Piet Kapteins Cultuurmix
HET FAMILIEPORTRET Gaat Sarah in Haar naam was Sarah met een sleutel als attribuut op zoek naar haar broertje Michel dat zij in een kast verstopt heeft bij een razzia door de Duitsers in Parijs, in Het familieportret wil Trudy het verleden op heterdaad betrappen door te achterhalen wat haar moeder in het verre gewelddadige Duitsland van destijds ertoe gebracht heeft een relatie aan te gaan met een SS-Obersturmführer die Hitler diende in het vermaledijde concentratiekamp Buchenwald. Trudy komt er vooral na vele gesprekken met overlevenden uit de Wereldoorlog II achter dat haar veronderstelde vader niet de Duitse soldaat is, maar een Joodse arts die zich in 1940 voor de nazi’s schuil hield en door toedoen van Trudy’s vader Gerhard opgepakt en in kamp Buchenwald na jaren van gevangenschap en dwangarbeid opgehangen werd. Haar roots kent Trudy heel lang niet, de lezer is daar wel van op de hoogte en dat zorgt voor de dwang tot verder lezen. Op de omslag van Blums alom geprezen roman staat een jong in rood en grijs gehuld meisje voor een bakkerszaak, dat naar mijn idee Trudy moet voorstellen. In het verhaal speelt die locatie een belangrijke rol, vandaar dat meerdere malen het liedje opklinkt van ‘Backe, backe Kuchen!’ der Bäcker hat gerufen. ‘Wer will guten Kuchen backen, Der muss haben sieben Sachen: Butter und Salz, Zucker und Schmalz, Milch und Mehl, und Eier machen den Kuchen gel.’ Als motto hanteert Blum een zinsnede van Rudolf Höss, gewezen kampcommandant van Auschwitz: ‘Ik had mij vrijwillig aangesloten bij de gelederen van de actieve SS en ik was te gehecht geraakt aan het zwarte uniform om er afstand van te doen.’ Nadat zij haar relaas opgedragen heeft aan haar ouders start zij met een proloog getiteld ‘Trudy en Anna, 1993’ waarin zij vertelt over het overlijden en het begraven van vader Jack Swenson in New Heidelberg Minnesota. Moeder Anna, die door plaatsgenoten vermeden wordt, zwijgt ook nu in alle talen, onder het excuus van ‘Het verleden is dood. Het verleden is dood en dat kan maar beter zo blijven.’ Zij heeft het dan vooral over haar buitenissige belevenissen in het geboortedorp Weimar. De literaire truc van Jenna Blum is nu dat zij haar 62 hoofdstukken verdeelt over heden en verleden. Vandaar dat er de titels zijn als ‘Anna en Max Weimar, 1939-1940’ en ‘Trudy, november 1996. Voordat ik u de plot van Het familieportret inpraat, wijs ik u op een facet dat mij intrigeerde: het zogenoemde Stockholmsyndroom, dat staat voor het psychologisch verschijnsel tijdens een gijzeling waarbij de gegijzelde sympathie voor de gijzelnemer krijgt. Dit syndroom kan tot ontwikkeling komen in een situatie waar de gijzelnemer absolute controle over de gegijzelde kan uitoefenen omdat hij voorziet in diens basisbehoeften, bijvoorbeeld het geven van voedsel en beschutting. Zo is het ook gesteld met Anna. Als zij geliefde Max moet missen en bakkersbazin Mathilde vanwege haar daden van verzet bij de steengroeve van Buchenwald geëxecuteerd wordt, verleent zij in het bed van de bakkerij lijfelijke diensten aan Horst, de SS-Obersturmfüher. Anna wordt daarbij voor het leven gebrandmerkt en beschadigd, zozeer zelfs dat als zij na de oorlog met de Amerikaanse soldaat Jack trouwt, niet los kan komen van de seksuele aberraties uit het verleden. Zo op het eerste gezicht lijkt Het familieportret een roman – want Jenna Blum zet de werkelijkheid naar haar hand - over moeder en dochter want de relatie tussen deze twee vrouwen staat centraal. Zij laat zich echter wel leiden door historische feiten. Maar het etiket van psychologische roman is ook relevant omdat het Stockholmsyndroom een belangrijk item is, want slachtoffer Anna blijft bruut Horst decennia voor ogen houden en dat moet verklaard worden. Ons boek is voor mij vooral een specimen van oorlogsliteratuur, het kwaad van gewapend geweld wordt getoond, de verschrikkingen van terreur worden beschreven. Een voorbeeld daarvan wil ik u noemen. Trudy Swenson is hoogleraar Duitse geschiedenis op een Amerikaanse universiteit en helpt op verzoek van een collega mee aan een project waarbij de rol van Duitse vrouwen in de oorlog wordt uitgezocht. Zij gaat daartoe enkele overlevenden van de Holocaust interviewen. Zo is daar Petra Kluge die als inwoonster van München Joodse medeburgers eerst in ruil voor sieraden helpt en hen daarna voor geldelijke beloning aan de Gestapo verraadt. Zo is daar Rose-Grete Fischer die in het bos van Edina haar Joodse vriendinnetje Rebecca neergeschoten ziet worden en zelf een speld in het rechteroog gestoten krijgt die haar blind maakt. Zo is daar Rainer Josef Goldmann die over de hel van de gaskamers vertelt waarin zijn tante Sarah moest neerdalen. Zo is daar Felix Pfeffer die in het concentratiekamp Anna’s minnaar dokter Max Stern uitgemergeld zijn patiënten met influenza ziet behandelen. Pfeffer legt ook aan het eind de puzzelstukjes van Trudy’s verleden bij elkaar, maar moeder Anna volhardt in het zwijgen. Het familieportret gaat tot op het bot, hakt er diep in, komt hard aan, geeft een dreun. De trieste relazen hebben in literaire outfit gestalte gekregen waardoor de ellende ons nog meer intrigeert. Een van de vele verdiensten van Het familieportret is dat achterin veertien leesvragen staan. Aldus kunnen wij bijvoorbeeld de vraag bespreekbaar maken ‘Zie jij de Obersturmführer als een monster of als een mens? Wat zijn zijn zwakke kanten? Tot op welke hoogte is hij een product van zijn tijd? Als de obersturmführer in het hedendaagse Nederland geboren was, wat zou hij nu dan doen?’ Mijn boodschap aan u is klip en klaar: dit navrante boek kunt u niet ongelezen laten! MIJN LIEVE OUDERS In de jaren negentig gingen mijn ouders heen, mijn vader bezweek stilletjes ’s nachts in ziekenhuis Sint Franciscus in Rotterdam en mijn moeder volgde hem na in een coma geraakt te zijn in verpleeghuis Salem te Ridderkerk. Als zoon viel ik in verdriet en heimwee omdat pa en moe ondanks vele vormen van tegenslag het met elkaar konden vinden. Toen wij als gezin, familie en kennissen definitief op kerkhof Oud-Kralingen een saluut brachten, overheerste toch dankbaarheid. De genegenheid die de twee voor elkaar hadden, konden zij verwoorden. Hoe anders bij Raymonds ouders wier portret op de omslag als bruid en bruidegom niet de toon zet. Het blijkt immers al gauw dat beiden het niet in de genen hebben met elkaar naar behoren om te gaan, wat helemaal duidelijk wordt als moeder Thea een dag na de pensionering van vader Leo zich ziek meldt en 22 jaar lang - vooral in tehuizen - in een stilzwijgen leeft. Haar zoon staat erbij, kijkt ernaar, weet niet te reageren. Het gaat niet aan dat ik u een resumé tracht te geven van het door Van den Boogaard – hij is van 1951 – zo wonderlijk mooi gezegde. U doet er goed aan de gedachten aan zijn ouders zelf te incasseren. Wel wil ik aan u kwijt dat ik tussen de regels door zijn bijna nooit geuite liefde en genegenheid voor beide ouders op heterdaad betrapte. Het is soms een kunst de band met de verwanten te verwoorden. Om de transparante beauty van zijn proza te illustreren ga ik hem citeren. ‘Inleiding. Iedereen heeft ouders. En als het goed is, gaan ze dood voordat jij dat bent. Waar je als kind al bang voor was – dat de grote voorbeelden in je leven dood zouden gaan – wordt op dat moment bewaarheid. Een somber vooruitzicht, want de dood is een schandaal en eigenlijk onaanvaardbaar. Zoals Woody Allen heeft gezegd; ouder worden is iets wat ik iedereen moet afraden. Als je ouders eenmaal dood zijn, zoals in mijn geval. Worden ze eigenlijk steeds meer vreemden. De dood objectiveert. Je realiseert je dat ze weliswaar verwanten waren, maar tegelijk mensen uit een andere tijd, met een andere geschiedenis. En bovendien met een geheim: hoe ze geweest zijn in de vele jaren voordat ze jou verwekt en gebaard hadden. Hoewel ze mij als kind nimmer aan mijn lot hebben overgelaten, niet gescheiden zijn en in alle opzichten hun best hebben gedaan, vertoonden mijn beide ouders tegen het einde van hun leven een soort gedrag dar van hen al vreemden maakte nog voordat Magere Hein toesloeg. Zo heb ik dat tenminste gevoeld – misschien uit zelfverdediging, omdat je als kind toch graag compos mentis wilt blijven, ook als je ouders gek gaan doen. Het heeft na hun dood een paar jaar geduurd voordat ik inzag dat hun verhaal van hun laatste jaren een verhaal was dat ik zou kunnen opschrijven – zonder dat het een al te zielige indruk zou maken. Niet omdat ik denk dat het zo bijzonder is dat ik ouders heb gehad die aftakelden en dood zijn gegaan. Die heeft bijna iedereen. Maar niet iedereen is journalist, zoals ik. Journalisten vertellen graag verhalen. Ik denk dat de aftakeling van mijn ouders vormen aannam, die het waard zijn verteld te worden. Het hardnekkig ongeluk van mijn moeder staat, vrees ik, voor de frustraties van veel vrouwen van haar generatie: gevangen in een ideologie, die voorschreef dat ze een gelukkige huisvrouw moesten zijn, maar zonder de mogelijkheden of de opvoeding om dat geluk ook te bereiken. De list van mijn vader was een laatste, wanhopige poging om nog iets van een romantische droom te redden die veel mannen hebben. Misschien heeft iedereen van die verhalen en is het allemaal niets bijzonders. Mensen denken tenslotte ook vaak op twijfelachtige gronden van hun kinderen dat ze heel bijzonder zijn, of desnoods van hun poes of van hun hond. Dus waarom zou je dat niet van je ouders denken? Maar ik waag het erop, in een poging om als een objectiverende verslaggever te grasduinen in mijn eigen familieherinneringen. De namen van mijn ouders komen verder niet voor in dit verhaal, omdat ik ze in mijn gedachten nooit bij hun naam noem. Dat maakt het voor mij wellicht ook makkelijker om hier hun treurige levenseinde bloot te leggen. Ze heetten Leo en Thea.’ De grote verdienste van Mijn lieve ouders voor mij is dat de memoires ons onvermogen illustreren onder woorden te brengen wat Sinatra van Porter overnam: ‘‘Cause I’ve Got You Under My Skin’. Hulde aan Raymond van den Boogaard.
Piet Kapteins Cultuurmix is een persoonlijke rubriek, waarin de auteur zijn mening geeft over zaken die hem in cultureel opzicht bezighouden. Hij verwoordt hierin dus niet de mening van de st. CRP.
CULTUURMIX 30 JANUARI
Voorbije weekend nam ik van een roman alle 461 bladzijden tot mij en ik belandde in een leesavontuur dat zijn weerga niet kent. Zo goed verteld, naar vorm en naar inhoud, waren de belevenissen van een vrouw die op zoek gaat naar het oorlogsverleden van haar familie in Duitsland. Ik heb het over Het familieportret van de Amerikaanse Jenna Blum en uitgeverij De Boekerij, waarvan er in 2011 over de 250.000 exemplaren verkocht werden. Om precies te zijn: 261.559! Op de cover van de bestseller die sinds de eerste editie in 2010 de vierentwintigste druk een jaar later beleefde, vermeldt een sticker: ‘Voor de liefhebbers van Haar naam was Sarah en ’10 euro’. Ik vind die prix d’amis verheugend, temeer daar het naar mijn idee gaat om een meeslepende verhaal dat bol staat van literaire kwaliteiten. Thema, idee, motief, vertelinstantie, fabel, sujet, karakterbeschrijving, ruimte, tijd, open eind, verhaalconventie, ze zijn structureel verwoord. En wel zo fenomenaal dat Het familieportret spannend is, want ik bleef het adembenemende, bloedstollende levensverhaal lezen. En ook u zult in de ban geraken van de zoektocht van hoofdpersonage Trudy Swenson, die op het spoor van het door haar moeder Anna doodgezwegen verleden komt door een foto uit een wollen sok in een la met daarop zijzelf met haar jonge moeder en een SS-officier in uniform voor zijn dienstauto in het Park an der Ilm in de buurt van Weimar.
De 79 bladzijden van het kleinood nam ik in één ruk tot mij en wel omdat het zo literair van gehalte is, omdat het thema ervan mij zo aansprak en omdat het zo schrijnend van aard is. Ik heb het over Mijn lieve ouders van Raymond van den Boogaard en van uitgeverij Prometheus. Van meet af aan vertoefde ik in de ban van het persoonlijke relaas waarvan het motto mij zo raakte en dat komt uit ‘I’ve Got You Under My Skin’, ooit geschreven door componist/zanger Cole Porter. De song werd echter vooral populair door Frank Sinatra The Voice begeleid door het orkest van Nelson Riddle. Ik geef aan u door: ‘I'd sacrifice anything come what might for the sake of havin’ you near In spite of a warnin’ voice that comes in the night and repeats, repeats in my ear: Don't you know little fool, you never can win? Use your mentality, wake up to reality. But each time that I do just the thought of you makes me stop before I begin 'Cause I've got you under my skin’. De laatste versregel vertaal ik vrij met ‘er is geen dag dat ik niet van je droom’ en met een link naar de titel startte ik het lezen van Mijn lieve ouders met de idee dat de herinneringen aan de vader en moeder van de hand van Van den Boogaard doorregen zouden zijn met vleugen van liefde. Dat de auteur mij op het verkeerde been had gezet werd mij manifest toen ik uit zijn tien hoofdstukken distilleerde dat hij het vermogen miste zijn liefde van kind op de juiste momenten te uiten.


