bezichtig.nu
top lefttop middentop right

Piet Kapteins Cultuurmix

 

 

Cultuurmix Archief 

 

Piet Kapteins Cultuurmix is een persoonlijke rubriek, waarin de auteur zijn mening geeft over zaken die hem in cultureel opzicht bezighouden. Hij verwoordt hierin dus niet de mening van de st. CRP.
 
CULTUURMIX 21 MEI 


INFERNO

Met de vreugde van de lezer die literaire werken vol suspense, sightseeing, muze, mystiek vurig bemint, meld ik het u. Voorbije dinsdag 14 mei was daar de welkome aankomst van een wederom bij voorbaat enorme bestseller. Het gaat om de 478 bladzijden tellende thriller Inferno van Dan Brown en van Luitingh-Sijthoff. Daar ik u niet de entree van deze zesde Brown - schepping wil onthouden, wil ik het nu alleen hebben over het zogenaamde voorwerk en de proloog. Van de immer voorkomende en voortvarende pr-dame Kristel Vrielink van Luitingh-Sijthoff vernam ik dat van Inferno 300.000 exemplaren gedrukt zijn. Ik heb het bruine vermoeden dat na de succesvolle verkoopcijfers van Het Juvenalis Dilemma, De Delta Deceptie, Het Bernini Mysterie, De Da Vinci Code, Het verloren symbool van de bijna vijftigjarige Amerikaan het niet haalt met dit mega-aantal. Overigens: de eerste oplage Hartsvriendin van favoriete Heleen van Royen zit op 85.000. 

Op de cover van de paperback Inferno zien wij een afbeelding van de in 1345 over de Arno  gebouwde Ponte Vecchio met de kenmerkende corridor en de vele winkels. In de lucht boven en op het water onder die oude brug staat in viervoud ‘Lasciate ogni speranza, voi ch’entrate’ dat in onze eigen taal gaat als ‘Gij die hier binnentreedt, laat alle hoop varen’, het opschrift op de poort van de hel en ontleend aan de derde zang van Inferno (1309) uit ‘Divina commedia’ van Dante Alighieri. Als motto gebruikte Dan Brown ‘De donkerste plekken in de hel zijn voorbehouden aan hen die zich afzijdig houden in tijden van morele crisis’. Vervolgens geeft hij ‘Feiten’ weer, die luiden: ‘Alle kunstwerken, alle boeken en geschriften, alle wetenschappelijke beweringen en historische gebeurtenissen in dit boek zijn waarheidsgetrouw’, ‘Het Consortium is een particuliere organisatie met kantoren in zeven landen. Om redenen van veiligheid en privacy is de naam veranderd’ en Inferno is de onderwereld uit ‘De goddelijke komedie’, het epische gedicht van Dante Alighieri waarin de hel beschreven wordt als een tot in de details gestructureerd rijk dat wordt bevolkt door wezens die ‘schimmen’ worden genoemd, zielen zonder lichaam die gevangenzitten tussen leven en dood.’ Dan Brown droeg zijn thriller op aan zijn ouders en zet ons meteen op het spoor van Robert Langdon, de Harvard-professor die wij als hoofdpersonage al eerder in zijn oeuvre ontmoetten. Browns moeder staat model voor het fenomeen religie en zijn vader voor dat van de zuivere wetenschap. Langdong mixt die, kraakt codes, ontdekt geheime boodschappen in oude schilderijen en voorkomt aldus vreselijk onheil en grote doem. In Inferno dan met assistentie, volgens de achterflap, van Sienna Brooks.

Ik citeer: ‘Robert Langdon, hoogleraar kunstgeschiedenis en symboliek, wordt op een nacht wakker in een ziekenhuis in Florence zonder te weten hoe hij daar is beland. Geholpen door een stoïcijnse jonge vrouw, Sienna Brooks, vlucht Langdon en raakt hij verzeild in een duizelingwekkend avontuur. Langdon ontdekt dat hij in het bezit is van een reeks verontrustende codes, gecreëerd door een briljante wetenschapper; een genie dat geobsedeerd is door het einde van de wereld en het duistere meesterwerk Inferno van Dante Alighieri. De strijd tegen deze mysterieuze vijand voert hem langs tijdloze locaties als het Palazzo Vecchio, de Boboli-tuinen en de Duomo, en Langdon en Brooks stuiten op een netwerk van verborgen doorgangen en eeuwenoude geheimen… In zijn fenomenale bestsellers vermengde Dan Brown op meesterlijke wijze geschiedenis, kunst, codes en symbolen met een razend spannend verhaal, Met Inferno bevindt Brown zich op vertrouwd terrein en heeft hij zijn gewaagdste boek tot nu toe geschreven.’ Na deze wervende  woorden dagen wij elkaar uit om al lezende na te gaan of ze terecht zijn.

Met mijn echtgenote doorkruiste ik tijdens twee vakanties in Italië de machtige stad Florence. Wij vergaapten ons aan kerken, bruggen, paleizen, pleinen en musea. Zo Santa Croce, en Santa Maria del Fiore ook bekend als Duomo (dom), Ponte Vecchio en Corridoio Vasariano, Palazzo Pitti en Palazzo Medici-Riccardi, Piazzale Michelangelo en Piazza della Signoria, Uffizi en Museo di San Marco. Ik ben benieuwd of u en ik bij deze memorabele plekken Robert en Sienna tegenkomen. Om het eerste ondergrondse museum ter wereld, Museonder in het Nationaal Park De Hoge Veluwe, te verkennen leidt een brede trap naar de zalen beneden. De zin van Dante, die de cover siert, staat ook op de belendende muur maar dan in een andere Nederlandse versie. In de Proloog staan de gewraakte woorden weer maar dan zo: ‘Hier moet men elke angst van zich afzetten’. Ik geef u nu dit Voorspel of Voorrede of Voorwoord integraal door. Opdat u de spanning voelt! 

‘Ik ben de Schim. Door de angstige stad ren ik. Door het eeuwige lijden vlucht ik weg. Ik strompel ademloos over de oever van de Arno, sla links af de Via dei Castellani in en haast me naar het noorden, wegduikend in de schaduw van de Uffizi. Nog steeds zitten ze achter me aan. Hun voetstappen klinken steeds luider terwijl ze me met meedogenloze vastberadenheid opjagen. Dat doen ze al jaren. Hun vasthoudendheid houdt me ondergronds…dwingt me te leven in het vagevuur…te werken onder de aarde als een chronisch monster. Ik ben de Schim. Hier boven de grond richt ik mijn blik op het noorden, maar ik kan geen rechte weg naar de verlossing vinden, want de Apennijnen onderscheppen het eerste licht van de dageraad. Ik loop achter het palazzo langs, met zijn gekanteelde toren en de klok met één wijzer. Op de Piazza di San Firenze zigzag ik tussen de vroege marskramers door, met hun hese stemmen en hun geur van lampredotte en geroosterde olijven. Nadat ik voor het Bargello langs ben gelopen, ga ik in de westelijke richting naar de spitse toren van de Badia en kom ik abrupt tot stilstand bij het ijzeren hek onder aan de trap. Hier moet men elke angst van zich afzetten. Ik duw de greep naar beneden en stap het gangetje in, en ik weet dat er geen terugkeer mogelijk is. Ik dwing mijn loden benen de smalle trap op, die naar de hemel draait over marmeren treden, zacht van ouderdom, versleten en vol putjes, Echoënde stemmen van beneden. Smekend. Ze komen achter me aan, onverzettelijk, steeds dichterbij. Ze weten niet wat er komen gaat…of wat ik voor hen gedaan heb! Ondankbaar land! Onder het klimmen worden de visioenen steeds levensechter: de wulpse lichamen,kronkelend in de vurige regen, de vraatzuchtige zielen, badend in uitwerpselen, de verraderlijke schurken, bevroren in Satans ijzige greep. Ik beklim de laatste trap en bovenaan struikel ik, de dood nabij, de vochtige ochtendlucht in. Ik ren naar de manshoge muur en kijk door een opening. Diep onder me ligt de gezegende stad, het toevluchtsoord waar ik kon ontsnappen aan de mensen die me hebben verbannen. Roepende stemmen, dichter achter me. ‘Wat jij gedaan hebt, is waanzinnig!’ Waanzin brengt waanzin voort. ‘In godsnaam,’ roepen ze, ‘vertel ons waar je het hebt verborgen!’ Het is juist in Gods naam dat ik dat niet doe. Ik sta in de hoek, met mijn rug tegen de koude steen. Ze staren diep in mijn heldergroene ogen en hun blik wordt donkerder, niet langer smekend, maar dreigend. ‘Je weet dat we onze methoden hebben.

We kunnen je dwingen te vertellen waar het is.’ Juist daarom ben ik tot halverwege de hemel geklommen. Opeens draai ik me om, ik hef mijn armen en krom mijn vingers over de hoge muur. Ik trek me op, zet mijn knieën op de smalle rand, en dan richt ik me wankelend op. Leid me door de leegte, goede Vergilius. Ze stormen vol ongeloof naar voren om me bij mijn voeten te grijpen, maar zijn tegelijkertijd bang dat ze me uit mijn evenwicht zullen brengen, zodat ik zal vallen. Nu smeken ze met stille wanhoop, maar ik heb hun de rug toegekeerd. Ik weet wat me te doen staat. Daarbeneden, duizelingwekkend ver beneden me, strekken de rode pannendaken zich uit als een zee van vuur en verlichten het schone land waarover eens de groten dwaalden: Giotto, Donatello, Brunelleschi, Michelangelo, Botticelli. Ik schuif dichter naar de rand. ‘Kom naar beneden!’ roepen ze. ‘Het is nog niet te laat!’ O, moedwillige onwetendheid! Begrijpen jullie de toekomst dan niet? Zien jullie niet de pracht van mijn schepping? De noodzaak? Dit ultieme offer breng ik met blijdschap, en daarmee zal ik jullie de laatste hoop ontnemen om te vinden wat jullie zoeken. Jullie vinden het nooit op tijd. Tientallen meters onder me wenken de keien van de piazza, als een stille oase. Wat had ik graag meer tijd gehad…maar tijd is een luxe die zelfs ik met mijn enorme fortuin me niet kan veroorloven. In die laatste seconden kijk ik neer op de piazza en daar zie ik iets wat me verrast. Ik zie jouw gezicht. Je kijkt vanuit de schaduw naar me op. Je ogen zijn droevig, maar ik bespeur er ook ontzag in voor wat ik heb bereikt. Je begrijpt dat ik geen andere keuze heb. Ik moet mijn meesterwerk beschermen ter wille van de mensheid. Het groeit nog steeds, zelfs nu nog…terwijl het wacht… verscholen in de bloedrode wateren van de lagune zonder weerschijn van sterren. En dus sla ik mijn ogen op van de jouwe en aanschouw de horizon. Hoog boven deze zwaarbeproefde wereld zeg ik mijn laatste smeekbede; Lieve God, ik bid dat deze wereld me gedenkt, niet als een monsterlijke zondaar, maar als de glorieuze verlosser die ik zoals U weet in werkelijkheid ben. Ik bid dat de mensheid zal begrijpen, welk geschenk ik nalaat. Mijn geschenk is de toekomst. Mijn geschenk is de verlossing. Mijn geschenk is het Inferno. Daarmee fluister ik mijn amen…en neem de laatste stap, de afgrond in.’

 
LEVEN MET DE VIJAND

Een geweldig goed boek heb ik voor u, dat een indringend beeld geeft van de terreur die vooral  de Joodse medeburgers door de nazi’s is aangedaan. Het gaat om het 352 bladzijden tellende, bij wijlen geïllustreerde, Leven met de vijand van Barbara Beuys en van uitgeverij Cossee met de ondertitel ‘Amsterdam onder Duitse bezetting 1940-1945’. Ik haast mij echter te zeggen dat dit prachtig geschreven proza over een trieste en beklemmende periode veel meer behelst dan die subtitel suggereert. De spanwijdte van deze op veel studie gebaseerde non-fictie is immers veel breder. Daarvan getuigen bijvoorbeeld de opschriften van de eerste drie hoofdstukken van de in 1943 geboren auteur uit Keulen. Die gaan als ‘Van stadskermis tot Berlijnse revue 1875 tot 1919’(1), ‘Monne de Miranda en de Amsterdamse School – Koningin Wilhelmina en de Olympische Spelen – Abraham Kuyper en de verzuiling – Begeleid door jazz en andere nieuwe klanken 1919 tot 1929’ (11). En ‘Bejubelde immigranten bij Tuschinski – Steeds meer werklozen – De ‘bei-uns-mensen’ – Nederlandse nazi’s – Geen Joodse kwestie – Hitlers oorlog, maar niet bij ons! 1930 tot 9 mei 1940. Maar dan is er toch het vierde kapittel met de titel ‘Vijfdaagse oorlog – Zelfmoord en vlucht overzee – Capitulatie – Bezetter uiterst correct – De burgemeester past zich aan – Hoop op rust en orde 10 tot 31 mei 1940’. Om te finishen met hoofdstuk XVIII over laatste dagen april en  begindagen 1945. De immer voorkomende, voortvarende Cossee pr-dame Eva Bouman stuurde mij dit naar mijn idee ultieme en unieke verslag van een voorbij drama een paar dagen terug. Ik nam de eerste zinnen ervan tot mij en ik werd als het ware het relaas met het vooraf bekende sinistere verloop ingezogen. Zo weloverwogen, gedocumenteerd, betrokken, meeslepend, scherp, divers vertelt zij klip en klaar over vooral het leed de Joden in Amsterdam aangedaan. Ik zal u van mijn tocht erdoorheen op de hoogte houden.   

In het recente verleden mocht ik bij u introduceren Dat nooit meer van Chris van der Heijden over de nasleep van de Tweede Wereldoorlog en Wij weten niets over hun lot van Bart van der Boom over gewone Nederlanders en de Holocaust. Beide inmiddels bepalend geworden werken stipuleren dat de rampzalige gebeurtenissen die zich ook in ons land tussen ’40 en ’45 voordeden ons doen en laten blijven sturen, ons denken en handelen steevast richting blijven geven. Ook had ik het met u onlangs over de werken Het fenomeen Anne Frank (David Barnouw), Leven met de ster (Jiri Weil), De pianiste van Theresienstadt (Alice Herz-Sommer), De dagboeken van Bernie en Ellis (Ellis Cohen-Paraira), Het zwijgen van Jan Karski (Yannick Haenel), Ons kamp (Marja Vuysje), Het verdwenen elftal (Bas Kortholt), Droomonderduik (Maarten Th. Frankenhuis), Onder de klok (Bert Jan Flim) en Het juiste moment (Grimbert Rost van Tonningen). De stroom van boeken over de gruwelen die ons zeven decennia terug overspoelden, blijft aldoor gaan. Aldus blijven die berichten over toen illustreren dat 4 en 5 mei van nu en straks als nationale dagen nog niet af zijn. De Holocaust, de Shoah, die genocide, die massamoord blijft ons mensen aanklagen. Daar ik de volgende keren aan u mijn leesverslag wil doen over Leven met de vijand van Barbara Beuys volsta ik nu met enkele notities over het voorwerk en over een interview.

De cover van deze verslaggeving van het leven in de hoofdstad tijdens de Tweede Wereldoorlog laat een in zon vervat Amsterdams plein zien waarop twee Duitse soldaten met geweer op de schouder rustig kouten en burgers heel ontspannen verkeren. Klaarblijkelijk is er niet zoveel veranderd na de Germaanse inval. Toen ik het vrolijk stemmende beeld in mij opnam, moest ik denken aan een passage uit de memoires van mijn vader zaliger. Onder kopje ‘In de oorlog toch op vakantie’ schrijft hij: ‘In de zomer van 1943 – het hartje van de oorlog – zijn we zelfs voor het eerst, nog een week op vakantie geweest. Met ons vieren gingen we naar Bunnik, waar Henk Bouter, een neef van moe, met zijn vrouw woonde. We gingen op de fiets, volgeladen met allerlei groenten naar de aanlegsteiger van de Lekboot aan de Schaardijk. Heerlijk, bovendeks, voeren we naar Vreeswijk, om vandaar met de fiets naar Bunnik te gaan. In die week maakten we door de fraaie omgeving tochten op de fiets. Als we in de buurt van ziekenhuizen en inrichtingen kwamen, en zich daar buiten zusters ophielden, was het Piet, die bij mij voorop de fiets zat en dan angstig het woord ‘zusters’ uitstootte. Na die twee jaar, nadat hij in Bethesda was verpleegd, zat de schrik er bij hem blijkbaar nog goed in... We gingen dan maar zo spoedig mogelijk van die plaats weg. Met Henk en zijn vrouw, zijn we toen ook nog een dag naar Volendam en Marken geweest. Bussen en treinen waren overvol en toen werd ons pas duidelijk hoe gevaarlijk het toen was van het openbaar vervoer gebruik te maken. In de lucht was het erg druk en enkele keren doken geallieerde vliegtuigen omlaag en waren we bang dat beschieting zou volgen. Dat gebeurde gelukkig niet, maar we waren erg blij toen we weer behouden thuis kwamen. Bij ons vertrek wist Henk nog een kistje sigaren op de kop te tikken, zonder bon. Van de inhoud heb ik er maar twee opgerookt, het waren wat je noemt ‘stinkstokken’ gemaakt van hop.’

In de dagen dat mijn vader de herinneringen aan zijn geschiedenis van eigen leven op het papier tikte – 400 foliovellen vol – verwonderde hij zich erover dat wij als gezin in de dagen en jaren van oorlog op vakantie gingen. Vandaar het woordje ‘toch’. Wat ik met dit citaat wil zeggen is dat niet alleen in de beginjaren van die vreselijke oorlog het leven gewoon doorging, maar dat zelfs in 1943 er ruimte was om elders te verpozen en vertier te zoeken. Hoe anders was het in 1940 zoals de proloog verwoordt: ‘Het was nog niet helemaal licht die ochtend van de tiende, toen de kinderen de trap af kwamen rennen: ‘Het is begonnen! Schiphol staat in brand!’ Ik probeerde Jan, die heel vast sliep,wakker te maken,’ noteert de schrijfster Annie Romein-Verschoor, terugdenkend aan de vroege ochtend van 10 mei 1940 over haar echtgenoot. ‘Hij zei afwezig iets van ‘onzin’ en sliep door.’ Annie gaat met haar kinderen naar boven en staart over de huizen heen naar de rook en de vlammen aan de horizon. Ze luisteren naar het geronk van de vliegtuigen en hebben het vreemde, ‘ontheven gevoel een schouwspel bij te wonen’, Die nacht vielen de Duitsers Nederland binnen. Voor de mensen in Amsterdam was de oorlog begonnen. Wat was dat voor een stad, waar amper vijf dagen later de laarzen van Duitse soldaten over de straatstenen dreunden en een periode van vijf jaar onder Duitse bezetting begon? In welke leefwerelden drongen de bezetters binnen? Wat kenmerkte het levensgevoel van de Amsterdammers, sinds de Nederlandse hoofdstad rond 1900 definitief een Europese metropool was geworden?’

Fragmenten NRC-interview door Bernard Huisman. ‘Amsterdam onder de Duitse bezetting en niet over Den Haag of Antwerpen? De auteur Barbara Beuys:’Ik heb mijn boek voor een Duits publiek geschreven. Voor Duitsers is de Tweede Wereldoorlog toch nog steeds de oorlog in Oost-Europa, tegen de Sovjet-Unie. Van de bezetting van landen als Nederland weten ze heel weinig. Ze denken dat er nauwelijks gevochten is en dat het een land is waar Duitse soldaten die aan het Oostfront gewond waren geraakt, op adem konden komen. In de oorlog was Amsterdam de belangrijkste stad van Nederland met een omvangrijke Joodse bevolking. Bovendien moesten Joden uit andere Nederlandse steden naar Amsterdam verhuizen. Meer dan in andere steden kun je in Amsterdam zien hoe de naziterreur in de West-Europese bezette gebieden in zijn werk ging.’ In Leven met de vijand beschrijft u de naziterreur in Nederland als een salamitactiek die begon met de ariërverklaring en eindigde in massamoord. Was dit improvisatie of planning? ‘De salamitactiek was volkomen gepland, met een rationaliteit die je misschien niet had verwacht van de nazi’s. Hitler heeft zelf de politiek van de zachte hand met de rijkscommissaris voor de bezette Nederlandse gebieden, Arthur Seys-Inquart, besproken. Die politiek had twee pijlers. De Nederlanders moesten het materieel beter krijgen, als gevolg van grote opdrachten van bijvoorbeeld de Wehermacht voor de Nederlandse industrie. En de Duitse bezetter moest op zijn beurt de Nederlanders  niet tegen zich in het harnas jagen met brute maatregelen.’ En dat werkte, zo blijkt uit uw boek. ‘Ja, voor de meeste Nederlanders ging het leven in de eerste oorlogsjaren gewoon verder. Ze bleven bijvoorbeeld uitgaan en gingen, na een dip in 1941, zelfs vaker naar de bioscoop dan ooit tevoren. Het verzet kwam in Amsterdam pas echt van de grond toen Nederlandse mannen in 1943 naar Duitsland moesten om te werken. Dat trof heel veel Nederlandse gezinnen. Bij de eerdere maatregelen die tegen de Joden werden genomen, kon je nog wegkijken. Die betroffen de niet-Joden nauwelijks en leidden bij de meeste Amsterdammers vooral tot medelijden of een machteloze woede, en nauwelijks tot verzet.’

Een van de dingen die me in uw boek frappeerde, was dat zelfs een marxistisch historicus als professor Jan Romein niet wist wat hij aan moest met de ariërverklaring en die hij in oktober 1940 toch maar ondertekende. Waren de Amsterdammers naïef? ‘De Nederlandse elite, en zeker iemand als Jan Romein, wist beslist waar Hitler en de nazi’s voor stonden en wat ze wilden. Maar mede doordat de Duitse bezetter in het eerst jaar de politiek van de zachte hand bedreef en zich redelijk beleefd en beschaafd gedroeg, dachten veel Amsterdammers vermoedelijk dat het allemaal niet zo’n vaart zou lopen. Zeker niet als ze zelf geen aanleiding zouden geven. Zo’n houding zag je vóór de oorlog ook bij de Nederlandse regering: als we nu maar neutraal blijven, dan doet Duitsland ons, net als in de Eerste Wereldoorlog, niets. Misschien dachten ze ook: de nazi’s vervolgen wel hun eigen Joden, maar niet de onze die hier al eeuwen zijn geïntegreerd en zonder problemen wonen.’ U schrijft ook dat al op 29 juli 1942 Radio Oranje melding had gemaakt van de gaskamers. Maar hieraan werd nauwelijks geloof gehecht. Kon of wilde men het niet geloven dat de Joden werden vergast? 'Beide, denk ik. De Joodse Raad in Amsterdam was niet de enige die de berichten over vergassing afdeed als anti-Duitse propaganda. De meeste Amerikanen konden zich toen ook niet voorstellen dat zoiets gebeurde. Vergeet ook niet dat een mens heel veel kan verdringen als hem dat zo uitkomt.’ U oordeelt niet in Leven met de vijand. Maar u stelt wel herhaalde malen vast dat er tot 1943 heel weinig verzet was tegen de opeenvolgende maatregelen van de Duitsers tegen de Joden. Hadden de Nederlanders hiertegen meer kunnen doen dan ze deden? ‘Het grootste raadsel van de Duitse bezetting in Nederland is dat er relatief veel Joden zijn weggevoerd en vermoord. Historici zijn er nog steeds niet over uit hoe dat komt. Ik weet het ook niet, en dat is een van de redenen waarom ik over het verzet en de Joodse Raad geen oordeel uitspreek. Ik beschrijf slechts wat er is gebeurd en laat het aan de lezer over om te oordelen. Maar ik denk wel dat er minder Joden zouden zijn weggevoerd als er eerder een kleinschalig netwerk voor onderduiken was opgezet. Zoals gebeurde toen Nederlanders werden verplicht om in Duitsland te werken. Voor onderduiken heb je een netwerk nodig en geld en dingen als vervalste voedselbonnen. Dat hadden de meeste Joden niet. Hoe zo’n netwerk werkte, kun je bijvoorbeeld zien aan het grote aantal Joodse kinderen dat is gered uit de crèche tegenover de Hollandse Schouwburg in Amsterdam, het theater waar alle weg te voeren Joden zich moesten verzamelen. Bij de redding van Joodse kinderen die bij gezinnen in heel Nederland werden ondergebracht, speelden kleine groepen studenten een heel belangrijke rol.’ Mijn optie is dat u nu op de pedalen gaat staan om dit bijster bijzondere boek tot u te nemen. U zult versteld staan. Al kent u de afloop!  


WANHOOP NOOIT AAN VOORUITGANG

Een pracht en een macht van een boek heb ik voor u. Want zo groots is de vormgeving ervan en zo verheven de epistolaire inhoud. Het gaat om het 310 bladzijden tellende, rijk geïllustreerde Wanhoop nooit aan de vooruitgang bezorgd door Marga Coesél. Met de alleszeggende ondertitel ‘Brieven van Jac. P. Thijsse’ en uitgegeven door Boom. Op de cover ziet u dezelfde prent als op de titelpagina, de ex libris van de grondlegger van de Nederlandse natuurbescherming. Het afgebeelde groepje verwaaide spreeuwen op zwiepende takken tegen de wind, geeft Thijsses levensmotto ‘onbekommerd’ goed weer. De natuurvorser, die o.a. gezien wordt als redder van de woeste gronden in ons land, was niet alleen optimistisch van aard maar ook een fervent en bekwaam schrijver van brieven en briefkaarten. Van zijn uitgaande post zijn er meer dan zevenhonderd bewaard gebleven als origineel of als kopie. De biologe Coesél bezorgde ze en leidde ze in. De titel van dit onderhoudende en horizonverleggende brievenboek past goed bij het arsenaal van epistels die Thijsse (1865-1945) vanaf 1894 tot een dag voor zijn dood verzond. Ze etaleren de voorvechter voor bescherming en behoud van de Nederlandse natuur als een noeste werker, een onweerstaanbare optimist, een bevlogen natuurvorser en een grote taalvirtuoos. Toen de sociale media nog niet zo’n vlucht hadden genomen, onderscheidde hij zich als een uniek en ultiem meester der epistels.

Een volgende keer neem ik u mee voor een bij voorbaat aansprekende want tintelende tocht door de brieven van Jac. P. Thijsse. Die beginnen met zijn kattebelletje gericht aan de uitgever Willem Versluys eind jaren negentig. Ik citeer: ‘Hooggeachte Heer. Hierbij de copij. Alles is in orde. Als ’t kan moeten de beide houtsneden: ‘hommel met nest’ en ‘vlinders op plankje’ op de daarvoor aangewezen plaatsen worden ingevoegd. Hoogachtend Uw dw. dienaar’, Zestig jaar later luidt het: ‘Waarde heer Verkade. Het Kerstpakket is in goede orde aangekomen. Nogmaals onze hartelijke dank en een compliment voor de keurige en opwekkende verpakking. Door een gelukkig toeval kon ik nog een gedeelte van den inhoud doorsturen aan mijn kinderen en kleinkinderen in Rijswijk, die zoodoende ook kunnen deelen in de vreugde. Met herhaalde dank en zeer hartelijke groeten als vanouds. De brief is ondertekend door zoon Jo van Thijsse die ’s nachts plotseling overleden is.

Op een van de schappen van onze boekenkast prijken op een prominente plaats een tiental albums van de firma Verkade & Comp. te Zaandam die alle hun eerste publicatie beleefden in de eerste decennia van de vorige eeuw. Lente, Zomer, Herfst, Winter, Langs de Zuiderzee, Het Naardermeer, Blonde duinen, De bonte wei, Bosch en heide, Onze groote rivieren zijn hun namen. Hoe vaak heb ik hun heruitgave uit de jaren zeventig niet tot mij genomen. Ik wil met u een revival van deze kijk- en leesalbums beleven door nu en later eruit te gaan citeren. Om te beginnen met het kwartet dat de vier seizoenen verwoordt en verbeeldt. Maar dan op de wijze van Jac. P. Thijsse. Allereerst geef ik u de rake typering door van Kees Hana met zijn eerste twee alinea’s uit diens ‘Ten geleide’ uit 1975 bij Lente. Daarna geef ik u de eerste zinnen uit Lente, Zomer, Herfst en Winter door. Opdat u in de ban komt van de man die mij de ogen open deed gaan.

Kees Hana: ‘Onbekommerd. Dit was het devies bij een stelletje verwaaide spreeuwen in een maartse bui op het ex libris van de levensgenieter en ochtendmens Jacobus Pieter Thijsse, geboren in Maastricht op 25 juli 1865, overleden in Overveen op 8 januari 1945, maar tot op de dag van vandaag nog bekend als de man van de Verkade-albums en de natuurboekjes van Heimans & Thijsse. Welke schrijver uit die tijd wordt nog zó regelmatig gelezen? En zelfs herdrukt? Zo iemand moet wel een heel bijzonder mens geweest zijn. Een bijzonder mens, dat was hij ook. Een geestelijke reus met het hart van een kind, onbekommerd tot in zijn vingertoppen, vol levensblijheid, in hoge mate luidruchtig, een geboren spotter (ook met zichzelf) als het wezen moest – en dat moest volgens hem nogal dikwijls ter wille van de natuurbescherming – van een even beminnelijke als grote onbescheidenheid, een man met een enorm gat in zijn hand zodra hij in een boekhandel was, altijd mild in zijn oordeel over anderen, verstandelijk bijzonder begaafd en tegelijkertijd af en toe onvoorstelbaar naïef – en ten slotte gezegend met een paar zo intens vrolijk tintelende ogen en een stem van een dergelijk timbre dat iedereen meteen dol op hem was.’

Via de door Marga Coesél bezorgde brieven zal ik deels aantonen hoe waar deze kwalificaties zijn. De grootste verdienste voor mij persoonlijk is dat Jac. P. Thijsse zich opwierp als de verdediger van de natuur. ‘Lente. De Eerstelingen. Het is nog niet uitgemaakt, wie het eerst de lente proclameert: de zanglijster, de sneeuwklokjes of  de hazelaar. Het eene jaar komt de vogel het eerst met ’t nieuwtje, het andere jaar de heester, of de bloem. In ieder geval weten zij het altijd eerder dan de menschen, die op de kalender afgaan, en menen dat de Lente den eentwintigsten Maart haar intocht doet.’ Met de eerste zes (van de 144) plaatjes waarop zanglijster koolmees pimpelmees, musschen, winterkoninkje.’ ‘Zomer. In de weide. Als ’t zomer wordt dan gaan de bloemen in de wei met het gras strijden om den voorrang. Het gras heeft zijn eigenbloemen, wondermooie dingetjes, Maar ongelukkig wat klein en kleurloos. Zoodat de wandelaar er iet op let en heel onrechtvaardig den naam van grasbloemen geeft aan madelief en boterbloem. Maar o,wat zijn die echte grasbloempjes mooi!’

Met boterbloem zuring ratelaar witte ganzenbloem voederwikke maaier bezig in een kleurig hooiland. ‘Herfst. De tuinbloemen. De vacantie is uit. In alle stations wemelt het van terugkeerende zomergasten met wapens en bagage en met bouquetten van blauwe zeedistel of van erica. Al naardat ze aan ’t strand of op de hei hun zomervreugd hebben genoten.’ Met aster paarse balsemien flox o.i. kers dahlia goudsbloem. ‘Winter. Het begin van den winter. De winter begint, wanneer Manus het dak schoonveegt en dat is na den eersten novemberstorm van beteekenis, Gedurende de heele octobermaand zijn er ook wel bladeren van de boomen gevallen, doch niet zoveel, opeens, dat de pannen vervuilden of de goten verstopt raakten.’ Met amethistzwam anijszwam kluifjeszwam spitse morielje  stuifbal aardster.

Tot slot, ik onderschrijf de slotzinnen  van Marga Coesél uit haar Voorwoord: ‘… heb ik ontzag gekregen voor de wijsheid, visie en vitaliteit van Thijsse. Overdreven? Lees de brieven en oordeel zelf.’ O, het genot mooie boeken te bezitten!