Veel meer dan nerveus sigaretten roken en om de andere minuut naar buiten kijken hadden de heren niet gedaan.

Iedereen in de stad verwachtte het Rode Leger. Maschewski was nog even gebleven, tot hij een vrouw in een veel te luchtige zomerjurk voor de etalage van de showroom had zien staan: hij was op haar afgestapt alsof ze een potentiële klant was en had hij een praatje met haar gemaakt. In het Duits, Litouws, Pools of Russisch – dat had Zwartendijk niet kunnen horen, maar hij was er wel zeker van geweest dat Maschewski vooral naar buiten was gelopen om zijn zenuwen tot bedaren te brengen. In Kaunas heerste de stilte voor de storm. De tanks konden ieder moment de stad binnenrollen om zich bij de bruggen over de Neris en Nemunas te posteren. Hij zag al voor zich hoe de Russische soldaten over de twee kilometer lange Laisvés aléja zouden marcheren die, o ironie, in de tsaristische tijd was aangelegd om meer luister te geven aan militaire parades. Het kon vandaag of morgen gebeuren. Vanaf dat moment zou het definitief gedaan zijn met het vrije, zelfstandige Litouwen. Het land zou ingelijfd worden bij de Sovjet-Unie, daar bestond geen twijfel over.

De telefoon bleef maar rinkelen. De hele week was hij nog niet één keer overgegaan. Eindelijk een order dan? Door de oorlogsdreiging maakten ze opnieuw nul omzet; het ging even beroerd als tijdens de crisisjaren die in Litouwen tot 1937, 1938 hadden voortgeduurd. Hij had vijftien werknemers van de assemblagefabriek naar huis moeten sturen en de overige twintig op non-actief gesteld. In de hele maand mei hadden ze niet één radio verkocht. De overgebleven personeelsleden hingen maar wat rond bij de lege montagetafels in afwachting van wat komen zou. Zoekend naar nieuws luisterden ze naar alle zenders die ze op de korte golf konden vinden. Volgens De Haan draaiden ze de volumeknop hoger als ze Hitler hoorden. Een order kon het niet zijn. Wie belde er nu op een doordeweekse dag even voor zessen om een gloednieuw apparaat aan te schaffen? Eindhoven was het evenmin: met het hoofdkantoor handelde hij alles schriftelijk af want internationaal telefoneren kostte evenveel als een treinreis naar Berlijn. Het moest iets anders zijn, iets wat geen uitstel duldde. Slecht nieuws ongetwijfeld. Hij hoopte dat het niet van Piet kwam. Met zijn eeneiige tweelingbroer was hij zo sterk verbonden dat hij begon te niezen als Piet tweeduizend kilometer verderop verkouden werd. Sinds de vorige maand had hij niets meer van zijn broer vernomen. Was Piet in Rotterdam geweest, op de 14de mei? Als hij niet opnam, zou hij zich de hele avond en hele nacht afvragen wat hem was overkomen. Of hield het toch verband met de dreigende situatie? En was het dan niet slap om net te doen alsof er niets aan de hand was?

Hij stak de sleutel in het slot, duwde de deur open, liep de showroom door, spurtte de trap op naar het kantoor op de bel-etage, tilde de hoorn van het bakelieten toestel en hijgde: ‘Hallo... Lietuvos Philips...’ ‘Zwartendijk?’ Een Nederlander, wiens ‘r’ op zuidelijke wijze rolde. Hij bromde instemmend en trok met zijn ene vrije hand zijn stropdas wat losser – hij had de hitte mee naar binnen genomen. ‘De Decker...’ De naam zei hem niet onmiddellijk iets. ‘Nederlands gezantschap in Riga...’ Ah ja, die De Decker. ‘Excellentie...’ ‘Laat u dat maar achterwege, de tijden zijn er niet naar.’

Hij had De Decker slechts één keer ontmoet, tijdens de receptie op het presidentiële paleis, toen de ambassadeur zijn geloofsbrieven was komen aanbieden. De Baltische landen waren toen nog zelfstandig; het was ergens in het voorjaar van 1939 geweest, een paar maanden voor Hitler en Stalin hun duivelspact hadden gesloten en Polen en de Baltische landen als tijdens een potje monopoly onder elkaar hadden verdeeld. De Decker was benoemd tot ambassadeur in Letland, Estland en Litouwen. In elk van die landen had hij zich aan de president en de voorzitter van het parlement moeten voorstellen. Een vroegoude man, nog geen zestig, getekend door het leven. Kort na aankomst in Riga was zijn vrouw overleden. Geen kinderen... Hoe voel je je dan in een land waar je geen mens kent? Als directeur van een van de weinige Nederlandse bedrijven in de regio had Zwartendijk het als zijn plicht gezien acte de présence te geven, ook al had hij een hekel aan recepties. Kaal. Langgerekt gezicht, kromme neus, ingevallen wangen. Op de receptie had hij gehoord dat de nieuwe ambassadeur Belg van geboorte was – wat hem verwonderd had. Geen Bourgondiër in ieder geval. Meer een type dat nooit de bloemetjes buitenzette, en nooit uit onderhandelingen wegliep voordat er resultaat was geboekt. Een man van weinig woorden ook. Na het voorstellen had hij gemompeld: ‘Ah, Philips... Uw hoeveelste post in het buitenland?’ Hij had niet willen uitweiden en alleen gezegd: ‘Lange tijd Praag... Toen Hamburg.’ Deed er niet toe dat dat voor een andere firma was geweest... De ambassadeur had hem even aangekeken. ‘Hamburg? Ik heb er net zeven jaar Düsseldorf op zitten als consul-generaal. Leuk, Duitsland... Heeft u ook zo genoten? Of werd u een beetje moe van al die gestrekte armen?’ Dat hij er niet bij grinnikte, was hem bevallen. Na de Hollandse capitulatie, die veel sneller kwam dan verwacht, was De Decker op zijn post gebleven. Het Koninkrijk der Nederlanden was nog niet in zijn geheel onder de voet gelopen – Indië, Curaçao en Suriname waren er nog, en de regering en de koningin waren niet afgetreden maar in ballingschap gegaan. 

Een paar dagen na de overgave had de ambassadeur hem in een telegram gevraagd of Philips in Litouwen openbleef. Hij had een telegram teruggestuurd: ‘Geen order tot sluiting uit Eindhoven.’ Ze hadden nooit eerder met elkaar gebeld. ‘Zwartendijk, om met de deur in huis te vallen: ik heb u nodig. Ik zit te springen om een consul in Kaunas.’ Hij zei even niets. Toen: ‘We hebben Tillmanns toch?’ ‘Een Duitser. Waanzin om Nederland na de inval en de capitulatie door Herr Doktor Tillmanns te laten vertegenwoordigen! En wat voor een Duitser! U weet...’ ‘Dat is meer zijn vrouw, die zou Hitler het liefst morgen met een bos bloemen begroeten. Tillmanns valt geloof ik wel mee. Hij woont al lang in Litouwen.’ ‘Alle Duitstaligen in Litouwen zijn pro-nazi, dat weet u beter dan ik. Goed, doet er niet toe, ik hoefde de consul niet eens de laan uit te sturen, Tillmanns heeft op de dag van de Duitse inval zijn functie neergelegd – echt op de dag zelf, op 10 mei –, wat voor de man pleit... Het ontslag van Tillmanns is nog niet bekrachtigd. Ik kan daar niet op wachten, ik heb stante pede een waarnemer nodig. Mijn keuze was snel gemaakt.’ ‘Kijk eens aan. Wat een eer!’ Hij vroeg zich af of het ironisch genoeg klonk. ‘Dan hebben we meteen een kantoor. Begrijpt u?’ Ah, was dat het! ‘... Tillmanns verschaft ons niet langer onderdak. We moeten zijn pand per direct verlaten. Uw zaak zou prima als consulaat kunnen dienen.’ ‘U gaat ervan uit dat Eindhoven dat goedkeurt?’ ‘De hele top van Philips is naar Londen uitgeweken, net als onze regering en Hare Majesteit de Koningin.’

‘De hele top, op Frits Philips en Guépin na, die zijn op hun post in Eindhoven gebleven. Guépin is mijn directe baas. Ik ontving gisteren een bericht van hem dat hij naar alle buitenlandse vestigingen heeft gestuurd.’ ‘En?’ ‘Het hoofd koel houden en doorgaan op de oude wijze.’ ‘Dat lijkt me een illusie, Zwartendijk. Philips is onder Duits beheer gesteld, zoals alle grote bedrijven in Nederland. Maar als ik me niet vergis staat u als directeur van Philips Litouwen aan het hoofd van een zelfstandige onderneming en heeft u een zekere vrijheid van handelen?’ ‘U bent goed ingelicht, meneer De Decker.’ ‘De opengevallen post moet zo snel mogelijk bemand worden. Begrijpt u?’ ‘Ik wil niet flauw doen, mijnheer de ambassadeur...’ ‘Gezant. Het Koninkrijk der Nederlanden heeft gezanten, geen ambassadeurs.’ ‘Wat is het verschil?’ ‘Kleine mogendheden hebben gezanten, grote ambassadeurs. Sinds het Congres van Wenen van 1815 heeft Nederland de status van “kleine mogendheid”. Een ambassadeur heeft voorrang boven een gezant, hij geniet “préséance”. Voor de ambassadeur van Duitsland, Frankrijk of Groot-Brittannië moet ik een stapje terug doen.’ ‘Zo ziet u maar, ik weet er helemaal niets vanaf.’ ‘Beschouw me als ambassadeur, maakt niet uit, zo word ik hier overal genoemd.’ ‘Ik wil u graag van dienst zijn, meneer De Decker, maar ik heb geen enkel benul van diplomatieke of consulaire zaken. Ik weet gewoon niet wat het inhoudt en wat het met zich meebrengt.’ ‘Vrijwel niets. Een enkele landgenoot wiens paspoort verlengd moet worden, of die hulp en bijstand nodig heeft. Misschien een firma die vraagt om bemiddeling. Het stelt weinig voor.’ De ambassadeur kuchte even alsof hij zelf in de gaten had dat hij een te simpele voorstelling van zaken gaf. 

‘Waar het om gaat, Zwartendijk, is dat Nederland in Litouwen vertegenwoordigd blijft. Als we het consulaat sluiten, zijn we weg uit deze contreien. Ik heb het consulaat in Tallinn ook opengehouden, en het gezantschap in Riga... Ik voel me zo’n beetje als kapitein op een zinkend schip. Ik heb hulp nodig, in mijn eentje red ik het niet... Er zullen veel dingen op ons afkomen... De nationalisaties... De mensenstroom... Iedereen is op drift geraakt in de regio. Ik vraag of u onze man in Kaunas wilt zijn.’ ‘Alles best en wel, excellentie, maar ik weet werkelijk niet hoe ik dat moet aanpakken, wat ik precies moet doen...’ ‘Tillmanns zal u de bescheiden en de stempels geven. En het archief. Ik stuur u de consulaire handleiding en instrueer u verder per brief. Als u er niet uit komt, kunt u me te allen tijde bellen op mijn kosten. Ik wil niet dramatisch doen, maar helpt u me in godsnaam. Er staan hier vreselijke dingen te gebeuren.’ ‘Het wordt oorlog, ja.’ ‘Niet alleen oorlog, het wordt...’ ‘Ondergang.’ ‘Juist, Zwartendijk, we moeten het ergste vrezen.’ ‘U kunt op me rekenen.’ ‘Versta ik het goed?’ ‘De consequenties ontgaan me nog grotendeels maar ik wil er verder niet over nadenken.’ ‘Ah, superbe, Zwartendijk. Dan bent u vanaf nu de waarnemend consul van het Koninkrijk der Nederlanden in Litouwen. Ik beëdig u per direct, vraag de regering in Londen het besluit te bekrachtigen en meld u aan bij de overgangsregering van Litouwen. Ga morgen direct bij Tillmanns langs en neem alle bescheiden van hem over.’ ‘Eén vraag toch: mijn vrouw heeft Duits als moedertaal. Ze is op de grens van Polen en Tsjechië geboren in een stadje dat tot het Oostenrijkse Keizerrijk behoorde. Hoe weet u dat zij deugt? Mijn kinderen zitten op een Duitse school, de oudste op het Duits gymnasium. Hoe weet u dat ik deug?’ Een kort lachje. ‘Mensenkennis, Zwartendijk. Een blik op u was voldoende.’ 

Zesenzeventig jaar sta ik in Kaunas op de Laisves aleja 29 en kijk door de winkelruit naar de plek waar Zwartendijk de telefoon opnam. Zijn dochter Edith staat naast me. Ze was dertien destijds, inmiddels is ze negenentachtig. Ze houdt mijn arm vast om haar evenwicht te bewaren en zegt met vaste stem dat het hier allemaal begonnen is op die bewuste avond in mei. Haar vader had net de showroom afgesloten toen hij de telefoon hoorde rinkelen. Vreemd genoeg is er niets veranderd aan het interieur. Dezelfde lichtbruine lambrisering, dezelfde houten trap van de showroom naar de bel-etage. Ik zie Zwartendijk daar staan, met de bakelieten hoorn in de hand. Edith maakt hem nog zichtbaarder. ‘Pa had direct een groot vertrouwen in De Decker. Dat was wederzijds. Later, toen de situatie explosief werd, belde hij vaak met de ambassadeur. Meestal ’s avonds, als hij afgepeigerd thuis was gekomen. Het toestel hing in de gang aan de wand, hij maakte wilde gebaren, trapte tegen de muur. Na een paar minuten zag ik hem kalm worden.’
 

EEN ZESTAL VOOR DE VRIJE HERFSTWEEK

De oktoberweek van vrijaf is komende en om die nog meer allure te geven, leg ik zes boeken op de tafel of bij de bagage, die gemeen hebben dat ze met z’n zessen uw herfstvakantie nog meer glans geven. Ik zet op een rij titel, auteur, ondertitel of genre en uitgever en laat die volgen door de tekst op de omslag, opdat u weet welk thema u te wachten staat. Eind van deze maand wisselen wij onze leeservaringen met deze zes uit. Goede leesdagen.

1) Een Duits meisje – Heidi Benneckenstein – Mijn leven in een neonazifamilie – De Arbeiderspers
Heidi Benneckenstein (1992) groeit op in een gezin dat de nazi-ideologie omarmt. De boeken die ze leest, de liedjes en gedichten die ze leert, de verhalen die ze hoort over de geschiedenis van Duitsland: alles is nationaalsocialistisch gekleurd. Als kind gaat ze op zomerkamp bij de "Heimattreue Deutsche Jugend', waar jongens en meisjes "völkisch' worden opgevoed en op paramilitaire wijze worden gedrild. Als vijftienjarige marcheert ze mee in demonstraties van neonazi's en slaat ze een fotojournalist in elkaar. Als ze negentien is, besluit ze samen met haar vriend om met het nazimilieu te breken, een besluit waar veel moed voor nodig is. In dit boek blikt ze nog eenmaal terug in de afgrond van deze parallelle wereld.

2) De mantel van astrakan – Piero Chiara – Romen – Serena Libri
De naamloze 'ik' besluit een paar maanden naar Parijs te gaan om zich in het mondaine leven te verdiepen. Hij trekt in bij een weduwe, madame Lenormand, die zich beklaagt over haar zoon, en bij Domitien, een ongenaakbare kat die zich niets laat aanleunen. De zoon is er met een Indochinese vandoor gegaan en laat niets meer van zich horen. Hij heeft een jas van astrakan achtergelaten. De ik maakt kennis met Valentine, een aantrekkelijke jonge vrouw, en na verloop van tijd krijgen ze een verhouding. Dan loopt het mis.  Maurice, de zoon van mevrouw Lenormand, is niet in Indochina. Hij zit in de gevangenis waaruit hij ontsnapt en Valentine raakt daarbij betrokken. Sliep ze met Maurice? Mismoedig slaapt hij met een majoor van het Leger des Heils. Van wie houdt Valentine?

3) 67 seconden – Jason Reynolds – Verzen – Blossom Books
"Mensen houden altijd meer van mensen als ze dood zijn.' Zestig seconden. Zeven verdiepingen. Drie regels. Een wapen. Will staat 67 seconden in de lift naar beneden, met in zijn broekband een pistool. Zijn broer Shawn is vermoord, en Will weet wat er van hem verwacht wordt. Niet snitchen. Niet huilen. Wraak. Het boek is geschreven in vrije versvorm en oorspronkelijk in het Engels, maar de vertaling is bijna net zo briljant als het origineel moet zijn. Het verhaal komt, mede door de versvorm, heel hard binnen en heeft op mij heel veel indruk gemaakt. Ik heb het hele boek lang mijn adem ingehouden en had aan het einde echt dat doffe gevoel, alsof er ineens iets wegviel. Een enorme aanrader, zeker ook voor mensen die moeilijk door boeken heen komen. De teksten zijn kort en behapbaar en ingedeeld in hele kleine stukjes. Hierdoor is het ook voor niet-lezers volgens mij heel geschikt! Jason Reynolds (1983) is een Amerikaanse auteur. De bestverkopende auteur van de New York Times. Bekend vanAll American Boys, de Track-serie, Long Way Down, For Everyone en Miles Morales-Spiderman. Hij schrijft voor jongvolwassenen, omdat hij weet dat een heleboel jongeren niet van lezen houden, omdat ze boeken saai vinden. Jasons missie is dan ook: geen saaie boeken schrijven. 67 seconden heeft echt enorm veel prijzen gewonnen en daarnaast zijn de filmrechten ook al gekocht door Universal.

4) Hoor me – Yolanda Hadid – De strijd tegen de onzichtbare symptomen van Lyme – Pepper Books
Yolanda Hadid werd wereldberoemd als model, Real Housewife of Beverly Hills en moeder van Bella en Gigi Hadid. Ze was ook ziek, en lange tijd wist niemand wat er met haar aan de hand was. Opgegroeid op een kleine boerderij in het Zuid-Hollandse Papendrecht, brengt Yolanda Hadid haar jeugd door met paardrijden, turnen en een bijbaantje bij de HEMA.
Op haar zestiende wordt ze gescout door een modellenbureau. Voor ze het weet vliegt ze als model de hele wereld over. Ondertussen gaat Yolanda's gezondheid achteruit. Haar lange zoektocht naar de juiste diagnose begint. Pas vele jaren later wordt vastgesteld dat ze leidt aan de chronische ziekte van Lyme. Medicijnen en behandelingen volgen, terwijl ze inmiddels ook een gezin heeft en onderdeel is van de realityserie The Real Housewives of Beverly Hills.
Ondanks alles lijkt Yolanda Hadid nooit de hoop te verliezen. Haar positie als beroemdheid gebruikt ze om meer bewustzijn te creëren rondom de ziekte van Lyme. Hoor me is het levensverhaal van Yolanda Hadid.

5) Brieven aan Koos – Tim Fransen – Avonturen van een zolderkamerfilosoof – Das Mag
Moeten we een gelukkig, of eerder een waardevol leven nastreven? Wat is er überhaupt van waarde, in het licht van onze eindigheid?  En  waarom drinken mensen wijn terwijl druivensap overduidelijk zoveel lekkerder is? Cabaretier en filosoof Tim Fransen verlaat zijn veilige plekje  in de bibliotheek en trekt erop uit, vastbesloten de antwoorden te vinden op de grote vragen van het leven. Terwijl hij zijn filosofische helden achterna reist – Immanuel Kant, Karl Marx, Friedrich Nietzsche, Albert Camus – belandt hij in onverwachte avonturen. Hij legt bloemen bij het graf van een onbekende man, rent angstig door een steeg in de hoerenbuurt van Leipzig en verzorgt bejaarden in een Russisch tehuis.
Zijn lessen  tekent hij op in brieven aan zijn goede vriend Koos; brieven die een even grote schat aan wijsheid als klunzigheid bevatten. 
‘Ontroerend en onweerstaanbaar grappig.’– Theo Maassen 

6) Schokland – Saskia Goldschmidt – Roman – Cossee
De grond onder het Hogeland van Groningen beeft. Eerst nauwelijks voelbaar, maar langzaamaan wordt het sterker. Als de bodem onder hun voeten steeds instabieler wordt, proberen Femke, haar moeder Trijn en haar grootvader zowel de boerderij als hun eigen leven onder controle te houden. Femke is in haar element tussen de dieren op de boerderij en de gedroomde opvolger van de melkveehouderij van haar grootouders. Haar moeder daarentegen deed ooit een poging aan het boerenbestaan te ontsnappen maar is tegen haar zin teruggekeerd. Sindsdien is ze nooit meer van het erf afgekomen. De spanning tussen moeder en dochter over de te volgen koers groeit. Femke wil verduurzamen, Trijn ziet dit als een aanval op de traditie.

Van oudsher ontvlucht Femke de wrokkige stiltes door het uitgestrekte rietland in te gaan, waar ze tussen de kuifeenden en reigers haar weg hervindt. Terwijl de scheuren in hun muren groter worden, staat een bewoner verslagen voor zijn gesloopte boerderij, raakt Femke onder invloed van een ambitieuze jonge boerin en moet de gemeenschap zich verzetten tegen de bedrijven die van hun grond willen profiteren. Voor haar nieuwste roman verhuisde Saskia Goldschmidt naar het door aardbevingen getroffen Groningse platteland. Ze woont daar inmiddels twee jaar, heeft tientallen bewoners gesproken en hielp mee in de stallen van verschillende melkveehouderijen. In Schokland onderzoekt ze wie je bent als je identiteit intens verstrengeld is met je geboortegrond. En hoe je overeind blijft staan als de wereld langzaam instort.
 

Postadres

Postbus 1112
3350 CC Papendrecht
078-7706308 (di en do)
Bezoekadres

Gemeente Papendrecht
Markt 22
3351 PB Papendrecht