| CULTUURMIX 24 JANUARI |
| |
|
SŰSKIND - DE FILM
Die januarivrijdag togen wij naar de door ons zo beminde bioscoop Pathé De Kuip om een al wekenlang spraakmakende film te beleven. Zo geschiedde het dat wij 120 minuten beelden van de Holocaust of Shoah voorbij zagen komen, die lang op ons netvlies zullen blijven. Ik heb het over het oorlogsdrama Süskind van regisseur Rudolf van den Berg met in de hoofdrollen Jeroen Spitzenberger en Nyncke Beekhuyzen, die het Joodse echtpaar Walter en Hanna Süskind vertolken. Om de titel van dit historische relaas te plaatsen: het gaat om het levensverhaal van een zakenman die een dubbele nationaliteit heeft: zijn grootvader is geboren in Denekamp in Overijssel en zelf zag hij het leven in 1906 in het Duitse Lüdenscheid. Süskind overlijdt eind februari 1945 ergens in Midden- Europa op een dodenmars vluchtend voor de Russische troepen. Hij is uit het kamp Auschwitz gehaald waar zijn vrouw en dochter bij aankomst vermoord zijn. Süskind is ten dode opgeschreven want de SS’ers schieten iedereen dood die zich niet staande kan houden of te ver achterloopt. Een paar weken daarvoor heeft ene Clare Ebrecht, die hem nog uit Amsterdam kent, Walter achter zich zien lopen. Ik citeer ‘Hij was mager, droeg geen jas, zijn hoofd kaalgeschoren, zijn voeten zonder sokken in klompen toen hij achter haar (Clare) aan hobbelde.’
Van de eveneens Joodse Grete Weil las ik over collega Walter Süskind in de Joodse Raad:
’s Nachts, als er niemand meer binnengebracht wordt, zitten wij van de Joodse Raad bij elkaar in Süskinds kamer en bespreken wie we eruit zouden kunnen smokkelen, Ieder van ons heeft wensen: familie, vrienden, kennissen, beschermelingen die men pas net heeft leren kennen; ja, dat is mogelijk, nee, dat gaat niet, te oud, te onbetrouwbaar, te prominent, al te veel opgevallen, te onhandig, na drie dagen is hij toch weer terug, dat heeft geen zin. Süskind, klein, robuust, met blond stoppelhaar en grote blauwe ogen, sluw als Odyseus en strijdvaardig als Achilles. Süskind, de held, de redder, de gokker, zegt ja, zegt nee, selecteert, neemt beslissingen over leven en dood. Hij draagt de verantwoordelijkheid, voert de Duitsers dronken, vervalst lijsten, kent alle trucs, bedenkt nieuwe, weet in welke nachten iets mogelijk is, slaagt altijd en wordt ten slotte toch met vrouw en kind in Auschwitz vermoord.’ Tot zover Weil.
Deze directe beschrijving is dus van een Duitse auteur die in ons land op de vlucht voor de nazi’s na verblijf in de Joodse Raad met succes onderduikt en in ‘Tramhalte Beethovenstraat’ verslag doet over haar Hollandse periode. Haar verhaal staat in de biografie Walter Süskind van Mark Schellekens waarover ik het straks met u wil hebben. Nu wil ik u de context vertellen van de film en laat mij daarbij leiden door Rob Gollin, die recent het artikel Allemansvriend schreef.
Walter Süskind is een Duitse Jood die in 1938 als gewezen directeur bij Unileverdochter Bölck met zijn vrouw Hanna uitgeweken is naar Nederland. Als medewerker van de Joodse Raad werd hij aangesteld als hoofd van de Hollandse Schouwburg in Amsterdam die de overvolle en chaotische verzamelplaats vormde voor de deportatie naar Westerbork. Zo op het oog was hij vriend met iedereen, inclusief SS’er Ferdinand aus der Fünten, die leiding gaf aan de vervolging der Joden. Hij sloeg hem op de schouder en sloeg samen met hem borrels achterover. Maar intussen zette hij, soms letterlijk, de deur open voor Joden die zo de benen konden nemen, en paste de cartotheek aan om hun verdwijning te maskeren door persoonsgegevens van overledenen of gedeporteerden in te voeren. Een compleet beeld van de held Süskind bestaat echter nog altijd niet. Veel archiefmateriaal is verloren gegaan, getuigen zijn overleden en Süskind zweeg over zijn rol. Je kon beter niet teveel weten van elkaar. Het gevolg was dan ook dat de schouwburgbeheerder bij velen lang te boek heeft gestaan als een vuile verrader; bij sommigen nog steeds. De Joden zagen iemand die amicaal omging met de bewakers, die Duits sprak, die blijkbaar zelf niet met zijn gezin op transport naar het oosten hoefde. Bovendien: het gros heeft het niet gered. Van de tachtigduizend Joden in de schouwburg zijn naar schatting een paar duizend volwassenen en kinderen ontkomen. Via de brandgangen aan weerszijden van het gebouw of gewoon via de ingang, waarbij anderen het zicht van de niet altijd even alerte bewakers versperden. Het kwam ook voor dat die tegen betaling de andere kant opkeken. De kinderen werden uit de crèche tegenover het gebouw gehaald, soms verstopt in jutezakken. Hij heeft natuurlijk ook veel nee gezegd tegen Joden die vroegen of hij iets voor hen kon doen. Dus doken na de oorlog verhalen op dat hij door medegevangenen vermoord zou zijn.
In de Volkskrant blik ik naar de foto van het politierapport van 23 september 1943 waarop de de arrestatie van Süskind. In een kolom achter zijn naam ‘metaalarbeider’ want hij hoopte na arrest meer uitzicht te hebben via handwerk. Het liep echter helemaal anders. Hoe hij toch in de satanische val van de nazi’s liep, laat de film onverbloemd zien. Vandaar dat recensent Ab Zagt zijn reactie verwoordde onder het kopje ‘Overvallen door eigen moed’. Süskind moet u zien!
WALTER SŰSKIND – HET BOEK
Om zo gesteld mogelijk te zijn voor de aangrijpende, beklemmende film Süskind nam ik vooraf de 271 bladzijden tellende biografie door van de zogenaamde Nederlandse Oscar Schindler, zoals die onlangs het licht zag. Ik heb het over Walter Süskind van Mark Schellekens en uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep met de ondertitels ‘Hoe een zakenman honderden Joodse kinderen uit handen van de nazi’s redde’ en ‘Het echte verhaal van de film’. En juist om dat ‘echte’ uit de subtitel gaat het mij. De vraag is immers wat Wahrheit is en wat Dichting is, of biografie en film met elkaar sporen, of beter: hebben schrijver Schellekens en regisseur Van den Berg de historische feiten met elkaar gemeen? Hoe echt is dus de film? Natuurlijk heeft de filmmaker de ingrediënten van de waarheid naar zijn hand gezet, zo de vaak amicale vertrouwensrelatie tussen Hauptsturmführer Aus der Fünten en schouwburgdirecteur Süskind. Maar in grosso modo schuren boek en film langs elkaar heen. Een volgende keer wil ik u dat adstrueren. Nu geef ik het woord aan historicus Mark Schellekens die in het kader van de rubriek in dagblad Trouw ‘Vandaar dit boek’ van Meindert van der Kaaij zijn geloofsbrief afgaf. Onder het kopje 'Süskind is voor mij een grote held’ zet hij voorbije zaterdag meteen de toon voor zijn verhaal over de Joodse man die ons deelgenoot maakt van radeloosheid en reddeloosheid.
‘In 1992 begon Hans Blom, toen nog directeur van het Niod, tijdens een gesprek over mijn afstudeerscriptie over een verzoek uit de Verenigde Staten om een onderzoek naar het leven van Walter Süskind. Mijn voorstellen voor een scriptie liet ik graag vallen voor dit onderwerp. Blom waarschuwde nog voor het gebrek aan archiefmateriaal, maar mijn nieuwsgierigheid naar deze man was gewekt. Süskind was voor de oorlog een succesvol zakenman en directeur bij Bölck, een dochterbedrijf van Unilever in Duitsland. Zijn ontslag vanwege zijn Joods- zijn bij Bölck dwong hem naar Nederland uit te wijken. Dat was mogelijk omdat hij ook de Nederlandse nationaliteit had. Tijdens de oorlog werd hij lid van de Joodse Raad en directeur van de Hollandsche Schouwburg, de plaats in Amsterdam waar de Duitsers Joden bijeenbrachten voordat zij op transport naar Westerbork werden gezet. Daar zat hij in een duivels dilemma. Aan de ene kant hielp hij zo de nazi’s bij de Jodenvervolging, aan de andere kant gaf hij gearresteerde Joden de kans om te ontsnappen. Precies weten we het niet, maar na schatting heeft hij duizend kinderen en tweeduizend volwassenen geholpen. Maar een klein deel overleefde de oorlog. Veel mensen die ontsnapten werden snel weer opgepakt. Enkelen kwamen wel drie keer in de Schouwburg terecht.
De zaak kwam in 1990 aan het rollen toen ‘The Boston Globe’ een artikel over de heldendaden van Süskind publiceerde. Een journalist was ervoor naar Nederland gekomen en had wat mensen gesproken, maar het stuk riep toch veel vragen op. Vandaar dat verzoek uit de VS. Ik heb tien of twaalf mensen gesproken onder wie de stiefbroer, Van hem kreeg ik kopieën van brieven die Walter naar hem had gestuurd. Na het afstuderen liet het onderwerp me niet los; er waren nog heel veel losse draden en onbeantwoorde vragen. Ik wilde preciezer weten hoe het er in de Hollandsche Schouwburg aan toe was gegaan. Hoe zag die groep rond hem eruit? Hoe slaagden ze erin de Duitse autoriteiten te misleiden? Een ontdekking was dat Alfons Zündler, een bewaker die met de verzetsgroep meewerkte, nog leefde: hij woonde in München. Deze meneer kon mij veel vertellen over hoe zij mensen redden, hoe gevaarlijk het was en hoe de bewaking in de Schouwburg geregeld was. Lange tijd was de tijd niet rijp voor publicatie van het boek. Dat bleek bijvoorbeeld toen in de Joodse gemeenschap heftige discussies ontstonden over de onderscheiding die Zündler voor zijn hulp zou krijgen. Maar ook vond ik telkens weer wat nieuws. Je hoopt het ultieme boek over zo’n man te schrijven. Aan dat uitstellen kwam een eind toen ik tijdens het googelen over dit onderwerp, zag dat over het leven van Süskind een speelfilm zou worden gemaakt. Ik nam contact op met de producers die mijn scriptie goed kenden. Het is een mooie film geworden, maar wel een speelfilm, en geen documentaire. Ik wilde mijn boek ongeveer tegelijkertijd met de film uitbrengen, en dus moest ik er hard aan trekken, maar het ie gelukt. Het was moeilijk om voor dit onderwerp betrouwbare bronnen te vinden. Er staat weinig op papier. De ontsnappingen uit de Hollandsche Schouwburg werden natuurlijk niet geregistreerd. Ik had veel aan de interviews met mensen die Süskind hebben gekend. Bijzonder daarbij waren de gesprekken met Sam de Hond, de vader van Maurice. Hij speelde niet alleen een belangrijke rol in de groep rond Süskind, maar beschikt ook over een fabelachtig geheugen. Hij kon honderduit vertellen en de details in zijn verhaal die ik in archieven kon controleren, bleken vaak precies te kloppen. Ik heb Süskind zo objectief mogelijk proberen te beschrijven, maar ik moet toegeven dat ik hem een grote held vind. Hij wist dat hij en zijn gezin grote risico’s liepen, omdat hij zoveel mensen heeft geholpen. De kans dat iemand hem zou verraden was groot. Hij is in Auschwitz beland en toen de Russen in aantocht waren, daaruit geëvacueerd. Ergens in Midden- Europa is hij rond 28 februari 1945 overleden.’
|
|
| CULTUURMIX 16 JANUARI |
| |
| 50 JAAR HET AANZIEN VAN
Op een van de schappen van mijn boekenkast staan ruggelings tegen elkaar enkele delen van de serie Het aanzien van … en tot voor een paar dagen betreurde ik het dat ik tekort geschoten ben in het jaarlijks ophalen van een aanvullende nieuwe editie. Ik bemin immers contemporaine geschiedenis en heel wat happenings daaruit staan dan ook op mijn netvlies geprikt, zijn in mijn gemoed gezonken en blijven in mijn geheugen gegrift. Maar dat gaat uiteraard niet voor alle items op! Daarin voorziet nu tot mijn grote genoegdoening uitgeverij Spectrum die zich al jaar en dag ook onderscheidt door het op de markt brengen van historische werken die er echt toe doen. Zo bezorgde de postman mij eind vorige week het 128 bladzijden tellende jubileumboek 50 jaar het aanzien van waarin keurig op een rij alle vanaf 1962 tot 2011 edities staan. Waar ik faalde, slaagde Spectrum grandioos, want in vogelvlucht kan ik nu alle vijftig kijk- en leesalbums tot mij nemen.
De vijftig spreads van de halve eeuw recente historie kennen vier vaste elementen: de cover van het relevante jaarboek, de World Press Photo van het jaar, een kader met de belangrijkste gebeurtenissen en een langer artikel waarbij kunst, sport en televisie met achttien features erg goed vertegenwoordigd zijn. Heel knap van de redacteuren van Spectrum is het dat aldus in kort bestek het aanzien van die vijftig ons voor de geest laat komen; en dan voor de spotprijs van tien euro! Samensteller Hans van Bree stelt in ‘Woord vooraf’ de vraag in wat voor een wereld wij leven. In 1962 waren er geen mobiele telefoons of iPads, hadden we geen plasma- schermen, was het DNA nog een goed bewaard geheim, waren zelf reinigende ramen ondenkbaar, zaten de meeste homo’s nog in de kast, stonden de meeste vrouwen achter het aanrecht en was de rooms-katholieke kerk nog niet bezoedeld door seksuele schandalen, Juliana en Boudewijn regeerden over de Lage Landen. In Zuid-Afrika bestond het apartheidsregime nog en dwars door Europa hing het IJzeren Gordijn, met de pas opgetrokken Muur in Berlijn als navrant symbool. Er is veel veranderd sinds 1962, heel veel. Maar er is ook veel gebleven – soms in een nieuw jasje: zo werd de rolschaats opgevolgd door de skeeler, kreeg de traditionele jojo een meer flitsend uiterlijk en een meer flitsende naam, yoyo, en maakten (dankzij Albert Heijn) de voetbalplaatjes een comeback. Wat ook bleef, is de eeuwenoude verzuchting: ‘in wat voor wereld leven wij?’ Op die vraag probeert de Aanzien- reeks al sinds 1962 een antwoord te geven in woord en beeld. De serie begon in feite al in 1960 toen initiatiefnemer W. Lucas zei: ‘Laten we een soort fotoalbum maken van de jaren waarin wij leven. Elk jaar opnieuw een boek met eerlijke verslaggeving van alles wat er is gebeurd. De mensen zullen zich hun leven willen herinneren en bladeren in hun eigen historie.’ Vandaar dat die eerste uitgave de titel droeg van De lens op de mens met als ondertitel ‘Unieke fotoreportage van twaalf maanden wereldnieuws’. Maar titels en concept bleken niet ideaal, wellicht door de zwart-wit foto’s met de korte bijschriften en de loop van oktober 1960 tot augustus 1961. Vanaf 1962 wordt het een echt jaarboek dat begint in januari en eindigt in december. Zo was daar de eerste echte editie van Het aanzien van een jaar, die nu haar jaardag viert.
Het eerste nummer draagt op de cover de beeltenis van de sjah van Perzië en zijn echtgenote Farah Diba. Waarom dit niet echt vrolijk kijkend keizerlijk paar de omslag moest sieren, is volstrekt onduidelijk of het zou moeten zijn omdat hun zoon eind 1962 zijn tweede jaardag vierde. Verder zien wij op de eerste spread een artikel over de moeder aller inzamelingsacties op televisie Mies Bouwman die binnen 23 uur tijdens een marathonuitzending 21 miljoen gulden vergaarde. Daar is ook ‘Gebeurtenissen’ en om u bij te praten geef ik de data: *Algerije onafhankelijk * John Glenn eerste Amerikaanse ruimtevaarder * televisiesatelliet Telstar gelanceerd * Mammoetwet voor middelbaar onderwijs aangenomen * Perzië getroffen door een zware aardbeving * paus Johannes XXIII opent Tweede Vaticaanse Concilie * Cubacrisis dreigt uit te lopen op wereldoorlog * overlijden Adolf Eichman (56), Marilyn Monroe (36), Eleanor Roosevelt (78), prinses Wilhelmina (82). Het kwartet vaste items wordt gecompleteerd door kader ‘World Press Photo’ met bijschrift: ‘Priester Luis Padilo ondersteunt op 4 juni 1962 in Puerto Caballo eem stervende soldaat tijdens een militaire opstand tegen president Rómulo Bétancourt van Venezuela’ En zo kom ik op een facet van 50 jaar het aanzien van, die van mondiaal onderscheiden foto’s vijftig maal in beeld en woord. Van monnik die zichzelf in brand stak tot meisje dat door schoonfamilie verminkt werd. U en ik kunnen ons dus lang vermeien met dit album waarin als extra vier interviews zijn opgenomen waarvan de titels zijn: ‘Leuk mag, maar het moet toch vooral journalistiek zijn’ (met Joop van Zijl), ‘Johannes Paulus II was een zegen voor de kerk (Antoine Bodar), ‘Ik probeerde de randen op te zoeken van wat ik kan’ (Lenny Kuhr) en ‘Er is veel bereikt, maar vaak anders dan voorzien’ (Robbert Dijkgraaf). Ik raak voorlopig echt niet uitgelezen en uitgekeken!
EROS IN DE KUNST
Vele uren heb ik er al in verwijld om al het moois te aanschouwen dat tekst en beeld verspreid over 391 bladzijden mij aanreiken. Ronduit gezegd: ik zal in dit naar vorm en inhoud voluit artistieke werk voorlopig niet uitgekeken raken. Ik heb het over het tintelende kijk- en leesalbum Eros in de kunst van de maestro Flavio Febbraro die zijn bij uitgeverij Ludion onlangs verschenen beauty de uitnodigende, intrigerende ondertitel meegaf van ‘De kunst van het kijken’. In de Griekse mythologie is Eros de god van de liefde en het schoonheidsverlangen en de drijvende kracht achter aantrekking en binding, blinde passie voor iets of iemand, en voortplanting in de natuur. In ons elegante Eros in de kunst worden al deze schakeringen van Cupido en Amor, de Romeinse naamgenoten, in frank en vrij gepresenteerd en dat over duizenden jaren beeldende kunst. Zo van de kalkstenen Venus van Willendorf tot de porseleinen Pink Panther. Dus van meer dan 20.000 voor Christus als het specimen van prehistorische venussen met weelderige vormen tot eind vorige eeuw toen Jeff Koons zijn sculptuur vervaardigde waarbij die zich liet inspireren door het surreële personage Pink Panther van de film uit 1963 en door de actrice en seksbom Jayne Mansfield die de dood vond bij een tragisch verkeersongeval in 1965. Tussen beide typerende kunstuitingen liggen kunstwerken die ook een loflied willen aanheffen op Eros.
Eind vorig jaar hadden wij het met elkaar over de aansprekende verzameling aangelegd door Elsbeth Etty De Nederlandse erotische literatuur in 80 en enige verhalen. In de inleiding zegt Etty dat voor het schrijven van erotica talent, goede smaak, intelligentie, humor, net zo essentieel zijn als voor alle andere literaire werken. Goede erotica is per definitie goede literatuur. Ook een eroticum kan het niet stellen zonder metaforiek, fantasie, dialoog en psychologisch inzicht. Wat voor literatuur geldt, gaat ook op voor schilderijen, tekeningen en sculpturen van bekende kunstenaars als Titiaan, Rodin, Picasso en Warhol, maar ook van minder bekende oude Grieken, Romeinen, middeleeuwse kunstenaars en meesters uit India en het Verre Oosten. Zij allen lieten bij het creëren van kunstwerken zich inspireren door het thema van de erotiek, dus de seksualiteit en de aantrekkingskracht tussen de seksen. Zij schuwden daarbij de kitsch van pornografie.
Een van de verdiensten van Febbraro is dat hij zijn voor iedereen toegankelijke beschrijving van elk afgebeeld kunstwerk immer combineert met kaders over herkomst, betekenis en historische achtergrond en met detailopname. Over dat laatste facet wil ik het nu verder met u hebben en mijn voorbeelden vormen daarbij drie schilderijen die door Febbraro tot hogere heerlijkheid verheven zijn onder de kopjes van ‘Een sensuele rilling’, ‘Geslaagde onderhandelingen’ en ‘Burgerlijk interieur’. In 1654 vervaardigde Rembrandt van Rijn het olieverf op paneel ‘Jonge vrouw badend in een beek’ waarop de schilder waarschijnlijk zijn levensgezellin Hendrickje Stoffels afbeeldde. Naast de explicatie over het hele schilderij ruimt Febbraro tekst en beeld in voor twee details onder de subtitels ‘Onvoltooid?’ en ‘Narcisme’. Hij suggereert dat Rembrandt zich heeft laten leiden door het motief van clair-obscur en door dat van de interesses in eigen vormen van een mooie jonge vrouw. Bij de introductie van het olieverf op doek ‘De koppelaarster’ van Johannes Vermeer uit 1656 oppert Febbraro onder de kopjes ‘Zelfportret’, ‘Handen’ en ‘Psychologische nuances’ de opties dat de details een zelfportret, een financiële afhandeling en een complexe mix van zedige schaamte van de jonge vrouw en een gluiperige grijns van haar klant suggereren. Bij het olieverf op doek eind jaren zestig ‘De liefdesbrief’ van Vermeer doet Febbraro ook drie suggesties aan de hand. Onder de noemers van ‘Instrumenten van de liefde’, ‘Schilderijen’ en ‘Prozaïsche details’ wijst hij op de luit die de liefde symboliseert, op twee schilderijen aan de wand en op de presentie van pantoffels, bezem en wasmand die het verglijden van de dagen markeren. Het accent leggen op details doet Febbraro zijn hele album door waardoor wij de kunst van het kijken leren. Zo bij het fresco dat de cover van Eros in de kunst siert: ‘De Villa der Mysteriën’, dat in Pompeji is opgegraven.
Een wandeling door dit krachtige kunstboek kan ik u zeer aanbevelen en wellicht treffen wij elkaar onderweg. Bijvoorbeeld voor de schilderijen ‘Ophelia’ van John Everett Millais, ‘Le Déjeuner sur l’herbe’ van Edouard Manet, ‘Lilith’ van Dante Gabriel Rossetti, ‘De verschijning’ van Gustave Moreau, ‘De grote baadsters’ van Pierre-Auguste Renoir of ‘De kus’ van Henri de Toulouse-Lautrec. Steeds zullen wij elkaar wijzen op het verbeelden van de liefde in de kunst.
|
| |
| CULTUURMIX 9 JANUARI |
| |
| WAAROM GOEDE MENSEN SOMS DE VERKEERDE DINGEN DOEN
Het 240 bladzijden tellende boek beleefde in een luttel aantal maanden een derde druk, want zo fascinerend, toegankelijk, oorspronkelijk, verrassend, waarschuwend, verdiepend, praktisch is het bij Business Contact verschenen werk, dat niet alleen signaleert, diagnosticeert maar ook bestrijdt, geneest. Ik heb het over Waarom goede mensen soms de verkeerde dingen doen van onze Sliedrechtse streekgenoot Muel Kaptein met ondertitel ’52 bespiegelingen over ethiek op het werk’. Kaptein is al een paar decennia actief op het gebied van de bedrijfsethiek. Zo is hij hoogleraar Bedrijfskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en partner en organisatieadviseur bij adviesbureau KPMG in Amstelveen. Al doende en lerende op werkvloeren struikelde hij bijkans over incidenten die te vatten zijn onder de noemer van ‘onethisch gedrag’. Hij traceerde echter niet alleen ongeregeldheden, maar zocht ook naar opties ter voorkoming van ongepaste attitudes.
Ik wil met u de komende weken een verkennende tocht maken door het gewrocht van Kaptein, dat zich sowieso onderscheidt doordat het ontstaan is in de context van het dagelijkse doen en laten. Kapteins verhaal deed mij denken aan de slogan die Johann Wolfgang von Goethe de duivel Mefistofeles in tragedie Faust laat doen: ‘Grau, teurer Freund, is alle Theorie, und grün des Lebens goldner Baum’. Satanisch mag de spreker van nature zijn, hij slaat wel de spijker op de kop. Om u de aanpak van Muel Kaptein te schetsen, beperk ik mij in deze aflevering tot het aan u doorgeven van wat hot items uit diens chapiter die de titel draagt van ‘Introductie: DSB en tjellen’. Kaptein stelt daar de vragen: Waarom gaan zelfs oprechte en gewetensvolle medewerkers de mist in? Waardoor ontsporen ook integere en intelligente bestuurders? Wat zorgt ervoor dat welwillende organisaties hun klanten, werknemers en aandeelhouders om de tuin leiden? Deze vragen naar de kronkels van goed en kwaad op het werk zijn volgens de scribent intrigerend, beangstigend en actueler dan ooit. Nadat hij deze constateringen aan de man gebracht en onderbouwd heeft, verwoordt hij zeven factoren die relevant zijn als het erom gaat onethisch gedrag op het werk te voorkomen of in ieder geval te minimaliseren. Want, met een knipoog naar de titel: goede mensen zijn zij die echt wel weten wat het verschil tussen goed en kwaad is.
Ik citeer Muel Kaptein als hij zijn factoren op een rij zet. ‘1. De helderheid voor bestuurders, managers en medewerkers over wat gewenst en ongewenst gedrag is: naarmate het duidelijker is wat er wordt verwacht, weten mensen beter wat zij moeten doen en doen zij eerder wat er van hen wordt verwacht. 2. Het voorbeeldgedrag binnen de organisatie van bijvoorbeeld het bestuur, het management en de direct leidinggevende: naarmate in een organisatie beter voorbeeld wordt gegeven gedragen mensen zich beter, terwijl naarmate in een organisatie slechter voorbeeld wordt gegeven ze zich slechter gedragen. 3. De uitvoerbaarheid van de gestelde doelen, taken en verantwoordelijkheden: naarmate mensen van de organisatie meer middelen en tijd krijgen, zijn zij beter in staat om te doen wat van hen wordt verwacht. 4. De betrokkenheid van bestuurders, managers en medewerkers bij de organisatie: naarmate de organisatie haar mensen met meer respect bejegent en betrekt bij de organisatie, zullen deze mensen zich meer inzetten voor de belangen van de organisatie. 5. De transparantie van het gedrag: naarmate mensen beter zicht hebben op het eigen en andermans gedrag, en op de effecten daarvan, houden zij hier in hun gedrag meer rekening mee en zijn zij beter in staat hun gedrag (bij) te sturen en te doen wat anderen verwachten. 6. De bespreekbaarheid van standpunten, gevoelens, dilemma’s en overtredingen: naarmate mensen binnen de organisatie meer ruimte krijgen om over morele zaken te spreken, doen zij dat ook en leren zij meer van elkaar. 7. De handhaving van gedrag, zoals de waardering of zelfs beloningen voor gewenst gedrag, de sanctionering van ongewenst gedrag en de mate waarin er wordt geleerd van (bijna-) fouten, incidenten en ongelukken: naarmate de handhaving beter is, doen mensen meer wat wordt beloond en minder wat wordt bestraft.’
Mooi gezegd, maar hoe die te realiseren? Onder de kopjes ‘Morele doof-, stom- en blindheid’ en ‘Tjellen’ geeft Kaptein een handreiking daartoe. In veel organisaties dreigt het gevaar van morele blindheid: men weet of vermoedt wel ongeregeldheden, maar men kijkt liever de andere kant op. Ook is daar morele doofheid: kritiek en suggesties worden louter gebagatelliseerd of zomaar terzijde geschoven. Bij morele stomheid wordt de mond gewoon niet open gedaan, men houdt kritiek voor zich, trekt niet aan de bel. Gevolg van deze zogenoemde DSB is dat waarden en normen verwateren en principes worden genegeerd. Mensen corrigeren elkaar niet, waardoor het goede plaatsmaakt voor het kwade. Zij hebben weet van het juiste maar doen het verkeerde. De remedie hiertegen is het door Kaptein geïntroduceerde begrip van ‘tjellen’, een werkwoord dat hij ontleende aan de Engelse term ‘to challence’: het gericht en structureel bespreekbaar maken van zaken die er echt toe doen. De remedie tegen DSB!
IN BED MET EEN DICTATOR
Maar liefst 400 bladzijden vult de bijna dertig lentes tellende Franse historica, schrijfster en journaliste aan het liefdesleven van acht despoten die in de vorige eeuw de lakens uitdeelden. Ik heb het over haar boek In bed met een dictator van Diane Ducret en uitgeverij De Bezige Bij, dat de ondertitel draagt van ‘De vrouwen van Hitler Mussolini Mao Lenin Stalin Salazar Bokassa & Ceausescu’ en op de cover staat intrigerend ‘Onthullend portret van de vrouwen achter foute mannen’. Ik haast mij te zeggen dat de inmiddels geworden bestseller van Diane Ducret geen chronique scandaleuse, geen schandaalgeschiedenis in de betekenis van intiem erotisch of - nog kwalijker - louter pornografisch relaas is . Als echtgenote, maîtresse, of muze deelden de vrouwen Nadja, Clara, Kato, Magda, Felismina, Jiang Qing, Elena, Catherine elkaars lot. Zij bedreven de liefde onder de dekens met wrede en gewelddadige tirannen maar hoe, dat wordt aan onze fantasie overgelaten. Met andere woorden: Ducret doet wel uit de doeken hoe het zover kwam dat dictators bezweken, of beter: zich overgaven aan liefdesperikelen, maar zij houdt halt en front voor de echtelijke of buitenechtelijke sponde. Zij wil na grondig onderzoek naar de intieme levensverhalen van de door haar uitgekozen acht tirannen ons toevertrouwen dat de meeste despoten meer vrouwen erop nahielden dan degenen die op de officiële gelegenheden naast hen mochten staan. Doorgaans namen de publieke machthebbers het initiatief tot een hartstochtelijk contact met een frivole representant van de andere kunne, maar ook de lieftallige dames in spé trokken bij tijd en wijle de stoute schoenen aan. Ducret start dan ook haar aimabele maar vooral amoureuze rapportages met het hoofdstuk getiteld ‘Liefdesbrieven aan een dictator’. Adolf Hitler en Benito Mussolini zijn daarin de politieke leiders die uit heel het rijk enthousiaste zinnen van aanbidders krijgen. Zo ontvangt Hitler in 1941 uit Bad Kreuznach een vurige brief die eindigt met ‘Ik druk je nu stevig aan mijn hart en vraag je, trouwe liefste, Adolf Hitler, mijn innigste, hartelijkste groeten te aanvaarden. Je Jose en haar jongens.’ Zo krijgt Mussolini in 1923 vanuit Rome de slotzinnen: ‘Ik heb al een heel album vol met uitgeknipte krantenfoto’s van u. Maar een foto die door u gesigneerd is, zal een leegte opvullen die papa drie jaar geleden in ons huis heeft achtergelaten. Ersilia R.’
Een van de verdiensten van deze zeer toegankelijk geschreven, heel onderhoudende en echt onthullende rapportages is, dat ze de despoten vanuit een verassend ander perspectief laten zien: dat vanuit een vaak stilletjes gekoesterde en in het geheim gepraktiseerde seksuele relatie. De acht titels van Diane Ducret suggereren dit, zoals doen ‘Antonio Salazar, verboden spelletjes van een seminarist’, ‘Mao, een tijger die dames verslindt’ en ‘Bokassa, kronieken uit het pikante Bangui’. Maar veel tirannen verbloemden hun liefdesleven niet, zij vertoonden zich graag en vaak aan de zijde van een vrouw om hun vitaliteit en viriliteit te showen. Vandaar de titels ‘Benito Mussolini, la Duce Vita’, ‘Elena Ceausescu, luxe, kalmte en Securitate’, ‘A Führer Called Desire’ en ‘Stalin, liefde, roem en datsja’s’. Ook is in deze tekenend het beeld op de omslag; een zwart-wit foto van danseressen die jurken dragen waarop karikaturen van Hitler, Mussolini en Hirohito staan.
Het gaat niet aan dat ik alle geliefden en beminden van het achttal dictators de revue laat passeren. Ik zeg u wel wie de minnaressen waren van Hitler, die in het laatste chapiter het podium mag beklimmen. Onder de vier subtitels ‘De leerschool der liefde’, ‘Zelfmoorden bij de vleet’, ‘Eva, wachtend op Adolf’ en ‘Magda, first lady’ presenteren zij zich. Daar zijn in chronologische volgorde Stefanie Isak, Helen Bechstein, Winifred Williams, Maria Reiter, Geli Raubal. Ook Eva Braun die door haar minnaar ‘mijn gansje’ genoemd werd en Magda Goebbels, vrouw van de propaganda minister, die net als Eva in een zelfverkozen dood Hitler volgt. Ook in deze affaire is tragiek present. Zo is het slot van ‘A Führer Called Desire’ heel typerend: ‘Eindelijk loopt ze naar het bureau van haar man, Joseph en Magda staan tegenover elkaar in het midden van de kamer, Voordat hij het wapen op zichzelf richt, schiet hij haar neer, met een kogel recht in haar hart. Vanwege een man is ze tot op het eind trouw gebleven aan de belofte die ze vijftien jaar voordien heeft afgelegd, Bij Hitler blijven, in goede en kwade dagen. ‘Ik houd ook van mijn man, maar mijn liefde voor Hitler is sterker. Voor hem zou ik kunnen sterven. Ik heb begrepen dat Hitler, behalve zijn nicht Geli, geen vrouw meer kon beminnen. Dat zijn enige liefde, zoals hij altijd zegt, Duitsland was. Toen, en alleen toen, heb ik aanvaard om met Goebbels te trouwen. Voortaan zal ik altijd bij de Führer zijn.’ En zo geschiedde.’
Hitler maakte er een eind aan op 30 april 1945. De dag daarop verzamelde Magda in de Berlijnse bunker haar zes kinderen, kleedde hen in het wit, liet hun een slaapmiddel injecteren en brak in de mond van elk kind een blauwzuurcapsule, gif dat onmiddellijk werkte. Schrijnend is dan ook het motto van ‘A Führer Called Desire: ‘In de politiek heb je de steun van de vrouwen nodig; de mannen volgen je sowieso.’
|
| |
| CULTUURMIX 3 JANUARI |
| |
|
Jodendom
Die morgen van donderdag 15 december zou ik mij voegen bij de bezoekers van de persconferentie in de sacrale ruimte die mij zo lief is: De Nieuwe Kerk aan Dam in Amsterdam. Wij zouden aldaar gezamenlijk beleven de start van een bij voorbaat spraakmakende, opzienbarende, meeslepende en tintelende tentoonstelling. Het ging om Jodendom met de ondertitel ‘Een wereld vol verhalen’, die ons de winter wondermooi zou doorhelpen, want ze zou immers tot en met 15 april lopen. Willem Elsschot zegt het in zijn gedicht ‘Het huwelijk’ dat tussen droom en daad wetten in de weg staan en praktische bezwaren. Ik weet dat ik die verzen uit hun verband ruk - want het gaat poëtisch immers om een man die zijn echtgenote wil doodslaan - en interpreteer ze derhalve op mijn eigen manier: huiselijke beslommeringen verhinderden mij de weg naar de city aan de Amstel op te gaan.
De press-dames Verhoeff en Van Niftrik waren echter zo sympathiek mij de begeleidende publicatie toe te sturen. En ik zeg het maar meteen: de voorbije kerstdagen heb ik met vreugde de 212 bladzijden van dat oogstrelende en onderhoudende kleinood met titel Jodendom van de hand van Edward van Voolen en ondertitel ‘Een boek vol verhalen’ tot mij genomen. Op de cover ervan staat ‘Portret van een joodse jongen’ dat ca. 1900 door Isidor Kaufmann geschilderd is en dat zet meteen de toon, want deze denkbeeldige representant van het Jodendom heeft quasi veel aan ons te verhalen, van a tot z. Over de items Amulet, Antisemitisme, Asjkenaziem, Bar/Bar mitswa, Besnijdenis, Bijbelse helden en Boek tot Vragen, Vreugde der Wet, Vrouwen, Westmuur, Wijn, Zegen en Zionisme. Totaal honderd maal passeren intrigerende Joodse items alfabetisch de revue, via tintelende transparante woorden en begeleidende kleurrijke beelden. Om u van het door Edward van Voolen gezegde een impressie te geven, ga ik uit Jodendom citeren en wel de hoofdstukken ‘Orthodoxie’ en ‘Westmuur’. Een paar weken terug vierden onze zoon Time en zijn vriendin Bonnie in de badplaats Eilat het heuglijke feit dat na twee jaar in lijdzaamheid wachten hun flatwoning verkocht werd. In de week ‘Israël aan zee’ trokken zij twee dagen uit om na een busreis Jeruzalem te betreden . Zij kwamen weerom met ook verhalen over de orthodoxe Joodse mannen bij de Klaagmuur. Ik geef u nu integraal twee teksten door die de achtergrond van het door onze kinderen geziene in de Heilige Stad bevatten.
‘Orthodox Jodendom ontstond als negentiende-eeuwse reactie op de emancipatie. Orthodoxe joden zijn vast overtuigd van de goddelijkheid van Tora, schriftelijke en mondelinge leer. Ze omschrijven zichzelf liever als trouw aan de Tora dan als aanhangers van het rechte geloof. Centraal gezag ontbreekt: elke rabbijn is verantwoordelijk voor zijn gemeenschap, zonder hiërarchie. De moderne orthodoxie hanteert als stelregel ‘joods binnenhuis, een mens buiten’: zij staat open voor uiterlijkheden, van de meerderheid (cultuur, wetenschap, kleding) maar houdt vast aan de joodse voorschriften. Daarbinnen bestaat een grote variëteit aan opvattingen en gebruiken (minhag). Een kleine ultraorthodoxe minderheid keert zich tegen elke vorm van aanpassing aan de buitenwereld. Zij vindt seculiere kennis vrijwel overbodig en accepteert nauwelijks moderne veranderingen. Sommige chassidiem hangen deze opvatting aan. Orthodoxe synagogen hanteren een strikte scheiding tussen mannen, meetellend voor het minjan en dus oproepbaar om de Toralezing bij te wonen, en vrouwen. Die zitten op de galerij of achter in de synagoge, Ze zijn niet verplicht diensten bij te wonen. Kleine orthodoxe en chassidische synagogen zijn intiem als een huiskamer.
De Westmuur, de Kotel of Klaagmuur, is de buitenmuur van de Tempel in Jeruzalem, het enige deel dat na de verwoesting in het jaar 70 is overgebleven. Hiermee is de muur een belangrijke religieuze plaats voor joden, waar zij rouwen over het verlies van het centrale heiligdom. Volgens de rabbijnen is Gods aanwezigheid (sjechina) daar nooit verdwenen. In de twintigste eeuw is de Kotel behalve een religieus ook een politiek symbool geworden. Toen in 1948 Jordanië de oude ommuurde stad van Jeruzalem innam, werd de joden de toegang tot de muur ontzegd. Dat maakte de symboliek van de muur nog sterker. Tijdens de Zesdaagse Oorlog (1967) werd de stad veroverd door de Israëliërs, waarna de huizen voor de muur werden afgebroken en er een groot plein ontstond. Er vormde zich een orthodoxe openluchtsynagoge, met een strikte scheiding tussen mannen en vrouwen.’
De expositie Jodendom, ik zei het u al, gaat tot half april. U hoort er van mij nog van!
De Nederlandse erotische literatuur in 80 en enige verhalen
Maar liefst 1047 bladzijden heeft zij ervoor uitgetrokken om haar eerste verzameling aan authentieke, goed geschreven, vaak geestige, immer ontroerende, maar altijd opwindende teksten uit ons taalgebied onder te brengen. Ik heb het over De Nederlandse erotische literatuur in 80 en enige verhalen samengesteld door Elsbeth Etty en uitgegeven door Prometheus.
Het gaat om verhalen die na 1900 gepubliceerd werden, onverkort en niet louter zinnenprikkelend zijn. Het gaat dus niet om pornografische teksten die geen hoger doel hebben dan het bedrijven van enkel seks in allerlei situaties en standen. Erotische verhalen willen het met elkaar verkeren in gemeenschap juist een lading meer geven, zo die van ontroering die op papier gezet zijn door een groot stilist. In mijn jonge jaren las is de romans/novellen Kinderen van ons volk van Antoon Coolen, De herberg met het hoefijzer van A. den Doolaard en‘Wierook en tranen van Ward Ruyslinck. En hoe schoon en verheffend vond ik het dat beide geslachten elkaar vonden in - meestal gesuggereerd - lichamelijk contact. Later voegden zich bij hen auteurs als Anna Blaman, Jan Wolkers en Louis Paul Boon die meer expliciet en onomwonden erotische – dus met liefde gepaard gaande – scènes in hun verhalen weefden. Het ging hun niet om het oproepen van zinnenprikkelende beelden pur sang bij de lezer, zij werden gedreven door zeg maar hogere opties.
De naar mijn idee bloedmooie Elsbeth Etty werd bij haar speurtocht ook geleid door ‘een geur van hoger honing die de bloemen deed verbitteren en haar uit de woning’ dreef om met Martinus Nijhoff te spreken. Zij ging o.a. naar de kelders van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag om het kaf van het koren te scheiden; zij las alles wat los en vast zat qua erotische en pornografische teksten en stelde daarbij als eerste eis dat ze goed geschreven, zeg maar literair moesten zijn. Zij kwam weerom met integrale verhalen van Louis Couperus, F. Bordewijk, Marnix Gijsen. Jac. van Hattum en Belcampo tot Christiaan Weyts, Ernest van der Kwast, Thomas Blondeau, Renske de Greef en Alma Mathijsen. Die leverden met hun collega’s tegen de negentig literair getinte teksten - dus ’80 en enige verhalen’ - die de toets van de kritiek die Etty hanteerde, doorstonden. Met Cunnilingus ad absurdum van A.F. Th. van der Heijden als onbetwiste nummer één.
Blikkend naar de tot nu toe tot mij genomen literaire werken met hier en daar erotische beschrijvingen, besef ik dat ik zo mijn voorkeur heb. Ik bemin in woorden beschreven seksueel getinte scènes die met elkaar gemeen hebben dat ze getuigen van tederheid, respect, vertrouwen, openheid, genegenheid, zeg maar wederzijdse liefde, wat zich vooral uit in omtrekkende bewegingen en goede dialogen. Ik houd niet van pure pornografie, want die is mij te kaal en te ranzig. Om de tour de force van Elsbeth Etty te adstrueren ga ik haar met een passage uit haar Inleiding citeren.
‘Inderdaad, daar draait het om bij erotische teksten. Mijn zinnen worden geprikkeld door alle pornoclichés denkbaar: verboden seks, aberraties van welke aard dan ook, onmogelijke verlangens, niet te beheersen obsessies en ga zo maar door, zolang ze maar goed zijn opgeschreven. Vermoedelijk heeft de verteller uit De memoires van een erotische boekverkoper van Armand Coppens, voor wie porno geen kunst is maar kitsch, gelijk met de uitspraak: ‘Pornografie bevredigt geen mens, het laat hem achter in een staat van frustratie, die hem meestal noodzaakt zich van andere, extremere seksuele uitlatingen te bedienen. Het resultaat is een soort bezetenheid, een vicieuze cirkel van frenetiek zoeken naar steeds sterkere stimulansen. Voor het schrijven van erotica zijn talent, goede smaak. Intelligentie en humor net zo essentieel als voor alle andere literaire werken. Mijn ervaring bij het samenstellen van deze bloemlezing van moderne erotische verhalen is dat goede erotica per definitie goede literatuur is. Ook een eroticum kan het niet stellen zonder luisterrijke metaforiek, fantasie, meesterlijke dialoog en splijtend psychologisch inzicht – liefst een combinatie van dit alles. In pornografie, zegt Nabokov, dient de handeling zich te beperken tot de paring van gemeenplaatsen, omdat ‘stijl, structuur, beeldspraak de lezer nimmer mogen afleiden van zijn lauwe lust’’.
Ik volg Elsbeth Etty niet als zij zegt dat zij alle seksuele variaties apprecieert, met als enige voorwaarde dat die goed genoteerd zijn. Ik leg mijn grenzen eerder en dat wil ik een volgende keer etaleren door u drie door haar verkozen verhalen voor te leggen. Het gaat dan om Eb en vloed van F.B. Hotz, Het gouden kruisje van Maarten ’t Hart en Opgegeild van Kristien Hemmerechts. Tot dan blijf ik uit haar bloemkrans lezen, waarin ook Hermans, Mulisch en Reve floreren.
|
| |
| CULTUURMIX 27 DECEMBER |
|
Vijftien recente toppers
Aan het eind van dit jaar ga ik u vijftien boeken noemen die minstens vier dingen gemeen hebben. Ze behoren alle tot het non-fictieve genre, ze zijn prachtig geschreven, ze passeerden alle bij u en mij de voorbije vijftien maanden de revue en ze verwoorden thema’s die er echt toedoen. Aangezien ik mijn eigen mening over de vijftien reeds aan u ventileerde, citeer ik nu alleen een paar verhelderende zinnen die de cover van het onderhavige werk sieren. U kunt 2012 meer diepgang geven door een of meer van deze bestsellers tot u te nemen.
Dat nooit meer: van Chris van der Heijden en uitgeverij Contact en met als ondertitel ‘De nasleep van de Tweede Wereldoorlog in Nederland’. Het verhaal ons land sinds 1945 is grotendeels het verhaal van de omgang met die oorlog. Dit boek vertelt over het naoorlogse optimisme, de grote affaires (Weinreb, Menten, Aantjes), de tweedeling tussen goed en fout, Anne Frank, Lou de Jong, Jacques Presser, de rol van de generatie van Mulisch, Vietnam, Sebrenica en nog veel meer.
Amsterdam voor vijf duiten per dag: van Maarten Hell en Emma Los en uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep. De gids voor uitgaan, sightseeing, shopping, eten en drinken in het Amsterdam van de zeventiende eeuw. Reis door de tijd naar het einde van de Gouden Eeuw en bewonder de magnifieke stadspaleizen aaan de door bomen omzoomde grachten. Amsterdam is op het hoogtepunt van zijn macht, en de welvaart trekt mensen aan als een magneet.
Verleden in verf: van Hans den Hartog Jager en Pieter Steinz en uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep met als ondertitel ‘De Nederlandse geschiedenis in veertig schilderijen’. Een verslag van een zoektocht naar kunstwerken die historische gebeurtenissen als onderwerp hebben, waarbij de samenstellers zich afvroegen: waarom is deze gebeurtenis zó verbeeld en niet anders?
De hoed van Vermeer: van Timothy Brook en uitgeverij Wereldbibliotheek met als ondertitel ‘De Gouden Eeuw en het ontwaken van de wereldeconomie’. Een gids naar de wereld achter de schilderijen, die je horizon verbreedt. Hoe openbaarde zich de internationale economie zich in elk aspect van het dagelijkse leven van de zeventiende eeuw? Aan de hand van details uit de werken tekent Brook een schitterend beeld.
Baltische zielen: van Jan Brokken en uitgeverij Atlas met als ondertitel ‘Lotgevallen in Estland, Letland en Litouwen’. Als je heden en verleden van de drie landen aan de Baltische zee onder het vergrootglas houdt, zie je alle tragedie uit de Europese geschiedenis in een verhevigde vorm: oorlogen, Jodenvervolgingen, bezetting, migratie en revoluties. Zevenentwintig markante mannen en vrouwen stonden model.
Bernhard: van Annejet van der Zijl en uitgeverij Querido met als ondertitel ‘Een verborgen geschiedenis’. Een zoektocht naar de historische waarheid achter de mythe Bernhard. Het resultaat is een verhaal van faustiaanse allure. Een astmatisch, gepest jongentje met louter onvoldoendes voor sport, dat zich wist te transformeren tot het summum van mannelijkheid: een geallieerde oorlogsheld met een heel volk aan zijn voeten. Maar ook Bernhard betaalde wel degelijk een prijs voor de keuzes die hij maakte.
Iedereen is op weg naar de Brandenburger Tor: samengesteld en ingeleid door Jan Konst en van uitgeverij J.M. Meulenhoff met als ondertitel ‘Nederlandse en Vlaamse schrijver over Berlijn’. In deze bloemlezing een selectie uit reportages, essays, romans en gedichten van auteurs die Berlijn een fascinerende stad vonden, waardoor een gevarieerd beeld ontstaat van de geschiedenis van de metropool die in 1871 hoofdstad van het Duitse keizerrijk was geworden.
Het veer van Istanbul: van Irene van der Linde (tekst) en Nicole Segers (foto’s) en uitgeverij Lemniscaat met als ondertitel ‘Ontmoetingen langs de Bosporus’. Een documentaire in woord en beeld die gaat over de belevenissen en gevoelens van de twee vrouwen op een veerpont tussen de Europese en Aziatische kust van Istanbul. Met in het achterhoofd de vraag: vaart het land richting Europa, of gaat het de andere kant uit.
Dier, bovendier: van Frank Westerman en uitgeverij Atlas. De tragedies van de twintigste eeuw verteld aan de hand van een paard, de lippizaner. Langs de zuivere bloedlijnen uit diens stamboek wordt het verhaal gereconstrueerd van vier generaties paarden van het Weense hof in de twintigste eeuw. Zij doorstaan de ondergang van het Habsburgse Rijk, de beide wereldoorlogen en de waanzinnige veredelingsproeven onder Hitler, Stalin en Ceauscu.
De sterke van Saeftinghe: van Paul de Schipper en uitgeverij Atlas. In de afgelegen hoek van Nederland aan de rand van het verdronken land in Oost- Zeeuws- Vlaanderen wordt de legendarische visser en oermens Staf de Sterke en zijn familie gevolgd. Een rijk gedocumenteerde familiekroniek vol grensgevallen zoals de herder die met zijn ezel door de schorren trok en een verrassende spiegel, want zo was Nederland nog maar heel kort geleden.
Jeruzalem: van Simon Sebag Montefiore en uitgeverij Nieuw Amsterdam met als ondertitel ‘De biografie’. Jeruzalem is het centrum van de wereld, de hoofdstad van drie religies, de buit van vele veroveraars, het oog van de storm van botsende beschavingen. Een levendig verhaal over macht, liefde, geloof, luxe, ijdelheid en dood aan de hand van de levens van koningen, veroveraars, soldaten en bouwers die bewoond wordt door Macedoniërs en Perzen, Griekem en Romeinen, Palestijnen en Israëliërs.
Een kleine geschiedenis van de grote oorlog 1914-1918; van Koen Koch en uitgeverij Ambo. Een handzaam overzichtwerk over de Eerste Wereldoorlog geschreven door een specialist en gepassioneerd verteller. Een fascinerend boek over een van de bloedigste perioden uit de geschiedenis van de mensheid: van de moordaanslag op de Oostenrijkse troonopvolger Franz Ferdinand op 28 juni 1914 tot de Wapenstilstand op 11 november 1918.
Metronome: van Lorànt Deutsch en uitgeverij Thomas Rap met als ondertitel ‘In het ritme van de metro door de geschiedenis van Parijs’. Van Cité naar Châtelet-Les Halles, van Bastille naar La Défense; aan de hand van 21 metrostations passeren we evenzoveel eeuwen Franse geschiedenis, Deutsch vertelt aanstekelijk: je ziet de kathedralen verrijzen, de Parijzenaars op de stadswallen vechten en de kunstwereld ontluiken,
De zeven levens van Rome: van Robert Hughes en uitgeverij Balans met als ondertitel ‘Een cultuurgeschiedenis van de Eeuwige Stad’. Hughes verweeft het heden en verleden, de geschiedschrijving en het drama van deze wereldstad tot een boek waarin kunst, architectuur, politiek en religie, intrige, roem, geld en macht elkaar op meesterlijke wijze in evenwicht houden. Het alomvattende relaas van deze fascinerende en betoverende stad.
Baggergoud: van Daniël van den Bos en uitgeverij Free Musketeers. Als in 1946 bij het uitdiepen van de vaargeul in de Nieuwe Waterweg bij Vlaardingen goud wordt opgebaggerd, wordt Nederland met een schok wakker. Wat was de geheime missie van de Loodsboot 19 tijdens de eerste twee oorlogsdagen? Van wie is dat goud, dat al die jaren sluimerde op de rivierbodem? Het waargebeurde verhaal over een ramp, die veel Maassluise gezinnen in rouw dompelde.
De tien kijk- en leesalbums van 2011
Aan het eind van dit jaar ga ik u tien boeken noemen die minstens vier dingen gemeen hebben. Ze behoren alle tot het non-fictieve genre, ze zijn prachtig geschreven en geïllustreerd, ze passeerden alle bij u en mij de voorbije tien maanden de revue en ze verwoorden thema’s die er echt toedoen. Aangezien ik mijn eigen mening over de tien reeds aan u ventileerde, citeer ik nu alleen een paar verhelderende zinnen die de cover van het onderhavige werk sieren. U kunt 2012 meer diepgang en uitzicht geven door een of meer van deze (ook) bestsellers tot u te nemen.
Encyclopedie der Nederlanden: van Wilma de Rek en Bert Wagendorp en uitgeverij Atlas. Geprikkeld door de legendarische woorden van prinses Máxima dat dé Nederlander niet bestaat, stelden de twee dit geïllustreerde woordenboek samen. Ze beschrijven gerechten, gewoonten en bedrijven, analyseren Nederlandse verschijnselen als ‘de verjaardagskring’ en ‘het verkleinwoordje’ en vertellen over stamppot en het weer, over Philips en Fokker, over de Deltawerken en de deeltijdvrouw.
Kunst in het juiste perspectief: onder redactie van Stephen Farthing en van uitgeverij Librero met als ondertitel ‘Een compleet overzicht van de belangrijkste kunstwerken, kunstenaars en stromingen door de eeuwen heen’. Dit ambitieus opgezette en prachtig vormgegeven boek dient de lezer tot gids langs de belangrijkste kunstwerken ter wereld. Het vormt een toegankelijke en inspirerende inleiding tot de belangrijkste ontwikkelingen in de geschiedenis van de kunst, aan de hand van fascinerende analyses.
Karel V: van Gerben Graddesz Hellinga en uitgeverij Walburg Pers met als ondertitel ‘Bondgenoten en tegenstanders’. Aan de hand van Karels belangrijkste mede- en tegenstanders creëert de auteur in deze rijk geïllustreerde uitgave een helder beeld van het tot de verbeelding sprekende tijdperk, waarin de middeleeuwen overgingen in de renaissance. Krijgsheren, vorsten en pausen passeren de revue, Karels uitgebreide familie, zijn aartsvijand Frans I, de Turkse sultan Suleyman de Grote, Maarten Luther, Karel van Gelre, Hendrik VIII en de zeerover Barbarossa.
Beeldschone boeken: van Bart Jaski e. a. en uitgeverij Waanders met als ondertitel ‘ De Middeleeuwen in goud en inkt’. Nog altijd vormen de beeldschone boeken een absoluut hoogtepunt binnen de beeldende kunst. Hoe deze kostbare en vaak rijkversierde boeken tot stand kwamen en in welk licht ze moeten worden bekeken, zetten Jaski en zijn zes collega’s in hun bijdragen op heldere wijze uiteen.
Papieren pracht: van Renée Steenbergen e.a. en uitgeverij Amsterdam University Press met als ondertitel ‘Uit de Amsterdamse Gouden Eeuw’. Amsterdam, in de late middeleeuwen nog een onbeduidend stadje, groeide in de 17e eeuw uit tot een metropool. De macht, welvaart en kunstzin van Amsterdam konden wedijveren met die van Londen en Venetië. De Nederlandse Gouden Eeuw is vooral de Gouden Eeuw van Amsterdam. De stad had dan ook de grootste boekproductie ter wereld.
De ontedekking van Nederland: van Henk van Os en NAi uitgevers met als ondertitel ‘Vier eeuwen landschap verbeeld door Hollandse meesters’. Als eersten in Europa ontdekten Nederlandse schilders de schoonheid van het Hollandse landschap. Het vlakke land met zijn rivieren, weidse polders en velden afgewisseld met stukken bos en daarboven indrukwekkende Hollandse luchten transformeerden zij in hun schilderijen tot kunst. Aan de hand van ruim veertig schilderijen laat Van Os dat zien.
Stil leven: van Ted van Lieshout en uitgeverij Gottmer met als ondertitel ‘De Westerse kunstgeschiedenis in 26 stappen’. In dit album maakt Van Lieshout een eigenwijze tocht door eeuwen van beeldende kunst. En dat doet hij helemáál niet stilletjes! Hij huppelt op zevenmijlslaarzen door de kunstgeschiedenis en roept hardop wat hij ziet, weet, voelt en vindt. Dat gebeurt aan de hand van een door hemzelf ingerichte tentoonstelling van 52 kunstwerken die hij koos omdat ze hem boeien of omdat hij er nog een appeltje mee te schillen heeft.
Kunst voor kinderen: van Lies Lavrijsen e.a. en uitgeverij Lannoo met als ondertitel ‘Een kennismaking met de indrukwekkendste schilderijen en beeldhouwwerken van de wereld’. Duik in de wondermooie wereld van kunst. In dit boek krijg je een kleurrijk en duidelijk overzicht van internationale kunst door de eeuwen heen. Bewonder de mooiste meesterwerken en ontdek hoe stijlen en technieken voortdurend evolueren. Van Aboriginalkunst tot Abstracte kunst, van totempalen tot het beroemde terracottaleger, van Michelangelo tot Matisse.
List-o-pedia: van Lucie Parker e.a. en uitgeverij Terra met als ondertitel ‘Honderden interessante, bizarre en (best wel) leerzame lijstjes die je écht moet kennen’. 2663 willekeurige feiten die je zullen verbazen, verbluffen en verrassen. Eindelijk een naslagwerk vol nuttige en volstrekt irrelevante informatie! Je vindt 190 spectaculair geïllustreerde lijstjes van de grootste, oudste,gekste en meest schandalige dingen uit de geschiedenis en van de wereld, waaronder: 10 onopgeloste mysteriën, 57 interessante chipssmaken, 14 films met reuzenkonijnen en 14 missers van missen.
Van woordenlijst tot woordenboek: van Piet van Sterkenburg en uitgeverij Scriptum met als ondertitel ‘Een geschiedenis van woordenboeken van het Nederlands’. Hoe ontwikkelde de lexicografie van het Nederlands zich van oorspronkelijk tweetalige woordenlijsten tot de eentalige wetenschappelijke woordenboeken, synoniemenwoordenboeken, encyclopedische en etymologische woordenboeken, handwoordenboeken, spreekwoordenboeken en dialectwoordenboeken? Dat blijft de kernvraag van dit boek, dat een antwoord wilgeven.
|
|
| |
| CULTUURMIX 19 DECEMBER |
| |
|
Burgemeester van beroep
Een onderhoudend en horizonverleggend, literair kleinood en nog wel geschreven door een prominent inwoner van de Drechtsteden heb ik dit keer voor u. Ik heb het over het 96 bladzijden tellende Burgemeester van beroep van Bert Blase en van uitgeverij Het Boekenschap, dat als ondertitel ‘Waargebeurde verhalen in Nederland anno nu’ draagt. Al jaar en dag zijn mooi geschreven werken uit het non-fictieve genre mij lief en Blases realistisch epistel voeg ik daaraan toe. Zo had ik het dit bijna voorbije jaar met u o.a. over Dat nooit meer van Chris van der Heijden, De Sterke van Saeftinghe van Paul de Schipper, Baltische zielen van Jan Brokken, Dier, bovendier van Frank Westerman, Metronome van Loránt Deutsch, Bernhard van Annejet van der Zijl en Het veer van Istanbul van Irene van der Linde. Ondanks hun verscheidenheid in thematiek hadden ze één ding gemeen: de daagse werkelijkheid wordt door taal tot een hoger niveau getild.
Bij deze schrijvers van naam en faam hoort wis en waarachtig ook van nu af aan Blase thuis die sinds 2009 het ambt van burgemeester van Alblasserdam bekleedt. In een eerder leven mocht ik de huidige eerste burger aan de Noord ontmoeten als raadslid voor de PVDA in Papendrecht en als auteur van magisch-realistisch getinte werken als ’n Zee van licht en Zilver water. In de politieke arena deed Blase zich kennen als een gedreven volksvertegenwoordiger die zijn stukken kent. Blase verstond de kunst op sympathieke wijze zijn idealen en ideeën te verwoorden waarbij hij ook ruimte inpaste voor de zienswijzen van andersdenkenden. Hij hechtte eraan samen voor de zaak van de gemeente te staan. Het motto in Burgemeester van beroep etaleert die houding ten volle, want die gaat als: ‘Een wereld vol krachtige mensen die frank en vrij hun gedachten delen ongedwongen bereid om voor hun omgeving en elkaar te zorgen’. Zijn slogan is: met elkaar leven wij het leven. Het magische facet heeft Blase nu in zijn jongste gewrocht terzijde geschoven, want in elf hoofdstukken schetst hij frank en vrij de voorvallen die zich in Alblasserdam - dat model staat voor heel het land - daadwerkelijk in de beginjaren van zijn burgemeester gepresenteerd hebben. Om u te illustreren dat hij daarbij zeer prudent aan de slag is, iedere burger in zijn waarde laat en zijn belevenissen in prachtig proza weet te vatten, ga ik hem met een passage citeren.
Hoofdstuk 9 kent de voor Alblasserdam typerende titel ‘Hier waart de geest van Calvijn’ en die deed mij denken aan een foto die ik al dik een jaar bewaar. In het katern de Verdieping van het dagblad Trouw stond die op 4 september 2010 met het bijschrift: ‘Op de uitvaartplechtigheid zes dagen na het overlijden van Mallan, werden verkeersregelaars ingezet om de menigte van vijfduizend personen over vier kerken te verdelen. Een straat werd afgezet, pendelbussen reden af en aan.’ Talloze malen keek ik naar de rijen in stemmig zwart gehulde mannen en vrouwen die met elkaar gelaten en gedwee de uitvaart van de door hen zo beminde dominee in het rijke zonlicht volgen. Steeds moest ik denken aan watersnoodjaar 1953 toen de kerk van dominee Mallan, de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, ontstond door afsplitsing van de ‘gewone’ Gereformeerde Gemeenten. De aanleiding voor de verlating vormde het leergeschil rond het aanbod van de genade. Ook gingen mijn gedachten uit naar oorlogsjaar 1944, toen die andere scheiding zich voordeed, die tussen vrijgemaakten/ artikel 31-ers en synodalen in de Gereformeerde Kerken met als punt van discussie de werking van de genade. In mijn dorp van geboorte maakte ik als kind mee hoe de strijd op het kerkelijk erf met hoofd en hart gevoerd werd. Ik was als hervormde jongetje een buitenstaander, ik stond erbij, keek ernaar, begreep het niet en signaleerde de bevlogenheid van anderen. Soortgelijke emoties, maar dan op een hoger niveau want met meer begrip, moet Blase ervaren hebben toen hij de begrafenis meemaakte van de in de leeftijd van 85 jaar overleden burger Mallan meemaakte. Om diens uitzonderlijkheid te schetsen citeer ik Van der Meiden: ‘de mooiste aanduiding van Mallan is die van een ‘goed afgestorven dienaar. Mijn Vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren.’ Precies dat mysterieuze Bijbelcitaat stond boven een van de rouwadvertenties. Als u de context wilt lezen van de uitvaart van dominee Mallan, opgesteld door ook iemand van buiten de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, is daar het artikel van Trouw, dat als kopjes o.a. heeft ‘Slechts een enkeling bereikt de hemel’ en ‘Frans Mallan wordt gezien als de ultieme bekeerde’. Op die zonnige zaterdag was bij de plechtigheid dus ook Blase present en hij verhaalt daarvan in een stukje dat zich tussen de regels kenmerkt door verbazing en verwondering, want er staat:
‘Ik word gebeld door de wethouder van SGP- huize. Hij is jong en een ontluikend talent. Hij belt nooit zomaar, Een van de belangrijke grondleggers van hun kerkverband is overleden. In hun kring is hij een gezien en gewaardeerd man. Bewonderd zelfs, hoewel we hiermee het gladde ijs betreden. Vanwege zijn positie in het kerkverband, is de verwachting dat op de dag van de begrafenis duizenden mensen naar onze gemeente zullen komen. ‘Het zal zwart zien van de mensen’, zegt een van de organisatoren met een bescheiden lach. Zo had ik het zelf niet durven zeggen, Dominee Roos, die gezien wordt als de natuurlijke opvolger van de overledene, leidt de dienst, Hij is de dominee van de toespraak: ‘Ik ben een worm en geen man’. Het is een thema dat vaker terugkomt in zijn preken. Toch is de dienst van vandaag opgewekter van toon. Immers, van de overledene, die gezien mag worden als de vader – zelfs als de ‘oud-vader’ – van dit kerkverband, is zeker dat hij oog in oog met zijn Schepper zal staan. De vreugde is groter dan het verdriet. ‘Hij mag nu Christus aanschouwen in eeuwigheid. Hij mag nu staan voor de troon van God, gekleed in lange witte klederen, samen met allen, die uit de grote verdrukking komen.’ De preek kent krasse uitspraken. ‘Hij deed geen water bij de wijn, Hij was zuiver in de verkondiging van het geloof. Het enige zuivere geloof.’ U bent het met mij eens: Blase verstaat zijn burgers al zijn die niet zijn geloofsgenoten.
Dat nooit meer
De komende weken wil ik met u een bij voorbaat intrigerende tocht maken door een naar vorm en inhoud kolossaal werk. Hoewel ik pas bij de paragraaf ‘De gevaarlijke buur’ op bladzijde 237 pas gearriveerd ben, wil ik nu al in deze kolommen van het bestaan ervan gewag maken, niet alleen omdat het zo horizonverleggend, veelomvattend, doorwrocht, origineel, transparant en gedocumenteerd geschreven is, maar vooral omdat het zo verhelderend, onthullend en ontluisterend is. Ik heb het over het vuistdikke – want 928 bladzijden tellende – Dat nooit meer van historicus / schrijver Chris van der Heijden en van uitgeverij Contact met als ondertitel ‘De nasleep van de Tweede Wereldoorlog in Nederland’. Ik houd van proza uit het non-fictieve genre, vooral als dat goed geschreven is en mijn eigen leefwereld als thema heeft. Anders gezegd: ik geef de voorkeur aan literair getinte werken die mijn persoonlijke verleden, heden en desnoods toekomst in kaart brengen.
Zo’n brok prachtig proza reikte mij Van der Heijden aan van wie ik een decennium terug bij u Grijs verleden introduceerde. En bij de kleur grijs wil ik de aftrap van mijn reactie als lezer maken, want die staat volgens de auteur voor gecompliceerd, met vloeiende grenzen, oog voor mogelijke schommelingen in de tijd en relativerend wat betreft het onderscheid tussen goed en fout. Om die diffuse kleurschakering op heterdaad te betrappen neem ik de memoires van mijn vader in de hand. Toen mijn pa over de zestig geraakte, werd hij als acquisiteur - voorheen zetter - bij Wegelings Drukkerijen in Kralingseveer op een zijspoor gezet. Op advies van zijn huisarts nam hij de typemachine voor zich om zijn memoires aan het papier toe te vertrouwen. Ik koester zoveel jaar na dato de meer dan 440 foliovellen van mijn vader zaliger, omdat die mij bekende en vaak vertelde maar vooral omdat die mij onbekende en doorgaans verzwegen gebeurtenissen verwoorden. Zo las ik dat mijn vader door zijn baas Wegeling in 1944 gevraagd werd om op de komende zaterdagmiddag van de 17de juni mee wilde werken aan het drukken van het illegale Trouw. Vader vertrouwde de zaak niet, vooral omdat er helpers bij betrokken zouden worden die hij niet kende. Hij weigerde, wel wilde hij op Wegelings verzoek ’s morgens assisteren bij het drukklaar maken van de pers. Onder gespannen sfeer werd er gewerkt en na een uur was de klus geklaard. Nog herinner ik mij levendig dat ik die zonnige namiddag met vader voor het voorraam stond en over het Elandplein blikte naar Duitsers die met de karabijn in aanslag Wegeling - met de handen in de nek – uit de drukkerij beukten en in een overvalwagen dreven. Een paar weken later werd zijn verrader onder Zoetermeer dood in een sloot gevonden en twee maanden daarna werd hij op een vlakte het kamp Vught gefusilleerd, wat zijn echtgenote pas officieel na de oorlog vernam. Op een website lees ik dat na de arrestatie van Hendricus Wegeling een geldbedrag van f. 2903,71 bij hem gevonden werd, dat hij waarschijnlijk ontvangen had als betaling voor de gemaakte kosten in verband met het drukken van Trouw. Mijn vader kwam door de oorlog, mede doordat hij tijdens een razzia zich in de kolenruimte onder de keukenvloer schuil hield. Op 14 mei 1945 diende zich zijn derde zoon aan, die hij de niet in de familie voorkomende naam van Bernhard gaf. In het levensjournaal van vader lees ik ook over diens zwagers Job en Teun. De twee kwamen tijdens de mobilisatie onder de wapenen terecht en werden in Brabant gelegerd en kregen de zogenoemde Peellinie te verdedigen. Nog voordat de capitulatie een feit was, keerde Teun heelhuids vanuit Brabant terug. Job kwam in krijgsgevangenschap maar mocht in juni ’40 naar huis in Capelle a/d IJssel‘door grootmoedigheid van de Führer’, zoals via pers en radio verzekerd werd.
Ik citeer mijn vader: ‘Job heeft later de verleiding niet kunnen weerstaan zich met de Duitsers te verzwageren en kwam tenslotte in de Oostmark, zoals de NSB het overwonnen gebied in het oosten betitelde, terecht. Wat hij daar allemaal heeft uitgespookt, zal altijd wel duister blijven, Oma Bouter kreeg regelmatig brieven van hem, van waaruit zij eens vertelde, dat hij bewaker in een kamp was en door de gevangenen daar ‘de goede meester’ werd genoemd.’ In ’45 kreeg Job een half jaar gevangenschap. Wat bladzijden verderop lees ik van vaders zwager Arie die op een kwade dag in Duitsland moest gaan werken. ‘Dat was hem als 18-jarige, zijn moeder, broers en zusters en verdere familie, een ingrijpend gebeuren. Dagelijks hoorde je dat mannen de grens over moesten om daar in de oorlogsindustrie te werken. Als het jezelf of naaste familie betreft, gaan deze zaken eerst pas goed tot je spreken. Al spoedig vernamen we dat hij in een landelijke omgeving, in Willau werkte.’ Toen Arie daar de eerste zondagmorgen bij de Evangelische Gemeente ter kerk ging, werd hij na de dienst uitgenodigd om bij de familie Petri koffie te drinken. De gastvrije mensen bleken met de nazi’s niets op te hebben. Gezond naar lichaam en geest mocht Arie in ’45 terugkeren en het contact met de Petri’s bleef ook nadien gehandhaafd door brieven en bezoeken. Waarom ik dit alles uit de memoires van vader pluk? Het is alleen achteraf te bepalen wie de juiste keuze deed. In 1948 liepen wij op 4 mei met ons vieren achter de Harmonie Kralingseveer over IJsseldijk en Nijverheidstraat naar de nu ‘Oude’ Begraafplaats bij het veer Van de Ruit om halt en front te maken voor het oorlogsmonument voor gevallenen uit de Tweede Wereldoorlog. Wij, dat waren oom Cees, mijn vader, broer Jan en ik, werden door de enkele voorbijgangers op de dijk wat vreemd aangekeken, wellicht omdat zij ons wandelen achter de droeve muziek niet wilden plaatsen. Toen ik in 1956 de HBS aan de Henegouwerlaan in Rotterdam bezocht stelde mijn vader voor om samen met broer Jan in bioscoop Rex de documentairefilm ‘Nacht und Nebel’ over de Duitse concentratiekampen te zien. Mijn medescholieren konden geen begrip voor ons bezoek opbrengen. In 1970 vierden wij groots op ons dorp het Bevrijdingsfeest met o.a. bezoek aan kerk, speelterrein, wielerronde, wagenspel en vreugdevuur. Zelfs burgemeester Van Walsum liet zich zien. Volgens mijn vader die penningmeester van het comité was, zou de feestelijke herdenking van vijftienjarige Bevrijding wel eens het signaal kunnen zijn van een grotere belangstelling voor het fenomeen Tweede Wereldoorlog en dat hij al gauw het gelijk aan zijn zijde kreeg, wordt manifest uit Dat nooit meer. De titel suggereert dat de wrede jaren ’40-’45 zich niet meer mogen voordoen, maar ook dat de wijze waarop er teruggekeken wordt niet voor herhaling vatbaar is. Daarover wil ik het later met u hebben. Nu volsta ik met het wijzen op een facet dat mij zeer aansprak. Van der Heijden heeft het in zijn monumentale werk ook over Nederlandse romans en novellen die als een van de thema’s de Tweede Wereldoorlog hebben. Hij raakt daarmee een voor mij gevoelige snaar aan, want met mijn leerlingen havo/atheneum wandelde ik gaarne door werken uit dat genre. In de inhoudsopgave kunt ook u traceren waar welke relevante aan de orde komen. Van der Heijden heeft die boeken wel nodig om zijn gelijk te illustreren, maar ik vond het fascinerend te lezen in welke context hij dat doet. Ik ga de onderhavige werken voor de vuist weg noemen, maar niet voordat ik u gezegd heb dat een van de verdiensten van Van der Heijden is dat hij zijn lezers uitdaagt tot het innemen van een standpunt. Het gaat niet aan dat u zijn mening altijd deelt, maar wel dat u hem eerst alles op een rij laat zetten en dan de eigen conclusies trekt. Zijn ingebonden boek Dat nooit meer, waarvan de grijs-zwarte wikkel prikkeldraad laat zien, heeft al heel wat reacties, ook bij recensenten, opgeroepen. Ik geeft de titels en ondertitels uit twee dagbladen. ‘Na 1960 werd overal de oorlog bijgesleept’,‘Chris van der Heijden beticht links verbond van goed-fout denken’,Fouten na de oorlog en Dat nooit meer … is een duizelingwekkend overzicht van de verwerking van WOII in Nederland. Maar er staan veel halve waarheden in’. Voorlopig laat ik deze opschriften voor wat ze zijn en niet zijn. De boeken die ik later aan de orde stel zijn o.a. De aanslag – Harry Mulisch, Het bittere kruid – Marga Minco, Dagboek van Anne Frank, De donkere kamer van Damocles – Willem Frederik Hermans, Pastorale – Simon Vestdijk, ’ – Jacques Presser, Indische duinen – Adriaan van Dis en Het meisje met het rode haar – Theun de Vries. U mag Dat nooit meer niet ongelezen laten!
|
| |
| CULTUURMIX 12 DECEMBER |
| |
|
Terug naar Oude Pekela
De 77 bladzijden van weer zo’n welkome jubileumuitgave in het kader van 25 jaar Balans las ik in één ruk uit en wel omdat het én het recente - maar bijkans door velen vergeten - verleden én het bizarre actuele heden verwoordt. Maar ook omdat het boekje uit het non-fictieve genre zo goed geschreven is, want ik bemin literatuur die de werkelijkheid beschrijft. Ik heb het over het kleinood Terug naar Oude Pekela van Margalith Kleijwegt, redacteur bij magazine ‘Vrij Nederland’. Ik nam de negen hoofdstukken van haar tot mij en omdat de titels ervan zo sprekend zijn, geef ik ze door: ‘De geschiedenis’, ‘Een beschamende episode’, ‘Je komt er nooit van los’, ‘De pedofiel als kindervriend’, ‘Het heft in eigen hand’, ‘Een modelgezin’, ‘Een groot verdriet’, ‘Het gaat om wantrouwen’ en ‘Het leven gaat door’ heten ze. U zult met mij door deze opschriften ook herinnerd worden aan december vorig jaar toen de verschrikkingen van Robert M. aan het licht kwamen. Burgemeester Eberhard van der Laan van Amsterdam maakte als lid van het lokale driemanschap bekend dat M., een oppas uit Letland, een groot aantal kinderen van de crèche ’t Hofnarretje op klaarlichte dag seksueel misbruikt zou hebben. Kleijwegt vernam via de televisie dit bericht en werd meteen in de tijd teruggeworpen, naar het voorjaar van 1987, toen ouders uit Oude Pekela onder de stad Groningen in de zogenaamde clownsaffaire voor hysterici uitgemaakt werden. Zij reisde toen af naar het achtduizend inwoners tellende typisch veenkoloniale dorp aan het Pekelderdiep om voor haar blad een verhaal te schrijven. Zij sprak heel indringend met alle betrokkenen over de eerste grote zedenzaak in ons land waarbij tientallen kinderen misbruikt zouden zijn.
Nu, na de berichten over Robert M., ging zij weer naar Oude Pekela: niet om de oude zaak na bijna 25 jaar proberen op te lossen, maar om opnieuw, vooral naar de ouders van de slachtoffers, te luisteren. In de Volkskrant zei Kleijwegt recent over het doodlopen van het onderzoek in Groningen : ‘Hadden zij maar mensen gehad die voor hun zaak stonden, Capabele mensen, zoals je die nu in Amsterdam ziet. Het is belangrijk dat de ouders kalm blijven, maar dat deden ze niet, Niemand hielp ze, niemand nam de leiding, De burgemeester had geen idee, de politie had geen idee, de hoofdofficier van justitie niet. Niemand wist raad met de situatie, waardoor de zaak volledig kon ontsporen.’ En ook: ‘Het allerbelangrijkste is dat je mensen serieus neemt, dat je hun kwetsuren, hun angsten en twijfels ziet. Waarom er toen zo hard is geschreeuwd, ik weet het niet. Gevoelens die te maken hebben met veiligheid en seks met kinderen, die gaan zo diep, die appelleren aan eigen angsten, Waarom zou er anders zo giftig, zo haatdragend en zo meedogenloos zijn gereageerd als toen gebeurde? Oude Pekela werd weggezet als bedompt. De bewoners voelden zich belachelijk gemaakt.’
Om u in de verteltrant van Kleijwegt en in het gebeuren van Oude Pekela te brengen ga ik deels haar citeren.
‘Wat was het verhaal van toen alweer? In het voorjaar van 1987 werd Oude Pekela wereldnieuws, nadat de politie naar buiten had gebracht dat in het kleine dorp tientallen jonge tot zeer jonge kinderen waren gehoord in verband met een zedenzaak. Het begon met een angstig jongetje dat in zijn bed plaste en zijn ouders vertelde dat iemand iets in zijn billen had gestoken. Steeds meer kinderen beweerden in de daaropvolgende dagen dat hen iets was overkomen. Ze waren meegnomen naar verschillende panden in en rond Oude Pekela, Sommigen hadden aan onschuldige verkleedspelletjes meegedaan, anderen moesten piemels wassen of eraan likken. De kinderen spraken ook over sadistische spelletjes die op foto en film waren vastgelegd, Het schokkende nieuws ging als een lopend vuurtje rond. Hoofden van scholen werd verzocht de kinderen extra goed in de gaten te houden en te letten op signalen die op misbruik konden duiden. Er werden ouderbijeenkomsten georganiseerd in dorpshuis De Snikke en op sommige basisscholen hielden juffen kringgesprekken. Plaatselijke politieagenten en later zedenrechercheurs onderzochten de zaak. Ze ondervroegen de kinderen thuis of op het politiebureau, soms in aanwezigheid van hun ouders. De zaak werd niet ingedamd, zoals nu waarschijnlijk zou gebeuren: het werd een olievlek die zich in hoog tempo verder verspreidde. Binnen een week liep het aantal aangiften van ontucht op tot 52, en daar bleef het niet bij. In het westen ontstond de indruk dat heel Oude Pekela in handen van kinderlokkers was gevallen. Het ‘NOS Journaal’ kwam iedere avond met nieuwe details en verslaggevers van bladen als de Duitse ‘Bildzeiting’ liepen met een volle portemonnee alle deuren af, op zoek naar te fotograferen slachtoffertjes.’
En even verder staat: De waarheid over wat er in die maanden precies gebeurde was al snel niet meer te achterhalen. Had er een clown door het dorp gelopen? Nee, zei de een. Ja zei de ander. En weer iemand anders had hem hoogstpersoonlijk bij de visboer zien staan. Vanwege dat beeld van een clown die onschuldige kindertjes meelokt, werd Oude Pekela de ‘clownsaffaire’ genoemd, iets waar tot op de dag van vandaag grappen over worden gemaakt…. Bij de Nederlandse bevolking heerste ongeloof en verbijstering over wat er in Oude Pekela gebeurd zou zijn. Het ontbreken van daders leidde in de weken die volgden tot de hypothese van massahysterie. Het getouwtrek begon. De politie kon niets zonder ‘bewijsbare feiten’’.
Het grote verschil tussen Robert M. en Oude Pekela is dat er in Amsterdam een bekennende verdachte was, nadat een lading kinderporno in Amerika was ontdekt. Kleijwegt toont echter aan dat in Oude Pekela door het gezag vooral knullig geopereerd werd.
Future Pass
Die eerste waterige, winderige en kille dinsdagmorgen van de 6e december zat ik met een paar persgenoten in de vensterbanken van de Elie van Rijckevorselzaal van het van historie blakende Wereldmuseum. Daar aan de Willemskade in het Rotterdamse verlustigden wij ons in het kijken op de Maas met voor ons als superieure blikvangers de contouren van Erasmusbrug en Hotel New York. Het wachten op de preview van de tot en met 11 maart gaande expositie Future Pass was een genot. Twee kunstkenners van naam en faam heetten ons welkom met van trots en blijdschap getuigende woorden. Directeur Stanley Bremer en conservator Victoria Lu lieten door de volle ruimte speeches zweven die met elkaar gemeen hadden dat ze gewag maakten van de existentie van een jonge en florerende internationale kunstbeweging waarvan de beeldtaal geïnspireerd is op animatie en comics. ‘Animamix’ wordt de stijl genoemd, een samenvoeging van beide woorden. Met Future Pass wil ook het Wereldmuseum een nieuwe esthetiek presenteren die de 21e eeuw zal gaan beheersen zoals abstracte kunst het vorige centennium domineerde. Meer dan 130 kunstenaars afkomstig uit de hele wereld tonen hun werken, waaronder schilderijen, sculpturen, installaties, films en foto’s. Zij hebben de intentie de strijd voor een leefbare planeet te verbeelden. Zij willen o.a. laten zien dat realiteit en virtuele wereld niet van elkaar gescheiden te zijn. De kunst baseert zich op tradities en op hedendaagse populaire cultuur en het brengt oost en west samen, Populaire kunst, zoals strips en games, vormt de inspiratie voor animamix waarin de kunstenaars hun commentaar op de huidige samenleving verbeelden. De andere inspiratiebron is de Chinese filosofie van yin en yan: het in balans houden van het universum. Kenmerkend, en typisch Aziatisch, is het verhalende karakter van animamix. Over dat verhalende karakter wil ik het een volgende keer vooral met u hebben en onze gids door Future Pass zal daarbij de gelijknamige catalogus zijn die naar vorm en inhoud een beauty is. Ik wil dan met u vooral verwijlen voor die werken die mij het meest deden. Ik noem er tien waarvan u de makers in petto houdt. Kleines Reisfeld, Sasia, Horizon, Life-Cycle 2, Beast-Pio Pio, Self-Portrait, Disappeared Sweetness, Miss, Feeding The Stupid Monkey en I Hate This Fate. Op the top of the hill stond ik echter bij het werk potlood op papier van Qiu Jie: The Lady Who Hears The Sound Of Waves. Hoezo? Dat hoort u nog van mij. Nu wil ik alleen nog aan u kwijt dat Future Pass speels, origineel, horizonverleggend, kleurrijk, divers, actueel en verrassend is. Om u in de stemming van deze magnifieke tentoonstelling te brengen geef ik u de eerste passages door van Verantwoording uit de (gelukkig tweetalige) catalogus van curator Victoria Lu.
‘Met de tentoonstelling Future Pass wil ik laten zien hoe Aziatische moderne kunstenaars in dialoog staan met de rest van de wereld en wil ik de nieuwe esthetische kunstbewegingen tonen die zijn ingezet door Aziatische kunstenaars. Het is een tentoonstelling over de nieuwe kunst van de 21e eeuw, die is doordrongen met vraagstukken over erfgoed en milieukwesties. De digitale wereld van de 21e eeuw zorgt voor een uitwisseling van kennis op uiteenlopende manieren. In de hedendaagse kunst leidt dit wereldwijd tot neo-eclecticisme, tot het verenigen van elementen, stijlen en stromingen; de beleving van conceptuele kunst wordt gecombineerd met het onderzoeken van nieuwe materialen en subjectposities. De kunst destabiliseert de bestaande hiërarchieën die zich manifesteren in de dialoog tussen de culturen. Future Pass is een productie van het Wereldmuseum in Rotterdam, het Today Art Museum in Beijing, het National Taiwan Museum of Fine Arts in Taichung en de UNEEC Culture and Education Foundation in Taipei en is gerealiseerd in samenwerking met de Fondazione Claudio Buziol. Een voorwaarde kwamen we overeen voor dit internationale project: de tentoonstelling moet geheel worden samengesteld en georganiseerd vanuit Aziatisch perspectief. De grootschalige tentoonstelling toont werk van meer dan honderd kunstenaars en kunstenaarsduo’s van over de hele wereld.
Tentoonstellingen vestigen doorgaans de bijzondere aandacht op één gevestigde artiest of op een kleine groep kunstenaas met prestige. In de vorige eeuw genoten slechts enkele moderne meesters grote successen en erkenning. Maar in de 21e eeuw worden er geen aureolen meer gegeven aan beroemde kunstenaars, Net als filmsterren verdwijnen beroemde kunstenaars snel weer van het toneel. Tegenwoordig is het immers eenvoudig om kortstondige faam te verwerven, zoals Andy Warhol in 1968 al voorspelde met zijn ’15 minuten beroemd’ uitspraak. Niet slechts een beperkte groep, maar velen zijn in staat om hun ideeën uit te dragen in blogs en via YouTube en Facebook. Er bestaat een gelijkheid in de mogelijkheid om je te presenteren, te etaleren en ideeën uit te dragen. Dit concept van gelijkheid vormde het uitgangspunt voor mijn ‘grote namenlijst’ van kunstenaars die zijn gevraagd deel te nemen aan deze expositie. In plaats van de gebruikelijke museale ‘white cube’, biedt Future Pass een caleidoscopische visie. Een dergelijke visuele totaalervaring sluit direct aan bij onze kijkgewoontes in de digitale eeuw, in het bijzonder bij onze relatie met het computerscherm. De expositie is opgebouwd rond vijf gepaarde thema’s, overeenkomstig het oude Chinese filosofische concept van yin en yang. Het zijn complementaire opposities, zoals mannelijk en vrouwelijk, licht en donker, die onderling afhankelijk zijn en eenzelfde oorsprong delen. Zij kunnen niet zonder elkaar en zij kunnen in elkaar transformeren. De paren, oost en west, verleden en toekomst, yin en yang, universeel en individueel, virtueel en reëel, manifesteren zich in ieder tentoongesteld werk. Future Pass is een ontmoeting van verschillende culturen en persoonlijkheden.’Haar conclusie o.a.: ‘Het internettijdperk geeft het publiek een platform waar het speelse van de kunst, de intelligentie van de technologie en het toenemende spirituele verlangen naar schoonheid kan worden gedeeld.’
|
| |
| CULTUURMIX 5 DECEMBER |
| |
|
Nova Zembla
De eerste vrijdag van december zagen wij, voorzien van een kaartje en een 3D bril, zaal 7 van het bij ons zo favoriete filmtheater Pathé de Kuip om het historische drama Nova Zembla te beleven. Zo gebeurde het dat wij met vele andere bioscoopgangers 108 minuten in het epische maar ook romantische en avontuurlijke verhaal doken, dat zich vooral afspeelt op twee enge, in de betekenis van benauwende, locaties. Ik bedoel: in het ruim van een schip en in een hut op een eiland. Wij schrijven mei 1596 als ontdekkingsreiziger Willem Barentsz en kapitein Jacob van Heemskerck hun vaderland vanuit Terschelling vaarwel zwaaien om via noordoostelijke zeeën een ijsvrije route naar Japan en China te vinden. Hun schip loopt echter jammerlijk vast in het pakijs ten noorden van Siberië. Op het eiland Nova Zembla - de naam staat voor Nieuw Land - bouwen de zeventien gestrande schepelingen hun onderkomen dat de naam Het Behouden Huys krijgt. Zij doen dat om de winter te overleven. De omstandigheden zijn zwaar: er zijn ijsberen, de vrieskou is snijdend en er is gebrek aan voedsel. Juni 1597 wagen de veertien overgebleven lotgenoten in twee open sloepen weg van Nova Zembla weg te varen, maar moeten onderweg van de overleden Willem Barentsz afscheid nemen. Deze vaderlands topic is zo bekend dat ik het u kan zeggen: Van Heemskerck lukt het met het grootste deel van de bemanning de expeditie te overleven. Tot hen behoort ook Gerrit de Veer, scheepstimmerman tijdens twee tochten van Barentsz en Van Heemskerck, die een dagboek bijhield waardoor wij weten dat het om een extreem zware survival ging. De Veer was ook degene die dagelijks de stand van de zon, planeten en sterren noteerde. Door de beweging van de hemellichamen bij te houden, wisten de overwinteraars welke dag het was en wanneer zij redelijkerwijs een poging konden wagen om naar Nederland terug te varen. De Veer die ook goed kon kaartlezen, maakte van deze bizarre tocht een reisverslag die het daglicht aanschouwden onder de titel Waerachtighe beschrijvinghe van drie seylagien, ter werelt noyt soo vreemt ghehoort. Zo beschreef hij op 24 januari 1597 een zonsopgang, twee weken eerder dan verwacht, voor welk verschijnsel pas in 1998 een verklaring gevonden is: het betrof een Arctische (bij de Noordpool gelegen) luchtspiegeling die nu bekend staat als het Nova Zembla- effect.
Regisseur Reinout Oerlemans heeft zich voor zijn film Nova Zembla laten inspireren door het journaal van Gerrit de Veer, maar om het verhaal wat meer kleur en schwung te geven heeft hij er romantische ingrediënten in gestrooid. Zo werkt bij hem Gerrit niet als timmerman maar als schrijver aan boord, is hij assistent van dominee Plancius, is verliefd op diens mooie dochter Catharina en gaat mee op de ijselijke expeditie, zodat hij kan bewijzen dat hij de liefde waardig is. De finish van de story ligt dan ook bij beelden van Gerrit, Catharina en hun zoontje die aan het Hollandse strand in het zand huppelen. Uiteraard was Catharina niet mee op de barre tocht, maar flashbacks voorzien erin dat zij tijdens de speelduur bij tijd en wijle op het doek verschijnt in bloedmooie poses. Seksscènes passeren overigens niet de revue, de dochter van Pancius treedt enkel rondborstig op. Dat klikt beter met de rol die zij normaliter vervult: die van fotomodel Doutzen Kroes. De glansrol wordt echter vervuld door Robert de Hoog, die als Gerrit de Veer de film van begin tot eind draagt. Zelfs zien wij bij hem iets als een karakterontwikkeling, want hij wordt van een leergierige en kwetsbare jongeman een held tegen wil en dank die door de nood gedreven volwassen wordt en gaandeweg de rol van leider op zich neemt. Zijn door de wol geverfde collega-acteurs ondersteunen hem hierin, zoals dat doen Jan Decleir, Derek de Lint en Victor Reinier.
Nova Zembla is echt een must see. Mag het verhaal bekend, niet aangedikt en vrij sober zijn, er is gewoon veel te zien. Om dat voor ons mogelijk te maken werd de film op vier locaties gedraaid: IJsland, Velzen, Schiedam, Noordzee. De crew van zestig man zat een maand lang op een berg in IJsland en trotseerde in het nagebouwde Het Behouden Huys de sneeuwstormen en de vrieskou. Net als de bemanning van toen dus. In Nederland werd er gedraaid in de vriescellen van Velzen. De binnenkant van de boot, die kon bewegen, werd nagebouwd, Oerlemans wilde dat zijn acteurs de ijzige kou ook echt konden voelen. In een droogdok te Schiedam werd met zeven hijskranen een aantal gigantische sets gebouwd met groene ijsbergen. Het schip werd er neergelegd voor de visuele effecten. Tot slot werd er nog gedraaid op open zee, al varend in een echt zeilschip. De stunt double van Robert de Hoog raakte er licht gewond bij een val uit de mast.
De 3D film Nova Zembla veroverde vier dagen na de première al de gouden status, want 100.000 bezoekers trok die al daarna. Het sein daartoe werd gegeven door het koninklijk huis, want prinses Máxima en prins Willem-Alexander, Maurits en zijn Marilène en Floris en Aimée waren 21 november met 2400 andere gasten in de Amsterdamse RAI present om Robert de Hoog en de zijnen de ijzige kou te zien trotseren. U mag dan ook deze film echt niet ongezien laten!
Koninkrijk vol sloppen
De komende weken wil ik met u een tocht maken door de tien hoofdstukken die het aansprekende, toegankelijke, onthutsende, doorwrochte, horizonverleggende en historische boek rijk is. Ik heb het over het 440 bladzijden tellende, rijk geïllustreerde Koninkrijk vol sloppen van hoogleraar Auke van der Woud met als ondertitel ‘Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw’ en met als uitgeverij Bert Bakker. De foto op de omslag van het gebonden werk zet meteen de toon. Want het bijschrift luidt daarbij ‘Gezicht op de Slachtersgang, gang in de Lange Baanstraat, van de Goudsesingel af, uit het noorden’. De bijkans verlaten straat met de grauwe, rommelig aandoende, onregelmatig staande huizen staat symbool voor de twee thema’s die Van der Woud aan de man wil brengen. In zijn ‘Woord vooraf’ luidt het immers: ‘Toen de nieuwe middelen voor communicatie en mobiliteit in de negentiende eeuw algemener en goedkoper werden, kwam er een volksverhuizing op gang die nooit meer zou eindigen. In Europa begon de massamigratie kort na het midden van de eeuw. Honderd jaar later werd het verschijnsel mondiaal, en altijd was het gevolg dat de steden groeiden. De meeste migranten waren mensen met weinig of geen bezittingen; ze hoopten door hun lichaamskracht aan te bieden in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Hun gebrek aan geld en hun lage inkomsten maakten het noodzakelijk dat ze op de goedkoopste manier gingen wonen: zo ontstonden de overbevolkte achterbuurten die het ene onderwerp zijn van dit boek. De massale migratie naar de steden betekende een overbelasting van de sanitaire infrastructuur, het tweede thema. Beide problemen zijn nu op mondiale schaal actueel, en zijn groter dan ooit. Gebrek aan voldoende woonruimte. Gebrek aan schoon water en gebrek aan een goede afvoer van vuil zijn de kenmerken van de talloze sloppenwijken in de miljoenensteden van Latijns-Amerika, Azië en Afrika.’
Nu wil ik al gezegd hebben dat Van der Woud verleden en heden met elkaar weet te verbinden: zijn studie wint aan kracht en macht door de las tussen het Westen van Europa (Nederland) en de andere continenten te leggen. Ook deed de auteur mij herinneren aan eigen belevenissen toen ik vlak na de Tweede Wereldoorlog met broer Jan naar opoe Kaptein aan het Arkelshof in Kralingseveer om haar eigen toilet en aanrecht te bewonderen. Een citaat uit de memoires van mijn vader zal u op het juiste been zetten. Op de grens van Capelle a/d IJssel en Kralingseveer woonde mijn opoe in haar uppie in een wit gepleisterde boerderij dat na de Watersnoodramp van 1953 vanwege dijkversterking gesloopt werd. Op de website van de plaatselijke historicus Gerrit Voet kan ik nu nog blikken naar het huis dat in 1946 een sightseeing voor de familie betekende omdat opoe, sinds 1914 weduwe en moeder van vier kinderen, in het bezit was geraakt van eigen, broodnodige sanitair onder eigen dak. In de jaren zeventig schreef mijn vader zijn herinneringen op papier en daaruit ga ik deels citeren om u te illustreren dat op de helft van de vorige eeuw gezinnen in gebrekkige omstandigheden leefden. Ook in armoedige want in die jaren waren de sociale voorzieningen niet om naar huis te schrijven. Ik citeer vader, maar niet voordat ik u de titels van de immer inspirerende stukken van Auke van der Woude doorgegeven heb en waardoor wij later een tocht gaan maken. Zo gaan die titels: Stedengroei. De economie van het gebrek, Topgrafie van de onderwereld, Lieve vrede, Volksvlijt, Gezondheidsplicht, De afvalberg, Stelselmatig schoon, Spoelen in Nederland en De verheffing. Noten, Bibliografie, Illustratieverantwoording, Namenregister en Zakenregister completeren het relaas van Auke van der Woude, die volgens de cover met schijnbaar gemak heen en weer springt tussen wetenschappelijke, culturele en politieke geschiedenis. Het woord is aan mijn vader:
‘Via een houten portaal op stenen voet, kwam men in de woonkamer. Dat portaal diende gelijk als keuken. Eigenlijk een te deftig woord> Er stond wel een stellage, dat een aanrecht moest betekenen. Maar diende alleen om een paar oliestellen op te zetten. In de hoek was een kraan, waar we ons konden wassen etc. Achter de woonkamer bevond zich nog een klein kamertje. In beide kamers was een bedstede. In de eerste sliep moeder en zus Dien en tot mijn vijfde jaar was dat ook mijn home voor de nacht. Eerst in een krib en later – hoe is het mogelijk – tussen moeder en Dien in. Oma sliep in de bedstede van het kleine kamertje. Over het geheel was een zolder, waarop de ledikanten stonden. Het rieten dak liep vanaf de planken zolder naar boven, om in de nok te eindigen. Vanaf die nok liep dan een planken afscheiding, want daarnaast waren de buren Van der Waal gehuisvest. Een gehorig geheel, We hadden toen maar één kostganger: Huib Visser, een vrijgezel die toch later nog is getrouwd. Met die familie Van der Waal moesten we gebruik maken van een z.g. buiten- WC, die naast onze schuur, zo’n 25 meter van de woning stond. Eerst moest ook de familie Sakko van deze ‘poepdoos’ gebruik maken, maar al spoedig maakten die in eigen huis een ‘eigen toilet’. Die Sakko, die Simon als voornaam had, haalde voor de heer Van Arkle de huur van diens huizen op. De familie Van der Waal was niet een van de gemakkelijkste. Zo gebeurde het dat de ‘bril’ van de WC eens bevuild bleek te zijn. Wij kregen daarvan de schuld. Het gevolg was dat de heer Van der Waal, die Blazius als voornaam had, zelf in zijn schuur een ‘poepdoos’ fabriceerde. Zodoende hadden wij in het vervolg over deze ‘WC’ het alleenrecht. Dat recht was echter maar betrekkelijk. Een haakje, dat iedereen kon oplichten, gaf toegang, zodat voor de jeugd, bij het wegkruipertje spelen bijv., een geliefkoosde gelegenheid was. Voorts ging niemand van ons in de nacht van dat ‘toilet’ gebruik maken en deden we ‘onze behoefte’ op de po, om maar van ziekte dan nog maar niet eens te spreken. Er was toen nog geen elektriciteit en gas. Petroleum werd gebruikt voor verlichting en kolen voor verwarming en koken.’
Mijn vader zaliger herinnert zich vooral de jaren twintig en dertig toen de oma bij zijn moeder in huis woonde. Ik weet echter nog goed dat ik in de jaren veertig bij opoe Kaptein op visite was en dat ik naar buiten over het erf moest om bij de wc van haar te arriveren.
|
| |
| CULTUURMIX 29 NOVEMBER |
| |
|
What’s Up!
Die zaterdagmiddag van de 18e november vlinderden vanachter het katheder door de mudvolle aula van het precies een jaar terug heropende Dordrechts Museum bevlogen en weloverdachte woorden. Ze werden de artistieke ruimte ingestuurd door eigen directeur Peter Schoon, diens collega van Centrum Beeldende Kunst Dordrecht Gerrit Willems en kunstenaar/emeritus hoogleraar Carel Blotkamp; dit ter opluistering van opening van spraakmakende expositie What’ s Up! De tot en met 15 april gaande tentoonstelling, die de verklarende ondertitel draagt van ‘De jongste schilderkunst in Nederland’, wil op de eerste verdieping van het kunsthuis aan Museumstraat 40 een overzicht bieden van de huidige stand van zaken hier ten lande als het gaat om met verve verf aanbrengen op het doek. Vandaar de titel die staat voor de betekenissen: Wat is er aan de hand?, Hoe is ‘t?, Hoe is ’t ie?, Hoe gaat ‘ie?, Hoe staan de zaken? en Alles kits?. Mijn voorkeur gaat uit naar de vijfde vertaling die staat voor ‘Hoe is de stand van zaken?’, want dertig kunstenaars demonstreren in de oudste (?) stad van Holland hoe de schilderkunst anno nu eruit ziet. Die staat er goed voor, want de drie causeurs hadden het over een grote en grootse tentoonstelling waarbij termen als ‘geestdriftig’, ‘vreugdevol’, ‘representatief’, ‘verrassend’ en ‘adequaat’ van toepassing zijn op rond 2000 debuterende jongeren die schilderen belangrijk vinden.
Na de verwachtingsvolle woorden liep ik in mijn uppie door de zalen en hield ik lang halt en front; met name voor Pallast van Tjebbe Beekman met stedelijk landschap, voor There is no decent place to stand in a massacre van Kim van Norren met verteerbare beeldconstructie, voor Thingly Character 6 van Helen Verhoeven met de sfeer van de groepsseksbijeenkomsten uit voorbije decennia, voor Sink to the Bottom van Pim Blokker met de draaikolk van stijgend en vallend water. Het langst verwijlde ik echter voor het immens grote – want met afmetingen 370 bij 720 cm - doek Nous sommes les deux plus grand, dat Gijs Frieling met caseïneverf recent vervaardigde, De schilder van 1966 geeft met het intrigerende scala aan situaties niet alleen een beknopte samenvatting van de gehele tentoonstelling maar ook zijn persoonlijke reactie op de positie van de kunstenaar in het huidige politieke en culturele klimaat. Dus: rechtsboven het Museumplein in brand. Carel Bloskamp startte zijn niet alleen informatieve maar ook bij wijlen hilarische speech met het digitaal tonen van het schilderij Hört auf zu mahlen dat Jörg Immendorff in 1966 maakte. De marxistisch getinte kunstenaar provoceerde hiermee, want hij pleitte voor een sociaal-realistische protest tegen de apolitieke popart. Kunst zou zich volgens hem moeten uitspreken over maatschappelijke onderwerpen. Om ook dat te traceren is een rondgang door What’s Up! een aanrader.
Een tocht naar de happening van moderne schilderkunst die naar mijn idee vaak heerlijk figuratief is, beveel ik dus zeer aan en om u in de sfeer ervan te brengen geef ik de eerste passage van de Inleiding die Gerrit Willems voor de gelijknamige catalogus schreef. Ik citeer: ‘Hoe kun je nog een schilderij maken na alles wat er geschilderd is? Het is een dringende vraag die elke kunstenaar zich vroeg of laat stelt. Voor veel kunstenaars zijn de mogelijkheden van het schilderen uitgeput, zij zoeken hun weg in andere media en werken met nieuwe technieken. Voor even zo velen – cijfers zijn er niet, het is een indruk – betekent het dat ze ondanks de druk van zo veel meesterwerken uit het verleden, de vernieuwingen van het modernisme en het postmodernisme, toch op zoek gaan naar een eigen positie binnen de schilderkunst. Ze blijven zoeken naar eigen onderwerpen en eigen manieren om die te verbeelden. Zo veel is zeker, er wordt nog altijd met grote overgave, met energie en bezieling geschilderd. Er bestaat nog altijd een grote drang om zich in verf te uiten. Dat is wat deze tentoonstelling wil laten zien: een overzicht van wat de jongste schilderkunst in Nederland te bieden heeft. Elk overzicht is arbitrair en elke keuze kan worden betwist. Er zullen kunstenaars ontbreken en er zullen kunstenaars zijn gekozen die daar volgens kenners niet thuishoren. Een stand van zaken ontkomt niet aan deze kritiek. Een overzicht zoals dit heeft onvermijdelijk een dubbele pretentie. Het is zowel het opmaken van een inventaris als het opmaken van een rekening. Dat wil zeggen, het laat zien wat er zich in de breedte aandient en tegelijk is het een keuze uit dit aanbod. Het was dus zaak om een evenwicht te vinden tussen kunstenaars die iedereen verwacht en verrassende keuzes. Alleen het tonen van de meest bekende namen is geen stand van zaken, alleen verrassingen tonen zou geen overzicht zijn. Ook al heeft What’s Up! deze twee betekenissen, de tentoonstelling wil geen top dertig vaststellen. What’s Up! wil de bezoeker van het museum een oriëntatie bieden die hem in staat stelt zijn eigen oordeel te vormen en te scherpen.’
Tot zover Willems. Ik roep u op naar het Dordrechts Museum te gaan. Wellicht treffen wij elkaar voor het olieverf op doek Scène uit een hotelkamer met mogelijkerwijze een boze echtgenoot van Aaron van Erp. Oh, het plezier te mogen kijken!
De hemel bestaat niet
Er zijn van die boeken die mij van meet af aan in de greep hebben en dan zijn die per definitie literair van karakter en behoren die tot het non-fictieve genre. Ik prijs de realiteit gevat in mooie woorden. In zo’n heugelijke omstandigheid geraakte ik toen de postman mij een pakketje aanreikte waaruit ik een paperback van 288 bladzijden liet glijden. Ik heb het over De hemel bestaat niet van Jannetje Koelewijn met ondertitel ‘Over het leven van mijn ouders’ en van uitgeverij Atlas. Ik ben zo verrukt over het relaas De hemel bestaat niet, geschreven door de huidige redacteur van ‘NRC Handelsblad’ met jaar van geboorte 1959, dat ik met uw goedvinden er een paar maal in wil verwijlen. Nu wil ik vooral hebben over thema, motto en titel. Koelewijn onderwerpt haar ouders, en dan vooral haar vader want moeder kampt met de ziekte van Alzheimer, aan een soort van verhoor dat het hele boek doorloopt en waarin zij op zoek gaat naar de roots van het gezin. Zo gaat zij ver terug in de tijd en traceert dat het gereformeerde geloof in de familie een grote en dwingende rol heeft gespeeld. Haar vader, Willem Koelewijn, werd in 1929 in Amsterdam geboren nadat diens ouders Bunschoten-Spakenburg verlaten hadden om vader in de grote stad carrière te laten maken als politieman. Moeder Rinske Brak, ook van ’29, is van Friese afkomst wier vader zijn heil in de hoofdstad als monteur zocht. De familie veranderde van streek en van beroep. Om het wat mooier te zeggen: grootouders, ouders, broers en zussen – alle zes kinderen Koelewijn hebben gestudeerd – symboliseren het fenomeen van geografische en sociale mobiliteit. Maar er wordt ook verlies geleden.
Zo slaagt vader Wim in de maatschappij maar kan als twijfelaar zijn houvast in het geloof niet vinden, wat hij zo graag wil. Zo kan moeder Rinske op latere leeftijd gaan studeren maar komt zij op het idee huis en gezin vaarwel te zeggen. Vader is na de vele jaren van huwelijk – zie de gebruikelijke en intieme bruidsfoto voorin – en scheiding tussen tafel en bed onthutst. Bijzonder knap is het hoe Jannetje Koelewijn deze gang van familiezaken verwoordt. Zij slaagt erin een kroniek te schrijven die mede door de literaire verteltrant beklijft. Ik wil zeggen dat haar De hemel bestaat niet er naar vorm en inhoud echt toedoet. Dat wil ik illustreren via twee passages uit haar verslag die én motto én titel verwoorden.
Voorin het familierelaas staat het motto dat ontleend is aan het Bijbelboek 1 Koningen en dat zo gaat: ‘En na de aardbeving een vuur; de Heere was ook in het vuur niet; en na het vuur het suizen van een zachte stilte.’ Op bladzijden 102 en 103 lezen wij: ‘Als we weer teruglopen naar de Oude Haven, blijft mijn vader midden op straat stilstaan en herhaalt wat de dominee tijdens de dienst uit de Bijbel heeft voorgelezen. ‘Na het vuur klonk het gefluister van een zachte bries’. Waarom zegt u dat, vader?’ ‘In de Statenvertaling staat: na het vuur klonk het suizen van een zachte stilte.’ ‘Ja? En?’ ‘Heb je niet opgelet? De dominee las voor uit de nieuwe vertaling. Nu staat er dus het gefluister van een zachte bries. Ik vond het suizen van een zachte stilte beter. Mooier.’ Daarna loopt hij door totdat hij bij de rand van de stoep is. Hij plaatst eerst zijn ene voet erop en dan, aarzelend, de andere. ‘Dat suizen heb ik gehoord bij de dood van mijn vader. Heel wonderlijk. Ik heb het ook gehoord bij jullie geboorte.’ ‘Wat was dat dan?’ ‘Ja, wat was dat? Dat was dus het suizen van een zachte stilte.’ ‘Maar wat was het?’ ‘De aanwezigheid van God op het moment dat de ziel in het lichaam komt. Of weer verlaat.’ ‘En u gelooft daarin?’ ‘Dat is nou net de moeilijkheid.’ Hij loopt een tijdje door zonder wat te zeggen. ‘Ik ben geneigd dat te geloven. Kun je je dat voorstellen?’ ‘Nee,vader.’ Hij staat weer stil en zoekt zijn evenwicht. Ik kijk naar zijn schoenen van hard, zwart leer, met hoge schachten, strak vastgeregen tot boven zijn enkels. Je zou kunnen denken dat hij ze in Nunspeet of Staphorst heeft gekocht. ‘Weet je wat het bedonderde is? Ik geloof het ook niet, Maar ik wil het wel geloven, omdat ik er niet buiten kan.’ Hij zucht. ‘Ik hang er met al mijn vezels aan vast.’
Op bladzijden 281 en 282 staat, wanneer Janneke met haar zus en ouders, die al jaren van elkaar gescheiden zijn, van Parijs terugreist waar ze voor de moeder een nieuwe winterjas gekocht hebben: ‘We zijn net de grens met België over als twee douaniers bij ons komen staan en ons in het Frans naar onze paspoorter vragen. Mijn vader heeft geen paspoort bij zich, Hij heeft alleen een identiteitskaart. Die blijkt al jaren verlopen te zijn. Mijn moeder pakt haar tas uit en laat haar giropas zien, daarna haar ov-chipkaart en daarna haar zorgverzekeringpas. Een paspoort zit er niet bij en ook geen identiteitskaart. Ze heeft alleen haar rijbewijs, en dat is ook al jaren geleden verlopen. ‘Niet goed?’ vraagt ze. ‘Het is niet goed,’ zeggen de douaniers in het Frans. ‘Wat zegt u?’ ‘C’est bon,’ zegt mijn vader. Hij tekent een denkbeeldige cirkel om zichzelf heen. ‘Ici. Europese Unie. Pas de passeport. C’est bon comme ça.’ Daar denken de douaniers anders over. Ze trekken zich terug voor beraad en komen na een minuut of tien terug, Ze zeggen tegen mijn zusje en mij dat ze hebben besloten om het bij een waarschuwing te laten. Normaal hadden ze mijn ouders een boete kunnen geven. Ze hadden hen ook in Antwerpen kunnen overdragen aan de spoorwegpolitie. ‘Wat zeiden ze?’ vraagt mijn moeder als ze weer zijn doorgelopen. ‘Een boete of mee naar het politiebureau,’ zegt mijn zusje. ‘Het politiebureau?’ zegt mijn moeder, ‘Nou, mij mogen ze meenemen, hoor.’ Mijn vader haalt zijn schouders op en vraagt aan mijn moeder of ze volgend jaar weer naar Parijs zullen gaan. ‘Ja,’ zegt mijn moeder. ‘Laten we dat doen,’ Dat is dan afgesproken,’ zegt mijn vader. ‘Zo de Here wil en wij leven,’ ‘Maar dan wil ik wel alleen,’ zegt mijn moeder. ‘Zonder kinderen.’ ‘Misschien is Parijs wel de hemel,’ zegt mijn vader. ‘De hemel?’ zegt mijn moeder. ‘Die bestaat niet.’
’ Wat er na de Tweede Wereldoorlog in het micro de Koelewijnen overkomt, is voor een groot deel niet mals en voor de poes. Maar Jannetje Koelewijn zorgt ervoor dat haar kroniek niet loodzwaar wordt. Laat ik het zo zeggen: vaak heel lucide verwoordt zij het lot van de mens.
|
| |
| CULTUURMIX 22 NOVEMBER |
| |
|
DE BOSATLAS VAN DE GESCHIEDENIS VAN NEDERLAND
Het is bijna een cliché geworden om met deze lovende woorden een nieuw werk te introduceren, maar ik doe het bij volle bewustzijn en uit de grond van mijn hart toch. Een paar dagen terug reikte de postman mij een groot pakket aan, waaruit ik een heel lijvig kijk- en leesalbum kon schijven. Sindsdien ben ik in de ban ervan, want ik blijf met graagte erin verwijlen. Ik heb het over het 575 grote bladzijden tellende De Bosatlas van de geschiedenis van Nederland van Noordhoff Atlasproducties. Het gaat niet aan dat ik tracht u de grootsheid van dit bij voorbaat horizonverleggende, grandioze boek te verwoorden, want daar is het te origineel, te veelomvattend en te uniek voor. De atlas die in het Nederlandse onderwijs veruit het meest gebruikt wordt en daarom in ons land het meest bekend werd - uiteraard de Bosatlas - verscheen voor het eerst in 1877, kwam van de hand van de Groningse schoolmeester P.R. Bos, was handgetekend en beleefde in 2007 de 53ste editie. Leraar Bos van toen, die zijn atlas bij gelegenheid van de invoering van het vak aardrijkskunde op de HBS vervaardigde, zal niet bevroed hebben dat zijn creatie de basis vormde voor tal van visuele werken die geodata infrastructuur als thema hebben. Met als ultieme data De Bosatlas van de geschiedenis van Nederland, die via kaarten, foto’s, tabellen en schema’s onze vaderlandse geschiedenis in chronologische volgorde aanschouwelijk en daardoor beklijvend maakt.
Om de uitgever te citeren: ’In veertien hoofdstukken maken we een reis van de prehistorie naar het heden. Daarbij krijgen politiek-staatkundige ontwikkelingen veel aandacht: die lenen zich immers bij uitstek voor cartografische weergave. Maar daarnaast komen ook sociaal-economische, religieuze en culturele thema’s aan bod. Ook is een aantal pagina’s gewijd aan historische cartografie, waarbij de nadruk ligt op de verschillende functies die kaarten hebben gehad in politiek en maatschappij. Een andere lijn behandelt de ontwikkeling van het landschap, een verhaal waarin de strijd tegen het water een hoofdrol speelt. Tenslotte wordt ieder hoofdstuk afgesloten met een verzameling ‘lieux de mémoire’, plekken die ook vandaag de dag nog herinneren aan de betreffende periode.’
Karel Tomeï, de in 1941 te Rotterdam geboren fotograaf die gespecialiseerd is in luchtfotografie, zet in dit fenomenale en fantastische naslagwerk de toon met platen die elk chapiter kleur en aanzien geven. Zo start en finisht hij via opnamen van bovenaf met Bergse Maas, Oosterschelde en Tulpenvelden en daartussen bij de entree van elk hoofdstuk gezichten op Hunebedden, Romeins legerkamp, Ringburgwal, Binnenhof, Sint-Janskathedraal, Vesting Bourtange, de Beemster, Molens Kinderdijk, Engbertsdijkvenen, Fort Everdingen, Afsluitdijk, Kamp Westerbork, Hoogovens, Oosterscheldekering. En elke grote en grootse foto is een lust voor ons oog en een streling van ons gemoed.
Om u de verstrekkendheid van deze enorme atlas te illustreren geef ik u de titels van de veertien hoofdstukken en de onderverdeling in paragrafen van een van die stukken die model staat voor de andere. In de komende weken wil ik met pas op de plaats maken bij sommige items van dit illustere werk waarover ik u alleen in superlatieven kan melden. Overigens: dit boek voor het leven is tot eind 2011 voor vijf cent onder de honderd euro te koop, daarna dient u voor €119,95 te gaan! De in een mooie kartonnen hoes gevatte atlas kent de veertien titels: Prehistorie, Romeinse tijd. Merovingen en Karolingen. Graven en hertogen, Bourgondische en Habsburgse tijd, De Opstand, Bestand en vrede, De Republiek: soevereine staat, Van republiek tot koninkrijk, Naar een nationale identiteit, Eerste Wereldoorlog en interbellum, Tweede Wereldoorlog, Wederopbouw en Hedendaagse geschiedenis. Registers van trefwoorden en persoonsnamen sluiten de rij. Hoofdstuk 6 De Opstand loopt van 1555 tot 1609, telt veertig pagina’s en kent de deeltitels: Inleiding: In vogelvlucht, Tijdbalken, Europa in 1555; Het verloop van de Opstand: De Nederlanden, De Beeldenstorm, De Opstand I, De Opstand II, De totstandkoming van de Republiek, De opmars van Parma, Tochten van Maurits en Willem Lodewijk; Betuur, economie en expansie: De Republiek in 1609, Groeiende welvaart in het Noorden, De eerste ontdekkingsreizen. En vindt zijn afronding in Landschap en cultuur: Landschap: polders en turfstekerijen, Kunst en wetenschap, Cartografie: stadsplattegronden. Cartografie: nieuwsprenten. Cartografie: ontdekkingstochten naar de Oost, Cultureel erfgoed. Het begint u wellicht te duizelen, maar de pre van De Bosatlas van de geschiedenis van Nederland is dat het immer in uw nabijheid kan zijn. Uiteraard wilt u een citaat van mij om de toegankelijkheid van dit kaarten boek manifest te maken.
Ooit fietsten mijn echtgenote en ik in het Utrechtse ‘naar boven’ van Fort Vuren via o.a. Lunetten en Fort de Gagel naar Muiderslot. Wij verlustigden ons in het blikken naar landschappelijk en stedelijk schoon. Op bladzijde 349 lees ik onder het kopje ‘De Nieuwe Hollandse Waterlinie: ‘Het water is, zoals het cliché luidt, de natuurlijke vijand van Nederland. Maar tegelijkertijd is het ook een natuurlijke bondgenoot, omdat het ongewenst bezoek tegen kan houden. In 1629 wordt de eerste waterlinie aangelegd, de Utrechtse Waterlinie tussen Muiden en Vreeswijk. De linie bestaat uit een aantal schansen en inundatiesluizen, waardoor water uit de Zuiderzee en de Lek kan worden binnengelaten. De bedoeling van de linie is een groot gebied te inunderen met net genoeg water om wegen en sloten onzichtbaar te maken, maar ook weer niet te veel, om varen onmogelijk te maken. In 1672, het Rampjaar, wanneer de Republiek van verschillende zijden wordt aangevallen, wordt de linie doorgetrokken naar de Waal bij Gorinchem. Mede dankzij deze nieuwe linie, de Hollandse Waterlinie, worden de Fransen tegengehouden. In de winter van 1794 vallen de Fransen opnieuw Nederland binnen, maar dit keer kunnen zij ongehinderd opmarcheren, omdat de geïnundeerde
gebieden bevroren zijn. Het Franse bezettingsleger onderkent desalniettemin het strategische belang van de linie en verbetert haar door onder andere het hooggelegen Utrecht te omringen met een groot aantal forten. Ver naar het oosten, bij de Duitse grens op de plek waar de Rijn zich vertakt in de Waal en het Pannerdens Kanaal, wordt een groot fort gebouwd om te voorkomen dat de vijand de watertoevoer via het kanaal naar de Lek zal blokkeren. Gedurende het grootste deel van de 19e eeuw wordt verder gewerkt aan de linie, inmiddels omgedoopt tot Nieuwe Hollandse Waterlinie, De linie is ongeveer 85 kilometer land en drie tot vijf kilometer breed en loopt van de Zuiderzee (Pampus) tot de Biesbosch. Op 46 plaatsen waar inundatie moeilijk of onmogelijk is of waar wegen de linie doorkruisen, zijn forten en verdedigingswerken gebouwd.’
Op de ernaast staande kaart zie ik in één oogopslag waar wij destijds onze wielen hebben laten draaien. In helder blauw ligt daar de linie die indringers moest weren. Maar liefst over de 1500 kaarten geven met onze liniekaart aan onze vaderlandse en individuele geschiedenis een ruimtelijke dimensie. Deze atlas is naar vorm en inhoud een beauty!
WIJ DANSEN NIET
Een naar vorm en inhoud meeslepend boek heb ik voor u, want zo goed geschreven is het
intrigerend beschreven relaas erin. Ik heb het over de psychologische roman Wij dansen niet van Ellen Heijmerikx die 191 bladzijden telt en in het fonds van uitgeverij Nieuw Amsterdam opgenomen is. In no time is de derde druk verschenen en de verkoopcijfers van Siebelinks Knielen op een bed violen en Treurs Dorsvloer vol confetti zullen dan ook terecht ingehaald worden. Vandaar dat op de cover onder de afbeelding van een jong, doordringend en vol vertrouwen kijkend meisje van een jaar of negen het citaat staat ‘Een vrouwelijke Jan Siebelink’. Wat Ellen Heijmerikx (1963), Jan Siebelink (1938) en Franca Treur (1979) met elkaar gemeen hebben? Zij verwoorden de trieste gevolgen die opgedrongen religieuze gevoelens teweeg kunnen brengen. In Wij dansen niet gaat het om de bizarre invloed die de bestaande sekte Noorse Broederschap kan uitoefenen.
Om u het wondermooie, suggestieve proza en de razend knappe, overrompelende verhaaltrant van Ellen Heijmerikx te etaleren ga ik haar citeren. En wel met de eerste bladzijden van hoofdstuk 24 waarin de wat eigenzinnige titel Wij dansen niet aan de orde komt. Voor een goed begrip echter geef ik eerst de context. Hoofdpersonage Janne van negen lentes woont met haar ouders en broer IJze het hele jaar 1959 en begin 1960 in de buurt van IJmuiden bij zee en duinen. Jannes vader, afkomstig uit Twente, werkt in een staalfabriek die wel voor de Hoogovens zullen staan. Haar moeder zingt, danst, maakt jurken op de naaimachine, typt brieven voor haar baas, zoals vader staalplaten moet nummeren. Maar vader overkomt een ongeluk op zijn werk, hij verwondt zijn handen en kan een tijdlang niet werken. Dan wordt hij gegrepen en gooit zijn leven radicaal om: hij sluit zich aan bij de Noorse Broederschap die door zoon IJze de Vikingen genoemd wordt. Zijn vrouw volgt hem waardoor het huishouden in een ommekeer belandt. Zo verdwijnen aardse zaken als radio, platenspeler, speelgoed, sieraden, eigentijdse kleding en wat ‘frivole’ foto’s van eertijds. Op school mag er niet meer aan toneel worden gedaan en zijn seks en dansen taboe. Ook voorbehoedsmiddelen zijn verboden zodat zusje Jette geboren wordt. Door toedoen van de verwarde en krampachtige geloofsopvattingen van Janne loopt het met haar overigens heel macaber af. Een volgende keer wil ik met u langer verwijlen in Wij dansen niet. Dan sta ik vooral stil bij het fenomeen van kastijden dat in het gezin zijn intree doet (de ijzeren pollepel!) en bij de blauwstaartvis, de pop Ilse en de konijnenmoeder, die ook dienen te boeten. De door mij verwoorde motieven komen alle direct of indirect aan bod in de volgende passage die ik u nu doorgeef. N.B. Ik wil nu al gezegd hebben dat wij in Ellen Heijmerikx een literair auteur van formaat hebben.
Ik citeer: ‘Die nacht steeg de kou op door het zeil van IJzes slaapkamer, spoelde als kille golven over het luchtbed, doorweekte de schapenvacht, het laken, de dekens. Janne stond op en kroop klappertandend naast het warme, magere lijf van haar broer. De wind beukte tegen het huis, raasde door de goot en wroette tussen de dakpannen. Hij rukte aan de afvoerpijp, die losbrak en met een luid geratel tegen de bakstenen klapperde. IJze sloeg een arm om haar heen, snurkte als een big in het varkenskot en Janne warmde haar voeten tegen zijn schenen. En zo vond Itsje hen de volgende ochtend. Ze torende hoog boven hen uit, klemde haar lippen opeen alsof ze nooit meer een woord zou spreken en stuurde IJze en Janne zonder eten naar school.
Tijdens het speelkwartier keek juffrouw naar Janne alsof ze haar een lange tijd niet had gezien. Ze riep. Janne moest op een kruk komen zitten naast haar bureau en frummelde aan haar rok. Kwamen er nu weer moeilijke vragen? Haar maag rammelde. Maar juf zette haar bril af, haalde een chocoladereep uit een la, scheurde de wikkel los en brak er een stuf af. Ze stak het Janne toe en glimlachte. ‘Je ziet er zo prachtig uit vandaag, Janne, heb je een nieuwe trui?’ Janne knikte. ‘Van opa Bos.’ Ze beet twee blokken af van de reep, kauwde en zoog de chocola achter haar kiezen langs haar keel in. De wol van de trui was zacht. Heen anders dan de ruwe bollen waar oma uit de Nachtegaalstraat mee breide. Onnodig duur, had haar vader gemompeld. Maar hij was blij geweest met de envelop die opa Bos op de schoorsteenmantel had achtergelaten ondanks zijn onwil om naar de broeders te komen luisteren. Haar vader had tussen zijn tanden gefloten toen hij de biljetten telde. Janne lachte naar juffrouw. ‘Er zitten vlinders op de mouwen.’ ‘En ben je blij met je nieuwe zusje?’ ‘Ja,’ Ze knikte. ‘Jette is onze engel. Zij is uitverkoren,’ ‘Zo, dat is mooi. ‘Juf leek opgelucht, ‘En ben jij ook uitverkoren?’ Janne beet op het laatste blok chocola, gaf met volle mond antwoord, wat haar moeder beslist zou afkeuren, maar juf zei er niets van. ‘Jawel. Maar ik ben in de wereld geboren. Ik moet eerst sterven, net als een zaadje in de aarde.’ Haar lippen kleefden, ze likte ze af. Toen haar vingers. Haar honger was nog lang niet gestild. ‘Zeg eens eerlijk, Janne,’ Juffrouw boog naar haar toe. Ze verborg de andere helft van de reep onder haar hand en fluisterde. ‘Vind je het echt fijn om bij die geloofsgemeenschap te horen?’ ‘Ja’. Janne moest lachen om de rare vraag, hikte ervan. ‘Wij zijn uitverkoren. Wij mogen met Jezus mee als hij terugkomt op de wolken.’ Ze duwde haar vuisten tegen haar maag, probeerde niet aan de reep te denken en keek juffrouw strak aan.
‘En u komt in de grote verschrikkingen terecht.’ Ze liet haar stem dalen, fluisterde bijna. ‘Mag ik nog wat chocola?’ ‘Vind je het dan helemaal niet erg dat je niet mee mag op schoolreisje of geen sieraden mag dragen zoals de andere meisjes?’ ‘Nee.’ Juf moest haar geloven. ‘En met al die wereldse spullen pas ik niet door de smalle poort. Dat is toch logisch.’ Juffrouw begreep het gelukkig, Ze zuchtte. ‘Ik zie je zo graag lachen, spelen en dansen met andere meisjes.’ ‘Wij dansen niet.’ De woorden leken wel stenen die ze in een sloot liet plonzen. Ooit zou juf wensen dat ze ook die keuze had gemaakt. Als Jezus terugkwam en alle mensen die op aarde achterbleven zouden worden als duivels. Juffrouw kneep haar lippen opeen en knikte. Ze gaf Janne eindelijk de rest van de aangebroken reep, greep haar hand en streek langs de vingertoppen, de afgekloven nagels. Toen aaide ze over haar hoofd, de dikke strengen haar aan weerszijden van de scheiding en liet haar hand daar rusten. Vreemd lang. En Janne stond het toe, vanwege de chocola.’
|
|
| |
| CULTUURMIX 15 NOVEMBER |
| |
|
VERLEDEN IN VERF
Het 272 bladzijden tellende, fraai ogende, kunstboek heb ik nog maar een enkele dag in huis en nu al ben ik eraan verslingerd. In bijkans literaire taal wordt op onderhoudende en informatieve wijze de hele vaderlandse geschiedenis verhaald met als bronnen van inspiratie artistieke werken die toonzettende gebeurtenissen verbeelden. Ik heb het over Verleden in verf van Hans den Hartog Jager en Pieter Steinz, dat als ondertitel ‘De Nederlandse geschiedenis in veertig schilderijen’ draagt. De door mij zo beminde uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep onderscheidt zich voortdurend door het brengen van toegankelijke werken die kunst als thema hebben. Vrij recent legde ik van haar Dit is Nederland – In tachtig meesterwerken en Verf - Over veertien moderne Nederlandse schilders van kunstcriticus Den Hartog Jager in ons midden. Voldaan en verheugd konden wij vaststellen dat op ontspannen maar indringende wijze kunst uit de doeken wordt gedaan. Ook van zijn collega-schrijver, historicus Pieter Steinz, heb ik niets anders dan goeds te melden. Ik noem van hem De duivelskunstenaar (Prometheus) over doctor Faust en Macbeth heeft echt geleefd (Nieuw Amsterdam) over zestien Europese literaire helden, en u weet wat ik wil zeggen: wij kwamen veel te weten over auteurs die er echt toedoen.
Nu sjouwen hij en zijn kompaan door ons gezamenlijke verleden en laven zich onderweg aan veertig boeiende beelden van verf. Zo gaan hun stukken van ‘Het hunebed van Tynaarlo’, ‘De samenzwering van Claudius Civilis’, ‘Portret van Karel de Grote’, ‘De Noormannen voor Dorestad’ tot ‘Portret van Koningin Wilhelmina’, ‘Après nous le déluge’, ‘Sebrenica’, ‘The Neighbour’. Voor goed begrip: ‘Na ons de zondvloed’(1995) van Rob Scholte is een combinatie van moderne en 17e -eeuwse motieven en symbolen, Marlene Dumas schilderde in 2005 Mohammed Bouyeri die buurman Theo van Gogh vermoordde. Op de omslag van Verleden in verf prijkt een afbeelding van ‘Het Stadhuis op de Dam te Amsterdam’ dat Gerrit Berckheyde in 1673 schilderde. In het hoofdstuk dat Pieter Steinz aan dit in historie gedempte werk wijdt, wordt het verheffende verhaal verteld van het toen eigentijdse Capitool, dat op wens van de burgemeesters herinneringen zou oproepen aan het hogelijk bewonderde Romeinse Rijk, waarin de voorouderlijke Bataven hun ‘finest hour’ beleefden.
Om u de veelzeggendheid en de taalrijkdom van Verleden in verf te illustreren ga ik citeren. En wel de beginpassages uit het chapiter ‘Charley Toorop: ‘De clown voor ruïnes in Rotterdam’ -1941. Steinz zegt: ‘Natuurlijk is er maar één icoon van het bombardement van 14 mei 1940 op Rotterdam: Ossip Zadkines ‘De verwoeste stad’, het bronzen beeld van een figuur zonder hart die wanhopig zijn handen ten hemel heft. Maar stel dat ‘Jan Gat’ (zoals hij in de volksmond wordt genoemd) niet in 1953 aan de Leuvehaven was neergezet, welk kunstwerk zou dan het trauma van de stad hebben belichaamd? Ongetwijfeld ‘Clown voor ruïnes’ van Charley Toorop (1891-1955), het schilderij waaraan de Noord-Hollandse realiste vrij kort na het bombardement op Rotterdam begon. De gevolgen van de Duitse luchtaanval – uitgebrande gebouwen en een verkoolde boom – zijn alleen op de achtergrond te zien, in zwart-wit eb zichtbaar nageschilderd van een van de foto’s die haar schoondochter Eva Besnyö van de ravage in de verwoeste binnenstad had gemaakt.
De aandacht wordt getrokken door het bovenlijf van een kleurig aangeklede clown met een dubbele kraag en een puntmuts met een rode pompoen. Hij is wit-met-rood geschminkt en heeft een droefstarende blik in zijn ogen. Uit zijn wijde mouwen met brede manchetten steken twee in elkaar gewrongen handen. Geen vrolijk gezicht, deze komediant van de droevige figuur. Nu worden clowns en harlekijns in de beeldende kunst wel vaker oneigenlijk gebruikt om de tragiek van de wereld (of de somberheid van de kunstenaar) uit te drukken; denk aan de tranentrekkende pierrots die tot de clichés van het posterbedrijf behoren. Maar Charley Toorop ging in de eerste plaats uit van de werkelijkheid. Haar clown was een Rotterdammer van vlees en bloed, een wereldberoemde artiest die bij de vernietiging van de binnenstad alles had verloren, en (zoals Toorop het in een van haar brieven verwoordde) ‘nu op zijn zeventigste weer op straat staat.’ Zijn handenwringende triestigheid is dus niet gespeeld; zijn weerloosheid is écht, hoewel ze natuurlijk ook een symbool is voor de ontreddering van Rotterdam, dat op de vijfde oorlogsdag binnen tien minuten met honderdduizend kilo brisantbommen werd bestookt en van zijn hart ontdaan. Met als resultaat 800 doden en de onmiddellijke overgave van Nederland aan de binnengekomen nazi’s.’
Tot zover Steinz, die evenals zijn collega voor de helft van de stukken tekende. Verderop in zijn verhaal tipt hij de werken ‘Arbeidsvrouw in ruïnes’ van Toorop en ‘De brand van Rotterdam’ van Chabot aan en wijst onderweg op details van ‘de clown’. En zo kom ik op een van de verdiensten van Verleden in verf: de auteurs leren ons goed kijken en veel ontdekken. Overigens: de illustraties (ook buiten de veertig) zijn een lust voor het oog en een streling van het gemoed.
KOETS NAAR WENEN
Het overkomt mij niet vaak dat ik na het doornemen van een boek het meteen weer oppakt om het wederom te lezen , en dat omdat de vorm en de inhoud ervan mij zo boeiden. Zo’n heuglijke meeting mocht ik voorbije weekend ervaren, toen ik de 128 bladzijden tellende novelle Koets naar Wenen van Tsjechische schrijver Jan Prozáchka – hij leefde van 1929 tot 1971 - en van uitgeverij Wereldbibliotheek in één rush tot mij genomen had. Ik werd geconfronteerd met ware literatuur. Ik zal u Prozáchka doen opklinken door de eerste passage van Koets naar Wenen door te geven. Voor een goed begrip en het verdere verloop vertel ik u vooraf de vertelsituatie zonder al te veel van de verwikkeling prijs te geven. De spanning, in de betekenis van de drang om verder te lezen, moet er immers voor u in blijven zitten. In de allerlaatste dagen van het Derde Rijk – dus mei 1945 - zijn twee Duitse soldaten uit Wenen op de vlucht voor de naderende Russen. Het duo, waarvan een zwaar gewond is geraakt en ten dode opgeschreven is, weet niet dat een Moravische boer op gruwelijke is vermoord. Als zij in dezelfde nacht van de ophanging door de Duitsers in het huis van zijn echtgenote binnendringen, dwingen zij haar hen met een boerenkar – de koets uit de titel – naar Oostenrijk te brengen. De vrouw Krista neemt een bijl mee om haar man te wreken en misleidt de twee door rondjes te rijden in het nabije bos, wachtend op het moment om toe te slaan. Rijdende en lopende weg ontstaat er iets van een tedere band tussen de 19-jarige soldaat en de pas geworden weduwe, die zoals uit flashbacks blijkt, een hard en ellendig boerenbestaan diende te lijden. Zo lezen wij: ‘Ze had de enorme handen van haar man, de enige mannenhanden die haar hadden aangeraakt, gisteren in de grafkist niet eens kunnen vouwen. De koster had het ook geprobeerd, Ten slotte hadden ze ze maar met een rozenkrans om de duimen over elkaar gelegd. Hij wekte haar elke dag, hij kon haar nooit wakker krijgen, ze kwamen laat terug van hun werk, kropen meteen in bed, om de volgende ochtend gelijk weer naar het werk te vertrekken. ‘Na je dood kan je blijven liggen,’ zei hij altijd tegen Krista. ‘Pas als we dood zijn, gaan we rotten!’ De hele dag waren ze op het land of tussen het vee, en als ze in hun slaap door een droom werden bezocht, droomden ze enkel weer dat ze op het veld stonden of in de stal waren.’
En even verderop staat: ‘Ondanks het geestdodende geploeter leken haar de echtelijke dagen draaglijker dan de nachten.’ En: ‘Ze lag onder zijn botten en spieren als onder een verstikkende grafsteen. In de plakkerige stilte zei hij dan: ‘Ik heb straks niet genoeg mest voor de bieten,’ Krista mist genegenheid in het gewone leven en de kleine immer bange en immer bibberige soldaat lijkt die haar te schenken. Totdat de partizanen tussenbeide komen. Koets naar Wenen: een juweel van een boek.
Ik citeer: ‘Ze hadden de man van de landvrouw opgehangen. Niet dat hij gevochten had tegen iemand. Ze hadden hem omgebracht enkel ter waarschuwing. Hij had een paar zakken cement gestolen. Ze had de dode dezelfde nacht begraven, het front naderde, wie weer hoe lang ze dan nog zou moeten wachten. Voor het eerste hanengekraai waren twee soldaten het sterfhuis binnengegaan en zonder enig vermoeden van wat zich daar had afgespeeld hadden ze de weduwe opgedragen de boerenwagen gereed te maken, de paarden in te spannen en samen te vertrekken. Ja, dacht ze, dit is een heldere aanwijzing van God. Ze bad Hem om de kracht gerechtigheid te doen en niet week te worden. Tussen een paar hooibundels smokkelde ze een bijl mee. Ze verborg hem tussen de achteras en de langwagen. Daar had hij zijn vaste plek. Daar stopten ze hem altijd als ze naar het bos reden. Zelfs nu konden ze alleen weg door het bos. Bossen omsingelden het dorp. Ze vertrokken in et donker. Een goed uur lang baanden ze zich een weg door de nacht. Sterren rezen en verbleekten boven de kar. Het kattenoog danste boven de stompe koppen van de ruinen. Het spoor en ook de wagen zwenkten alle kanten op, maar keer op keer kwamen ze weer uit bij de morgenster. Water kabbelde, het levenstocht raasde, overal puilde het groensel uit. Wat groeit en bloeit sloeg zijn tentakels uit in het donker, woelde boven de greppel, slobberde als brooddeeg in de bakkerstrog. Een hoefijzer rinkelde, een velg knarste in de band, een vogel liet zijn kreet horen. De bok van de wagen stak als een grafkansel af tegen de hemel. Alleen de hoofddoek van de weduwe was nog zwarter, Ze zat rechtop en streng. Achteloos hield ze de leidsels beet met de endjes vrij in haar wijde schoot. Ze spoorde de paarden niet erg aan. Ze nam waar nodig de teugels op. trok ze aan of liet ze vieren.
Steeds als de wagen begon te schommelen, greep ze zich vast aan de voorbank. Ze had een breed voorkomen met knoken die scherp uitstaken bij de gewrichten. Ze was eerder vierkant dan mollig. Voor de reis had ze kistjes aangetrokken. Het kleine soldaatje liep voor de wagen uit met zijn geweer. Hij struikelde doorlopend. Als zij versnelde, begon hij te draven. Wat een broekie, dacht ze. Melkmuil en uitschraapsel, schamperde ze bij zichzelf tegen het soldaatje. Uitschraapsel was echt lelijk. De gewonde Duitser lag op het hooi.
Toen ze wegreden kermde hij, nu was hij stil; de klokken luidden al voor hem en de hemelpoort ging al voor hem open. Af en toe keek ze over haar schouder en lette ze op zijn gezicht. Door de zwachtel om zijn middel had hij een dikke buik. Een enkele keer duwde hij zich op zijn ellebogen over het schot, sloeg zijn hoofd naar achteren, rochelde en spuugde bloed. Ze voelde geen medelijden. In haar wereld was geen plaats voor gevoel. Hij gaat vanzelf. Hij is er al bijna geweest. Zijn kaarsje is op. Er blijft er maar één over.’
|
|
| |
| CULTUURMIX 8 NOVEMBER |
| |
|
Geschiedenis van Rotterdam
Mijn vader verhaalt er in zijn getypte memoires uit de jaren 1976-1977 schamper over: in 1941 bewerkstelligden de Duitse bezetters met één pennenstreek dat wij van dorpelingen stedelingen werden door ons Kralingseveer, gelegen aan Hollandse IJssel en Nieuwe Maas, van Capelle a/d IJssel administratief te laten verkassen naar Rotterdam. In een mij van meet af dierbaar lees- en kijkalbum las ik dat toen ook IJsselmonde, Hillegersberg, Schiebroek , Overschie een zelfde lot beschoren was. Ik heb het over weer zo’n karakteristiek werk van uitgeverij Walburg Pers, te weten: het 200 grote bladzijden tellende Geschiedenis van Rotterdam van het trio Els van den Bent, Wilma van Giersbergen en René Spork met de ondertitel ‘De canon van het Rotterdams verleden’. Als u dan nog weet dat op de cover de mededeling ‘In vijftig vensters’ prijkt te midden van een groot scala aan afbeeldingen, portretten, schilderijen en kaarten herkent u de immer welkome formule. Nog niet zo lang geleden gewaagde ik u over de geboorte van het illustere platenboek Geschiedenis van Oranje, dat ik graag ging toevoegen aan Meesters van de Gouden Eeuw, Geschiedenis van Nederland, Maritieme Geschiedenis, Geschiedenis van Nederland 1940-1945 en Geschiedenis van Vlaanderen. Het verheugt me dan ook zeer dat ik naast dit sextet een werk kan plaatsen dat dezelfde kenmerken heeft, dus een historische album van naar vorm en inhoud grote klasse. Ook nu hanteert Walburg Pers de werkwijze van canon, dat wil zeggen: zij laat zich inspireren door het geheel van teksten, beelden, kunstwerken en gebeurtenissen dat het referentiekader is van een cultuur, in dit geval van de Maasstad. En dat betekent dat er vensters geopend worden van toen naar nu. Van ‘Rotta en wat eraan voorafging’, ‘De Rotte-dam’ en ‘De strijd tegen het water’ tot aan ‘Politiek en protest’, ‘Geannexeerde gemeenten’ en ‘De brandgrens tot besluit’. In die vijftig panorama’s ontmoeten wij ook de facie van bekende Rotterdammers. Zo die van heer Van Borselen, humanist Erasmus, pastoor Duifhuis, koopman Van der Veeken, vlootvoogd Hein, regent Vroesen, schildersdochter Van der Werff, predikant Jurieu, keurvrouw Mossel, dompteur Martin, actrice Klein, ingenieur Caland, zakenman Pincoffs, politica Groeneweg, journalist Brusse, dichter Vaandrager, schrijfster Blaman, cabaretier Cox, bokser Van Klaveren en voetballer Moulijn.
Om op die annexatie terug te komen: ingezetene van Rotterdam zijn beviel mij goed. Ik zag noodwinkels op Coolsingel, liep om geruïneerde Laurenskerk, kreeg van Coster op Korte Hoogstraat horloge cadeau bij kostuum, fietste naar HBS aan Henegouwenplein, bezocht met vriendin bioscoop Rex aan Middellandstraat, bezocht wedstrijden van Xerxes en Sparta, studeerde aan Nutsacademie, bewonderde museum Boijmans, keek aan Leuvehaven naar vuurwerk. Ik zou nog lang met persoonlijke herinneringen aan het Rotterdamse door kunnen gaan. Rovertje spelen in Kralingse bos, zeilen op Kralingse plas, op visite gaan in Bethesdaziekenhuis, kwitanties lopen voor krant vader in Blijdorp, in kaart brengen wandelpark Arboretum, tandarts bezoeken en aardbeien plukken in IJsselmonde, lopen langs de afgedankte spoorbaan, voetbaltoernooien aan Terbregse weg, deze activiteiten kleurden mijn jonge jaren in en gaven houvast.
U begrijpt dat Geschiedenis van Rotterdam voor mij deels een reis naar het land van ooit is. Ik idealiseer het verleden niet maar ik vind het mooi meegenomen dat mijn jeugd naar behoren verliep en de context daarvan wordt mij nu gegeven. Om met Jantje Steenhuis via haar ‘Woord vooraf’ te spreken:’ En: verbondenheid met buurt, wijk, gemeente of land krijg je pas als je meer weet van de geschiedenis ervan. De kennis kunt u op peil houden met publicaties als deze.’ Het gaat niet aan dat ik met u een tocht maak door de vijftig rijk geïllustreerde chapiters, daar is het bij voorbaat succesvolle werk te omvattend voor. Veel beter is dat ik met u momenten verwijl in het stuk ‘Huizen en heerlijkheden 1600-1900 (2000)’ dat als introductie kent: ‘In de zomer ontvluchten rijke Rotterdammers de vieze en drukke stad en brengen de tijd door in hun zomerverblijven. Ze liggen in aantrekkelijke gebieden, die over land of water goed bereikbaar zijn. Gaandeweg wordt het te kostbaar om deze enorme complexen te onderhouden en veel buitens vallen ten prooi aan sloop of worden verkocht en verbouwd, In Rotterdam is de lijst van verdwenen buitenhuizen vele malen langer dan die van de nog bestaande.’
Met gevoelens van nostalgie kijk ik vervolgens naar de zes afbeeldingen met buitenplaatsen De Heuvel, Vijverhof, Vredenoord, Huis te Krooswijk, tolhuis de Bontepaal en villa Dijkzigt. Gaat u hun fundamenten maar na!
Israël in 60 dagen
Ik houd van non-fictie verpakt in literaire vorm en als er ook nog beelden bijkomen, zit ik helemaal gebeiteld. In zo’n heuglijke happening belandde ik toen ik het 208 bladzijden tellende reisverslag Israël in 60 dagen van Sarah Glidden en uitgeverij De Bezige Bij in handen kreeg. De zeven hoofdstukken eruit (Orientation – Golan Heights – Kinneret – Tel Aviv – Desert – Jerusalem – Post Birthright) nam ik in één ruk tot mij en dat vooral omdat het thema mij zeer boeit. Ik vertel u de entree van de op eigen ervaringen berustende eerste graphic novel van de in Boston in 1980 geboren Sarah Glidden. Zij is een Amerikaanse met Joodse roots en in maart 2007 maakt zij zich klaar voor de reis Birthright die wereldwijd sinds 2000 aan onorthodoxe Joodse jongeren tussen 18 en 26 jaar aangeboden wordt. Het doel van die wekenlange tocht is de jeugdige Israëli’s, verspreid over de aardbodem, zich verbonden te laten voelen met het Beloofde Land. Glidden had in het verleden dit aanbod weerstaan omdat ze ervan overtuigd was dat deze rondreizen toch enkel propaganda van de staat Israël waren.
Tijdens een discussie met haar moeder over het Israëlisch- Arabische conflict kreeg ze de raad toch deel te nemen aan een Birthright tour om haar meningen eens aan de realiteit te toetsen. Toen begon bij haar ook het idee te dagen dat het wel eens een goed idee zou kunnen zijn om deze ervaring te gebruiken voor een beeldroman. In het begin van Israël in 60 dagen zien we dan ook Sarah zich klaar maken voor de reis. Jamil, haar partner wiens vader een Pakistani- moslim is, toont zich duidelijk bezorgd en is bang dat zijn vriendin omgeturnd zal worden. Sarah heeft zich in de aanloop tot haar vertrek echter grondig gedocumenteerd om intellectueel sterk gewapend te zijn tegen elke vorm van propaganda van de veronderstelde wrede Joodse natie . De wolkjes bij de eerste plaatjes spreken voor zich. Sarah heeft geboekt voor de vlucht El Al naar Tel Aviv en zegt: ‘Oké, Jamil, ik ben gereed om erheen te gaan en de waarheid achter die hele rotzooi te ontdekken. Als ik terugkom is alles glashelder!’ Jamil: ‘Geweldig! Dan hoeven we er nooit meer over te praten!’ Sarah: ‘Ik was er de afgelopen maand nogal obsessief mee bezig …’ Jamil: ‘Anderhalve maand.’ Sarah: ‘Ja. Ik had een hoop in te halen. Ik moest me pantseren tegen de propaganda waarmee ze me gaan overstelpen!’ Jamil: ‘Als dat ervoor zorgt dat je niet gehersenspoeld als een schuimbekkende zioniste terugkeert, die meteen haar ‘goj’ vriendje dumpt, dan was het het waard.’ Sarah: ‘Daar hoef je niet bang voor te zijn.’ Dat ‘goj’ staat voor het Hebreeuwse ‘volk’ en slaat op niet-Joden.
Op de Amerikaanse vlieghaven ontmoet Sarah Melissa Shaw die vanwege strenge veiligheidsprocedure eruit gepikt is, omdat het na 9/11 is, zij haar Hebreeuwse naam niet weet en terrorisme op de loer ligt. Niet lang na aankomst in Israël wordt ze verrast door de jonge gids Gil die op een verrassend eerlijke wijze de feiten genuanceerd uiteenzet. Als locaties zoals Tel Aviv, Dode Zee, Golan- hoogvlaktes en Jeruzalem worden aangedaan, begint Sarah steeds meer in te zien hoe het conflict veel complexer is dan ze vermoedde. Zij wordt helemaal ontregeld doordat zij door deze nuancering geen antwoorden vindt voor problemen die voordien meer zwart-wit in haar hoofd waren gebeiteld.
Vooral de visites van Sarahs groep aan de Negev woestijn, de rotsvesting Massada, het Holocaustmonument Yad Vashem, de Dode Zee en de Westmuur -Tempelberg in Jeruzalem fascineerden mij. Het meest werd ik echter getroffen via de antwoorden die in de kibboets Degenia bij het Meer van Galilea op een avond door de reiskompanen gegeven worden over de vraag wat het betekent om Joods te zijn. De reisgenoten moeten de zin ‘Ik ben een Jood omdat …’ afmaken. Ik citeer: ‘Ik ben een Jood omdat mijn ouders Joods zijn’, ‘Ik ben een Jood omdat ik half Joods en half protestants ben, maar mijn moeder is Joods, dus ik ben officieel een Jood’, ‘Ik ben een Jood omdat ik christelijk opgevoed ben in de Oekraïne. We emigreerden naar de VS toen ik veertien was. Op een dag ging ik met een vriend naar een synagoge en ik voelde dat ik daar thuishoorde. Een jaar later werd ik Joods’ en ‘Mijn moeder bekeerde zich ook tot het Jodendom. Toen ik opgroeide, moest ik me steeds verdedigen omdat we in Arkansas woonden en wij de enige Joden waren. Nu voelt het als iets wat je moet koesteren, snap je?’ Nu Sarah: ‘Nou, mijn familie is niet erg religieus, maar ik kreeg van hen wel degelijk een belangstelling voor de culturele kant van het Jodendom mee. Ze brachten me liefde voor leren, eten en discussiëren bij.’ Vooral dat laatste is Sarah op het lijf geschreven, want te pas en te onpas gaat zij de discussie aan. Centraal stelt zij daarbij de vraagtekens die zij zet achter bij de retoriek over de zogenoemde helden en pioniers van het vroege zionisme. Zo merkt zij geïrriteerd op dat toen in 19e en 20e eeuw de zionisten van Palestina een Joods thuisland wilden maken dat land geen verlaten woestenij was, maar er mensen woonden. Objectief en eerlijk geeft zij haar observaties weer zonder zichzelf te sparen. Absolute waarheid bestaat niet en de luchtige striptekeningen onderlijnen dit.
|
| |
| CULTUURMIX 1 NOVEMBER |
| |
|
Een schrijver ziet meer
Twintig Nederlandse auteurs van naam en faam werden uitgenodigd zich te laten inspireren door een schilderij uit de zeventiende eeuw dat al jaar en dag onvergetelijk mooi hangt te zijn in het Rijksmuseum. Zij mochten naar Amsterdam togen om hun favoriete werk op zaal te aanschouwen en thuisgekomen moesten zij zich door het geziene aan de wand op het idee komen van een literair getint verhaal dat het moment suprême vlak voor de vervaardiging weet te vangen. Het resultaat is gevat in een artistiek boek dat een lust voor het oog en een streling van het gemoed is. Het gaat om Een schrijver ziet meer met als redactie Greetje Heemskerk, Wieneke ’t Hoen en Maarten Valken, met als ondertitel ‘Nederlandse auteurs en het Rijksmuseum’ en met als uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep. Ik nam het twintigtal tintelende stukken tot mij en kon mij helemaal aansluiten bij het gezegde in het Voorwoord van museale hoofddirecteur Wim Pijbes. De man die Rem Koolhaas’ Kunsthal Rotterdam in de periode van 1996 tot 2008 omhoog stootte in de vaart der volkeren zegt daar o.a.: ‘Het resultaat is net zo verbluffend als Berckheydes schilderij. Iedereen ziet iets anders. Een schilderij kan jeugdherinneringen oproepen of je doen inleven in de situatie van een ander. Het kan je blik verruimen, je laten wegdromen, je fantasie in beweging zetten. Kunst uit het verleden genereert nieuwe kunst van hedendaagse schrijvers.’ Voor een goed begrip: Pijbes refereert aan het schilderij ‘Gezicht op de Herengracht’ vervaardigd rond 1672 door Gerrit Berckheyde dat hij omschrijft met woorden als ‘van tijdloze schoonheid’, ‘sereen’, levendig’, ‘een verhaal vertellend’. Dat de twintig literatoren bewogen werden tot literaire hoogstandjes bewijzen Bernlef, Adriaan van Dis, Herman Pley, Fik Meijer, Herman Koch, Gerbrand Bakker, Geert Mak, Kader Abdolah en Laurentien van Oranje. Dit negental liet zich tot schrijven aanzetten bij het zien naar respectievelijk ‘Het toilet’ van Steen, ‘Oost-Indisch Markstalletje’ van Eckhout, ‘De Nachtwacht’ van Rembrandt, ‘De grootmoedigheid van Scipio’ van Van Mander, ‘Portret van Gerard Andriesz. Bicker van Van der Helst, ‘Het drijvende veertje’ van d’Hondecoeter, ‘Jan Six’ van Rembrandt, ‘Het straatje’ van Vermeer en ‘De avondschool’ van Dou. Overigens: de Laurentien is een van onze prinsessen. Een van de mooie facetten van ‘Een schrijver ziet meer’ is dat alle twintig schilderijen bij de binnengekomen teksten afgebeeld zijn; ook ‘Gezicht op de Herengracht’ van Berckheyde dat de omslag siert.
Niet alle genodigden kwamen tot verhalend proza, zo kwam Anna Enquist tot een staaltje van poëzie nadat zij het schilderij ‘Brieflezende vrouw’ uit rond 1662 van Johannes Vermeer in zich had laten dalen. Zij als dichteres bezorgde het blauwe kunstwerk een eigen emotie. Toen de moeder van mijn echtgenote in 1995 het leven liet, werden de klokken in haar sterfhuis stilgezet. De tijd op straat waar het dagelijkse doen en laten ongeïnteresseerd voortging, kwam niet tot stilstand. De tijd in huis werd aan banden gelegd, werd gestremd. Mijn schoonvader wilde dat de tijd pas op de plaats maakte of beter: de adem inhield. Om met Enquist te spreken: hij knevelde de tijd en hij stolde tijd. Ik laat u haar gedicht horen, waarin zij de dode tot leven wekt.
Brieflezende vrouw
Je vraagt wat deed ik voor ik bij het raam
de brief los vouwde. Wel – ik las de brief.
Er zijn twee soorten tijd. De ene, die ik haat,
verstrijkt hierbuiten. Als mijn voet de drempel
kruist staan daar de borstelmaker en de meid,
ze willen iets, ze dwingen mij te springen in die vaart.
Dan komt hij niet meer terug, dan is zijn schip
vergaan. Er blaft een hond. Ik sluit de deur
en in de kamer met het bleke licht lees ik de brief.
De afgesleten woorden – suikertje, mijn hartendief –
brengen mij terug in de gestolde tijd, die andere,
waarin hij nog naar huis vaart en verrast mijn bolle
jak zal zien en mij zal vragen wat ik deed.
Ik knevelde de tijd. Ik las je brief.
(deze veertien versregels, die de dood willen bezweren, blijven in mij klinken).
De afrekening
De katernen met zwart wit foto’s wiepen mij ver in de tijd terug. Ze riepen herinneringen in mij wakker toen ik als jongen van vijf opgroeide in Kralingseveer, het dorp aan Nieuwe Maas en Hollandse IJssel en wijk van Rotterdam. Ik was toen een verblufte toeschouwer van het knippen op het schoolplein aan de Antilopestraat van moffenmeiden, dus van vrouwen die het met de Duitse bezetters gehouden hadden. Ik zag op poserende kaalgeknipte meisjes deemoedig met hoofd in schoot. De tien platen – inclusief die van opgepakte NSB’ers die in een vuilniswagen op 9 mei 1945 te Maassluis afgevoerd werden – maken deel uit van een 305 bladzijden tellend historisch relaas dat ook voor u een voltreffer zal zijn. Ik heb het over De afrekening van Maarten van Buuren en uitgeverij Lemniscaat met als ondertitel ‘Ontmaskering van het gewapend verzet’. Als u dan weet dat van deze auteur o.a. Kikker gaat fietsen! en Hoofd van mijn dromen is, weet u dat u ook qua vorm goedzit. In prachtig proza en prima gedocumenteerd doet Van Buuren een moordzaak uit de doeken die zich afspeelde na de Bevrijding in Maassluis: op 8 mei takelden commandant van het gewapend verzet Piet Doelman, en de zijnen NSB’er Lein Francke zo toe dat hij een dag later bezweek. Eigenlijk hadden zij het begrepen op diens zoon Jaap maar die was te ziek om ‘verhoord’ te worden. Meer dan vijftig jaar later bezoekt een van Leins zonen voor het eerst het naamloze graf.
Op de omslag zitten spetters bloed en die hebben uiteraard betrekking op het rood dat ten onrechte vloeide en dat niet naar behoren bestraft werd. Huiveringwekkend is het te lezen hoe de misdaad – want ook foute vaderlanders hadden recht op een normaal proces – verdoezeld, verdraaid en in het beste geval goedgepraat wordt. Doelman c.s. gebruikten en misbruikten hun daden van verzet door eigenhandig en zonder omhaal verkeerde burgers rücksichtslos te liquideren. Een volgende keer wil ik met u een tocht door De afrekening maken, waarvan ik de ondertitel ‘Ontmaskering van het gewapend verzet’ te absoluut en te algemeen vind: niet alle gewapende verzetsgroepen gingen zich te buiten. Ik kan dat niet staven, maar Westland zal niet model staan voor heel Nederland! Nu wil ik bijkans integraal aan u doorgeven een hoofdstuk uit de memoires van mijn vader zaliger en wel het in 1977 geschrevene onder het kopje ‘Eindelijk … toch vrij!!!’. Voor een goed begrip van zaken vermeld ik dat mijn vader op 17 juni 1944 door zijn baas de heer Wegeling gevraagd werd om mee te werken aan het drukken van het illegale blad Trouw. Vader weigerde omdat hij de zaak niet vertrouwde, wel wilde hij de pers drukklaar maken. Een uur later trok hij de poort achter zich dicht en liet het werk over aan Wegeling, Van Dijk en Van den Bos. In de namiddag werden de drie opgepakt, naar Vught afgevoerd en na een maand gefusilleerd. Ik citeer.
‘De zondag die op de zaterdag volgde, werd in de kerkdiensten, God gedankt voor deze toch nog onverwachte bevrijding, Als ‘Rotterdammers’ voelden we ons hierin toch nog geremd, maar maandagmorgen werd ook dat weggenomen. Al vroeg kwam de BS (Binnenlandse Strijdkrachten) kenbaar aan hun blauwe overall met oranje armband, op straat. Het waren voor ons grotendeels vertrouwde gezichten onder die gehelmde hoofden. Van hen weet ik me nog te herinneren Thijs van den Adel, Henk Groen, Willem Kooiman en Gerrit van Schaik. Met stengun onder de arm of in de hand, waaraan je direct kon zien dat ze daar nog maar kort mee overweg wisten te gaan, liepen ze door de straten om de orde te handhaven en op zoek naar NSB’ers of naar hen die op een of andere wijze, met de Duitsers hadden samengewerkt. In de oorlogsjaren was wel eens gesuggereerd dat, wanneer de Duitsers waren overwonnen, NSB’ers en allen die met het moffenvolk hadden gesympathiseerd, ‘voor de bijl’ zouden gaan. Vandaar dat die dag, na de bevrijding, ‘bijltjesdag’ genoemd zou worden. Men kreeg hiervan de indruk dat dan iedereen die nadeel en onrecht in de oorlogsjaren had ondervonden, zich dan op alles wat Duitsgezind was geweest, zou kunnen wreken. Immers zou dan een vacuüm van gezag zijn ontstaan, maar de regering in ballingschap had hierin voorzien door zowel plaatselijk, regionaal als landelijk, BS- groepen te vormen, bestaande uit mensen die in militaire dienst waren geweest en/of aan het verzet hadden geelgenomen. Elke NSB’er of Duitsgezinde had recht dat zijn handel en wandel in de oorlogsjaren berecht zou worden. Nog zie ik de heer Tromp, die op de hoek van onze straat met de Zebrastraat, een winkel in huishoudelijke artikelen etc. had, zich met zijn vrouw, met handen omhoog, voor de ramen van hun etalage staan. Van hen was bekend dat zij, evenals de heer Jongste en zijn zonen Koos en Gijs, die aan de IJsselmondselaan een olie- en benzinehandel hadden, tot de NSB behoorden. Dat was bekend, zo ook nog van enkele anderen die bij ons in de buurt woonden, maar het dient gezegd, last hebben we van hen niet gehad. Terwijl om maar één voorbeeld te noemen, men heus wel wist dat niet iedereen op 10 november 1944, van de razzia het slachtoffer was geworden. Wat zij buiten ons gezichtsveld eventueel hebben uitgespookt, weet ik uiteraard niet. Tromp hebben we nooit meer teruggezien en de Jongstes junior kwamen, tegen de kerstdagen van dat jaar, weer op vrije voeten. In de vijftiger jaren, om precies te zijn in 1956, gedurende de Hongarije- crisis, kwam ik voor zaken in gesprek met Gijs Jongste. Hij zei toen, zo tussendoor.’Men zegt wel eens dat we op het verkeerde paard gewed hebben, maar de geschiedenis bewijst het toch wel anders.’ Het is duidelijk dat hij hiermede doelde op het nationaalsocialisme, dat zich tegen het communisme had gekeerd. Mijn antwoord was kort maar krachtig: ‘Och laten we daar maar niet meer over spreken, voor mij is alles wat ‘isme’ in het vaandel voert, verwerpelijk, dus of je nu door de hond of kat gebeten wordt is hetzelfde.’
Om op die ‘bijltjesdag’ terug te komen, er werden ook een aantal meisjes, die zich op een of andere manier met de Duitsers hadden afgegeven, in arrest gesteld. Voor dezen werden afgevoerd, werden ze op het plein van de openbare school door de kappers Frans Barendsz en Tinus de Groot, op vakkundige wijze van hun hoofdtooi ontdaan, waarna met rode verf op de kruin van hun hoofden een hakenkruis werd aangebracht. In het schemerdonker werden al die mannen en vrouwen naar Capelle afgevoerd. Van de meisjes die zich onder hen bevonden, herinner ik me, dochters van Benard, Van der Schelling en Wendels. Een trieste stoet. Het zal je dochter maar zijn … Of die dochters van de familie Van Gorkum, die bij ons in de straat woonden, daar ook bij waren, weet ik niet meer. Over hen, maar ook hun ouders, die in de meidagen van ’40 een zoon verloren waren , hebben we ons in die oorlogsjaren daarom buitengewoon moeten ergeren. Duitse officieren liepen bij hen in en uit en als zij dan, al of niet in gezelschap van pa en moe zich, het liefst op zondag, voorbij ons raam trokken, dan konden we niet begrijpen dat zij het juist waren, die bedekt maar ook openlijk, met de vijanden heulden. Als zij buiten schot in de meidagen van 1945 zijn gebleven, zou dar niets bijzonders zijn, want er zijn er meer die de dans wisten te ontkomen. Er waren die dag ook vreemde situaties. Zo liep die Van den Adel op straat om o.a. NSB’ers op te sporen terwijl zijn schoonvader bij hem, als lid van die beweging, ondergedoken zat. Deze man, ene Slappendel, woonde in Krimpen a/d IJssel en was blijkbaar om aan arrestatie te ontkomen, naar zijn dochter gevlucht. Wilde hij deze schande in eigen gemeente niet ondergaan? Mogelijk, maar nu werd hij, via de buitentrap van de woning. Die boven het café aan de Giraffestraat was gelegen, door de BS afgevoerd. Gerrit van Schaik, eigenaar van een zaak in ijzerwaren en huishoudelijke artikelen, aan de IJsselmondselaan wist blijkbaar met zijn schiettuig helemaal niet om te gaan. Zonder dat daar reden voor bestond om die stengun te gebruiken, ging plotsklaps een schot af en trof hem in een van zijn benen. De dag was toen nog maar een paar oud. Leen Wegeling, van wie ik al een paar weken had ontdekt, dat hij thuis was, ben ik gauw even wezen feliciteren. Dat hij zich frank en vrij kon bewegen, was helemaal een feest. Over die vreugde lag evenwel de onzekerheid over het lot van zijn vader en broer. De laatste mocht vrij spoedig gezond naar huis terugkeren uit Osnabrück. Eerst in juli kreeg mevrouw Wegeling bericht dat op 11 augustus 1944 de heer Wegeling in het concentratiekamp op de fusilladeplaats het leven verloren had. Wat al die maanden was gevreesd, werd nu onstellende waarheid.’
|
| |
| CULTUURMIX 24 OKTOBER |
| |
| Encyclopedie der Nederlanden
Heel blij ben ik dat ik u de presentie van een naar vorm schitterend en naar inhoud boeiend werk kan melden, dat u tracht te verbeelden en te verwoorden welke items de Nederlandse identiteit mede bepalen. Ik heb het over het 352 bladzijden tellende Encyclopedie der Nederlanden van Wilma de Rek en Bert Wagendorp die de teksten aandroegen en van Ien van Laanen die de illustraties van bijpassende tegels leverde. Met Atlas als opnieuw voor kwaliteit zorgende uitgeverij. Sinds april 2010 ben ik een fervent volger van de serie Der Nederlanden in de zaterdagse Volkskrant. Gretig nam ik de lemma’s tot mij die mij informeerden over typisch Nederlandse fenomenen. Ik was in den beginne van plan de wekelijkse stukken te knippen, te vergaren en te bundelen, maar u weet hoe dat gaat: ‘in de krant van vandaag wordt morgen de vis verpakt’ zo heet het, en ‘tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren’ volgens Willem Elsschot. Ik haast mij te zeggen dat die uitdrukking met ‘vis’ niet bij u de indruk moet wekken dat het bij Der Nederlanden om vluchtige berichten gaat. Niets minder is waar, want de 166 lemma’s die met elkaar het onderhavige woordenboek uitmaken en derhalve alfabetisch gerangschikt zijn, duiden waarom u het domein binnen de landsgrenzen bemint. Ze vertellen de verhalen over de dingen die identiteit, karakter en eigenaardigheden van bijna zeventien miljoen ‘inlanders’ markeren. Om van die opsomming een voorbeeld te geven: onder de k treft u de lemma’s over kaartenmakers, kaas, kaasschaaf, Kameleon De, kanalen, kerkorgels, kerkscheuringen, kerst, Keukenhof, kinderbijbel, Kinderboekenweek, kleding, KLM, klomp, knotwilg. koe, koffie en thee, koloniën, Koninginnedag en kroket. Misschien krijgt u niet bij al deze begrippen gevoelens van herkenning en warmte, maar u zult moeten toegeven dat ze aan onze samenleving inhoud en kleur geven.
In de bijlage ‘Het Vervolg’ van ‘de Volkskrant’ verschenen er 59 afleveringen, die voor onze encyclopedie aangepast, uitgebreid en voorzien van nieuwe tegels zijn. En aldus is er een horizonverleggende en oogstrelende bundel die de Staat der Nederlanden volop in kaart brengt, van aardappelen, aardgas, achtuurjournaal, advocaatje, Afsluitdijk, AkzoNobel, Albert Heijn tot waterschap, waxinelichtje, weer, Tweede Wereldoorlog, Wilhelmus, wip, zeeslepers en bergers.
Om u ‘geur en smaak’ van Encyclopedie der Nederlanden te laten ervaren, ga ik een lemma eruit citeren. Ik ga voor een onderwerp dat in mijn regio momenteel een hot item is, voor hondenpoep.
‘Hondenpoep is in Nederland veel meer dan gewoon hondenpoep. Hondenpoep betekent verloedering, het staat voor de asocialen die hun hond voor jouw deur een verse bolus laten deponeren, waarna jij er met je splinternieuwe brogues in stapt en de smurrie nietsvermoedend verspreidt over het juist aangeschafte handgeknoopte tapijt. Als Nederlanders wordt gevraagd waaraan zij de verloedering van hun leefomgeving afmeten, luidt in veruit de meeste gevallen het antwoord: aan de hondenpoep. Hoewel een zeer grote meerderheid van de hondenliefhebbers beweert de drol altijd keurig op te ruimen, is de enkeling die dit nalaat nog altijd verantwoordelijk voor nationale ergernis nummer één. Voordringen vinden wij erg, bumperkleven ook, we hebben het niet op rommel op straat, niet op graffiti en evenmin op hangjongeren, maar hondenpoep spant de kroon. Als er iets staat voor de verhuftering, is het de hondendrol en vooral de onverschillige lamzak die erbij staat te kijken hoe zijn hond de boel vervuilt zonder daarna het zaakje op te ruimen. Er zijn in Nederland 1,8 miljoen honden, die gezamenlijk 145 miljoen kilo poep per jaar produceren. Zou elk baasje de uitwerpselen van zijn hond keurig in zo’n kliko deponeren, dan zou dat jaarlijks 730 000 volle kliko’s hondenpoep opleveren. Niets nieuws onder de zon. In de achttiende eeuw was hondenpoep al zo’n bron van overlast op de Amsterdamse straten dat op de Dam een ‘beugel’ werd opgesteld. Trouwe viervoeters die eronderdoor konden, gingen vrijuit. Maar kon de hond niet ‘door de beugel’, dan volgde liquidatie onder het mom: grote honden, grote drollen en een dode hond stopt ook met poepen. Dergelijke ingrijpende maatregelen mogen niet meer, en daarom nemen gemeenten hun toevlucht tot andere vormen van bestrijding van de overlast. In veel gemeenten staan boetes op het achterlaten van hondenpoep, er zijn gemeenten die opvoeding van hond en baasje subsidiëren en er zijn hondenpoepcontainers geplaatst, hondenpoepafvalbakken en drollencarrousels. Hondenpoepschepjes, -zakjes en –handschoenen: de kakkende hond heeft een heel nieuwe industrie tot leven gebracht. Via hondendrollen kunnen ziektekiemen worden overgebracht van hond op mens of van hond op koe en volgens het CBS gaan de bospaddenstoelen in Nederland sterk achteruit, onder meer door de hondenpoep. Dat is naar, maar de ware ergernis zit onder de schoen.’ Hier houdt het poepverhaal nog niet op, maar u hebt inmiddels kunnen vaststellen dat Encyclopedie der Nederlanden niet alleen onze identiteit typeert, maar ook boeiende weetjes herbergt en van humor tintelt.
Belaagd & belegerd
Maandag 3 oktober 1960 was het de enige keer dat ik het ontzet van Leiden mee gevierd heb. In het begin van de Tachtigjarige Oorlog, om precies te zijn op 26 mei 1574, verschenen de Spanjaarden – 5000 man sterk – voor de muren en poorten van de stad Leiden voor een beleg dat uiteindelijk tot 3 oktober zou duren. Met mijn verloofde – want dat was in die tijd nog heel gewoon en gewenst – achterop koerste ik op mijn bromfiets merk Lokomotief naar de feestende stedelingen. Die maandag blijft in mijn herinnering vooral omdat ik een dag later mij zou moeten melden in de Lunettenkazerne Vught om een begin te maken met het vervullen van mijn militaire dienstplicht. De warme maaltijden waren daar in de buurt van plas De IJzeren Man – vernoemd naar de stoombaggermolen die hem groef – zodanig van kwantiteit en kwaliteit, dat ik terugverlangde naar de wortelen, uien, vlees en pastinaken, dus naar de hutspot, van een etmaal daarvoor. Op de gracht het Rapenburg werd ons niet alleen hutspot maar ook haring en witte brood aangereikt. En dat allemaal om te gedenken en te vieren dat de stad bijna 400 jaar daarvoor het Spaanse beleg had afgeslagen. Willem van Oranje was daar zo erkentelijk voor dat hij een jaar later, 1575, aan Leiden de eerste universiteit van ons land schonk. Deze herinnering kwam bij naar boven toen ik een naar vorm en inhoud prachtig, 352 bladzijden tellend historisch werk tot mij nam.
Ik heb het over Belaagd & belegerd onder redactie van Herman Amersfoort, Hans Blom, Dennis Bos en Gijsbert van Es en van uitgeverij Balans. Met als ondertitel op de cover: ‘Troje, Carthago. Jeruzalem, Constantinopel, Leiden, Batavia, Wenen, Yorktown, Parijs, Verdun, Leningrad, Berlijn, Sarajevo, Beiroet’. Wat deze steden met elkaar gemeen hebben? Ze veroverden alle veertien in de wereldgeschiedenis naam en faam omdat ze aangevallen en omsingeld werden. Door de eeuwen heen zijn duizenden steden op alle continenten belaagd en belegerd geweest. Vele daarvan zijn nog slechts voetnoten in lange krijgsverhalen. Andere leven voort, omdat ze een keerpunt in de geschiedenis markeren, omdat historische feiten zijn uitgegroeid tot mythische proporties, omdat de belegering nog jaarlijks wordt aangegrepen om terug te keren naar een veelal geromantiseerd verleden. Tijdens de Leidse 3-oktoberviering ontstond het idee voor dit boek. Volgende keren wil ik halt en front maken in de veertien hoofdstukken die intrigerende titels hebben als ‘Een langdurige geschiedenis’ (Troje), ‘De stad die verwoest moest worden’ (Carthago), ‘Driemaal is scheepsrecht (Batavia) en ‘Frontstad in een gewapende vrede’ (Berlijn). Nu wil ik u het slot van ‘Een ‘blij-eindend’ treurspel’ dat over Leiden gaat, ‘Van nationale naar lokale herinnering’ heet en onze tocht naar de stad in 1960 een dimensie meer geeft.
‘De vitaliteit van de herinnering aan het ontzet van Leiden blijft opmerkelijk. Natuurlijk, ook Alkmaar gedenkt jaarlijks op 8 oktober dat daar in 1573 de ‘victorie’ tegen de Spanjaarden begon; in Groningen herdenkt men jaarlijks de smadelijke aftocht van Bommen Berend op 28 augustus 1672. Het is misschien alleen in Groningen dat de herinneringscultuur rond een beleg even dynamisch is gebleken als in Leiden. Terwijl het Leids ontzet een steeds nationalere betekenis kreeg bleef ook de lokale herinneringscultuur voortdurend in beweging. In 1795 werden de drie- oktoberherdenkingen afgeschaft door de Fransen. In de geest van hun revolutie van 1789 wilden die sowieso de geschiedenis het liefst ‘opnieuw’ laten beginnen, en zij en hun Nederlandse aanhangers spanden zich bovendien in om de sporen van de Oranjes en de ‘regentenaristocratie’ uit te wissen. De herdenkingen werden pas in 1813 hervat; schuttersdiensten bestonden er niet meer, maar de gedenkdiensten, het carillonspel en vlaggenvertoon keerden terug. Na een paar jaar besloot het stadsbestuur echter tot versobering. Er werd voorgesteld de viering steeds op een zondag te houden in plaats van op de dag zelf. De studenten van de Leidse universiteit waren hevig verontwaardigd en organiseerden in protest hun eigen alternatieve viering op 3 oktober zelf, met vlagvertoon, toneel en uitdeling van haring en wittebrood aan de armen. Het protest had succes en werd de opmaat voor een uitgebreide viering van het ontzet in het lustrumjaar 1824. Vanaf dat moment waren er ieder jaar uitdelingen van haring en brood, toneelopvoeringen, muziek en vuurwerk, en dat zou zo blijven. De vieringen werden nog verder geïntensiveerd na het eeuwfeest van 1874. Uit de campagne voor de oprichting van een standbeeld voor Van der Werf ontstond de gedachte dat een ‘vereniging’ van burgers de jaarlijkse vieringen, en vooral ook een jaarlijkse optocht zou moeten gaan organiseren. Zo geschiedde – in 1886. 125 jaar later is bijna vijftien procent van de Leidse stadsbevolking lid van de ‘3 October Vereeniging Leiden’, die de jaarlijkse herdenking en viering van het Leids ontzet organiseert; alle scholen doen mee; winkels en bedrijven zijn dicht. Overal in de stad ruikt het naar hutspot. Honderden vrijwilligers bemannen de commissies, zoeken sponsors, maken de praalwagens en de kostuums gereed, oefenen met de muziekkorpsen, versieren gebouwen, en delen haring en wittebrood uit,’
|
| |
| CULTUURMIX 17 OKTOBER |
| |
|
In de jaren zestig wandelde ik met medestudent Gerrit Vink over het eiland Tiengemeten in het Haringvliet om flora en fauna in kaart te brengen, in de jaren zeventig voer ik met vriend Jaap Leeuwenburgh langs de vroegere zandplaat om het cultuurlandschap vanaf het water te aanschouwen en in de jaren negentig fietste ik met zoon Briam van de Esscheplaat bezijden Strijensas naar de Korendijkse Slikken onder Goudswaard en zagen de pont over het Vuile Gat koersen. Begin jaren negentig werd ik als wethouder economische zaken van de gemeente Papendrecht geconfronteerd met de provinciale plannen om de polder Nieuwland waarop een industriële bestemming lag in te richten als baggerslibdepot. De 65 ha laag groen zou dan hoog bruin worden. In samenwerking met de collega’s van Alblasserdam slaagden wij erin de gronden langs de Noord van verontreinigd slib te onthouden en sinds 2003 bruist het daar van industrie en nijverheid.
Aan die twee items moest ik denken toen ik een tocht maakte door het oogstrelende en hartverwarmende 136 bladzijden tellende platenboek Het eiland Tiengemeten toen van Gerard Kuster en Astrid Kuster-Bellmann. Het kleurrijke lees en kijk- album verhaalt en verbeeldt hoe Tiengemeten erbij lag beginjaren tachtig toen er snode plannen geopperd werden om over de vruchtbare akkers en boomgaarden sterk verontreinigde baggerslib uit de Rotterdamse havens te storten. Daarmee is nog niet het hele verhaal van Tiengemeten verteld, want anno nu is het cultuureiland van toen natuureiland met de drie sferen Wildernis – het westen van het eiland waar water de baas is, Weelde – het centrale deel van het eiland ingericht als open watermoeras en Weemoed – het oostelijke deel van het eiland waar het gevoel van de 19de eeuwse kleinschalige landbouw terug moet komen. Men groef een gat in de dijk en landbouwgrond vormde zich om in zoetwatergetijdennatuur. Tiengemeten is in de 17de eeuw ontstaan als aangeslibde zandplaat in het Haringvliet en maakt deel uit van de gemeente Korendijk met een oppervlak van aanvankelijk tien ‘gemet’: een oude landmaat van ruim 0.4 hectare. Tiengemeten is nu 8,5 km lang en drie km breed. De maat van het eiland en de naam ervan zijn dus niet met elkaar in overeenstemming, want tien gemeten is tegen de vijf hectare. Na verdere aanwassing werd het eiland tussen 1750 en 1860 ingepolderd voor landbouw.
Voordat de Gerard en Astrid Kusters hun eerste eilandfoto showen – die van een blauw, groen, rood en geel getinte Mariapolder – geven zij hun geloofsbrief af. Ik citeer: ‘Dit boek is een impressie van het karakteristieke cultuurlandschap op het eiland Tiengemeten zoals wij het tijdens onze ‘werkbezoeken’ in 1980 en 1981 hebben meegemaakt en zoals het eigenlijk tot 2005 is geweest. Een vlak land met subtiele kleurschakeringen, een bomenrij midden over het eiland en steeds de dijk als een kaarsrechte lijn aan de horizon die het einde van het eiland aangeeft.’
De Kusters ‘werkten’ in de periode 1980/1981 op Tiengemeten toen de problematiek van verontreinigd baggerslib zich in alle ernst voordeed. Gerard maakte toen een documentaire over het bedreigde oord, een band-dia productie met beeld en geluid. Het aldus ontstane materiaal van toen vormt met de gehouden interviews met eilandbewoners uit die jaren de basis van dit unieke historische document. ‘Het eiland Tiengemeten toen’ is een plaatje van een album. Benedenpolder, Middenpolder, Brienenswaardpolder, Blanke Slikken, Westpunt, aardappelen, wintertarwe, suikerbieten, plantuien, voormalige boomgaard, Grevesweg, Dwarsdijk, Grote Haven, Kleine pont Eendracht I, ze etaleren de harmonie die de mens kan creëren als hij de natuur zorgzaam in cultuur brengt. Om het drieluik mens- natuur- cultuur te belichten citeer ik agrariër Adrie Vos. Die zei in 1981:
‘Als we op Tiengemeten spreken over het verleden, dan spreken we over: vóór de Ramp en ná de Ramp. Dat geeft duidelijk aan dat de WATERRAMP van 1 februari 1953 toch wel flinke sporen getrokken heeft in de vrij jonge geschiedenis van dit eiland. D ’r waren toen helaas bij die waterramp twee mensenlevens te betreuren .. de toenmalige opzichter en zijn broer die zijn hier verdronken en de andere bewoners van het eiland die zijn allemaal gevlucht naar de hogerop gelegen boerderijen die aan de noordzijde van het eiland zich bevinden en daar hebben we de nodige bange uren door moeten maken. Met de waterramp was ik tien jaar oud en ik heb vrij bewust de hele gang van zaken meegemaakt. De vlucht naar de hoger gelegen huizen en boerderijen die staat me nog heel duidelijk voor de ogen. Ook naast het verlies van de genoemde mensenlevens hebben wij vrij veel schade gehad aan huizen en landbouwschuren … en aan het vee, er is veel vee verdronken. In het midden van de polder heeft er drie meter water gestaan … d’ r was dus hier en daar nog een dak van een huis te zien … dat was al. Na de ramp kwamen de grote problemen pas om de hoek kijken … de grond was geïnundeerd door zout water, de dijken waren enorm\ beschadigd, de sloten waren zo’n beetje dichtgespoeld en één van de eerste dingen die dus moesten gebeuren was de dijken zodanig dichten dat het spel van eb en vloed voorkomen werd … daarnaast het eiland droog zien te krijgen en de sloten weer opnieuw herstellen … en ook de landerijen bestrooien met gips om het zout te binden en te neutraliseren, Dat is toen vrij snel op gang gekomen.’
Een van de vele verdiensten van Het eiland Tiengemeten toen – te bestellen via www.fotoboektiengemeten.nl – is dat het de pracht en praal van een behoedzaam gecultiveerd gebied toont. Jammer dat er veel van verdwenen is. Gelukkig hebben wij de foto’s nog en kwamen er brokken natuur voor terug. Chapeau voor de Kusters!
De smaak van de macht
Zij staan met hun vijven met glas in de hand in een halve boog te midden van groen, van gazon en bosschage: de politici die gedurende decennia het naoorlogse vaderland vanuit Den Haag richting hebben gegeven: vroegere ministerpresidenten De Jong, Van Agt, Lubbers, Kok en Balkenende. Zij kleuren de inhoud van de bundel De smaak van de macht waarin Annemarie Gualthérie van Weezel volgens ondertitel ‘Gesprekken met oud-premiers’ heeft met Conserve als uitgeverij. Heel bescheiden – want zij weet haar plaats - achter de vijf staat Annemarie op het grasveld en voor een struik. Dat die houding voor de Bühne is, bleek mij toen ik haar interviews tot mij nam. Want zij legde haar gesprekspartners het vuur na aan de schenen en bereikte daardoor onthullende items uit het politieke wel en wee van Piet, Dries, Ruud, Wim en Jan Peter die door hun respectievelijke partijen KVP, CDA, CDA, PVDA en CDA verzocht werden om de primus inter pares te zijn.
Gualthérie van Weezel weet goed te typeren. Zo gaan haar ondertitels bij de verslagen van haar gesprekken als: ‘Een bescheiden minister-president’, ‘Een eigenzinnige minister-president’, ‘Een behendige minister-president’, ‘Een gedegen minister-president’ en ‘Een plichtsgetrouwe minister-president’. Aan u en mij is het te traceren in De smaak van de macht hoe Van Weezel aan die typeringen geraakt is. Opdat u de smaak van de vijf resumés te pakken krijgt, ga ik eruit citeren.
Piet de Jong (1915) Hebt u zich wel eens verraden gevoeld in de politiek als premier? Bijvoorbeeld toen u na uw premierschap door uw partij aan de kant werd geschoven voor Gerard Veringa, die in 1971 aan het einde van uw regeringstermijn lijsttrekker voor de KVP werd? ‘Ja, ik voelde me verraden door mijn eigen partij en daar heb ik nog steeds geen goed gevoel bij. Maar toen zij mij van het ene op het andere moment afdankten als premier, kwam dat voor mij ook als een verlossing van dat gezeur en geleuter aan de wal. Ik had helemaal niks met de partij. Die partijvergaderingen, daar kwam ik nooit. Ik hoefde toen ook geen campagne te voeren, wat politici nu wel moeten doen. Ik had eigenlijk helemaal geen band met mensen uit de partij. Ik vond dat Veringa het premierschap goed kon doen, Die zat er meer in, die was van jongs af aan al betrokken bij de partij en ik had geen band met die partij. Ik begrijp wel dat ze voor hem kozen.’
Dries van Agt (1931) Hoe denkt of hoopt u als oud-premier de geschiedenis in te gaan? ‘Als een monumentale staatsman zal ik niet te boek worden gesteld. Ik ben geen God in het diepst van mijn gedachten om met Willem Kloos te spreken. Naar zou ik het vinden als mijn kinderen nog schampere of meesmuilende taal over mij te lezen zouden krijgen. Dat mag ik, gezien de inhoud van de inmiddels over mij geschreven biografieën, onwaarschijnlijk achten. Maar in een verderaf gelegen toekomst mogen geschiedschrijvers mij alsnog portretteren als een minkukel of een hansworst.’
Wim Kok (1938) ‘Wanneer hem verweten wordt een salonsocialist te zijn geworden, die na zijn premierschap voor het grote geld is gegaan, net als zijn oud-collega Tony Blair uit het Verenigd Koninkrijk, zegt hij enigszins geërgerd: ‘Commissariaten zijn allang geen sinecure meer, Als je die functies goed wilt vervullen, verlangen ze heel veel van je. De afgelopen tien jaar is de verantwoordelijkheid van commissarissen voor de uitoefening van het houden van toezicht groot. Het geld is niet de reden geweest waarom ik commissariaten na mijn premierschap heb geaccepteerd. Het geld hoort er wel bij en ik vind dat ik net als een andere commissaris ook recht heb op de beloning die in de onderneming voor commissarissen is vastgesteld. Ik vind niet dat ik daarvoor moet bedanken omdat ik van een andere sociale klasse ben. Ik kan niet zeggen: u kunt mij voor een gereduceerd tarief inhuren. Dat vind ik niet in overeenstemming met wat ik vertegenwoordig.’
Een volgende keer laat ik Lubbers en Balkenende aan het woord. Nu wijs ik u nog op de proloog van de hand van de Belgische oud-premier Mark Eyskens, waarin deze zijn kijk op de collega’s uit het noorden geeft. Ook het motto is met zorg gekozen, want die is van Machiavelli: ‘Een nieuwe heerser mag niet te snel iets geloven en te hard van stapel lopen, en evenmin moet hij zichzelf vrees inboezemen. Hij dient rustig, bedachtzaam en menselijk te werk te gaan en ervoor op te passen dat te veel vertrouwen hem niet onvoorzichtig en te veel wantrouwen hem niet onverdraaglijk maakt.’
|
| |
| CULTUURMIX 11 OKTOBER |
| |
|
Naar de natuur
Nu en komende weken ga ik u fêteren op brokken literair proza uit een bundel die ik bij de eerste kennismaking ermee meteen in mijn hart gesloten heb. Ik heb het over het 402 bladzijden tellende Naar de natuur van Koos van Zomeren en van uitgeverij De Arbeiderspers. Met als ondertitel ‘Journaal’, en inderdaad Van Zomeren hield van juli 2009 tot oktober 2010 een dagboek bij waarin hij o.a. bevlogen verhaalt over zijn verkeren in de natuur in of vlakbij eigen heem. Op een van de schappen in mijn boekenkast prijkt een rijtje boeken van Van Zomeren en blikkend naar de titels op de ruggen ervan besef ik hoeveel items uit natuur en maatschappij Koos (met geboortejaar 1946) mij aangereikt heeft. En dan nog zijn er de momenten vol suspense. Otto’s oorlog, Meisje in het veen, 1946, Een vederlichte wanhoop, Uilen, Ruim duizend dagen werk, Het bomenboek, Een jaar in scherven, Sneeuw van Hem, ze deden mij veel. En nu is daar Naar de natuur, dat wel eens het laatste boek van de hand van Van Zomeren zou kunnen zijn. De teller staat bij hem in de buurt van de zestig geschriften en Koos is wat beu van het schrijven, vooral over de natuur. Om u in de stemming te brengen ga ik deels citeren uit het interview dat Frans van Deijl onlangs met de auteur had voor De Haagse Post. Ik val in op het moment dat de vraag ‘Op een afscheidstournee kijkt men altijd terug: wat betekent de natuur voor u?’ gesteld wordt.
Van Zomeren: ‘Wat ik heb geleerd van meer dan veertig jaar schrijven over de natuur is dat de natuur er is voor zichzelf en niet om ons een lol te doen, en zelfs niet om mij m’n stukjes te laten maken. Rond natuur is een beeld opgeroepen dat de mens er altijd in moet kunnen recreëren. Laatst kwamen mijn vrouw, Iris, en ik terug van vakantie, en iets voorbij Oberhausen zette ik de Nederlandse radio aan. Er werd een reportage aangekondigd over het eerste blotevoetenpad van Staatsbosbeheer. Ik was meteen weer thuis. Zo vermoeiend, die infantilisering van de natuur. Dat komt allemaal voort uit het voorlichtings- en festiviteitswezen dat de natuur als attractie ziet. Maar de natuur is de natuur, potdomme. … Misschien hadden we de natuur toch heel elitair moeten houden. Sommige dingen behoren nu eenmaal niet ter discussie te staan. De ‘Nachtwacht’ is zo’n ding, of de doodstraf – die wordt hier gewoon nooit of te nimmer ingevoerd. En de natuur zou ook niet ter discussie moeten staan. De inbreng van de mens in de natuur is te groot geworden. Het is begonnen met al die natuurorganisaties die draagvlak moesten creëren voor allerlei plannen om de natuur onder de mensen te brengen. Dat wreekt zich nu. Tuurlijk, er is veel gewonnen en verbeterd qua natuurbeheer, maar de opstelling om de natuur te beschouwen als niet ter discussie staand fenomeen, staat onder druk. De PVV- kiezer verzucht nu: ‘Natuur, natuur, wat is het nut er allemaal van? Doe mij maar een snelweg.’ Dit kabinet, deze mobiliseerder van de haat, of het nou om buitenlanders gaat of om de natuur, draagt een steentje bij aan die stemming. En dan vooral die farizeeër van een staatssecretaris Henk Bleker …, haha, ‘de Volkskrant’ noemt hem systematisch verkeerd – of als Hans Bleker, of ze schrijven Bleker met dubbel ee – volgens mij zit daar ergens een eindredacteur die hierin een rol spelen. … De vraag of dieren nut hebben, hoort er niet toe te doen. De wilde hamster zou niet ter discussie mogen staan.’
Koos van Zomeren, u hebt het net kunnen traceren, is met zijn ziel en zaligheid betrokken bij de natuur en schuwt bij het schrijven daarover niet een persoonlijke, dus gekleurde, positie. Ik neem dat voor lief, want hij geeft zoveel uit de natuur. Ik ga dat illustreren door het verslag van twee dagen aan u door te geven. Ik had een column uit NRC- Handelsblad, een praatje voor Vroege vogels of een bijdrage aan De Groene Amsterdammer kunnen kiezen, want die zijn ook present.
Wij schrijven 29 juni 2010. ‘Warnsborn. In één kastje bijna allemaal dooie koolmeesjes, twee, drie dagen oud. Des te groter de verrassing bij een ander kastje: een complete verzameling, uiterst vieve jongen, hard op weg naar het uitvliegen. ‘Zo,’ zei ik geïmponeerd, ‘dat wordt wel wat met jullie.’ De vier eitjes uit dat ene bontevliegenvangersnestje heb ik nu maar mee naar huis genomen. In mijn sigarenkoker. Onderweg was in één schaal een barstje ontstaan. Toen ik dat eitje openmaakte – daar had je een heel klein uitsmijtertje van kunnen bakken. Bij de aanblik van dat dooiertje de gedachte: en misschien is dat nog maar het beste, gewoon een kloddertje materie blijven, gewoon niet aan het leven beginnen. Maar dus niet bedorven. Afijn, doordat dat ene eitje was gaan lekken, waren de andere kleverig geworden. Droogwrijven ging niet, maar als je ze ergens neerlegde, lijmde je ze in feite vast aan de ondergrond. Dus twee andere zijn stukgegaan toen ik ze wou verleggen. Nu ligt er nog één, waarvan het blauw door de inwerking van struif inmiddels danig verbleekt is. Zo zie je maar hoe delicaat die dingetjes in het nest zijn. 30 juni 2010 Met pa naar Herwijnen. Twee duttende lepelaars bij een plasje, ingeklemd tussen A15 en Betuwelijn. Ecologische Hoofdstructuur? Merkwaardig, juist die smetteloos witte vogels herinnerden me aan het verfomfaaide kauwtje, gisteren op de stoep op het Marktplein bij Hilvers. Broodmager, kale nek – het leek wel een kip uit de bio-industrie. Maar hij leefde nog: hij probeerde in leven te blijven. Duidelijk op zoek naar voedsel. Duidelijk vermoeid ook – hij wou eigenlijk niet aan de kant voor voorbijgangers. Van Zomeren hanteert een aantrekkelijke truc: in zijn verhalen over belevenissen in de natuur ruimt hij ook plaats in voor overdenkingen de literatuur en de politiek betreffende. Hij isoleert niet het landschap, dat hem suggereert dat het groter is dan wij.
Over Naar de natuur ben ik met nog niet uitgepraat. Nu alleen dit citaat nog 4 juli 2009: ‘Gisterenavond in Doorn (Kunstenaars en het landschap) kwam een vrouw me vertellen dat één zinnetje uit mijn werk het bij haar thuis tot gevleugeld woord heeft gebracht. ‘We moeten hier weg, Iris.’ Daar moest ik even over nadenken. Maar natuurlijk, toen we nog in Woerden woonden – de verloedering van het Groene Hart. Dan kwam ik terug uit de polder, dan had ik wat gezien of gehoord of meegemaakt, dan zei ik: ‘We moeten hier weg, Iris.’ En zo gebruiken die mensen het nu. Als ze zich bedreigd of verontrust of benauwd voelen: ‘We moeten hier weg, Iris.’
Onze zoon Briam woont met zijn gezin in Vleuten dat vroeger in het groen van de polders lag en nu aan de rand daarvan in een wijk vol nieuwbouw ligt. Hij heeft het goed daar, maar bij tijd en wijle zegt hij met een knipoog naar Jan Jacques Rousseau ‘Retournons à la nature’. Zeker weten: mijn leven heeft meer kleur gekregen door het tot mij nemen van de natuurteksten van Van Zomeren!
De Havenman
Geboren en getogen ben ik aan de Hugo de Grootstraat in Kralingseveer, een wijk gelegen op de oostelijke flank van Rotterdam. In 1940 zag ik in Capelle a/d IJssel het licht en een jaar daarna voorzagen de Duitse bezetters er met één pennenstreek in dat wij, dorpelingen, stedelingen werden. In ‘de stad’ ging ik naar het voortgezet en hoger onderwijs, bezocht met vriendin de bioscoop, winkelde met ouders in de Hoogstraat, vierde hoogtijdagen als Koninginnedag en liep kwitanties. Mijn lagere schooljaren bracht ik echter door aan de IJsselmondselaan in eigen dorp. Tijdens de speelkwartieren was een van onze favoriete spellen op het schoolplein landjepik met een zakmes zo lang tot bovenmeester De Kruik een eind maakte aan het gevaarlijke spel in het zand. Op het veel grotere Elandplein voetbalden wij met een leren knetter totdat politieagent, alias juut, Van Dijk op zijn dienstfiets gezeten de hoek omkwam en wij elkaar toeschreeuwden ‘Juut, bal in je zak’.
‘Landjepik’ en ‘Juut, bal in je zak’ kwamen bij mij weer naar boven toen ik verwijlde in het 180 bladzijden tellende kleinood De Havenman van Frits Bom met als ondertitel ‘Rotterdams voor gevorderden’ en met als uitgeverij Scriptum. De Havenman wil een alfabetisch gerangschikt panorama geven van het echt Rotterdamse jargon zoals dat door de havenarbeiders zo’n vijftig jaar terug gebezigd werd, maar het reikt veel verder, want de Rotterdamse havens beleven een revival. Frits Bom, die eerder op de beeldbuis o.a. als Vakantieman, Konsumentenman en Ombudsman furore maakte, boorde voor zijn verzameling Rotterdams taaleigen drie bronnen aan: het idioom van zijn vader die café hield in de buurt van het Bolwerk, het jargon zoals dat in de haven hem tegemoetkwam en de publicaties op internet van neef Gerard Martens, een van de grootste specialisten in het praktische Rotterdams. Vader Lou Bom was echter zijn grootste inspirator. Vandaar dat de auteur zijn voorwoord begint met: ‘De ouwe Bom werd diep in de tachtig en stierf in 1992. Maar als ik dit boek zelf nog eens nalees komt hij weer tot leven. Lou Bom sprak het namelijk onvervalst. Naast die vreugde, en dat plezier, daarom ook dat vele verdriet. Want wat er in het Rotterdams besloten ligt aan kracht, ongenuanceerdheid, gebrek aan subtiliteit, tegelijk gekoppeld aan rijke humor, is een weerslag van de werkelijkheid, van het leven in het echie. In de haven, in de kroeg, en in de intimiteit van de huiskamer waar in vroeger tijden de daad nogal eens bij het woord werd gevoegd.’ En na een hommage in onvervalst Rotterdams aan zijn vader die nu ‘pleitheine’ is, luidt het:’Daarom is dit overzicht een nagedachtenis maar ook een ‘in opdracht aan Lou Bom’. Zoon Frits Bom had geen beter eerbetoon aan vader Lou Bom kunnen brengen en dat hij dat op papier en in het openbaar doet, is voor ons een verrassend gegeven.
Bom nodigt uit tot citeren. Ik kan daartoe een van de 26 stukjes geven waarmee hij iedere letter van het alfabet begint en die echt een verhaal vertellen over een van de onderhavige woorden. Zo – en ik geef de titels - van De A van Ali Cyaankali. De B van Bootwerker, de C van Container, De D van Dooie varkens en De E van Entrepothaven tot De V van Verhoogd Taakloon, De W van Waaro, De Y van XXL-havens, De Y van Yangtzehaven en de Z van Zakophouders. Ik ga voor een greep uit het lexicon en sla het lemma van de S op.
‘Sjaarloos Charlois, het blijft voor niet Rotterdammers lastig om Charlois op de juiste Rotterdamse wijze uit te spreken. Niet zelden zegt de buitenstaander; sjarlerwah. Skakies – Hou je sjakies Houd het rustig, wees stil. Sjarlie In Rotterdam heeft tot lang na de oorlog heel lang een in Charlie Chaplin gestoken tenue persoon rondgelopen die over zijn gehele voor- en achterzijde reclameborden (sandwichborden) had hangen. Het werd een, vooral in het centrum, overbekend terugkerend verschijnsel. Zijn echte naam was Nico Morelis. Sjarri-warri Op- en overstel met drie wartels. Sjoege is meer dan kracht Je hoofd gebruiken. Sjorder Als men al zou willen zoeken naar de opvolger van de traditionele bootwerker, havenarbeider of havenwerker, dan voldoet de Sjorder in het huidige containertijdperk misschien nog wel het meest aan de definitie. Zijn vak bestaat uit het deskundig vastzetten van de lading, de containers dus, met klemmen, spanners en stangen. Deze hulpmiddelen worden meestal met Engelstalige benamingen aangeduid, zoals twistlocks, stackers en lashing rods. En om het belang van deze beroepsgroep te onderstrepen, momenteel werken er al ca. 550 sjorders in de Rotterdamse haven, Sjors In het guldentijdperk een bedrag van 3,50 gulden (deze aanduiding werd veel minder gebruikt dan geeltje, joet etc., omdat 3,50 gulden geen munt of bankbiljet was. Slangetouw Een borgeinde van het ene part van de strop om de vracht heen naar het andere part. Sleephijs Zeer belangrijke vorm van een hijs omdat deze veelal onderdeks wordt samengesteld en het voorpart van de strop niet van boven maar op de grond gelegd moet worden zodat de last door de kraan eerst in horizontale richting kan worden aangetrokken. De hogeschool van de vroegere stuwadoorsarbeid door de goede havenarbeider. Sleeptouw – Iemand op sleeptouw nemen. Iemand met niet al teveel animo ergens in betrekken of mee naartoe nemen. Sleperswagen In vroeger tijden een bekend stads(haven)beeld. Niet alle pakhuizen, vemen of loodsen lagen direct aan de kade. Veel lading werd met behulp van paard en wagen, platte kar en sleperswagen, naar de (regionale) plaats van bestemming gebracht.’ De vraag rijst bij u wellicht of de elf door mij geciteerde begrippen tot het typische Rotterdams behoren.
Heerlijk struinend door De Havenman kwam ik tot de slotsom dat het door Bom aangereikte vocabulaire niet uitsluitend in de Maasstad te traceren is. Zijn schat aan woordenschat etaleert niet enkel het rijke taalvermogen van Rotterdammers maar van ons allemaal. Linkmiegel, lichter, lier, liegen in kommissie spreken in deze voor zich. Loempiavouwer, loesoe, loko, lolaborstel niet, want: die staan resp. voor Vietnamees, naar huis gaan, metro en Erasmusbrug. Bedankt Frits!
|
| |
| CULTUURMIX 4 OKTOBER |
| |
|
Rubens, Van Dyck & Jordaens
Donderdag 15 september deed zich in de Hermitage Amsterdam de persconferentie voor van de tot en 16 maart gaande tentoonstelling ‘Rubens, Van Dyck & Jordaens’ met als ondertitel ‘Vlaamse schilders uit de Hermitage’. Familieomstandigheden dwongen mij ertoe op mijn aanmelding voor die heuglijke happening aan de Amstel terug te komen en derhalve kan ik met u niet een virtuele tocht door de immer oogstrelende zalen van de Hermitage aan de Amstel maken. De immer voorkomende persdames Pom Verhoeff en Kim van Niftrik zonden mij echter de gelijknamige catalogus en daaruit wil ik nu aan u integraal doorgeven het Voorwoord zoals dat door scheidend directeur Hermitage Ernst W. Veen geschreven is. Ik prijs u en mij gelukkig dat deze heer mede inspirator was van zoveel exposities die lusten voor het oog en strelingen van het gemoed waren. Het was een voorrecht Veen te volgen op zijn kunstzinnige excursies. Aan hem straks het woord. Mijn echtgenote en ik hebben een zwak voor Anthonie van Dyck, want in onze vestibule prijkt al jaar en dag een geschilderde imitatie van diens portret van de jonge Willem II en het jonge kindbruidje Maria Stuart. ‘Prins Willem II en zijn gemalin’ staat boven de beeltenis en eronder ‘Antonie van Dijck’. Hand en hand blikken de twee uit 1642 ons schroomvallig toe. Ooit was de bevriende familie De Rijk uit Boskoop zo goed het werk voor een prix d’amis aan ons af te staan. Postuum: nogmaals dank daarvoor. Het woord is aan Veen:
‘Ze had goede smaak en beschikte over aanzienlijke middelen; voeg daaraan toe haar macht en onverzettelijkheid. Ziedaar met welke ingrediënten bijna 250 jaar geleden de hand werd gelegd op een indrukwekkend aantal Vlaamse Meesters van weergaloze kwaliteit. Catharina de Grote was er verantwoordelijk voor. Het begon met de wens een schilderijengalerij aan te leggen in navolging van veel Europese hoven, die daarmee hun aanzien trachtten te vergroten. Het was de eeuw van de Verlichting. De prestigieuze Catharina wilde niet achterblijven. Zij gaf gehoor aan dit verlangen door enthousiast en met een goed gevoel voor timing de kunstmarkt op te gaan. Hulp van deskundige of invloedrijke personen ging ze niet uit de weg en zo verwierf ze imposante verzamelingen West-Europese meesterwerken. Als eerste die van de Duitse koopman Gotzkowski in 1764. Spoedig volgde de collectie van Graaf Heinrich von Brühl, die niet alleen de Galerij van de Keurvorst van Dresden had aangelegd, maar ook voor zichzelf kunstveilingen had afgestruind. De verzameling van de erven Crozat, een Franse kunstminnaar, in 1772 betekende opnieuw een belangrijke uitbreiding. De galerij van Catharina beleefde een explosieve groei en werd een essentieel element in de collectiegeschiedenis van de Hermitage, nu een van de belangrijkste musea ter wereld. De bemachtigde collecties bevatten een flink aantal Vlaamse meesters. En niet de minste. Ze maken, samen met andere belangwekkende aankopen, de deelverzameling Vlaamse kunst tot een van de beste van de Hermitage. Ook tekeningen behoren hiertoe. De 75 schilderijen en 40 tekeningen in deze catalogus geven een representatief beeld. Het zijn topstukken van ‘de grote drie’ van de Antwerpse school: Rubens, Van Dyck en Jordaens, alsook van een aantal bekende tijdgenoten. In de schilderkunst van de zeventiende eeuw tekende zich het verschil af tussen de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden in stijl en thematiek. Belangrijke oorzaak was dat de opdrachtgevers totaal onvergelijkbaar waren, Ging het in het Zuiden vooral om Kerk, hof en adel, die gericht waren op Bijbelse, historische en mythologische beelden, onze (Noord-Nederlandse) schilders moesten het hebben van de burgerij, die meer zag in het alledaagse leven. Dat Antwerpen het centrum werd voor ambitieuze kunstenaars, die experiment en vernieuwing niet schuwden, was goeddeels te danken aan Peter Paul Rubens.
Na een verblijf in Italië zette hij in Antwerpen een omvangrijk atelier op om aan de vele opdrachten te kunnen voldoen, daarin bijgestaan door medewerkers en leerlingen. Rubens’ werk onderscheidde zich kwantitatief. Zijn palet bestreek alle genres: naast de al genoemde Bijbelse en mythologische voorstellingen ook portretten, landschappen en stillevens. Hij excelleerde in al deze categorieën. Het is niet verwonderlijk dat in zijn atelier menigeen kon uitgroeien tot hoogwaardig specialist. Anthonie van Dyck voorop. Een superieur portrettist, die ondermeer werkte voor het Engelse hof. Jacob Jordaens. De derde naamgever aan tentoonstelling en catalogus, volgde een eigen weg. Hoewel eveneens geïnspireerd door Italië, ademt veel van zijn werk een vrolijke Vlaamse sfeer, vooral zijn genrestukken. Jordaens werd eveneens bekend om zijn historieschilderijen. De Vlaamse schilderkunst is van hoog niveau en zeer gevarieerd. Het is een waar genoegen de glorietijd van die kunst voor het voetlicht te plaatsen. Directeur Michail Piotrovsky en alle betrokken conservatoren en medewerkers van de instituten aan de Neva en de Amstel mogen trots zijn op het resultaat van hun enthousiaste en inspirerende bijdragen, Al ons sponsors kunnen tevreden vaststellen dat mede dankzij hun financiële ondersteuning de Hermitage Amsterdam wederom ieders aandacht verdient. Dat dit het laatste voorwoord is van mijn hand stemt weemoedig. Maar voldoening overheerst. Na 30 jaar De Nieuwe Kerk en 10 jaar Hermitage Amsterdam komt een einde aan mijn directeurschap van beide instellingen. Samen met de Russische collega’s hebben wij in deze jaren 15 tentoonstellingen in de Hermitage Amsterdam gerealiseerd, voorafgegaan door 4 in De Nieuwe Kerk. Ze zijn niet alleen in mijn herinnering opgeslagen, maar ook in een tastbare catalogus. Negentien maal. En dat is mooi meegenomen.’
Leugenaars & vervalsers
Wat hebben Karel Appel, Henricus Antonius van Meegeren, Boudewijn Maria Ignatius Büch, François Haverschmidt, Regnerus Folquinus Willibrordus Diekstra, Charles Schwietert en Louwrens Voorthuijzen met elkaar gemeen? Zij vullen met tegen de vierhonderd collega’s de Index van lemmata achterin de 464 bladzijden tellende chronique scandaleuse Leugenaars & vervalsers van Roelf Bolt met als ondertitel ‘Een kleine encyclopedie van misleiding’ en met als uitgeverij Querido. Dat houdt derhalve in dat deze zeven landgenoten de boel getild hebben, Appel kopieerde eigen werk, Van Meegeren vervalste schilderijen van Vermeer, Büch fantaseerde over eigen leven, Haverschmidt schreef de literaire mystificatie Oera Linda- boek, Diekstra pleegde wetenschappelijk plagiaat, Schwietert fingeerde de titel van doctorandus en de rang van luitenant en Voorthuijzen alias Lou de Palingboer zag in zichzelf de nieuwe incarnatie van Jezus Christus. Overigens verkeert in hun gezelschap ook de geestelijke en hervormer Maarten Luther (1483-1547) wiens lemma Roelf Bolt voorziet van ‘Luther houdt er de opvatting op na dat de aarde plat is. De Bijbel voorspelt immers dat de wederkomst van Christus door de hele wereldbevolking gezien zal worden. Als de aarde rond is, missen de bewoners ‘aan de verkeerde kant’ van de bol het schouwspel. Ergo: de aarde is plat en wordt alleen aan de bovenkant bewoond.’ Bij u rijst nu net als bij mij de vraag of Luther wel onder het predicaat van leugenaar of van vervalser thuishoort. Om dat te achterhalen geef ik u integraal het artikel ‘Vandaar dit boek’ door, waarin Meindert van der Kaaij de publicist Roelf Bolt aan het woord laat en dat een paar weken terug in het dagblad Trouw stond. Overigens had ik ook kunnen plukken uit Bolts inleiding die diep in de twintig bladzijden rijk is en de vensters opengooit naar een panorama vol bedrog. Een volgende keer wil ik met u verwijlen in het lemma over Lou de Palingboer (1898-1968), die als visverkoper/sekteleider actief was. Ik herinner mij dat in de jaren vijftig en zestig zijn volgelingen ‘in Lou’ waren. Op catechisatie had kandidaat Bout waarschuwende woorden over de man uit Muiderberg. Toen ik reageerde met ‘Er staat toch in de Bijbel dat de ziel gelouterd moet worden’ kreeg ik de versregels ‘Zijt gij lauw dan zal Ik u de mond uitspuwen’ om de oren. Ik citeer Bolt:
‘Op zeker moment ging ik krantenberichten uitknippen over mensen die waren ontmaskerd. Verhalen over vervalsers hebben nu eenmaal een onweerstaanbare aantrekkingskracht op me. Waarom ze me fascineren is moeilijk te verklaren. Ik smul van die verhalen, dat is denk ik een kwestie van smaak. Laten we zeggen dat het oplichten de mens in al zijn facetten laat zien: zijn slimheid, domheid, hebberigheid, het verlangen naar status. Na dertig knipsels sloeg bij mij de verzamelwoede toe. Ik kon geen boek of krant meer openslaan zonder dat ik op zoek was naar een geval van oplichting. Op een goede dag bleek ik zo’n 1400 knipsels te hebben. Ik ging ze rubriceren en voor je het weet heb je een skelet van een encyclopedie staan. Toen pas kwam het idee om daar een boek van te maken. Ik stuurde een samenvatting naar een uitgever en zoals je ziet, met succes. Ook in het buitenland zijn er geen boeken die gestructureerd op het fenomeen van liegen en bedriegen ingaan. Er verschijnen wel titels als ‘De twintig meest spectaculaire vervalsingen van de twintigste eeuw’. Maar dat soort populair geschreven boeken blinken doorgaans niet uit in betrouwbaarheid. Aan bronvermelding doen de auteurs niet, terwijl dat voor mij beslist een voorwaarde was. Juist een boek over misleiding moet waar en te controleren zijn. Ik moet bekennen dat daardoor de nodige smeuïge geschiedenissen zijn gesneuveld. Soms kon ik het niet laten om daar toch iets van te vermelden. Bijvoorbeeld over Oetrepyev, een arme man die zich voordeed als een Russische tsaar. Het verhaal gaat dat na zijn dood overblijfselen in de richting van zijn vaderland Polen zijn geschoten. Dat laatste kon ik nergens bevestigd krijgen, maar omdat ik het zo’n aardig detail vond heb ik het in een voetnoot vermeld. Zelf ben ik gek op literaire vervalsingen. Ik kan echt genieten van het verhaal rond het Oera-Linda boek geschreven door François Haverschmidt, beter bekend onder het pseudoniem Piet Paaltjens. In dat zogenaamde oeroude schrift beweerde hij dat de wereldcultuur te danken is aan de Friezen. De god Neptunus was eigenlijk de zeevarende Fries ‘Neef Teunis’. Daar zijn mensen ingestonken. Heerlijk.
In mijn boek staan uiteraard niet alle vervalsingen, al was het maar omdat niet alles leuk of interessant is. Het moet wel een uitzondering zijn. Activiteiten van beroepsleugenaars zoals spionnen heb ik daarom overgeslagen. Krasse beweringen die voortkomen uit een geloof of religie, daar kon ik niet aan beginnen. Dat geldt ook voor buitennatuurlijke overtuigingen, De verhalen moesten iets met de werkelijkheid te maken hebben. Ik heb geprobeerd een representatieve selectie te maken van alle soorten bedriegerijen. Het komt regelmatig voor dat mensen hun eigen dood in scène zetten, De reden is vaak dat ze enorme schulden hebben, maar er zijn ook andere motieven. Ik stuitte op het geval van de Bosniër Amir Vehabovic, die hiertoe besloot om te zien welke vrienden op zijn begrafenis zouden komen. Uiteindelijk bleek alleen zijn moeder de moeite te nemen. Ik houd er rekening mee dat we veel oplichtingen nooit te weten komen. Mooi voorbeeld is edelsmid Reinhold Vasters die in de negentiende eeuw kunstvoorwerpen maakte waarvan iedereen dacht dat die uit de Renaissance kwamen. Zijn bedrog kwam pas zeventig jaar later aan het licht toen een museumwerker ontdekte dat de tekeningen van Vasters geen reproducties waren, maar ontwerpen van kunstvoorwerpen. Alleen al het Metropollitan Museum of Art in New York had veertig vervalsingen van hem in huis. Zo’n Vasters begrijp ik dan nog wel, maar soms gaat het mijn verstand te boven. Wie zet nou zijn overlijden in scène omdat hij zijn alimentatie niet wil betalen? En wat denk je van de man die dat deed omdat hij een verkeersovertreding had begaan en bang was zijn rijbewijs kwijt te raken? Toen de zaak voor de rechter kwam, mocht hij zijn rijbewijs bovendien houden. Had hij alles voor niets gedaan.’
|
| |
| CULTUURMIX 28 SEPTEMBER |
| |
|
Delfts Blauw
Die grijsgetinte zaterdagmorgen van de 17de september brak toch het licht door in Historisch Museum Het Voorhuis, alias Boerderij Gijbeland aan Koekoekspad 1 te Bleskensgraaf. Staande voor een markant kabinet draaide de charmante en charismatische grande dame Dirkje Aslander- Pothuizen uit Brandwijk de sleutel van een van de deuren om en voor de vele opgekomen genodigden ontvouwde zich op de schappen een zee aan blinkende attributen in Delfts blauw. De prontige Dirkje had kort daarvoor in haar speech gewaagd over de liefde en de aandacht waarmee de tot en met 26 november gaande tentoonstelling ‘Delfts Blauw’ door de vele vrijwilligers gerealiseerd is. De bovenste plank van het kabinet getuigde ervan, want daar stonden te pronk Delfts blauwe miniaturen van karakteristiek Hollandse huisjes gevuld met Bols- jenever, die sinds de jaren vijftig door de KLM aan elke passagier World Business Class gegeven worden. De wijze waarop de inmiddels tot collectors items verheven huisjes naast elkaar geplaatst waren, etaleerde de zorg en de toewijding waarmee het Delfts blauw afkomstig uit de huizen van diverse leden van de Historische Vereniging Binnenwaard verzameld, geselecteerd en gegroepeerd is. Als u bij buren of kennissen in Bleskensgraaf, Brandwijk, Goudriaan, Molenaarsgraaf, Ottoland, Oud-Alblas of Wijngaarden een blauwe lust voor het oog mist, dan weet u waar die in het zicht staat.
Voor het moment suprême van de symbolische opening van ‘Delfts Blauw’ vlinderden er welluidende woorden door de kamer, gesproken door vice- voorzitter Wim Breedijk en uiteraard - want noblesse oblige - door Dirkje Aslander, die eerder naam en faam maakte in haar antiekhandel aan Hofwegen 21 in Brandwijk. In het ruilkaartspel Magic: The Gathering staat de kleur blauw voor kennis en dus verwees Wim naar Dirkje over haar kunde over het blauw uit het Delftse. Dralende op de trap naar de opkamer schetste Dirkje het verleden van het in blauw wit gehulde kleingoed dat in vitrines, aan wanden, op schappen, op lijsten voor zijn kleuren stond uit te komen. Ik doe een greep eruit: vazen, borden, kannen, schotels, testen, bonbonnières, asbakken, kruiken, tegels, schalen, ze streden met elkaar om schoonheid. Boven de piano bij ons thuis hangt een triootje door mijn ouders nagelaten blauwe bordjes met het design van decoratieve bloemen. Met gevoelens van genegenheid blik ik vaak naar de solitaire drie stukken. Toen ik aan de zijde van spontane en voorkomende contactpersoon foto’s en ansichten Corrie Vink- Versteeg uit Molenaarsgraaf door de vertrekken van ‘Delfts Blauw’ wandelde - ook in keuken en kelder van Gijbeland - werd ik gewaar dat het blauw wit aan gratie en elan wint als het ‘en masse’ geëxposeerd wordt. De kwantiteit verhoogt in deze de kwaliteit. Gaat u maar kijken in de boerderij! Er viel voor ons beiden onderweg veel te lezen op de specimina in blauw. Zo: ‘Als Zuiderzee behoor ik tot d’ historie, Als polderland verhooge ’k Neêrland’s glorie -1932’, ‘Koningin Wilhelmina Een ieder roeme welgezind den onverbreekb’ren band Die Neêrland en Oranje bindt, Vorstin en Vaderland – 1930’, ‘In den aanvang is de daad – 1927’, ‘Zoals het eten thuis smaakt, smaakt het nergens’, ‘Zonder historie geen toekomst’ en uiteraard ‘Eigen haard is goud waard’.
In de herfst van 1983 werd de Historische Vereniging Binnenwaard tot leven geroepen en wij mogen als bewoners van die immer bekorende waard daar dankbaar voor zijn. Zij heeft in haar vaandel staan het bevorderen van de belangstelling voor en het vastleggen van de historie van de zeven kernen die tot op heden de gemeente Graafstroom uitmaken. Ik vind het van innerlijke grootheid getuigen dat haar voorzitter Jan Boele en de zijnen steeds waken voor het eigene van hun heem. Het gaat niet aan dat ik een resumé tracht te geven van het historisch panorama dat Dirkje die morgen schetste over het blauw uit Delft.
U doet er wel goed aan voor uw visite aan ‘Delfts Blauw – openingstijden op de zaterdagen van 14.00 tot 16.30 uur en groepen op afspraak tel. 0184 641629 of 0184 422749 – de website www. delftsaardewerk.nl te bezoeken om met kennis van zaken de tentoongestelde items te waarderen. Overigens: u kunt ook de ordner op de tafel in Gijbeland opslaan. Dirkje begon haar sprankelende voordracht overigens met de notitie dat op internet 742.000 hits bij ‘Delfts blauw’ te traceren zijn en dat ook plateelbakkers uit Maastricht, Makkum, Gouda en Schoonhoven het blauw mochten produceren, omdat het niet om een beschermde naam gaat. Vervolgens repte zij van de VOC- schepen die omstreeks 1600 uit China het blauw op wit gedecoreerde porselein naar Europa brachten, waarmee de victorie van Delft een aanvang kon nemen.
Onze opoe Bouter werd als Klara Blokland in 1880 te Brandwijk geboren. In de memoires van mijn vader zaliger staat haar levensverhaal, dat verluchtigd is met een kleurrijke ansicht uit 1966 getiteld ‘Brandwijk, dorpskern’ verzonden door Gijsbert Jan en Jannigje Pietertje Buys. Vader noteerde daaronder; ‘Brandwijk … zoals het was, is en blijft!’ Dankzij het fenomeen Gijbeland wordt het verleden en het heden uit de Waard opgerakeld, getoond en gekoesterd. Chapeau!
Geschiedenis van Oranje (1)
Uitgeversmaatschappij Walburg Pers uit Zutphen onderscheidt zich al jaar en dag door haar kijk- en leesalbums waarin het verleden hoog in het vaandel staat. Ik noem de markante werken Meesters van de Gouden Eeuw, Geschiedenis van Nederland, Maritieme Geschiedenis, Geschiedenis van Nederland 1940-1945 en Geschiedenis van Vlaanderen - met vaak ‘canon’ in de ondertitel –, en bij u gaat er zeker een licht branden: naar vorm en inhoud albums van grote klasse. Ik prijs u en mij gelukkig dat ik aan dit illustere kwintet opnieuw een pracht en een macht van een boek kan toevoegen waarin ik al heel wat uren heb mogen verwijlen, Ik heb het over het 208 bladzijden tellende Geschiedenis van Oranje van Gerben Graddesz Hellinga met de voor de handliggende ondertitel ‘De canon van ons Koninklijk Huis’. Als u dan nog weet dat op de oranje cover met een galerij van vorstelijke portretten ‘In vijftig vensters’ staat, herkent u de formule.
Geschiedenis van Oranje kent drie compartimenten, alle gevuld met rijke, doorwrochte, toegankelijke, informatieve teksten: ‘Het geslacht Nassau en het prinsdom Orange’, ‘De Duitse tak van het geslacht Nassau’ en ‘Het geslacht Oranje-Nassau’. Hellinga en zijn medewerker Patric Aalders accentueren dat de tak van de Nederlandse Nassaus met die van de Duitse Nassaus verbonden werd in 1652 door het huwelijk van Albertine Agnes, dochter van Frederik Hendrik en Amalia van Solms. Albertine Agnes werd door haar echtelijke verbintenis met een telg van de Duitse Nassaus, Willem Frederik van Nassau-Dietz, de stammoeder van het geslacht Oranje-Nassau. In de proloog wordt dat uit de doeken gedaan. Stadhouder van Oranje Willem III overleed in 1702 zonder kinderen na te laten, waardoor de Friese stadhouder Johan Willem Friso, graaf van Nassau-Dietz, de erfgenaam werd van alle Nederlandse bezittingen. Albertine Agnes was zijn grootmoeder. Vandaar dat deel I loopt van Hendrik III, Claudia van Châlon, prinses van Orange en hun zoon René van Châlon, prins van Orange tot Stadhouder Willem III, deel II van Willem de Rijke en Juliana van Stolberg tot Hendrik Casimir II en Henriëtte Amalia, deel III van Johan Willem Friso en Marie Louise van Hessen-Kassel tot kroonprins Willem-Alexander. N.B. René van Chalon stierf in 1540 kinderloos, al zijn bezittingen nalatend aan neef Willem van Nassau (de latere Willem van Oranje).
Op de omslag van het naar mijn idee briljante boek staat het zo:’ Alle markante telgen van het geslacht Oranje-Nassau en hun partners komen aan de orde, geplaatst in de tijd waarin ze leefden. Stadhouders en koningen, avonturiers, vrijheidsstrijders en ware staatslieden. Maar ook klungelaars en geldverspillers, intriganten en schuinsmarcheerders. Zij bepaalden de geschiedenis van ons land – en vaak ook van heel Europa – in tijden van oorlog en vrede, welvaart en crisis. Koning Willem II en zijn vrouw Anna Paulowna zagen door hun spilziekte hun enorme vermogen verdwijnen. Ook Willem van Oranje, ooit de rijkste edelman van de Lage Landen, liet bij zijn dood louter schulden na, maar hij besteedde alles aan pogingen om ons land te bevrijden. De stadhouders Maurits, Frederik Hendrik en Willem II pleegden ieder op hun eigen wijze min of meer een staatsgreep. Stadhouder Willem III was bezeten van de strijd tegen Lodewijk XIV. En als koning Willem I verstandiger was geweest zouden België en Nederland misschien nog steeds één staat vormen. Steekpenningen, hofintriges en hele bastaardgezinnen. Kortom, een boeiende reis door de tijd aan de hand van meer dan vijftig historische royalty- portretten.’
Hellinga’s Geschiedenis van Oranje is geen hagiografie, de leden van de families Nassau en Oranje worden postuum niet heilig verklaard en dat wil ik nu aan illustreren via het portret van prins Bernhard. Vrij recent nam ik met u de werken Bernhard – Een verborgen geschiedenis van Annejet van der Zijl en De vrouwen van prins Bernhard van Marc van der Linden met u door en wij stuitten daarbij steeds op faux pas van de echtgenoot van koningin Juliana, zakelijk en privé. Hellinga start zijn schets over de prins aldus: ‘De ‘schavuit van Oranje’ heeft in de jaren na de Tweede Wereldoorlog veel goeds voor Nederland gedaan, maar de Lockheedaffaire leidde bijna tot het einde van de monarchie en steeds meer wordt duidelijk dat hij over zijn verleden en zijn prestaties tijdens de oorlog heel veel heeft gelogen.’ En Hellinga’s slotzinnen luiden: ‘Ondanks zijn dubieuze verleden kreeg hij een staatsbegrafenis en had de uitvaartdienst een militair karakter. Niet helemaal ten onrechte natuurlijk, want naast zijn soms staatsgevaarlijk gedrag heeft hij vooral in de jaren na de oorlog veel goeds voor Nederland gedaan.’ Even daarvoor las ik: ‘Dat Bernhard op veel plaatsen in de wereld vriendinnen had, vaak in door hem betaalde appartementen, was al lang bekend. Pas enkele jaren geleden gaf hij zelfs toe dat hij in Parijs een buitenechtelijke dochter verwekte bij een minnares en na zijn dood werd bekend dat hij een dochter heeft bij een Duitse pilote. Er zijn geruchten over twee zoons in Londen en een vaste minnares in Mexico Stad, maar daarover is niets met zekerheid bekend. Zulke dingen zijn in de ogen van de meeste mensen niet in de haak, maar ze zijn bepaald niet ongewoon voor vorstelijke personen en hoge adel. Dit boek staat vol van zulke handelingen van vele Nassaus en Oranjes.’
Ik stel voor u vast: Geschiedenis van Oranje verdoezelt niet, praat niet goed, zet niet te kijk, adoreert niet, zet niet op het schild. Ook de portretten van koningen uit de 19de eeuw tonen dit, zo die van Wilhelmina van Pruisen, Anna Paulowna, Sophia en Emma.
|
| |
| CULTUURMIX 22 SEPTEMBER |
| |
|
Rome
Welgeteld 511 bladzijden telt het gul geïllustreerde boek, dat mij terugwierp in de tijd toen georganiseerde cultureel georiënteerde tochten bij ons heel geliefd waren. Zo toerden wij in de jaren negentig met een volle bus vanuit Montecatini Terme om Rome te zien en dat bekoorde ons zo zeer dat wij seizoenen later hetzelfde vanuit Cesenatico deden. Al het door ons geziene kwam weer tot leven toen ik een eerste vluchtige tocht maakte door een gids die zijn weerga niet kent. Ik heb het over De zeven levens van Rome van Robert Hughes met als ondertitel ‘Een cultuurgeschiedenis van de Eeuwige Stad’ en met als uitgeverij Balans.
Wellicht gaat bij u een lichtje branden en inderdaad Hughes is de flamboyante kunstcriticus en historicus met bakermat Australië (1938) van wie ik meer dan een decennium terug De fatale kust over de geboorte van Australië met u doornam. Ik prees toen u en mij gelukkig met het bestaan van dit ‘levensverhaal’. Ik denk dat ik hetzelfde kan doen met De zeven levens van Rome, want alleen de inleiding ervan fascineerde mij zo dat ik er nu al met u over wil hebben. 
Ik moet u bekennen: dat onze visites aan Rome meer diepgang hadden bevat als ‘Hughes’ in ons valies was verbleven. Ik toon dat aan door hem te citeren: uit de proloog die merendeels gewijd is aan het plein in het hart van de stad, de Campo dei Fiori, dat ons bekoorde. Maar wij wisten die bekoring niet precies te verwoorden. Robert Hughes kan dat wel, en dan als geen ander. In 1959 vertoefde hij voor het eerst in Rome en kwam toen vooral in de ban van de Campo dei Fiori. In zijn De zeven levens van Rome gewaagt hij van zijn eerste impressies en ik ga daaruit citeren. Onze geschreven gids van toen had het over het standbeeld van Bruno in het midden van het plein dat herinnert aan de executies die hier op bevel van de pausen plaatsvonden; zoals de verbranding op 7 februari 1600 van Giordano Bruno. Deze Italiaanse monnik werd door de Inquisitie schuldig bevonden aan ketterij. Hij weigerde zijn leerstellingen te herroepen en werd daarom ter dood veroordeeld. De medaillons onder zijn bronzen beeld dragen de namen van anderen die door de Katholieke Kerk als ketters beschouwd werden, zoals Erasmus van Rotterdam, Wycliff en Hus.’ Met deze summiere tekst moesten wij het doen. Mijn echtgenote en ik deden de alom populaire Romeinse blikvangers aan, waarvan ik er een tiental noem. De Sint-Pietersbasiliek, de Sixtijnse Kapel, de Vaticaanse Musea, het Pantheon, de Trevifontein, de Engelenburcht, het Colosseum, de Spaanse trappen, de Boog van Constantijn, de Piazza Navona, ze hielden onze blikken gevangen. Maar de Campo dei Fiori maakte voor ons de grote stad groots en wel door de uitgebreide aandacht voor het detail waardoor onze blik bleef rusten, wij onze pas inhielden. In heel Rome doen de dingen ertoe.
Op bladzijde 9 en verder zegt Hughes: ‘Ineens kreeg ik een inzicht van de soort die ik thuis in Australië nog nooit had gehad. Al deze groene heerlijkheid, deze vloed aan kleurrijk leven, deze uitdijende, openbarstende overdaad,, welde op rondom een luguber symbool van de Dood. De Campo dei Fiori, de piazza waar de markt wordt gehouden, betekent letterlijk ‘bloemenveld’. Over de herkomst van die naam zijn verschillende versies in omloop. Het was niet altijd een tuin geweest; waarschijnlijk is het nooit een tuin geweest in de betekenis van ‘plek waar planten worden gekweekt en geoogst’. Volgens één versie is de naam afgeleid van CampusFlorae, ‘Flora’s plein’, en zou de piazza genoemd zijn naar de (vermoedelijke) geliefde van de bekende Romeinse generaal Pompeius, die hier (vermoedelijk) een huis had. Maar de mannelijke aanwezigheid die dit prachtige, ongelijkmatig gebouwde plein domineert is niet Pompeius, maar iemand van na het klassieke Rome: een donkere, peinzende figuur in een pij op een hoge sokkel met gekruiste handen die een zwaar boek vasthouden – een boek dat hij zelf geschreven heeft, zo lijkt. De hele piazza lijkt om hem heen te draaien: hij is het middelpunt. Te midden van al die schreeuwende kleuren doemt hij op, melancholisch ernstig als een verticale totem in zwart brons, en het duurt even voordat je zijn naam hebt gevonden op de plaat die half verborgen blijft achter de bloemstelen. Het is Giordano Bruno, en zelfs een broekje uit Australië had ooit van hem gehoord. Bruno was filosoof, theoloog, astronoom en wiskundige en bovenal zowel een dominicaner monnik als een ketter – kortom, een van de meest briljante en onorthodoxe Italiaanse geesten van zijn tijd, de tweede helft van de zestiende eeuw. Hij werd levend verbrand omdat hij verkeerde ideeën had over de Drie-eenheid, de goddelijkheid en vleeswording van Christus, omdat hij de maagdelijkheid van Maria ontkende en er een half dozijn andere ketterse opvattingen op na hield.
Ik bezoek niet altijd de Sint-Pieter als ik in Rome ben. De religieuze sfeer is te imponerend en begint zelfs lichtelijk te vervelen, wat retorische verhevenheid soms nu eenmaal doet. Ook sta ik niet altijd in de rij voor trekpleisters als de Santa Maria della Vittoria, waarin Bernini’s schitterende Cornaro-kapel staat. Soms mijd ik de musea zelfs, want Rome is al, zou je kunnen zeggen, een naar buiten gekeerd museum. Maar de Campo dei Fiori, met het standbeeld van Giordano Bruno, is voor mij gewijde grond sinds de eerste keer dat ik er in onwetendheid kwam. Zelden sla ik een bezoekje over om er te peinzen over de betekenis van het plein. Hoe kan ik ook anders? Die piazza vertegenwoordigt voor mij de kwintessens van Rome: de essentie van Rome maal vijf. In de eerste plaats is het plein essentieel vanwege de pijnlijke herinnering die het oproept aan de autoritaire roomse Kerk, die zonder pardon een van de meest briljante mannen in Italië op de brandstapel heeft gezet omdat hij de misdaad had begaan te verkondigen (wat Bruno kennelijk deed) dat Christus niet god was maar een geïnspireerd wijze, en dat ook de Duivel misschien kon worden gered. (Wat had ik hem graag gekend!) Er ging een kwatrijn rond: Roma, se Santa sei, Perche crudel se tanta? Se dici che se santa, Certo bugiardo sei! (Rome, als je heilig bent/Waarom ben je dan zo wreed? Als je zegt dat je heilig bent/Ben je gewoon een leugenaar!) Essentieel, ten tweede, omdat de stad zo’n driehonderd jaar na Bruno te hebben vermoord van gedachten kon veranderen (zich verzette tegen de clerus), haar oordeel herriep en als erkenning voor Bruno’s individuele grootsheid een standbeeld voor hem oprichtte. Een beetje laat misschien, maar beter laat dan nooit. Ten derde essentieel, omdat Rome dit monument alleen kon neerzetten toen de stad uit de tijdelijke greep van de Kerk kwam, nadat Rome in 1870 was ingenomen door het pas gevormde Koninkrijk Italië en politiek gesproken seculier werd. Ten vierde, omdat de aanwezigheid van Bruno’s duistere totem zo’n briljant stedelijk gebaar is, en omdat het leven eromheen, dat gewoon doorgaat, het leven van de Romeinse burgers is, en niet alleen van de toeristen. Ten vijfde en laatste vanwege de dagelijkse rijkdom aan fruit en bloemen, en de eetlust die zij opwekken, wat ons eraan herinnert dat wij in de nabijheid van de Dood waarlijk en absoluut in het Leven staan.’
Tonio
Op het kruispunt Stadhouderskade/Hobbemastraat in Amsterdam werd de 21 jaar jonge student en fotograaf Tonio van der Heijden op de fiets door een auto geschept en tegen de straat gemept. Het was in de vroege morgen van Eerste Pinksterdag 23 mei 2010 en dezelfde dag bezweek Tonio in het ziekenhuis aan het fatale treffen. De Volkskrant van 11 juni j.l. herbergt een grote foto van de plek van het onheil: in het nachtelijk duister is daar een eenzame fietser op de tramrails voor het Park Hotel. Ik blik naar de plaat en de tweede terzine uit het sonnet Te Middelharnis is een kind verdronken van Ed. Hoornik dreint in mij op: ‘Te Middelharnis, denk ik, ‘k denk aan hem en bed zijn hoofdje tussen hart en schouder, en zing voor hem dit lichte requiem.’ Auteur A.F.Th. van der Heijden en zijn vrouw Mirjam Rotenstreich belandden in de nachtmerrie waartoe alle ouders gedoemd zijn die bij tijd en wijle te ondergaan: zij dromen over de dood van hun kind. Maar uit een angstaanjagende droom schrikken zij wakker, als de wrede realiteit zich zo voordoet is er geen sprake van een einde. Aan het torsen van het verlies is pas de finish bereikt als de eigen dood daar is. Van der Heijden heeft nu de power opgebracht te trachten de treurnis om het verwijlen van zijn zoon te verwoorden op 633 bladzijden, die met elkaar Tonio uitmaken met als ondertitel ‘Een requiemroman’ en met als uitgeverij De Bezige Bij. Van der Heijden koos daarbij als betekenisvol motto versregels uit Macbeth van Shakespeare: 'Give sorrow words: the grief that does not speak Whispers the o’erfraught heart, and bids it break.’ Hij heeft om zo te zeggen woorden en zinnen nodig om te overleven.
Met u wil ik in deze kolommen nog enkele verwijlen in de roman – want Van der Heijden zette de werkelijkheid deels naar zijn hand - Tonio, die juist door de door hem gehanteerde literaire middelen geen klaaglied, geen treurzang, geen lamento, geen nenio is. Tonio is een relaas van persoonlijke rampspoed die iedereen kan overvallen en waarvoor woorden doorgaans tekortschieten om die draaglijker te maken. Van der Heijden doet dat toch. Waarvoor veel respect. Ik geef u nu drie passages uit Tonio door: het eerste fragment van de proloog (1), de episode over De Plek (2) en het slot (3).
1)‘Tóóóóóóó-nii-ióóóóó…!’ Ik heb zijn naam nooit vaker geroepen dan in de krap vier maanden die verstreken zijn sinds Zwarte Pinksterdag. Als ik eraan toevoeg ‘op de toppen van mijn stem’, bedoel ik mijn innerlijke roepstem, die oneindig veel luider klinkt en verder reikt dan waartoe mijn stembanden in samenwerking met de trillende lucht in staat zijn. Uiterlijk is er niets aan me te zien. Vergelijk het met huilen. Ik schaam me soms tegenover Mirjam, die zich anders dan ik voluit aan de natuurkracht van een onverhoedse jankbui weet over te geven. ‘Ook al zie je geen tranen, Minchen, ik huil wel degelijk met je mee,’ heb ik haar een keer uitgelegd (met verstikte stem, dat wel). Bij mij gedraagt dat rotverdriet zich als een inwendige bloeding. Het sijpelt, of gutst, ergens vanbinnen weg.’
2)‘De spelersboot naderde De Plek, waar de Singelgracht een bocht naar links maakte, richting Rijksmuseum. Nog steeds lieten supporters zich in hurkloop of ruggelings schuivend langs de begroeide wallenkant naar de waterlijn zakken, alsof ze bereid waren naar de boot toe te waden, tot aan hun nek in de bruine drab desnoods. ‘Kom.’ Langs een deinende muur van oranje ruggen en pruiken trok ik Mirjam achter me aan, Het kruispunt Hobbemastraat / Stadhouderkade lag er verlaten bij. Hoog erboven hing een helikopter, maar niet om De Plek te bewaken. De mensen stonden er, uitzinnig juichend, met de rug naartoe. Van gele strepen op het wegdek, waar de agenten van het bureau James Wattstraat ons voor gewaarschuwd hadden, geen spoor meer – uitgewist door auto’s die geen fietser voor hun bumper gekregen hadden. Ik wees Mirjam de plaats. ‘Daar ongeveer.’ Hier was hij uit het leven weg geslagen, Het leven nog niet helemaal uit hem, maar de rest was vooral één grote poging geweest te redden wat niet meer te redden bleek. De boten gingen onder groot gejoel de bocht door. Vuvuzela’s produceerden hun lugubere geluid. Hele horden zetten zich in beweging richting Rijksmuseum, om nog zo lang mogelijk te kunnen genieten van de aanblik van de spelers of om tijdig op het Museumplein te zijn voor de eigenlijke huldiging. Mirjam schudde onhoorbaar huilend haar hoofd. ‘Zomaar … hier op straat,’ meende ik te verstaan. Mij trof eens te meer de eenzaamheid van wat hier had plaatsgehad. Na de fietstocht in z’n eentje … door het blinde noodlot op de hoorns genomen … de lucht in geslingerd en op het plaveisel gekwakt. Hoe lang had hij daar zo gelegen? Had hij nog gekreund, of waren zijn kapotgebeukte longen al niet meer in staat om de voor het kreunen vereiste lucht te leveren?
Ik nam de omgeving eens goed in me op. De bocht die de Stadhouderskade hier maakte, de monding van de Hobbemastraat, het zebrapad van het Parkhotel aan de Singelgracht … het leek inderdaad allemaal, zoals Dick me gezegd had, ruim en overzichtelijk. Geblinddoekt en wel had het noodlot er nog een hele klus aan gehad om de auto en fietser hier samen te brengen. Precisiewerk in het vroegochtendlijke donker. In mijn voorstelling was De Plek blijkbaar de voorbije weken aan het krimpen gegaan – totdat hij een soort smalle,onverlichte eenrichtingstunnel geworden was waarin fiets en Suzuki elkaar wel fataal moesten treffen.
3)-‘Ik denk dat Mirjam het wel met me eens zal zijn als ik Jenny hier het laatste woord gun. Jenny had gevraagd of ze, alvorens naar huis te gaan, nog even Tonio’s kamer mocht zien. ‘Natuurlijk, ga je gang.’ Ik begreep het. Daar had zich het grootste deel van de fotosessie afgespeeld. Mirjam bood aan met haar mee te lopen, maar Jenny ging liever alleen. ‘Ik weet de weg.’ We hoorden haar met zachte tred de trap naar de tweede etage bestijgen – en daarna werd het stil. Geen krakende voetstappen op het parket vlak boven ons hoofd, zoals we tot voor twee jaar van Tonio gewend waren geweest. Nee, nadrukkelijke stilte, verder niets. Ze bleef lang weg, Jenny. Mirjam en ik hadden elkaar al een paar keer zonder iets te zeggen aangekeken. We dachten hetzelfde. In godsnaam, eerst dat meisje de deur uit, dan konden we ons vrijelijk aan onze tranen overgeven. We hadden het te weinig beseft: zo’n doorkijkje naar een prille romance was precies het verschrikkelijkste dat ons nu kon overkomen, juist omdat er tot in alle eeuwigheid geen vervolg op mogelijk was. Jenny kwam niet terug, en maakte daarboven evenmin gerucht. ‘Misschien is ze zachtjes vertrokken,’ zei Mirjam. ‘Heb jij de tussendeuren beneden gehoord? Die sluiten niet goed meer op elkaar aan, de laatste tijd. Als de voordeur dichtvalt, klepperen ze.’ ‘Ik heb niets gehoord,’ zei ik. ‘Ze moet nog boven zijn.’ We fluisterden. ‘Zal ik gaan kijken?’ vroeg Mirjam. ‘Ik luister wel even onder aan de trap.’ Met ingehouden adem liep ik de overloop op. Ik luisterde. Niets te horen. Zelfs als ik op een van de onderste treden ging staan, kon ik, vanwege de draaiing in de trap, niet zien wat zich op de overloop van de tweede verdieping voordeed. In het zwakke licht van een wandlampje daar bewoog zich niets, zelfs geen schaduw. Bang iets intiems te verstoren durfde ik niet verder naar boven te gaan. Tegelijkertijd maakte ik me zorgen. Ik daalde zacht de onderste trap af, naar de hal, waar de katten hun gestoei op de marmeren vloer staakten en nieuwsgierig naar me opkeken. Om ze niet te laten ontsnappen deed ik de glazen tussendeuren zo goed mogelijk dicht. Zo sloop ik vroeger ongemerkt naar café Welling, maar dat was niet meer nodig. Ik draaide de grendel in een zodanige stand dat de voordeur niet in het slot kon vallen, en liep tussen de geparkeerde auto’s door achterwaarts een eind de straat op, ver genoeg om zich te hebben op Tonio’s kamer. De gordijnen waren open. Er brandde geen licht. Wel viel er van rechts, waar de deur naar de overloop was, een uiterst zwak schijnsel de kamer in. Ik wachtte tot ik daar iets zou zien bewegen. Een paar keer moest ik enkele stappen naar voren doen, richting parkeervakken, om enig verkeer te laten passeren.
Zo meteen opende het Concertgebouw z’n deuren, dus door de buurt circuleerden veel auto’s op zoek naar een parkeerplaats. Er gebeurde niets daarboven, dus ging ik maar weer naar binnen. De katten hadden zich in de bocht van de trap genesteld, alsof ze op me lagen te wachten: even later renden ze voor me uit naar de huiskamer, waar Mirjam op de bank tegen een huilkramp zat te vechten. ‘Er brandt boven geen licht,’ zei ik. We zaten zwijgend naast elkaar, en wachtten gelaten op de dingen die komen zouden, De glazen waren leeg, maar ik vroeg niet om meer drank. Het duurde nog geruime tijd eer er zachte voetstappen op de trap klonken, en dat alleen omdat ik de huiskamerdeur niet helemaal dicht had gedaan. Er werd aarzelend aangeklopt. ‘Ja, Jenny?’ ‘Ik wou nog even gedag zeggen.’ Jenny omhelsde Mirjam, en daarna mij. Ze had geen rood behuild gezicht, wel klitten haar onderste oogharen vochtig aan elkaar. ‘Kon je de lichtschakelaar vinden?’ vroeg ik, om maar wat te zeggen, ‘O, ik ben niet in de kamer zelf geweest, hoor.’ Ze zei het een beetje geschrokken, alsof ze vreesde dat ik haar van ontheiliging verdacht. ‘De deur stond open. Ik heb een hele tijd voor de drempel van zijn kamer gestaan. Zo heb ik afscheid van hem genomen.’ En toen ze ons al bijna haar rug had toegekeerd: ‘Ja, ik geloof echt dat de doden een bepaalde energie voor ons achterlaten.’ Amsterdam, juni 2010-maart 2011.’
|
| |
| CULTUURMIX 13 SEPTEMBER |
| |
Het Tegel boek
Op de cover van het luisterrijke kijk- en leesalbum het Tegel boek van Johan Kamermans met als ondertitel ‘Hoogtepunten uit het Nederlands Tegelmuseum’ en met als uitgeverij Waanders staan ze in volle blauwe glorie: een gracieuze godin Fortuna schenkend uit de hoorn van Overvloed en acht duetten van kinderen hun spellen spelend als knikkeren, haasje over, sleeën en tennissen. Aan hen is de eer de toon te zetten van de 288 bladzijden tellende galerij van oogstrelende tegels.
In de jaren zeventig probeerden wij een eigen sfeer te scheppen in ons uit 1930 daterend pand aan de dam die leidt naar het veer Dordrecht - Papendrecht. Zoveel mogelijk wilden wij het eigene bewaren van het huis dat wij van schipper Heijkoop gekocht hadden, alleen de keuken kreeg een nieuwe outfit. Ook vervingen wij de oude kolenkachels door radiators van een centrale verwarming en voor de schoorstenen in voor- en achterkamer zochten wij een andere bestemming. In die tijd waren open haard en allesbrander gewilde items in een interieur en om de schouwen ervan meer sfeer aan te reiken gingen wij op zoek naar antieke tegeltjes met de reguliere afmetingen van ongeveer dertien cm in het vierkant. Zodoende wisten wij bij graag handelende antiquairs in Lekkerkerk en Hendrik-Ido-Ambacht en bij traag verkopende particulieren in Hardinxveld-Giessendam en Nieuw-Lekkerland tegeltjes tegen onderling sterk wisselende prijzen te bemachtigen. Nu, zoveel jaar na dato, verlustigen wij ons nog steeds in het schouwen naar de kwartetten en kwintetten van tegels in de kamer voor. Een aardig arsenaal aan afbeeldingen op gebakken klei en glazuur biedt ons studie van een gevarieerd schouwspel van Hollandse makelij; snellende schepen, bekende bijbelse voorstellingen, rustieke landschappen, ijverige neringdoenden, in spel geboeide kids, bloeiende bloemen, vliegende vogels, speurende honden, wij kunnen ze in het vizier houden.
het Tegel boek, dat het licht zag ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van het Nederlands Tegelmuseum aan de rand van het Gelderse Otterlo, reikt nu een parade van tegels en tegeltableaus aan die zijn weerga niet kent en die onze kleine collectie om de haard geheel overschaduwt. Ik zit daar uiteraard niet mee, want het schroomvallig schrijden langs de kleinoden in dit jubileumalbum is een voortdurende lust voor het oog en een gestage streling van het gemoed. De gehele geschiedenis van de tegelindustrie en van al de beauty’s die zij geproduceerd heeft, passeert in dit papieren sieraad de revue: van de Gouden Eeuw opkomst 1580-1625 tot Industrie en Kunstnijverheid Interbellum 1920-1940. Met voor mij als onbetwistbare eyecatchers Dieren in een cirkel, 1590-1625, Romeinse soldaten, 1600-1625, Bloempot in kwadraat, 1620-1650, Bloemenmand, Delft, 1750-1775, Kinderspelen, Harlingen, 1910-1930 en De gekroonde valk, Delft, 1910-1920.
Ik wil u illustreren hoe informatief Kamermans schrijft. Maar eerst wil ik u het proces van het maken van tegels doorgeven, opdat het u net als mij vergaat: het in de ban geraken van de tien stadia ervan: Mengen van verschillende kleisoorten - Het kleimengsel met water reinigen van takjes, steentjes en dergelijke - De kleimassa tot platen walsen - Uit de kleiplaten tegels vormen met behulp van vormraampjes - Drogen van de natte kleitegel - De tegels bakken in een oven bij een temperatuur van ca 1000°C - De tegels aan één zijde bedekken met tinglazuur en dit glazuur ziet er uit als een witte pap en is een mengsel van o.a. tin-as, kwarts, zand en soda - De voorstelling met behulp van een ‘spons’ aanbrengen: een stuk papier waarin, door middel van gaatjes, de omtrekken van een voorstelling zijn aangebracht en dat op de met tinglazuur bedekte tegel wordt gelegd. Vervolgens slaat men met een zakje waarin zich houtskoolpoeder bevindt op de spons. Het houtskoolpoeder stuift door de gaatjes, waardoor de voorstelling in zwarte stipjes op de tegel verschijnt - De tegelschilder trekt eerst de stippellijnen na en vervolgens worden de schaduwpartijen geschilderd - De tegel voor de tweede maal bakken bij ongeveer dezelfde temperatuur, waarbij het tinglazuur versmelt tot een wit ondoorzichtig laagje, waarin de geschilderde voorstelling goed uitkomt.
Nu geef ik gaarne het woord aan auteur Johan Kamermans. Als opwarmertje geef ik eerst wat tegeltjeswijsheden uit het Tegel boek door. ‘Den bouwman wagt van s’Heeren handt Veel milden zeegen af op ’t Landt’,‘Hoe meer de jager schiet of vangt een haas of wilt conyn, dit is het daar hy na verlangt de weytas moet vol zijn’, ‘De man werd eerst alleen door God geschapen, de vrouw daarna terwijl hij lag te slapen’ en ‘Het land te bouwen is mijn lust mijn hart en zinnen zijn belust te woonen bij het woelend vee gelijk als Vader Jacob dee’.
Bij ‘Portretten van Wederdopers, 1610-1620' lees ik: ‘Deze kleine, dikke tegels hebben oorspronkelijk in een vloer gezeten, Bijzonder is dat de portretten zijn te herleiden tot de prenten van een boek dat in 1608 in Amsterdam is uitgegeven door Christoffel van Sichem, over de ‘Voorneemste Hooft Ketteren so vande Catholijcke ende Christelijcke Kercke …’ De voorstellingen herinneren ons aan de godsdienstoorlogen halverwege de zestiende eeuw, en vooral aan de beweging van de wederdopers. Zij namen in 1534 de stad Münster over, waar zij het Nieuwe Jeruzalem verwachtten, Jan van Leyden was één van de leiders en liet zich hier tot koning uitroepen. In dit Koninkrijk Sion werd het geld afgeschaft en de gemeenschap van goederen en polygamie ingevoerd. In 1533 werd de stad heroverd door de bisschop van Münster; de leiders der wederdopers zijn in het openbaar terechtgesteld.’ Jan Beukelsz van Leiden, Adam Pastor, Harman van ’t Sant en David Joris van Delft blikken ons aan op blz. 30-31.
Bij ‘Dubbele tulp, vermoedelijk Hoorn, ca. 1630-1650’ staat: ‘De tulp is in de zeventiende eeuw een kostbare plant waar een kleine groep verzamelaars vermogens voor neertelt. In 1637 leidde dit tot de zogenaamde ‘tulpenmanie’, waarbij de prijzen op hol sloegen. Met het inzakken van de prijzen was de eerste beurskrach een feit. Op tegels werden in deze tijd veel tulpen afgebeeld. Heel bijzonder is een reeks tegels die in Hoorn gevonden is, waarbij de tulpen over een hoogte van twee tegels geschilderd zijn. Deze tegels zijn in eerste instantie in 1954 gevonden in de afgesloten kelder van een huis aan de Grote Oost aldaar, waar ze ooit herplaatst waren. Er konden 23 complete tulpen worden samengesteld. De kwaliteit van de schildering gaat zo ver uit boven het gebruikelijke decoratieve of naïeve, dat we kunnen veronderstellen dat deze tegels voor één enkele, speciale opdracht zijn gemaakt. In deze tijd werden ook tulpenboeken gemaakt, waarin verzamelaars ‘portretten’ vastlegden van bijzondere soorten tulpen. De dubbele tulptegels doen sterk aan deze afbeeldingen uit tulpenboeken denken en zijn daar waarschijnlijk op gebaseerd. Hoorn was uiteindelijk een van de centra van de tulpenteelt en een vooralsnog onbekende liefhebber van tulpen moet deze serie hebben besteld.’ Op blz. 64 straalt de tulp in alle glorie. U hebt mij helemaal door als ik zeg waarom ik deze twee passages aan u doorgeef: inderdaad, om u te illustreren dat het Tegel boek veel meer is dan zomaar een album met plaatjes.
De vrouwen van prins Bernhard
Onze vader had een zwak voor prins Bernhard. Zo rept hij in zijn 400 bladzijden getypte memoires bij ‘Geboorte en opgroeien van onze Bernhard’ over 14 mei 1945: ‘Wanneer het weer een jongen mocht zijn, zo hadden we afgesproken, dan noemen we hem naar Prins Bernhard, de man van Prinses Juliana. Via radio en illegale pers hadden we namelijk al vernomen dat hij, ondanks zijn Duitse afkomst, zich voor de bevrijding van ons land en werelddeel, spontaan ingezet had. De naam van onze Bernhard of, zoals we hem kortaf gingen noemen Ben, betekent volgens het zo langzamerhand reeds bekend geworden boekje, de heldhaftige, zo sterk als een beer! Ook nu was mijn eerste gang naar de drukkerij voor geboortekaartjes en daarna na onze moeders. In plaats van naar het Capelse gemeentehuis moest ik om aangifte bij de burgerlijke stand te doen, nu naar de Coolsingel te Rotterdam. In 1941 waren we namelijk met één Duitse pennenstreek Rotterdammer geworden. Nadat Ben in ons trouwboekje was bijgeschreven, ontving ik voor hem ook een stamkaart van de Distributie, met de nog geldige bonnen. Die bonnen waren toen een kostelijk bezit, want ondanks we reeds tien dagen waren bevrijd, kregen we op onze bonnen nog maar mondjesmaat toegewezen. Ik ging er dan op de terugweg gelijk mee naar een winkel van De Gruyter bij het Oostplein om die te ‘verzilveren’. Zo kwam ik dan met een volle fietstas levensmiddelen thuis.’
Pa Kaptein volhardde drie decennia achtereen in zijn sympathieën voor de prins, ondanks amoureus getinte geruchten die bij tijd en wijle uit het buitenland arriveerden. Heel helder staat mij nog voor de geest hoe verontwaardigd en gekrenkt vader reageerde toen een colporterende verzekeringsagent beweerde dat hij Bernhard gesignaleerd had in een Frans blad: komend uit een etablissement met een blondine aan zijn zijde. De polispremie werd die zaterdagochtend niet verhoogd! Vaders goede gevoelens voor de gentleman van Soestdijk kregen in de jaren zeventig een dreun toen bleek dat Bernhard betrokken was bij smeergeldaffaires zoals die bij Lockheed, wat hem dwong militaire en andere openbare functies neer te leggen en ook werd hem verzocht het dragen van militaire uniformen achterwege te laten. Vader was onthutst, maar bleef de voor pecunia bezweken prins met genegenheid volgen. Buitenechtelijke prinselijke escapades waren echter andere koek maar die waren niet aan de orde!
Het zou voor mijn vader een persoonlijk deficit geweest zijn als hij bij leven het 158 bladzijden tellende feitenrelaas De vrouwen van prins Bernhard van royaltyverslaggever Marc van der Linden met als uitgeverij Carrera tot zich had moeten nemen. Want daarin krijgen minnaressen van de prins elk een apart chapiter. Ursula von Pannwitz, Frances Day, Lady Ann Orr Lewis, Cornelia Maria ‘Kokkie’ Gilles, Penelope Aitken, Alicia Webber, Hélène Lejeune, Cécile Dreesmann. En natuurlijk de tot nu toe anoniem gebleven moeder van Mildred Zijlstra van 65 lentes die voorbije augustus in diverse media figureerde onder het kopje ‘Ook ik ben een dochter van de prins’. De prins verwekte naar eigen zeggen Alicia de Bielefeld (1952) bij een Duitse pilote en Alexia Grinda (1967) bij een Parijse maîtresse.
En nu is daar Mildred die tot leven kwam in een liefdesnacht die de prins begin 1945 had met een vrouw die voor de Binnenlandse Strijdkrachten werkte. De finale van Van der Lindens speurtocht naar prinselijke minnaressen en bastaardkinderen luidt dan ook: ‘Tot slot is er een ‘groot merci’ aan alle vrouwen van wie prins Bernhard heeft gehouden of die van hem hebben gehouden. Stuk voor stuk waren en zijn dat bijzondere, levenslustige, kleurrijke en ook warme vrouwen. De prins wilde op zijn begrafenis het lied ‘To All the Girls I’ve Loved Before’ laten spelen, maar hij wist dat zijn wens natuurlijk nooit zou worden uitgevoerd. Het zou een mooi gebaar zijn geweest naar alle vrouwen die in dit boek figureren. Zij verdienen het om aan de vergetelheid onttrokken te worden en openlijk deel uit te maken van de geschiedenis van Bernhard, Prins der Nederlanden (1911-2004).’
Ik haast mij te zeggen dat het ‘prinselijk’ verslag van Van der Linden geen chronique scandaleuse is, hij doet niet besmuikt, hij zet niet te kijk en is geen betweter. En daarvan getuigen vooral de twee stukken die hij wijdt aan … Juliana. Ik wil met u nu niet verwijlen in de veertien bladzijden die Van der Linden wijdt aan Mildred. Zijn verhaal klinkt heel plausibel maar het alleszeggende dna- bewijs ontbreekt en het zit er dik in dat daar nooit iets van zal komen. Ik stel derhalve voor u nu de tekst door te geven die over een vrouw gaat die ik aan u voorstelde toen wij het hadden over het superbe boek Bernhard van Annejet van der Zijl met als ondertitel ‘Een verborgen geschiedenis’. Het gaat om Ursula von Pannwitz.
‘Juliana was niet de eerste vrouw die een huwelijksaanzoek van prins Bernhard kreeg. Nog geen jaar voordat de verbintenis van de prinses en de Duitse prins bekend zou worden liet hij zijn oog vallen op de mooie en vooral heel rijke Ursula von Pannwitz. Door haar afwijzing kreeg Juliana – en daarmee Nederland – een prinselijke bruidegom. Villa de Hartekamp heeft onlangs een metamorfose ondergaan. De blauwgrijze kleur van de muren maakte plaats voor okergeel waarmee de prachtige buitenplaats in Heemstede haar originele kleur terugkrijgt. Maar daarmee is nog niet alle luister hersteld die er ooit in de villa moet zijn geweest, In de jaren dertig was de villa het trefpunt van de internationale jetset. De Hartekamp werd toen bewoond door Catalina von Pannwitz-Roth en haar beeldschone dochter Ursula. Catalina’s echtgenoot Walter was een van de adviseurs van de Duitse keizer geweest en na zijn dood, in 1920, streken zijn weduwe Catalina en haar dochter in Nederland neer, waar dan ook keizer Willem II in ballingschap woont.
Niet alleen haar schoonheid zorgt ervoor dat Ursula vele bewonderaars heeft, maar ook het feit dat de enige erfgename is van een enorm kapitaal, dat voornamelijk is verdiend in de vleesindustrie in Zuid-Amerika. Prinses Armgard en haar zoons komen vanaf eind jaren twintig, beginjaren dertig bij de familie von Pannwitz over de vloer. Bernhard was al snel verblind door de rijkdom en zette zijn zinnen op Ursula. Maar hij was niet de enige. Ook de zonen van de voormalige Duitse kroonprins hadden interesse. In hoeverre Ursula in is gegaan op de avances van Bernhard is niet bekend. In elk geval voelde hij zich zeker genoeg om haar in 1936 een huwelijksaanzoek te doen. Ursula wijst het af maar de twee houden contact. Bernhard blijft vaste gast op de Hartekamp en later brengt hij zelfs Juliana mee. Met haar is de Prins der Nederlanden een van de eregasten op het huwelijk van Ursula. Ze trouwt, geheel tegen de verwachting in, niet met een Duitse prins maar met een Engelse aristocraat. Op 27 maart 1940 treedt ze in Bennebroek in het huwelijk met John Buxton Pelham, graaf van Chichester, die als persattaché op de Britse ambassade werkt.
Heel lang heeft Ursula niet van haar huwelijksgeluk kunnen genieten. Vier jaar na haar bruiloft komt haar echtgenoot om op het slagveld. Ursula is dan hoogzwanger. Twee maanden na de dood van zijn vader kwam John Nicholas Pelham, de nieuwe graaf van Chichester ter wereld. Ursula staat alleen voor de opvoeding van hem en haar dochtertje, dat haar vader nog wel heeft meegemaakt. Haar moeder Catalina, die van Joodse komaf is, heeft de oorlog overleefd dankzij een bijzondere deal met rijksmaarschalk Hermann Göring, die een deel van haar schilderijen koopt en haar toestemming geeft naar Zwitserland te verhuizen. Vanuit Zwitserland verhuist Catalina vervolgens naar Argentinië, waar ze de rest van haar leven zal doorbrengen. Ursula brengt ook de laatste jaren van haar leven door in Buenos Aires, waar ze nog regelmatig bezoek krijgt van Bernhard. In 1957 trouwt ze opnieuw. Het huwelijk met Ralph Gunning duurt slechts veertien jaar; in 1971 wordt de echtscheiding uitgesproken. Ursula sterft in 1989. In 2009 probeert Ursula’s dochter, lady Georgiana Pelham (1942), de schilderijen die door haar grootmoeder aan Göring werden verkocht van de Nederlandse staat terug te krijgen. Het verzoek wordt afgewezen. De kunstwerken hangen in het Bonnefantenmuseum in Maastricht en het Mauritshuis in Den Haag.’
In een van de fotokaternen die ons boek rijk is, blik ik naar Ursuala von Pannwitz.
|
| |
| CULTUURMIX 6 SEPTEMBER |
| |
| De duim van Alva
Een verhaal is naar mijn idee dan pas spannend als ik al lezende de drang ervaar verder te lezen. Die suspense traceerde ik immer toen ik de 237 bladzijden in één ruk tot mij nam, die met elkaar De duim van Alva uitmaken van het schrijversduo Kisling & Verhuyck en van uitgeverij De Arbeiderspers. Op de met de afbeelding van een draaimolen gesierde cover wordt het genre ervan geduid: het moet om een roman gaan, maar dat gaat alleen op voor het heden, want die is fictief. Corine Kisling en Paul Verhuyck hebben hun verhaal, waarin de gebeurtenissen in een ras tempo over elkaar heen buitelen, dus verzonnen, maar dan alleen wanneer het gaat om het hier en nu, dat als decor de wijk Zuid in Antwerpen kent, waarvan de verzonnen personages elk jaar voor, met en na Pinksteren het zwaar te verduren hebben met de kakofonie van de kermis Sinksenfoor. Het niet verzonnen verre verleden is echter ook in hevige mate actief dreigend present.
In een soort van proloog schetsen en illustreren Kisling en Verhuyck de entourage van toen. Dankzij Luther en Calvijn had het Vaticaan in het midden van de zestiende eeuw niet meer het monopolie van religieuze macht in Europa. Dat ging niet zonder slag of stoot. Keizer Karel V ageerde al fel tegen de ‘ketters’, maar zijn zoon Filips II trad nog veel strenger op, met name na de beruchte Beeldenstorm van 1566, waarbij calvinisten vele katholieke kerken hadden vernield.
Om wraak te nemen werd de hertog van Alva naar de Nederlanden gestuurd. De IJzeren Hertog, die als een tweede Nero werd gezien, kwam in 1567 aan en stichtte zijn Raad van Beroerte, die al snel de Bloedraad werd genoemd. Het schrikbewind van Alva behoort tot de zwartste bladzijden uit onze geschiedenis: het waren zes jaar van bezetting, moord, inquisitie, plundering, oorlogsbelastingen, inbeslagnames, arrestaties, martelingen en meer dan 18000 terechtstellingen. Rond 1570 was Alva op het toppunt van zijn macht, gesymboliseerd door de bouw van de immense dwangburcht te Antwerpen, waarin hij zijn eigen standbeeld liet plaatsen.
Daarna keerde het tij. Men begon het Wilhelmus te zingen, want Willem van Oranje, alias de Zwijger, was de voornaamste opponent van de Spaans- katholieke tirannie. Op 1 april 1572 veroverden de watergeuzen Den Briel, wat een scharnierpunt in de geschiedenis zou blijken. De IJzeren Hertog verdween weer naar Spanje, en vijf jaar later waren alle Spaanse soldaten uit de Nederlanden vertrokken, Antwerpen was voor het eerst sinds jaren vrij van vreemde troepen. De bevolking, uitzinnig van vreugde, brak Alva’s dwangburcht aan de stadskant af en vernielde zijn standbeeld. Daarmee was de episode van de wrede hertog afgesloten. Dacht men tot voor kort. En deze laatste zin wijst onheilspellend vooruit naar het thema van De duim van Alva.
Ik zei het u al: de auteurs rekenden hun De duim van Alva tot het genre van de roman, maar ook het versierende epitheton van ‘literaire thriller’ had niet misstaan, want schoon van taal zijn de woorden en zinnen en huiveringwekkend spannend is de plot, die zich uitstrekt over 49 korte hoofdstukken, die hun finish vinden in het woord ‘Doek’, dat wijst op het vallen van het doek na de voorstelling. De proloog wordt gecompleteerd door een prent van een standbeeld van de IJzeren Hertog. Op de rand van het beeld staat te lezen ‘Jongelingi opus ex aere captivo’, dus ‘Gemaakt door Jonghelinck, uit veroverd brons’ en de hertog steekt zijn rechterhand uit in de richting van de stad, maar niet uitnodigend. Eerder om Antwerpen onder de duim te houden. En zo gaat de titel spreken, want de bronzen duim komt na plundering door het volk in bezit van de dichter, toneelschrijver en geschiedkundige P.C. Hooft, die daarvan gewag maakt in zijn ‘Nederlandse historiën’.
Aan de voeten van de bronzen hertog ligt een met wapens machteloos zwaaiend monsterachtig wezen met twee hoofden en vier armen, dat door Alva vertrapt wordt. Niet door ons te lezen staat op een van de zijden ‘De dageraad die het kwaad verjaagt’, een woordspeling op de naam Alva, in het Spaans Alba dat ‘dageraad’ betekent. Het sculptuur van de dreigend wijzende en meedogenloos vertrappende IJzeren Hertog is de personificatie van het kwaad en verwijst naar het motto. Want de zinspreuk voorin De duim van Alva ontleenden Kisling en Verhuyck aan de Franse auteur Anatole France; ‘Pour aimer et pour souffrir en ce monde, les images suffisent’, dat zoiets betekent als ‘Om lief te hebben en om te lijden in deze wereld, volstaan beelden’. Ook preluderen deze woorden op de kermis die het leven van veel wijkbewoners verstoort, want attracties als The Mighty Maiden, Octopus, Catapult, Rollercoaster, Grand- Guignol maken hen razend.
Het gaat niet aan dat ik u een resumé geef van De duim van Alva want dan zou ik u veel leesplezier onthouden. Neemt u van mij aan dat het een belevenis pur sang is om hoofdpersonage Cornelis Reyziger door het Antwerpse te volgen. Als journalist van het ‘Gezaghebbend Tijdschrift’ wil hij een artikel over de kermis concipiëren en zodoende in de ban geraakt van het idee, verwoord in het motto: laten wij ons doen en laten beïnvloeden door symbolen? En zo arriveer ik ter afronding bij het thema van De duim van Alva: op een plek waar vroeger iets ernstigs gepasseerd is, blijven negatieve energieën hangen. Anders gezegd: waar ooit het beeld van Alva stond, wordt nu de kermis Sinksenfoor gehouden en die lokt vele vormen van agressie uit. Overigens: er zijn legio lagen meer in dit geweldige boek aan te boren, wat weer een plus betekent. Goede boeken dagen immers de lezers uit tot het komen tot een eigen interpretatie!
De rokkenjager en diens bijdehante tante
Ik raak er niet in uitgekeken en ik raak er niet in uitgelezen, zo schoon zijn de beelden en de kleuren erin en zo meeslepend zijn de woorden en zinnen erin. Ik heb het over de 217 bladzijden tellende poëziebundel De rokkenjager en diens bijdehante tante van Herta Müller en van uitgeverij De Geus. Woordcollages en beeldcollages vormen gedichten waarvan de bakermatten liggen in kranten en tijdschriften en die door knipsels van de gevierde schrijfster een heel ander bestaan krijgen. Ik prijs u en mij gelukkig dat ik in deze kolommen eerder gewag mocht maken van prozawerken van Herta Müller als De mens is een grote fazant, De vos was de jager, Hartedier, De koning buigt, de koning moordt en Ademschommel. Wij onderkenden daarbij een immer terugkerend thema: de strijd om te bestaan onder het communistisch bewind van dictator Ceausescu met diens Securitate, de Roemeense geheime dienst. Maar: de vos bleef de jager, ook na 1989.
Müller werd in 1953 in Roemenië geboren, waar ze met haar familie behoorde tot de Duitstalige minderheid. De grootste verschrikkingen van de twintigste eeuw ondervond ze aan den lijve of kreeg ze uit de eerste hand mee: de Tweede Wereldoorlog via haar vader, die bij de SS diende en de Russische goelag via haar moeder. Onder de dictatuur van Ceausescu was zij haar eigen leven niet zeker: haar dossier bij de Securitate besloeg – zo bleek na de val van de dictator- meer dan 900 pagina’s. Tijdens het dictatoriale regime, in 1987, vluchtte zij per tractor het land uit om zich uiteindelijk te vestigen in West-Berlijn. In 2009 kreeg zij de Nobelprijs voor de Literatuur en de speech die zij bij de uitreiking in Stockholm uitsprak droeg de titel ‘Elk woord weet iets van de vicieuze cirkel’.
Nu ik haar galerij van collages ken, opper ik deze titel tot motto van de collectie De rokkenjager en diens bijdehante tante te verheffen, want die staat voor een situatie waar je niet of moeilijk uitkomt. Ik bedoel te zeggen dat de gedichten ons dwingen tot het geven van een eigen interpretatie en Müller reikt daarbij niet de helpende hand, want van leestekens houdt zij niet en duidelijke zinnen bemint ze niet. De clue bij haar is dat de lezer zelf naar een zingeving, naar een betekenis dient te zoeken. Ik wil dit met vier van haar collagedichten illustreren, waarbij ik wel gezegd wil hebben dat tussen de regels door er signalen van angst, verbijstering en vervreemding op te vangen zijn.
op het kleine strand was het
fijne stel weer aangeland de
gezagsdrager de rokkenjager
en diens bijdehante tante de
slapeloze met zijn lange neus
de taxichauffeur altijd nerveus
de virtuoze bontjasheler de
witgeschoeide fluitspeler de
onvermoeide reumadokter de
café-uitbater en wat later twee
soldaten die elke maandag
werden losgelaten bij het eten
werd er één gemist in een hoek
lag de te klein gekochte broek de
eigenaar was verandatimmeraar
was hij verdronken niemand
die het wist
maar de grenswacht had ogen als
twee scheef gehalveerde kersen
hij had heuphoog een zwarte hond
en als een stompje kaars een
koude sigaret links in zijn mond
de zwager van mijn vader had van de oorlog
nog maar één arm de andere was van wasdoek
gevuld met zand in plaats van een hand zat
er vingergroot een haakje aan dat glom onder
water lokte de vissen naar boven de zon was
onder het viaduct geschoven met haar gele
laatste tand algauw kwamen de avondspreeuwen
in een zwerm voorbij die leken voor mij op het
jasje met zand in de mouw
en op de trap naar het kanaal ging slechts een
lachwind aan de haal
’s morgens heel vroeg kwam er een man die
duimstok en notitieblok droeg in één haal stal hij
mijn twee wenkbrauwen en vond die vervolgens
als sluipweg te kaal ik moest er gras op gooien
ik ging een paar groene halmen met dwaze nerven
rooien de man begon klaver te verbouwen
witte en donkerblauwe
door de klaver struinen honden met bar wazige
haren en die maken mij verdacht ze zeggen
dat ik vast al de volgende nacht met de stille
watertaxi van het ene oog naar het andere ga
varen
Als u Müllers bundel in hand neemt – en alles pleit daarvoor – zult u met mij onder de indruk komen van de klus die vertaalster Ria van Hengel geklaard heeft: zij herschiep, beter: herriep uit het Duits klankrijke metrische prozagedichten met veel neologismen erin. Hulde aan De Geus, want die brengt ons al jaar dag Herta Müller tot ons.
|
| |
| CULTUURMIX 30 AUGUSTUS |
Een verloren vrouw
Bij tijd en wijle achterhaalt mij het geluk van lezen. Zo’n heuglijke happening mocht ik voorbije weekend beleven, want ik beidde mijn tijd door te verwijlen in de 160 bladzijden die de roman Een verloren vrouw van Willa Cather rijk is. Opnieuw onderscheidt zich de door mij zo beminde uitgeverij Cossee, want zij voegt opnieuw een juweel toe aan haar reeks Cossee Century. Ik noem u daaruit Heldenangst van Gabriel Chevalier en Alleen in Berlijn van Hans Fallada en u weet waar die voor staat. Een verloren vrouw dateert uit 1923 en meteen stipuleer ik hiermee de literaire waarde ervan: verwacht u geen psychologische diepgang en ontwikkeling van karakters, maar wel een grandioze tekening van tijd en plaats gevat in prachtig proza.
Anders gezegd: Willa Cather verwoordt middels geweldige beschrijvingen van natuur en cultuur de zielenroerselen van haar personages en schrijvenderwijs laat zij daarbij een bijkans verzonken wereld tot een revival komen. Willa Carter wilde met haar geschrift bereiken dat een vervlogen tijd opnieuw in herinnering gebracht werd. Zij baseerde zich daarbij op het leven van Lyra Garber, de vrouw van de pionier Silas Garber die als gewezen officier in het leger tijdens de Amerikaanse burgeroorlog in 1870 met een klein groepje bereden volgelingen in Nebraska belandde, waar hij op een heuvel boven de Republican River een terrein afrasterde, dat hij de naam gaf van een bevriend Indiaans opperhoofd: Red Cloud. Zo werd Garber de stichter van de stad waar Willa Cather opgroeide. Dankzij een typische pionierscarrière belandde hij binnen vier jaar vanuit zijn met gras begroeide lemen hut in de gouverneursvilla van de jonge staat Nebraska. Na twee ambtstermijnen keerde hij terug naar Red Cloud en bouwde daar op de heuvel aan de rand van de stad het huis met het populierenbos dat in Een verloren vrouw beschreven wordt. Alleen doopte Carter de naam van de plaats om in Sweet Water. Daar wonen spoorwegpionier en oud-legerkapitein Forrester en zijn een kwart eeuw jongere vrouw Marian, die het stralend episch centrum van het verhaal is. Zij is geestig en elegant, energiek en optimistisch. Maar dat is niet alles. Zij heeft een bijzondere karaktertrek, iets provocerends, een zekere hang om over grenzen heen te gaan. Dat manifesteert zich als Marian naar de rivier gaat om voor Kerstmis cedertakken af te snijden, waarbij ook in de slee haar minnaar.
Ik wil u de schoonheid van taal en tekening van Een verloren vrouw doen opklinken. Ik neem daartoe een passage uit het tweede hoofdstuk waarin de buurjongen van de Forresters, Niel Herbert, met een groep kameraden in het bos achter de moerassen aan het spelen is. Zij worden echter tijdens hun picknick gestoord door de brute en impopulaire Poison Ivy, die met een metalen katapult en een paar ronde kiezelsteentjes een kloppende vrouwtjesspecht uit een boom velt.
Ik citeer:’ ‘Let op, dan zal ik jullie eens iets laten zien,’ zei Ivy. Hij hield het kopje van de specht tussen zijn duim en wijsvinger als in een bankschroef en hield het hijgende lijfje in zijn vuist. Bliksemsnel, alsof hij er lang op geoefend had, sneed hij met een van de kleine mesjes beide felle oogjes uit het domme kopje en liet de vogel toen onmiddellijk los. De specht steeg in een wankele spiraal op, fladderde naar rechts, botste tegen een boomstam op, schoot toen naar links en botste op een andere boom. Op en neer vloog ze, naar achteren en naar voren tussen de wirwar van takken, schampte haar veren, viel en herstelde zich weer. De jongens stonden verontwaardigd, ontzet toe te kijken en wisten niet wat ze moesten doen. Ze waren niet bijzonder overgevoelig: Thad was altijd in de buurt als er iets in het slachthuis te doen was en de jongens van Blum leefden van het doden van dieren. Ze zouden vroeger nooit hebben geloofd dat een gewonde specht hen zo zou aangrijpen. De manier waarop de blind geworden vogel tussen de takken klapwiekte had iets wilds, iets wanhopigs, ze tolde rond in het zonlicht zonder het te zien, gooide telkens haar kopje omhoog en schudde het zoals een vogel doet als hij drinkt. Ze was er inmiddels in geslaagd met haar pootjes op dezelfde tak te landen waar ze op had gezeten toen ze geraakt werd en leek de plek te herkennen. Ze kroop al pikkend langs de tak en verdween in haar holletje in de stam, alsof ze iets van haar pijnlijke avontuur had beleefd.’
In een van de essays achterin Een verloren vrouw lees ik een verklaring van het dulden van Marians overspel door kapitein Forrester: ‘Waarom? Omdat hij weet dat het karakter van Marian synoniem is met ‘grenzen overschrijden’? Omdat hij zich realiseert dat je een vogel niet kunt beletten te vliegen, tenzij je deze, zoals dat in het begin gebeurt bij het spechtenvrouwtje, de ‘gay challenge’ letterlijk uit haar ogen snijdt?’ De wereld van Willy Cather is de Amerikaanse prairie en daarin wil ik met u nog een paar maal vertoeven.
Venezia
Op een van de schappen van mijn boekenkast koester ik de Standaard Gids Venetië, die ons gezin in de jaren negentig o.a. voerde naar Rondvaart met gondel, Basiliek van San Marco. San Marcoplein, Dogenpaleis, Ponte di Rialto, Rialtomarkt, Ponte dei Sospiri, Canal Grande, Riva degli Schiavoni en Guggenheim Museum. Bij tijd en wijle neem ik de door het ruime arsenaal aan kleurrijke illustraties leidraad in handen om de beelden van weleer op mijn netvlies te toveren. Wij met ons vijven genoten met volle teugen in de zes historische stadswijken of sestieri aan beide zijden van het Canal Grande. Wij hebben veel eyecatchers in ons valies opgeslagen en zodoende blijft de drijvende stad met ruim over de honderd eilandjes in ons collectief gezinsgeheugen. Een paar dagen terug reikte de postman mij echter een vuistdik – want 458 bladzijden tellend- boek aan, dat mij in deed zien dat wij nog meer van Venetië tot ons hadden kunnen nemen. Ik heb het over Venezia van Luc Verhuyck met als ondertitel ‘Een anekdotische reisgids’ en met als uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep.
De komende weken wil ik met u een tocht maken door deze gids die twee compartimenten kent: ‘Venetië, een bijzondere stad’ en ‘Venetië van A tot Z’. Ik kan u dan voluit een hartveroverende en meeslepende trip vol sightseeings garanderen, die bol staat van boeiende en onderhoudende verhalen. Nu geef ik een passage uit het ‘Woord vooraf’. Maar voordat ik het woord geef aan Verhuyck, die eerder naam maakte met gelijke werken over Rome en Florence, noteer ik de motto’s: Constantijn Huygens:‘Venetië! Hoe ik ook probeer haar te prijzen, alles schiet tekort voor de stad die zelfs met de hoogste lof geen recht wordt aangedaan.’, Henry James: ‘Het minste wat ik je over Venetië kan zeggen, is dat ik de stad adoreer. Ik ben er volslagen wanhopig verliefd op geworden.’, Anton Tsjechov: ‘Samengevat: wie niet naar Venetië gaat is een dwaas.’
Ik citeer: ‘Dit is geen boek met reisverhalen of met persoonlijke ervaringen, het is een reisgids waarin volksverhalen, stadslegendes, petites histoires, faits divers en leuke weetjes naast elkaar staan. Daarvoor zijn papieren bronnen, zowel literaire als historische, zowel biografische als religieuze, gebruikt, alsmede tal van kunsthistorische werken, oude reisgidsen, correspondenties, ambtelijke stukken en dergelijke. Veel hebben we over Venetië gelezen en we hebben de stad vaak bezocht. Waar dat mogelijk was is de informatie ter plekke gecontroleerd, maar veel verhalen baden in een sfeer van waas eb mysterie, zoals de stad zelf dat eigenlijk doet. In Venetië hangt namelijk een bijzondere, wat mysterieuze sfeer. De stad heeft met haar mistige vergezichten, zacht klotsende kanalen, huizen in het water, kleine, smalle straatjes, doodlopende steegjes, onverwachte, verstilde pleintjes, duistere sottoportego’s (doorgangen onder de huizen), talrijke bruggetjes, verrassende hoekjes, iets geheimzinnigs. Er is nauwelijks nieuwbouw en mede daardoor heeft de stad haar middeleeuws karakter veelal behouden. Tel daarbij op het eigen dialect, de commedia dell’arte, het carnaval en de maskerades, de anachronistische gondels: dat allemaal samen heeft door de eeuwen heen bezoekers van diverse pluimage aangetrokken.
Zo kon Venetië een stad worden van avonturiers, een stad waar waarzeggers, tovenaars en duivelbezweerders, acteurs en acrobaten, goochelaars en escarnoteurs, ballerina’s en muzikanten, astrologen en alchemisten, gifmengers, kwakzalvers en valsemunters, onheilsprofeten en volksverlakkers, wonderdoeners en gelukszoekers. Oplichters, vrijmetselaars en kabbalisten, vleiers en spionnen, spelers en courtisanes, vagebonden, brouwers van liefdesdrankjes en levenselixers en allerhande andere duistere figuren de ideale omgeving konden vinden om misbruik te maken van de goedgelovigheid der mensen. Geen wonder dus dat spoken,duivels en ander rondvliegend tuig uit mythes of sprookjes steeds weer opduiken in de volksverhalen en de stadslegenden. Het leven in een libertijns Venetië leek soms één grote verkleedpartij, en bijgeloof was nooit ver weg.
Een bezoek aan de stad is om meer dan één reden ongewoon omdat voor Venetië een aantal dingen niet gelden die elders volstrekt vanzelfsprekend zijn. Zo ontbreekt bijvoorbeeld verkeer op wielen. In andere steden die door stromen, rivieren, kanalen, grachten of reien doorkruist worden, is een boottochtje een vaak succesrijke toeristische attractie. In Venetië varen alleen de beroemde gondels voor het plezier, want verder is het verkeer op het water een bittere noodzaak, al verwarren de meeste toeristen het een met het ander. Zij promoveren immers een verplaatsing met de vaporetto tot een tochtje met een plezierboot, vaak tot ergernis en ongenoegen van de Venetianen of de pendelaars, en dat geldt zeker voor de lijnen die over de hoofdader van de stad, het Canal Grande, varen. Dat Venetië verkeersvrij is, maakt het tot een van de stilste steden op deze bol. Voor een relatief drukke stad is het een oase van rust, en die rust straalt Venetië ook uit. Alleen bij sommige vaporettohaltes is het wel eens hectisch, en het is bijzonder druk op de Piazza en de Piazzetta San Marco, bij de San Marcobasiliek en de Campanile, aan de Rialtobrug en de Ponte della Paglia (met zicht op de Brug der Zuchten), op de hoofdstraat tussen Rialto en San Marco en op de Molo tussen de vaporettohaltes San Marco en San Zaccaria. Gaat men daar een paar tientallen meters vandaan, dan is het opeens rustig en stil. Het lawaai dat in de stad heerst, is dan ook van een volkomen andere orde dan elders.
In Venetië wordt de stilte verbroken door geluiden als het geroezemoes van duizenden stemmen of het gekwetter van enkelingen, het schuifelen van voeten, een enkele gehaaste stap, de roep van een kruier, het krijsen van meeuwen, het koeren ven duiven, het repertoire van straatmuzikanten, het kabbelen, klotsen, ruisen en zuigen van water, het overslaan van golfjes, het luiden van klokken, het ronken van scheepsmotoren, het geroep (of gezang) van een gondelier, een enkele scheepsfluit. Met een gondel over de kanalen glijden is als een uitstapje maken naar het verleden, dat hier evenwel het heden is. Venetië is enig ter wereld en kan alleen met zichzelf worden vergeleken, wat ook Goethe in 1786 al opmerkte, Dat een aantal aantrekkelijke steden, zoals Amsterdam of Brugge, maar ook Amiens, Sint Petersburg, Stockholm en nog andere plaatsen waar veel water doorheen stroomt en die op zich al veel te bieden hebben, wel een het Venetië van het noorden worden genoemd, bewijst hoeveel aanzien de stad geniet en welke uitstraling ze heeft. Het omgekeerde komt namelijk nooit voor. Het is voor vele steden een epitheton dat hun inwoners en bewonderaars graag gebruiken, maar er is natuurlijk slechts één Venetië.‘
|
| |
| CULTUURMIX 23 AUGUSTUS |
Stil leven
Een oogstrelend en hartveroverend kijk- en leesalbum heb ik voor u, dat u zeker uw kids niet ongezien en ongelezen mag laten, want het gooit de ramen open naar vergezichten vol kunst. Ik heb het over 62 grote bladzijden tellende Stil leven van Ted van Lieshout met als ondertitel ‘Door de westerse kunstgeschiedenis in 26 stappen’ en met als uitgeverij Gottmer. Het is een waar festijn langs deze grandioze galerij met 52 topstukken in uw uppie te schrijden en erbij te verwijlen. Bij de entree van zijn hommage aan het gericht, gedegen, geboeid en geraakt schouwen naar artistieke specimina geeft Van Lieshout zijn credo af. Bij zijn eerste doublet dat gewijd is aan de anonieme grotschildering ‘De stier van Lascaux’ van ± 15.000 jaar voor Christus en aan het schilderij van Paulus Potter ‘De jonge stier’ uit 1647 belijdt hij het zo: ‘In een museum loop ik altijd stilletjes rond. Ik ben namelijk in mijn eentje de jury die het lievelingsschilderij gaat kiezen. De schilderijen werken maar al te graag aan de wedstrijd mee, want ze fluisteren voor wie het horen wil: ‘Zie mij, kies mij.’ Als ik gekozen heb, ga ik terug naar de winnaar. Ik kijk er opnieuw naar, maar nu met lieve ogen. Ik weet zeker dat elk schilderij het liefst zó beloond wil worden, Van trots glimt het nog wat meer. Natuurlijk is het sneu voor de andere schilderijen. Maar ach, er komen elke dag honderden jury’s langs en die hebben allemaal hun eigen smaak. Zo wint zelfs het doek dat ik het lelijkst vind wel eens de wedstrijd. In andermans ogen.’
26 keer gidst Van Lieshout u langs paren van kunstwerken op het platte vlak. Onder plat vlak verstaat hij ook de versieringen op ronde vazen, omdat de decoraties zijn aangebracht als op een plat vlak. Dat geldt eveneens voor de Franse rotstekeningen uit Lascaux, de Griekse schaal ‘Zeus ontvoert Ganymedes’ , het glas-in-loodraam ‘Judith en Holofernes’, de uit de grond geschraapte reus op de Engelse heuvel in het gras en ook het tweetal foto’s uit de negentiende eeuw. Om u enig idee te geven van de lef en durf van Van Lieshout in het uitspelen tegen elkaar van kunstwerken noem ik u een drietal door hem uitverkoren doubletten: ‘Zelfportret’ van Rembrandt van Rijn – ‘Portret van vrouw en kinderen’ van Hans Holbein de Jongere, ‘Sabijnse vrouwen’ van Jacques-Louis David - ‘Het vlot van de Méduse’ van Théodore Géricault, ‘Sneeuwstorm, stoomboot voor een havenmond’ van William Turner - ‘Dood van Ophelia’ van John Everett Millais. Van Lieshout maakt een kunstreis door de tijd en de finish ervan ligt in het heden en recente verleden. Zo worden er aan het eind paren gevormd door Paul Klee / Ted van Lieshout, Andy Warhol /Joseph Beuys en Marlene Dumas / Malte Brekenfeld. En steeds weer is daar de reisleider die u bevlogen en gedreven verhaalt over de minnen en plussen van hun werken. Overigens; de gang door de eeuwen heen wordt ook treffend getypeerd op de omslag: een spuitbus met gestalte Mona Lisa.
Het mooie van Stil leven is er vooral in gelegen dat het wijst op door mij onvermoede, beter: tot nu toe onopgemerkte, facetten. Ik volsta met één voorbeeld: de vlaai op de grond van Potters schilderij ‘De jonge stier’. Het is logisch om te denken dat het stierenpoep is. Maar Van Lieshout denkt dat Potter expres het vogeltje rechts boven de vlaai heeft geschilderd en het kikkertje op één lijn links ervan om te suggereren dat het geen stierenstront is maar een kilo vogelpoep of kikkerkak! Ik wil u Van Lieshout laten doen opklinken. Ik neem daartoe zijn teksten bij twee foto’s: die van Timothy H. O’Sullivan ‘Een oogst van doden, slagveld van Gettysburg, Pennsylvania, 1863’ en die van Louis-Jacques-Mandé Daquerre, ‘Boulevard du Temple, Parijs, ± 1837’.
Ik citeer: ‘De tijd van Turner en Millais was er een van grote veranderingen. Er werd elke dag wel iets uitgevonden. Eén uitvinding was van groot belang voor de ontwikkeling van de kunst: de foto. De camera was er toen al een poos, maar daarmee kon je alleen een beeld projecteren, bijvoorbeeld op een muur. Afdrukken maken en bewaren kon niet. Kunstschilders waren niet zo enthousiast over de foto. Die kon, vonden ze, alleen maar koeltjes tonen wat er te zien was. Daar kwam geen fantasie aan te pas en ook geen talent. Nu waren de eerste foto’s ook vaak zo wazig, dat ze niet konden tippen aan de duidelijkheid van schilderijen, maar de techniek werd al snel beter. Kunstenaars gingen dan ook steeds vaker foto’s gebruiken als hulpmiddel bij het schilderen. Het was natuurlijk veel handiger om even aan de hand van een foto een paard op je doek te schilderen dan met al je spullen in de wei te gaan zitten.
Het maken van een foto ging niet van klik en klaar. De lens van de camera moest lang openstaan om het licht te kunnen vangen. Eén beweging en de foto was wazig. De mensen op de foto die Timothy O’Sullivan in 1863 maakte van een slagveld in Amerika, bewogen niet omdat ze gesneuveld waren. Maar het paard op de achtergrond leefde en bewoog, en is daardoor onscherp. Tocht is het verschil duidelijk tussen de lijken op de foto en die op het schilderij van Géricault : in verf zijn de doden namaak, de doden op de foto zijn écht. Die taak werd de schilders dan ook uit handen genomen: fotografen konden veel sneller en preciezer vastleggen wat er in de wereld gebeurde. Al kon dat toen alleen in zwart-wit.
Een van de eerste foto’s stamt uit ongeveer 1837 en is van de Fransman Daguerre. Hij laat een straat in Parijs zien en op het eerste gezicht is het een saaie foto, want er gebeurt niets op. Het lijkt vroeg in de ochtend, want de straat oogt verlaten. Maar de korte schaduwen van de bomen geven nu juist aan dat het midden op de dag is. Waar zijn dan de wandelende en winkelende mensen gebleven? Ze zijn er wel, maar je ziet ze niet. Om de foto te kunnen maken moest de lens van de camera een hele poos openstaan. Daarom is goed te zien wat lang stil kan staan: gebouwen. De bomen bewogen in de wind nog te veel om scherp te kunnen worden afgedrukt. En de mensen, hoe langzaam ze ook wandelden, liepen veel te hard om ze voor deze foto te kunnen vangen.
Hoewel: op de hoek van de stoep staat een man stil te leven. Hij rust met zijn voet op iets dat ik niet herken. Enkele meters rechts van hem is nóg iemand te zien. Mogelijk zit daar iemand met een bord op zijn schoot te tekenen, Zij zijn daar niet toevallig. Speciaal voor de foto bewogen ze zo min mogelijk. De andere mensen hadden daarvan geen weet. Die slenterden zo snel, dat de camera hen niet bij kon houden. Alleen hun golvende bewegingen zijn te zien, vooral op de linkerstoep: die kabbelt als de zee. Is het geen wonder? Op de foto van Daguerre zijn de levende, lopende mensen onzichtbaar geworden, Ze zijn verdwenen uit de tijd. Op die van O’Sullivan zijn alleen de doden langzaam genoeg om ze voor altijd te kunnen blijven zien.’
Stil leven, een album om stil van te worden.
Kijkvoer & leesgenot
Nog maar een etmaal heb ik de bundel op mijn schrijftafel liggen en hoe vaak heb ik hem niet al in de handen genomen om de dichtregels er uit tot mij te laten komen. Ik heb het over Kijkvoer & leesgenot van aankomend archeoloog Michèl de Jong en van gevestigd tekstschrijver, econoom, cabaretier, dichter, schrijver, letterkundige, componist, pianist en zanger Drs. P. Nu en volgende keren wil ik uit de in het fonds van Nijgh & Van Ditmar opgenomen werk voor u gaan citeren. Drs. P introduceerde bijna vier decennia terug in ons taalgebied het fenomeen van de versvorm ollekebolleke en specimina daarvan wil ik aan u doorgeven en ik verzoek u dan acht te slaan op begrippen als puntdicht, pointe, humor, de twee strofen van elk vier versregels, het metrum dactylus, het ene woord in de zesde versregel en het eindrijm van regel vier en acht. De 24ste van deze maand viert Heinz Herman Polzer, alias Drs. P zijn 92ste geboortedag en deze selectie is mijn tribuut.
In de sectie ‘Wat bracht de postbode?’ geven Michèl de Jong en Drs. P ollekebollekes bij oude ansichten Ik geef u hun motto en twee gedichten en het ‘kijkvoer’ uit de titel zal u meteen duidelijk zijn.
‘Iedere prentbriefkaart
Hoogst onopwindend
Of zeer uit de tijd’
‘Kan met behulp van een
Amusementsversje
Worden voorzien
Van opmerkelijkheid’
Bij de ansicht van een in de lucht springende vrouw op leeftijd die ook de omlag siert luidt het:
‘Ooit was ik lusteloos
Somber, zwartgallig zelfs
Vaak depressief
En neerslachtig te moe
Nu, als gelukkige
Staatsloterijwinnaar
Lacht mij het leven
Inmiddels weer toe’
Bij de ansicht van een jonge vrouw in badpak achter de piano staat:
Variéténummer
Jet, een klavierspeelster
Had pianistisch
Gering potentieel
Maar in het licht van haar
Weinigverhullende
Outfits
Vergaven de mensen haar veel
Uit de afdeling ‘Kijk op geschiedenis’ licht ik voor u:
Het motto:
Canon van Nederland
‘Dit wordt geheid
Een historisch succes!’
Maar de ontvangst bleek te
Onoverweldigend…
Dus maar gewoon weer
Geschiedenisles?
De verzen:
Hunebedden (ca. 3000 v. C.)
Keien in groepsverband
Hier of daar neergelegd:
Arrangement
Dat hier hunebed heet
Heidense kunstuiting?
Architectuuraanzet?
Niks hoor – begraafplaats
Ziedaar wat men weet
Romeinse Limes (47 – ca. 400)
‘Hier komt een afscheiding –
Muur, wal of wat dan ook
Dat wordt de grens
Van ons eigen terrein
Die is normaliter
Onoverschrijdelijk
Voor de barbaren’
Sprak streng een Romein
Om uw belangstelling verder te wekken voor de 176 bladzijden van Kijkvoer & leesgenot: de andere capita zijn: ‘Vrolijke dierentuin’, Mythologiekatern’, ‘Nogal uiteenlopend’. ‘Grimmige toekomstdroom’, ‘Ook erg uiteenlopend’, ‘Voer voor verzamelaars’ en ‘Roomse verzinselen’. In het overzicht achterin met de titel ‘Wie is aansprakelijk?’ verneemt u de bijdragen van Drs. P en Michèl de Jong.
|
| |
| CULTUURMIX 16 AUGUSTUS |
Exotische liefde
In het katern met zeven afbeeldingen blik ik naar de geïllustreerde titelpagina van Reize in eenen Palanguin; of lotgevallen en merkwaardige aanteekeningen op een reize langs de kusten Orixa en Choromandel uit 1808 en dat doe ik nadat ik mijn tintelende tocht gemaakt heb door het 282 bladzijden tellende Exotische liefde dat bijna de helft van het verslag bevat dat klerk en koopman Jacob Haafner – hij leefde van 1755 tot 1809 - van zijn reis langs de oostkust van India maakte. De overige illustraties uit de oorspronkelijke editie van Reize in eenen Palanquin zijn ook een lust voor het oog en een streling van het gemoed: het betreft gravures van Reinier Vinkeles vervaardigd naar tekeningen van Haafner zelf. Het gaat om vijf kleurenplaten: twee devedaschies (dat zijn tempeldanseressen), kerkgaande mestiezen (die zijn ontstaan uit een verbintenis van een Europese vader en een Portugees-Indische vrouw), een waarzegger en een bedelmonnik.
Een uitklapplaat in zwart-wit met het onderschrift ‘De ontmoeting met Mamia bij Nababpeent’ completeert het geheel en dat ‘Mamia’ slaat op de nieuwe titel Exotische liefde die bedacht werd na de bewerking en de hertaling door Thomas Rosenboom en die gerealiseerd werd onder redactie van Erica van Boven en Olf Praamstra. De twee zeggen in hun Nawoord dat zij met de bloemlezing het werk van Jacob Haafner van toen voor een groot publiek van nu toegankelijk willen maken. Zij hebben zich geconcentreerd op wat de huidige lezers het meest zal aanspreken: de reis zelf en de avonturen onderweg, de beschrijvingen van inheemse gebruiken, de visies op de koloniale politiek en het kolonialisme, en natuurlijk het liefdesverhaal; de ontmoeting met Mamia, de ups en downs van de romance en haar dood. Dat centrale thema hebben zij in de titel Exotische liefde tot uitdrukking willen brengen. Dankzij hen is onze literatuur een boeiend werk rijker geworden. Van Boven en Praamstra zeggen het zelf aldus: ‘Thomas Rosenboom is dicht bij Haafners tekst gebleven. Waar het taalgebruik een hindernis voor moderne lezers opwierp heeft hij ingegrepen, maar zonder Haafners eigen stijl aan te tasten. Lezers kunnen nu ongehinderd kennismaken met de stilistische kwaliteiten en de fascinerende denkwereld van Jacob Haafner, en zelf vaststellen dat hij een plaats verdient in het pantheon van grote Nederlandse schrijvers.’
Proza en poëzie schrijvende tijdgenoten van Jacob Haafner waren o.a. Betje Wolff en Aagje Deken, Rhijnvis Feith, Hieronymus van Alphen, Jacobus Bellamy en Willem Bilderdijk. Hun literaire prestaties spreken ons niet meer zo aan, gewoon omdat hun visies op het leven aan hun eigen tijd gekluisterd waren. Hoe anders met de als een Feniks uit de as herrezen Haafner: de man die zijn hele leven op reis was, vertelt volkomen eerlijk en openhartig over zijn zwaktes, dromen en ontgoochelingen.
Een saluut vol van hulde breng ik aan de door mij en u zo beminde uitgeverij Athenaeum- Polak & Van Gennep, want zij maakte de formidabele gereviseerde editie mogelijk van Reize in eenen Palanguin, het verslag van een tocht van zo’n duizend kilometer die Haafner in 1786 in een palankijn maakte. Een palankijn is een draagbed, gedragen door vier koelies en gevolgd door vier koelies, voor de bagage. Draagkoelies en bagagekoelies wisselen elkaar onderweg steeds af. Twee episodes uit Exotische liefde troffen mij zeer; de val van Jacob in een afgrond en de dood van zijn geliefde, de jonge Indische danseres Mamia. Haafner verblijft in Vizagapatnam en bezoekt Veloer, een dorp verderop, waar een jonge vrouw uit de kaste van de krijgers in een kuil vol vuur zal springen om zich samen met haar overleden man te laten verbranden. Na het zien van de noodlottige sprong wil Haafner aan het eind van de dag door de bergen teruglopen, maar hij verdwaalt.
‘Zo dwaalde ik in de stikdonkere nacht en door de regen op goed geluk rond, zonder nog te weten of ik voor- of achteruitging. Eindelijk kwam ik weer bij een heuvel. Te gehaast om nog te kijken waar ik mijn voeten zette klom ik omhoog, maar nog voor ik mij opnieuw kon oriënteren overkwam mij een vreselijk ongeluk: plotseling verdween de grond onder mijn rechtervoet, en met de andere stond ik aan de rand van een zwarte diepte die zich op dat moment onder mij opende. Snel wilde ik terugtreden, maar te laat: ik verloor mijn evenwicht en schoot zijdelings naar beneden. Gelukkig wist ik in mijn val nog net een struik vast te grijpen, waar ik met beide handen aan bleef hangen. Men kan zich voorstellen hoe ik schrok. Uit alle macht probeerde ik mij aan de takken weer omhoog te trekken, waarbij ik nu eens met mijn ene knie, dan weer met mijn andere naar steun zocht. Het angstzweet brak mij uit, na een kwartier van ijselijke inspanningen hing ik nog steeds in de kuil te spartelen, en het lukte maar niet om weer naar boven te komen, al mijn pogingen waren tevergeefs. Op het laatst konden mijn armen mijn gewicht niet meer houden en moest ik loslaten. Mijn ziel aan God aanbevelend stortte ik met een gil en het gevoel dat de afgrond mij verslond naar beneden. Totaal verdoofd, zowel door de schrik als de val, bleef ik enige tijd gevoelloos liggen, totdat een vreselijke, bijna verstikkende stank mij weer bij mijn positieven bracht. Om mij heen tastend kwam ik tot de conclusie dat de stank afkomstig was van een dode of buffel, waar ik tot mijn niet geringe verwondering bovenop lag. Ik stond haastig op en verwijderde me een paar passen van het kreng – uiterst behoedzaam nu, uit vrees voor een nieuw ongeluk. Door de dikke duisternis die mij omringde viel niet uit te maken in wat voor soort kuil of gat ik mij bevond.’
Na twee dagen in de donkere berg vindt Haafner een spleetje licht en een uitgang.
Van WAO tot AOW
Een fan ben ik van de onverdroten over eigen wel en wee schrijvende Bert Holster uit Hardinxveld-Giessendam. Zijn memoires onderscheiden zich door de eerlijkheid en oprechtheid waarmee hij zijn levensverhaal optekent en in boekvorm uitgeeft. De eerste twee delen die Holster publiekelijk het licht deed zien vormden wis en waarachtig voor mij bronnen van leesplezier waaruit het vooral heerlijk putten was omdat hij frank en vrij inkijkjes geeft in zijn eigen doen en laten. Toen Holster mij een paar maanden terug het derde deel van zijn autobiografie met de titel Van WAO tot AOW aanreikte, beleefde ik dan ook een finest hour, omdat ik wist dat mooie uren vol suspense mij te wachten zouden staan. En ik haast het mij te zeggen: de 97 hoofdstukken verspreid over 374 bladzijden nam ik met graagte tot mij, want Holster beschikt over een bijkans fotografisch geheugen. Zijn persoonlijk getinte schetsen overstijgen daardoor het anekdotische. Anders gezegd: zijn vertellingen geven niet alleen een boeiend relaas over een eigen leven, maar bieden ook een panorama op de voorbije vijf decennia maatschappelijk leven toen geluk ook niet geheel gewoon was en de struggle for life door ieder geleverd diende te worden.
Van WAO tot AOW illustreert uit de eerste hand dat niemand het leven cadeau krijgt, dat een ieder door ups en downs moet gaan en dat maar weinigen met een gouden lepel in de mond geboren worden. Alleen Bert Holster verstaat de kunst van het relativeren, zodat zijn relaas niet loodzwaar wordt. Als u dan nog weet dat hij bedeeld is met een rijk gevoel voor humor, met een optimistische kijk op het leven, met een vaardige pen en met een toegankelijke stijl van schrijven, traceert u dat u Van WAO tot AOW niet ongelezen mag laten. Ik ga u dat aantonen met het doorgeven van een gedicht dat u aantreft in hoofdstuk 41 ‘Moedeloos’, maar eerst wil ik dit gezegd hebben: Holster is geen kniesoor die nooit de zon in het water ziet schijnen. Hij heeft in het leven heel wat klappen opgelopen, maar hij raakte nooit uit het veld geslagen. De omstandigheden kregen hem nooit klein. Hij dankt dit zelf aan zijn gezinsleven. Ik voeg daar echter een andere verklaring aan toe: Holster is behept met zin in het leven. En daarvan getuigen de vele excursies naar die locaties waar het kleine geluk op heterdaad te betrappen is. Holster gaat gewoon voor de mooie momenten. Holster steekt ons met zijn Van WAO tot AOW – te bestellen via bertholster@hetnet.nl toch een hart onder de riem, hoewel hij het af en toe niet ziet zitten. Zo dichtte hij in februari 1990 ‘Naar lichaam en geest’, dat zo gaat:
‘k Heb het nooit willen geloven,
heb steeds gedacht, mij overkomt dit niet,
kom ik dit ooit weer te boven,
nu ik alles somber zie.
Jarenlang ben ‘k nu al bezig,
hou me flink, zeg: ’t doet mij niets,
maar soms denk ik wat afwezig,
’t doet mij degelijk wel iets.
Door de wet en regelgeving,
zomaar in een hoek gedrukt,
weg je baan, ’t is een beleving,
je schrikt je lam, je gaat gebukt.
Oproep, keuring, ’t blijft zich herhalen,
in ‘procenten’ word je dan verdeeld,
is het dan vreemd, dat je gaat ‘balen’,
als niet geloofd wordt, wat jou scheelt?
Steeds maar weer diezelfde vragen,
het antwoord is reeds lang bekend,
proberen je iets op te dragen,
te zwaar voor een ‘gezonde’ vent.
Je vertelt ze steeds de waarheid,
maar die waarheid heeft geen zin,
want wat blijkt uit hun beleid,
het antwoord vullen zij wel in.
Ik ben wel eens in toorn ontstoken,
berustend in een stoel gezakt,
was mijn lichaam reeds gebroken,
ook mijn geest is nu geknakt.
‘k Loop reeds twintig jaar zo rond,
weet dat ik dit ‘kruis’ moet dragen,
ben sindsdien geen dag gezond,
heb daarom nog wel eens wat v ragen.
‘k Vraag mij af, hoe het zou wezen,
een hele dag echt zonder pijn,
nu kan ‘k niet eens een boek meer lezen,
door geestelijk niet meer fit te zijn.
‘k Heb ook wel eens overwogen,
‘k stap er uit, het hoeft niet meer,
‘k voel mij dikwijls echt bedrogen,
‘k zie mijn gezin, dan gaat het weer.
‘k Heb veel steun gehad van vrienden,
echte vrienden … weinigen,
doordat oppervlakkig zienden,
niet beseffend, pijnigen.
Als de blikken konden spreken,
die zij werpen, elke dag,
zouden wij nog meer verbleken,
enkel doen, wat van hen mag.
Wat mij rest is enkel hopen,
op het woord … gerechtigheid,
de waarheid achterna te lopen,
’t is erg zwaar, heb ik ook de tijd?
|
| |
| CULTUURMIX 10 AUGUSTUS |
De hemel van Heivisj
Voorbije weekend toen de uren gevuld waren met alsmaar ruisende regen, brak voor mij toch het lichtend licht door, want ik nam een roman van uitgeverij Querido tot mij die bijkans zijn weerga niet kent. Zo weergaloos goed naar vorm en naar inhoud zijn de 405 bladzijden tekst ervan. Ik heb het over De hemel van Heivisj van Benny Lindelauf met de motto’s ‘Bless the beasts and the children / light their way when darkness / surrounds them’ van Shirley Bassey en ‘Huisje, boompje, beestje’ anoniem.
Ik wil u nu Benny Lindelauf doen opklinken door hem te citeren. En dat doe ik met een navrante passage uit het hoofdstuk ‘De ligging van de Amazone’ waarin de deportatie van de Joodse bevolking in 1942 vanuit een Zuid- Limburgse stad, zeg maar Sittard, beschreven wordt. De hemel van Heivisj kent het affiche van jeugdroman, maar de etiketten van oorlogsroman, psychologische roman, familieroman, streekroman en coming of age roman gaan volgens mij ook op. Als u maar dat ‘roman’ in de smiezen houdt, want de tekening en de ontwikkeling van de karakters staan centraal. Benny Lindelauf doet dat magnifiek, en wel met literaire middelen.
Zijn hele verhaal door dat vijf jaar omspant, van 1938 tot 1943 , en dat vooral als locatie de contreien van een oude stad tegen de Duitse grens kent met items als Negen Open Armen, Holle Weg, Sjlammbams Sahara, St. Rosa Kapel, Kerkhof, Smidse van De Naas, Kazemat en Krombroodberg. In het grote, armoedige huis Negen Open Armen woont het gezin Boon, bestaande uit Oma Mei, de Pap, vier broers en zussen Fing, Muulke en Jes van wie Fing de rol van de ik- verteller toebedeeld heeft gekregen. Zij verhaalt van haar droom onderwijzeres worden, maar zij moet in de stad dienst gaan doen bij de Pruusin, de partner van de Sigarenkeizer, om het bizarre nichtje Liesl te vergezellen. Aanvankelijk lukt het Fing ‘langs de oorlog heen te kijken’ maar die slaat toch in. Zo dienen de Pap en de broers in Duitsland te gaan werken, kruisen de zwartjassen, de lui van de NSB, het pad van Fing, zijn er rantsoenbonnen en vallen er bommen. En is er de razzia op de Joden, de Judde in onze roman, waarover ik u deels wil verhalen.
Om het citaat te verhelderen: de Dreuvige is een bekeerde Joodse onderwijzeres die toch op transport moet omdat de bisschoppen het gewaagd hebben om protest aan te tekenen tegen de slechte behandeling van de Judde. De Pruusin staat voor de Duitse, die aan Fings zusje Jes een vogelpootjesjas cadeau heeft gedaan waarvoor deze haar vlak voor het vertrek met de trein wil bedanken. Een volgende keer maak ik met u een tocht door De hemel van Heivisj waarvan de titel rept van het mijnpaard Heivisj dat gedoemd was jaren in het donker te zwoegen en dat een hemel nodig had waar hij naar kan opkijken. Ik ben in mijn opzet geslaagd als u nu gaat traceren dat Benny Lindelauf een groot auteur is.
‘De lange straat naar het station is bochtig, misschien is Jes maar één bocht verder. Ik roep haar, maar het blijft stil. Er is bijna niemand op straat. Wel staan hier en daar ramen open, waarachter zacht gepraat wordt. Ik ga sneller lopen, Mijn schoenen kletsen op straat. Op het laatst maakte de straat een knik. Vlak voordat ik het stationsplein oploop zie ik dat het volloopt met Judde. Er komt een vrachtwagen aan. Daarachter rijdt een bus. Ze stoppen met piepende remmen. De deuren gaan open en er stappen nog meer mensen uit. Het zou een doodgewone dag kunnen zijn, ware het niet dat alle passagiers koffers of tassen bij zich dragen. De kinderen hebben een rugzak om. Er is een vrouw die, ondanks dat het hoogzomer is, twee jassen over elkaar aanheeft. Ik zie de mouwen van de onderste jas uitsteken. Ze zweet, maar toch heeft ze buitenste jas tot de bovenste knoop dicht. De Dreuvige draagt een zomerse reiscape over haar habijt met daarop de grote gele ster. Ze staat bij Betje Garen en haar twee zoons. Naast haar staat haar koffer. Ik stelde me vroeger altijd voor dat ze een enorme koffer zou hebben van al haar wereldreizen vol stempels en plakplaatjes. Deze is klein, grijs en glad.
Er wordt geroepen. De eerste groep Judde, Betje Garen, haar zoons, de Dreuvige en de andere Judde van onze stad, mengt zich met de tweede groep. Er zijn er die elkaar kennen. Ik hoor iemand roepen. Het zijn onbekende soldaten die de Judde bij elkaar gedreven hebben. Ze staan er ontspannen bij, hun geweren hangen over hun schouders, maar toch zie ik dat de cirkel die ze gemaakt hebben om de Judde heen geen moment minder rond wordt. En ook de ruimte tussen elke soldaat blijft gelijk, als de schakels van een onzichtbare ketting. Dan zie ik Jes, Ze staat naast de Pruusin, Ik wuif, maar ze ziet me niet. Op het moment dat ik een stap naar voren zet, sluiten twee soldaten het gat, Ik ruik de stugge, bezweten stof van hun uniformen. ‘Mijn zusje,’ zeg ik. Als er een ramp staat te gebeuren, als de grootste ramp in je hele leven zich ontvouwt, ga je anders kijken, Het lijkt alsof je de wereld altijd door een vlies gezien hebt dat ineens breekt. Ik zie tussen de schouders van de soldaten Jes, die nietsvermoedend tussen de Judde in staat. En ik kijk met gloednieuwe ogen, Met de ogen van een Pruus. Ik zie het gitzwarte haar van Jes en de kolenzwarte ogen die ze als enige van de Mam geërfd heeft, Juddehaar, Juddeogen. En de jas, de perfecte kopie van de jas van de Pruusin.
Mijn hart begint te bonken. ‘Meine kleine Schwester,’ zeg ik. Ik wijs. Ik zie hoe ze daar staat tussen de opeengepakte groep, tussen de koffers en valiezen. Geroezemoes. Iemand huilt, nee, jammert zachtjes. Het kan een vrouw zijn of een kind, ik weet het niet. Een hoge fluit klinkt, en het ratelende openschuiven van de treindeuren. Op dat moment beginnen de soldaten de groep bedaard in beweging te brengen. Als olie en water zo keurig gescheiden bewegen de Judde en de soldaten. Geen moment raken ze elkaar. De groep begint richting de perrons te gaan. Ik zie Jes nog omkijken; haar gezicht staat verbaasd. Het volgende moment stapt een grote dikke man voor haar. Dan is ze weg, Opgeslokt in de kalm stommelende, roezemoezende groep. Ik schreeuw zo hard dat ik voel hoe mijn mondhoeken kapot springen. Mijn linkerarm raakt de kolf van een geweer. Ik voel geen pijn. Wel voel ik de armen die om me heen geslagen worden, handen die me op mijn plek houden, die me neerdrukken, mijn jas die kraakt. Ik voel hoe ik door mijn knieën knik, maar iets zet zich schrap in mij met zoveel kracht dat de soldaat die zijn gezicht vlak voor het mijne houdt me verbaasd aankijkt, Er komt nog een schreeuw uit me, al weet ik niet waarom, al kan niks ooit zo erg zijn, niks kan toch zo erg zijn – maar in mijn hoofd is het pikzwart geworden, mijn gedachten vatten vlam.
De soldaat zegt dat ik moet ophouden, Wat zijn dat nu voor manieren? Ik schreeuw dat ik pas ophoud als mijn zus weer hier is. Je zus? Mijn zus. Ze hoort daar niet. Ze is geen Jud! Geen Jud? Ik zal toch wel weten wie mijn zus is? Is iemand met zwart haar en donkere ogen meteen een Jud? Nee toch zeker! Wat zou er van de wereld terechtkomen als iedereen met donker haar een donkere ogen een Jud was? Tussen hun schouders door zie ik de groep het station binnenlopen, Even meen ik Jes te zien, maar dan verdwijnen de laatste ruggen tussen de deuren door. Weer klinkt een fluit, lang en doordringend. Ik wist niet dat het kon, ik wist niet dat ik nog harder schreeuwen kon, Er moet een gat in de tijd gevallen zijn. Ineens staat de Pruusin tussen de soldaten. De vogelpootjesjas vlamt tussen de uniformen, Aan het eind van haar arm staat Jes. ‘Hier liefje,’ zegt de Pruusin, ‘Dit pakje mag hier blijven,’ voegt ze in het Duits toe. Jes wil tussen de ruggen van de soldaten door stappen, maar die houden haar tegen. Door mijn tranen zie ik hoe Jes me verbaasd aankijkt. Ik huil zo hard dat ik sta te schokken.
‘Och, kind,’ roept de Pruusin sussend, ‘Och, kind, toch.’ Ze zegt dat ze Jes moeten doorlaten, dat ze er niet bij hoort. De heren soldaten zien toch wel dat Jes geen ster draagt? Kijk dan, heren. Heren? Maar de mannen staan met opeengeklemde kaken en wijken niet, En dan weet ik dat er nu iets gaat gebeuren, iets waar ik elke dag, elk uur van de rest van mijn leven aan zal moeten denken, Of ik wil of niet, Het zal me nooit meer met rust laten. Nu gaat gebeuren waar ik mijn hele leven bang voor ben geweest.’
De Patagonische haas
Een meesterlijke autobiografie heb ik voor u, die mij al dagen achtereen in de ban heeft en waarover ik u meerdere malen wil verhalen. Ik heb het over het 577 bladzijden tellende levensverhaal De Patagonische haas van filosoof, journalist en filmmaker Claude Lanzmann met als ondertitel ‘Memoires’ en met als uitgeverij De Arbeiderspers. En met als vertaalster Marianne Kaas, die de klus om Le lièvre de Patagonie uit 2009 tot ons te brengen grandioos klaarde.
Claude Lanzmann, in 1925 te Parijs geboren, werd wereldberoemd door de meer dan negen uur durende film ‘Shoah’. ‘Een film niet over de overlevenden, maar over de doden. Over de beulen en over hun slachtoffers,’ zegt hij zelf. Twaalf jaar werkte hij aan de film: hij sprak met Joden die hun deportatie konden navertellen, met opzichters, met omwonenden van kampen. Hij wilde de ultieme uitdaging aangaan: iets in de plaats te stellen van de niet-bestaande beelden van de dood in de gaskamers. ‘Shoah’ geldt sinds zijn première in 1985 als een filmische en historische gebeurtenis die wereldwijd miljoenen mensen heeft geraakt. Het gaat om een kunstwerk dat ons onverbiddelijk en negenenhalf uur lang de massamoord op de Joden door de nazi’s laat herbeleven. Lanzmann wilde het onbenoembare van de ‘Holocaust’, de ‘genocide’, de ‘Endlösung’ benoemen en kwam op de term die verscheidene malen in de Bijbel voorkomt en ‘catastrofe’, ‘verwoesting’, ‘vernietiging’ betekent. Dat kan een aardbeving, een overstroming, een orkaan zijn. Na de oorlog hebben rabbijnen op willekeurige gronden gedecreteerd dat het woord Shoah ‘dat Iets’ zou aanduiden. Maar voor Lanzmann was het een korte, ondoorgrondelijke taaluiting, een ontoegankelijk, onherleidbaar woord. Hij wilde dat niemand het woord snapte of begreep en nu is het de naam geworden voor een gebeurtenis in haar absolute uniciteit. ‘Shoah’ is nu een eigen-naam, de enige dus, en als zodanig onvertaalbaar.
Lanzmann zat tijdens de oorlog in het Franse verzet, ging toen het vrede was filosofie studeren en maakte daarna lange, journalistieke reizen: naar Noord-Korea, Israël, China, Oost-Duitsland. Hij was bevriend met Jean-Paul Sartre, had jarenlang een relatie met Simone de Beauvoir en werd na haar dood hoofdredacteur van ‘Les Temps Modernes’, het tijdschrift dat Sartre oprichtte. Lanzmann raakte steeds meer gegrepen door Israël, waarover hij een aantal documentairefilms maakte.
Twee fenomenen uit de twintigste eeuw hebben het leven van Claude Lanzmann diepgaand beïnvloed: de oorlog die hem doet gewaarworden dat hij een Jood is en het Franse koningskoppel van links naoorlogs Frankrijk Jean-Paul Sarte en Simone de Beauvoir, dat hem leerde leven in de breedte. Het eerste item wil ik nu illustreren door te citeren en een volgende keer wil ik bij het tweede verwijlen. Overigens: Lanzmann dicteerde zijn biografie aan filosofe Juliette Simont.. In 1940 , toen hij 84 jaar oud was, stemde maarschalk en antisemiet Philippe Pétain ermee in dat hij benoemd werd tot staatshoofd van het Vichy-bewind, dat vrijwel geheel onder Duitse controle stond. Onder zijn bewind begonnen de Jodenvervolgingen. Via de radio verkondigt hij in juni dat de strijd gestaakt moet worden. Wij lezen over de witte Deense dog met zwarte vlekken Draggy, de rashond die Claude vóór de Duitse inval van zijn vader had gekregen. Ik citeer.
‘De redevoeringen van Pétain riepen hem terug tot de werkelijkheid en de eisen die de tijd stelde. Dezelfde avond nog nam hij mij apart en zei: ‘Je kunt Draggy niet houden.’ Ik stelde vragen, protesteerde, smeekte, ging tekeer, hij was onverbiddelijk, wees naar de grijze muur van het naburige huis. ‘Voortaan moeten we grijs zijn zoals die muur, niet opvallen, de aandacht niet op ons vestigen. Over een paar maanden is je hond voor ons te opzichtig. Hij had gelijk, dat wist ik, maar ik smeekte hem het nog even aan te zien. Meteen de volgende dag leverde hij Draggy af bij een dierenarts, een gezette man met een rood, hard gezicht, met het verzoek een ander baasje voor hem te zoeken en hem meteen in te enten want daar was het dier nu aan toe. Maar de dierenarts dronk te veel, hij vergiste zich en in plaats van het vaccin gaf hij mijn hond een dodelijke injectie. Mijn vader hoorde het nieuws tegelijk met mij, in zijn ogen las ik verdriet, en ik durfde hem niets te verwijten.’
Zijn titel verklaart Lanzmann zelf: ‘Aan hazen heb ik zolang ik werkte aan dit boek, iedere dag gedacht, aan de hazen in het vernietigingskamp Birkenau die onder het prikkeldraad door glipten waar mensen niet onderdoor konden, de hazen waarvan het wemelde in de uitgestrekte bossen van Servië terwijl ik reed door de nacht en probeerde ze te ontwijken. En, tot slot, het mythische dier dat opdook in de lichtbundel van mijn koplampen, na het Patagonische dorp El Calafate, en me er, letterlijk, door een steek in mijn hart aan herinnerde dat ik echt in Patagonië was, dat Patagonië en ik op dat moment werkelijk samen waren. Dat is incarnatie. Ik was bijna zeventig, maar mijn hele wezen sprong op door een onstuimige vreugde, net als toen ik twintig was.’
Even daarvoor heeft Lanzmann gezegd dat naast de doodstraf incarnatie een zeer belangrijke rol in zijn leven zal spelen. Zijn relaas ‘De Patagonische haas’ zult ook u met ingehouden adem tot u nemen.
|
| |
| CULTUURMIX 3 AUGUSTUS |
Wie is dat toch met die telescoop?
Met u wil ik het hebben over een naar vorm en inhoud gaaf boek. Vele uren doolde ik er al in rond en ik weet zeker dat ik er nog vaak met graagte in zal verwijlen. Ik heb het over het 152 bladzijden tellende Wie is dat toch met die telescoop? van Rob van Hattem, dat als ondertitel ‘De filosofie en psychologie van vogels kijken in 20 portretten’ draagt en als uitgever Performis bv kent. Het gaat om een verbaal en visueel verrukkelijke uitgave, die mij nu al na aan het hart ligt.
Elke morgen jog ik mijn vijf kilometer op het immer groene Slobbengors aan de boorden van Beneden Merwede, Oude Maas en De Noord. De dertig jaar dat ik dat al met vreugde doe, zijn gevederde vrienden mijn ‘medevliegers’. Blauwe reiger, waterhoen, meerkoet, merel, kwikstaart, gaai, kauw, ekster, lijster, zilvermeeuw, scholekster, roek, grote bonte specht, vink, wilde eend, kokmeeuw en pimpelmees, ik vind het steevast bemoedigend ze in al hun eigenheid te zien foerageren. De roodborst in de ribes in de achtertuin, de boomkruiper op de kastanje in de straat voor, de kerkuil op de klopstok van de buren, de ijsvogel in de bosschages even verderop, ze hebben met de hun typerende attitude mij veel gevoelens van bekoring bezorgd.
Mijn hang naar wat vliegt, begon toen ik eind jaren vijftig met mijn schoolkompaan Henk van Schaardenburgh de omgeving van jeugdherberg Alteveer in Arnhem verkende en getroffen werd door een mannetjesmerel op een gazon. Dat beeld van die zwarte vogel met felgele snavel staat op mijn netvlies geprikt. Ik kreeg later ook distelvink, kneu, goudvink en winterkoning in het vizier, maar bleef toch gaan voor de merel, die een lust voor het oog en een streling van het gemoed is. Ik haast mij echter te zeggen dat ik in de verste verte geen aanspraak kan maken op titel van vogelaar, want bewust en gericht naar vogels kijken doe ik niet. Ik bekijk alleen, determineren, tellen en inventariseren van vogels is mij vreemd.
Rob van Hattem portretteert nu in zijn Wie is dat toch met die telescoop? twintig vogelaars binnen onze grenzen en komt van hen tot vijf kenmerken: ze zijn nieuwsgierig, leergierig, vertoeven graag buiten, gaan voor hun passie en kunnen binnen hun hobby goed omgaan met tegenslagen of frustraties. Hij traceerde ervaren vogelaars verspreid over het land, ging met hen een dag op stap, stelde vragen tijdens het vogels kijken en schreef vervolgens mooie en treffende karakterschetsen. Gretig grasduinend in Wie is dat toch met die telescoop? moest ik constateren dat het predicaat van ervaren vogelaar mij niet beschoren zal worden, want driehonderd verschillende soorten vogels in Nederland zien, zal voor mij een fata morgana blijven. Een blauwstaart gadeslaan of een roodgesterde blauwborst, een glanskop, een ortolaan, een roodmus, een ivoormeeuw, een barmsijs, een dodaars, een kwak, een ralreiger, dat gaat mij gewoon niet lukken. Hoe dat komt? Ik mis de drang van de vogelaar die zijn ziel en zaligheid in het vogelen legt. Dat neemt niet weg dat ik het enerverend vind in hun denkwereld en gevoelsleven te blikken, iets wat Rob van Hattem mij aanreikt. Ik geef u van een aantal door hem geïnterviewde vogelminnaars een citaat door onder de belofte dat ik een volgende keer de in Sliedrecht geboren en getogen boswachter/ vogelaar Thomas van der Es, wiens domein de Brabantse Biesbosch is, aan het woord laat.
Ik citeer: ‘Het is eigenlijk de nieuwsgierigheid in combinatie met het buiten zijn die me als kind al de natuur in dreven. Ik was toen nog niet zo gericht op vogels kijken dat is pas later gekomen.’ - ‘Voordeel van de natuur is, dat je er nooit over na hoeft te denken; je mag en kan je er alleen maar over verwonderen.’ - ‘Een vierkante kilometer uitpluizen op alles wat ik ken vind ik erg leuk.’ - ‘De natuur in het algemeen en vogels in het bijzonder zijn letterlijk mijn redding geweest.‘ - ‘Je kon kiezen uit iets met planten of iets met vogels. Ik vond plantjes te truttig en koos dus automatisch voor vogels.’ - ‘Zo hoop ik altijd dat ik een echt bijzondere soort ontdek als ik van huis naar school fiets. Ik weer de weg toch wel uit mijn hoofd, dus dat fietsen gaat vanzelf. Heb ik mooi tijd om tegelijk even vogels te kijken.’ - ‘Ik denk dat een eerste waarneming van een soort in Nederland je altijd bijblijft.’ - ‘Ook het onverwachte vind ik bij vogels kijken zo leuk. Je weet nooit wat je gaat zien.’ En dan Rob van Hattem himself die in een zelfportret schrijft: ‘We keken het hele jaar door en waren vooral gefascineerd door het ritme van de seizoenen, waarvan de vogels vaak de maat aangaven.’ Ik zei het al: ‘Wie is dat toch met die telescoop?’ is ook naar vorm een gaaf boek. Het is een ware beauty. De illustraties vormen een bron van rijke kijkvreugde. Het portrettenalbum leent zich derhalve ook als een geschenk aan iemand die niet om vogels maalt maar wel het leven bemint.
De twee opdrachten voorin het vogelboek zijn veelzeggend. Ze gaan zo: ‘Voor mijn vader Thomas en zijn vermogen om zich na meer dan 80 jaar nog steeds te verwonderen over de kleuren van herfstbladeren in de zon.’ en: ‘Voor mijn moeder Sijgje en haar gave om altijd met een knipoog te kijken, niet alleen naar zichzelf, maar ook naar wat andere mensen doen en hen beweegt.’ Het vogelboek zingt een loflied op het doen en laten van vogelaars en is te bestellen via www.wieisdattoch.nl
Het Patent
Een in alle opzichten ontroerend mooi boek heb ik dit keer, dat ook u zeker niet ongelezen mag laten. Ik heb het over het 238 bladzijden tellende Het Patent, waarin journalist Tony van der Meulen, zoals de ondertitel aangeeft, ‘een familiegeschiedenis’ beschrijft. Hij doet dat als boreling uit 1946 zo liefdevol, onverbloemd, gedegen, oprecht, precies en gedocumenteerd, dat de tocht door zijn meeslepend relaas voor mij een opnieuw intens beleven van eigen jeugdjaren betekent.
Maar daar blijft het niet bij. Van der Meulen verstaat de kunst zijn herinneringen aan toen in prachtig proza te vatten, waardoor hij zijn non-fictie tot ware literatuur verheft. Mijn vader zaliger typte na zijn pensionering meer dan 400 foliovellen vol met zijn levensverhaal en ik ben hem daar bij het vorderen der jaren steeds meer dankbaar voor. Ik koester de met foto’s, ansichten en documenten geïllustreerde memoires, want zij houden de genegenheid voor hem levendig. De portretten van mijn opoes Kaptein en Bouter, ooms Kees, Jo en Jan, tantes Jans, Wil en Bets, broers Jan en Ben, zus Ina, de kaarten uit Brandwijk, Delft en Apeldoorn, de stambomen van de wederzijdse families, de razziabevelen van de Duitsers, de krantenknipsels met memorabilia uit het hervormde leven, de vakantiekaarten met kerkelijke interieurs. het gedicht ‘De tuinman en de dood’ van P.N. van Eyck, ze geven zicht op vader die leefde van 1913 tot 1990.
De geschreven herinneringen van mijn vader zijn naast onderhoudend en persoonlijk strak en zakelijk en ze onderscheiden zich daarin van die van Tony van der Meulen, want die creëert literaire woorden en zinnen, waardoor zijn familieverhaal ver boven het anekdotische uitstijgt. Zijn Het Patent heeft de allure van specimina die ik vrij recent bij u introduceerde, zoals Baltische zielen van Jan Brokken, Dier, bovendier van Frank Westerman en Bernhard van Annejet van der Zijl. Het Patent is dus geen verzonnen verhaal, het verwoordt de ambachtelijke leefwereld van een immer doende vader zoals die door een liefhebbende zoon beleefd en ervaren wordt. De context daarbij is een rooms-katholiek gezin in Joure, waarvan vader Jan idolaat is van alles wat met techniek te maken heeft, maar door de economische teloorgang in de jaren dertig veroordeeld wordt tot het invullen van een bijrol in de Friese textielwinkel die met veel succes door moeder Annie geleid wordt. Vader zoekt zijn heil in het schuurtje achterin de tuin, waar hij koper slaat, voorwerpen herstelt, kastjes timmert, maar het liefst uitvindingen doet. Vader wil uit de litanie van het doen en laten van een dorpse manufacturier opgenomen worden in de vaart der volkeren. Zijn oom Heinrich uit Düsseldorf moet daarbij zijn reddende engel zijn, want die heeft een revolutionair apparaat ontwikkeld, dat na het veroveren van het benodigde patent een technische zegetocht zal inluiden.
Met uw goedvinden maak ik met u een volgende keer een verkennende rondgang door Het Patent - met hoofdletter P want dat recht zal het venster opengooien naar een wijds vergezicht op een vurig gewenst bestaan in de wereld van techniek. Wij zullen dan ook verwijlen bij de passage waarin de ik- verteller het heeft over ‘sunligt’, ‘palmolieve’, ‘bleuband’ en ‘cornètbief, voorbeelden van veelvuldig gebruikte vreemde woorden die naar de eigen taal toe in de jaren vijftig verbasterd werden. Op de omslag van het door Balans uitgegeven Het Patent staat vader Jan in 1961 al doende in beige stofjas in zijn schuurtje.
Ik laat u zijn zoon Tony opklinken: ‘Toen mijn vader moest kiezen in het leven, was de economische crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw op zijn hevigst en viel er dus in feite niets te kiezen. Hij belandde als technische man in de ‘lapjeswinkel’ van zijn vader, die later door mijn moeder, een getalenteerde zakenvrouw, tot grote bloei werd gebracht. Intussen deed mijn vader trouw de administratie en verkocht hij stoffen en maaswol aan de vaste klanten. Verreweg het meeste geld kwam binnen via de florerende afdeling bh’s, korsetten en de wat vrolijker lingerie van mijn moeder. Onze winkel draaide om haar en ik denk dat hij dat eigenlijk niet zo erg vond. Zijn ambities lagen elders. Er is tussen hen een grote ruzie geweest, vol onbegrip en structurele verwijten, toen zijn naar de textielbeurs in Amsterdam was om in te kopen en hij de winkel sloot om in Joure naar een grote brand te gaan kijken. Het typeert het grondige verschil in hun beider motivatie. Mijn vader zat het liefst in ‘het schuurtje’ waar hij koper sloeg en uitvond. In de winkel stond hij altijd in de schaduw van zijn voortvarende vrouw. Het schuurtje was zijn domein, waar voor hem het geluk tastbaar was. In dat schuurtje groeide ook de magie rond Het Patent.
Het Patent! Het nog steeds emotionerende toverwoord van onze jeugd. Een van de broers van de Duitse moeder van mijn vader, Onkel Heinrich, had een pneumatische hamer uitgevonden. Een gelijkstroommagneethamer (in het Duits klinkt dat nog weer veel heftiger), die in de jaren vijftig van de vorige eeuw kennelijk een grensverleggend ontwerp was. De hamer combineerde een ongekende slagkracht met een al even verbazingwekkend laag stroomverbruik. Het moest zowel voor de vakman als voor de veeleisende doe-het-zelver een innovatief en benijdenswaardig stuk gereedschap worden, dat de traditionele hamer, die het van menskracht moet hebben, snel zou doen vergeten. Onkel Heinrich had in 1954 bij het Duitse Patentbureau patent aangevraagd op met name het magnetische mechanisme van zijn gelijkstroommagneethamer, waaraan hij al sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog had gewerkt. Binnen zijn Duitse familie vond hij echter weinig ‘Anklang’ voor zijn vernuft. In het verwoeste en verslagen Duitsland was weinig ruimte voor de grensverleggende ideeën van een springerig denkende uitvinder, eerst moesten de echte problemen worden aangepakt.
Kennelijk wist Onkel Heinrich dat hij in Nederland nog een neef had, mijn vader, die niet alleen geïnteresseerd was in techniek maar samen met zijn vrouw ook een winkel dreef. Dat voorzag in twee problemen die moesten worden opgelost voordat de gelijkstroommagneethamer de wereld zou kunnen gaan veroveren. De gelijkstroomgenerator moest nog aanmerkelijk worden verbeterd, en er moest nagedacht worden over de mondiale productie van de hamer, een heuse fabriek dus, en over het opzetten van een verkoopapparaat. Over het technisch vervolmaken van de uitvinding als over het te gelde maken van al het denkwerk, ontstond vanaf 1954 een intensieve, maar vaak ook ingewikkelde relatie tussen deze Onkel Heinrich in Düsseldorf en mijn ouders in Joure.’
|
| |
| CULTUURMIX 30 JUNI |
Denken over dichten
Een paar weken koester ik een pracht en een macht van een kijk- en leesalbum boordevol proza en poëzie, dat mij zo dierbaar is dat ik om de drie dagen een hoofdstuk eruit tot mij neem, zodat de door mij gelezen woorden en zinnen in mij tot volle wasdom komen. Ik heb het over het 261 bladzijden tellende Denken over dichten van Theo de Boer en Peter Henk Steenhuis dat als ondertitel ‘Hartstocht en rede komen in contact’ draagt en dat als uitgeverij Lemniscaat kent. Twee jaar terug berichtte ik u juichend over Filosofie van het kijken waarin filosofe Mieke Boon en journalist Peter Henk Steenhuis vijftig kunstwerken uit alle tijden bespreken met als credo dat kijken naar kunst een kunst is. Nu gaat Steenhuis een serie gesprekken aan met filosoof De Boer, waarbij de dichtkunst op heterdaad betrapt wordt als beiden met elkaar speuren naar de onvermoede dimensies van de poëzie, naar de wereld waarin het onzegbare verwoord wordt.
Denken over dichten is zo’n boek vol waarden dat ik er meerdere malen met u in wil verwijlen. Nu sta ik met u stil bij de eerste zin, de omslag en de ondertitel ervan. Het Woord vooraf start met ‘Poëzie is populair’ en de juistheid ervan mocht ik voorbije mei vaststellen toen de jury van de voor de zevende keer door de st. Culturele Raad Papendrecht georganiseerde gedichtenwedstrijd bijeenkwam om de oogst binnen te halen, die naar waarde te schatten en te prijzen. ‘Beweging’ was het thema. Als voorzitter mocht ik in de plaatselijke bibliotheek de uitslag bekend maken, de prijzen doen uitreiken en de bekroonde gedichten laten lezen. In de categorie tot en met achttien jaren gingen de cadeaubonnen naar Sanna Beenhakker (1), Sophie van de Haterd (2) en Joanne de Wit (3). In de groep boven de achttien onderscheidden zich Angela van der Sluis (1), Alie Kwakernaat-Tammenga (2) en Bianca Nederlof (3). Hun pennenvruchten hadden zich uit de 36 inzendingen laten plukken. Het winnende gedicht ‘Coma’ van Angela van der Sluis van 28 lentes komend uit Veenendaal gaat zo:
De eindeloze golfbeweging van mijn geest,
als een binnenzee
op onpeilbare diepte.
Afgesloten
van de buitenwereld.
Het herhaaldelijk kloppen
van mijn hart,
als een trommel in de duisternis.
Het ruisen van mijn ademtochten
als een zomerbriesje in het riet.
Alleen mijn geluiden
verraden mijn aanwezigheid.
Ik lig hier,
schijnbaar onbeweeglijk.
En toch voortdurend in beweging.
Kunstenares Isolde Marcus zette de woorden van het gedicht ‘totaal witte kamer’ van Gerrit Kouwenaar uit 2002 op doek en dat werk siert de omslag van Denken over dichten. De verzen ervan vinden wij in hoofdstuk 4 ‘Een huishoudelijke liturgie in het voorjaar’ en ze worden door recensenten, dichters en lezers beschouwd als de belangrijkste en aangrijpendste van het voorbije decennium. In weinig woorden horen wij de wanhoop over de verdwijning van een geliefde. ‘totaal witte kamer’ luidt:
Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken
nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik
dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal
de kamer wit maken, nu, nooit meer later
en dat wij dan bijna het volmaakte napraten
alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar
dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale
zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven
witter dan, samen -
De gelijknamige bundel is opgedragen aan Kouwenaars overleden vrouw Paula.
De ondertitel ‘Hartstocht en rede komen in contact’ diepten De Boer en Steenhuis op uit het gedicht ‘Dichtkunst’ van Gerrit Achterberg; ‘De dikke dronken zwermen van gevoelen krijgen bestel, wanneer ze in de taal op woorden samentrekken, die ze schaal geven, zodat ze tot kristal verkoelen. De dichter weet het tijdstip te voorvoelen waarop zich deze werking integraal voltrekken zal, het woordmateriaal wentelt in hem met een donker bedoelen. Aan beide kanten worden kansen wakker. Begrip en lust bewegen naar elkaar. Hartstocht en rede komen in contact. Het scala schokt. De symmetrie verstrakt. Uit alle lijnen klimmen steile vlakken tegen de nu gevonden evenaar.’ De dragende gedachte van Achterberg is dat gevoelens taal nodig hebben zodat er ‘kristal’ opgeleverd wordt.
Volgende keren wil ik met u langer verwijlen bij ‘totaal witte kamer’ van Kouwenaar en ‘Dichtkunst’ van Achterberg, want De Boer en Steenhuis hebben er veel over te zeggen. Ik volsta nu met het aan u doorgeven van de titels van de acht delen van ‘Denken over dichten’: Liefde – Levenskunst – Natuur – Leven en dood – Het Niets – Religie – Tijd – Taal en werkelijkheid. Het Woord achteraf kent als titel ‘Het mechaniek van de ontroering’, die ontleend is aan Rutger Kopland. Nijhoff, Vestdijk, Van Geel, Lucebert, Ouwens, Vondel, Otten, K. Michel ze worden met een galerij van buitenlandse collega’s in dit rijke album aan het woord gelaten.
Hardlopen
Maar liefst 485 bladzijden telt het ook naar inhoud kolossale boek en ik blijf er naar hartenlust en naar believen mijn rondjes in draaien. Ik heb het over Hardlopen van de Noor Thor Gotaas met als ondertitel ‘Een wereldgeschiedenis’ en met als uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep. Al bijna dertig jaar mag ik vijf keer per week op het groene sportpark Slobbengors vertoeven om in mijn uppie al joggend vijf kilometer af te leggen en gaarne wil ik de moed erin houden. Cabaretier, presentator, criminoloog en marathonloper Dolf Jansen schreef het Voorwoord van deze volgens The Times ‘bewonderenswaardige verhandeling over hardlopen vanuit culturele, historische en filosofische invalshoeken’. Dolf komt uit de startblokken met de zin: ‘Elke loper heeft een verhaal’. En dat klopt naar mijn idee helemaal, want ook ik, als bescheiden atleet, heb mijn eigen story van lopen die bijna drie decennia terug begon, toen ik voor de eerste keer wethouder was.
Ik herinner mij nog heel zuiver dat ik in 1982 aan het eind van een maartse dinsdagmorgen, die verstreken was met een enerverende collegevergadering onder aanvoering van burgemeester Soetendal, thuiskwam en geen huisgenoot trof om een balletje mee te trappen en mijn racefiets met een lekke band in de garage trof. Ik besloot toen de stoute gymschoenen aan te trekken en een paar rondjes te lopen rond de velden waarop tot kort daarvoor door PKC intensief gekorfbald werd. Dat beviel mij zo goed dat ik sindsdien elke week van maandag tot en met vrijdag om de voetbal- en tennisvelden heen drie grote ronden jog, die in totaal tegen de 5000 meter behelzen. Ik heb al die jaren de stand bijgehouden en dat betekent dat ik bij leven en welzijn de komende maand de 33.000 kilometer ga halen. Had mijn parcours gelegen op de evenaar - met z’n 40.000 kilometer de grootste cirkel op onze aardkloot - dan was ik dus over de driekwart daarvan gekomen. Ik wil niet gezegd hebben dat ik door al dat hardlopen uit de buurt van de huisarts ben gebleven. Zo simpel is het niet. Het is eerder zo, dat als je lekker in je vel zit, je ook wilt bewegen, wat vervolgens je welbevinden positief beïnvloedt. Het is een vicieuze cirkel. Aan sport doen laat de kleine beslommeringen van het dagelijkse leven vergeten. Natuurlijk loop je echt grote problemen niet weg, maar wel de kleine ergernissen en muizenissen. Sporten kleurt mijn bestaan.
Met uw goedvinden ga ik met u de komende tijd wat rondjes lopen in het immer onderhoudende Hardlopen. Ik wil dan met u verwijlen in hoofdstukken met aansprekende titels als ‘Ter ere van de goden’, ‘Romeinse spelen’, ‘Hardlopende monniken’, ‘Wedloop tegen paarden’, Rondjes rennen op een baan’, ‘De opmars van de Afrikanen’ en ‘De marathonvrouwen’. Nu geef ik u integraal door de ouverture van het eerste stuk getiteld ‘Boodschappers en voorlopers’.
Ik citeer.
‘In Mainz, Duitsland, had in de achttiende eeuw een jong, ongehuwd meisje uit wanhoop en schaamte haar eigen kind omgebracht. De misdaad werd ontdekt. Ze werd gearresteerd, berecht en veroordeeld tot openbare terechtstelling. De dag van haar executie brak aan. De bewoners van de stad keken toe hoe zij samen met haar begeleiders op weg ging naar de plaats van de terechtstelling. Velen vonden het vreselijk dat zo’n lief meisje door de beul onder handen zou worden genomen. Een dame van aanzien werd overmand door medelijden en vond dat het jonge meisje niet mocht sterven. Ze spoedde zich naar vorst Johann Friedrich Karl von Onstein, die een genadebrief schreef en zijn hardloper opdracht gaf het bericht zo snel mogelijk naar de rechtbank te brengen, Ook de hardloper werd bevangen door medelijden, hij rende door de straten en versnelde zelfs bergopwaarts. Hij liep harder dan ooit tevoren, in de wetenschap dat een jong leven op het spel stond.
Bij de stadspoort riep hij ‘Genade, genade!’ en zijn kreet werd door de mensen doorgegeven tot aan de rechtbank. De rechters gaven gehoor aan de wens van de vorst en ontdeden het bleke, bange meisje van de touwen rond haar polsen. Ze viel flauw en zakte in elkaar in de armen van de priester – eindelijk verlost uit de nachtmerrie van haar leven. De hardloper was de held van de dag en werd triomfantelijk door de stadsbewoners naar huis gedragen en door de vorst rijkelijk beloond. Maar de loper had uit angst om te laat te komen het uiterste van zichzelf gevergd. De angst was op zijn hart geslagen en na korte tijd overleed hij, tot groot verdriet van de vorst en de bevolking.’
Natuurlijk houdt dat joggen voor mij een keer op. Daar zit ik niet mee. Wel hoop ik dat het mij dan gegeven is elke dag wat kilometers in rap tempo te wandelen, want dat heeft ook zo zijn eigen bekoring. Hardlopen van Thor Gotaas is voor mij een inspirerende tank vol zuurstof.
|
| |
| CULTUURMIX 4 JUNI |
Fashion: Box
Een lust voor het oog en een streling van het gemoed is wis en waarachtig het kijk- en leesalbum Fashion: Box van modejournalist Antonio Mancinelli met als ondertitel ‘De modeklassiekers en de iconen die ze onsterfelijk maken’ en met als uitgeverij Thoth/Lannoo. Schrijden door de 479 bladzijden ervan betekent via tientallen glamourfoto’s van toen en nieuwsfoto’s van nu aanschouwen hoe filmsterren, popdiva’s, presidentsvrouwen en andere beroemdheden stijl gecreëerd hebben. Fashion: Box inventariseert klassieke kledingstukken van de afgelopen eeuw, inclusief de sterren die ze populair maakten. Het gaat dan om basisoutfits die bijdragen aan het ontwikkelen van stijl en derhalve vallen in de categorie ‘modeklassiekers’, die jaren meegaan. Zestien ervan komen er in beeld: little black dress, wit overhemd, jeans, mantelpak, bikini, coltrui, hotpants, kokerrok, T-shirt, trenchcoat, minirok, twinset, androgyne look, korset, capribroek en avondjurk.
Elizabeth Taylor met wit overhemd - 1950, Tina Turner in spijkerbroek - 1980, Marlene Dietrich met trenchcoat - 1957, Sophia Loren in hotpants – 1954, Brigitte Bardot met broekpak – 1967, Marilyn Monroe in korset – 1953, ze droegen hun favoriete kledingstuk. En dat deden ook Madonna met harnasbeha, Juliette Greco met zwarte coltrui, Jackie Kennedy met mantelpak, Jane Fonda met capribroek, Pamela Anderson met hotpants en Audrey Hepburn met little black dress. Claudia Cardinale, Sharon Stone, Kate Moss, Jennifer Lopez, Carla Bruni, Renee Zellweger, Charlotte Rampling, Isabella Rossellini, Ingrid Bergman, Scarlett Johansson, Nicole Kidman, Grace Jones, Deborah Kerr, Liza Minnelli, Grace Kelly, Doris Day, Rita Hayworth, Maria Callas, Halle Berry, ze droegen met glans en glorie hun kledij, van bikini tot avondjurk. Fashion: Box brengt de dames inspirerend in beeld. Ook Barbra Streisand met stropdas en colbert.
Dat deze ode aan de mode ook verbaal sterk is, etaleren de motto’s van de 16 items. Ik citeer: ‘De witte blouse kan licht en zwevend zijn, smetteloos en streng, weelderig en alomvattend, strak en nauwsluitend. Ze rijst op tot een omlijsting van het gezicht, ze modelleert het lichaam door zich om te vormen tot een tweede huid. Het preutse witte overhemd wordt doordrenkt van glamour en poëzie, vrijheid en vermetelheid en blijkt dan over duizend identiteiten te beschikken.’ Aldus Gianfranco Ferré in ‘Wit overhemd’ dat als icoon Katharine Hepburn heeft. Marilyn Monroe is de beelddrager van ‘Jeans’ en Yves Saint Laurent zegt in de entree: ‘Ik wou dat ik de spijkerbroek had uitgevonden, Ze zijn expressief en bescheiden, ze zijn eenvoudig en ze hebben sexappeal – alles wat ik in mijn kleding probeer mee te geven.’
Aan Coco Chanel is de eer het hoofdstuk te starten dat gewijd is aan het mantelpak en dat als icoon Jacqueline Kennedy presenteert. ‘Met twee zwarte pakjes en drie witte blouses - een voor de ochtend, een voor de middag en een voor de avond – kon elke vrouw de wereld en het hart van haar geliefde veroveren, en eeuwig elegant blijven.’ Jacqueline Kennedy demonstreert dat vol charme en gratie en dat doen ook o.a. Elizabeth Taylor, Carla Bruni-Sarkozy, Meryl Streep, Romy Schneider en Shirley MacLaine, Ursula Andress is de icoon van het kledingstuk bikini en Aaron Levenstein is de man van het motto. ‘Statistiek is als een bikini, Wat ze onthult is suggestief, maar waar het op aankomt is wat ze verhult.’ Rita Hayworth, Marilyn Monroe, Laura Chiatti, Twiggy en Jayne Mansfield tonen het gelijk van deze zinsnede aan. ‘De zwarte kasjmier coltrui is een perfect kledingstuk’ oreert David Mamet en o.a. Sophia Loren, Catharina Deneuve, Gina Lollobrigida, Kim Novak en Brigitte Bardot onderschrijven dat.
Ook Seneca is present en wel in de rubriek over de kokerrok. Hij zegt: ‘Wat een vrouw mooi maakt is niet een fraaie arm of een mooi been, maar de sierlijke symmetrie van het geheel, die bewondering van een enkel onderdeel wegneemt.’ Juliette Gréco, Jane Fonda, Melina Mercouri en Faye Dunaway laten dat zien en doen dat in films als ‘Bonnie and Clyde’ uit 1967 en ‘Never on Sunday’(1960). ‘Dankzij de minirok kunnen jongedames harder lopen, en vanwege de minirok zou dat wel eens nodig kunnen zijn’, zo staat er onder icoon Twiggy. Raquel Welch, Sarah Jessica Parker, Paris Hilton, Françoise Hardy, Tina Turner en Audrey Hepburn showen dat met verve.
Fashion: Box is echt een boek voor u als het bestaan u lief is, want het ontsluiert de beauty’s die kleur aan het leven geven, die onze ruimte met gratie vullen, die manifesteren dat schoonheid vele namen heeft. Op de omslag staat het prozaïsch zo: ‘Een overzicht van zestien klassieke kledingstukken zoals gedragen door de sterren die ze beroemd hebben gemaakt
|
| |
| CULTUURMIX 16 JUNI |
HhhH
Een paar decennia terug reden wij vanuit ons Boheems vakantieoord Jicin om te geraken op locaties die de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog zonder erbarmen op ons af lieten komen. Wij doolden door het voormalige getto en concentratiekamp Theresienstadt en door het dorp Lidice dat door de nazi’s in 1942 uit represaille volledig vernietigd werd. Beelden van die trip vol tragiek kwamen weer op mijn netvlies bij het lezen van de roman HhhH van Laurent Binet.
Ik haast mij u de raadselachtige en intrigerende titel van het meeslepende, 347 bladzijden tellende, door Meulenhoff uitgegeven relaas te verklaren: die staat volgens de ondertitel voor ‘Himmlers hersenen heten Heydrich’. SS’ers onder elkaar typeerden zo wat cryptisch de rechterhand van hun leider Heinrich Himmler, Reinhard Heydrich, die als kopstuk van de nazi’s de bijnamen verwierf van ‘de beul van Praag’, ‘het blonde beest’ en ‘de slager van Praag’. Laurent Binet reikt ons een reconstructie aan van de aanslag die de Tsjecho – Slowaakse parachutisten Josef Gabcik, Jan Kubis en Josef Valcik met succes pleegden op een van de gevaarlijkste mannen van nazi-Duitsland, want hun mikpunt in de door Praag rijdende zwarte Mercedes was de sluwe, meedogenloze, bloedfanatieke Heydrich, die als hoofd van de Sicherheitsdienst (SD) de directe chef was van Adolf Eichman, de eindverantwoordelijke voor de Holocaust.
Heydrich was niet alleen de denktank van zijn chef Himmler, maar ook een vertrouweling van Hitler, die hem de opdracht gaf de massamoord op de Joden te organiseren en hem ook benoemde tot plaatsvervangend ‘Reichsprotektor’ van Bohemen en Moravië. Zijn optreden tegen het Tsjechische verzet was vreselijk, massa-executies waren aan de orde van de dag. De geallieerden beschouwden hem als een ‘bijzonder gevaarlijk man’ die geliquideerd moest worden. Zij kwamen op de operatie ‘Anthropoid’; die slaagde want op 27 mei 1942, de dag dat Heydrich naar Berlijn zou vliegen om zijn nieuwe plannen voor de uitroeiing van het Slavische ras met Hitler te bespreken, werd hij op straat door een granaat getroffen. Aanvankelijk bleken de verwondingen mee te vallen, maar vuil en paardenhaar uit de bekleding van zijn auto waren zijn milt binnengedrongen. Penicilline die hem gered zou kunnen hebben, was alleen in handen van de Amerikanen.
De wraak van de nazi's was verschrikkelijk. Er werden bloedige represailles en een massamoord tegen de bevolking ondernomen. Zo werd op de avond na de begrafenis van Heydrich Lidice uitgemoord, omdat de Duitsers veronderstelden dat Gabcík en Kubis hier vandaan kwamen. Alle mannen - vanaf 15 jaar en ouder - werden samengedreven bij een schuur en ter plekke doodgeschoten. Alle goederen, voorraden, dieren, geld en sieraden werden in beslag genomen. Het dorp, de oude kerk en het kerkhof werden daarop platgebrand, verwoest of opgeblazen. De grond werd omgeploegd en genivelleerd met bulldozers. De vrouwen en kinderen werden gedeporteerd naar de concentratiekampen Ravensbrück en Chełmno. 82 kinderen werden in zogenaamde gasauto’s vermoord. Hoewel Hitler de onmiddellijke executie van 10.000 Tsjechen beval, werd het plan aangepast om het Tsjechische verzet volledig uit te roeien. Binnen tien dagen na de aanslag werden bijna 1800 doodvonnissen uitgesproken door de Duitse krijgsraad, waarbij het vonnis meteen uitgevoerd werd.
Gabčík, Kubiš en Valcik verborgen zich in de crypte van de kerk van Cyrillus en Methodius. Nadat de nazi's door verraad van parachutist Karel Čurda hun schuilplaats ontdekt hadden, werden zij omsingeld. Zij verdedigden zich maar zagen zich genoodzaakt zelfmoord te plegen om arrestatie te voorkomen. Ter ere van de beide partizanen zijn na de Tweede Wereldoorlog in Praag vlakbij de plaats van de aanslag twee straten (Ulice Gabčikova en Ulice Kubišova) naar hen vernoemd. Hun verrader Karel Čurda werd in 1947 opgepakt en veroordeeld wegens hoogverraad en opgehangen. In de kerk is een permanente tentoonstelling aan de aanslag gewijd. Ik las HhhH in het voorbije weekend in één ruk uit, mede omdat auteur Laurent Binet zich zo dicht mogelijk bij de feiten ophoudt.
Binet wil trouw blijven aan de werkelijkheid: hij wil u er steeds aan herinneren dat het niet zomaar een scenario is, dat ontsproten is aan een vruchtbare verbeelding. Het gaat om echte mensen, aan wier geschiedenis je geen verraad mag plegen. Ik citeer hem:’Ga je verzinnen of de feiten naar je hand zetten, dan worden de parachutisten personages, die alleen nog oppervlakkig lijken op wie ze ooit waren. Het verhaal wordt dan fragiel. Waar trek je de grens tussen wat kan en wat te ver gaat?’
Dat Himmlers hersenen heten Heydrich een gesublimeerde literaire kopie van de realiteit is, ga ik u illustreren door ‘Lidice’ te citeren. ‘Het is avond en alles is rustig, De mannen zijn terug van hun werk en de lichten in de kleine huizen gaan een voor een uit, de lekkere geuren van de avondmaaltijd, soms vermengd met een zurige spruitjeslucht vervliegen, De nacht valt over Lidice. De bewoners gaan vroeg slapen omdat ze morgen net als anders vroeg op moeten om naar de mijn of de fabriek te gaan. Mijnwerkers en metaalbewerkers slapen al, wanneer er in de verte een geluid van brommende motoren te horen is. Het geluid komt langzaam naderbij. Met zeilen afgedekte vrachtwagens rijden in een lange rij over het stille platteland, Dan zwijgen de motoren. Vervolgens is er een aanhoudend gerinkel te horen dat zich door de straten verspreidt als vloeistof die in buizen wordt gestort. Zwarte schaduwen waaieren uit over het hele dorp. Als de silhouetten daarna tot compacte groepen zijn samengeklonterd en iedereen zijn positie heeft bereikt, stopt het gerinkel. Een menselijke stem schalt door de nacht. Een in het Duits geschreeuwd signaal. En daar begint het.
De in hun slaap gestoorde bewoners van Lidice begrijpen niet wat hun overkomt, of begrijpen het maar al te goed. Ze worden uit hun bed gesleurd, met slagen van geweerkolven naar buiten gedreven en allemaal op het dorpsplein voor de kerk verzameld, Bijna vijfhonderd inderhaast aangeklede mannen, vrouwen en kinderen staan daar verbijsterd en dodelijk verschrikt, omringd door mannen in het uniform van de Schutzpolizei. De bewoners kunnen niet weten dat het om een eenheid gaat die men speciaal uit Halle an der Saale heeft laten komen, de geboortestad van Heydrich. Maar ze weten wel dat er morgen niemand naar zijn werk zal gaan. De Duitsers beginnen met de selectie, iets wat over niet al te lange tijd hun favoriete bezigheid zal worden. De vrouwen en de kinderen worden in de school opgesloten. De mannen worden naar de schuur van een boerderij geleid en opeengepakt in een kelder. Het begin van een eindeloze wachttijd en van een verschrikkelijke angst, die van hun gezichten af te lezen is, In de school huilen de kinderen.
Buiten leven de Duitsers zich uit. Nauwgezet en bezeten plunderen en verwoesten ze alle zesennegentig huizen en alle openbare gebouwen, inclusief de kerk. Boeken en schilderijen, als waardeloos beoordeeld, worden uit het raam gegooid, op het plein opgestapeld en verbrand. Wat de rest betreft, de radio’s,fietsen, naaimachines worden er tussenuit gevist. Het werk kost hun verscheidene uren en daarna is Lidice één grote puinhoop. Om vijf uur ’s ochtends komen ze de bewoners ophalen. Die zien dat in hun dorp alles overhoop ligt en dat de politieagenten nog steeds schreeuwend overal rondrennen en meenemen wat ze kunnen dragen.’ Wat er vervolgens gebeurt, laat zich helaas gemakkelijk raden. Laurent Binet laat in zijn HhhH het verleden opdoemen.
Fietsen rond de wereld in Nederland
Mijn jonge jaren mocht ik doorbrengen in Kralingseveer ten oosten van Rotterdam en in het dorpse leven aldaar namen de bewoners van over het spoor een eigen plaats in. Zij maakten in hun buurt aan de IJsselmondselaan geregeld amok en daarom werd hun stek ook wel Cuba- Kanaalzicht genoemd, wat een verwijzing inhield naar de onlusten in het Caribisch Gebied jaren vijftig. Met dictator Fulgencio Batista en revolutionair Fidel Castro als tegen elkaar strijdende pionnen. Deze herinnering kwam in mij op, toen ik een eerste tocht maakte door de gids Fietsen rond de wereld in Nederland van Flip van Doorn en Piet Hermans.
Het Voorwoord begint zo: ‘Nooit gedacht dat zoveel plaatsen in Nederland een connectie met het buitenland zouden hebben. Een plaatsnaam, een bouwwerk, historische banden, de naam van een riviertje of een natuurgebied door het hele land zijn verbanden te leggen tussen Nederland en andere landen over de hele wereld.’ Om het in mijn eigen woorden te zeggen: de samenstellers van deze naar vorm stralende en inhoud boeiende toerboek kwamen in de ban van het fenomeen dat veel plaatsen in ons land een exotische verwijzing hebben. Zij gingen op stap en vonden bijna 200 locaties met namen die corresponderen naar specifieke plaatsen in een ander land. Zij vertrokken op een keer in het Drentse Amerika, reden via Bethlehem naar Rome om daar te dineren, overnachtten in Californië, werden de volgende dag in Turkeye op een lunch getrakteerd en gingen via Sint Maarten naar het eindpunt van hun reis, Zurich. Zij waren daarbij Nederland niet uit geweest en kwamen thuis met een prachtig verhaal. In hun 176 bladzijden tellende, rijk geïllustreerde, in het fonds van uitgeverij Terra opgenomen reisboek geven Van Doorn en Hermans nu negen etappes die doorgaans via de inmiddels alom bekende knooppunten lopen. Acht losse kaarten brengen ze in beeld.
De Pyramide van Austerlitz, de Kaapse bossen, De Fransche Kamp, Bantam, Kremlin, Anna Pauwlona, De Krim, De Bremer Wildernis, Klein Afrika, Lombok, Egypte, Het Witte Huis, Canada, Morra, Polen, Denemarken, Spitsbergen, Siberië, Napels, Frankrijk, Moscou, Madrid en Engeland, deze Fremdkörper liggen in het eerste deel van Fietsen rond de wereld in Nederland dat het noorden van ons land verwoordt en verbeeldt en u de weg erlangs suggereert.
Om u de rijkdom van ‘Fietsen rond de wereld in Nederland’ te etaleren ga ik u fragmenten doorgeven uit etappe 7 ‘Napels – Siberië’. Een paar decennia verbleven wij vele vrije weken als gezin in het Drentse Veenoord dat een tweelingdorp met Nieuw-Amsterdam vormt en sinds 1998 niet meer tot de gemeente Sleen maar tot Emmen behoort. Vanuit de paardenhoeve van de familie Tip aan de Ermermarkerweg 10 vertrokken wij vele keren om met de fiets de regio te verkennen. Zo doorkruisten wij het Amsterdamscheveld en Nieuw- Dordrecht, reden langs de jaknikkers en Kasteel Coevorden, zagen de borden van Boheems Paradijs en De Palms, koersten naar Dalen en Meppen en verpoosden wij aan het bijzondere riviertje De Runde, dat ook in Zimbabwe stroomt. Uit de fietsgids van Flip van Doorn en Piet Hermans achterhaal ik zoveel jaar na dato de couleur locale van de zuidoosthoek van Drenthe. Ik citeer de items Amsterdamscheveld en Nieuw-Amsterdam.
‘Amsterdamscheveld. Met de komst van de steenkool, in de tweede helft van de 19e eeuw, begon de verkoop van turf aan een dramatische daling, Het hoogveen ten zuidoosten van Emmen werd nog maar mondjesmaat ontgonnen, Toen men halverwege de 20e eeuw de natuurwaarde van levend hoogveen begon in te zien, stopte de turfwinning helemaal. In 1850 zag een groep investeerders nog wel brood in turf en gezamenlijk kochten ze een lap veenmoeras dat ze naar hun eigen stad vernoemden.’
‘Nieuw-Amsterdam. Dezelfde groep van zes Amsterdamse investeerders stichtte in 1860 een nederzetting aan de verlengde Hoogeveense Vaart. Het plaatsje kreeg de naam Nieuw- Amsterdam en ontwikkelde zich samen met het buurdorp Veenoord tot een belangrijke doorvoerhaven voor turf. In die tijd werd de zuidoosthoek van de provincie wel Drents Californië genoemd, vanwege het ‘bruine goud’ dat er voor het oprapen lag. Voordat de turfmarkt inzakte, kon Nieuw-Amsterdam zich ontwikkelen tot een plaats van enige omvang. Net als het grote Amsterdam heeft Nieuw-Amsterdam een Noorderkerk. Café New York aan Vaart ZZ 55 deelt zijn naam met de stad die ontstond op de plek waar Nederlandse kolonisten in 1625 de nederzetting Nieuw-Amsterdam stichtten, aan de monding van de rivier de Hudson in Amerika. Nadat die kolonie met de Engelsen was geruild tegen Suriname, stichtten de Nederlanders daar weer een Nieuw-Amsterdam.’
Eén van de bekoorlijke facetten van Fietsen rond de wereld in Nederland is dat het aan speelse heemkunde doet: u wordt immers op een plezierige wijze kennis van het eigen domein bijgebracht. Ik verheug me derhalve op volgend voorjaar, want dan ziet deel 2 het licht met een arsenaal aan plaatsen in het zuiden van het land met een buitenlandverwijzing. Al dat boekje er is, woont volgens Van Doorn iedere Nederlander binnen een straal van tien kilometer van een route.
|
| |
| CULTUURMIX 7 JUNI |
Amsterdam voor vijf duiten per dag
Af en toe krijg ik een boek in handen waarvan ik u allen vurig het bezit toewens. Doodeenvoudig omdat het naar vorm een lust voor het oog en naar inhoud een streling van het gemoed is. Vorige week reikte de postman mij een pracht en een macht van een werk aan en nu al wil ik u er kond van doen onder de belofte dat ik volgende keren er opnieuw mee bij u langskom, Ik heb het over het 144 bladzijden tellende Amsterdam voor vijf duiten per dag van Maarten Hell en Emma Los. De ondertitel van dit rijk geïllustreerde boek luidt ‘Dé gids voor uitgaan, sightseeing, shopping, eten & drinken in het Amsterdam van de zeventiende eeuw’ en Athenaeum is de uitgever. De auteurs gingen voor de intrigerende titel om te benadrukken dat het hier om een historische reisgids gaat. Vijf duiten is weinig, ook toen, maar het alternatief vijf stuivers heeft voor velen nog de connotatie van het koperen muntje dat tot de invoering van de euro wettig betaalmiddel was.
Een paar maanden terug had ik het met u over de roman De schilder en het meisje van Margriet de Moor met zijn huiveringwekkende slot waarin Rembrandt van Rijn op 3 mei 1664 het IJ oversteekt om te geraken op het galgenveld Volewijck en daar het lichaam ziet van de in het openbaar gewurgde achttienjarige Elsje Christiaens uit Jutland, wier lichaam wordt tentoongesteld om door ‘de locht ende ’t gevogelte te worden verteert.’ De schilder schetst het meisje.
Ik citeer Hell en Los: ‘Aan de noordkant wordt Amsterdam begrensd door het IJ. Aan de overkant van deze zeearm ligt het verbazingwekkende schiereilandje Volewijck, genoemd naar de vele vogels die er wonen, Op de uiterste westpunt staan galgen en palen opgesteld. Hieraan worden de in de stad terechtgestelde misdadigers opgehangen na hun publieke executie op de Dam. Het ophangen van de lijken op deze desolate plaats, ver weg van de vertrouwde stadspoorten geldt als een extra straf. Doorgaans blijven de lijken hangen totdat ze zijn opgegeten door de vogels of compleet zijn weggerot, Eventuele restanten vallen dan in de galgenputten, Dat trieste lot is het dode lichaam van Jacob Brouwers bespaard gebleven. Deze jonge meubelmaker was ter dood veroordeeld wegens messentrekkerij en chantage. Enkele dagen later werd zijn lijk van de Volewijcker galg gestolen. Vermoedelijk zaten zijn familieleden achter de diefstal, maar de schuldigen zijn nooit gevonden, evenmin als het stoffelijk overschot.’ In Amsterdam voor vijf duiten per dag staan de twee prenten ‘Zicht op Amsterdam vanaf de overkant van het IJ. Op de voorgrond Volewijck met zijn galgen.’ en ‘Het winderige galgenveld van Volewijck aan de noordkant van de stad is uitgegroeid tot een trekpleister van de eerste orde.’ Op de site www.statenvertaling.nl/bijzonderekunst blik ik naar het onschuldige gezicht van Elsje dat Rembrandt zo treffend tekende. Het lijkt alsof zij zowel ongeloof als berusting uitdrukt.
Hell en Los geven in ‘Noot van de auteurs’ achterin het fenomenale lees- en kijkalbum hun credo af. ‘Deze reisgids voor historisch Amsterdam geeft een inkijkje in het dagelijks leven in en om de stad in het laatste kwart van de zeventiende eeuw. Voor die periode is gekozen omdat de laatste stadsuitbreiding toen was afgerond en Amsterdam de reputatie genoot als centrum van de wereld. Aangezien de gids bedoeld is voor reizigers uit onze tijd, is deze geschreven in hedendaags Nederlands’
Het negende hoofdstuk met titel ‘Wie is wie in Amsterdam’ geeft een galerij van vooraanstaande ingezeten, onder wie de officieuze stadsdichter Joost van den Vondel die zijn stede bejubelde met ‘zij die als Keizerin de kroon draagt van Europa’. In zijn voetspoor traden architect Jacob van Campen, cartograaf Joan Blaeu, schilder Rembrandt van Rijn, filosoof Baruch de Spinoza en burgemeester Nicolaes Witsen. Zij en vele tijdgenoten gaven de stad aan de Amstel glans en glorie.
Zoals ik u al zei, gaan wij nog enkele malen met elkaar een virtuele reis door deze gids maken, waarvan de samenstellers zich onderscheiden door originaliteit, levendigheid, belezenheid en bevlogenheid. Om u enig inzicht in hun aanpak te geven, ga ik de korte inleidingen van de hoofdstukken citeren. Maar niet voordat ik een greep heb gedaan uit de nuttige zinnetjes die Amsterdam en de Amsterdammers, het leven op straat en uw reis en verblijf zullen veraangenamen. ‘Het lijkt wel of ik in Venetië ben, zoveel water! – Ick waen my selve in Venecie, soo vele wateren! Ik heb het in Amsterdam naar mijn zin - Amsterdam gevalt my seer wel. Het is wel een mooie stad, maar de mensen zijn nogal raar – T’is wel een schoone stadt, maar ‘tvolcxken is te vies – Wat zijn hier veel buitenlanders – Wat is hier een ghesnor van volck van wijt en sijt. De Herengracht is prachtig, maar stinkt als de hel – De Heeregraft is vol magnificientie, maer stinckt als des duyvels aers, Wat is hier aan de hand? – Wat gaet hier omme? Ik kan de weg niet vinden, ik ben verdwaald – Ick kan den wegh niet vijnen, ick ben verdoold. Ik moet nodig naar de wc, waar vind ik de Varkenssluis? – Ick moet bloemen, waer is de Varckens-sluys met ’t sekreet? Hoe laat en wanneer komt de trekschuit uit Haarlem te Amsterdam aan? – Wat ure van den dagh ende waer landt de Haarlemsche schuyt te Amsterdam aen? Waar kan ik overnachten? – Waer leyt men slapen om geld?’
En nu de beloofde inleidingen. 1 De reis naar Amsterdam. In Amsterdam gebeurt het! Door de economische voorspoed van de afgelopen decennia is de stad enorm gegroeid, zowel in oppervlakte als in bevolkingsaantal. De stad bruist van levenslust en is een populaire reisbestemming geworden. Van heinde en verre stromen kooplieden, immigranten, gelukszoekers, edellieden, vluchtelingen en onvermijdelijk gespuis toe, aangetrokken door de tolerante atmosfeer, de schoonheid van de nieuwe grachtengordel en de belofte van gouden bergen. Een uitstekende beslissing dus om nu een bezoek aan te brengen.
2 Verblijf in Amsterdam. Eenmaal veilig binnen de poorten kun je je vergapen aan de schoonheid van de ‘koningin van Europa’, zoals de Deense geleerde Holger Jacobsen Amsterdam noemt. Laat de magnifieke stadspaleizen langs de door bomen omzoomde grachten op je inwerken, de levendigheid van het oude stadshart, het geschreeuw van de marktkooplieden en het merkwaardige aroma van stinkend grachtenwater en exotische kruiden.
3 Zeden en gewoonten. Amsterdam is internationaal samengesteld: een buitenlandse bezoeker zou er zonder veel moeite uitsluitend kunnen omgaan met landgenoten, Als je echter contact wilt hebben met Amsterdammers dan is enige kennis van hun eigenaardigheden en gewoontes geen overbodige luxe.
4 Samenleven en geloven. In Amsterdam lijkt het alsof er geen rangen en standen zijn. Toch bestaat de bevolking uit een lappendeken van allerlei groepjes en groepen. Zo is het aantal religieuze gemeenschappen onwaarschijnlijk groot. Elke Amsterdammer kent zijn plaats, en verwacht dat ook van de bezoekers aan de stad.
5 Winkelen in Amsterdam. Het aanbod in Amsterdam is overweldigend, Als je hier niet kunt vinden wat je zoekt, dan bestaat het gewoonweg niet. Dagelijks reizen boeren uit de omgeving in alle vroegte naar Amsterdam, hun schuiten en karren volgestouwd met dagverse seizoensgroenten en –fruit, eenden, kippen en eieren. En met klapperende zeilen arriveren in de haven honderden schepen, afgeladen met koopwaar uit alle hoeken van de wereld.
6 Amusement in Amsterdam. Het nachtelijke uitgaansleven in Amsterdam is bijzonde levendig. Dankzij de recent verbeterde straatverlichting is er minder kans dat je na een avondje stappen in de gracht belandt of van je beurs wordt beroofd. Ook overdag biedt de stad voldoende verstrooiing voor de nieuwsgierige reiziger: van dierentuinen en koffiehuizen tot rariteitenkabinetten en theatervoorstellingen.
7 Bezienswaardigheden. Naast kerken, kroegen en speelhuizen telt Amsterdam tientallen wereldlijke bouwwerken die de moeite van het bekijken meer dan waard zijn. De volgende highlights moeten bezoekers zeker gezien hebben, liefst zowel van buiten als van binnen.
8 Omgeving van Amsterdam. Binnen de poorten heeft Amsterdam al zoveel te bieden dat reizigers het buitengebied vaak links laten liggen. Dat is zonde, want voor dappere doorzetters met stevig schoeisel is er rond de stad veel te zien en te beleven. Een verkenning langs de rafelranden van de stad en het rustieke platteland rondom.
9 Wie is wie in Amsterdam … en de zes notabelen noemde ik u al. Wij kunnen niet om onze hoofdstad heen. In Amsterdam voor vijf duiten per dag etaleren Hell en Los met welgekozen woorden en prachtige afbeeldingen de ins en outs van de stad aan het eind van de Gouden Eeuw.
De Tuinman, De Tsaar & De Zwarte Tulp
Een inspirerend kleinood heb ik voor u, dat met zijn 160 bladzijden een hommage is aan de rijkdom aan ideeën, het gevoel voor humor, de zin van scherpte en de lust tot spot van het voetbalminnend publiek. Ik heb het over De Tuinman, de Tsaar & De Zwarte Tulp van Ed van Eeden met ‘Voetbalbijnamen’ als ondertitel en met Amstel Sport als uitgever. De drie koosnamen uit de titel slaan op Julio Ricardo Cruz, Guus Hiddink en Ruud Gullit, wiens facie de omslag siert. Aan u is het te traceren hoe dit trio aan hun versiersel zijn gekomen. Ik ga met u echter op zoek naar de thuishaven van de vijf namen die Hans van Breukelen op zijn wachtpost tussen de palen en onder de lat oogstte: Baader Meinhof, De Dominee, De Babbelbox, De Neus en Hansje Positief. Waarom Hans van Breukelen? Beginjaren negentig mocht ik zijn biografie corrigeren en een paar jaar terug reikte hij heel gedreven prijzen uit in het kader van het Sportgala Papendrecht.
Van Eeden: ‘Baader Meinhof. Hans van Breukelen (1956): in negentien seizoenen profvoetbal was Van Breukelen keeper van achtereenvolgens FC Utrecht, Nottingham Forest en PSV, Hij speelde 76 interlands, won driemaal de landstitel, driemaal de Beker, eenmaal de Europa Cup 1 en het EK 1988. In 1994 beëindigde hij zijn carrière. Toen hij net van de pedagogische academie af was, in zijn begintijd bij FC Utrecht, profileerde Van Breukelen zich als sociaal en politiek geëngageerde wereldverbeteraar met Zweedse klompen, geitenwollen sokken en een slobbertrui. Naast zijn aan de Duitse Rote Armee Fraktion- terroristen Andreas Baader en Ulrike Meinhof ontleende bijnaam werd Van Breukelen vanwege zijn engagement ook wel De Dominee genoemd. De Dominee. In het begin van zijn carrière kreeg de wereldverbeteraar en keeper nogal wat verbaal supportersgeweld te verwerken. Daarbij werd vooral zijn prekerige opstelling op de hak genomen. De Babbelbox. Gevleugelde typering die sportjournalist Ben de Graaf gaf aan de nooit om commentaar of bespiegeling verlegen zittende international. De Neus. Keeper met een bovengemiddeld groot reukorgaan. Hansje Positief. De voormalige onderwijzer hoopte met zijn politieke en sociale engagement een betere wereld te maken van de voetbaljungle. Ondanks zijn kritische opstelling in maatschappelijke zaken getuigde hij steevast en principieel van zijn positieve instelling. Deze bijnaam heeft niets met dopinggebruik te maken.’
Voor u uw excursie door De Tuinman, De Tsaar & De Zwarte Tulip gaat maken, raad ik aan eerst de lezenswaardige inleiding met de titel ‘Een goede bijnaam komt als vanzelf’ van Van Eeden tot u te nemen. Uw leesplezier zal alleen maar toenemen. De Naaimachine voor Lothar Matthäus, De IJzeren Tulp voor Louis van Gaal, De Panter voor Patrick Kluivert, De Parel van Mozambique voor Eusebio, ze hebben een eigen verhaal.
|
| |
| CULTUURMIX 31 MEI |
Droomvlucht De Musical
Die dinsdagmiddag van de 24ste mei maakte ik met een hele meute perscollega’s de zes minuten durende drieste darkride door de wondere Wereld van Sprookjes en Dromen aan het Sint-Nicolaasplein in het sinds 1952 alsmaar florerende, altijd vernieuwende, immer bekorende en steevast innemende themapark de Efteling onder Kaatsheuvel. Tijdens onze zweefvlucht langs in nevelen gehulde droomkastelen, elfjes, faunen, trollen en bosgeesten poseerde daar opeens een cast.
Het ging om acteurs van naam en faam uit de 16 oktober in première gaande gloednieuwe musical ‘Droomvlucht’, die een eerste enerverende coproductie van Efteling Theaterproducties en Joop van den Ende Theaterproducties gaat uitmaken. Want in het kleurrijke domein waar sprookjesfiguren het voor het zeggen hebben, stonden daar wervend te zijn: Hugo Haenen, Roselie de Jong, Jorge Verkroost, Steve Beirnaert, Doris Baaten en Vajèn een mooi meisje van dertien lentes. Zij zessen zullen in het Efteling Theater in de huid kruipen van respectievelijk elfenkoning Oberon, diens vrouw, trollenkoning Furius, trol Krakeel, oma en kleindochter Lila. De crux is namelijk dat Lila zich vergeten voelt in het drukke bestaan van haar ouders. Terwijl zij weer eens bij grootmoeder logeert, verschijnt er een vuurvliegje dat haar meeneemt naar de wereld van trollen en elfen, waar haar een betoverende vol spannende avonturen van een kleine twee uur wacht.
Voordat de cast zijn gedroomde opwachting maakte, vlinderden drie maal bevlogen woorden door de recent tot stand gekomen evenementenlocatie van het Droomvlucht Paleis. Zo zei Eftelingdirecteur Bart de Boer:’Droomvlucht is sinds jaar en dag de populairste attractie binnen het Efteling park. Miljoenen bezoekers beleefden inmiddels de attractie. De wonderlijke wereld van fantasie is heel geliefd bij jong en oud en gaat nu het uitgangspunt vormen voor de nieuwe musical. Efteling Theaterproducties brengt sinds 2003 familiemusicals van hoog niveau en Droomvlucht de Musical wordt als negende item de grootste productie ooit. Het is de allereerste keer dat een musical gebaseerd wordt op een attractie. We zijn bijzonder verheugd om dit avontuur aan te gaan met Joop van den Ende Theaterproducties.. Gezien de nationale en internationale ervaring van deze organisatie, zijn zij voor deze musical met internationale allure de ideale partner.’
Zo liet musical- en theaterproducent Erwin van Lambaart o.a. weten: ‘We zijn er trots op dat we samen met de Efteling een echte familievoorstelling gaan produceren. Wij streven naar het aanbieden van een rijk palet aan musicals en een familiemusical als ‘Droomvlucht’ is hierop een prachtige, nieuwe, veelbelovende aanvulling. Bovendien is het erg inspirerend om de expertise en creatieve krachten van Joop van den Ende Theaterproducties te combineren met die van de Efteling. Ik ben ervan overtuigd dat deze samenwerking leidt tot een kwaliteitsproductie waar jong en oud van zullen genieten. Het gaat ons erom dat wij een attractie zo omzetten naar een artistiek en creatief verhaal dat vooral onze kinderen die in deze technische tijd op dienen te groeien hun fantasie gaan gebruiken. Zij zullen rijker worden door te durven dromen.’ Regisseur Jasper Verheugd deelde in hun euforie: ‘Een goed idee is het van ‘Droomvlucht’ een musical te maken.
Dat zijn woorden geen slagen in de lucht waren, werd heel manifest toen ons zestal met zijn ensemble het slotakkoord van het bij voorbaat geslaagde feest van dans en zang als voorproefje bracht. Vanaf het podium dwarrelden de klanken van het aansprekende en inspirerende lied ‘Durf te dromen’, dat de finish van Lila’s lange reis gaat omkaderen. Ook in het Brabantse verplicht adeldom en dat gaat betekenen dat de musical ‘Droomvlucht’ het helemaal gaat maken!
De schoonheid en het verdriet van de oorlog
Naar hun foto’s voorin de tot op het bot gaande negentien relazen bleef ik kijken, in: De schoonheid en het verdriet van de oorlog van de Zweedse historicus Peter Englund met als ondertitel ‘Ooggetuigen van de Eerste Wereldoorlog’ en met als uitgever Spectrum. Naar die van Vincenzo d’Aquila, Elfriede Kuhr, Willy Coppens, Oliver King, Kresten Andresen, William Henry Dawkins, Rafael de Nogales, Edward Mousley, Sophie Botjarski en Florence Farmborough. De tien vormen met negen anderen, van wie helaas geen foto’s zijn, de dramatis personae van de 588 bladzijden beslaande berichten uit de rampspoed van bijna een eeuw geleden die, tot in 1917 de VS mee gingen doen, de Grote Oorlog genoemd werd, Peter Englund baseerde zijn werk op dagboeken, brieven en andere egodocumenten van negentien historische personages die in hun jonge jaren in helse veldslagen verzeild raakten of rakelings langs de oorlogsgebeurtenissen voorbijgingen. Het gaat in volgorde van opkomst om een Duits schoolmeisje, Duitse matroos, Hongaarse cavalerist, Russische genist , Engelse verpleegster, Deense soldaat, Franse rijksambtenaar, Britse infanterist, Australische genist, Russische verpleegster, Franse infanterist, Zuid-Amerikaanse cavalerist, Amerikaanse legerchirurg, Britse infanterist, Belgische gevechtspiloot, Australische chauffeuse, Italiaanse infanterist, Nieuw-Zeelandse artillerist en Italiaanse alpenjager.
Ik meldde zonet ‘in volgorde van opkomst’, want de verhaaltruc van Englund is dat hij zijn hele De schoonheid en het verdriet van de oorlog door afwisselend het relaas vertelt van een van zijn hoofdfiguren. Zo gaat de twaalf lentes tellende Elfriede Kuhr in 1914 als eerste van start wanneer het geweld in Europa losbarst. Vervolgens komt zij dertien maal in the picture om te finishen in 1918 als zij een brief van haar moeder leest met daarin: ’Kinderen, deze herfst bedrukt me.’
Ik moet u zeggen dat ik de bundel navrante verslagen al vanaf begin maart op mijn leestafel heb liggen. Sindsdien hanteer ik de leesmethode elk weekend het hele verhaal van een personage achtereen tot mij te nemen. De komende weken wil ik u confronteren met mijn leeservaringen, die ik opdeed bij het horen van de negentien veelal aangrijpende, schokkende, verbijsterende en onthutsende stemmen die vanuit en nabij de mensonterende en zinloze gevechtslinies opklonken.
Ik citeer Peter Englund. ‘Aan de lezer. Dit is een boek over de Eerste Wereldoorlog. Het is echter geen boek over wát het was – dat wil zeggen over oorzaken, verloop, einde en gevolgen – maar een boek over hóe het was. Wat u hier zult aantreffen zijn dus niet zozeer factoren als wel personen, niet zozeer processen als wel indrukken, ervaringen en stemmingen. Want wat ik heb geprobeerd te reconstrueren is niet zozeer een loop der gebeurtenissen, als wel een gevoelswereld. U kunt negentien individuen volgen, die allemaal uiteraard werkelijk bestaan hebben (dit boek bevat niets wat is verzonnen, maar is gebaseerd op verschillende soorten documenten die deze mensen hebben nagelaten) – allemaal onbekend of vergeten, allemaal ver onderaan in de hiërarchie. En terwijl de Eerste Wereldoorlog in het algemeen bewustzijn – niet zonder reden – synoniem is geworden met de modder van het westfront, bevinden veel van deze personen zich op andere oorlogstonelen, zoals het oostfront, de Alpen, de Balkan, Oost-Afrika en Mesopotamië. De overgrote meerderheid is jong, rond de twintig nog maar. Van deze negentien personen zullen er twee sneuvelen, twee anderen zullen in krijgsgevangenschap geraken, twee zullen gevierde helden worden, twee zullen eindigen als lichamelijke wrakken. Velen van hen verwelkomen de oorlog als hij uitbreekt, maar leren hem te verafschuwen; sommigen verafschuwden hem al vanaf de eerste dag. Eén man houdt ervan van het begin tot het eind. Een van hen wordt letterlijk gek en belandt in een psychiatrisch ziekenhuis, een ander zal nooit een schot horen lossen, Enzovoort. Ondanks hun verschillen in lot, rol, geslacht en nationaliteit worden ze echter verenigd door het feit dat de oorlog hen van iets berooft: hun jeugd, illusies, hoop, medemenselijkheid – hun leven.
Het merendeel van deze negentien mensen zal dramatische en verschrikkelijke dingen meemaken, maar de nadruk ligt desondanks op het dagelijkse leven in de oorlog.’ Rest mij nu alleen de titel te verklaren. Uiteraard kunt u ‘het verdriet’ plaatsen, maar hoe zit het met ‘de schoonheid’? Wellicht geeft chirurg Harvey Cushing het antwoord, want die zegt na een Duitse granaatinslag: ‘En de wilde in je maakt dat je het prachtig vindt, met alle ellende, verspilling, gevaar, gezwoeg en heerlijk kabaal van dien. Je voelt dat dit, ondanks alles, is waar mannen voor bedoeld zijn, veeleer dan om in comfortabele stoelen te zitten met een sigaret en whisky, de avondkrant of een bestseller – en te doen alsof dat laagje vernis beschaving is en dat er geen barbaar achter je gesteven en dichtgeknoopte overhemd schuilgaat.’
Ooit fietsten zoon Muel en ik naar Verdun, waar wij in het Ossuaire de Douamont in de grafkelders en knekelhuizen blikten naar de ongeïdentificeerde stoffelijke resten van 130.000 Franse en Duitse soldaten die tijdens de slag aldaar gesneuveld zijn.
|
| |
| CULTUURMIX 25 MEI |
Het moet pijnlijk blijven
Welgeteld 51 Nederlandse auteurs van naam en faam en nagenoeg evenveel gerenommeerde interviewers maken hun opwachting in de maar liefst 512 bladzijden tellende bundel Het moet pijnlijk blijven, die samengesteld is door Frénk van der Linden en Freddy van Thijn en ‘De mooiste schrijversinterviews’ als ondertitel en AKO en Contact als uitgevers kent. In hun Inleiding met de veelzeggende titel ‘Het gezicht achter het masker’ geeft het duo de drie criteria bij hun selectie door. De interviews moesten de afgelopen 25 jaar in druk zijn verschenen. Als het even kon, mocht geen grote schrijver of interviewer ontbreken. De verhalen dienden elementen te bevatten die niet voorkomen in andere artikelen over de auteur in kwestie. Ik loop al heel wat jaren door het land der letteren en na uren in de bloemlezing gedwaald te hebben kan ik u juichend toeroepen dat deze stralende collectie een streling van het literair gemoed is, naar inhoud maar ook naar vorm.
Van der Linden en Van Thijn: ‘Voor ons, samenstellers van deze bundel, zijn journalistiek en literatuur grote liefdes. Ze komen samen in een verzameling van zo’n vijftig leerzame, hilarische, ontroerende, schofferende, larmoyante, jennerige, diepgravende, borstroffelende en anderszins uitzonderlijke interviews met Nederlandstalige auteurs. Dit zijn geen journalistieke eendagsvliegen, dit zijn verhalen die bestand blijken tegen de tand des tijds, verhalen voor het Letterenmuseum.’
Van der Linden en Van Thijn legden bij hun race door een kwarteeuw literaire werken de lat hoog, maar zij sprongen er glansrijk overheen. De door hen tot hogere heerlijkheid verheven vragenstellers als Frits Abrahams, Ischa Meijer, Hugo Camps, Joost Zwagerman, Jaap Goedegebuure, Bibeb en Elsbeth Etty gaven hun proeve van bekwaamheid af in de bladen ‘de Volkskrant’, ‘Vrij Nederland’, ‘NRC Handelsblad’, ‘Trouw’, ‘Humo’, ‘Opzij’, ‘Het Parool’ en ‘De Tijd’. Aangezien in de krant van vandaag de vis van morgen verpakt wordt, is het bestaansrecht van deze vuistdikke selectie aangegeven. Ooit werd Arnon Grunberg geïnterviewd en boven het verhaal stond de kortst mogelijke samenvatting van wat hij te zeggen heeft: ‘Het moet pijnlijk blijven’. ‘Wie de interviews in deze bundel leest, kan in ieder geval nauwelijks aan de indruk ontkomen dat op geluk geen literaire zegen rust.’ Zo gaat de slotzin van ‘Het gezicht achter het masker’.
Het gaat niet aan dat ik u een impressie tracht te geven van mijn tocht tot nu toe door de 51 dialogen, want die zijn daartoe te rijk, te divers, te persoonlijk en te mooi. Veel beter is het dat u Het moet pijnlijk blijven bij uw boekhandelaar ophaalt en van tijd tot tijd naar keuze een interview tot u neemt. Van ‘Wees niet boos, ik heb het uit liefde gedaan’ en ‘Therapie is geweldig’ tot ‘Iedere jongen zoekt z’n moeder in z’n vrouw’ en ‘Ik heb helemaal geen huizenhoge ambities’.
De start ligt dus bij het relaas van de gesprekken met Kader Abdolah en Gerbrand Bakker en de finish bij die met Jan Wolkers en Joost Zwagerman. Daartussen liggen de welluidende en/of veelzeggende titels van ‘Ik ben een geboren melancholicus’, ‘Hulpeloosheid is de sleutel’, ‘Ik ben jaloers op de man die zich niet schaamt’, ‘Overleven doe je met je ogen dicht’ en ‘Ik denk alleen aan mijn vader als iemand naar hem vraagt’ over resp. Bernlef, Claus, Van Dis, Enquist en Japin.
Verhalen die er naar vorm en naar inhoud echt toedoen, draag ik al jaar en dag blij met mij mee. Zo Hersenschimmen van Bernlef, Bezonken rood van Jeroen Brouwers, Het verdriet van België van Hugo Claus, De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch, De avonden van Gerard Reve, Het woeden der gehele wereld van Maarten ’t Hart, Het Bureau van J.J. Voskuil, Gewassen vlees van Thomas Rosenboom, en Serpentina’s petticoat van Jan Wolkers.
En natuurlijk Knielen op een bed violen, de immer intrigerende roman van Jan Siebelink uit 2005. Een paar jaar terug mocht ik met dominee Piet van Die in de Morgensterkerk hier ter plaatse een drietal avonden aan dit magnum opus wijden, die in de persoonlijke bespiegelingen van de auteur hun triomf vonden. Had ik het interview ‘Ik ben een gelukkig mens nu’ dat Steffie Kouters met Jan Siebelink kort na de eerste publicatie kunnen raadplegen, dan had mijn lezing erbij gewonnen.
Ik citeer Kouters: ‘s’ Ochtends tegen vijven op, een korte wandeling met zijn whippets Haas en Merlijn en dan dagelijks om half zeven beginnen aan weer een nieuw hoofdstuk – maanden achtereen, Hij vergelijkt het schrijven van Knielen op een bed violen met de eindspurt van Ellen van Langen op de 800 meter, bij de Olympische Spelen. Verbaasd keek ze achterom: ze bleek de eerste te zijn. ‘Iets liep in mij,’ zei ze. ‘Zo kan ik zeggen: iets schreef in mij,’ zegt Siebelink. ‘Alsof mijn hand werd geleid. Het boek was in mij aanwezig. Het lag al helemaal klaar.’
Flarden uit de interviews zullen mij bijblijven. Zo laat Steffie Kouters Bernlef in ‘Ik ben een geboren melancholicus’ zeggen: ‘Ik lijk op mijn grootvader. Zo’n man die meedoet aan een demonstratie, maar dan wel een kwartier later vertrekt, zodat-ie alleen loopt. De meute wandelt voor hem uit, hij loopt 500 meter daarachter. Solidair, maar op afstand.’ Deze bundel is er voor u!
Een kwartet van de ANWB
Zestien jaargangen terug schaften mijn partner en ik toerfietsen aan en sindsdien hebben wij welgeteld 359 routes afgepeddeld. Zo meldt mijn tochtenarchief dat wij op 25 mei 1995 de eerste kilometers onder ons wegdraaiden tussen Bleskensgraaf, Brandwijk, Groot Ammers en Nieuw Lekkerland en dat de eerste tocht van 2010 ons voerde van Dishoek naar Domburg vice versa. Tussen die koersen lagen oogstrelende routes als die tussen Vierhouten en Hierden en op de Hoge Veluwe. Ook de afstanden tussen Nieuwegein en Montfoort, Hummelo en Doesburg, Aardenburg en Brugge, Hilvarenbeek en Oirschot, Goederee en Stellendam, Rijsbergen en Nispen, Waspik en Waalwijk, Noordwijk en Amsterdam en tussen Scheveningen en Katwijk overbrugden wij. Zo volgden wij routes met namen als Lauwersmeer, Nienoord, Zandenbos, Peel en Maas, Zeewolde, Maasduinen, Oranje Nassau, Bastide, Mantelingen, Lustwarande, Lopikerwaard, Kolderveen en Havezathe.
Steeds werden wij al trappende gegidst door de boekjes en de bordjes van de ANWB en al die zestien seizoenen hebben die ons niet in de steek gelaten. Derhalve hulde aan de Bond die aan de W alle eer aandoet, want sinds het jaar van oprichting, 1883, hebben de Wielrijders de voorkeur en de voorrang, hoewel de ANWB sinds 1905 een toeristenbond is. Zonder presentie van de Algemene Nederlandse Wielrijders- Bond zouden wij ons voelen als een vogel zonder tak. In mijn boekenkast koester ik dan ook al jaar en dag de 27 gele, rijk geïllustreerde fietsgidsen van ANWB en VVV en van tijd tot tijd neem ik een boekje uit de rij in de hand om opnieuw een tocht te beleven, waarbij fraaie beelden op mijn netvlies arriveren. Waren eerst de door zeskante bordjes in één richting bewegwijzerde routes onze richtpunten, nu volgen wij de knooppunten die frank en vrij in twee richtingen de weg wijzen en gul en graag de route visueel aangeven.
Ik kan u nu vrolijk en blij melden dat de ANWB zijn alom beminde reeks in een nieuwe versie het licht laat zien. Vier deeltjes ervan bestrijken de regio’s Veluwe Noord, Veluwe Zuid, Groene Hart en Zeeland, waarin totaal maar liefst 91 fietsroutes, variërend van veertien tot zestig kilometer, worden beschreven en getoond. Zo respectievelijk de Drontenmeer-, Aardhuis- , Kallenbeek-, Woeste Hoeve-, Vierseizoenen-, Haarzuilens-, Westerschouwen- en Maagd van Gentroute.
De ANWB Voorjaarsaanbieding 2011 zegt het onder het vignet van ‘Nieuw’ zo: ‘Een geheel nieuwe landsdekkende serie ANWB Fietsgidsen met in totaal bijna 500 fietsroutes in heel Nederland: bewegwijzerd, beschreven en via knooppunten. De routes in deze gidsen bevatten naast een kaartje en routebeschrijving interessante achtergrondinformatie. De serie bestaat uit 22 fietsgidsen die elk een regio behandelen. Elk deel telt 44 tot 56 bladzijden met 19 tot 25 fietsroutes.’
In mijn eigen regio, die van Alblasserwaard en Vijf Heerenlanden, heeft de ANWB vier tochten tot hogere heerlijkheid verheven door ze in het deeltje ‘Groene Hart’ op te nemen: Molenroute van 43, Ooievaarsroute van 38, Giessen- Merwederoute van 49 en Vijfheerenlandenroute van 60 km. Foto’s van ‘De molens van Kinderdijk’, ‘Het vestingstadje Nieuwpoort’, ‘Gorinchem’ en ‘Glasstad Leerdam aan de Linge’ creëren decors die u uitnodigen om op de pedalen te gaan staan. Ik citeer u de entrees.
Molenroute: ‘Nergens ter wereld staan zo veel molens bij elkaar als in Kinderdijk. Bovendien draaien ze nog alle negentien regelmatig. Ze staan niet op één lijn, om te voorkomen dat ze elkaars wind afvangen. De molens, sluizen, dijken en boezemwateren getuigen van een eeuwigdurende strijd tegen het wassende water. Kinderdijk was het laagste punt en het afvoerputje van de Alblasserwaard. Sinds 1997 staat Kinderdijk op de Werelderfgoedlijst van Unesco.’
Ooievaarsroute: ‘Veertig jaar geleden dreigde de ooievaar definitief uit Nederland te verdwijnen. Het aantal broedparen was toen minder dan twintig, Om het tij te keren begon de Vogelbescherming ooievaars te fokken in Ooievaarsdorp Het Liesvelt en werden er enkele buitenstations gesticht. Er zijn inmiddels ruim 700 ooievaars die ’s zomers in de weilanden foerageren. Verder gaat deze route langs de Lek en door het groene, waterrijke landschap van de Alblasserwaard.’
Giessen- Merwederoute: ‘De Giessen en de Merwede zijn onvergelijkbare rivieren. De brede Merwede vormt de benedenloop van de Waal. Het is de drukst bevaren rivier van Nederland, De kronkelige Giessen is een kalme veenstroom. In de middeleeuwen bouwden kolonisten hier hun boerderijen en groeven ontwaterringsloten loodrecht op de stroom. De kavels werden een ‘slag’ lang: de lengte van de ‘voor’ die een span ossen kon ploegen zonder te rusten. Vandaar de term slagenlandschap.’
Vijfheerenlandenroute: ‘Vijf landheren hadden bezittingen tussen de Lek en de Linge: de heren van Arkel, Everdingen en Hagestein, Leerdam en Vianen. Om het lage land tussen de rivieren droog te houden, moesten ze samenwerken. In 1284 lieten de heren de Diefdijk aanleggen om in noodsituaties water uit de Betuwe tegen te kunnen houden. Boze boeren uit Gelre probeerden herhaaldelijk bij hoog water de dijk door te steken, zonder succes, Althans, zo wordt beweerd.’
|
| |
| CULTUURMIX 11 MEI |
Werelden van kleur
Die zonovergoten aprilmorgen betrad ik de door architecten Baas en Stokla in 1938 ontworpen wondermooie witte villa aan Museumpark 11, waarin sedert 1993 het Chabot Museum gevestigd is en via een scala aan artistieke items een pracht van een palmares verworven heeft. Ik was naar dat Rotterdamse kunstoord getogen om het arsenaal aan schilderijen te zien die met elkaar de toon zetten van de tot en met 5 juni gaande tintelende tentoonstelling ‘Werelden van kleur’. De ondertitel van deze heuglijke happening geeft de reikwijdte ervan precies weer, want ‘Van Monet tot Yves Klein’ markeert het indrukwekkende overzicht van meesterwerken uit de ‘Kunstmuseen Krefeld’, dat u een eclatante reis door acht decennia laat maken. Van ‘Het parlement, zonsondergang’ van Claude Monet uit 1904 en ‘Jodenstraatje in Amsterdam’ van Max Liebermann uit 1905 tot ‘Monochroom rood’ en ‘Monochroom blauw’ van Yves Klein uit 1957.
In mijn uppie wandelde ik langs de werken die letterlijk en figuurlijk verspreid over drie compartimenten de triomf en emancipatie van de kleur in de schilderkunst vieren: Kleur als licht, Kleur als expressie en Kleur als materiaal. Uit elke sectie noem ik drie schilderijen die bij mij die ochtend goed arriveerden. Licht: ‘Portret van een dame’ van Max Slevogt, ‘Klein kind naast een berkenstam’ van Paula Modersohn Becker en ‘Josef en de vrouw van Potifar’ van Lovis Corinth. Op de eerste verdieping, die van Expressie, waren voor mij de eyecatchers: ‘Koe melken’ van Emil Nolde, ‘Zondvloed 1’ van Wassily Kandinsky. en ‘Zelfportret met hoed’ van Heinrich Nauen. Een etage hoger waren dat ‘Tableau no. VII met blauw, geel, zwart en rood’ van Piet Mondriaan, ‘Witte ovaal, no. LI’ van Antoni Tàpies en ‘Ruimtelijk concept, Verwachting’ van Lucio Fontana die met elkaar in schoonheid om voorrang streden. Maar de toppers lagen voor mij bij start en finish, want daar hingen in al hun glorie Monet en Klein te kijk en te pronk. O, die zon die breekt door de mist boven het purper en blauw van de parlementsgebouwen, dat goud van de golven op de Theems, die vloeiende kleuren van het Londense decor. O, die eigen interpretatie van de kleur blauw, die lef om blauw zichzelf te laten zijn, die durf alleen met blauw te volstaan. ‘Werelden van kleur’ bewijst weer eens hoe groot en groots een klein kunstpaleis kan zijn. Op naar het Chabot Museum!
De Collectie Verrijkt
Op een aprilwoensdag maakte ik een rondje langs zes Rotterdamse oasen van kunst en cultuur en opnieuw bleek mij hoe divers het aanbod in deze van de Maasstad is. Voor onze regio is Rotterdam ‘the place to be’, sowieso als het om artistieke sightseeings gaat. Ik wandelde in mijn uppie door de zalen van Kunsthal, Natuurhistorisch Museum, Chabot Museum, Museum Boijmans Van Beuningen, Museum Rotterdam (Schielandshuis), Onderwijsmuseum en ik keek de ogen uit.
Een baken in de stad is sinds 1935 het door stadarchitect Van der Steur ontworpen, markante pand van rode baksteen van Museum Boijmans Van Beuningen aan de boorden van het Museumpark. Toen ik het trappenhuis beklommen had, vernam ik dat de zalen van de zaterdag daarop te openen tentoonstelling ‘De Collectie Verrijkt’ nog niet geheel ingericht waren en dat gold vooral voor de specimina van kunstzinnige prestaties uit de middeleeuwen, zestiende en zeventiende eeuw. Wel mocht ik in de staart van de bij voorbaat eclatante expositie verkeren en zo verbleef ik een klein uur op de lange zitbank in het hart van de zaal Expressionisme. Daar werd ik teruggeworpen in de tijd, want beelden kamen in mij op van de lessen Cuma (cultuur en maatschappij) die docent P.W. J. Steinz bij voorkeur op het plaats delict gaf, dus in het museum. Als ik mijn ogen sluit, zie ik de gedreven kunstminnaar staande voor de schilderijen, van harte oreren.
In de grote zaal gewijd aan het expressionisme hingen mooi te zijn: ‘Dubbelportret van Hans Mardersteig en Carl Georg Heise’ en ‘De mandril’ van Oskar Kokoschka, ‘Georg Brandes’ van Lovis Corinth, ‘Naaktstudie’ van Alexej von Jawlensky, ‘Familieportret Lütgens’ van Max Beckmann, ‘De hond’ van Herman Kruyder, ‘Twee meisjes bij een appelboom’ van Edvard Munch, De cellist Pablo Casals’ en ‘De nieuwe generatie’ van Jan Toorop , ‘Vrouwenportret in het rood’ en ‘Danseres’ van Jan Sluijters. In mijn oren klonken de woorden op van Steinz over het verschil tussen introvert en extrovert zoals dat verbeeld werd door Kokoschka, over de werking van kleur bij Sluijters, over de uitdrukking van het innerlijk bij Munch en over de symboliek bij Toorop. Tot eind 2012 zijn de elf schilderijen bij elkaar op zaal in het kader van ‘De Collectie Verrijkt’, daarna gaan ze verder met het eigen leven. Het zit er dik in dat ik in de nabije toekomst een tocht door Boijmans ga maken om o.a. ‘De Marskramer’ van Bosch en ‘Lyrisch’ van Kandinsky te ondergaan.
Het nieuwe taboe op de oorlog
Een amper 32 bladzijden tellend kleinood heb ik voor u, dat heet van de naald, vers van de pers, uiterst actueel en heel prikkelend is. Ik heb het over het geschrift Het nieuwe taboe op de oorlog van Thomas von der Dunk, dat als ondertitel ‘De verboden Willem Arondéuslezing’ en als uitgeverij Van Gennep kent. De immer spraak- en geruchtmakende cultuurhistoricus met geboortejaar 1971 zou voorbije april zijn relaas in een officiële context doen maar dat feest ging niet door.
Sinds 2004 organiseert de provincie Noord-Holland de Willem Arondéuslezing, waarin aandacht voor maatschappelijke ontwikkelingen de gemeenschappelijke noemer is. Het initiatief daartoe werd genomen door Statenleden van CDA en GroenLinks. De sessies zijn ter nagedachtenis aan de homoseksuele kunstenaar en verzetsheld Willem Arondéus, die in 1943 na een proces geëxecuteerd werd omdat hij deelgenomen had aan een bomaanslag op het Amsterdamse Bevolkingsregister. De eerste lezing werd gegeven door Rudi van Dantzig, biograaf van Willem Arondéus , in april 2005 met als thema: 'Kun je zijn wie je bent of is die vrijheid lastig geworden?'. In 2006 was monseigneur Philippe Bär de spreker met als thema 'Het begrip ‘Vrijheid'. In 2007 en 2008 werd de lezing verzorgd door respectievelijk Gerard Spong en Désanne van Brederode. In 2009 en 2010 werd de lezing verzorgd door filosoof Ad Verbrugge en schrijver en filosoof Marjolijn Drenth. De lezing voor 2011 van Thomas von der Dunk werd afgezegd omdat volgens twee (van de vijf) leden van de werkgroep de inhoud te kritisch zou zijn ten opzichte van de PVV en daardoor een te partijpolitiek karakter zou hebben.
Naar verluidt zouden VVD en CDA gezwicht zijn voor de bezwaren die leider van de PVV- fractie in Noord-Holland Harold Brinkman tegen de door Von der Dunk vooraf ter inzage gegeven tekst opperde. Dus voor de lieve vrede gaf de coalitie niet thuis. Op 9 mei zullen de Provinciale Staten over het gewraakte besluit discussiëren. Het gaat niet aan dat ik mijn standpunt in deze aan u ventileer. Wel wil ik aan u kwijt dat Thomas von der Dunk mij aanzet tot het nadenken over de ins en outs van facts uit de vaderlandse geschiedenis, die ik altijd voor zoete koek aangenomen heb. Overigens: Von der Dunk hield zijn hagenpreek toch: in de Haarlemmerhout, recht tegenover het provinciehuis en zo’n 1200 luisteraars kwamen er op af.
Volgens Von der Dunk is de Oorlog de enige grote gebeurtenis waar de overgrote meerderheid van de Nederlanders, katholiek of protestant, liberaal of socialist, op dezelfde manier tegenaan keek – en dus ook tegen de vraag wát inderdaad in de oorlog goed en fout was. De Oorlog is in feite de enige historische gebeurtenis van belang, waarover we het in grote lijnen eens zijn en die de Nederlandse natie samenbindt. Alle andere belangrijke gebeurtenissen uit ons verleden zijn hopeloos omstreden. De diverse volksdelen keken daar vanouds steeds fundamenteel verschillend tegenaan en daarover werd op de scholen dus ook op heel uiteenlopende wijze onderwezen. Dat begon eigenlijk al met de kerstening door Willibrord: de opmaat tot Nederland als christelijke natie, of juist de aanvang van het paapse juk? En dat geldt eigenlijk ook voor alles van belang dat daarna gekomen is. De rol van de Bourgondiërs en de Habsburgers, bij de Nederlandse staatsvorming: omstreden. Karel V: de man die Utrecht, Gelderland, Overijssel, Drenthe, Friesland en Groningen aan de Republiek toevoegde: omstreden. Dan de aard van de Opstand tegen Spanje (vanwege de vrijheid of vanwege de religie?): omstreden. De rol van de katholieken daarbij (herinneren we ons de Geuzen voor Den Briel of de Martelaren van Gorcum?): omstreden. Maurits versus Van Oldebarnevelt (vormt rechtzinnigheid of vrijzinnigheid de oerkern van het nationale karakter?): omstreden. De rol van de Oranjes in de Gouden Eeuw, van de stadhouder versus de staten: omstreden. Johan de Witt en stadhouder-koning Willem III, onze twee staatslieden met de grootste internationale betekenis: omstreden. Het optreden van de Patriotten en de Bataven, hun rol als grondleggers van onze huidige democratie: omstreden. De Grondwet van 1798, de allereerste van Nederland maar zonder de Oranjes: zo omstreden dat die in 1998 niet eens officieel werd herdacht. De betekenis van Lodewijk Napoleon voor het huidige koningschap: zo omstreden dat de eerste koning van Nederland twee eeuwen lang überhaupt vrijwel doodgezwegen is en men in Oranjekring tot aan Juliana toe op het noemen van zijn naam furieus reageerde – ook straks in 2013 wordt vast weer gedaan alsof de monarchie hier te lande van 1813 dateert, en niet van 1806, hoewel Willem I zichzelf, in de toen publiek gangbare bewoordingen, ‘te ruste legde in het bed van Napoleon.’
Maar de Oorlog: die staat pal overeind als dat wat in onze nationale geschiedenis nu eens niet verdeelt, maar bindt. De Oorlog was een bloedstollend dramatische gebeurtenis. En dat verklaart ook waarom een verwijzing naar de Oorlog inmiddels in Den Haag taboe is geworden, omdat je nog wel met elkaar door dezelfde deur verder moet kunnen gaan. Een vergelijking van de PVV met de NSB zoals Thomas von der Dunk die maakt, is not done omdat die niet goed uitkomt.
|
| |
| CULTUURMIX 4 MEI |
Extreem weer!
Op de schap in de kast met mijn meest favoriete boeken koester ik de vijf kloeke delen van het opus magnum van Jan Buisman Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen. Hoe vaak heb ik al een jaar vóór 1750 opgezocht om bijvoorbeeld te traceren hoe het gesteld was met het weer toen Floris V vermoord werd, Jacoba van Beieren het hoofd in de schoot legde, de Watergeuzen van de heer van Lumey Den Briel innamen en landsadvocaat Oldenbarnevelt het schavot beklom.
Historisch geograaf Buisman - met als jaar van geboorte 1925 - verrast ons nu weer met een pracht en een macht van een weerboek dat met zijn 576 bladzijden en meer dan 400 illustraties een streling van het gemoed en een lust voor het oog is. Het gaat om het eclatante en excellente Extreem weer!, dat als ondertitel ‘Een canon van weergaloze winters & zinderende zomers, hagel & hozen, stormen & watersnoden’ en als uitgever uiteraard Van Wijnen uit Franeker kent. In zijn horizonverleggende ‘Inleiding’ van maar liefst meer dan tachtig pagina’s met subtitels als ‘Weer laat je niet los’, ‘Ons veranderende klimaat’, ‘Vorming van strandwallen en oude duinen’ en ‘De middeleeuwse mens in zijn natuurlijke omgeving’ laat Buisman ons warm lopen voor zijn ‘weergaloos’ en ‘zinderend’ relaas, dat welhaast een ‘live’ verslag doet van de meest memorabele happenings uit het weersverloop, die zich tussen 1421 en 2010 in een honderdtal jaren voordeden. 1421 onderscheidde zich zoals de titel ervan aangeeft door ‘Sint-Elisabethsvloed, feit en fictie’ en 2010 door ‘December is koud en overweldigend wit’. Daartussen liggen jaren die door Buisman getypeerd worden met ‘Noodweer laat spoor van vernielingen achter’ (1558), ‘November: zwaarste stormvloed in drie generaties’ (1775), ‘Zuiderzee speelt op als zelden tevoren’ (1825) en ‘Een van de droogste jaren in twee eeuwen’ (1921). De laatste tachtig jaar zijn opvallend vaak present.
Ik citeer. ‘Beschrijvingen van het weersverloop maand na maand en dag na dag worden na een poosje saai. Dan zijn de extremen de krenten in de pap, de kersen op de pudding, In dit boek streep ik veel weg, waardoor je vanzelf een canon van stormen, koudegolven, stormen rampzalige droogtes, enzovoort overhoudt. Al deze gebeurtenissen waren op het moment suprême groot nieuws en het gesprek van de dag. En ze werden gretig opgepakt door schrijvers van dagboeken en kronieken. In onze tijd zouden ze gegarandeerd voorpagina en journaal halen. Nieuws is per definitie extreem, het is de uitzondering, de afwijking, maar het is ook vluchtig en wordt snel verdrongen door het volgende dagnieuws. Dan is het algauw oud nieuws en soms is de herinnering nog slechts een herdenkingsplaquette of een vloedmerk, een boek of rapport. Vooral historische gebeurtenissen die ons niet persoonlijk raken, worden vergeten, maar dat neemt niet weg dat ze het vaak waard zijn om in de herinnering te blijven: tot lering en soms (maar meestal niet) tot vermaak.’
Jan Buisman betekent voor mij qua weerscontext wat Johan Hendrik van Dale naar woordenschat, Johannes van Dam naar culinaire genoegens, Geert Mak naar historisch inzicht en Henk van Gessel naar stedelijke sightseeings is: mijn vraagbaak als parate kennis me in de steek laat. Beelden uit de jaren van mijn leven komen op mijn netvlies als ik episodes uit zijn Extreem weer! tot mij neem. Jan Buisman rakelt op wat in mijn persoonlijke herinnering vervaagd is. In 1947 was moeder in blijde verwachting van ons zusje Ina dat op een warme dag van augustus het licht zag. Twee zwart-wit foto’s uit die zomer etaleren hoe mijn vader, broer Jan en ik ons met blijde verwachting in die hete zomer verpoosden: voor en in de Gevangenpoort te Den Haag en aan en in de zee bij Scheveningen. Buisman vertelt het hele verhaal in zijn stuk ‘Binnen één jaar ijsvelden in de Noordzee en vier hittegolven!’ Een derde foto toont zijn gelijk: ik schaatsend op de Ottergracht. In 1953 togen broer Jan zaliger en ik vanuit Kralingseveer in de middag van zondag 1 februari naar de Groenendijk voorbij Capelle a/d IJssel om het schip ‘De Twee Gebroeders’ te zien dat door schipper Arie Evegroen in een vervaarlijk gat geplant was. In het hoofdstuk ‘1953 Stormvloedcatastrofe in Zuidwest- Nederland’ vertelt Jan Buisman het ganse relaas van de rampspoed en toont een foto de bewuste boot die een groot gevaar voor Schieland en Delfland afwendde. In 1963 volgde ik de twaalfde Elfstedentocht op de radio en hoorde Dick van Rijn een interview houden met winnaar Reinier Paping die kort daarna de pap Brinta zo populair maakte. Buisman heeft het over ‘Na oudejaarsblizzard volgt magistrale winter’. In 1973 vierden wij vier vakanties bij de familie Tip in Veenoord en zagen daar in Drenthe de gevelde bomen. Buisman brengt beelden in mij naar boven in zijn ‘Twee zeer zware stormen leggen twaalf miljoen bomen om’. Over 1987 lees ik in ‘Na ijzelramp volgt bizarre lente’, over 1993 in ‘Nat jaar eindi
|