bezichtig.nu
top lefttop middentop right

Piet Kapteins Cultuurmix Archief

Piet Kapteins Cultuurmix is een persoonlijke rubriek, waarin de auteur zijn mening geeft over zaken die hem in cultureel opzicht bezighouden. Hij verwoordt hierin dus niet de mening van de st. CRP.
 
CULTUURMIX 20 JULI

Bromsnor in Zeeland

Af en toe bezorgt postbode Ruud mij een boek dat ik na een eerste vluchtige kennismaking meteen in mijn hart sluit. Vorige week vrijdag deed zo’n heuglijke happening zich weer voor. Het ging om een boek uit het non-fictieve genre, dat heel transparant en toegankelijk het verleden laat herleven door het verhaal te vertellen van de man in de straat, de veldwachter. Ik heb het over naar vorm en naar inhoud rijke relaas Bromsnor in Zeeland van Albert L. Kort uit Goes. Deze historicus met geboortejaar 1955 gaf zijn 304 bladzijden tellende, door ADZ uitgegeven documentaire de ondertitel mee van ‘Een geschiedenis van de gemeenteveldwacht 1795-1943’ en die geeft o.a. aan dat bezetters van ons land verantwoordelijk waren voor de entree van het fenomeen veldwachter. De Fransen zetten de diender op het podium en de Duitsers haalden hem er vanaf. Kort speurde vooral in gemeentearchieven en nam heel veel relevante literatuur tot zich.

Het resultaat van zijn noeste arbeid mag er zeker zijn, want het wel en wee van de gewone man wordt onthuld. Wij kennen de zogenoemde ‘grote’ geschiedenis, naar de ‘kleine’ blijft het zoeken. En daarom hulde aan Kort, want hij brengt aan het daglicht hoe de veldwachter feitelijk functioneerde. Hij zet de Bromsnor uit de titel te kijk, want de diender van toen was in de praktijk helemaal niet zo onnozel en hondstrouw aan het gezag als de kompaan van zwerver Swiebertje. De vereisten om veldwachter te worden waren niet bijster hoog. Zo stelde uit 1829 daterende ‘Reglement op de inrigting’ der veldwachters in de provincie Zeeland’ slechts vier eisen: de kandidaat moest ouder dan 25 en jonger dan 40 jaar zijn, hij diende van ‘erkend, goed, zedelijk gedrag’ te zijn, hij moest kunnen lezen en schrijven en hij moest ‘sterk en in staat zijn om de vermoeijnissen van de dienst door te staan’. Bepaalde beroepen waren onverenigbaar met het ambt van veldwachter. Kantoorklerk, molenaar, broodverkoper, bakker, slager, brouwer, herbergier, de uitoefening van al deze beroepen werd een veldwachter strikt verboden. Een baan van veldwachter gaf bestaanszekerheid, al was het inkomen tot ver in de negentiende eeuw bedroevend laag. In een tijd van economische malaise echter ontsnapten aldus mannen zonder specifieke kennis met hun gezin aan de armoede. Niet de bedelstaf droegen zij, maar de sabel, die ook nog prestige opleverde. 

Het gaat niet aan dat ik met u een tocht door Bromsnor in Zeeland maak, want daar is het te divers en te rijk voor. Beter is het dat ik u een impressie ervan geef door eruit te citeren. Maar niet voordat ik u de gedegen aanpak van Kort illustreer door de titels van zijn hoofdstukken door te geven. Deel I: 1. De politie in Nederland: een overzicht van de geschiedenis tussen 1795 en 1943. 2. De veldwachter in Zeeland: organisatie en regels. 3. De benoeming van een veldwachter. 4. De werkzaamheden van de veldwachter: theorie en praktijk. 5. Kleding, bewapening en huisvesting. 6. Het functioneren van de veldwacht. 7. Een verbetering van de dienst van veldwachter. Conclusie. Deel II: Enkele dorpen van nabij bekeken (Ouwerkerk, Yerseke, Wissenkerke, Sint Philipsland, Oud-Vossemeer, Arnemuiden, IJzendijke en Hontenisse). De Bijlage geeft het scala aan gemeenteveldwachters die tussen 1795 en 1943 in Zeeland gediend hebben.

De titel suggereert dat het om typisch Zeeuwse lotgevallen van grappige dienders gaat. De vlag dekt de lading niet, want Kort prikt juist de mythe door van de ietwat domme en ijdele veldwachter wiens enige target is om bij zijn baas, de burgemeester, in het gevlij te komen. Korts relaas tintelt van troubles tussen deze gezagsdragers en die deden zich in heel het land voor, omdat over de uitvoering van het ambt niets geregeld was. De organisatie kende geen enkele structuur. Begin twintigste eeuw werd de bezoldiging van de veldwachter beter en werd er meer op papier geregeld, met als resultaat dat zaken van insubordinatie veel minder voorkwamen. De diender deed gezagsgetrouw zijn dienst.

In mijn geboortedorp Kralingseveer werden orde en rust in de jaren veertig gehandhaafd door de agenten Mudde en Van Dijk. Zij verschenen vaak onverwacht op hun fiets op het  stille Elandplein waar wij onze voetbal bij hen moesten inleveren. Als zij om de hoek verdwenen waren, riepen wij met de hand voor de mond ‘Juut, bal in je zak!’ Bang waren wij voor het in blauw gehulde duo dat aan de Schaardijk zijn bureau hield. Ik vind het van grote klasse van Kort getuigen dat hij een saluut brengt aan de politiemannen van eertijds, die in het veld de wacht hielden, door hun verhaal zoveel jaar na dato te vertellen. Kort haalde die geschiedenis op, die voorgoed in de vergetelheid  dreigde te geraken. Chapeau voor hem!

Een staaltje van Korts aanpak. Bij foto van agent met snor luidt het:

‘Zeeland stond aan de vooravond van de zwaarste landbouwcrisis die de provincie ooit had getroffen, toen Jan Karreman solliciteerde naar de betrekking van veldwachter in Colijnsplaat. Karreman was in 1811 in Zierikzee geboren en in 1835 naar Colijnsplaat verhuisd. Metselaarsknecht was hij van beroep. De baan van veldwachter, zo hoopte hij althans, zou hem in tijden van economische crisis enige bestaanszekerheid geven. Het gemeentebestuur van Colijnsplaat, dat dringend verlegen zat om een opvolger voor de ijlings vertrokken Richard Straub zag wel wat in Karreman. Meer dan een tijdelijke aanstelling zat er echter niet in, omdat Karreman was ‘aanverwant van twee ingezetenen dezer gemeente die beiden een tapperij uitoefenen’. Een veldwachter die familie was van een herbergier kon in de ogen van het gemeentebestuur niet door de beugel.

Gelukkig voor Karreman en Colijnsplaat kwam er in 1844 een baan vrij in Ellemeet en Elkerzee. Leendert Paardekoper, burgemeester van Colijnsplaat, bezorgde Karreman een uitstekend getuigschrift: ‘Hij bezit een sterk & gezond gestel en is volkomen in staat om de vermoeijnissen aan den dienst van veldwachter verbonden te ondergaan.’ Ook zijn gedrag was boven iedere twijfel verheven. De gemeente Ellemeet daarentegen stond niet te springen, Ze vond het jammer dat de gouverneur had besloten ‘ons een uiterst behoeftig man toe te zenden belast met een huisgezin van Vrouw en vier, ja bijna vijf kinderen’. De gouverneur wist toch ook wel dat een jaarwedde van tweehonderd gulden ‘niet toereikend is om in de behoeften van zoodanig persoon te voorzien. Welk Huisgezin van zes personen kan bestaan van nog geen 60 cent daags?’ Door zijn geringe loon miste Karreman bovendien het nodige ontzag onder de bevolking.

In 1847 gebeurde precies datgene waar het bestuur van de Schouwse gemeente al bang voor was geweest: Karreman klopte aan bij het armbestuur omdat hij niet langer in staat was zelf het hoofd boven water te houden. Het gemeentebestuur van Ellemeet bedacht zich geen moment en stuurde het gezin van Karreman terug naar Colijnsplaat, die moest opdraaien voor de onderstandskosten. Het zal duidelijk zijn dat Colijnsplaat niet op hem zat te wachten. Dat de veldwachter armlastig was, was tot daar aan toe. Veel erger was dat Karreman en zijn vrouw Helena van Schaik op familiaire voet stonden met vele dorpelingen, wat een objectief politietoezicht in de gemeente in de weg stond. Dat laatste bleek ook de veldwachter zelf te beseffen en daarom besloot hij in 1850 te solliciteren naar de betrekking van brigadier- veldwachter in Kruiningen.

Als hij die baan zou krijgen, zo schreef Karreman in zijn sollicitatiebrief, was hij niet alleen in staat ‘om in de behoeften van zijn talrijk gezin, uit vrouw en zes kinderen bestaande te voorzien’. In ‘eene andere Gemeente zoude hij ook beter de policie kunnen handhaven, omdat hij in deze gemeente vele familie betrekkingen heeft, en wel van den min gegoeden stand.’ Jammer voor Karreman en de gemeente was dat de keuze niet op hem viel. Hij bleef veldwachter in Colijnsplaat. Het gemeentebestuur wist echter niet meer wat het met de man aan moest. In 1852  werd hij ervan verdacht zijn van diefstal beschuldigde zwager de hand boven het hoofd te houden. Aangezien harde bewijzen ontbraken, kon de veldwachter niet worden ontslagen. Hem verplaatsen naar een andere gemeente lukte evenmin.

In 1855 probeerde burgemeester J. H. Bijbau Karreman te ontslaan. Hij schreef de commissaris van de Koning: ‘Karreman is in het algemeen voor de functie, waartoe hij is geroepen, aan te bevelen. Hij is ijverig in het waarnemen zijner dienst en nimmer is mij opzettelijk pligtverzuim van hem gebleken. Ik mag evenwel niet ontkennen, dat er onderscheidene omstandigheden zijn, welke hem voor de politiedienst in deze gemeente minder geschikt en gewenscht maken. Hij wordt met zijne vrouw en tien minderjarige kinderen door familie ondersteund. De familiebetrekking waarin hij staat tot twee kroeghouders en tot verscheidene zeer armoedige, ja zelfs verdachte personen in deze gemeente, zijn oorzaken waardoor hij niet dat ontzag, die zelfstandigheid en onafhankelijkheid heeft, als welke zoo onmisbaar zijn in den Politiebeambte.’ De commissaris zag echter in dit alles geen reden om Karreman aan de kant te zetten. In 1856 nam Karreman zelf ontslag en besloot hij zijn oude beroep van metselaarsknecht weer op te pakken. Van de gemeente had hij een vertrekpremie van veertig gulden meegekregen. Lang leefde Jan Karreman niet meer. In april 1860 stierf hij, 49 jaar oud.’

Een illustratie met bijschrift rondt het verhaal af: ‘Collectebus ten behoeve van de gemeenteveldwachters: een bewijs van de armoede waarin velen van hen verkeerden.’ Bromsnor in Zeeland met het rijke arsenaal aan foto’s is een pracht en een macht van een historisch document, dat ook afrekent met de dooddoener van ‘die goede oude tijd’. Van harte aanbevolen!

 
CULTUURMIX 15 JULI

Heel Nederland

Mijn liefde voor reisgidsen is groot, want ik hecht er  aan voor, tijdens en na een trip door stad en land mij te oriënteren, dus op de hoogte stellen van de sightseeings. Zo beleef  ik bijvoorbeeld al lezende nu nog veel napret over de tochten die mijn vrouw en ik met de kids  decennia terug maakten door Londen, Parijs, Berlijn, Bern, Rome, Moskou, Oslo en Praag. Heel boeiend en vormend vind ik het dan te traceren hoe ‘fellow travellers’ tegen de ons gevisiteerde hot spots aankijken.

Groot was mijn vreugde dan ook toen de postbode aanbelde en mij een pakket aanreikte waaruit ik de twee delen van Heel Nederland van Rik Zaal mocht plukken. Veel lovende recensies had ik al gelezen over de maar liefst 1292 tellende, door De Arbeiderspers uitgegeven gids en de wikkel eromheen loog er ook niet om: ‘Een reisgids die alle andere overbodig maakt’ juicht Vrij Nederland,  ‘Domweg dé reisgids voor Nederland voor de komende jaren’ jubelt Elsevier. En ‘Bijna dertienhonderd prachtig verzorgde pagina’s over landschap, architectuur, volksaard en geschiedenis’ roept Trouw blij. Mijn verwachtingen waren derhalve hooggespannen en met blijdschap kan ik u melden dat de landelijke bladen het gelijk helemaal  aan hun zijde hebben. Zaal gaf heel bescheiden zijn reportages de ondertitel ‘Een reisgids’, waarmee hij verwijst naar zijn persoonlijke kijk op de dingen. Ik knipoog naar Elsevier en zeg: ‘De reisgids’ mag het luiden.

Bij een eerste kennismaking met een gids zoek ik altijd die plaatsen op waar ik gewoond, gestudeerd, gewerkt of vakantie gevierd heb.  Kralingseveer,  Rotterdam,  Boskoop, Utrecht, Papendrecht, Putten, Renswoude en Veenoord zijn zo enkele locaties die ik ijk. Ik ga nu voor een andere invalshoek. Nu en volgende keren wil ik Zaal aan het woord laten over die plaatsen waar mijn vrouw en ik de lunch gebruikten tijdens onze eerste twee vijfdaagse fietstochten van dit jaar. In mei op het terras van ‘Suster Anna’  Veere, ‘In Den Walcherschen Dolphyn’ Domburg, ‘De Distel’ Zoutelande, ‘Parc Central’ Vlissingen en ‘Du Commerce’ Middelburg, in juni op dat van  ‘Kombuis van Aaltje’ Harderwijk, ‘The Old Piano’ Nunspeet, ‘’t Olde Regthuys’ Elburg, ‘Brasserie Staverden’ Ermelo en ‘De Zwarte Boer’ Leuvenum verorberden wij de ingrediënten, die ons in staat moesten stellen ons op het zadel te manifesteren. Zaal beschrijft die locaties op eigen wijze.

Onder de luifel van ‘Kombuis van Aaltje’ aan Strandboulevard Oost 12 in Harderwijk genoten wij van een magnifiek bereide tongscharfilet. Rik Zaal doet op de bladzijden 20 en 21 van deel 2 Heel Nederland onder het kopje ‘Harderwijk’ zijn verhaal.

‘Met meer dan twee miljoen bezoekers per jaar is Harderwijk, dat zelf 40.000 inwoners telt, een belangrijke bestemming voor toeristen. De helft van die bezoekers gaat naar het Dolfinarium, een attractie die al sinds 1965 bestaat en is voortgekomen uit de speeltuin van de ondernemende broers Frits en Coen den Herder. Vooral Frits was gek op de zoogdieren van de zee en in 1954 stelde hij in zijn speeltuin al de eerste zeehond ten toon. Met vier dolfijnen en twee orka’s begonnen de broers later het Dolfinarium, dat meteen een groot succes werd. In het grote, blauwgeschilderde, circusachtige gebouw, dat nu het gigantische bassin bevat waarin de dolfijnen en de orka’s hun kunsten vertonen, heeft een leuke en spectaculaire show plaats die zeer Amerikaans van choreografie is. Hij duurt een half uur en levert veel open monden en oh’s en ah’s op.

Rond om het theater bevindt zich een uitgebreide speeltuinachtige ambiance die van een wonderbaarlijke, nergens eerder vertoonde lelijkheid is. De toegangsprijzen zijn hoog. Tussen het Dolfinarium, dat op een soort landtong naast de havens van Harderwijk ligt,  en het stadje bevinden zich een reeks grote parkeerterreinen en een boulevard met vrijwel uitsluitend viskramen, waar vooral paling wordt verkocht. Het ziet er zo lelijk en armoedig uit hier dat de gemeente jaren bezig is met een project dat Waterfront heet en dat het hier allemaal wat aangenamer moet maken. Passender bij de schoonheid van het stadje zelf. Misschien is er ondertussen al het een en ander gebeurd.

Inderdaad is Harderwijk mooi wanneer we door de Vischpoort naar binnen gaan. Vooral de Vischmarkt, die we dan aantreffen, is prachtig. Verderop in het stadje is hier en daar ook nog wel iets aardigs aan stedelijk schoon te zien, maar de drukte van al die mensen die na het Dolfinarium en de paling nog even willen winkelen in de mooie winkelstraten en nog even willen zitten op de mooie Markt, die één groot terras is, beneemt ons het zicht op die schoonheid een beetje. Die schoonheid is ontstaan in de tijd dat Harderwijk bloeide als vissersplaats en handelsstad. Als kroon op het aanzien van het stadje kreeg het in 1648 zelfs een universiteit die tot 1811 heeft bestaan. Befaamd is die hogeschool nooit geworden, wel bekend bij wetenschappers die graag goedkoop en snel wilden promoveren. Zo is de medicus Boerhaave (1668-1738) uit Leiden er in 1693, toen hij in grote geldnood was, gepromoveerd in de geneeskunde. Ook de Zweedse plantkundige Linnaeus (1707-1778) promoveerde in Harderwijk in de geneeskunde. Dat was in 1735, een jaar voordat hij Boerhaave, die andere wereldberoemde Harderwijkse doctor, in Nederland zou ontmoeten.’

U hebt het nu al door: Zaal schrijft heel toegankelijk, zegt veel met weinig woorden en schuwt kritiek niet. Zo zegt hij een bladzijde daarvoor dat Nunspeet uit de tijd is: ‘Niet alleen door de gruwelijke architectuur van het dorpscentrum met zijn lelijke winkels, foute eet- en drinkcafés en zijn verschrikkelijke raadhuis uit verkeerde bouwjaren, maar ook vanwege het soort toerisme dat hier nog altijd bestaat.’ Wij lunchten in ‘The Old Piano’ aan de Dorpsstaat: Zaal heeft helemaal gelijk. 

52 Fietsroutes

Voor u heb ik een juweel van een gids, die u heel veel vreugde en plezier zal bezorgen, o.a. op sportief, cultureel en culinair terrein. Ik heb het over 52 Fietsroutes door de natuur in heel Nederland van de door mij zo beminde uitgeverij Mo’Media, die dit handzame boek met cd-rom in samenwerking met Natuurmonumenten in haar fonds opnam. Vanaf 1995 plegen mijn echtgenote en ik door derden uitgestippelde routes af te peddelen en de teller staat nu op 341 parkoersen. Heerlijk vinden wij het onderweg op een kaartje te zien waar we dienen te rijden en in een beschrijving te lezen wat de sightseeings zijn. Helemaal top wordt het voor ons als ook nog tips aangereikt worden over waar te eten en te drinken en waar te overnachten. Favoriet waren ooit voor ons de door de ANWB bewegwijzerde routes en nu zijn dat veruit de tochten die door de knooppunten aangeboden worden: ze bestrijken het hele land en ze nodigen uit tot het rijden van zelf bepaalde routes.

Het sublieme van 52 Fietsroutes is nu dat in de marge van de tochtverhalen items staan over sightseeings, musea, restaurants en hotels en dat op een cd-rom duidelijke kaartjes en  uitgebreide routebeschrijvingen staan. De vele kleurenfoto’s maken van deze gids ook een visueel festijn en ze nodigen u uit op de pedalen te gaan staan om het rijke arsenaal aan natuurgebieden van Natuurmonumenten te ontsluiten. U zult van el dorado naar el dorado fietsen.

Trekken door 52 Fietsroutes was voor mij vaak een rendez-vous met uitspanningen en onderkomens waar wij ooit vertoefden. Zo in Hotel Bakker in Vorden, in Hotel-Restaurant De Zwarte Boer in Leuvenum, in Herberg De Fazant in Oudemolen, in restaurant Planken Wambuis in Otterlo, restaurant Juffrouw Tok in Ede, in Bistro De Holterberg in Holten, Schranserij De Olijke Tapper in Burgh-Haamstede en Pannenkoekenhuis De Carolinahoeve in De Steeg.

Om u te illustreren hoe toegankelijk en transparant de routes beschreven zijn, ga ik één ervan aan u doorgeven. Maar niet voordat ik gestipuleerd heb dat de routes variëren van 15 tot 35 kilometer, dat ze steeds starten op een plek waar u de auto kunt parkeren en dat ze vaak door een voor u wellicht terra incognita voeren. Boekesteyn, Duivelshof, Genhoes, Hazelbekke, Laurabossen, Markdal, Oude Buisse Heide, Stippelberg, Velhorst, Witte Veen, zo gaan de titels van tien routes.

Ooit was Hotel Ruimzicht in Zeddam onze uitvalbasis. Een van de tochten liep bijkans parallel met die uit 52 Fietsroutes. Ik citeer.

‘Bergherbos. Glooiend Groen. Het Bergherbos is een bosgebied op een oude stuwwal. De graanakkers eromheen zorgen voor een gouden randje. Voor liefhebbers van oude architectuur valt er op deze route ook veel te genieten. Aan de Bovendorpsstraat in Zeddam vind je de Grafelijke Torenmolen, de oudste nog in bedrijf zijnde windkorenmolen van Nederland. Al sinds 1441 doet de molen trouw zijn werk. Op zondag kun je zien hoe het eraan toegaat. Net achter de molen ligt museumboerderij De Gildekaot. De tentoongestelde voorwerpen nemen je mee naar het boerenleven uit vroeger tijden. Van Zeddam naar ’s Heerenbergh fiets je over een glooiend fietspad door een loofboombos met acacia’s, eikenbomen en lijsterbesstruiken. Het bos wordt hier en daar onderbroken door een heideveldje of akker. In 's Heerenbergh stuit je op het Oude Raadhuis, met een echt schavot voor de deur. Huis Bergh oogt heel wat lieflijker. Het is een van de grootste kastelen van Nederland, met een kunstcollectie die te bezichtigen is. Je kunt een wandeling maken om het kasteel of op het terras van de theeschenkerij op adem komen. In de Oude Grafelijke Munt, tot ongeveer 1850 nog in gebruik, kun je (op afspraak) zelf munten slaan.

Voorbij het dorpje Stokkum fiets je door een geurig naaldbomenbos, net voor je de grens oversteekt naar Duitsland. Daar kom je door Elten, waarna de route je via weiland en bos weer naar Nederland voert. Net buiten Beek ligt ’t Peeske, midden in het heuvelachtige Bergherbos. In het restaurant of op het terras aan de bronvijver kun je genieten van een lekkere lunch. Kinderen kunnen op de speelplek een eigen boshut bouwen met zelfgesprokkeld hout, zich das wanen in een nagebouwde dassenburcht of riddertje spelen.

Op de Peeskesweg fiets je tussen de weilanden en de maïsvelden, waarna je richting Zeddam het bos weer in rijdt. Vergeet niet  nog even naar Landgoed Montferland te fietsen. Het gelijknamige hotel met restaurant Graaf van den Bergh ligt op de top van de heuvel. Bereid je voor: ’t is even klimmen, maar de beloning wacht op het terras. Het gebouw stamt uit 1699, maar op de heuvel stond al in de 10e eeuw een ringwalburcht. Ook de bomen hier zijn eeuwenoud. Voor een minder kostbare overnachtingsmogelijkheid dan hotel Montferland ben je bij Landal Stroombroek in Braamt aan het goede adres.’

52 Fietsroutes brengt een ode aan ons land!

 
CULTUURMIX 6 JULI

Inca’s, Capac Hucha

Die zonovergoten junidinsdagmorgen toog ik door het door voetbal-oranje en wielren-geel gedomineerde Rotterdam om te geraken in het luisterrijke pand van het Wereldmuseum aan de Willemskade, waar de preview van de tot en met 14 november gaande expositie ‘Inca’s, Capac Hucha’ zich zou voordoen. De memorabele meeting kende als ouverture speeches van gedreven directeur Stanley Bremer en bevlogen conservator Edward de Bock en vond zijn finish in de gangen van ‘Menu Inca’s’. Staande op het voorplein van de VIP lounge maakte Bremer met vreugde gewag van de feiten dat sinds de nieuwe opzet het Wereldmuseum zelf de thematentoonstellingen kan financieren, dat culinaire meester Cees Helder zijn contract verlengd heeft en dat het onderhavige restaurant opgenomen is in de top 100 van ons land. De Bock meldde dat ‘Inca’s, Capac Hucha’ de mooiste attributen toont, dat mensenoffers belangrijk in de Andes waren en dat het christendom die  verkeerd  bejegende.

In het kielzog van De Bock trok de persmeute door de zalen van ‘Inca’s, Capac Hucha’ met meer dan driehonderd voorwerpen uit de eigen collectie, Europese musea en privé-collecties, waarbij naast kunstwerken in keramiek, goud, zilver en textiel een collectie van trofeehoofden en mummies te bezichtigen zijn. De Bock, een uitermate deskundige, zeer enthousiaste en verbaal rijke wetenschapper, slaagde erin om in een dik uur ons in de ban te doen geraken van de Andes. Hij leidde ons langs trofeehoofden, stijgbeugelkruiken, muurschilderingen, koningsmantels, sierbanden, bekers, beeldjes, mummies, tunieken, doeken, kommen, muurreliëfs, godenhoofden en steeds weefde hij door zijn explicaties  de oproep respect te hebben voor het spirituele aspect van de mensen- en bloedoffers. Het ging  om een sacraal gebeuren waarbij de levenscyclus zich kan voortzetten. De maatschappij stond centraal en men wilde contact hebben met de buitenwereld. De honderden specimina boodschappen van fundamentele, religieuze waarden die in codes worden uitgebeeld. Daarnaast was ook de target de maatschappij in stand te houden. De Inca’s gaven zich de universele opdracht de gang van de generaties te bewerkstelligen. Het gaat niet aan de Inca’s in het perspectief te zien van onze eigen normen. Overigens: Christus stierf aan het kruis als zoenoffer en het in 1987 gevonden veenlijk meisje van Yde in Drenthe had een soortgelijke opdracht.

Het gegeven van de scheppende kracht van het offer maakte op mij de meeste indruk en daarom wil ik De Bock via het beginfragment van zijn ‘Inleiding’ in de catalogus Inca’s Capac Hucha het woord geven. Maar niet voordat ik u gewezen heb op het onthutsende, shockerende en verbijsterende audiovisuele kunstwerk ‘Hero, Princess, Prince’ van Claudia Sola, dat in het theater van het Wereldmuseum te aanschouwen is en dat het eigentijdse mensenoffer als thema heeft. Sola baseerde haar meeslepende werk op het gegeven dat politici en militairen nog altijd bereid zonen en dochters te offeren ter bescherming van het eigen wereldbeeld. Beelden laat zij op ons afkomen uit de ons omringende actualiteit, zoals die wordt gepresenteerd op televisie en internet. Schrijnend kwam op mij af het portret van Anne Frank. En vol ontroering blikte ik naar het scala van steeds twee foto’s: van jonge soldaat in uniform en in doodskist overdekt met vlag.

In de herenkamer dr. Elie van Rijckevorsel zaal op de vierde verdieping van het Wereldmuseum hadden wij een private dining die gepresenteerd werd door chefkok Wim Severein. Onder de titel van ‘Menu Inca’s’ arriveerden op onze tafel drie gangen: ceviche van koningsvis, salade van avocado, crème van bataat, quino en limoencress, gebraden hoender, groene asperges, maïs en papa a la Huancaína en amandelkrokant, ijs van cherimoya, chocolade en schuim van pisco sour. 

Immer voorkomende pr-dame Marieke de Wolf gaf mij de catalogus en ik citeer eruit.

‘De Incacultuur (1250-1532) trok de afgelopen jaren internationaal de aandacht door spectaculaire vondsten van geofferde Incakinderen, tussen de zes en twaalf jaar oud, op de hoogste toppen van het Andesgebergte in Peru. Sommige waren ter plekke gedood, andere waren er doodgevroren.

Waarom werden zij in eenzaamheid achtergelaten op deze ijskoude toppen met nauwelijks voldoende zuurstof? De kinderen waren vergezeld van fraaie voorwerpen waarvan de aangeklede gouden en zilveren beeldjes het bekendst zijn. De beeldjes stellen de kinderen zelf voor en worden ‘capac huchas’ genoemd. Capac betekent koninklijk en hucha onder andere plicht. Dit complexe begrip refereert aan de plicht van de koning om offers te brengen, wat plaatsvond als het belangrijkste staatsritueel. In dit geval gebruikte hij kinderen om als koning te kunnen functioneren en zijn taken uit te kunnen oefenen. Het bloed van de kinderen waste de koning schoon van ziekte en het bloed functioneerde als een communicatielijn met de belangrijkste plaatsen en uithoeken van zijn imperium waarde kinderen werden geofferd.

In de Inca- en pre- Incaculturen in de Andes vonden mensenoffers niet dagelijks plaats, maar op speciale momenten in het jaar. Naast archeologische vondsten en skeletten van geofferde mensen zijn talrijke rituele voorwerpen bewaard gebleven met afbeeldingen van krijgers met afgesneden mensenhoofden in hun handen, en in Noord- Peru zijn op tempelmuren grote muurreliëfs aangetroffen van naakte krijgsgevangenen die hun offerdood tegemoet lopen. Mensenoffers vervulden in de Andesculturen een uiterst belangrijke rol als intermediair tussen de wereld van de mensen en die van de goden en voorouders. De communicatie tussen beide werelden was van cruciaal belang voor de instandhouding van de levenscyclus. Het mensenoffer was een ultiem middel om het contact met de Andere Wereld tot stand te brengen; de mens werd immers bewust geïncorporeerd in de wereld van de voorouders. Ook in onze eigen cultuurgeschiedenis vormen mensenoffers een boeiend onderwerp. De belangstelling voor veenlijken uit de Nederlandse en Europese prehistorie nam enorm toe toen bleek dat het niet ging om ongelukkige lieden die per ongeluk in het moeras waren  verdwaald, maar dat het mensenoffers waren.

We kijken nu met veel fascinatie naar het gereconstrueerd gezicht van het roodharig meisje van Yde en we proberen ons een voorstelling te maken van de wereld waarin zij 2000 jaar geleden leefde en waarin zij zo’n belangrijke rituele rol vervulde. Het moeras als plaats van een offerdood is vol symbolische betekenis: het is geen land en geen water. Het moeras is een drempel, een overgang tussen de mensen en de godenwereld. Het meisje van Yde legde het contact tussen beide werelden, zoals ook haar jonge lotgenoten dat deden op de hoogste bergtoppen van de Andes, de grens tussen hemel en aarde. Evenals de Incakinderen stond het meisje van Yde in dienst van de koning. Zij werd mogelijk geofferd bij het aantreden van de nieuwe koning. Een opvallend verschil is evenwel dat de Incakinderen perfect van lichaam moesten zijn, terwijl het meisje van Yde waarschijnlijk mank liep, In die zin was ze al van twee werelden: jong van leeftijd, ‘oud’ van lichaam.

De praktijk van mensenoffers verdween in Europa met de introductie van het christendom. In de christelijke en islamitische godsdienst wordt het voorgenomen offer door Abraham van zijn zoon Isaac respectievelijk Ishmaël uitgelegd als het moment waarop de praktijk van het brengen van mensenoffers werd beëindigd: zijn God bood hem een schaap om de plaats van zijn zoon in te nemen. Hoewel de kruisiging van Christus een Romeinse terdoodveroordeling betrof, wordt het in de christelijke leer gezien als een offer door God van zijn eigen zoon. Het is opmerkelijk dat in de westerse wereld niemand aanstoot neemt aan de afbeeldingen van de gemartelde Christus aan het kruis. De acceptatie van deze wrede voorstelling is gestoeld op de diepere cultureel- religieuze betekenis die aan de afbeelding wordt toegekend. De crucifix met de marteldood van Jezus vormt een object van devotie. De mensenoffers van de Andes- culturen waren even sacraal als de offers zoals die bekend zijn in de westerse wereld. De mensenoffers in de Andes betekenen dus niet dat het mensenleven geen waarde had. Integendeel, de overtuiging dat het mensenoffer een cruciale rol in de instandhouding van de levenscyclus speelde, maakte het tot een hooggeschat ritueel waarvoor niet iedereen in aanmerking kwam.

De Inca’s bijvoorbeeld beschouwden de te offeren kinderen als heilig. Uit respect voor hun gewijde status durfde niemand naar hen te kijken wanneer zij door het land reisden op weg naar hun afgelegen bestemming. Met het mensenoffer werden niet alleen zuiver religieuze doeleinden nagestreefd, maar ook sociaal- politieke, namelijk de bevestiging van de centrale politieke macht die de offers reguleerde. Het was de koninklijke plicht in de gehele Andes om goed voor de onderdanen van de staat te zorgen door een sterk gecombineerde politiek- religieuze macht uit te oefenen. De koning vertegenwoordigde de koninklijke macht van de zon en daarvan moest hij blijk geven door de welvaart die hij bracht. Zou hij falen in zijn plichten waardoor de oogsten mislukten, dan zou hij dat met de dood kunnen bekopen. Daarnaast zijn in de Andes skeletten van mannen, vrouwen en kinderen aangetroffen als wijdingsoffers bij tempels en als ‘metgezellen’ in graven van de adel. Dit soort offers lijkt echter niet op de rituele voorwerpen te zijn afgebeeld.’

Ik ben voornemens opnieuw naar ‘Inca’s, Capac Hucha’ te gaan, met deze informatie als bagage. Wellicht treffen wij daar elkaar!

 
CULTUURMIX 30 JUNI

Pioniers van ‘het Oude Land’

Ik haast me het u te melden: ik heb een tocht gemaakt door een boek dat ik zelf graag had willen schrijven omdat dan wel en wee van mijn voorvaderen en geschiedenis van mijn bakermat mij bekend was geweest. Mijn vader, met grensbepalende jaartallen 1913-1990, schreef verspreid over 429 vol getypte  bladzijden wel zijn persoonlijke, voor mij meeslepende, memoires, maar hij rept daarin niet over stamboom vader Kaptein en moeder De Quasteniet en over verleden Kralingscheveer. Geheel anders is het gesteld met historicus Leo van Putten met geboortejaar 1954, want die weet ons een grandioos geschrift te presenteren over de historie van zijn voorouders die op de oostelijke flank van het eiland Flakkee eeuwenlang hun leven leidden. Ik heb het over zijn 159 bladzijden tellende, rijk geïllustreerde Pioniers van ‘het Oude Land’ met ondertitel ‘Kroniek van Ooltgensplaat en de familie Van Puttten’, dat opgenomen is in het fonds van uitgeverij Van Gruting. 

Hulde aan Leo van Putten want hij speurde gedreven en gezwind in archieven om de historie te achterhalen van zijn familie, die eeuwenlang vooral in Ooltgensplaat aan het Volkerak de strijd om het  bestaan streed. Zo achterhaalde hij een schat  aan ins en outs  over zijn voorvaderen Jan Reulofszoon, Reulof Janszoon, Arend Reulofszoon, Jan Arendszoon, Johannes Janszoon, Huibregt, Johannes en Leendert Pieter, waarbij de jaartallen 1600 en 1945 deze acht levens markeren. Ik vind het van Leo ’s respect voor het verleden, hang naar  roots van de  eigen  familie, liefde voor het Zuid-Hollandse eiland en aandacht voor de gewone man en vrouw getuigen dat hij dit saluut aan Ooltgensplaat brengt. Waarnemend burgemeester Jan Heijkoop van Oostflakkee, getrouwd met mijn oud-leerling Ria Stremler, zal zeker blij zijn met deze geste. ‘De liefde tot zijn land is ieder aangeboren’, zo dichtte Vondel, maar slechts weinigen weten die minne te verwoorden. Leo van Putten had de innerlijke moed en grootheid om de geschiedenis te traceren van zijn familie die voor het dagelijkse brood afhankelijk was van het werken in de landbouw en die de strijd moest voeren tegen twee vijanden: de  immer dreigende  armoede en het af en toe vervaarlijk wassende water. Begin vorige eeuw verliet Leo ’s grootvader Leendert Pieter met gezin en have Flakkee om in regio Rotterdam aan de toen groeiende werkloosheid het hoofd te bieden.

Het gaat niet aan dat ik u een resumé geef van het  familierelaas. Daar ik het te divers, te eigen en te rijk voor. Beter is het dat ik Van Putten  zelf aan het woord laat, zodat u  aan den lijve ondervindt hoe mooi, transparant en onderhoudend hij schrijft. Drie sterke facetten van ‘Pioniers van ‘het Oude Land’ noem ik eerst nog: de  illustraties, de verzonnen, sfeervolle entrees van enkele hoofdstukken en de bijlage met het levensverhaal van de tien nazaten van Leendert Pieter.

De ‘Inleiding gaat zo van start. ‘Trots meldde Johannes van Putten zich bij de ambtenaar van de burgerlijke stand op het statige Rotterdamse stadhuis aan de Coolsingel. Trots, omdat hij die morgen in alle vroegte vader was geworden van een zoon. Johannes was vierenveertig en had niet echt meer op een kind gerekend. De ambtenaar noteerde in zijn fraaie schuinschrift de opgegeven namen: ‘Leendert Pieter van Putten, geboren den 6e januari 1954 in Charlois, Rotterdam- Zuid. Drie maanden later droegen Johannes en zijn vrouw Dirkje van der Burgh de kleine dopeling de kerk binnen. Hij was gekleed in een lichtblauw gebreid hansopje met daaronder een eveneens gebreid wit truitje, afgezet met een kleine bies. Een echte doopjurk was in deze jaren van wederopbouw een echte investering. Met veel creativiteit was een vrolijk zelfgemaakt dooppakje te voorschijn gekomen. De kleine dopeling, voorzien van een fraaie babykrul, keek met grote bruine ogen de oude Nederlands Hervormde dorpskerk van Charlois in. De kerk was in 1467 in opdracht van Karel de Stoute gebouwd. Deze had de toen nog drassige polders ter bedijking uitgegeven aan diverse grondheren, onder wie een zekere Meester Arents. Charlois behoorde tot het toenmalige grondgebied van de Heren van Putten. Zo kwam samen wat tot het grondpatroon van de familie gerekend kan worden: drassige polders, het grondgebied van de Heren van Putten, de kerkelijke betrokkenheid, de binding met Rotterdam. Dit alles zal in dit boek uitgebreid terugkeren. Veel van de handel en wandel van de familie is hierop terug te voeren.’

De 159 bladzijden van Pioniers van ‘het Oude Land’ nam ik gretig tot mij. Ik bemin immers boeken die in gaaf Nederlands het verhaal vertellen van het verleden, zodat ik beter in het heden sta. Zo koester ik de herinneringen van mijn vader zaliger. Zo koester ik de kroniek van Van Putten, die  niet tot de heren behoorde, maar wel geschiedenis schreef. En hoe!

Oorlogsliefde

De 222 bladzijden van de literaire documentaire Oorlogsliefde van historicus Auke Kok en  uitgeverij De Bezige Bij nam ik in één rush tot mij. Zelden las ik zo’n meeslepend, wonderlijk, bizar, triest, schrijnend levensverhaal, dat gebaseerd is op gesprekken met nog in leven zijnde hoofdpersonage Corrie den Helder. Deze vrouw uit 1924 was na Francien Goedhart, Jopie Groos en Aukje Smits de vierde met wie ultieme landverrader Anton van der Waals in 1944 huwde.

Ik reik u de context van het relaas aan. Antonius van der Waals (Rotterdam, 11 oktober 1912 – Scheveningen, 26 januari 1950) was een Nederlandse spion in dienst van de Duitse Sicherheitsdienst (SD). In Duitse kringen werd hij wel een V-mann of Vertrauensmann genoemd. Gangbare aanduidingen in Nederland waren geheim agent, infiltrant en provocateur Zijn taak was het binnendringen van Nederlandse verzetsgroepen en het inwinnen van informatie. Zijn target was een snelle arrestatie van verzetsleden. Van der Waals opereerde onder een veelvoud aan valse namen. De betreffende persoonsbewijzen werden hem of door de SD toegespeeld  of hij verkreeg  ze door eigen acties als moord, diefstal en eigenhandige confiscatie. Van der Waals wordt wel de grootste, Nederlandse landverrader van de Tweede Wereldoorlog genoemd. Zijn ‘succes’ lag in zijn beschaafde manieren, bluf, grote fantasie en aureool van geheimzinnigheid. Zodra hij het vertrouwen van zijn slachtoffers had gewonnen, kon hij hen simpel in de val lokken. Dat kostte hem wel zijn NSB- lidmaatschap, want  landgenoten verraden ging zelfs de NSB- leiding te ver. Zijn acties leverden hem veel geld op en hij leefde er goed van. De uitkomst van zijn proces tussen april 1948 en januari 1950 was dan ook dat er voldoende bewijs was voor zijn schuld aan de arrestatie  van 83 verzetsmensen, van wie er minimaal 34 door de Duitsers  gedood werden. Bij dit proces gaf Van der Waals weer blijk van zijn fantasie, toen hij verklaarde gehandeld te hebben  in opdracht van een geheim agent, maar vlak voor zijn terechtstelling op de Waalsdorpervlakte  gaf hij toe dit verhaal te hebben verzonnen. W. F. Hermans wist zich bij het bedenken van de plot  van zijn psychologische oorlogsroman De donkere kamer van Damocles uit 1958 inspireren door deze zaak, waarbij Van der Waals model stond voor sigarenboer Osewoudt.

Auke Kok schreef zelf een ‘Inleiding’ tot zijn bij wijlen ontgoochelende maar immer boeiende rapportage Oorlogsliefde en die is zo verhelderend voor een goed begrip van het vervolg dat ik eruit ga citeren.

‘Met een hoofd vol van vragen loop ik achter haar aan, de woonkamer binnen. Corrie den Held is inmiddels halverwege de tachtig, een dame met een meisjesachtige uitstraling, een levende getuige van een van de meest bizarre episoden uit de Tweede Wereldoorlog. Als ex-vrouw van de beruchte landverrader Anton van der Waals kan zij een extra bladzijde toevoegen aan de geschiedschrijving. Niemand heeft hem van zo dichtbij meegemaakt als zij. Tussen 1943 en 1947 heeft ze huiveringwekkende avonturen met hem beleefd, totdat hij werd opgepakt, berecht en – als een der laatste oorlogsmisdadigers – geëxecuteerd. Zij moet over een oorlogsverleden beschikken dat grenst aan horror. De man door wie zij zich had laten verleiden, stond bekend als de meest geraffineerde dubbelspion in Duitse dienst. Een kameleontische figuur die het vertrouwen van verzetslieden wist te winnen en hen meedogenloos in handen van de Sicherheitsdienst dreef. Vandaar de vragen. Wat was er zo aantrekkelijk aan deze intrigant, en vooral: waarom is ze hem trouw gebleven? Hoe gedroeg hij zich als hij niet bezig was verzetslieden te misleiden en in de armen van de bezetter te drijven? Hoe had zij het al die tijd bij hem gehad? Voelt ze wrok? Haat? Verdriet? Voor het eerst sinds de dood van Anton van der Waals in 1950 zal ze antwoorden.Tal van journalisten heeft ze deur geweigerd, zelfs met haar eigen man en kinderen heeft ze nauwelijks over kunnen praten. He was allemaal te deprimerend, vond ze, te ingewikkeld en veelomvattend. Ook mij wilde ze begin jaren negentig niet ontvangen, toen ik haar via de gemeente van haar woonplaats benaderde voor mijn boek De verrader – Leven en dood van Anton van der Waals. Ik begreep die reserves wel – herinneringen ophalen aan je liefdesjaren met een ‘foute’ man is niets om naar uit te zien. Na de oorlog was Van der Waals uitgegroeid tot het symbool van het kwaad en dat heeft haar mogelijk nog lang achtervolgd. Maar teleurstellend was haar weigering wel. … Paradox: juist vanwege mijn boek uit 1995 wil Corrie den Held mij nu wél ontvangen. Ik ben haar bij toeval op het spoor gekomen en heb haar een brief geschreven. Toen ik haar een week later belde, zei ze nuchter: ‘Ik reageer daar positief op.’ Om daar enkele weken later in de woonkamer aan toe te voegen: ‘Jij begrijpt het. Jij kent de omstandigheden.’ Nu zovelen dierbaren er niet meer zijn, inclusief de vader van haar kinderen, voelt ze zich vrij om alles te vertellen. En dat doet ze met een openhartigheid waartoe ze niet verplicht is, en met een eerlijkheid die mij af en toe van mijn stoel blaast. Ik bedoel, ze kan me eenvoudig wijsmaken dat Van der Waals haar tot alles heeft gedwongen. Ik zou het opschrijven en iedereen zou het geloven. Het zou een aannemelijk verhaal zijn: doortrapte oorlogsmisdadiger bedwelmt meisje van achttien met geld en mooie verhalen. Hij stelt zich voor als een verzetsman van adellijke huize en zodra zij oog krijgt voor de werkelijkheid doet hij alles om haar bij zich te houden. Bevend van angst holt ze naar de deur, maar omdat hij dreigt haar familie te vermoorden, blijft ze bij hem, als een gegijzelde. Het is een universeel thema, het zou er gemakkelijk bij de mensen in gaan. Maar het verhaal van Corrie den Held is niet gemakkelijk. Voor haarzelf nog het minst. Ze vertelt iets heel anders – ze hield echt van hem, met overgave.  Ze zegt het veelvuldig. Natuurlijk zou zij nooit voor hem zijn gevallen als ze wist dat hij voor de Sicherheitsdienst werkte en misdaden pleegde. Keurige, burgerlijk opgevoede meisjes uit Wassenaar kozen niet voor de vijand of voor criminelen. Ze is verliefd geworden op een verzetsman die haar alles gaf wat ze thuis miste – aandacht en genegenheid. En ook toen duidelijk werd dat de zaken anders lagen, en er geleidelijk aan Duitsers in haar leven kwamen, bleef ze van hem houden. Corrie den Held was verknocht geraakt aan iemand die iedereen bedroog, die stal, en die – ja, ten slotte ook dat – moorden pleegde. Waarna het haar uiteindelijk lukte om haar ogen ervoor te sluiten en het weer fijn te hebben bij hem. Ondenkbaar, en toch was het zo.’

Auke Kok interviewde Corrie den Held over haar voorvallen in het verleden en reisde door het land om de plekken te bezoeken waar ze met Van der Waals bivakkeerde, zo in Loosdrecht, Aalsmeer en Zuidlaren. Fascinerend was het voor mij Corrie den Held in het omstreden deel van haar leven  te volgen: van de eerste ontmoeting midden 1943 op de Kagerplassen, waarbij zij een visitekaartje van de zich jonkheer baron Henk van Lynden noemende Van der Waals krijgt tot begin 1947 als ze als Jopie Hoffmann in Berlijn veertien maanden tevergeefs gewacht heeft op haar vanwege verraad opgepakte partner.

Oorlogsliefde: een meesterlijk verteld verhaal over een vrouw die uit liefde de andere kant op keek.

 
CULTUURMIX 23 JUNI

Oorlog en Bevrijding in 3-D

Kom ik in zaal 8 van het om zijn immer boeiende tentoonstellingen door mij zo beminde Haags Historisch Museum aan de Korte Vijverberg 7, arriveer ik daar voor een V- 2 raket uit de Tweede Wereldoorlog. Op een bordje van de tot en met 28 september staande ‘Oorlog en Bevrijding in 3-D’ met ondertitel ‘Foto’s van Den Haag van Wim Berssenbrugge’ lees ik de technische gegevens: lengte 14 meter, maximale hoogte 83 tot 93 km, bereik tussen 321 en 362 km. En: maximale snelheid 5400 km/uur (viel omlaag met 3600 km/u en sloeg in met drie maal de snelheid van het geluid), gewicht springkop circa 738 kg en brandstof methylalcohol en vloeibare zuurstof. Op een tweetal foto’s vlakbij de uit het Legermuseum Delft opgehaalde  V2  zag ik het effect van de Engelse reactie op 3 maart 1945 op de lancering van dit gevreesde Duitse wapen, waarvan vanuit dichtbevolkt Den Haag meer dan duizend exemplaren richting Londen afgevuurd zijn. De ene foto kwam vertrouwd op mij over: ‘Het winkelpand Wilhelminastraat 44 voor de oorlog’, zo las ik. Onder de andere stond: ‘Enige dagen na het bombardement op Bezuidenhout fotografeerde Berssenbrugge staande bij de hoek van de Wilhelminastraat – Theresiastraat. In de verte zien we de toren van de Onze Lieve Vrouwe van Goede Raad Kerk en vooraan is het souterrain is te zien waarin wasserij ‘Helvetica Express’ was gevestigd. Daartussen een woestijn van puin.

Achter de wand met de kasten 3D- foto’s ontwaarde ik een kwintet grote platen en ik las: ‘Vliegtuigen van de Royal Air Force maakten in het laatste oorlogsjaar vele foto’s boven Den Haag onder andere op zoek naar de locaties van de V2- raketten. Deze vijf foto’s overlappen elkaar deels en tonen Den Haag van de Scheveningse kust tot voorbij de Hofvijver. Het gaat om stereofoto’s met een versterkte diepte die begin april ’45 op ongeveer tien kilometer hoogte zijn gemaakt.’

In een van de zwarte kijkdozen keek ik, gewapend met een mij bij de ingang aangereikte 3D- bril, naar een set foto’s zoals die door Wim Berssenbrugge o.a. als verzetsfotograaf gemaakt werden. Foto 43 was daar: opstijgende V2- raket in volle vlucht op een afstand van ongeveer honderd meter en foto 44: spoor van een opstijgende V2- raket aan de zuidzijde van het Vredespaleis in december 1944; na de oorlog wilden de Duitsers het gebouw als Nazi- museum gebruiken! 

In die memorabele en unieke presentatie zag ik een aantal stereobeelden die Berssenbrugge (1918-2007) in de oorlog heeft gemaakt. ‘Hoewel de grimmige gebeurtenissen van de laatste twee oorlogsjaren al voelbaar zijn, tonen deze platen een frappante en schijnbare onbezorgdheid van het Haagse leven. Ook de foto’s van Berssenbrugges geliefde zeilboten op de Kaag stammen uit de oorlog’, zo las ik. En dus: vervaarlijke vliegtuigen boven de stad en flanerende zonaanbidders op de boulevard.

Ik verbleef lang in de eerste zaal van ‘Oorlog en Bevrijding’ en ook de drie andere compartimenten enerveerden mij, vooral zaal 2 met thema verzet waar ik o.a. halt en front maakte voor foto’s van koerierster Janke van der Kooi en verrader Jan Krom en voor vitrines ‘Geheime Agenten’ en ‘Contraspionage in Den Haag’ en ‘Organisatie G’ waarvan Janke deel uitmaakte. Ik geef u daartoe een intro met als titel ‘De grote vergissing’.

3 maart 1945 – Twee maanden voor het einde van de oorlog werden Hagenaars in Bezuidenhout ’s ochtend rond negen uur gewekt door een regen van bommen. Boven de wijk vlogen 56 vliegtuigen van het Engelse leger, de RAF. Zij lieten hun bommen vallen op de woonwijk. Het was een bombardement op een Haagse woonwijk door de Engelsen en niet door de Duitsers! Wel 3300 huizen in Bezuidenhout zijn bij dit bombardement verwoest. Vijfduizend mensen zijn overleden. Er waren grote branden in de wijk, maar het was moeilijk die te blussen. Veel brandweerwagens waren door de Duitsers afgepakt en er was te weinig benzine voor de wagens die er nog waren. Alleen aan de randen van de wijk was er genoeg bluswater om de vlammen verder tegen te houden. Vele Hagenaars raakten met de branden dus al hun spullen kwijt en begrepen niet  hoe dit had kunnen gebeuren. Dat de Engelsen Bezuidenhout hadden gebombardeerd was een groot raadsel. Uiteindelijk beek het allemaal een grote vergissing te zijn geweest met vreselijke gevolgen. De Engelsen wilden helemaal niet een Haagse woonwijk bombarderen maar juist de plekken waar de Duitse V2- raketten stonden. Via het verzet in Den Haag had de RAF informatie gekregen over waar de raketten zouden staan, maar er is iets goed fout gegaan met die informatie. De Engelse piloten dachten dat de raketten op de plek van de Haagse wijk Bezuidenhout stonden.  Die ochtend was het ook nog eens erg bewolkt en mistig. De piloten hebben niet gezien dat zij niet de V2- raketten raakten maar gewone woonhuizen. De bron voor dit rampzalige relaas vormden voor mij het  magazine ‘Oorlog en Bevrijding in Den Haag’ dat u bij de entree van het Haags Historisch Museum gratis kunt bekomen en de biografie Wim Berssenbrugge van Johan Degewij en uitgeverij De Nieuwe Haagsche. 

Van stad tot puin

Die vrijdagmorgen van de veertiende mei was het topdrukte in Historisch Museum Rotterdam Schielandshuis: vooral vele ouderen met roots in de stad van weleer  waren op uitnodiging van directeur Hans Walgenbach in de kelderzaal voor museumtuin en brasserie de Pappegay present om de opening van de tot en met 26 september staande, onthutsende tentoonstelling ‘Van stad tot puin’ te beleven. In zijn speech verwoordde Walgenbach het bijzondere van de happening.

Om 13.27 uur op 14 mei 1940 bombardeert de Luftwaffe in nog geen kwartier Rotterdam. De cijfers zijn schokkend: 258 hectare is vrijwel één grote, zwartgeblakerde ruïne. Het bombardement verwoest 25.000 woningen en 11.000 andere panden, eist naar schatting 850 dodelijke slachtoffers en maakt 80.000 Rotterdammers dakloos. Bekende Rotterdamse kunstenaars als Dolf Henkes, Marius Richters en Henk Chabot schilderen hun in het hart getroffen stad. Ook niet- Rotterdammers, Duitse soldaten en hedendaags beeldend kunstenaar Raquel Maulwurf leggen de verwoesting vast. Sommigen registreren de nog rokende puinhopen, terwijl anderen het menselijk leed, het puinruimen of de resulterende kale vlakte weergeven. ‘Van stad tot puin’ toont ruim 100 tekeningen, prenten en schilderijen. Een enorme vloerkaart van Rotterdam laat de brandgrens zien, terwijl films en dichtregels de verwoesting op andere manieren oproepen. Kunstenaars trekken naar de verwoeste stad om te doen wat hun instinct hen ingeeft: hun ervaringen en emoties omzetten in kunst. Voor een aantal van hen is dat extra zwaar; naast hun geliefde stad is hun atelier en een groot deel van hun levenswerk weggevaagd. Sommige kunstenaars trekken op eigen gelegenheid het verwoeste gebied in, anderen werken in het kader van de werkverschaffing in opdracht van Museum Boijmans of  van Gemeentearchief Rotterdam. De puinhopen hebben er nog geen zes maanden gelegen. Al vrij snel geven de autoriteiten opdracht de doorgangswegen vrij te maken. Werklozen worden op straffe van stopzetten van hun uitkering opgeroepen zich te melden als puinruimer. Op 22 mei gaat een 20.000 man tellend leger van puinruimers, waaronder veel Nederlandse soldaten, van start. De kunstenaars zijn getuige van hun noeste arbeid: maandenlang wordt in brandende zon in oude stad in hoog tempo geruimd. De eerste weken valt er geen regen en de wind jaagt het stof als zand in een woestijnstorm door het gebied. Het is  niet alleen fysiek zwaar, ook emotioneel trekt de klus  een zware wissel op de mannen. Met sarcastische humor – en af en toe wat drank – bezweren ze hun verdriet en woede: aan hun schaftketens spijkeren ze naamborden als ‘Villa Bloemenweelde’ en ‘De Woestelingen’. In totaal wordt  ruim 5 miljoen m3 puin afgevoerd. Begin november is het gebied bovengronds geruimd. Daarna worden de funderingen gesloopt en geruimd. Wat uiteindelijk rest is  een kale vlakte met slechts enkele gebouwen waaronder de Laurenskerk, het Stadhuis, het Hoofdpostkantoor, het Witte Huis en het Schielandshuis.

KLIK OP DE KAART

Na Walgenbach was daar verslaggever, presentator en programmaker Koos Postema, die met mooi gekozen woorden zijn herinneringen ophaalde aan het bombardement dat hij als jongen van zeven in de Nieuwe Rubensstraat in Kralingen beleefde. Koos zat met moeder, weduwe van 38, en zus die middag van de veertiende mei 1940 aan tafel brood te eten, toen er plots het gebrom en gebrul van de Duitse bommenwerpers was. De drie vluchtten de trap af, verlieten de brandende stad en liepen voor onderdak naar een tante in Capelle a/d IJssel. Later in het jaar trok het berooide gezin naar Vlaardingen om een tweede ramp, die van de Hongerwinter, te overleven. Postema verhaalde over de ‘Kampf um Rotterdam’.

Een tocht door ‘Van stad tot puin’ beveel ik u van harte aan. Speciale aandacht vraag ik u voor de zes kunstenaars Herman Bieling, Ed van Zanden, Hendrik Pieter Groen, Pieter den Besten, Marius Richters en Dick Elffers: zij kregen van Boijmans- directeur Hannema de opdracht de verwoeste stad vast te leggen. En zo verwijlde ik lang voor de werken ‘Interieur van Laurenskerk’, ‘Steigersgracht’, Leuvehaven, ‘Verwoest centrum van Rotterdam’ en ‘Zicht op de Laurenskerk’.

Welke beelden mij zeker bij zullen blijven? Die van de foto’s in zaal twee met als motto ‘Voor en na’ als ‘Hofplein’, ‘Korte Hoogstraat’, ‘Leuvehaven’ en ‘Laurenskerk’. Die van ‘Panorama van de verwoeste stad’ en van  ‘De Laurenskerk temidden van de Rotterdamse puinhopen van Dolf Henkes. Die van ‘Panorama Laurenskerk’ van Marius Richters. Die van de brandgrens op de vloerkaart. Vooral die van de in de fatale meidagen gemaakte filmopnamen van de brandende stad.

 
CULTUURMIX 13 JUNI
Het Moment

Die zaterdagmiddag van de twaalfde juni werd Papendrecht een geweldige galerij aan schone sculpturen permanent rijker. In het kielzog van een sprankelend swingende street dance van de tieners van Bounce aerobic & dance trok een grote meute aan genodigden vanaf Grand Café Willaerts aan het Veerplein achter voorzitter Peter Brandenburg van de Stichting Beeldenpark Drechtoevers aan om de opening van de tot en met oktober gaande expositie ‘Het Moment’ te beleven. De context voor de memorabele manifestatie op het Merwehoofd was eclatant. De zon stond uitbundig hoog aan een azuurblauwe hemel, de wind wapperde vrolijk langs de boulevard, de rivier glansde blij in het licht, het partyschip James Cook met door de Rotary geïnviteerde Papendrechtse ouderen hield even in, het containerschip Avanti koerste onverdroten door, Dordrecht  aan de overkant etaleerde trots zijn scala aan oude panden en Zwijndrecht zijn groen. Burgemeester Cees de Bruin zei blij te zijn met deze nieuwe culturele plek op de driesprong van de Noord, Merwede en Oude Maas en deelde met wethouder Joke Reuver glazen champagne rond, voorzitter Peter Brandenburg overhandigde aan kunstenaars de juweel van een catalogus Het Moment, een in geel geschminkte en uitgedoste living statue stond als Amethist met wijnranken te kijk en Dordts stadsdichteres Marieke van Leeuwen stuurde verzen naar de waterpleinen. Maar de show werd gestolen door de dertien buitenbeelden van evenzoveel Nederlandse beeldhouwers die de figuratieve kunst hoog in hun vaandel hebben staan. Zij gaan aan het bruisende bolwerk met het weidse panorama op Dordt  dat Adam Willaerts in 1629 zo karakteristiek schilderde een dimensie erbij geven. Hun werken, en na oktober die van collega’s, zullen frank en vrij op hun sokkels staande aan het dorp aan de rivier grotere artistieke allure geven.

Ik wil met u later een virtuele tocht langs de parade maken. Een voorschot neem ik  door u  te wijzen op het bestaan van door Aspekt uitgegeven inspirerende bundel essays Niet alles is kunst waarin Diederik Kraaijpoel, Willem L. Meijer en Lennaart Allan een pleidooi houden voor mimetische kunst, dus kunst die de werkelijkheid interpreteert en weergeeft, die contact zoekt en begrepen wil worden. Goede kunst herbergt ‘a sense of life’. Goede figuratieve werken ambiëren dat ook. ‘De dertien van Papendrecht’ verwijzen op originele wijze  naar de werkelijkheid, verrassend representeren ze die. Als u dat zelf  aan den lijve wilt ondervinden, dan is het door Marieke van Leeuwen gezegde gedicht ‘Impressies’ een pracht en een macht van een hand- out voor u. Wat let u met haar versregels als bagage op het Merwehoofd te schrijden langs de sculpturen in vooral brons maar ook in marmer en graniet om te traceren hoe schoon zij kunst in woorden weet te vatten?

U verpoost voor ‘Time is on my side’ van Joost Barbiers, ‘Schelpen‘ van Maja van Hall, ‘Lady Bird II’ van  Willem Lenssinck, ‘Light into the shadow’ van Per Abramsen,  ‘Volupté’ van Maïte Duval, ‘Lifting face’ van Pépé Grégoire, ‘Leviathan’ van Maria Glandorf, ‘Gedachte’ van Eppe de Haan, ‘Les retrouvailles’ van Cees Verkade, ‘Meningvormend figuur’ van Bert Nijenhuis, ‘De eisprong’ van Natasja Bennink, ‘Attitude’ van Marti de Greef, ‘Mediomoment’ van Karianne Krabbendam. 

Het moment is daar, het uur is aangebroken dat u uw ogen uit gaat kijken en u door Marieke geïnspireerd wordt via haar ‘Impressies’:

see the light into the shadow
transparant
in brons gevangen licht
en  door het licht zien
wij …. de overkant   

een hoofd dat landschap lijkt
gezicht omhoog gericht
verheven als de golven
van een stille zee
daaronder zwart
als diepe gronden

doopvont, zandloper of borsten
van graniet
ik zie wat mij bezielt
ik kijk en neem de
time … is on my sight

hij wandelt door de tijd
het hoofd in scheve schouders
als uit het zand verrezen
stilstaand in beweging
zo machteloos
de mens, een mythe

is het wellust, is het weelde
volupté
of  wil zij slapen gaan
it is enjoyment
yes … until the end

boven het gladde wit
van het gelaat een niets
behalve dan gedachte
draaibaar als de vleugels
van haar, de zwar-
te lady bird

op het plein staat hij geslagen
een figuur
tot vorm gehouwen maar
wei vormt zijn mening
o … opinions

zij zit gehurkt en wacht
of deze maand of niet
de naaktheid van bestaan en
hoopvol zijn of bang
gewoon een beeld
van alledag

in een vloeiende beweging
buigen zij
zich naar elkaar terwijl
zij glijden uit hun
shell … the shellfish-men

les attitudes et
la lut-te pour la vie
het weerzien als een vechten
tussen man en vrouw
een cirkel rond
les rétrouvailles

halverwege ogenblikken
van bestaan
een medio moment
een laatste beeld van
stenen glittersneeuw

Het Anne Frank Huis

Een paar dagen heb ik het boek pas in huis, maar ik heb het al voorgoed in mijn hart gesloten, want zo ontroerend mooi van vorm en zo verheugend boeiend van inhoud is het. Ik heb het over het memorabele, monumentale en markante kijk- en leesalbum Het Anne Frank Huis van Jos van der Lans en Herman Vuijsje, met als ondertitel ‘Een biografie’ en met als uitgever Boom. De 308 bladzijden bezorgden mij zoveel gevoelens van emotie dat ik u er enkele malen over wil berichten.

Het Anne Frank Huis aan de Prinsengracht 263 bezocht ik tot op heden elk jaar minstens éénmaal. Of het nu met eega, kinderen, studiegenoten, perscollega’s, soosleden, leerlingen was, steeds viel ik, met ingehouden adem voorzichtig door Het Achterhuis lopend, stil door de leegte van de vertrekken. Vader Otto Frank bepaalde ooit dat het huis waarin hij met zijn Edith, Margot, Anne en vier kennissen zich tevergeefs lang voor de naziebeulen verschool, verlaten moest blijven.

Otto Frank hield als directeur kantoor op de eerste verdieping van het achterhuis dat met het voorhuis ruimte bood aan de bedrijven Opekta en Pectaton, die zich bezighielden met het fabriceren en verhandelen van een populair bindmiddel waarmee huisvrouwen zelf jam konden maken en van specerijenmengsels voor worstfabricage. Toen de zestienjarige Margot op 5 juli 1942 een oproep ontving om zich te melden voor ‘tewerkstelling in het Oosten’, begon de onderduik.

Na de Holocaust werd door presentie, publicatie en versies van de door Anne bijgehouden dagboeken het achterhuis Het Achterhuis, dat in 1960 als zodanig geopend werd. In de halve eeuw daarna kwamen miljoenen bezoekers naar de schuilplaats van weleer. Het Huis werd een icoon. Een levensgeschiedenis van deze historische plek is derhalve relevant, want het nam vele identiteiten aan, zoals  ontmoetingsplek, bezinningsoord, vormingsinstituut, actiecentrum en museum.

De titels van de hoofdstukken van de soepel en transparant schrijvende Van der Lans en Vuijsje spreken in deze voor zich: ‘Huis van beklemming, de oorlogsjaren’, ‘Huis van vergetelheid, 1945-1960’, ‘Huis van ontmoeting de jaren zestig’, ‘Huis van bevlogenheid de jaren zeventig’, ‘Huis van strijd de jaren tachtig’, ‘Huis van beleving vanaf de jaren negentig’ en ‘Huis van heldenmoed slot’. Op superieur wijze wordt nu inhoud gegeven aan deze intrigerende opschriften.

Volgende keren maak ik met u een tocht door het boek dat er echt toedoet, Het Anne Frank Huis. Als entree daarop ga ik citeren. Uit de wetenschappelijke editie De Dagboeken van Anne Frank (1986), uit Dag Anne Frank (1982) en uit het onderhavige werk. Drie versies zijn er van Het Achterhuis, uit de eerste ervan, geschreven in de dagboeken 1, 2 en 3, geef ik u door wat Anne op 12 juni en 28 september 1942 schreef, dus net voor haar onderduik en vlak na het begin ervan.

Anne start het op haar dertiende jaardag gekregen dagboek met:  ‘Ik zal hoop ik aan jou van alles kunnen toevertrouwen, zoals ik het nog aan niemand gekund heb, en ik hoop dat je een grote steun voor me zult zijn’ om een paar maanden later erbij te noteren: ‘Ik heb tot nu een grote steun aan je gehad, en ook aan onze lieve club die ik nu geregeld schrijf, deze manier om in mijn dagboek te schrijven vind ik veel fijner en nu kan ik het uur haast niet afwachten als ik tijd heb om in je te schrijven.’

Anne schrijft dan ook: ‘Hier moeten de 7 of 12 schoonheden (niet aan mij hoor!) komen te staan, dan kan ik invullen wat ik niet, en wat ik wel bezit! 1. blauwe ogen, zwart haar (nee) 2. kuiltjes in de wangen (ja) 3. kuiltje in de kin (ja) 4. driehoek op het voorhoofd (nee) 5. blanke huid (ja) 6. rechte tanden (nee) 7. kleine mond (nee) 8. gekrulde wimpers (nee) 9. rechte neus (ja) {tot nu toe wel} 10. leuke kleding (soms) {veel te weinig naar mijn zin} 11. mooie nagels (soms) 12. intelligent (soms).

Bij het samenstellen van hun boekenlijst bij het  eindexamen liet ik de lui van havo/atheneum destijds vrij, alleen stipuleerde ik wel dat Het Achterhuis van Anne Frank naar mijn idee er wel op thuishoorde; het ging immers om non-fictie in literaire outfit van een leeftijdgenoot. Tot mijn grote vreugde kon ik jaar in jaar uit traceren dat de geschriften van het meisje, dat gedoemd was in Bergen-Belsen om te komen omdat zij Jodin was, hen diep in het gemoed getroffen had.

Wim Rademaker stelde niet alleen ‘Dag Anne Frank’ met ondertitel ‘een groet in woorden’ samen, maar schreef ook als een soort van motto het gedicht ‘Dag Anne Frank’, dat zo gaat:

‘Wat moet je zeggen
als je op straat loopt
en je komt plotseling een meisje tegen
van vijftien jaar, bijna zestien
dat in Bergen-Belsen vermoord is
omdat ze Joods was?

misschien vloek je

misschien zeg je;
dag Anne Frank
en ga je haar dagboek ‘Het Achterhuis’
nog eens lezen
waar je nu niet meer mag roken
omdat het een museum is geworden
waar je alleen na toestemming van een gids
de zolder mag betreden
om haar uitzicht te bekijken

misschien groet je haar

Anne Frank groeten
is zeggen:
dag Levie Anholt, dag Marcus Broekman,
dag Abraham Caneel, dag Leentje Davidson,
dag Mozes Flinker, dag Benjamin Ginsberg,
dag Raphael Hirsch, dag Levie Israëls,
dag Saartje Jacobs, dag Aron Keizer,
dag Ernie Levy, dag Else Moosberg,
dag Joseph Nord, dag Eveline Pinas,
dag Liesel Ruben, dag Izak Stübbe,
dag Nathan Troostwijk, dag Esther Veterman
dag Alfred Weil, dag Eva Zilverberg,
dag
zes miljoen maal dag

misschien vloek je dan weer
omdat een leven te kort is
om ze allemaal te groeten

als je op straat loopt
en je komt plotseling een meisje tegen
dat in Bergen-Belsen vermoord is
moet je zeggen:
nooit meer Bergen-Belsen, nooit meer Theresienstadt,
nooit meer Mauthausen, nooit meer Treblinka,
nooit meer Sobibor, nooit meer Warschau
nooit meer Neuengamme, nooit meer Auschwitz

nooit meer

Jos van der Lans en Herman Vuijsje zeggen in hun ‘Vooraf’ van Het Anne Frank Huis  o.a.: ‘Van alle plaatsen die in Nederland herinneren aan de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog, was het Anne Frank Huis in 1960 de eerste die toegankelijk werd voor bezoekers. Dat had de nodige inspanningen gevergd, want het huis stond halverwege de jaren vijftig op de nominatie om gesloopt te worden. Nederland wilde de naoorlogse jaren liever niet te veel achteromzien. De wereldwijde verkoop van Annes dagboek en het enorme succes van de Amerikaanse toneelbewerking gingen echter niet ongemerkt aan Prinsengracht 263 voorbij. Steeds meer mensen belden aan om het achterhuis op te zoeken, waar acht joodse onderduikers twee jaar lang een schuilplaats hadden gevonden. De verborgen ruimtes achter de draaibare boekenkast maakten diepe indruk. In al hun kaalheid en verlatenheid brachten ze het verhaal van de jodenvervolging aangrijpend dichtbij. Het besef dat zo’n sprekende plek niet verloren mocht gaan, redde uiteindelijk het Anne Frank Huis, tot grote opluchting van Otto Frank, die als enige van de onderduikers de oorlog had overleefd. Hij wilde echter van het huis geen bedevaartsoord maken. Het moest een plek worden waar jongeren uit de hele wereld elkaar zouden ontmoeten, een plek die ertoe zou bijdragen dat vervolging en rassenhaat geen kans meer zouden krijgen. Met die ambitie opende het Anne Frank Huis een halve eeuw geleden, op 3 mei 1960, zijn deuren. Sindsdien hebben meer dan 25 miljoen bezoekers de nauwe trap naar het achterhuis  beklommen. In de verstilde ruimte beelden zij zich in hoe het leven voor de onderduikers was. In hun fantasie zien ze Anne schrijven in haar dagboek. Ze proberen zich de verlammende schrik voor te stellen van het moment dat de onderduikers beseften dat ze verraden waren. In het achterhuis wordt het onvoorstelbare van de vervolging een beetje voorstelbaar. Toch is het Anne Frank Huis niet alleen een herdenkingsplaats.

Discriminatie, vooroordelen en racisme zijn met het einde van de oorlog immers niet uitgebannen, Wie zich vereenzelvigt met het lot van Anne en met de gezindheid waarvan ze in haar dagboek blijk gaf, kan daarbij niet passief blijven. Wie herhaling wil voorkomen, moet wat doen. Daardoor stond het Anne Frank Huis vanaf zijn opening midden in de actualiteit.’

Waarvan dit gewone, ongewone grachtenpand symbool werd? De biografie doet voorstellen tot een antwoord.

 
CULTUURMIX 2 JUNI

1953 De Musical

Zaterdagavond 31 januari 1953 kwamen broer Jan en ik uit de kantine van Guanofabriek De Albatros  aan de IJsseldijk in Kralingscheveer, waar wij de jaarlijkse toneelavond van de Oranje Garde beleefd hadden. Buiten bulderde de wind, kletterde de regen en stond het water van de zwoegende rivier vervaarlijk hoog. Thuisgekomen met verhalen over voorstelling en storm, zochten wij ons bed op om ongeveer vier uur later door vader uit onze slaap geroepen te worden. Jan en ik schoten in de kleren, togen naar de dijk, zagen het angstig hoge water de kruin van de dijk belagen, zochten onze opoe aan het Arkelshof op die haar boerderij niet wilde verlaten en hielpen bij het stapelen van zandzakken. Een paar uur later hoorden wij via de radio dat een ware catastrofe de eilanden van Zeeland en Zuid-Holland getroffen had en dat er honderden slachtoffers te betreuren waren. De Watersnoodramp of de Beatrixvloed ging toen de geschiedenis in. De maandag daarop fietste ik naar de HBS in Rotterdam en kreeg ’s middags vrijaf om de gevolgen van de ramp te aanschouwen. In mijn uppie ging ik naar de Groenendijk in Capelle a/d IJssel om het gedichte gat te zien en naar de Stormpolder in Krimpen a/d IJssel om naar de bezweken dijken en het  ondergelopen land te blikken. Vier inwoners hadden de storm- en springvloed niet overleefd. Beelden van het grijze, vliedende water in de polder zijn sindsdien mij bijgebleven.

Ik moest aan dat onheil van 1953 terugdenken toen ik in het Wisboomgemaal in Kinderdijk  halt en front maakte voor de poster van de op 1 februari 2011 in Middelburg in première gaande nieuwe  creatie van Van Hoorne Theaterproductie uit Sliedrecht. Drie van de elf  castleden poseerden voor een plein van golven: Ben Cramer in de outfit van  dijkgraaf Ceel Jacobse, Filip Bolluyt in die van burgemeester Anton Scholten en Marcel Smid als wachtmeester Van Teylingen. Als ik vervolgens zeg dat Marleen van der Loo als burgemeestersvrouw, Joke de Kruijf als vissersvrouw, Dick Schaar als kroegbaas, Esther van Santen als diens vrouw, Robbert van Unnik als zoon dijkgraaf, Laura Burgmans als dienstmeisje, Anouk de Pater als vissersdochter en Martijn Mulders als visserszoon in  zeventien weken met  65 geplande voorstellingen door het hele land de 105 minuten van ‘1953 De Musical’ mede inhoud geven, traceert u dat wij goed gaan zitten.

In de voormiddag van die 26ste mei was van heinde en verre naar het uit 1868 daterende,  in neo- classicistische en neo- gotische stijl opgetrokken en naar de toenmalige bestuursvoorzitter van waterschap Overwaard vernoemde, tot 1995 functionerende gemaal een grote schare van journalisten en fotografen gekomen om de presentatie van ‘1953 De Musical’ te beleven. Zij werden door de levendige producent Michael van Hoorne onthaald op een onderhoudende en informatieve speech.

Zes jaar jong is Van Hoorne Theaterproducties en dankzij een ‘fantastisch team’ heeft die in musicalland voet aan de grond gekregen. De daarbij gehanteerde visie markeerde de 29 lentes tellende directeur met steekwoorden als ‘topsportklimaat’, ‘chemie’, ‘contact met het publiek’, ‘unieke belevenis’, ‘toegankelijkheid’ en ‘betaalbaarheid’. Na furore gemaakt te hebben met kindermusicals als ‘Roodkapje’ en ‘Hans en Grietje’ vindt Van Hoorne het  tijd worden voor de volwassenen.

De uitdaging is nu dat aan het drama van de watersnood respectvol inhoud gegeven wordt. ‘1953 De Musical’ onderscheidt zich in deze door termen als ‘waardig’, ‘authentiek’, ‘feitelijk’ en ‘aansluitend bij de werkelijkheid’. Natuurlijk gaat het om een geromantiseerd relaas, maar zoals bij grote voorbeeld musical ‘Titanic’ gaat het om een mix van ontspanning en spanning.  Om met regisseur Bas Groenenberg te spreken: het gaat om een mooi en integer stuk, vol sfeer en stemming. 

Ik vind het van grootheid, moed en lef  getuigen dat Michael van Hoorne en de zijnen met deze gloednieuwe, Nederlandse productie  de theaters willen veroveren. Toen ik zijn cast aan boord van de punter van oud-leerling Ilse van der Plas uit Alblasserdam het Wisboomgemaal zag naderen, besefte ik dat water en vriend en vijand is. Ben Cramer onderstreepte die gedachte even later, want hij verzorgde solo  een live optreden met de song ‘Vriend en vijand’ uit de musical.

Reikhalzend zie ik uit naar het beleven van deze ‘Van Hoorne’, want ik zal terug naar 1953 gaan. Het verhaal start zo. Een klein Zeeuws polderdorp staat aan de vooravond van de ramp. Terwijl burgemeester Scholten en zijn vrouw het druk hebben met de voorbereidingen voor de opening van het nieuwe raadhuis, krijgt wachtmeester Van Teylingen het nare gevoel dat de aanhoudende storm wel eens vreselijke gevolgen zou kunnen hebben. Scholten vertrouwt echter op de kennis van dijkgraaf Jacobse, een rijke herenboer die moet toezien op het onderhoud van de dijken. Die heeft echter andere zaken aan zijn hoofd, want zijn zoon is verliefd op een arbeidersdochter en dat is onbespreekbaar. Hij  lijkt zich niet te bekommeren om de mensen die op hem vertrouwen en achter de dijk hun huis, gezin en have hebben. Ondanks de herhaaldelijke waarschuwingen van de wachtmeester wordt er noch door de burgemeester noch door de dijkgraaf actie ondernomen. Zie ook www.1953demusical.nl

Brandgrens Rotterdam 1930/2010

In de voormiddag van de veertiende mei kreeg ik een kijk- en leesalbum in handen dat bijkans zijn weerga niet kent. In het kader van de herdenking van het nazi- bombardement dat op de dag af zeventig geleden Rotterdam zijn hart ontnam, was daar de presentie van   burgemeester Ahmed Aboutaleb in de Citykerk Het Steiger om uit handen van historicus Paul van de Laar het monumentale, memorabele en markante Brandgrens Rotterdam 1930/2010 in ontvangst te nemen.

In de ramspoed van mei 1940, waarbij het oude centrum van de stad van de kaart werd geveegd, gingen 24 kerken verloren, waaronder de Steigerse Kerk van de Dominicanen, die op 14 mei 1960 op een andere locatie heropend werd. Vandaar de tot en met 29 augustus gaande tentoonstelling ‘Het Steiger ziet Abraham’ over historie, verwoesting, wederopbouw en herdenken in de kloostergang, die met de overige sacrale ruimtes een heerlijke haven van serene stilte vormt.

Daar voorin de lichte kerk staande achter de katheder hielden Van de Laar en Aboutaleb speeches die een loflied zongen op Brandgrens Rotterdam, dat met zijn titel verwijst naar de twaalf kilometer lange grens, die het gebied omzoomt dat door de Duitse bommenwerpers en de daaropvolgende branden verwoest werd. Het 320 grote bladzijden tellende, door uitgeverij Thoth schitterend verzorgde  werk verwoordt en verbeeldt echter niet de verschrikkingen van  de oorlog.

Brandgrens Rotterdam illustreert het komen en gaan en het reilen en zeilen in de straten van Rotterdam  tijdens het interbellum en aan het eind van het eerste decennium van deze eeuw, vandaar het ‘1930/2010’ als ondertitel. Wandelen door dit fotoalbum dat onder redactie van Paul van de Laar en Koos Hage tot stand kwam, betekent voor mij een fascinerende tocht boordevol sightseeings maken door verleden en heden van door de stad die in 1940 mijn bakermat was.

Vanuit Kralingseveer in het oosten doorkruiste ik beginjaren vijftig al fietsend in mijn uppie Rotterdam om aan de Henegouwenlaan in het westen de HBS te volgen. In het centrum  vormden voor mij Stadhuis en Hoofdpostkantoor aan Coolsingel, Schielandshuis aan Korte Hoogstraat, Witte huis aan Wijnhaven, Laurenskerk op Grotekerkplein en Korenmolen De Noord op Oostplein de bakens die boven de noodwinkels uit torenden. Ze hadden al of niet gehavend de oorlog overleefd. Deze bouwwerken bleven overeind en staan in het territorium dat door de brandgrens gemarkeerd wordt. Hoe die Rotterdamse enclave er vóór de catastrofe eruit zag vertelt en toont nu op magistrale wijze Brandgrens Rotterdam. Via 44 etappes wordt de route gevolgd, van Willemsplein, Willemskade, Westerstraat, Zalmhaven en Vasteland tot Haringvliet, Oudehaven, Wijnhaven, Boompjes en Leuvehaven. En steeds zijn er die boeiende verhalen en die mooie platen.

De grote verdienste van dit juweel van een album is dat het een lang voorbije wereld doet herleven. Illustraties met de Nieuw Amsterdam op schilderij, met Museum voor Land- en Volkenkunde op affiche, met Levensverzekering Maatschappij R.V.S. in advertentie, met Bar Cosmopoliet op reclamebord, met knipsels uit Nieuwe Rotterdamsche Courant, met fragmenten uit de roman Karakter van Bordewijk, met bladen uit telefoonboek, ze kleuren de jaren dertig in.

Maar vooral zijn daar de platen van toen. Alle in zwart-wit, wat de couleur locale versterkt. Zo zijn er, om in het oosten van de stad te beginnen, de beelden van de Lusthofstraat met zijn delicatessen, wijn, fijne vleeswaren en dameshoeden, van de Adamshofstraat waar arbeiders en kleine zelfstandigen brood en melk aan huis bezorgd krijgen en eenvoudig wonen, van de Oostzeedijk die als waterkering hoog en sterk moet zijn om het achterland tegen zeewater te beschermen.

Maar ook is daar het ultramoderne Havenziekenhuis aan Oosterkade dat in 1937 gebouwd is voor de behandeling van havenarbeiders en zieke matrozen die aan boord niet verpleegd kunnen worden en strijd voert tegen tropische ziekten en besmettingen, de Oudehaven met haar schilderachtige haventaferelen, het Rotterdamsche Leeskabinet aan de Gelderschekade met zijn bibliotheek voor leergierige arbeiders, de verkeersboulevard de Boompjes en de synagoge aan de Gedempte Botersloot. Witte de Withstraat, Zwarte Paardenstraat, Binnenweg, Van Oldenbarneveltstraat, Mauritsstraat, Aert van Nesstraat, Kruiskade, Stationsplein, Schiekade, Noordsingel, Rottekade, Jonker Fransstraat, Hugo de Grootstraat, Veemarkt, Boezemsingel, ze staan in Brandgrens Rotterdam te kijk en ze mogen gezien worden, want in het interbellum was het geluk ook heel gewoon en dat lag vaak op straat. Kijken naar de foto’s van toen is blikken in een wereld met een eigen aard.

Ik ga uit dit eclatante album citeren om u te showen hoe mooi van taal het is. Maar niet voordat ik u gezegd heb dat deel 2 ervan ook een bezienswaardigheid is van de eerste orde. Langs de brandgrens wordt er anno nu gelopen om twee kanten op te kijken: naar het binnengebied dat mei ’40 verwoest werd en naar het buitengebied waar geen bommen vielen. Rotterdam heeft na de oorlog meer kleur gekregen, is er anders uit gaan zien, is van karakter veranderd, maar mag er zijn.

Als kind reisde ik met ouders en broer met de trein naar tante Marie in Soesterberg vanuit het Maasstation, dat in 1953 gesloten werd. Wij snelden langs ons Kralingscheveer met de gesloten bomen op de IJsselmondselaan heen. Heel bijzonder vond ik het door de coupéramen te blikken naar het dorp met zijn eigen sfeer. In Brandgrens Rotterdam lees ik in de marge van een pracht van een foto met het silhouet van een wachtende vrouw onder de overkapping van het station:

‘Voor de meeste mensen is de trein het aangewezen vervoermiddel om lange afstanden te overbruggen. De trein is relatief snel, maar het overstappen op een openbaar vervoermiddel is vaak tijdrovend. Abonnees schrijven het Rotterdamschs Nieuwsblad om reisinformatie aan te vragen. Een inwoner uit Strijen vraagt hoe hij in Hellendoorn komt. Het reisadvies luidt als volgt: de trein vertrekt om iets over negenen vanaf het Maasstation en komt dan bijna drie uur later in Wierden aan, vanwaar een bus vertrekt.  Een optimistische schatting gaat uit van aankomst om 2.20 uur. Als je langer dan twee uur in Hellendoorn wilt blijven, lukt het niet meer om voor middernacht weer in Strijen terug te zijn. Een dagretour derde klasse Maasstation-Wierden kost ongeveer vijf gulden en vijftig cent. Zoals de reis naar Hellendoorn wordt vertraagd door een gebrek aan directe verbindingen, zo heeft het Maasstation als nadeel dat het een kopstation is en de verbinding met station Delftsche Poort verbeterd moet worden. De NS komt met het voorstel om een treinverbinding aan te leggen dwars door de Oudehaven. Zelfs de Rotterdamse notabelen die doorgaans graag willen moderniseren, vinden het te ver gaan om de Waterstad geheel voor het spoor op te offeren. Ze roepen het stadsbestuur op om er niet mee in te stemmen. Bijna een jaar nadat de NS dit idee heeft gelanceerd, is er nog altijd geen uitsluitsel. In het voorjaar van 1940 woedt de discussie nog volop.’

Een van de aardige kanten van Brandgrens Rotterdam is dat de teksten bij de foto’s uit de jaren dertig vanuit het perspectief van toen geschreven zijn; er is nog geen notie van de Tweede Wereldoorlog. Toen ik door het album mijn wandeling maakte, betrapte ik mij erop dat ik af en toe met mijn hand over de foto’s streek. Met ontroering. O. die fietsers in de regen op de Kruiskade, o, die pont over de Rotterdamsche  Schie, o, die torens van de Koniginnekerk. O, wat een mooi album!

 
CULTUURMIX 26 MEI

De jonge Vermeer

Die dinsdagmorgen van 11 mei maakten in de Gouden Zaal van het Mauritshuis aan Korte Vijverberg 8 in Den Haag directeur Emilie Gordenker en conservator Edwin Buijsen hun opwachting om met sprankelende speeches bij de in groten getale opgekomen persmensen de tot en met 22 augustus gaande tentoonstelling ‘De jonge Vermeer’ te introduceren. Een wijle later traceerde ik, gelaafd door hun artistiek getinte woorden, in een van de bovenzalen  hun grote gelijk. 

Ik verwijlde voor de drie vroegste werken van Johannes Vermeer (1632-1675)  ‘Diana en haar nimfen’ uit de collectie Mauritshuis, voor ‘Christus in het huis van Martha en Maria’ van The National Gallery of Scotland en voor ‘De koppelaarster’ van Staatliche Kunstsammlungen Gemäldegalerie Alte Meister Dresden en opnieuw geraakte ik in de ban van schilder, die vanwege zijn virtuoze techniek en behandeling van thema wel ‘raadsel of ‘sfinx van Delft’ genoemd wordt.

Ik liet mij als gezegd inspireren door het door Gordenker en Buijsen gezegde en geschrevene. De schilderijen van Vermeer zijn nu wereldwijd beroemd. Hij liet een klein maar voortreffelijk oeuvre na van zo’n 36 werken Dit zijn merendeels interieurs waarin een of meer figuren zich in serene rust wijden aan alledaagse bezigheden als melk uitgieten, kantklossen, musiceren en het schrijven of lezen van een brief. Ook kennen we hem van enkele ‘tronies’ – studies van een gelaatsuitdrukking of een bepaald karaktertype zoals ‘Meisje met de parel’ – en twee stadsgezichten waaronder ‘Gezicht op Delft’. Vermeer begon zijn loopbaan echter geheel anders. Zijn drie vroegste werken –  ‘Diana en haar nimfen’, ‘Christus in het huis van Martha en Maria’ en ‘De koppelaarster’ wijken duidelijk af van de schilderijen waaraan hij zijn faam te danken heeft. Ze tonen respectievelijk een mythologisch onderwerp, een verhaal uit de Bijbel en een scène uit een bordeel.  Bovendien hebben ze een voor Vermeer opvallend groot formaat. De thematiek en het kleurgebruik zijn geïnspireerd op voorbeelden van Hollandse, Vlaamse en Italiaanse meesters, maar hij verwerkte deze invloeden op een geheel eigen wijze. De kunstenaar zocht nog naar een individuele stijl, maar zijn belangstelling voor compositie, lichtval en verstilling verraden al iets van zijn latere ontwikkeling. Vermeer volgde niet slaafs na, was een autodidact en barstte van ambitie.

Om te illustreren hoe knap deskundigen de richting van waar kunstgenot kunnen wijzen, citeer ik uit de naar vorm en inhoud wondermooie catalogus ‘De jonge Vermeer’. Buijsen zegt daarin  o.a.:

‘Omdat ‘De koppelaarster’ behalve de signatuur van Vermeer ook het jaartal 1656 draagt, staat vast dat het zo’n drie jaar na zijn inschrijving bij het Delftse schildersgilde is ontstaan. Voor het eerst koos Vermeer een onderwerp dat tot de genreschilderkunst kan worden gerekend. De term ‘genrestuk’ wordt in de kunsthistorische literatuur gebruikt voor een voorstelling met menselijke figuren, die in tegenstelling tot een historiestuk aan het dagelijks leven is ontleend. In ‘De koppelaarster’, een benaming die het schilderij pas aan het einde van de negentiende eeuw kreeg, trekt een zittende jonge vrouw in een geel jasje direct de aandacht. Het glas wijn in haar linkerhand is waarschijnlijk de veroorzaker van de blosjes op haar wangen. Ze houdt verwachtingsvol de andere hand op om een munt in ontvangst te nemen die haar wordt aangeboden door een jongeman, wiens gelaatstrekken in de schaduw vallen van een breedgerande hoed met pluim. Hij buigt zich over de jonge vrouw heen en het vrijpostige gebaar waarmee hij haar boezem betast, geeft zijn intenties aan. Beiden kijken naar het geldstuk waarvan de rand het licht weerkaatst; door de gouden bies op de rode mouw wordt ook de blik van de kijker hier onontkoombaar naartoe geleid. Het overhandigen van het geld staat niet toevallig in het middelpunt van de compositie: het lijdt geen twijfel dat het hier gaat om een zakelijke transactie waarbij de man de vrouw betaalt voor hem in het vooruitzicht gestelde diensten van seksuele aard. Wat bij een eerste aanblik een vrolijk onderonsje lijkt, is in feite een bordeelscène. Naast het jonge paar duikt het hoofd van een oudere vrouw op. Zij is de koppelaarster die de ontmoeting heeft gearrangeerd  en straks haar deel van de beloning zal opstrijken. Haar starende blik en de zwarte kap die het hele gezicht omsluit, geven de vrouw een vreemd, bijna maskerachtig voorkomen. Het gezelschap wordt gecompleteerd door een jonge man met een opgeheven bierglas, die zich aan de linkerzijde van de tafel bevindt. Breeduit grijzend kijkt hij vanonder zijn baret de toeschouwer recht in de ogen. Door deze blik en zijn positie aan de zijkant speelt de man de rol van de verteller die het tafereel bij ons introduceert. Dat hij bedoeld is als een buitenstaander blijkt ook uit de wijze waarop hij is uitgedost. Zijn kleding was in 1656 al enige tijd uit de mode en zal door de toenmalige toeschouwer als ouderwets zijn ervaren in vergelijking met de eigentijdse dracht van het jonge paar. Uit zijn rechterhand steekt de hals van een cister omhoog: een tokkelinstrument dat in zeventiende- eeuwse schilderijen vaak door vrouwen wordt bespeeld. Dit detail kan in deze context zijn bedoeld als een fallisch symbool dat het pikante karakter van het tafereel onderstreept. Omdat de man met de baret ons als enige aankijkt en het niet ongebruikelijk was dat schilders zichzelf als figurant in dit soort genrestukken opvoerden, zou het een zelfportret kunnen zijn. Helaas is niet bekend hoe Vermeer eruitzag, maar het is een aantrekkelijke gedachte dat we hier wellicht oog in oog staan met de schilder zelf. Anders dan in de voorgaande twee werken zijn de figuren niet ten voeten uit in beeld gebracht. De onderste helft van het schilderij wordt geheel in beslag genomen door een oosters kleed en een bontjas die over een niet zichtbare balustrade zijn gedrapeerd. Het valt op dat de dominante kleuren in de kleding van het jonge paar – geel en rood – terugkeren in het patroon van het kleed. Het blijft onduidelijk waar de scène zich afspeelt. De vlakke wand met de zuil en het doorkijkje linksachter kunnen erop wijzen dat de figuren zich op een balkon bevinden.’ Aldus Buijsen.

Waarom ik deze beschrijving van Edwin Buijsen aan u doorgaf? Niet alleen om te illustreren hoe toegankelijk en transparant deze conservator schrijft, maar vooral om aan te geven dat teksten van ware kunstkenners het genot van het kijken naar schilderijen aanzienlijk verhogen. Ik raad u derhalve aan voordat u het vertrek met de drie Vermeers betreedt, in de museumwinkel de publicatie ‘De jonge Vermeer’ op te halen. Woorden en beelden zullen u dan nabij zijn.

Het Mauritshuis is in het gelukkige bezit van  drie Vermeers. In de belendende zaal hingen dan ook in een galerij van schilderijen uit de Gouden Eeuw ‘Gezicht op Delft’ en ‘Meisje met de parel’ ontroerend mooi te zijn. Ik verpoosde er opnieuw artistieke minuten voor, waarna ik weer lang halt en front maakte voor het drietal jonge Vermeers. O, die tinten diepblauw, okergeel, violet en rood! O, die verstilling, lichtwerking en doordachte compositie! Van de Meester van Delft.

De valse Vermeers van Van Meegeren

Met de tintelende en blinkende beelden op mijn netvlies van Vermeers ‘Diana en haar nimfen’, ‘Christus in het huis van Martha en Maria’, ‘De koppelaarster’, ‘Gezicht op Delft’ en ‘Meisje met de parel’ op mijn netvlies toog ik naar Museum Boijmans Van Beuningen om de preview te beleven van de tot en 22 augustus gaande manifestatie ‘De valse Vermeers van Van Meegeren’. Meteen zetten bij entree woord en beeld van de Rijksmuseum / Boijmans- affiche uit 1938 de toon.

Ik las daar: ‘Meesterwerken uit vier eeuwen 1400-1800 Boeren Bruegel, Rembrandt, Vermeer, Rubens, Watteau, Dürer, Titiaan’ en die luisterrijke namen stonden onder een kopie van de ‘Dienstmaagd’ met vermelding van ‘gesigneerd door Hans van Meegeren en ook als zodanig verkocht.’ Vlak erbij hing de originele versie van de vrouw wier beeltenis ik ook ontwaarde op het doek dat de opgang en de afgang van meestervervalser Van Meegeren bewerkstelligde: ‘De Emmausgangers’.  

Het zou nog jaren duren voordat de in 1889 geboren Hans van Meegeren zichzelf door de mand liet vallen. Hij studeerde aanvankelijk bouwkunde, maar koos uiteindelijk voor een carrière als kunstenaar. Hij had al snel succes maar kreeg nooit de waardering die hij nastreefde. Vanaf de jaren twintig begon hij met het vervalsen van 17de- eeuwse schilderijen en zijn meestervervalsing ‘De Emmaüsgangers’ in de stijl van Vermeer werd door heel kunsthistorisch Nederland bejubeld.

In 1937 kocht directeur Museum Boijmans Dirk Hannema ‘De Emmaügangers’ voor de som van 540.000 gulden aan. Voor het doek was grote belangstelling omdat alom gedacht werd dat het om een vroeg meesterwerk van Vermeer ging. Het Rijksmuseum bood Hannema zelfs in ruil ‘De liefdesbrief’ van Vermeer aan, maar Hannema sloeg dit aanbod af. Museum Boijmans toonde het stuk als een hoogtepunt in de collectie en kenners prezen de kwaliteit van het schilderij

Voor de hand lag dan ook dat ‘Dienstmaagd’ van Vermeer op de poster uit het jaar daarop prijkte. Aan het einde van de oorlog werd in de collectie van nazi- kopstuk Göring een werk uit Nederland gevonden. De sporen leidden naar Van Meegeren, die meteen gearresteerd werd op verdenking van collaboratie. Die beweerde echter niet alleen de handelaar van het gewraakte doek te zijn, maar ook de vervaardiger. Rijksminister Hermann Göring kocht een vervalsing van hem!

De bekentenis van Van Meegeren ging de hele wereld over en als ‘the man who swindled Göring’ werd hij de held van het volk. Ondertussen stond de kunstwereld op zijn kop. Om zijn zaak kracht bij te zetten bood de vervalser aan een andere ‘Vermeer’ onder de ogen van de autoriteiten te schilderen. Hij begon aan de klus, maar toen hij na twee maanden hoorde dat de aanklacht tegen hem vanwege collaboratie in vervalsing was veranderd, hield hij het voor gezien.

Na twee jaar voorbereiding van het proces werd Van Meegeren op 29 oktober 1947 berecht. De rechtszitting was sensationeel, maar kort: hij nam maar één dag in beslag. Van Meegeren werd schuldig bevonden en wegens opzettelijke vervalsing tot een jaar gevangenis veroordeeld. Hij stierf aan een hartaanval voor hij de straf was begonnen te ondergaan. Nog steeds huiveren kunsthistorici, critici en experts, geschokt door deze affaire, bij het horen van de naam Van Meegeren.

Ik wandelde langs vier in de stijl van Vermeer door Van Meegeren vervaardigde werken, ‘Isaac zegent Jacob’, ‘Christus en de overspelige vrouw’, ‘De voetwassing’ en ‘Christuskop’, om te arriveren voor ‘De Emmaüsgangers’. En weer verbaasde het mij, net als toen ik als student van de Rijksuniversiteit Utrecht voor het bijvak kunstgeschiedenis een scriptie aan Vermeer wijdde, dat het  kon gebeuren dat gerenommeerde kunstcritici als Bredius destijds met open ogen erin getuind waren.

De verschillen met de latere 33 Vermeers waren immers heel significant. Conservator Friso Lammertse, staande op het authentieke tapijt voor ‘De Emmaüsgangers’, nuanceerde echter mijn visie, die gevoed werd door kennis  achteraf. In de oorlog werden de transacties met geheimzinnigheid omkleed om te voorkomen dat nationale schatten naar Duitsland gingen,  het algemeen aanvaarde ‘De Emmaügangers’ was het ijkpunt en de ontdekte Vermeers hadden een ziel. 

Ze vulden een missing link op: ze sloegen een brug tussen Vermeers zeldzame vroege werken en zijn later beroemde genrestukken. Staande voor een foto uit 1938 met daarop Dirk Hannema vol  bewondering blikkend naar ‘De Emmaüsgangers’,  had ik derhalve geen leedvermaak om de man die zelfs tot zijn dood bleef volhouden dat het om een echte Vermeer ging. Hij was een kind van zijn tijd waarin kunstwerken allereerst gewaardeerd werden vanwege de emoties die ze opriepen.

Friso Lammertse: ‘De techniek die Van Meegeren gebruikte, heeft veel kenners op het verkeerde been gezet. Hij ontwikkelde technieken waarmee hij kunstexperts heeft kunnen misleiden. Hij schilderde op origineel 17de- eeuws doek, gebruikte natuurlijke pigmenten die destijds gangbaar waren en ontdekte een manier om het verfoppervlak van zijn schilderijen op een authentiek kunstwerk te doen lijken. Tot in de details overdacht hij hoe hij de kunstwereld kon misleiden'.

 
CULTUURMIX 13 MEI

Kind in de Tweede Wereldoorlog

Ik haast mij het u te melden: in de  week waarin 4, 5 en 10 mei 2010 vielen, dus 70  jaar na het begin en 65 jaar na het eind van de grote mondiale catastrofe, nam ik de 318 bladzijden door van een bundel herinneringen aan de vijf jaren van Duitse dwingelandij hier te lande, die mij zeer in het gemoed trof en mij af en toe in de wurggreep had. Ik heb het over Kind in de Tweede Wereldoorlog, samengesteld door Juliëtte Eichholtz en uitgegeven door Wereldbibliotheek.

Van Leo Vroman is het gedicht ‘Vrede’ uit 1974 met o.a. de verzen
‘Komt een duif van honderd pond,
een olijfboom in zijn klauwen,
bij mijn oren met zijn mond
vol van koren zoete vrouwen,
vol van kirrende verhalen hoe de oorlog is verdwenen
en herhaalt ze honderd malen: alle malen zal ik wenen.’

In Kind in de Tweede Wereldoorlog verwoorden ouderen van nu de herinneringen aan hun veelbewogen jeugdjaren waarmee zij gedwongen waren verder te leven.

De Tweede Wereldoorlog is  feitelijk een gepasseerd station maar is nog vaak present in het collectieve geheugen. Vooral  de Holocaust, waarbij zes miljoen Europese Joden bruut om het leven kwamen, zal blijven voortwoekeren en recent verschenen publicaties als Een van de laatsten van Chil Rajchman, Voorzitter van de Joodse Raad van Erik Somers, Een hemel zonder vogels van Esther Göbel, Klasgenoten van Anne Frank van Theo Coster  manifesteren dat.

Uiteraard de generatie die de rampspoed aan den lijve ondervonden heeft, zal  de ingrijpende momenten in de geest blijven houden. Zo ook ik: de bij een razzia door de moffen doodgeschoten hond die op het Elandplein moest blijven liggen, de overvalwagen voor Wegelings Drukkerij waar ‘Trouw’ gedrukt werd, de gaarkeuken van Bouman waar broer Jan en ik soep konden eten, het kolenhok waarin vader zich voor de Duitsers verschool.

De suikerbieten die wij aten, het plein voor de Openbare School waar de met de moffen verkeerd hebbende meiden kaal geknipt werden, de schoenenwinkel op de hoek van de Lamastraat waaruit een verrader geplukt werd, de BS’er die door zijn eigen been schoot, de bevrijdingsoptocht door Kralingseveer met soldatenpoppen die mij erg bang maakten, broertje Ben die zich op 14 mei 1945 aandiende en vernoemd werd naar de toen populaire prins Bernhard.

Het gaat niet aan dat ik u een resumé tracht te geven van hetgeen de meer dan 150 briefschrijvers na een oproep in een viertal magazines in 2008 aan Juliëtte Eichholtz bericht hebben. De reacties zijn daartoe te divers en te persoonlijk. Veel beter is het dat ik uit het immer intrigerende, af en toe onthutsende Kind in de Tweede Wereldoorlog een schrijnende bijdrage integraal ga citeren. Overigens: meer dan zeshonderd reacties ontving Eichholtz.

De oorlog is dus nog steeds present. Om u een impressie van de weldoordachte en gestructureerde aanpak van Eichholtz te geven, noteer ik eerst de titels van haar twintig hoofdstukken. Oorlogsdreiging en mobilisatie, Vrijdag 10 mei, Dinsdag 14 mei – Het bombardement op Rotterdam, De dagen na de capitulatie, Het platteland, Verzet, Kinderen van Duitse ouders, Joodse kinderen, De Joden door kinderogen, Kinderen van NSB‘ers en collaborateurs, De vele gezichten van de vijand, Bedreigende situaties, 17 september 1944 – De Slag om Arnhem en de evacuaties, Creatief met gebrek, De Hongerwinter, De hongertochten, Uitgezonden, Voedseldropping, De bevrijding en De oorlog van begin tot eind.

Nu ik dit inventariseer,  zie ik mijn vader thuiskomen met een kist vol sterappels nadat hij met oom Cees in de Lopikerwaard op eten uit is geweest en mijzelf na het eten onder tafel naar kruimels zoeken.

Uit het gedeelte ‘Kinderen van NSB’ers en collaborateurs’ geef ik u de bijdrage van Anny-Inge Mets van toen 15 jaar door.

‘Mijn vader was constructie-tekenaar op de Nederlandsche Seintoestellenfabriek in Hilversum. Hij schijnt – ik weet dat natuurlijk niet – een verradersrol te hebben gespeeld in die fabriek. We waren geen NSB’ers of wat dan ook, maar in mei 1945, meteen na de bevrijding, is mijn vader opgepakt en verschrikkelijk vernederd door die smerige Binnenlandse Strijdkrachten en consorten. Mijn moeder, broertje van zeven jaar en ik zijn door hen ons huis uit gejaagd. Na al die jaren zou ik dat tuig nog eigenhandig kapot willen schieten, maar ze zullen wel niet meer leven. Wij zwierven met z’n drieën van hot naar haar, want ze gooiden ons het huis uit en wij moesten het verder maar zelf uitzoeken. Geen meubels of bedden mochten we meenemen, alleen wat kleding. Overal werden we uitgekakt. Ik voel nog altijd zo’n haat tegen alles en iedereen. Mijn moeder werd vastgezet en later naar een of ander vrouwenkamp in Weesp overgebracht. Mijn vader werd ter dood veroordeeld, maar toen heeft het Hare Majesteit Wilhelmina (ook zo’n lekker figuur) behaagd om hem levenslang te geven en daarna, na cassatie, twintig jaar. Het heeft haar behaagd, jaja. Mijn vader kwam in Leeuwarden terecht en daarna in Breda, tussen zware oorlogsmisdadigers. In 1959 kwam hij vrij. Hij stierf in 1970 en in 1997 lazen mijn broer en ik in de krant dat kinderen van oorlogsmisdadigers bij het Ministerie van Justitie in Den Haag eenmalig het dossier van hun ouders mochten lezen. Dat hebben wij gedaan, want als kinderen wisten wij niets van de hele affaire. Wij waren stomverbaasd te lezen dat mijn vader inderdaad voor geld had gespioneerd, maar dat mijn moeder de kwade genius achter dit alles was geweest. Geld, geld, geld, om het geld had mijn moeder mijn vader gedwongen dat te doen. Ja, het was slap van hem. Heel slap. Maar waarom moesten wij kinderen daaronder lijden? Dit is mijn verhaal en ik verfoei de hele gemeenschap die ons dit alles heeft aangedaan. Een financiële vergoeding zou zeer op zijn plaats zijn, na al die jaren ellende. Onze hele jeugd is ons afgepakt.’

Anny-Inge etaleert dat zij zeven decennia na dato nog belaagd wordt door wrok. Ik haast mij te zeggen dat Anny-Inge niet model staat voor haar collega-briefschrijvers, want de meesten van hen zien om met gevoelens van verdriet, verbijstering, verwondering, onbegrip, blijdschap en dankbaarheid. Maar de oorlog heeft bij allen sporen nagelaten. Wij mogen Eichholtz er dankbaar voor zijn dat zij ons een staalkaart van belevenissen aanreikt die uit de eerste hand zijn opgetekend. De tijd drong, maar zij had de innerlijke moed de klus te klaren.

Van harte beveel ik de lectuur van Kinderen in de Tweede Wereldoorlog aan, want het toont aan dat de oorlog en verdwenen is en niet verdwenen is. Eichholtz geeft ook door een liedje dat ik bijna vergeten was:
‘Op de hoek van de straat staat een NSB’er
’t is geen man, ’t is geen vrouw, maar een Farizeeër
Met een krant in zijn hand staat hij daar te venten
Hij verkoopt zijn vaderland voor zes losse centen.’

Hulde aan Eichholtz, zij legde bewogen geschiedenis vast.

 
CULTUURMIX 6 MEI

Bernhard

Om het maar meteen aan u te melden: Bernhard van Annejet van der Zijl, met ondertitel ‘Een verborgen geschiedenis’ en uitgever Querido, is een boek zo goed als wij alleen maar kunnen wensen. De 458 bladzijden ervan nam ik met zoveel graagte tot mij, dat ik ervoor eerder opstond en later naar bed ging. Ik bemin literaire non-fictie, dus ook van mooi geschreven verhalen over mensen en dingen die voorbij zijn, vooral nu Van der Zijl historische gebeurtenissen wik en weegt.

Ik weet nog uur en dag in zomer 1956 dat ik als HBS’er in de ban van de geschreven geschiedenis geraakte. Ik las Revolutie der eenzamen (1953) van Pieter Jan Bouman over de loop der dingen in de eerste helft van de twintigste  eeuw en mede door zijn vlotte schrijfstijl  en door zijn anekdotische en fragmentarische aanpak werd mij op het lijf geschreven dat omzien naar hetgeen achter ons ligt met andere, betere ogen doet kijken naar het nu en wat in het verschiet ligt.

Decennia lang las ik sindsdien werken over het voorbije en uit dat grote arsenaal pluk ik nog een werk dat mij na aan het hart ligt: In Europa (2004) van Geert Mak. Fascinerend vond ik het hem te volgen op zijn reis door de hele twintigste eeuw. Bouman en Mak hebben vele dingen gemeen, zo weten zij o.a. in prachtig proza klip en klaar de verbanden tussen tijdgeest  en personages  bloot te leggen. Annejet van der Zijl met jaartal 1961 evenaart hen in deze met verve.

Zij vertelt het levensverhaal van Bernhard van Lippe-Biesterfeld (1911-2004) fenomenaal. Met in vijf jaar studie verworven kennis van zaken presenteert zij op bevlogen wijze het wel en wee van de prins-gemaal, die ernaar streefde de regie over zijn bestaan in eigen hand te houden, maar daarin niet echt slaagde. Bernhard dobberde op de levenszee met als enige koers de dingen zo te rangschikken dat het geloof in eigen mythe in tact bleef. Louter de waan was zijn streven.

De grote verdienste van Annejet van der Zijl is dat zij de geschiedenis aan de man en de vrouw brengt en dan zo doordacht, zo sprankelend, zo onderhoudend, zo aannemelijk, zo origineel en zo spontaan dat het voorbije weer gaat leven. En in deze vooral de eerste 25  jaar uit Bernhards leven, want in die fase werden de fundamenten gelegd voor zijn latere doen en laten. Op de wikkel van Bernhard zegt Geert Mak: ‘Een prachtig boek. Hulde!’ Ik sluit mij van harte bij hem aan.

U kunt zich voorstellen dat ik die woensdagavond van de 21ste  april met hooggestemde verwachtingen naar de plaatselijke bibliotheek fietste, want daar zou Annejet van der Zijl herself over haar inmiddels groot succes geworden biografie Bernhard een causerie houden. De sectie Letteren van de Stichting Culturele Raad Papendrecht had haar daartoe uitgenodigd en een uur lang hield de fraai ogende dame van tegen de vijftig lentes de toegestroomde schare in haar ban.

Nicolaas Beets voert in zijn Camera Obscura uit 1839  een zekere Robertus Nurks op die zich tijdens een zondagse wandeling in het Haarlemmerhout onaangenaam gedraagt: hij debiteert op alles en iedereen een nurks commentaar. Zo ook als een harpspeelster op het terras van etablissement Stoffels het slepende ‘Fleuve du Tage’ aarzelend aanheft. ‘Bah, wat is ze lelijk als ze zingt’, laat Nurks luid klinken. ‘Oh heerlijk, wat blijft Annejet mooi, ook als ze spreekt’, roep ik u toe.

Het gaat niet aan dat ik u een resumé van Annejets verhaal probeer te geven, daar was het te rijk, te sprankelend, te gedoseerd en te persoonlijk voor. Ik houd het op enkele notities. Bernhard  'Een verborgen geschiedenis’ is na Jagtlust, Anna en Sonny Boy na dik een decennium haar vierde boek waarin een mythe doorgeprikt wordt. Zij heeft een hang naar het reconstrueren van een verhaal dat geweest is: zij  houdt van schrijven, van puzzelen en van mensen.

Bernhard is het spannendste uit het kwartet en het onderwerp ervan heeft haar gekozen en het is niet andersom. De Duitse geschiedenis van de vorige eeuw met al zijn verschrikkelijke en prettige kanten heeft haar immer geboeid: het land was na het debacle van de Grote Oorlog getraumatiseerd, uit zijn evenwicht geslagen, prooi van een democratische revolutie geworden, uit de koorden van het keizerrijk geraakt, onderworpen aan de Weimarrepubliek, zijn adel kwijtgeraakt.

Er was sprake van economische, politieke en sociale onthechting, die gekenmerkt werd door inflatie en nazidom. Bernhards levensverhaal moet gezien worden in het kader van het vigerende nationaal-socialisme. Bernhard was een kind van zijn tijd. Hij mag als individu niet losgeknipt worden van de grote geschiedenis. De rol van de tijdgeest was ook op hem  enorm  groot, ook zijn wereldbeeld was gekleurd. Hij maakte na het echec Versailles deel uit van een verloren generatie. 

Prins Bernhard heeft altijd met zijn verleden gesjoemeld. Om prinses Juliana - voor wie haar moeder koningin Wilhelmina medio jaren dertig al lang tevergeefs naar een geschikte, ‘ebenbürtige’ liet zoeken - het hof te maken rommelde hij met de waarheid. Van Zijl achterhaalde dat Bernhard zijn eigen antecedenten herschreef, voordat hij met zijn Ford op de avond van 8 september 1936 op Paleis Noordeinde als verloofde de Nederlandse geschiedenis inreed.

Bernhard sprak in zijn ouderlijk huis Woynowo in Posen niet uitsluitend Engels, zijn moeder Armgard was niet rijk, zijn verwanten waren niet liberaal denkend, zij waren antidemocratisch, anti-joods, tegen de Weimarrepubliek, voor Hitler. Bernhard maakte zijn studie niet af, had geen mooie, veelbelovende job bij IG Farben, vloog niet als piloot. Hij werd door zijn moeder Armgard verwend, behoorde tot de onderkant van de eigen klasse en wilde meer lijken dan hij was.

Drie keer kwam Bernhard voor Juliana  naar Nederland, waar de monarchie door het geringe aantal leden kwetsbaar was, veertien brieven had hij haar geschreven en toen was daar de verloving die veel eerder dan gepland passeerde omdat Bernhard wellicht gelekt had. De wederzijdse moeders hadden elkaar nog niet ontmoet, de proefperiode voor Bernhard moest ingekort worden, Bernhard kon zijn thuisfront behagen door te delen in het fortuin van de Oranjes.

De Haagse regeringsdienst zat met een probleem: hoe de partijactiviteiten van Bernhard en het nijpend geldgebrek op Woynowo  weg te poetsen? Er werd een persoonlijkheidsschets van Bernhard opgesteld, die weinig met de waarheid te maken had en die de aanzet was tot het aureool om de Prins der Nederlanden: ‘Een sportieve jongeman die eenvoudig door het leven wenst te gaan en wiens belangstelling vooral uitgaat naar wetenschappelijke en culturele vraagstukken. […] een stil en rustig, tot overpeinzing geneigd karakter, daarbij een vlot sportman, een goed ruiter, een trouwe vriend en boven alles een eenvoudige en degelijke persoonlijkheid.’

Deze Bernhard bestond helemaal niet, hij was een blanco vel waarop Juliana, Wilhelmina en uiteindelijk een heel land hun dromen projecteerden. Hem werd vanuit de regering in feite meteen duidelijk gemaakt dat wie en wat hij werkelijk was, niet voldeed. Hem werd een attitude toegeschreven.

Annejet van der Zijl besteedde het eerste uur van haar optreden in Papendrecht aan de jonge jaren van Bernhard, haar boek gaat echter tot na zijn dood, toen geruchtmakende interviews en schrijnende onthullingen gepubliceerd werden. Een andere keer wil ik het met u over die bijna zeven decennia hebben. Ik ga nu uit Bernhard citeren. Maar eerst wil ik dit gezegd hebben: Van der Zijl heeft niet een chronique scandaleuse geschreven. Bernhard was geen held maar ook geen schavuit.

Moeilijk is het een fragment uit Bernhard te selecteren. Ik ga voor enkele alinea’s uit het slot ervan.

‘In een aantal opzichten vertoont het verhaal van Bernhard opvallende gelijkenis met dat van een ander groot bedrijfsongeval in de geschiedenis van de Europese monarchie: prinses Diana, de in 1997 verongelukte ex-echtgenote van de Britse kroonprins Charles. Ook Diana was de langverwachte partner voor een moeilijk huwbare troonopvolger, ook zij werd door een sprookjeshuwelijk vanuit het niets naar een centrale plaats op het publieke toneel gekatapulteerd en ook zij overvleugelde haar gade al snel in charme en uitstraling. Maar de belangrijkste overeenkomst is dat Diana, zoals Tina Brown laat zien in The Diana Chronicles, net als Bernhard steeds meer geloof ging hechten aan haar eigen mythe, die ze via journalisten naar buiten probeerde te brengen, en uiteindelijk de controle kwijtraakte over de geesten die ze zelf had opgeroepen. Het leven van prinses Diana eindigde op 31 augustus 1997 tegen een pilaar in de Pont d’Alma- tunnel in Parijs, letterlijk opgejaagd door degenen die ze gemeend had naar haar hand te zetten. Dat van Bernhard eindigde in een zelfgesponnen net van waan en werkelijkheid, met journalisten die als muggen rond Soestdijk dansten en een nalatenschap die alleen nog maar in een sfeer van sensatie te definiëren leek. […] Hoe modern Bernhard ook was wat betreft zijn smaak en uiterlijk, inhoudelijk gezien vulde hij zijn positie als lid van een koninklijk huis niet wezenlijk anders in dan de Duitse vorsten tot hun onttroning in 1918 hadden gedaan – compleet met patronagesysteem, het gevoel van eigen onaantastbaarheid en het idee dat hem op grond van zijn titel allerlei materiële en immateriële voordelen toekwamen. In die zin kan hij beschouwd worden als de laatste echte feodaal van Europa.’

Onthutsend is dit oordeel, maar het wordt onderbouwd. Annejet van der Zijl heeft met haar story niet het laatste woord over Bernhard gezegd. De man zal nog vele decennia in het nieuws blijven. Zo las ik onlangs dat  Bernhard al in 1976 tijdens de verhoren van de Lockheed- affaire ondervraagd werd over zijn buitenechtelijke dochter Alicia. Bernhard zal de historie ingaan als een opportunist. Hij maakte van elke gelegenheid gebruik om mensen en dingen te versieren. Hij wrong zich hogerop. zoals parvenu Kegge uit Camera Obscura

 
CULTUURMIX 27 APRIL

De Gelukkige huisvrouw

Die zonovergoten, milde vrijdagmiddag zagen wij in zaal 8 van mijn favoriete theater Pathé De Kuip een meeslepende, tot op het bot gaande film: honderd minuten trokken wij op met  de bloedmooie  Lea Meyer, die  als stewardess in de lucht op een roze wolk en als echtgenote  van vastgoedman  Harry op de aardbodem  in  een riante villa voluit van het leven geniet. Ik heb het over de tragikomedie ‘De Gelukkige Huisvrouw’ van debuterend regisseuse  Antoinette Beumer.

Beumer liet zich bij haar werk uiteraard leiden door scenarioschrijvers en dat waren Marnie Blok en Karen van Holst, die de gelijknamige, deels autobiografische roman uit 2000 van Heleen van Royen in een sterk script wisten om te zetten. En ik zeg het maar meteen: het kwartet Heleen, Marnie, Karen en Antoinette leverde zulk subliem werk geleverd dat de vijfde vrouw in het complot, Carice van Houten in de zoveelste glansrol in haar carrière alleen maar kan stralen.

Het droomhuwelijk van Lea en Harry - op het doek gezet  door Waldemar Torenstra -  dreigt een barst op te lopen als manlief een kinderwens verwoordt. Lea heeft in haar wereldje alles op orde en een kind past niet in haar denkraam. Zij gaat echter overstag als de toekomstige vader de moeder in spe toezegt tot aan de geboorte van de spruit elke dag seks met haar te hebben. Na een pittige zwangerschap en een zware bevalling is daar Junior, maar bij zijn moeder slaan alle knoppen door.

Lea belandt in een postnatale depressie en vervolgens in een psychose die tot een gedwongen opname in een psychiatrische inrichting leidt, waar groepstherapie haar uit het dal moet halen. Confrontatie met een verdrongen trauma uit haar jeugd waarin haar suïcidale vader de spil is, trekt haar uit de malaise. Verward en wezenloos arriveert zij in de kliniek, helder en vastberaden keert zij weerom, maar pas dan als zij de begrafenis van toen opnieuw beleefd heeft.

Ik haast mij te zeggen dat ‘De Gelukkige Huisvrouw’ echt geen loodzware film is, want dwars door de motieven van geboorte, dood, zwangerschap en moederschap tintelt en sprankelt het van staaltjes  humor en zelfspot. Vooral door het sublieme acteren van Carice van Houten – zij is  bijna constant in beeld maar verveelt nooit - heeft elke  kijker er vrede mee dat  Lea aan de finish weent om haar pa die ooit in het water stapte en lacht om haar zoon die blij in de wieg ligt. 

Carice van Houten bezorgde mij door haar rollen in o.a. ‘Zwartboek’, ‘Valkyrie’, ‘Alles is liefde’, ‘Komt een vrouw bij de dokter’ al veel kijkgenoegens, maar haar acteren in ‘De Gelukkige Huisvrouw’ spant  de kroon. In deel twee van de film, die vooral als locatie de kliniek voor gemankeerde mensen heeft die in kringgesprekken demonen uit het verleden moeten zien te overwinnen, doet zij mij denken aan Jack Nicholson die in een zelfde situatie de boel op stelten zet.

Dat doet hij in ‘One flew over the cuckoo’s nest’ en mede door zijn spel werd die film een prachtige mix van komedie en tragedie, van een lach en een traan, van het zoete en het zure, van het licht en het donker. Carice van Houten is in deze  zijn evenknie, mede door haar perfecte timing en door  haar talent van zonder enige gêne welke emotie dan ook te verbeelden. Zij vrijt met Harry, ruziet met vroedvrouw, baart Junior, valt weg in een psychose, krabbelt op in de kliniek.

Steeds is zij de vrouw die heel soepel elke positie inneemt. Vooral die in de inrichting voor geesteszieken, waar therapeuten het ritme bepalen, intrigeerde mij. Niet vreemd bleek mij want regisseuse Beumer had een heel persoonlijke reden om de  bestseller van Van Royen te verfilmen. Zo zegt zij tegen Annemart van Rhee in AD:

‘Mijn vader zit al dertig jaar in een inrichting op de zwaarste afdeling. Ik kom daar al drie decennia en daarom wilde ik laten zien hoe het daar is. Vaak valt er echt te lachen: de mensen daar zijn heel erg dichtbij wie we zijn, maar dan raar, Daardoor heb je steeds het gevoel dat je naar een slecht toneelstuk zit te kijken. Kortom: ik heb echt niet overdreven. Met het maken van ‘De Gelukkige Huisvrouw’ heb ik nu het idee dat ik in mijn eigen film ben beland.’

Lea wordt na korte tijd uit de kliniek ontslagen: om  Vasalis te parafraseren ‘en elke week is haar niet het lot beschoren opnieuw een bange idioot te zijn gebleven’.  

Beelden van ‘De Gelukkige Huisvrouw’ zullen op mijn netvlies blijven. Ik heb het dan zeker niet over de bevalling waarbij inknippen en uitscheuren de harde en barse woorden zijn voor een ruptuur van vele centimeters. Maar wel over de wanhoop van Lea als zij haar zoon in een kartonnen doos in de kelder stopt, de verbijstering van moeder als zij naar het verleden moet omzien, de blijdschap van vader Harry, de gespleten wereld van de zieken, de kille routine van behandelaars.

Oranje magie

Er zijn nog vele titels te vergeven op het voetbalterrein: de vaderlandse, die van de beker, die van de champions league en de mondiale. Ik verheug mij vooral op de wedstrijden in Zuid-Afrika, wanneer onze boys via Denemarken, Japan en Kameroen de achtste finale moeten bereiken. Om mijzelf in the mood te brengen, lees ik nu al Oranje magie van Mik Schots en Jan Luitzen, die hun bundel de ondertitel meegaven van ‘Baltovenaars van Lenstra tot Van Persie’.

Liefhebbers van het voetbal mogen uitgeverij Amstel Sport dankbaar zijn voor dit sportboek van 254 bladzijden, want van 23 voetballers van naam en faam geven zij steeds drie verhalen, met doorgaans als vertrekpunt een specifieke interland. Het gaat niet aan dat ik met u een tocht maak door alle story’s, die in vijf rubrieken ondergebracht zijn: Ongenaakbare dribbelaars, Gepolijste flankspelers, Onaanraakbare supersterren, Subtiele spelverdelers en Onvermoeibare buffelaars. 

Veel beter is dat ik u de titels geef van de in mooi Nederlands geschreven verhalen want u zal dan duidelijk worden hoe origineel en spiritueel Schots en Luitzen zijn in hun typeringen. Robin van Persie de eigenzinnige, Arjen Robben de versnellende, Ibrahim Afellay de draaiende, Ryan Babel de druistige en Eljero Elia de wervelende dribbelaar. Coen Moulijn de trappelende, Sjaak Swart de flegmatieke, Piet Keizer de stuurse en Rob Rensenbrink de sierlijke flankspeler.

Abe Lenstra de rechtlijnige, Faas Wilkes de expressionistische, Johan Cruijff de voorbeeldige, Marco van Basten de majesteitelijke, Dennis Bergkamp de toucherende en Patrick Kluivert de gevallen superster. Jan Mulder de schrijvende, Willem van Hanegem de lepe, Rafael van der Vaart de sjokkende en Wesley Sneijder de stekende spelverdeler. Ruud Gullit de overheersende, Ruud van Nistelrooij de doelgerichte, Dirk Kuijt de onverzettelijke en Klaas-Jan Huntelaar de onverstoorbare buffelaar.

Het is nu een enerverende bezigheid in Oranje magie te traceren waarom en waardoor het duo Schots en Luitzen tot deze naar mijn idee rake en veelal vleiende bijvoeglijke naamwoorden gekomen zijn. De auteurs onderscheiden zich door een persoonlijk arsenaal aan visies, commentaren, herinneringen en fantasieën en hun leidraad daarbij is dat deze spelers het waard zijn te worden geëerd met analyses van hun kwaliteiten. Zij leren ons beter kijken naar spel en spelers.

Mik Schots en Jan Luitzen kunnen heel mooi schrijven. Ik ga dat aantonen door hen via de eerste drie alinea’s van hun Inleiding te citeren.

‘Het Nederlands elftal wordt structureel tot de beste landenteams van de wereld gerekend. Het heeft bovendien de naam oogstrelend, aanvallend te spelen en is daarom een graag geziene gast op Europese en wereldkampioenschappen. Daar stelt het vaak teleur, ook al omdat spelers en supporters zich vooraf graag rijk rekenen. De ene keer worden de hooggespannen verwachtingen vanaf  het begin niet waargemaakt, de andere keer worden de meest fantastische en bejubelde overwinningen direct gevolgd door desastreuze nederlagen. De Nederlandse deelname is nooit kleurloos. Oranje is altijd spraakmakend, al is het maar door de uitdossingen en het uitbundige gedrag van de supporters, door interne strubbelingen en conflicten of een enkele keer door grof spel. Maar meestal zorgen de spelers ook voor memorabele acties op het veld. Bijna altijd kunnen we achteraf vaststellen dat we, hoewel we niet hebben gewonnen, eigenlijk wel de beste waren of dat op zijn minst hadden kunnen zijn. Nederland beschikt namelijk per definitie over een bundeling spelers met exceptionele kwaliteiten. Zie de huidige lichting. Argentinië heeft Messi, Portugal Ronaldo, Engeland heeft Beckham en Rooney, Frankrijk Henry, Brazilië Ronaldinho en Robinho, Spanje Fabregas en Fernando Torres: balvirtuozen die een wedstrijd kunnen beslissen. Maar Nederland heeft – mits niet geblesseerd Van Persie, Sneijder, Robben én Van der Vaart, met daarvóór of ertussenin Van Nistelrooij, Kuijt of Huntelaar. En als het even niet lukt, staan Babel en Afellay klaar om het over te nemen. En dan moeten ze nog oppassen ook, want Elia staat te trappelen de basisplaats van iemand in te pikken. Zij bezitten stuk voor stuk de gave van de geniale ingeving, de oogverblindende streling van de bal, van het afmakend vermogen. Pure schoonheid met resultaat. Ze vullen elkaar prachtig aan en zorgen gezamenlijk voor de magie van Oranje. Sommigen van hen zijn ongenaakbare dribbelaars, die in het hedendaagse 4-2-3-1 systeem om de spits heen cirkelen. Zij zijn de ware opvolgers van de gepolijste flankspelers, die in het oud-Nederlandse 4-3-3 systeem aan de zijlijn plakten. Anderen zijn subtiele spelverdelers, die zich binnen en buiten het veld regisseurs tonen. En dan zijn er nog de onvermoeibare buffelaars, met werklust als ongeëvenaarde kwaliteit. Een enkeling lijkt zelfs ooit in aanmerking te komen voor de status van onaanraakbare superster. Die kan zich ontwikkelen tot een alleskunner, waarvan we er in het verleden een aantal hebben gehad. Genoemde spelers vormen met elkaar de onweerstaanbare Oranje- aanval, die ook in Zuid-Afrika tijdens het WK weer in staat moet zijn om de harten sneller te doen kloppen.’

Oranje magie, Mik Schots en Jan Luitzen brengen u in contact met de baltovenaars.  

 
CULTUURMIX 21 APRIL

Andere Achterhuizen

De voorbije paasdagen nam ik een bundel tot mij die schrijnend in mij zal blijven voortleven. Ik heb het over Andere Achterhuizen van Marcel Prins en Peter Henk Steenhuis met ondertitel ‘Verhalen van Joodse onderduikers’ en met uitgever Athenaeum-Polak & Van Gennep. De 280 bladzijden vormen een document dat helaas zijn weerga niet kent, want van de  landgenoten die door de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog op transport gesteld werden, kunnen weinigen het navertellen.

Dat kunnen wel  Rita Degen uit Amsterdam, Jaap Sitters uit Naarden, Leni de Vries uit Neede, Harry Cohen uit Utrecht, Sieny Kattenburg uit Amsterdam, Benjamin Kosses uit Oude Pekela, Rose-Mary Kahn uit Amsterdam, Maurice Meijer uit Amsterdam, Johan Sanders uit Enschede, Lowina de Levie uit Amsterdam, Jack Eljon uit Amsterdam, Lies Elion uit Amsterdam, Michel Goldsteen uit Meppel, Bloeme Emden uit Amsterdam en Donald de Marcas uit Leiden hun relaas.

Waarom ik de namen van vertellers met hun plaats van geboorte aan u doorgeef? Om te illustreren dat onze medeburgers met Joodse roots verspreid over het hele land maar vooral in de hoofdstad hun domicilie hadden en dat hun namen  niet altijd hun achtergrond weergeven. Met andere woorden: de meer dan honderdduizend Joden onder ons namen op hun eigen wijze  deel aan de samenleving totdat het Hitler en zijn beulen het beliefde hen te isoleren en de dood in te jagen. 

Marga Minco verhaalt in haar kleine kroniek Het bittere kruid over het nemen van foto’s als het Joodse gezin waarvan zij deel uitmaakte door de Duitse bezetters op de huid gezeten wordt. Het devies van haar ouders was dat de persoonlijke platen leuk voor later zouden zijn.  Recentelijk had ik het met u over Nooit verleden tijd van Lex Lesgever, Tante Roosje van Paul Glaser en Hitte van het bloed van Irène Némirovsky en steeds waren er die navrante foto’s. Navrant omdat van de poserende personen verreweg de meesten niet uit het oosten mochten  thuiskomen.

Ook in Andere Achterhuizen staan foto’s, maar dan vooral van de vijftien die de Holocaust overleefd hebben. Hun verhaal begint met een foto van vlak voor of net in de oorlog en eindigt met een uit 2009 of 2010. De tussenliggende levensjaren zijn getekend door het leed dat hen werd aangedaan omdat ze van Joodse origine waren. Te triest en te driest om te bevatten. Maar het gebeurde wel.

Ik zei het u al meerdere malen: met mijn leerlingen havo en vwo 4 las ik steevast fragmenten uit Het Achterhuis van Anne Frank. Het dagboek van de montere, wijze, gevoelige en breekbare puber van Prinsengracht 263 raakte hen immer zeer. Het kantoorgebouw van haar vader werd als Het Anne Frank Huis een icoon van de Shoah. Op de omslag van Andere Achterhuizen staat een foto van het huis van de familie Drenth in Stadskanaal, waar Bennie Kosses destijds ondergedoken zat.

Naar die boerderij blijf ik kijken. Hoe moedig waren vader en moeder Drenth: zij boden aan zestien onderduikers een veilig onderkomen. Een van hun kinderen, Lammie, raakte door Bennie zwanger en december 1944 werd hun kleine meid geboren. Een andere foto laat  Bennie en Lammie temidden van een blije groep als bruid en bruidegom zien. ‘Na de oorlog zijn wij getrouwd, precies zoals vader Drenth graag wilde. Onze oudste dochter is nu vijfenzestig,’ schrijft Bennie begin 2010.

Andere Achterhuizen roept erom geciteerd te worden. Dat ga ik dan ook doen. Maar eerst dit. De vijftien Joodse onderduikers, die hun verhaal doen onder titels als ‘De sterren zijn verdwenen’, ‘Morgenochtend, dan haal ik haar’ en ‘Drie piano’s’, onderscheiden zich doorgaans sterk van elkaar, hoewel zij door de jaren van onderduik uiteraard veel met elkaar gemeen hebben. Ieder van hen kwam met littekens uit de oorlog maar ieder van hen heeft een eigen verhaal.

Judith Herzberg zegt het in haar inspirerend Voorwoord zo: ‘Ondanks de enorme verscheidenheid is er toch één ding dat opvalt in alle ervaringen: het achteraf gezien absurde gegeven dat een kind maandenlang, soms zelfs jarenlang, zichzelf niet mag zijn, maar zijn ‘zelf’ moet verbergen. Ongelofelijk hoe dat, in elk geval bij deze overlevenden, lukte. Hoe ze zich ook telkens wee konden aanpassen en invoegen in een leven dat vreemd en helemaal nieuw voor ze was.’  

Leni de Vries  doet in ‘Tante Nelly’ haar relaas en dat start zo: 

‘Mijn herinneringen gaan terug tot 1941, toen was ik drie jaar oud. Bij het knippen van mijn amandelen moest ik een wit emaillen bakje met twee oren en een blauw randje vasthouden, Ik had een bruine, rubberen schort om, dat de zusters over mijn hoofd hadden aangetrokken. Op dat schort zette ik het witte bakje. De dokter kwam binnen, en even later begon hij met een soort slalepel en vork te knippen. De rest van de operatie herinner ik me niet, ook de pijn niet. Wel dat ik die nacht in het ziekenhuis moest blijven, en in een bedje met houten spijltjes heb geslapen. ’s Nachts zetten ze me daar op een ondersteek, zo’n ouderwetse po. Vreselijk. Door het besmettingsgevaar mochten mijn ouders niet bij me komen. Ik heb een pop gekregen, volgens mij van een verpleegster, maar naar later bleek van mijn grootmoeder. Dat is mijn eerste herinnering. Ik was echt alleen, zonder de zorg van mijn ouders of grootouders. Mijn grootvader liep elke sjabbat van Neede naar Borculo, waar de sjoel, de synagoge was. Zeven kilometer heen, zeven terug. Daar is mijn vader niet aan begonnen. Voor de oorlog had hij wel een koosjere slagerij. Net als de andere Joodse slager uit het dorp verkocht hij alleen rundvlees, terwijl de drie overige slagers van Neede zich beperkten tot varkensvlees. Toen die anderen na de oorlog ook rundvlees begonnen aan te bieden, ging mijn vader overstag en verkocht sindsdien ook varkensvlees. Mijn moeder, zo vertelde ze mij later eens, heeft wel geprobeerd de sjabbatsavond in ere te houden, maar we moesten zo vaak zo lang op mijn vader wachten dat wij boven het eten in slaap vielen. Het Jodendom bestond voor mij uit de geborgenheid die mijn grootmoeder mij gaf. Een grote vrouw met een jurk vol vlekken waarop een grote zilveren broche gespeld was. Ik kroop graag bij haar op schoot. Die jurk was heel bijzonder voor me. Hij was een heel aparte tint bruin, een soort donker brons, en straalde als het ware warmte uit. Ik heb later nooit meer zulk bruin gezien. Nadat wij waren ondergedoken, zijn mijn grootouders uit huis gehaald. ‘Wij gaan niet weg uit Neede, we hebben hier ons hele leven gewoond.’ Ze zijn op 14 mei 1943 vermoord in Sobibor.’ Op bladzijde 63 van ‘Andere Achterhuizen’ staat een foto van de grootmoeder van Leni. Met een glimlach om haar lippen blikt zij ons aan. Maar omdat zij de pech had Jodin te zijn …

Herinneringen aan ’40-’45

Kom ik daar die woensdagmorgen in de Grote Zaal van het door mij zo beminde Museum Dorpsbehoud Papendrecht om de tot 22 augustus gaande expositie ‘Herinneringen aan ’40-‘45’ te visiteren, arriveer ik in de rechterhoek bij het raam aan de straatkant voor een foto die mij verraste. In de groep van tien mannen van de door dokter Rietveld samengestelde verzetsgroep ontwaar ik Jan Levisson, over wiens voorzaten ik in Vogelvrij van Sytze van der Zee gelezen had.

Jan Levisson staat daar met geweer te poseren temidden van zijn strijdkompanen Jan Matena, Wim de Koning, Jan Vink, Cees Korteland, Michel Bogers, Jo Hardam, Jos de Baat, Pleun Visser en Fred Roepert. Waarom ik de namen noem? Om u te illustreren hoe opvallend het is:  het Joods ’Levisson’ tussen al die Papendrecht typerende namen. En inderdaad de ouders van Jan Levisson kwamen in 1890 uit Litouwen en vestigden zich via Amsterdam en Oldenzaal in Dordrecht. 

Van der Zee gaf zijn geruchtmakend  relaas, waarin hij vergeten en weggemoffeld verraad oprakelt, de ondertitel mee van ‘De jacht op de Joodse onderduiker’ en een van de meest intrigerende hoofdstukken daaruit vormt voor mij ‘Harry Evers’. De moffenknecht en jodenvervolger Evers werd juli 1945 opgepakt nadat er in Dordrecht een pamflet verspreid was onder de kop ‘Tot hiertoe en niet verder!’, geschreven  door verzetsman sergeant-majoor Max van Pelt.

Ik citeer. ‘Evers toonde zich allerminst onder de indruk en sloeg vier dagen later terug door een Joods lid van de BS dat het had gewaagd een aanklacht tegen hem in te dienen, te laten arresteren. De man betichtte hem ervan dat hij begin 1943 opdracht had gegeven diens ouders, het echtpaar Levisson, met een ziekenwagen op te halen uit een bejaardentehuis in het ten zuiden van Schiedam gelegen Poortugaal. Een getuige vertelde later dat toen hij Evers vroeg of hij het niet verschrikkelijk vond twee zulke bejaarde, zieke mensen te moeten meenemen, deze laconiek had geantwoord: ‘Ja, ik ben er ook maar voor aangewezen.’

De moeder, Jette Levisson-de Boers, ging op transport naar Westerbork en vervolgens naar het vernietigingskamp Sobibor. De demente Mozes Levisson, een vierentachtigjarige logementhouder uit Dordrecht en vader van twaalf kinderen uit twee huwelijken, mocht terug naar het tehuis en overleed daar op 9 januari 1943.’

Via de site ‘Familie Levisson’ van de Papendrechtse historica Van Blokland-Visser   achterhaalde ik dat een van de kinderen van Mozes en Jette de latere onderduiker Jan Levisson is, die na de oorlog huwde met Jans, de dochter van zijn redder Pieter de Koning, die in 1947 als crosser de hoogste Amerikaanse onderscheiding ‘The Medal of Freedom’ en de namens de Engelse koning ‘The Medal of Courage’ in de Blauwe Zaal aan het Westeind ontving.

Eind jaren zestig mocht ik de vakken Handelsrekenen, Boekhouden en Nederlands op de Prins Bernhard MAVO o.a. geven aan Jette Levisson uit de Camphuijsenstraat. Over dit vrolijke meisje met de blonde krullen vernam ik van directeur Krullaars terloops dat zij Joodse wortels had. In die tijd werd er nog veel over het recente oorlogsverleden gezwegen en het bericht nam ik als kennisgeving aan. Het drong niet tot mij door dat Jettes familie slachtoffer van de  Shoah kon zijn.

Nu weet ik helaas beter. Ik blikte naar de foto met Jan Levisson, de vader van Jette, en mij overvielen gevoelens van plaatsvervangende schaamte: hoe kon het gebeuren dat medeburgers op transport gesteld werden naar vernietigingskampen, enkel en alleen omdat zij Jood of Jodin waren. Een van de doelstellingen van het bestuur van de Stichting Dorpsbehoud is de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog aan latere generaties doorgeven. Het is daar weer in geslaagd.

Ik geef u nog enkele impressies door van ‘Herinneringen aan ’40-‘45’. Zo staat op drie  kaarten: ‘Wat ook vall Oranje en Weermacht staan pal’, ‘Zonder vuur en zonder licht bleef Oranje toch in ’t zicht’ en ‘Juicht alomme, onze bede werd verhoord: het is weer vrede! ’;  zo  luiden teksten  bij  foto’s o.a.: ‘Pontonniershaven Duitse soldaten gaan op patrouille’, ‘Duitse soldaten zwemmen in de Merwede bij ’t Zand’, ‘Duitse soldaten patrouilleren op de Merwede nabij de Kerkbuurt’, ‘De Gereformeerde kerk aan de Veerweg werd als noodhospitaal ingericht’, ‘Leden van het Rode Kruis hielden de wacht op de kerktoren’, ‘In de oorlog werden boeren verplicht een deel van hun weidegrond te ‘scheuren’ om er graan op te verbouwen’, ‘Tuinderij Van der Linden, waar de auto van dokter Rietveld ondergedoken was’, ‘Op een ark als deze werden in de Biesbosch onderduikers verborgen’ en ‘Eten uit de ‘gaarkeuken’ omdat je anders helemaal niks te eten had’.

In vitrines op de eerste verdieping van Museum Dorpsbehoud ontwaarde ik radio het ‘Kleine Zonnetje’, carbidlamp, broodoven, graanmolen, knijpkat/dynamo zaklamp, oorlogskachel, bonkaart voor brood en aardappelen, distributie- en stamkaart,  zakje theesurrogaat en twee attributen met daarbij het kaartje ‘Vader van Jannie Viveen ruilde met ijscoman Huter deze jutezak en portemonnee voor voedsel’. De voorwerpen verhaalden stil hun eigen verleden uit de oorlog.

Ik las ook een cynische annonce  over de man van al het  onheil: ‘Heden overleed, na een langdurig en smartelijk doen lijden van de ganse beschaafde wereld, de Führer aller Germanen Adolf Hitler, oud schilder, o.a. uitvinder van wereldoorlogen, concentratiekampen en massamoorden. De crematie had plaats in zijn Hoofdbunker aan de Wilhelmstrasse te Berlijn. Wegens desolate toestand van den bunker geen rouwbezoek, geen eerbetoon en geen bloemen. Berlijn, 1 Mei 1945.

Lang maakte ik halt en front voor de foto’s met de  onderschriften ‘Schip met honderden krijgsgevangenen op weg naar Duitsland’ en ‘Bombardement 7 oktober 1944 Middenpolder en Dijkstraat’, voor de affiches met de teksten ‘Sire, dat vergeten wij nooit  28 mei 1940 Leopold III beschermt zijn door de oorlog geteisterde bevolking tegen aanvallende duikbommenwerpers’,  ‘1944 De invasie het kerkhof der geallieerden’ en ‘Bevrijdingsproclamatie Koningin Wilhelmina 1945’.

Een tocht door de manifestatie ‘Herinneringen aan ’40-‘45’ beveel ik u van harte aan. Als u in het rustieke pand aan de Veerdam verwijlt, neemt u dan ook tot u de tekst ‘Op 7 mei 2005 werd het straatnaambord Pieter de Koninghof onthuld door de drie nog levende kinderen Annie, Jans en Cees’. Ik vind het van innerlijke grootheid getuigen dat Margré van Wijngaarden en de haren via Stichting Dorpsbehoud ons in verwondering en in verbazing doen omzien. Hulde aan hen.

 
CULTUURMIX 12 APRIL

Vogels in de kop -  deel 3

Ik haast mij het u te melden: de 599 bladzijden van het derde deel van de tintelende en sprankelende  trilogie Vogels in de kop van Jan Desmet met ondertitel ‘Over de menselijke kijk op vogels’ en van uitgeverij Atlas heb ik tot mij genomen en de tocht erdoorheen was fenomenaal en fascinerend. Het was van een grote schoonheid te lezen over meerkoet, meeuw, merel, nachtegaal, oehoe, oeverzwaluw tot vink, visarend, zanglijster, zeearend, zeekoet en zwaan.

Op de omslag had ik de door ‘koppensneller’ Desmet geselecteerde krantenberichten al gelezen: Roodborstjes dood door overdosis alcohol, Wethouder weg na doodschieten reiger, Jongens stenigen zwaan, Scholekster broedt op dak koninklijke villa, Pauw moet wijken voor tenor, Meeuw scoort doelpunt, Duif nestelt in nek meisje, Miljoenen spreeuwen ruïneren kersenoogst, Minister ontketent vinkenoorlog, Slechtvalk veert op dankzij industrie en Bomen om spreeuw gekapt.

Mijn verwachtingen gewekt door de krantenkoppen werden voor de derde maal ver overtroffen. Ik kende de aanpak van Desmet, waarover ik u een jaar terug al berichtte toen de eerste twee delen van Vogels in de kop het licht zagen, en al lezende kwam ik opnieuw in de ban van zijn min voor en zijn kennis over het gevogelte, die hij in mooie taal heel origineel weet te vatten. Desmet verstaat de kunst zijn hang naar wat fladdert en vliegt bijkans literair aan de man  te brengen. 

Ik zei het u al eerder: ik heb een zwak voor vogels, ze  kleuren mijn bestaan in. Ton Lemaire met zijn Op vleugels van de ziel, Kester Freriks met Vogels kijken, Kees Moeliker met De eendenman, ‘Albert  Beintema met Mijn vogels, Hans Dorrestijn met Vogelgids, zij zijn al lang mijn gids, omdat zij hun passie voor valk, leeuwerik, ortolaan, kraai, ral en buizerd op mij over weten te brengen. En nu is daar de naturalist, publicist en bewaarder van dierenerfgoed, Jan Desmet.

Vanaf 1984 speurde Desmet naar krantenkoppen die van vogels gewaagden, knipte de berichten uit, verzamelde ze en catalogiseerde ze. De neerslag van zijn dagelijkse gang door de papieren kolommen bracht hij onder in de reeks Vogels in de kop, die nu heerlijk compleet is. Nooit eerder las ik zo’n meeslepend  relaas over de rond ons verwijlende vogels, die het bestaan  meer allure geven. Desmet reikt heel toegankelijk een arsenaal aan vogelkennis door die ons verrijkt.

Ook het derde deel van Vogels in de kop roept erom geciteerd te worden. Dat ga ik dan ook doen maar eerst nog een persoonlijke ontboezeming. Ik meldde u al eerder over vogelplaatjes op mijn netvlies die ik daar al jaren koester. De jonge uilen op de klopstok van de buurvrouw, de foeragerende zwaluwen rond onze Drentse vakantieboerderij, de eenzame ransuil op de hei daar vlakbij, de boomklever op de kastanje in eigen straat, de groene specht kloppend in de achtertuin. En ook de immer terugkerende roodborst onder onze hazelaar, de flitsende ijsvogel door het  park Slobbengors, de rietgors langs de Boezem, de blauwe reiger langs de poldervaart, de putters in het struikgewas van Molenvliet, de groenlingen in de bosschages van Oostpolder,  de mezen, de merels, de mussen om het huis, de meerkoeten en waterhoentjes in de vijver. Hun beelden kan ik zo op mijn netvlies terugroepen.  Ik bemin vogels: ze geven immers glans aan het leven.

Daar het mij moeilijk valt een  fragment te selecteren die in zijn uppie de glans en glamour van Vogels in de kop uitstraalt, ga ik nu citeren uit het hoofdstuk ‘Roodborst’ en volgende keren uit ‘Specht’, ‘Sperwer’ en ‘Spreeuw’.

‘Waarom heeft een roodborstje een rood borstje?’ Lang voor het bestaan van krantenrubrieken en studentikoze dagbladjournalisten (‘Een rood borstje is als een decolleté’) zochten gelovigen een verklaring voor de rode borstvlek van dit lieflijke vogeltje. Volgens één legende trok een roodborst bij de gekruisigde Jezus enkele doornen uit diens kroon: ‘Maar plots verspringt de dorensteek / diep in zijn kleurloos grauwe veren / het voelt de pijn zijn kracht verteren / zijn borstje kleurt nu rood en week.’ Het hulpvaardige vogeltje bezeerde zich en kwam onder het bloed te zitten … Een echte legende, want in Israël leven geen roodborstjes en medelijden ging aan deze individualisten voorbij. Erger, roodborsten blinken uit als vechtersbazen. Het zijn verstokte grondeigenaars die zowel in als buiten de broedtijd een persoonlijk territorium verdedigen en indringers eruit bonjouren. Alleen tijdens de zomerrui en als ze uitgevlogen jongen voederen (eind mei, juni) brandt hun agressie op een lager pitje. Al jaren koesteren wij in de tuin ‘onze’ roodborst, maar Desmet: ‘Een leeftijd van twee, drie jaar is voor roodborstjes een fraai gemiddelde; om vier jaar of ouder te worden moeten ze een olympische prestatie leveren.’ 

Vogelvrij

Uren vol verbijstering bracht ik al lezende door in het intrigerende en onthutsende relaas van Sytze van der Zee. Ik heb het over diens  541 tellende verslag van een speurtocht door zo’n 350 dossiers die betrekking hadden op hen die tijdens de Tweede Wereldoorlog in ons land uit financiële overwegingen jacht maakten op Joodse medeburgers, van wie sommigen  hun toevlucht  in een onderduik zochten. Vogelvrij, zo gaat de titel van het verdrietig stemmende  boek.

Sytze van der Zee  begint  zijn Voorwoord aldus. ‘Machteloos, vogelvrij verklaard: aldus omschreef een jonge onderduiker, de dan vierentwintigjarige Abraham Cohen, in zijn oorlogsdagboek de gevoelens waar hij voortdurend mee worstelde. En zo moeten zich ook al die andere duizenden Joodse onderduikers hebben gevoeld, op hun schuiladres ergens in de stad, op het platteland. Vogelvrij in eigen land waren ze. Om opgejaagd, gedeporteerd en vermoord te worden.’

Ik begon aan Vogelvrij vooral omdat de omslag  het portret toont van het meisje dat  een icoon van de Holocaust is: Anne Frank. Met mijn leerlingen havo-atheneum 4 las ik immer in mei fragmenten uit de monumentale en memorabele uitgave De Dagboeken van Anne Frank uit 1986 van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, die de drie versies van Het Achterhuis naast elkaar zette. De jongelui in de klas vielen stil na het lezen van de brief aan Kitty op vrijdag 9 juni.

Nadat Anne gerept heeft over de invasie die volgens haar ‘prima- prima’ verloopt, schrijft zij volgens de versie c: ‘Hier is de opwinding weer wat bedaard, toch hopen wij dat de oorlog eind van het jaar eindelijk afgelopen zal zijn. Het zal tijd worden! Mevrouw Van Daans gezeur is niet om aan te horen, nu ze ons met de invasie niet meer gek kan maken, zanikt ze de hele dag over het slechte weer. Je zou zin hebben haar in een emmer koud water op de vliering te zetten. Je Anne.’

Uiteraard hadden wij het ook over verraad waarvan de bewoners van het achterhuis het slachtoffer geworden waren. Verder dan de naam van de leider van de groep personen die de overval op 4 augustus 1944 uitvoerde, SS-Oberscharführer Karl Josef Silberbauer te Wenen in 1911 geboren, kwamen wij niet. Het door de Weense autoriteiten in de jaren zestig ingestelde onderzoek had immers onvoldoende gegevens opgeleverd  om een vervolging tegen hem in te stellen.   

Van der Zee begint  zijn Vogelvrij, dat ‘De jacht op de Joodse onderduiker’ als ondertitel en De Bezige Bij als uitgever heeft, met zijn weergave van het eerste contact dat hij telefonisch met  Ton Ahlers in juli 2002 heeft: Ahlers deelt hem mee dat Tonny Ahlers de verrader van de familie Frank is. Fascinerend is het Van der Zee op zijn pelgrimage naar het achterhalen van de waarheid te volgen: Tonny Ahlers kan het niet geweest zijn, maar mogelijk wel de Jodin  Ans van Dijk.

In de epiloog ‘Prinsengracht 263’ komt hij tot deze voorzichtige veronderstelling:  Ans van Dijk, die in 1948 geëxecuteerd werd omdat ‘zij zich als verraadster volkomen dienstbaar heeft  gemaakt aan het brutale Duitse machtsapparaat tot het deporteren van ras- en landgenoten en zich daarbij tot de verfoeilijkste handelingen heeft geleend’ had de misdaad van het verraad van de onderduikers in het achterhuis op haar geweten. Het laatste woord hierover is echter nog niet gezegd!

Ik haast mij te melden dat Van der Zee niet alleen het lot van Anne Frank en haar zeven lotgenoten beschrijft, hij doet ook verslag van de verraders, verklikkers en jodenjagers die in ons land volop present waren. Om dat te illustreren wil ik het met u hebben over wat hij verhaalt over over Harry Evers uit Dordrecht, maar dan niet voordat ik een persoonlijke notitie gemaakt heb. Eind jaren zestig mocht ik op de Prins Bernhard Mavo les geven aan Jette Levisson.

Het vrolijke meisje met de blonde lokken was een prettige leerling  en een terloopse mededeling van directeur Krullaars dat Jette een Joodse achtergrond had, nam ik voor kennisgeving aan. Later vernam ik dat haar vader Jan Levisson door de Papendrechtse griendhandelaar Pieter de Koning in diens ark in de Biesbosch een plek tot onderduik verschaft was. Jette bleef voor mij Jette totdat ik het stuk las over Evers, die in 1945  opgepakt werd als vroegere moffenknecht- jodenvervolger.

Ik citeer. ‘Evers toonde zich allerminst onder de indruk en sloeg vier dagen later terug door een Joods lid van de BS dat het had gewaagd een aanklacht tegen hem in te dienen, te laten arresteren. De man betichtte hem ervan dat hij begin 1943 opdracht had gegeven diens ouders, het echtpaar Levisson, met een ziekenwagen op te halen uit een bejaardentehuis in het ten zuiden van Schiedam gelegen Poortugaal. Een getuige vertelde later dat toen hij Evers vroeg of hij het niet verschrikkelijk vond twee zulke bejaarde, zieke mensen te moeten meenemen, deze laconiek had geantwoord: ‘Ja, ik ben er ook maar voor aangewezen.’ De moeder, Jette Levisson-de Boers, ging op transport naar Westerbork en vervolgens naar het vernietigingskamp Sobibor. De demente Mozes Levisson, een vierentachtigjarige logementhouder uit Dordrecht en vader van twaalf kinderen uit twee huwelijken, mocht terug naar het tehuis en overleed daar op 9 januari 1943.’

Via de site ‘Familie Levisson’ van de historica Riet  Blokland-Visser achterhaalde ik dat eind negentiende eeuw de familie Levisson vanuit Litouwen naar Amsterdam en vervolgens naar Dordrecht was gekomen. Mozes  was een van hen, trouwde met Jette de Boers en een van hun kinderen was  de latere onderduiker Meyer (Jan) die huwde met Jans, de dochter van zijn redder De Koning, Vogelvrij is een doorwrocht werk. Chapeau voor Sytze van der Zee: hij rakelt vergeten verraad op.

 
CULTUURMIX 6 APRIL

Nooit verleden tijd

Mijn verontschuldigingen voor deze emotionele entree maar ik moet het aan u kwijt: tijdens mijn tocht door de 221 bladzijden van de memoires van Lex Lesgever met geboortejaar 1929 werd het  meerdere malen vochtig achter mijn ogen. Het door De Boekerij uitgegeven relaas Nooit verleden tijd met de ondertitel ‘De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een 13-jarige jongen in Amsterdam’ raakte mij tot op het bot, ging mij door merg en been, trof mij diep in het gemoed.

Ik haast mij te zeggen dat mijn gevoelens er eigenlijk niet toe doen. Het gaat immers om het levensverhaal van onze Joodse landgenoot Lex Lesgever wiens hele familie tijdens de ramp, die Holocaust heet, op onheilsplekken met verschrikkelijke namen als Sobibor, Mauthausen, Auschwitz en Birkenau door de Duitsers vermoord werd. Schrijnend is dan ook de opdracht in Nooit verleden tijd: ‘Dit boek draag ik op aan al mijn familieleden die in deze afschuwelijke oorlog zijn omgekomen.’ 

Nog triester is de indringende lijst die daarop volgt: de meer dan veertig namen van de in de kampen gruwelijk vermoorde leden uit de familiekring waarvan Lesgever ooit graag deel uitmaakte.  Als Salomon, Grietje, Wolf, Mozes, Marianna. Saartje, David, Abraham, Levie, Isaac, Esther, Aron en Benjamin mochten zij door het leven gaan, totdat het Hitler en zijn beulen beliefde er een boosaardig einde aan te maken. Die misdaad mag niet in vergetelheid raken, mag nooit verleden tijd worden.

Daarom getuigt het niet alleen van innerlijke grootheid en grote moed dat Lesgever het op kon brengen zijn herinneringen aan de Shoah op papier te zetten. Zijn verhaal vol doorleefd drama moet er toe bijdragen dat de jongelui van nu geconfronteerd worden met de loze zin en het drieste onheil van discriminatie omwille van ras, kleur, afkomst, opleiding, materieel gewin of wat dan ook.  Zijn Nooit verleden tijd dient op de middelbare scholen verplichte lectuur te worden.

Als leraar op De Lage Waard  las ik met de lui van HAVO en Atheneum 4 in mei van elk jaar klassikaal fragmenten uit Het dagboek van Anne Frank. Steeds weer traceerde ik in de rijen voor mij sporen van medeleven en medelijden met het leeftijdgenootje dat zo dapper was en niet aan de nazi’s kon ontkomen. Anne Frank, met de jaartallen 1929 en 1945, zou de leerlingen in hun verdere leven vergezellen en inspireren. Naar ik vurig wens,  is Lex Lesgever hetzelfde lot beschoren.

Het gaat niet aan dat ik u een resumé van Lesgevers relaas geef. Daar is het te goed voor. Daar is het te veelzeggend voor. Et staat geen woord te veel in. Er staat geen woord te weinig in. Het is met zijn woorden en zinnen verdeeld over achttien hoofdstukken zichzelf. Nooit verleden tijd start met herinneringen aan de traditioneel Joodse begrafenis van grootvader Moos Gompers in januari 1937 en eindigt met het relaas van zijn eenzame bezoek aan het kamp Bergen-Belsen in oktober 1985.

‘Zaterdag 22 februari 1941 Een zaterdagmiddag die begon zoals zo veel zaterdagmiddagen. In die tijd werkte men op zaterdag tot één uur en Jannie, de verloofde van Wolf, ging hem van zijn werk ophalen. Het gebeurde als donderslag bij heldere hemel. Het staat nog steeds in mijn geheugen gegrift. De oorlog was voor ons Joden nu pas echt begonnen, en voor mijn broer Wolf en Jannie al weer voorbij. Het was de eerste razzia die werd gehouden en Wolf en Jannie zaten er middenin.’ Een fragment dat in mij zal blijven.

En ook: ‘Om een uur of zes, halfzeven hoorden ze plotseling dat de voordeur werd ingetrapt. Mijn vader riep dat iedereen hem moest volgen en ging via de dakgoot dezelfde weg die ik al zo vaak was gegaan. Hij wilde naar de winkel van meneer Borkulo. Hij had het raam opengemaakt en stond samen met mijn moeder in de dakgoot. Max was als enige nog in ons huis, hij zou als hij naar buiten was geklommen het raam achter zich sluiten. Toen de Duitsers de kamer binnenstormden en Max pakten, draaide mijn moeder zich om en ging terug. Ze weigerde Max alleen te laten en mijn vader was al weg.’

En ook: ‘Op dat moment was ik helemaal alleen en wat er in mijn hoofd gebeurde weet ik niet meer, maar met een leeg wezenloos gevoel deed ik de deur naar de tuin open en ging naar buiten, Toen raakte alles in een stroomversnelling. Ik liep helemaal door naar het achterste gedeelte van de tuin, klom over de schutting en kwam in de tuin van de buren terecht. Ik klom over de volgende schutting en stond toen in een steegje dat naar Plantage Muidergracht leidde. Daar aangekomen stond ik als aan de grond genageld. Er was op dat moment niemand op straat en ik wist gewoon niet wat ik moest doen. Ik herinnerde me gelukkig wel dat mijn moeder op last van de Duitsers een Jodenster op mijn jas had genaaid en in paniek begon ik dat ding van de stof te pulken. Toen hij eraf was, gooide ik hem gauw in een put langs de stoeprand en keek verschrikt om mij heen of iemand iets had gezien, maar gelukkig was er nog steeds niemand te zien.’

Nooit verleden tijd is een belangrijk boek omdat het de realiteit van de ramp van de vervolging der Joden uit de eerste hand beschrijft. Ook is het een monument voor Lex’  moeder die voor haar zoon koos. Ook is het een aanklacht tegen de misdaad door Duitsers bedreven. Ook is het een waarschuwing tegen geweld. Ook is het een pleidooi voor vrede. Ook is het een eerbetoon aan hen die Lex door de oorlog heen hielpen. Ook is het een oproep tot begrip voor hen die met een trauma kampen. Wij zijn Lex Lesgever veel dank verschuldigd!  

Kandinsky en Der Blaue Reiter

Martinus Nijhoff dichtte in 1934 het sonnet ‘De moeder de vrouw’. Hij was naar Bommel gegaan om de nieuwe brug over De Waal te zien en toen hij die op zijn netvlies gekregen had, vlijde hij zich in het gras:

‘Mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd
Laat mij daar midden uit de oneindigheid
Een stem vernemen dat mijn oren klonken.
Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
Kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer.’

Die dinsdagmiddag vol serene zon had ik het Gemeentemuseum Den Haag een bijkans gelijke sensatie. Ik liep door de zalen van de tot en met 24 mei gaande tentoonstelling ‘Kandinsky en Der Blaue Reiter’, arriveerde voor ‘Impressie III (Concert)’ van Wassily Kandinsky uit 1911 en de waaiers van geel die over de vlekken en vlakken van zwart, wit, rood en paars gieren deden mijn oren klinken. Een staaltje van synesthesie optima forma: ik zag kleuren en ik hoorde klanken.

Ik wist dat in de belendende zalen werken mooi hingen te zijn van Franz Marc - ‘De panter’, ‘Twee paarden’ en ‘De stier’, van Gabriele Münter  - ‘Portret Marianne van Werefkin’, ‘Blik op Murnau’ en ‘Grafkruizen in Kochel’,  van August Macke -  ‘Wandeling op de brug’, ‘Drie meisjes met gele strohoeden’ en ‘ Hoedenwinkel’  en van Heinrich Campendonck - ‘Interieur met rode theepot’, ‘Meisje met geiten’ en ‘Dansende boer’ – toch  bleef ik voor de  Kandinsky’s verwijlen.

Ik bleef kijken naar ‘Rijdend paar’, ‘Het bonte leven’. ‘Mijn eetkamer’, ‘Spoorlijn bij Murnau’, ‘Kochel Kerkhof en pastorie’, ‘Improvisatie 6 (Afrikaans)’, ‘Oriëntaals’, ‘Berg’, ‘De koe’, ‘Improvisatie 26 (Roeien)’, ‘Romantisch landschap’, ‘Schilderij met witte vorm’, ‘Improvisatie zondvloed’, ‘Allerheiligen’ en ‘Een centrum’. Mij overviel de sensatie van het genot te mogen kijken. In mijn uppie, temidden van de scharen andere bezoekers, ontving ik eclatante lusten voor het oog.

De hand-out van het oogstrelende kunstpaleis aan Stadhouderslaan 41 vertelde : ‘In het begin van de 20ste eeuw zette een groep kunstenaars de kunstwereld volledig op zijn kop. Met hun expressieve, lyrische schilderijen vol felle kleuren stond Der Blaue Reiter, zoals zij zichzelf noemden, aan de bron van het ontstaan van het expressionisme in Duitsland. Kern vormden Kandinsky en zijn geestverwant Marc. Voor het eerst in ons land is er nu een groot overzicht van deze stroming. 

Om uw tocht naar Gemeentemuseum Den Haag context te geven geef ik u het levensverhaal van Wassily Kandinsky. Een volgende keer loop ik met u langs zijn werken waar de vonken vanaf spatten.

Kandinsky werd in 1866 in Moskou geboren. Hij was al een afgestudeerd jurist toen hij in 1896 een kunstopleiding ging volgen in München, In 1901 richtte hij zijn eigen kunstschool op, waar Gabriele Münter zijn leerlinge werd. Hij verbleef twee zomers met zijn schilderklas in Kochel en Kallmünz en ging van 1904 tot 1908 met Münter op reis, onder meer naar Nederland, Tunis, Rapallo en Parijs. Aansluitend vestigden Kandinsky en Münter zich weer permanent in München en ontdekten ze tegelijkertijd het plaatsje Murnau in de Beierse Alpen. In de zomer van 1908 brachten ze hier met Alexej von Jawlensky en Marianne von Werefkin een uiterst productieve schildervakantie door, die de doorbraak betekende van een kleurrijke, expressieve en abstracte schilderkunst. 

Begin 1909 richtten ze de Neue Künstlervereinigung München (NKVM) op en begon Kandinsky in zijn grotere schilderijen ‘indrukken van de innerlijke natuur’ vast te leggen: innerlijke visioenen, voorstellingen en fantasieën, die niet alleen als motief, maar ook als vormentaal de beeldende kunst nieuwe dimensies en uitdrukkingsmogelijkheden boden. In zijn streven naar autonome schilderkunst nam hij in de kleur en de lijn van zijn werk steeds meer afstand van de realistische weergave van de werkelijkheid. Begin 1911 leerde hij Franz Marc kennen. Ze ontwikkelden al snel een hechte vriendschap en verwijderden zich steeds meer van de gematigde leden van de NKVM.

Toen in december 1911 een schilderij van Kandinsky voor een geplande tentoonstelling van de vereniging werd afgewezen, verlieten hij, Marc en Münter de NKVM en organiseerden ze samen met andere kunstenaarsvrienden een eigen tentoonstelling onder de naam Der Blaue Reiter. In mei 1912 verscheen de door Kandinsky en Marc samengestelde almanak ‘Der Blaue Reiter’. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, gingen Kandinsky en Münter naar Zwitserland, waar hun wegen eind 1914 scheidden. Kandinsky keerde terug naar zijn Russische vaderland. In de winter van 1915-1916 ontmoette het paar elkaar voor het laatst in Stockholm. In Moskou was Kandinsky actief in diverse revolutionaire kunstcommissies tot hij in 1921 op uitnodiging van Walter Gropius naar Duitsland terugkeerde voor een docentschap aan het Bauhaus in Weimar. Hier werkte hij als hoofd van de ‘Werkplaats voor wandschilderkunst’ naast collega’s als Paul Klee. Nadat de nationaal-socialisten het Bauhaus  in 1933 hadden gesloten, emigreerde Kandinsky naar Parijs, waar hij in 1944 overleed.

Dit verhaal, dat sowieso u de titels van de Kandinsky’s meer toegankelijk maakt,  plukte ik uit de majestueuze catalogus die een lust voor het oog en een streling van het gemoed is. 

Ik kreeg daar in Den Haag beelden op mijn netvlies die ik mijn verdere leven zal koesteren.

 
CULTUURMIX 29 MAART

Jan van Goyen portrettist van Den Haag

Kom ik daar op die zonnige lentemorgen in zaal 8 van het door mij zo beminde Haags Historisch Museum aan de Korte Vijverberg om de tot en met 18 april staande tentoonstelling ‘Jan van Goyen portrettist van Den Haag’ te aanschouwen, arriveer ik in het hart ervan voor het grote en grootse doek ‘Gezicht op Den Haag’ uit 1651 en word ik uitgenodigd via een legenda de meer dan veertig molens, kerken, torentjes en andere gebouwen te traceren, die Van Goyen naar de werkelijkheid weergaf.

Zo ontwaarde ik op het in groen, bruin en blauw gehulde schilderij van 174 bij 460 centimeter Molen De Ooievaar, De Laakmolen, De Zuidmolen, De Heerenmolen, De Zustermolen, De Valkmolen, De ‘Spookbrug’ over de Paviljoensgracht, Het ‘Spookhuis’ waar ooit een moord werd gepleegd, Het Huis van Assendelft, De huizen die Van Goyen voor zichzelf liet bouwen, De Grote of St. Jacobskerk, Het Leprooshuis met de St. Corneliskapel, Het Oude Hof aan het Noordeinde.

En ook De Gevangenpoort, Het ‘Zweedse Huis’, Het Stadhouderlijk Kwartier, De Mauritstoren, Het Binnenhof, De Hofkapel, De Ridderzaal, De Kloosterkerk aan het Lange Voorhout, Het Mauritshuis en Het monumentale Huis van Constantijn Huygens, Het Huis van Johan de Bruijn van Buitenwech, Het Huis van Nicasius Kien, Het Huis van Thomas de Ruyt, Het Huis van Claes Dirckz, van Balckeneynde, alle vijf aan het Plein gelegen. Ik bleek kijken naar de contouren van toen.

De van oorsprong Leidse schilder Jan van Goyen met de jaartallen 1596 en 1656 behoort tot de belangrijkste schilders van de Nederlandse Gouden Eeuw. In 1632 verhuisde hij naar Den Haag, waar hij enkele jaren later hoofdman van het schildersgilde werd en tot zijn dood zou blijven wonen. Van Goyen was een zeer productieve schilder, en zijn meer dan 1200 schilderijen van zijn hand bekend. Daarnaast was hij met wisselend succes actief op de huizenmarkt en in de tulpenhandel.

Van Goyens landschappen worden over het algemeen gekenmerkt door een lage horizon met of zonder stadsprofiel en het overheersen van bruine en groene tonen in het kleurgebruik. Zijn werk is van grote invloed geweest op de ontwikkeling van de Nederlandse landschapsschilderkunst. In de zaal met topstuk ‘Gezicht op Den Haag’ is te zien hoe het werk van Van Goyen doorgewerkt heeft in de schilderijen van diverse schilders die ook Den Haag en zijn omgeving geschilderd hebben.

Wandelend door de zaal van ‘Gezicht op Den Haag’ maakte ik lang halt en front voor de werken van de schilders die in  Van Goyen hun inspirator vonden. Tot hen behoorden Jacob van der Croos met ‘Gezicht op Den Haag vanuit het west- noordwesten omgeven door twintig gezichten op de omgeving’  en Reinier van Laeck met ‘het Huis ter Nieburcht bij Rijswijk gezien vanuit het oost- zuidoosten’, zij manifesteren dat de grote kunstbroeder hen tot geweldige artistieke prestaties aanzette.

Ik verwijlde voor de werken ‘De Nieuwe Kerk aan het Spui’, ‘Het Nachtegaalspad’, ‘De bocht van Guinea’, ‘Panorama op Zorgvliet’, ‘Gezicht op de  Prinsessegracht’. ‘Gezicht op de Witte Brug’, ‘Gezicht op Den Haag met de Trekvliet’ en ‘Gezicht op Den Haag vanaf Catsheuvel’ en ik nam veel stedelijk schoons tot mij (om een surplus aan informatie te voorkomen noem ik de makers ervan  niet). Toch wendde ik mij steeds om naar het vergezicht van Van Goyen. Mijn beauty. 

Ik geef u de context van ‘Gezicht op Den Haag’ en laat mij daarbij leiden door het gezegde in de monografie Jan van Goyen portrettist van Den Haag, de eerste uitgave in de Groen-Gele Reeks, een nieuwe serie over de topstukken in de collectie van het Haags Historisch Museum. De burgemeesters van Den Haag  konden een oude grief niet vergeten. Hoewel sinds eeuwen al de zetel van het grafelijke en later het landsbestuur, was Den Haag niet vertegenwoordigd in de Staten van Holland.

Zo zien we in de marge van de bekende allegorische landkaart ‘Leo Hollandicus’ – Holland in de vorm van een leeuw – naast alle andere steden wel een afbeelding van Den Haag, maar de naam van de stad staat er niet bij. Boven het prentje van de Hofvijver staat enkel ‘’t Hof van Holland’. Niet de stad als geheel telde dus, maar alleen het bestuurlijk centrum. Als het er echt om ging, telde Den Haag als stad eigenlijk niet mee. In 1580 en later had de magistraat wel aangedrongen op toelating tot de Staten, maar zonder resultaat.

De andere steden hadden er geen behoefte aan de macht te delen. Sterker nog, Delft had in 1575 nog voorgesteld het onverdedigbare Den Haag plat te branden! Dat ging door tussenkomst van Willem van Oranje niet door. Het grote stadsgezicht van Jan van Goyen moest dus laten zien dat Den Haan meer was dan het Hof van Holland. Den Haag als geheel diende een gezicht te krijgen. En de impliciete boodschap was dat de stad, al werd haar de toegang tot de Staten ontzegd, toch meetelde in de machtige Hollandse Republiek.

Van Goyen ging natuurgetrouw te werk, vele gebouwen zijn te herkennen en ook vergelijking met oude kaarten bevestigt dat dit het echte Den Haag van 1651 is. Hij paste wel een truc toe: om de stad goed in het midden te krijgen en de vaart toch ook een centrale rol te geven, liet hij de Trekvliet afbuigen in zuidelijke richting. In werkelijkheid buigt de vaart nauwelijks af en loopt hij recht op de stad af. 

Kamers vol kunst

Die dinsdagmorgen in maart stond daar in zaal 3 van het immer oogstrelende Mauritshuis in het hart van Den Haag directeur Emilie Gordenker de verzamelde pers toe te spreken die afgekomen was op de preview van tot en 27 juni gaande tentoonstelling ‘Kamers vol kunst’ met de ondertitel ‘in 17de –eeuws Antwerpen’. Gordenker had zich opgesteld voor een pracht van een kunstwerk waarover ik steeds mijn ogen over liet dwalen: ‘Apelles schildert Campaspe’ van Willem van Haecht (1593-1637).

Natuurlijk had ik oog voor de geharnaste Alexander de Grote  die heel stoer blikt naar de vorderingen  van  hofschilder Apelles die zijn mooiste maîtresse Campaspe aan het portretteren is. Volgens het verhaal werd Apelles daarbij verliefd op haar. Toen het schilderij af was, gaf Alexander hem Campaspe cadeau. Zelf had hij immers genoeg aan haar portret, dat nog mooier was dan de echte vrouw. Dit verhaal was populair bij schilders, want het toont  dat de schilder de werkelijkheid kan overtreffen. 

Terwijl Gordenker haar woorden van welkomst door het kabinet liet zweven, blikte ik naar de kleine vijftig schilderijen, de negen antieke beelden en de vier bronzen beeldjes die Willem van Haecht omstreeks 1630 op het paneel schilderde. Voor mij waren daarbij onbetwist  de eyecatchers ‘De geldwisselaar en zijn vrouw’ en ‘Portret van een geleerde’ van Quinten Matsys, ‘Amazonenslag’ en ‘Tarquinius en Lucretia’ van Peter Paul Rubens en ‘Bloemstilleven’ van Daniël Seghers.

Maar ook ‘De gevangenneming van Simson’ van Anthonie van Dyck, ‘Gevecht tussen  een pauw en een haan’, ‘Cleopatra’ van Guido Reni, ‘Landschap met een schaapherder’ van Paulus Bril, ‘Marktscène  in een havenstad’ van Joachim Beuckelaer, ‘Loth en zijn dochters’ mogelijk van Frans Floris’ en ‘Judith en Holofernes’ van Adam Elsheimer arriveerden bij mij heel goed. Ik kwam in de ban van de target van Van Haecht: via een imaginair museum een ode aan de kunst brengen.

Na de bezielende zinnen van Gordenker wandelde ik langs de andere werken die met elkaar ‘Kamers vol kunst’ uitmaken. Ik verwijlde  lang voor ‘Kabinet van Cornelis van der Geest’ en ‘Kunstkamer met Anthonie van Dycks Mystieke huwelijk van de heilige Catharina, beide van Van Haecht, ‘Allegorie op de schilderkunst’ van Jan Brueghel de Jonge en voor ‘Kunstkamer met Gyges en Candaules’ van Gonzales Coques en ik geraakte in de ban van een voor mij nieuw genre.

Om u in de stemming van de grandioze galerij van ‘Kamers vol kunst’ te brengen praat ik u wat bij. Een kamer in een woonhuis waar een verzamelaar zijn mooiste kunstwerken bewaarde, werd in de 17de eeuw wel ‘constcamer’ genoemd. Deze term werd ook gebruikt om een bijzonder type schilderij aan te duiden, een geschilderde kunstkamer. ‘Constkamers’ of kunstkamervoorstellingen zijn schilderijen boordevol kunst, musea in het klein voor de ware liefhebber.

Kostbare schilderijen bedekken de wanden, er staan afgietsels van befaamde antieke beelden, er zijn albums met prenten en tekeningen te zien, antieke munten, globes, porselein en naturalia als schelpen en bloemen. Kunstliefhebbers, kunstenaars en andere voorname bezoekers vormen de personages in deze kunstkamers. De onderwerpen van de belangrijkste schilderijen-in-het-schilderij zijn meestal niet willekeurig gekozen, maar dragen bij aan de betekenis van de voorstelling als geheel.

Tot de opmerkelijkste kunstkamervoorstellingen van de 17de eeuw behoort zonder twijfel het werk van Willem van Haeght. Hij stamde uit een Antwerpse familie van kunstenaars en kunsthandelaren. Zijn vader was de landschapsschilder Tobias van Haecht, de eerste leermeester van Peter Paul Rubens. Willem was na een jarenlang verblijf in Parijs en Italië in 1626 teruggekeerd naar Antwerpen, waar hij als conservator zijn intrek nam bij Cornelis van der Geest.

Cornelis was een vooraanstaande kunstverzamelaar en mecenas van Rubens. Waarschijnlijk in samenspraak met hem schilderde Van Haecht in een mengeling van fantasie en werkelijkheid drie kunstkamers, waarin hij vrijwel allemaal  bestaande schilderijen van beroemde meesters kopieerde. Zijn schilderijen tonen aldus de bijzondere rijkdom van de verzamelcultuur van het Antwerpen van toen, terwijl de verhalende elementen verwijzen naar het artistieke en culturele leven in de stad.

Het genre van de geschilderde kunstkamer ontstond kort na 1610 in Antwerpen en bleef in de 17de eeuw een vrijwel exclusief Antwerpse aangelegenheid. Elders deed het zich bijna niet voor.  Een van de eersten die het genre beoefende was Frans Francken de Jonge (1581-1642), wiens oeuvre zeer gevarieerd was: naast  historiestukken, allegorieën en encyclopedische stillevens, schilderde Francken voor het eerst zelf de architectuur van een interieur, de vroegst gedateerde kunstkamer.  

In de kunstkamervoorstellingen van Jan Brueghel de Oude (1568-1625) neemt het werk van Rubens een bijzondere plaats in. Naast de door Brueghel geschilderde kopieën van Rubens’ bekende schilderijen droeg Rubens zelf ook bij door de figuren te schilderen in de door Brueghel geschilderde ruimtes. Na de dood van zijn vader zetten Jan Brueghel de Jonge (1601-1678) en later ook neef Jan van Kessel (1626-1679) de familietraditie voort.

David Teniers (1610-1690) bracht het genre kort na 1650 als eerste buiten de grenzen van Antwerpen. Als hofschilder van aartshertog Leopold Wilhelm, regent van de Zuidelijke Nederlanden, maakte hij in Brussel een reeks monumentale voortstellingen van diens schilderijenbezit. Teniers bracht daarnaast een gedrukte catalogus uit van Leopold Wilhelms Italiaanse schilderijen onder de titel ‘Theatrum Pictorium’: de eerste bestandscatalogus uit de kunstgeschiedenis.

Het laatste hoogtepunt van het kunstkamergenre in Antwerpen vormt een groep kunstkamervoorstellingen uit de late 17de eeuw, waaraan soms meer dan twintig verschillende Antwerpse meesters hebben samengewerkt. Onder leiding van Gonzales Coques (1614-1684), hoofdman van het St,Lucasgildem voegde iedere kunstenaar zijn eigen originele schilderijtje toe. Zo ontstond een staalkaart van vrijwel alle toonaangevende schilders uit het Antwerpen van omstreeks 1670.

De informatie die ik u aanreikte, haalde ik uit de uitbundig geïllustreerde, heel informatieve catalogus Kamers vol kunst van Ariane van Suchtelen en Ben van Beneden, die tot stand kwam in samenwerking met het Rubenshuis te Antwerpen, waar de tentoonstelling de voorbije winter stond. Vertoevende voor ‘Allegorie op de schilderkunst’ van Jan Brueghel de Jonge, lezende in deze door Waanders uitgegeven gids, ging ik steeds meer op het koper van 45 bij 75 centimeter ontdekken.

Zo zag ik een vrouwelijke Pictura een bloemstilleven schilderen terwijl zij kijkt naar de verse bloemen die op haar tafel staan, zag ik een schildersatelier met alle toentertijd gebruikelijke materialen en gereedschappen, zag ik composities van Jan Brueghel de Oude, Rubens, Titiaan, Aertsen en Raphaël en zag ik rond de doorgang portretten van illustere schilders uit het verleden, onder wie Matsys, Dürer en Michelangelo. Deze lofzang op de schilderkunst  deed mij goed.

Heel onderscheidend voor het Mauritshuis is dat het zo kindvriendelijk is. Ook nu is er een special voor de kids: een speurtocht die hen via leuke opdrachten voert langs de zestien werken die in de zalen 3 en 4 hun opwachting maken. Eén opdracht luidt: ‘Bekijk schilderij nummer 5. Je ziet hier een groepje mannen bij een wereldbol. Zie jij ze zitten? Wat zouden die mannen met elkaar bespreken? Vul de tekstballon in bij het plaatje hieronder.’ Mijn spelen is leren, zei Van Alphen.  En op mijn werkkamer hangt de poster met daarop Alexander, Apelles en Campaspe! 

 
CULTUURMIX 22 MAART

De Spindotter

Staande op de steiger nabij het Biesboschcentrum Dordrecht gewaagde, op die van het voorjaar tintelende morgen, bevlogen manager Marianne der Braven van een feestelijke happening, want onder een blauw laken lag immers in het haventje de zevende fluisterboot op zijn finest hour te wachten. Het ranke vaartuig met vijf comfortabele stoelen, handzame stuurwiel, stevige relingen, uitnodigende afstap van vijftien centimeter en klantvriendelijk gsm systeem wilde het licht zien.

Maar voordat het moment suprème daar was, liet good old Jan Koolen woorden over het water vlinderen. De meer dan zeventig lentes tellende oprichter van de Vereniging Behoud Biesbosch onderscheidt zich sinds de jaren zestig onverdroten als ambassadeur van de mooie natuur die sowieso met rust gelaten moet worden en als kritisch volger van de ins en outs van Natuur- en Recreatieschap De Hollandse Biesbosch, dat het natuurgebied  vooral zijn eigen gang moet laten gaan.

Koolen beschreef,  voor de aan de kant verblijvende in groten getale opgekomen genodigden een virtuele tocht met de fonkelnieuwe fluisterboot, die  onder de naam Spindotter zijn tochten gaat maken. Volgens hem hoeven wij de Sliedrechtse Biesbosch niet uit om alle aspecten van de Hollandse en Brabantse  Biesbosch aan den lijve te ondervinden. Zo kunnen wij in tal van  prachtige kreken, langs een scala aan schone plekken, voorbij rissen van schitterende stekken stil varen.

Dat Koolen het gelijk helemaal aan zijn zijde heeft, werd mij overduidelijk toen ik van de Europa’s grootste fluisterboot de Halve Maen in diens kleine broer de Spindotter overstapte. Met in de mond de smaak van een petitfour met daarop een marsepeinen spindotter voer ik met vier natuurkompanen door het Moldiep naar de imponerende en intrigerende burcht van bevers in het immer groene domein, waar de wilgen het al sinds de vloed van 1421 het voor het zeggen hebben.

Al glijdend over het water en blikkend naar een vliedende, grote bonte specht vernam ik dat de  spindotter met zijn glanzende gele bloemen, zijn massief gevormde en verdikte stengelknoppen en zijn voorkeur voor natte zoetwatergronden heel zeldzaam is. Onze Biesbosch is ook in deze uniek! Indien u zich niet zo happy denkt te voelen in de groene, dichte en bij wijlen mysterieuze jungle: al de uren dat u met de Spindotter vaart, bent u altijd traceerbaar, want de gsm is bij u.

Om u in de sfeer te brengen van de tocht die u vanaf het Biesboschcentrum met de comfortabele Spindotter kunt maken, geef ik passages door uit de sprankelende speech die Koolen bij de aanlegplaats hield. Na de visite aan de beverburcht luidt het:

‘Vaar ook rond het eiland bij de Sionspolder. Daarop staan nog veel spindotters in de griend. Keer terug en ga tegenover de jeugdherberg de Oudemanskil in, een prachtige kreek door de grienden. Let op de zingende vogels.

Ga op de hoek van het Wantij naar rechts, kijk naar de griendwerkers keet, ga aan land en wandel een stuk over de kade van de Sterlinggriend, die  deels nog heel karakteristiek gehakt wordt; in de greppels bloeit nog de zeldzame spindotter, waarnaar de boot genoemd is. Vaar door over het Wantij naar de vogelkijkhut op de Mariapolder en kijk daar met de verrekijker naar de vogels, let daarbij op het getij: in de polder is water of slik te zien. Vaar door over het Wantij.

Langs de Ottersluis, zwaai naar Wim van Wijk in het huis daarnaast. Geniet  van de mooie, wijde Kikvorschkil. Ga kort na de Ottersluis naar rechts de smalle kronkelige Hangsloot in tot het einde. Een heel mooie kreek, let op de keet van de vroegere zalmvissers ter plaatse. Ga de dijk van de Huiswaardpolder op en wandel deze rond, met een verrekijker voor de vogels. Dit kost een uur. Je loopt ook langs de brede rivier de Nieuwe Merwede. Keer terug uit de Hangsloot.

Vaar naar rechts verder de Kikvorschkil en de Helsloot op. Ook hier kun je aanleggen aan de steiger rechts en de dijk van de Huiswaardpolder op om rond te lopen. Hier staan veel oude populieren, doodgegaan door het getijwater in de polder. Ga kort na de steiger naar rechts het Katse Gat in en vaar die uit tot het einde, Ga daar rechts de dijk van de Huiswaardpolder op om nog eens over de rivier uit te kijken. Na 2010, als het werk klaar is, kun je vanaf deze hoek doorvaren de nieuwe uitgegraven Zoetemelksesloot door, of in de zomer na de broedtijd de polder Jonge Neele Ruigt door, tot bij de Paardewei.

Let goed op de vogels.  Leg tegenover de Paardewei aan bij steiger op de hoek van Kort- en Langambacht. Pas daarbij op voor de sterke stroming. Loop de dijken van het natuurgebied op, dit kan naar links en naar rechts. Liefst met een telescoop, voor de vele vogels in tientallen soorten. Door de bezoekers zitten die vogels ver weg aan de overkant. Prachtige vergezichten, neem er een uur voor. Keer terug naar de boot en vaar door naar de kade van de Hengstpolder. Pas ook hier op voor de sterke stroming. Kijk even rond op deze kade, voor reeën, vogels en planten. Vaar door en ga voor de Schotbalksluis linksaf naar het kommetje.’

Tot zover Koolen.

O, hoe boeiend zijn de geografische namen, hoe veelzeggend de verwijzingen naar  oude ambachten, hoe uitnodigend de wandeltips. De Spindotter is er ook voor u!

Het veer van Istanbul

De komende weken wil ik u het relaas doen over mijn tocht door een pracht en macht van een boek. Ik heb (gelukkig!) nog lang niet de 575 bladzijden ervan tot mij genomen, maar nu al wil ik mijn eerste reactie aan u kwijt. Ik heb het over het naar vorm en inhoud zo oogstrelende en  onderhoudende lees- en kijkalbum Het veer van Instanbul van historica Irene van der Linde en fotografe Nicole Seegers, die gezamenlijk tekenden voor de ondertitel ‘Ontmoetingen langs de Bosporus’.

Ik val met de deur in huis: Irene van der Linde, ook schrijfster en journaliste, verstaat de kunst op literaire wijze te verhalen over niet alleen haar ontmoetingen met mensen die anno nu leven op de grens van Europa en Azië, hoe boeiend en veelzeggend die op zich ook zijn. Zij schetst ook de context waarin de inwoners van Istanbul verkeren, o.a. hun collectief politiek en religieus verleden, hun situatie tussen twee continenten, hun relatie met het platteland en hun band met de natuur.

Van der Linde woonde en werkte heel 2007 in Istanbul, wat haar bracht tot een magistrale beschrijving over de ins en outs van het wel en wee van Turkije. Zij vervaardigde een  meeslepende en horizonverleggende documentaire die de  charme en de allure geeft van een  literair werk. Zij weet in haar Het veer van Istanbul de vaak weerbarstige werkelijkheid te verpakken in een bij wijlen poëtisch betoog. Zij verlegt met welgekozen woorden de horizon in het oosten.

Van der Linde wil ik u laten klinken door een passage te lichten uit haar verslag van het vogeluitje  ‘De arenden van Istanbul’, zoals zij dat in het voorjaar met ruim veertig anderen onder leiding van de twintiger Özgür, executive manager van de natuurbeschermingsorganisatie Doga Turizm, die o.a. als doelstelling heeft  mensen bewust te maken van de schoonheid van de Turkse natuur. Voor  de bevlogen Özgür is de natuur een ontdekking die zijn leven veranderd heeft.

Özgür studeerde aan de universiteit van Ankara Nederlandse taal- en letterkunde en liep ooit stage in Nederland. Ik citeer Van der Linde: ‘Maar hij hield niet zo van het land. De mensen vond hij te koud en te rationeel, de natuur te aangeharkt. Özgür houdt meer van de Turkse, de wilde natuur. Met politiek wil hij niets te maken hebben. ‘Ik houd meer van de bloemetjes en de beestjes’, reageert hij in zijn gebroken Nederlands. En dan kijkt hij met zijn donkerbruine ogen de verte in.’ 

Het door Lemniscaat uitgegeven Het veer van Istanbul is een door de legio foto’s van Nicole Segers een lust voor het oog en door de vele tekst van Irene van der Linde een streling van het gemoed. Zelden raakte ik zo snel in de ban van een boek en dat is te danken aan de weldadige  mix van schone, blikverruimende platen en informatieve, welluidende zinnen. Een andere keer zal ik u van mijn bevindingen verslag doen. Nu geef ik het woord aan Irene via  zinnen uit stukje ‘Özgür’.

‘Roofvogels vliegen zelden in een groep’, begint Özgür. ‘Daar houden ze niet van.’ Wij verdringen ons op het strookje gras tussen vangrail en helling, de zon brandt ondertussen fel aan de hemel. Hij legt uit waarom de migrerende vogels juist hier oversteken: de zweefvliegers gebruiken de thermiek van de opstijgende lucht, daarop glijden ze kilometers verder. De vogels overwinteren in het zuidoosten en trekken in het voorjaar naar hun broedplaatsen in het noordwesten.

De open zee kunnen ze niet over, want er is te weinig thermiek boven zo’n grote watervlakte. Daarom kiezen ze het smalste stuk uit: een ‘bottleneck’ noemen vogelkenners dat. In het zuidwesten is de Straat van Gibraltar, in het zuidoosten de Bosporus. Het zijn de deuren van Europa. De Bosporus is al eeuwen een belangrijke oversteekplaats, niet alleen voor vogels, maar ook voor mensen: handelaars, reizigers, soldaten, et cetera. Op de route van oost naar west en vice versa is dit dé plek om van continent te wisselen.

Hier, op de plaats waar onze groep staat, is de Bosporus ongeveer een kilometer breed. Het woord Bosporus betekent oorspronkelijk – de naam stamt uit het Oudgrieks – ‘oversteekplaats voor koeien’. Die naam, zegt men, komt van de Griekse mythe over Io, de minnares van Zeus. Zeus veranderde Io in een koe om haar te beschermen tegen zijn jaloerse vrouw Hera. Hera stuurde vervolgens een horzel op haar rivale af.

De koe vluchtte in paniek, rende met de woedend horzel achter haar aan rond de Zwarte Zee, stak de Bosporus over en vond uiteindelijk rust in Egypte waar Zeus haar de mensengedaante teruggaf. De eerste arenden zijn in maart verschenen aan de horizon. Nu, begin april, komen duizenden vogels per dag bij de Bosporus aan. Ik kijk omhoog, half tegen de zon in. Traag zweven ze over de zeestraat, de veerponten, de mammoettankers, de minaretten, de Ottomaanse paleizen, de wolkenkrabbers.

Tienduizenden ooievaars, schreeuwarenden, dwergarenden, slangenarenden, bastaardarenden, steppearenden, visarenden, zwarte wouwen, buizerds, kortstaartbuizerds, wespendieven, kiekendieven, boomvalken, roodpootvalken, torenvalken, bijeneters, gierzwaluwen, boerenzwaluwen, huiszwaluwen, roodstuitzwaluwen.’

Van der Linde weet de wonderlijke wereld om ons heen te vatten in wondermooie woorden, doordat zij oog en oor heeft  voor het bestaan. 

 
CULTUURMIX 15 MAART

J. W. Ooms

Die vrieskoude, zonovergoten zaterdagmorgen van de zesde maart koerste ik met grote verwachtingen naar Bleskensgraaf om op de zolder van het achterhuis van Boerderij Gijbeland een hartverwarmende en gemoedsvolle meeting te beleven. Daar onder de hanenbalken van het rustieke pand nabij vaart en beemd zou immers de presentatie plaatsvinden van een boek waarnaar door velen al lang uitgezien was: de biografie J. W. Ooms van de hand van Jan Boele.

Rijdend over de stille N214 kwamen beelden op mijn netvlies van de vergadering  op vrijdagavond 15 maart 1974, toen wij als bestuursleden van de Stichting Openbare Christelijke Centrale Plattelandsbibliotheek Zuid-Holland aan de Constantijn Huygenslaan in Papendrecht  onder voorzitterschap van J. W. Ooms uit Giessenburg over de targets van onze bezigheden discussieerden. Wij moesten met pijn in het hart traceren dat ons draagvlak  steeds minder werd.

Vooral nestor Ooms hield een warm en vurig pleidooi voor het behoud van de protestants-christelijke identiteit van onze  bibliotheken, toen de fusie met algemene en rooms-katholieke organisaties ter sprake kwam. Nog zie ik de man van zestig aan het hoofd van de tafel oreren: met rood aangelopen gezicht verwoordde hij zijn visie op de eigen aard van literatuur en lectuur die hem zo na aan het hart lag. Het uur u was volgens hem aangebroken: to be or not to be!

Wij als overige bestuursleden probeerden enige nuancering aan te brengen in de zienswijze van Ooms en dat lukte maar ten dele. Aan het eind van de vergadering deelde hij mee dat hij de voorzittershamer, die hij sinds 1971 gehanteerd had, neerlegde. Hij voelde zich onbegrepen. Met gemengde gevoelens namen wij van elkaar afscheid. De volgende dag bereikte ons de trieste mare dat J. W. Ooms in zijn slaap aan een hartstilstand was overleden. Ik voelde mij heel beduusd.

Meteen dacht ik terug aan de pittige discussies die ik met Ooms mocht hebben. Hij stond pal voor het werk van auteurs als Antoon Coolen, Herman de Man, Jan Eekhout en Anton Roothaert en kon er geen waardering voor opbrengen dat ik met leerlingen havo/vwo  klassikaal episodes las uit Wierook en tranen van Ward Ruyslinck, Serpentina ’s petticoat van Jan Wolkers, De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans en Het stenen bruidsbed van Harry Mulisch.

Decennia lang heb ik sindsdien met wat weemoed aan de weinig toegankelijke, ietwat steile Ooms teruggedacht. Hij was immers een erkend mannenbroeder die als gevierd auteur van vele romans en verhalen voor zijn idealen stond, zijn opvattingen met verve verdedigde, zijn geloof uitdroeg, zijn Alblasserwaard kleur gaf, zijn streekgenoten tot leven bracht en daarbij hun taal liefdevol gebruikte. Maar toch wist ik schromelijk te weinig van de ware ins en outs van Ooms’ levensloop.

In dat tekort zou pal onder het dak van het achterhuis voorzien worden. Bovenaan de trap werd de toegestroomde schare van genodigden verwelkomd met een bak koffie begeleid door een petitfour met marsepeinen ex libris van Ooms. Het was aan voorzitter van de J. W. Ooms Stichting Van Leussen om het postume eerbetoon aan ‘de zoon van het gewest’ van start te doen gaan. Met veel verve schetste hij het eminente belang van Ooms, die altijd goed gedocumenteerd zijn streek beschreef.

Maar Ooms was niet alleen een rasechte schrijver, hij onderscheidde zich ook o.a. als schilder, politicus, verzetsman, directeur bibliotheken, dammer, redenaar  en geitenfokker. Van Leussen zag dan ook in de presentie van drie burgemeesters, mevrouw E. Boot van Giessenlanden, heer D. R. van der Borg van Graafstroom en heer K. J. G. Kats van Liesveld een onderstreping van het belang dat Ooms voor de Alblasserwaard heeft. Ooms zette de weidse landouwen op de kaart.

Blij was Van Leussen met de door Boele vervaardigde biografie over Ooms. Mocht in 2006 in Boerderij Gijbeland al de Oomskamer geopend worden, nu was daar een tweede hoogtepunt: een monument ter nagedachtenis aan de schrijver die af en toe op humoristische maar immer beeldende wijze het land tussen Lek en Merwede beschreef. ‘Boele verzamelde  puzzelstukjes uit leven en werk van Ooms, deed onderzoek, studeerde en bracht die voortreffelijk onder in een biografie.’

Burgemeester Van der Borg sprak mede namens zijn collega’s, wier voorgangers ooit Ooms als ingezetene kenden. Complimenten had hij voor Boele, want met veel plezier had hij diens boek al tot zich mogen nemen. J. W. Ooms laat je niet meer los, je blijft erin lezen, je leest het in één adem uit. Hij zei ook dat hij getroffen was door de standvastigheid van Ooms in het werk en door de wankelmoedigheid in het geloof. Volgens hem laveerde Ooms tussen zoeken en zeker weten.

Het slotakkoord op zolder was aan Jan Boele, die heel bevlogen en gedreven over zijn twaalf jaar met Ooms bezig zijn berichtte. Wat ooit begon met een bezoek aan de rommelmarkt in Bleskensgraaf, waar hij voor twee gulden de roman Water over Holland kocht, liep uit op een fascinatie voor leven en werk van de auteur ervan. Vooral Ooms’ passie voor landschap en historie van de Alblasserwaard in de jaren 1900-1940 en diens niet-literaire vertelwijze boeiden hem.

Boele kwam ook in contact met Ooms’  ambassadeur bij uitstek, de weduwe To Ooms-Slob aan de Doetseweg in Giessenburg, en dat leidde tot het ontdekken van een ware Fundgrube van doen en laten van Ooms: diens meer dan driehonderd schilderijen, aquarellen, tekeningen van vooral polderlandschappen en dorpsgezichten uit de Alblasserwaard en diens volledige archief dat in een grote, grijze kist in de vroegere werkkamer was opgeborgen. Boele las en veel kwam hij op het spoor.

De blinde vlekken vulde Boele op door archiefonderzoek, gesprekken met tijdgenoten van Ooms, het lezen van diens hele oeuvre en met het bezoeken van de plaatsen waar Ooms ooit woonde: Groot-Ammers, Brandwijk, Rotterdam, Soest, Velp, Woudenberg en Giessenburg. De puzzel van Ooms’ leven kon hij aldus stukje voor stukje leggen, wat leidde tot een rijk geïllustreerde biografie van 166 bladzijden met een pracht van een papier en met de J. W. Ooms Stichting als uitgever.

Boele zei ook dat hij in Ooms een veelzijdig mens ontmoet had, die geen doorsnee mens en  een groot autodidact was. ‘Ooms was binnen en buiten de Alblasserwaard verguisd en geliefd, hij beschikte over een mooi palet, hij leidde een interessant leven, zijn biografie geeft daarvan een totaal overzicht, herneemt zijn leven op een andere wijze en geeft toekomst aan een leven uit het verleden.’ Boele ook: ‘Ik ben blij, dankbaar, trots en opgelucht, het was een prachtige reis met een geweldige bestemming’.

In de slipstream van het trio burgemeesters dook ik de trap af om te geraken in het Voorhuis van het Historisch Museum waar de opening van een aan Ooms gewijde tentoonstelling, verdeeld over vier vertrekken, zou plaatsvinden. Staande voor de door Ooms in 1942 vanwege de schaarste op karton geschilderde ‘De stier van Paulus Potter’, zag ik hoe notaris Van Leussen een stapeltje antiquarische boeken van Ooms en diens gloednieuwe biografie voor 105 euro veilde.

De burgervader van Graafstroom heeft gelijk: de biografie J. W. Ooms lees je in één adem uit. Ik wil u van mijn leesavontuur daardoorheen later verslag van doen. In de authentiek ingerichte kamer van Ooms hield ik lang halt en front voor tien van zijn romans. Water over Holland, Koster Besaan, De Haneveertjes, Daggelders, De watermolen, De Korevaars, Dijkleger, De muizen in het land, Een man in de branding, De grote ommekeer, ik blikte naar hun ruggen.

En ik besefte de betekenis van Ooms: hij legde voor altijd de polder vast,  zorgde dat veertig jaar De Waard niet aan de vergetelheid prijsgegeven is. Hij schiep waardevolle werken  omdat hij een fraai  landschap met zijn boeiende bewoners in woorden wist te vatten. Voor de kast hield ook Aantjes zich op, die  als vriend en politicus in 1974 tijdens de rouwdienst voor Ooms  zei: ‘Zijn leven is gekenmerkt door liefde, verbondenheid aan het land en volk waaruit hij voortkwam.’

Boele vervaardigde met groot elan een doorwrocht werk over een grote zoon van ons gewest. Een van de sympathieke en sterke punten van Boele is dat hij ruim baan maakt voor de romans van Ooms.  Hij memoreert, resumeert, citeert en bespreekt ze. Zo zegt hij: ‘De thema’s in De watermolen waren, net als in De Korevaars, problemen rond het vinden van de juiste huwelijkspartner, de sociale verhoudingen van de bevolking, de strijd tegen het water en de geloofsstrijd.’

Een persoonlijk getinte notitie. Ik groeide op in Kralingseveer, aan de oostkant van Rotterdam, waar destijds de weg naar opoe Kaptein op het Arkelshof over de Karsenstoep leidde. Dominee Kars woonde naast de naar hem vernoemde opgang voor en in de oorlog, totdat hij als lid van de verzetsgroep Leeuwengarde door de Duitsers in april 1942 opgepakt  en eind van dat jaar gefusilleerd werd. Jan Kars was ooit godsdienstleraar in Brandwijk, waar Jo Ooms hem ontmoette.

Ik citeer Boele: ‘ Net voordat hij ter dood gebracht werd, schreef hij een afscheidsbrief aan zijn familie en vrienden. Ook Ooms ontving een brief. Hij was totaal van slag door de door van zijn vroegere leermeester. Johan, de zoon van Kars, schreef aan Ooms: ‘Op 29 december 1942 werd hij uit zijn cel gehaald en op transport gesteld naar Amersfoort waar ze op een prachtplekje op de heide aan 29 helden het doodsvonnis velden’. Juist in deze tijd raakte Ooms intensief bij de strijd tegen de Duitse bezetters betrokken.’

Ik citeer mijn vader zaliger die in zijn memoires passages aan dominee Kars wijdde. ’Een grootscheeps opgezette actie om door handtekeningen dit vonnis ongedaan te krijgen, mislukte, zodat hij op 29 december voor het vuurpeloton het leven liet. Groot was de verslagenheid, niet alleen bij zijn vrouw en kinderen, familie, gemeente, maar ook bij allen die hem kenden. Alle geschilpunten werden toen opzij gezet: een goed vaderlander was door de vijanden van ons volk gedood.’   

De biografie J. W. Ooms is voor 17,95 euro te koop bij boekwinkels in de Alblasserwaard, via www.jwooms.nl en zaterdags van 14.00 tot 16.30 uur in museum het Voorhuis in Bleskensgraaf, waar tot en met 4 september de expositie over leven en werk van de auteur te bezichtigen is.

 
CULTUURMIX 8 MAART

Matisse tot Malevich

Die donderdagmorgen van de vierde maart reed ik de dik negentig kilometer om te geraken in het artistieke lustoord aan de Amstel, de
Hermitage Amsterdam. Op de in mist gehulde A15 en A27  dacht ik aan de door de verkiezinguitslagen opgeroepen reuring van de avond daarvoor en op de door de zon overladen A2 ging ik verder terug in de tijd, naar de jaren negentig toen wij Hermitage St.-Petersburg aandeden om te verwijlen voor het grandioze werk ‘De verloren zoon’ van Rembrandt. 

Onze reisleidster bepaalde het strakke tempo en bood niet de gelegenheid ons in andere zalen op te houden. Dus ook niet daar waar het arsenaal was aan schilderijen van fauvisten en kubisten als Matisse en Picasso, waaraan het paleis aan de Neva ook zo rijk moest zijn.  Zoveel jaar na dato zou het echter allemaal goed komen. Op de uitnodiging voor preview van de expositie ‘Matisse tot Malevich. Pioniers van de moderne kunst uit de Hermitage’ had ik het immers gelezen.

‘De Hermitage in St.- Petersburg herbergt een van de beste collecties Franse schilderkunst uit het einde van de negentiende en begin van de twintigste eeuw. Dit bijzondere deel van de collectie bevat honderden meesterwerken van kunstenaars die als pioniers van het modernisme kunnen worden beschouwd, onder meer Matisse, Van Dongen, Derain, De Vlaminck en Picasso. In de tentoonstelling wordt het begrip in een historisch perspectief geplaatst en is er ruime aandacht voor de manier waarop de kunstenaars aan deze revolutionaire vernieuwing in de kunst deelnamen. De oorsprong van deze collectie ligt bij de beroemde Russische verzamelaars Morozov en Sjtsjoekin. Voor het eerst zullen in Nederland hoogtepunten uit deze ‘moderne’ verzameling Franse kunst van de Hermitage te aanschouwen in een tot en met 17 september gaande tentoonstelling, die zijn weerga in de Nederlandse musea niet kent.’ Het klonk allemaal veelbelovend.

In de aula keek ik met honderden collega’s naar het podium waar vanaf gerenommeerde deskundigen lovende woorden over ‘Matisse tot Malevich’ lieten dwarrelen. Onder hen directeur Ernst Veen, hoofd afdeling tentoonstellingen Marlies Kleiterp en gastconservator Henk van Os die elkaar vonden in loftuitingen: De 75 te kijk hangende werken van de omvangrijke collectie avant-garde uit het Russische rijk vormen een kleurrijk festijn voor het oog.

Het gaat niet aan dat ik u een resumé ga geven van het die morgen gezegde. Veel beter is het dat u zich spoedt naar Amstel 51 om al het moois te ondergaan. En dan met de audio tour als gids. Ik wil u vermeien met het noemen van de twintig werken die bij mij wel heel goed arriveerden: vanwege hun riante rijkdom aan kleur, aan compositie, aan concept, aan elan, aan durf, aan thema, aan vernieuwing. Matisse en Malevich, en al hun genoten in de kunst schiepen een eigen wereld.

Henri Matisse : De jeu-de-boulespelers
Henri Matisse : De rode kamer
Henri Matisse : Stilleven met blauw tafelkleed
Albert Marquet : De haven van Hamburg
Vasily Kandinsky : Compositie VI
Vasily Kandinsky : Winter
Kees van Dongen : Dame met zwarte hoed (zie rechts)
Pablo Picasso : De absintdrinkster
Pablo Picasso ; Tafeltje in een café
Pablo Picasso : Vrouw met een waaier
Chaim Soutine : Zelfportret
Kazimir Malevich : Zwart vierkant
Henri Matisse : Dame in het groen
Kees van Dongen : Lucie en haar danspartner
Maurice de Vlaminck : Stadje aan de oever van de Seine
Henri Manquin ; Compositie VI
Albert Marquet : Notre-Dame in de regen
George Rouault ; Lente
Othon Friesz : De verzoeking
Charles Guérin : Vrouwelijk naakt (zie afbeelding boven links) 

Mijn opzet is nu enkel alleen u op te roepen tot een bezoek aan Hermitage Amsterdam. Ik weet zeker dat ook u in de bekoring zult geraken van visie en vakmanschap, glans en glamour, ziel en zin, elan en emotie, contrast en charme van de schilders die fauvisten, ‘wilde dieren’, werden genoemd. En van de altijd experimenterende Picasso die als kubist hard en strak te werk ging. Uiteraard kent ook deze expositie voor mij haar onbetwiste  topper: ‘Dame met zwarte hoed’ van Kees van Dongen. Daarover een volgende keer.

Van nature

Om de viering van mijn jaardag luister bij te zetten trakteerde schoonzus Johanna ons op een pot onvervalste natuur: bosbessenjam uit het domein van De Heerlijkheid van Papendrecht. Een zwak heb ik voor die vruchten, want ze doen mij denken aan de vreugdevolle vakanties uit mijn jonge jaren. Met ouders, broers en zus vertoefde ik in een houten huisje in de bossen tussen Amerongen en Leersum en het vergaren van bosbessen was steevast een punt van het zonnige programma.

Het verorberen van de wilde  blauwe vruchtjes na de maaltijd vormde een smulfestijn, vooral als moeder ze op een taart had gevlijd. De sensatie van de bosbessen voelde ik weer toen ik de 294 bladzijden tellende, formidabele gids Van nature van Ria Loohuizen en uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep door de postbode aangereikt kreeg. Vooral de ondertitel kwam bij mij goed over: ‘Het verzamelen en koken van wilde planten, vruchten, noten en paddestoelen’, zo gaat die.

Van nature is een lust voor het oog, want de illustraties in kleur, gekozen door Diny Winthagen uit de Hortus Bibliotheek, zijn echt ontroerend mooi: zo tamme kastanje, hazelaar, walnoot, jeneverbes, hop, vlier, lijsterbes, hondsroos, viooltje, wilde tijm, bijvoet, paardebloem, boerenwormkruid, melkdistel, muurpeper, klaproos, brave hendrik, engelwortel, grote klis, mierikswortel, wilde peen, teunisbloem, zeeaster, zeewier, cantharel, champignon en nog een paar. 

Wat deze planten, bomen en paddestoelen gemeen hebben? Ze kunnen, met alle andere in Van nature beschreven gewassen, in onze dagelijkse levensbehoefte voorzien. De belangrijkste vindplaatsen in Nederland daarvan zijn bossen, vennen, moerassen, duinen, schorren, strand, weilanden, heidevelden, wegbermen, hooilanden, akkers, parken, dijken, houtwallen en polder. Ria Loohuizen gidst u naar deze vruchtbare oorden en wijst u op o. a  brandnetel, zuring, hop en zeekraal.

Maar daar volstaat zij niet mee. Haar doel is immers: ‘mensen te helpen hun kennis op te frissen door in een geordende vorm op te sommen hoeveel lekkere dingen er gratis voor het oprapen of plukken zijn.’ Zij wil overbrengen: ‘hoe leuk het kan zijn om een wandeling te combineren met oogsten, en laten zien hoe lekker je kunt koken met wilde producten, die veel meer smaak hebben dan hun gekweekte tegenhangers.’ Ook wil zij het gevoel van onze verre voorouders bij ons oproepen.

Dat Ria Loohuizen grandioos in haar opzet geslaagd is, wil ik aantonen. Door integraal aan u door te geven haar verhaal over onze bosbes. U zult dan met mij onder de indruk geraken van de toegankelijkheid en transparantie van haar teksten.

‘Bosbes (rode of vossenbes en blauwe) – Vaccinium vitis-idaea; Vaccinium myrtillus. Volksnamen: bikbeeren, euverberen, keutelbeeren, klokkebeien, krakelbes, palmbessen, waldbes, worbelen, hondsbes, kroosjesbes, preiselbes, rode krakelbei. Deze wilde bessen groeien vaak vlak bij elkaar in het bos. De rode bosbes of vossenbes, een dwergstruik met leerachtige, omgekrulde blaadjes en witte bloempjes, heeft dezelfde smaak als de cranberry of veenbes, een gecultiveerde vorm die geteeld wordt op Terschelling. De rode bosbes is wintergroen en krijgt besjes in kleine trossen, wat het plukken vergemakkelijkt, ook omdat ze hard blijven en dus altijd eerst gekookt moeten worden. De besjes hangen tot in de winter aan de struik. De blauwe bosbes is een hogere plant (tot een halve meter) met lichtgroene kantige takken, een bolvormige kroon die groenig of roodachtig aangelopen is; de blaadjes zijn iets gekarteld en de bloemen staan alleen in de oksels; ze vallen af in het najaar. De zachte blauwe besjes zijn vanaf eind mei, begin juni al rijp. Beide bessensoorten behoren tot de heideachtigen (ericaceae). Gebruik De rode bosbes of vossenbes is een waarvolle wilde plant, die veel vitamines bevat en net als zijn gekweekte neefje de cranberry een heilzame werking heeft op de blaas. Verwerkt in gelei of jam, met of zonder toevoeging van andere (bos)vruchten, is hij heerlijk, ook bij vlees en gevogelte. Ook in taarten komt zijn smaak goed tot zijn recht. De blaadjes kunnen we gebruiken in thee(mengsels). De blauwe bosbes is een van de lekkerste wilde vruchten, maar lastiger om te plukken, want je knijpt ze gauw fijn en je moet ze een voor een van de steeltjes halen. Er zijn allerlei instrumenten op de markt gebracht om het plukken te vereenvoudigen, waaronder een soort halfopen bakje met een kamachtige deksel, waarmee je de bessen van de takken kunt rissen. Behalve ze zo rauw in je mond te stoppen, zijn voor de hand liggende manieren om bosbessen te gebruiken gelei en jam, muffins en taarten, maar ook in salades met een beetje verse munt.’

De kracht van Loohuizen is dat zij ons beter naar de natuur leert kijken en eruit eten. Met liefde geeft zij haar kennis door.

 
CULTUURMIX 2 MAART

Over mens en natuur

Na mijn tocht langs de galerijen van ‘Van plint tot plafond’ in de Kunsthal toog ik die donkere  dinsdag vol kilte door het Museumpark om te geraken in de lichte hoekvilla van het Chabot Museum, waar de dertig werken van de Oostenrijkse schilder Albin Egger-Lienz met de jaartallen 1868-1926 onder de titel ‘Over mens en natuur’ hun opwachting maakten. Ik hield lang halt en front voor de doorgaans  grote, immer grootse schilderijen en kreeg een artistieke sensatie.

In mijn uppie door de drie boven elkaar liggende zalen wandelend. ontdekte ik een schilder die mij veel deed. Zijn steevast monumentale, fascinerende  werken met de thema’s noeste arbeid op het land, overweldigende, weidse landschappen en wreed oorlogsgeweld brachten mij ook in verwarring, want hoe kon Egger-Lienz in de jaren dertig in de gunst van de nazi ‘s  verzeild raken? De mare ging zelfs dat Hitler zijn werken bewonderde, wat hem decennia lang verdacht maakte.

Staande voor zijn ‘Katwijk De vuurtoren’ uit 1913 met de stroom aan tinten en lezende ‘De reikwijdte van al die oude en nieuwe Hollandse landschappen wordt pas hier duidelijk, de  wolken, de lucht, de diepe kleuren zijn eigenaardig mooi’, kwam het strelende besef in mij op dat ik op het punt stond een schilder te ontmoeten, wiens werken mij zeer aanspreken. Hoe kon het zijn dat op hem een taboe rustte? Hoe kon het gebeuren dat hij simpel weggezet werd als  boerenschilder?

Ik verwijlde voor ‘De zee Katwijk’ ook uit 1913 met de bruine golven en de grijze luchten en las ‘Een ding is zeker, dit is het mooiste wat ik ooit heb gezien, En als ik hier geboren en opgegroeid was had ik meer uit dit stukje aarde gehaald dan al onze jonge schilders bij elkaar. Het lijkt allemaal uit een stuk gegoten. En toch kunnen wij de diepte van deze wereld nooit raken omdat zij ons ondanks alles onbekend zal blijven.’ Egger-Lienz bepaalde mij bij de mysterie van het leven.

Wandelend langs de werken met titels als ‘De blinden’, ‘Vroege lente’,’De familie’, ‘Oorlogsvrouwen’, ‘Twee maaiers’, ‘De maaier’, ‘De bron’, ‘Dodendans’, ‘Virgi’,  ‘Zonsondergang op de Mendel’, ‘Maaltijd’,‘De overleden Christus’ en ‘Zelfportret’, geraakte ik in de ban van een schilder die expressionistisch tewerk ging. Egger-Lienz gaf uitdrukking aan zijn innerlijk, zette de werkelijkheid naar zijn hand en wilde zo een boodschap overbrengen.

Fraaie pr-dame Elsa van Arkel Chabot Museum reikte mij de Duitse editie van de catalogus ‘Albin Egger-Lienz’ aan met de annonce dat de Nederlandse uitgave binnenkort zal verschijnen. Ik wacht op die heuglijke happening, want die nodigt mij uit met u nog een keer  de wereld te betreden van de krachtige kunstenaar, die zeer ten onrechte in de vergetelheid dreigde te raken. Tot dan moet u het doen met de rijke tekst die ik voor u van de brochure ‘Over mens en natuur’ pluk.

Egger-Lienz behoort, naast al bekende kunstenaars als Kokoschka, Schiele en Klimt tot de belangrijkste Oostenrijkse beeldend kunstenaars uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Door de jaren heen heeft Egger-Lienz zich ontwikkeld tot een expressionistisch kunstenaar. Toppers uit zijn oeuvre zijn o.a. ‘De maaier’ en ‘Dodendans’. Albin Egger-Lienz leerde tekenen en schilderen van zijn vader, waarbij zijn interesse al vroeg uitging naar het vastleggen van het boerenleven.

Zijn vroegere werken zijn herkenbaar aan een naturalistische stijl met invloeden van zijn leermeester en vriend Franz von Defregger. Na eerste jaren van zoeken, wordt hij van genre- en historieschilder steeds meer de expressieve uitbeelder van het harde dagelijkse leven van de boeren in de bergen en de wanhopige strijd om het bestaan, van de soldaat in de oorlog en diens familie. In zijn werk zijn onmiskenbaar de invloeden van Millet, Rodin, Van Gogh en vooral Hodler te herkennen.

De voor Egger-Lienz eenmaal sterk bevonden thema’s en composities keren in verschillende versies en varianten terug in zijn oeuvre. Hij zocht vanuit een lokale betrokkenheid naar een geheel eigen universele uitbeelding van de mens en zijn natuur. Zijn kleurgebruik brengt hij in zijn latere monumentale doeken terug tot monochrome aardse en frescoachtige tinten. De verbeelding van het menselijk bestaan tussen leven en dood wordt in de tentoonstelling voluit getoond.

En dat aan de hand van drie centrale thema’s in zijn werk: de boeren en de landarbeiders, de (boeren)landschappen en zijn (anti)oorlogswerken. Na vele decennia van een zeker stilzwijgen rond zijn persoon mede als gevolg van een deels omstreden receptie van zijn werk tijdens het nationaal-socialisme, lijkt een herwaardering en nieuwe kennismaking met deze kunstenaar en zijn oeuvre, 65 jaar na de Bevrijding in Nederland op zijn plaats.’ Egger-Lienz  is  hier heel treffend getypeerd. 

Met gelukkig een zekere regelmaat besef ik het genot te mogen kijken naar schone zaken. In het Chabot Museum  stond ik voor de doeken  ‘De zee Katwijk’, ‘Katwijk De vuurtoren’, ‘De bron’, ‘Vroege lente’, ‘Zonsondergang op de Mendel’ en o wat was ik blij ernaar te mogen blikken. De man uit de Alpen Egger-Lienz verbleef in 1913 drie maanden aan de Hollandse kust. Hij keek naar duinen, golven en luchten, en zette ze om in verf zoals een minnaar  het alleen maar kan: superbe. 

Haar naam was Sarah

Veel had ik al over de roman gehoord, de loftuitingen waren legio, van ontroerend tot spannend, van onthutsend tot meeslepend. Ik heb het over Haar naam was Sarah van de in 1961 te Parijs geboren Tatiana de Rosnay met Engelse, Franse en Russische wortels. Dat de door Artemis & Co uitgegeven bestseller zo indrukwekkend en zo intrigerend zou zijn, had ik echter niet kunnen bevroeden. Het relaas over het meisje dat in en na de oorlog  zoveel littekens opliep, zal mij bijblijven.

De toon van dit op historische feiten gebaseerd verhaal wordt gezet door het motto, dat ontleend is aan de Joodse schrijfster Irène Némirovsky, die in haar tableau van de Franse samenleving bij het uitbreken  van de Tweede Wereldoorlog Storm in juni optekent: ‘Mijn god! Wat doet dit land me aan? Laten we het, omdat het me heeft verstoten, koelbloedig aanschouwen, laten we toekijken hoe het zijn eer en zijn leven verliest.’ Frankrijk heeft ook het Joodse meisje Sarah belaagd.

Twee verhaaldraden kent dit navrante en huiveringwekkende verslag van de Holocaust, dat erom roept verfilmd te worden. De tienjarige Sarah Starzinski wordt in de nacht van 16 juli 1942 samen met haar ouders opgepakt en naar de Velodrome d’Hiver in Parijs gebracht, waar duizenden joden worden verzameld voor deportatie. Niemand heeft echter gezien dat Sarah haar kleine broertje Michel in een kast opsloot, net voordat de politie het appartement binnendrong.

Ze heeft hem beloofd zo snel mogelijk terug te komen om hem te bevrijden, maar Sarah wordt, gescheiden van  haar vader en moeder, op transport gesteld naar het vernietigingskamp in Duitsland. Zij weet echter onderweg te ontsnappen, wordt opgevangen door een ‘goed’ Frans echtpaar en gaat zonder Jodenster op met het openbaar vervoer naar haar ouderlijk huis in de akelig lege Joodse wijk Le  Marais. Daar aangekomen ziet zij in de kast de verschrikking van haar leven.

Zestig jaar later krijgt Julia Jarmond, een Amerikaanse journaliste in Parijs, de opdracht een artikel te schrijven over de verzwegen razzia van 1942, een inktzwarte bladzijde in de Franse geschiedenis. Ze gaat op zoek in archieven, en via het dossier van Sarah ontdekt zij een goed verborgen geheim van haar schoonfamilie. Haar echtgenoot Bertrand probeert haar ervan te weerhouden zich met deze geschiedenis te bemoeien, maar Julia besluit toch het spoor van Sarah te volgen.

335 bladzijden telt de roman van Tatiana de Rosnay en ik las ze met ingehouden adem in één ruk. In de voorbije maanden heb ik veel werken over de catastrofe die de wereld in de jaren ’39-’45 teisterde bij u mogen introduceren. Ik noem u Ademschommel van Herta Müller, Route ’40-‘45 van Jeroen Wielaert, De Rotterdamse arbeidsinzet van Albert Oosthoek, Koffer uit Berlijn van Kristine Goedhart, De goede nazi van Nanking van John Rabe en Spartacus van Erik Brouwer.

De zes boeken hadden mij in hun ban, maar Haar naam was Sarah had mij in de wurggreep, pakte mij bij de strot, deed mij naar adem happen. Het leed de Joden in de Shoah aangedaan kwam monsterlijk, kwaadaardig en schrikbarend op mij af. Mede door de literaire kwaliteiten ervan zal  Sarah in mij voort blijven leven. Haar boek is een eerbetoon aan de kinderen van het Vel d’Hiv’, aan de kinderen die nooit zijn teruggekomen en aan degenen die het kunnen navertellen.

Ik wil niets meer kwijt over de plot van het verhaal, want voor u wil ik de spanning erin houden. Wel geef ik de beginzinnen door. ‘Parijs, juli 1942 Het meisje hoorde het harde gebons op de deur het eerst. Haar kamer lag het dichtst bij de ingang van het appartement. Ze was nog zo versuft van de slaap dat ze eerst dacht dat het haar vader was die uit zijn schuilplaats in de kelder naar boven kwam. Hij had natuurlijk zijn sleutels vergeten en was ongeduldig omdat niemand zijn eerste, bescheiden klop had gehoord. 

Maar toen klonken de stemmen, hard en wreed in de stilte van de nacht. Dit had niets met haar vader te maken, ‘Politie! Opendoen! Nu!’ Het gebons begon weer, harder. Het weerklonk tot in het diepst van haar botten. Haar jongere broer, die in het bed naast het hare lag te slapen, bewoog. ‘Politie! Opendoen! Opendoen!’ Hoe laat was het? Ze tuurde door de gordijnen. Het was nog donker buiten. Ze was bang. Ze herinnerde zich de gedempte gesprekken die ze s‘avonds laat had opgevangen, toen haar ouders dachten dat ze sliep.

Ze was naar de deur van de woonkamer gelopen, en daar had ze staan luisteren en door een kleine spleet in het hout gegluurd. De nerveuze stem van haar vader. Het bezorgde gezicht van haar moeder. Ze spraken in hun moedertaal, die het meisje verstond, al sprak ze die niet zo vloeiend als zij. Haar vader had op fluistertoon gezegd dat de tijd die voor hen lag moeilijk zou worden.’ U als lezer weet meer dan het meisje van wie de naam Sarah is, want de Holocaust barst uit.  

 
CULTUURMIX 22 FEBRUARI

The Valkhof Experience

Die februaridonderdag reed ik de 90 kilometer over A15 en N325 door het besneeuwde middenrif van ons land om te geraken in het zo mooi in het landschap geschoven Museum Het Valkhof in Nijmegen. Onderweg wist ik steeds rechts van mij de Merwede, die bij Gorinchem  in de Waal overgaat, en ik verheugde mij op het weidse  panorama dat ik vanuit de bovengalerij van het glazen kunstpaleis op de witte Betuwe zou hebben. En ja, het uitzicht over de rivier was een lust.

‘The Valkhof Experience’, zo gaat  de titel van de tot en met 22 augustus gaande eclatante expositie, die luister geeft aan het feest van het tienjarig bestaan Museum Het Valkhof aan het Kelfkensbos. Na mijn tocht langs de galerijen ervan met honderd werken uit de eigen vaste collectie was het voor mij heel manifest: op  intrigerende, originele, creatieve, spannende wijze staan in een duel tussen licht en donker spectaculaire specimina uit archeologie, oude en nieuwe kunst te kijk.

Het meest opvallende en meteen ontroerende facet van dit artistieke loflied is dat attributen van toen en nu niet alleen in hun uppie gewoon bij elkaar staan, maar dat ze elkaar zo inspireren dat nooit vermoede eye-catchers zich presenteren. De ondertitel van deze ode is dan ook terecht: ‘Beleef de collectie van Museum Het Valkhof’. ‘Experience’ staat voor ‘ervaring, belevenis, ondervinding, praktijk’: deze tentoonstelling dompelde mij onder in een warm bad van uitingen van kunst.

Ik maakte halt en front voor o.a. olieverf op doek, pasteltekening, beeldengroep, portretbuste, drinkbeker, ruiterhelm, schildknop, ring, kroonlijst, kapiteel. schandton, beulszwaard, staande klok, bronzen kop, zeefdruk, fotocollage, gouache, aardewerk, gouden munt, aquarel, roemer, globe, assemblage. Met elkaar etaleerden ze mij hoe uitingen van kunst en kunstnijverheid de eeuwen gesierd hebben tussen Romeins keizer Trajanus en vorig jaar overleden Tajiri van de Cobra-groep.

In het Museumcafé  hadden vóór de preview conservator moderne kunst Frank van de Schoor en tentoonstellingsontwerper Marcel Wouters al achtergrond, concept, inhoud en inrichting van ‘The Valkhof Experience’ uit de doeken gedaan, maar dat hun woorden zo zouden uitpakken, had ik niet kunnen bevroeden. Door hun unieke en ultieme  wijze van presenteren stellen zij u een half jaar in staat een frisse, bevlogen blik te werpen op schitterende, boeiende stukken, alle  met een eigen verhaal.

Bij de entree van ‘The Valkhof Experience’ reikte sprankelende pr- dame Jannemarie van den Brand mij de krant aan die ook u van de stapel daar kunt pakken. Het geschrift is echt een must bij uw visite aan Nijmegen. Verreweg het grootste deel van het honderdtal geëtaleerde stukken wordt daarin in de marge kort beschreven en een twaalftal krijgt nog een nadere explicatie. Zo het schilderij ‘De watersnood van 1855’ van J. C. Veltens en zo het bronzen Romeins diploma in Elst gevonden.

De krantenkoppen klinken uitnodigend, zoals ‘Verzamelde historie’, ‘Een Bataafs gezin in de Betuwe’, ‘Bouwfragmenten’ ‘Als blikken konden doden’ en ‘ In een ton door de stad’. De teksten zelf doen klip en klaar, kort en bondig hun  verhaal. Ik geef u één voorbeeld: ‘Een uil met een tragisch lot’. Het gaat om het zogenoemde kokosnoten, zilveren, deels vergulde ‘Nijmeegs uiltje’ van de hand van de Meester met het Klaverblad die werkzaam was van 1575 tot 1600.

‘Deze eigenwijze vogel met granaatsteentjes als ogen en het lijf kunstig gesneden uit een kokosnoot, is al vele jaren een publiekslieveling. Het is een pronkbeker die op tafel stond als siervoorwerp, maar wanneer de zilveren kop wordt afgenomen kan de donkerbruine romp ook worden gebruikt als drinkbeker. Kokosnoot was bij de goede standen vanaf de middeleeuwen tot in de 17de eeuw heel populair als materiaal voor dit soort bekers, omdat men dacht dat ze open zouden splijten wanneer er vergif in werd gedaan.

Op de Nijmeegse uilenbeker staan versregels, die ook voorkomen op twee vergelijkbare Antwerpse bekers. Ze zijn ontleend aan eenzelfde 13de-eeuws Duits gedicht over de liefde van een ongelukkige uil voor een nachtegaal. Dat vertelt hoe de uil overdag zijn liefde niet bekend durft te maken aan de nachtegaal, omdat hij vreest dat deze hem zal afwijzen vanwege zijn lelijke verschijning. Het duister biedt de uil (toch een nachtvogel bij uitstek) in dit geval ook geen hoop.

Hij zou met zijn schrapende stem de zoetgevooisde zangvogel alleen maar aan het schrikken brengen. Een tragisch lot, hooguit te verzachten door drank en dichtkunst. Op de banden rond de opening en het deksel lezen we over het uiltje: ‘Des nachts flige ick allene doer dat groen wolt’, op de bekerhals verder: ‘Ick arme vulken klene min gedachte sin menich folt’ en op de kop ‘Als andere vvogel sin toe neste soe is min vvliegen beste’. Conservator Ruud Priem zegt vervolgens:

‘Er valt op zoveel manieren iets te beleven aan de uil: de karakteristieke eigenwijze kop spreekt mij aan, maar ook het vakmanschap waarmee het object is gemaakt en het tragikomische verhaal over zijn onuitspreekbare liefde.’ Ik traceerde met blijdschap dat de museumkrant mij relevante informatie doorgaf, waardoor ik met andere, betere ogen naar de uil met een hoogte van 21 cm ging kijken. Het ging om een wonderlijke nieuwe kijkervaring, het betrof een heuse belevenis.


Elke tentoonstelling kent voor iedere bezoeker de eigen toppers. Zo verging het ook mij tijdens mijn tocht langs de honderd van ‘The Valkhof Experience’. Grote bronzen ketel, ijzeren gezichtshelm, barnstenen sculptuur, baksteen met anderhalf alfabet, gouden halssieraad, ze lieten de tijd der antieken oplichten. ‘Gezicht op de Valkhofburcht’ van Jan van Goyen (1641) en ‘Gezicht op de Valkhofburcht uit het noordwesten’ van Hendrik Hoogers (1796), ze lieten vroegere glorie zien.

Carel Willink met zijn ‘Gezicht op een stad’ uit 1944, Pyke Koch met ‘De boogschietwedstrijd’ uit 1959, Wim T. Schippers met ‘Ahoy’ uit 1962  en Rik van Bentum met ‘Cafetaria Rutex’ uit 1963, zij brachten de moderne tijd in beeld. Het meest bekoorde mij echter het paneel ‘De oude haven met de Bottelpoort in Nijmegen’ dat Jan Weissenbruch ongeveer 1850 van olieverf voorzag. Ik geef u integraal de tekst door uit het rijke en riante jubileumboek Van Trajanus tot Tajiri. De ‘ik’ is kunstjournalist Gijsbert van der Wal.

‘In reproductie lijkt het groter dan het is, omdat Weissenbruch er precies datgene in heeft gebracht waarin een klein schilderij monumentaal kan zijn. Helderheid. Muzikaliteit. Een subtiele abstractie in de figuratie. In 1850 was de 16de–eeuwse poort al lang geen stadspoort meer. Ze was verbouwd tot woning met Waalzicht. Wij zien een klein fragment van de rivier, tussen het paard en de kademuur door. Het gebouw moet pal aan het water hebben gestaan, want vlak ernaast steken twee masten omhoog.

Een felle zon beschijnt de poort, de witte hoofdkapjes van de vrouwen op de voorgrond en de slagroomwolken in de verte. De schaduwen zijn hard. Dit is het einde van de ochtend, op een dag in de lente of de zomer. De poort staat pittoresk te wezen, er zijn mensen op de been en er sjokt een paard voor een kar. Het ziet er allemaal doodgewoon uit. Alledaags anno 1850. Maar hoe langer je kijkt, hoe meer je gaat opvallen hoe uitgekiend Weissenbruch alle zetstukken geplaatst heeft en licht en donker tegen elkaar heeft uitgespeeld.

Wat zal ik noemen? In elk geval het pikzwarte vierkantje op de dakrand, dat omlijst wordt door een hagelwit raam. Ook elders in het beeld staan de hoogste witten direct naast een diep (of minder diep) zwart accent: in de twee staande vrouwen, in het kapje van de zittende vrouw die links wordt losgeschenen van een schaduwpartij, in het donkere luik dat vlak onder een witte wolk uit de poort steekt. Recht onder het vierkante dakraam tekent zich een wit vierkant af op de bakstenen muur.

En weer recht daaronder is een grijs vierkant uitgespaard in het witgekalkte stuk van de gevel. De boomstam op palen wordt door de zon verdubbeld, en de horizontale lijn van zijn schaduw op de gevel wordt voortgezet in het kademuurtje dat voor de poort langs loopt. Dat muurtje is een vierkante schaduwpartij van ongeveer dezelfde grootte als het lichte vierkantje dat de boomstam aftekent op de muur. Enzovoorts. Zo gaat het wel vaker in grote kunst, ook op een klein formaat.

Wat realisme lijkt, is bij nader inzien strak geregisseerd. De Weissenbruch blijkt vol Mondriaantjes te zitten. Zo’n geraffineerde ordening heeft de schilder niet alleen hier toegepast, maar ook in veel van zijn andere stadsgezichten. Het loont altijd de moeite om een tijdje voor een schilderij van hem te gaan staan en je ervan te vergewissen hoe dat in elkaar steekt.’ Met deze tekst in het hoofd kijk ik in Van Trajanus tot Tajiri naar het schilderij en o, wat zag ik allemaal!

Waarom ik zo uitvoerig Van Trajanus tot Tajiri citeer? Om u de toegankelijkheid en de transparantie ervan te etaleren, die door deskundige en taalsterke medewerkers gepresenteerd worden. Ik koester het grote en grootse boek en ga andere keren er weer uit citeren.  Nijhoff dichtte in 1934 dat hij naar Bommel ging om de brug te zien. Ik roep u  in 2010 toe: haast u zich naar Nijmegen om ‘The Valkhof Experience’ te zien en om Van Trajanus tot Tajiri op te halen.

Home is where the heart is

Na mijn tintelende  tocht door ‘The Valkhof Experience’ daalde ik de brede, lichte trappen van Museum Het Valkhof af om te geraken in de Projectruimte waar Barbara Polderman nog tot 9 mei aanstaande zeventien van haar sprekende en spraakmakende plastische werken te kijk zet in de expositie ‘Home is where the heart is’. Het is voor het eerst dat de kunstenares uit  1971 via een solovoorstelling haar veelzeggende en aansprekende sculpturen van mensen en dieren showt.

Voor de entree was daar het bordje ‘Gelieve de kunstwerken niet aan te raken’ en die boodschap was goed aan mij besteed, want steeds als ik voor een van haar scheppingen arriveerde, kreeg ik de neiging om ze aan te raken, beter: te strelen of te aaien. Om met Rudy Kousbroek te spreken: de aaibaarheidsfactor van de constructies was groot. Ik wilde knuffelen omdat ik de mensen en dieren aardig vond. Ik werd overmand door gevoelens van zachtheid en tederheid.

Ik verwijlde voor ‘Uil op nest’, ‘Slapende aapjes’, ‘Liggende vrouw’, ‘Staand meisje’, ‘Paar’, ‘Olifant’, ‘Liggend paar’, ‘ De familie’, ‘Arend’, ‘Strijder’, ‘Wolf’, ‘Leeuwin met welp’ en ‘Liggende vrouw met drie paarden’ en geraakte in de ban van de ‘mooie’ kwetsbaarheid van de schepping. Zo stond daar de grauwe wolf solitair en solidair te zijn: hij was in zijn dolende en onrustige eenzaamheid trouw aan zijn opdracht om wreed te zijn. Maar toch wilde ik het beest strelen.

Barbara bouwt haar installaties op uit een mix van materialen. De basis en onderlagen bestaan uit metaal, gips, papier-maché en polyesterhars. De bovenste lagen werkt ze uit met textiel, met repen stof, doeken, tapijtdelen, meubel- en gordijnstoffen, stropdassen en andersoortige linten, die de beelden een visuele rijkdom verlenen. Zij streeft ernaar stoffen uit de kringloop samen te laten vloeien tot een vanzelfsprekend geheel en werk te maken dat tegelijkertijd  persoonlijk en herkenbaar is.

De gele uil op het veelkleurige nest, de doezelende blauwe apen, de mijmerende olifant, de gezellige olifantenfamilie, de leeuwin die haar welp koestert, de gestreken vlag, de wapperende arend, de liggende vrouw, het dromende meisje, het intieme paar, ze deden mij goed. Ik haast mij echter te zeggen dat andere bezoekers repten over de beklemmende sfeer die Polderman met haar beelden oproept. Ik had daar geen oog voor, want vorm en inhoud kwamen op mij als een op een over.

Om u meer inzicht in werkwijze en denkwijze van Polderman te geven geef ik u een fragment door uit het hoofdstuk ‘Reflectie en Verlangen’ zoals dat staat in de catalogus Home is where the heart is. Frank van de Schoor is de schrijver ervan. ‘De buitenkant van de afgebeelde mensen en dieren van Barbara Polderman is op zijn minst onorthodox te noemen. … Het samenspel van patronen, virtuoos in collagetechniek uitgevoerd, verleent de beelden een intrigerend uiterlijk.

Andere beelden werken meer verontrustend en beklemmend. Associaties met verval en vergankelijkheid dienen zich aan. Sierlijke bewerkingen blijken ook een schaduwkant te hebben. Ornamenten doen bij nadere beschouwing soms ook denken aan brandwonden,  lichte insnijdingen in de huid  en tatoeages. Keer op keer blijkt dat mens en dier in hun bekoorlijkheid ook kwetsbaar zijn. De natuur toont zich vaak grillig. Schoonheid en pijn liggen dicht bij elkaar.

Voor Barbara Polderman is dit een vanzelfsprekend gegeven. De hangende stofrepen en draden vormen een sprekend voorbeeld van de verbeeldingskracht in haar werk. Bij de ‘Wolf’ zouden ze kunnen zijn ontstaan door het wegrennen door dicht struikgewas en scherpe staketsels. Alles wat het beest onderweg heeft meegemaakt kleeft aan, blijft het dier achtervolgen, Je kunt dit interpreteren als een last die je moet meedragen, die onvermijdelijk bij het leven hoort.

Tegelijk zijn het ook attributen van waardigheid, van overlevingsdrang, die misschien zelfs als versiering kunnen worden beschouwd. Ze vormen een persoonlijke getuigenis van de levensgeschiedenis van het dier. Interpretaties van levende wezens moeten voor de kunstenares in balans zijn, een spiegel voor de natuur vormen in zijn adembenemende schoonheid én in zijn huiveringwekkende confrontatie.’

Rutger Kopland is de maker van ‘Jonge sla’ uit 1970:

‘Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen, kan ik met droge ogen zien rooien,
daar ben ik werkelijk hard in.

Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.’

Het parcours door ‘Home is where the heart is’ volgend  en vol verwondering  blikkend naar de schoonheid van de kwetsbaarheid in de natuur voelde ik deze versregels in mij boven komen.

 
CULTUURMIX 15 FEBRUARI

Dorsvloer vol confetti

Ik zei het u al: op de leestafel in de foyer van Het Bimhuis ontwaarde ik maandagochtend 1 februari vlak voor de start van de persmeeting Boekenweek 2010 Dorsvloer vol confetti van Franca Treur en van uitgeverij Prometheus. Temidden van de te kijk liggende schare werken met  thema ‘Titaantjes – Opgroeien in de letteren’ lag daar de spraakmakende roman, die de postbode mij twee dagen daarvoor aangereikt had en waarvan ik het eerste hoofdstuk tot mij genomen had.

‘Een nachthutje in de komkommerhof’, zo luidt de titel van het stuk, dat meteen de toon  zet.  Als hoofdpersonage Katelijne Minderhoud van twaalf lentes ter kerke gaat, hoopt zij dat de voor te lezen preek zal gaan over de barmhartige Samaritaan, maar die handelt over de kinderen van Juda die door de Babyloniërs uit Kanaän weggevoerd werden, omdat ze tegen  God hadden gezondigd. De meesten schikten zich in hun nieuwe land en voegden zich naar  de goddeloze overwinnaars.

Slechts een enkeling bleef de Heer vrezen en die voelden zich zo als het schamele onderkomen waarvan Jesaja 1 vers 8 rept: ‘En de dochter van Sion is overgebleven als een hutje in den wijngaard, als een nachthutje in de komkommerhof, als een belegerde stad.’  Katelijne past de preek meteen toen in haar eigen situatie. Zij heeft  aan het begin van die zondagmiddag het erop gewaagd drie Duitse vakantiegangers een plek voor hun tent op het erf van de boerderij te gunnen.

Katelijne interpreteert de Bijbel op een eigen wijze en loopt daarmee het gevaar in conflict te komen met de andere gezinsleden - vader,  moeder en zes broers - die hun stek hebben op het Walcherense boerenland ten westen van Middelburg. In het  laatste hoofdstuk , ‘Dorsvloer vol confetti’, verhaalt Franca Treur, met geboortejaar 1979, over de bruiloft van broer Christiaan met Petra Davidse van de andere kant van het dorp: zij dienen te huwen omdat een boreling zich aandient.

De twee zijn nog heel pril en hun ouders weinig vermogend en als er gezocht wordt naar een betaalbare trouwzaal, past alleen de gymzaal van het dorp in het budget, maar aangezien die op de bewuste datum bezet is door turners, stelt moeder voor de festiviteiten op de dorsvloer te houden. Katelijne wil de sfeer verhogen door op het bruidspaar vanaf de zolder zelfgeknipte confetti te laten dwarrelen. En aldus geeft zij aan religieuze bladen een andere, seculiere bestemming.

Vorig jaar berichtte ik u over het album Donkere palissaden van Pauline van Lynden dat in woord en beeld een monument opricht voor de houten palenrijen op de stranden van Walcheren en over het literaire kleinood De rietdekker waarin Rinus Spruit een kroniek voor zijn Zeeuwse familie creëert. Ook deed ik u in het kader van de rubriek 'Op stap in eigen land' verslag van onze fietstochten vanuit hotels in Westkapelle, Zoutelande, Koudekerke en Middelburg.

Wij toerden vele dagen door het Zeeuwse land en vooral Walcheren, waar het licht door het omringende water zo helder is en de luchten zo blinkend zijn, bekoorde ons. Zo reden wij op weg naar Veere  door Meliskerke, het stille dorp ten westen van Middelburg waar Franca Treur het licht voor het eerst zag, en wij maakten halt en front voor het hoekige en puntige gebouw van de Gereformeerde Gemeente, waarheen op de zondagen vele honderden kerkgangers zich spoeden.

Waarom ik dit allemaal u zeg? Ik ben door lezen over en trekken door Zeeland van het landschap en zijn bewoners gaan houden. Daarom haastte ik mij Dorsvloer vol confetti te lezen, dat in twaalf hoofdstukken verspreid over 221 bladzijden een serie scènes uit het dagelijkse  doen en laten van een Zeeuws orthodox boerengezin geeft. En dan zo direct, zo knap, zo liefdevol  en zo mooi van taal dat de moeder in de tuin, de vader in de stal, de broers op het erf tot leven komen.

Een rode draad door alle verhalen over familie Minderhoud, maar vooral in het relaas van de gesprekken met de oma, vormen de religieuze notities, die wel gekarakteriseerd worden als  tale Kanaäns. Ik haast mij echter te zeggen dat Franca Treur geen Jan Wolkers, Maarten Biesheuvel of Maarten ’t Hart is. Zij gooit geen stenen in de vijver, zij spuwt niet in de bron waaruit zij gedronken heeft. Zij groeide op in een streng godsdienstig gezin maar blikt in grote verwondering om.

Lezende in haar Dorsvloer vol confetti kwamen taferelen uit de roman Knielen op een bed violen van Jan Siebelink in mij op, die echter donker en zwaarder is. Bij Siebelink frustreert het geloof van de vader diens dagelijkse bezigheden, bij Treur worden de Minderhouds juist gestimuleerd in hun bezigheden: zij gebruiken vaak te pas en af en toe te onpas bijbelteksten. die richting aan hun leven geven. Het gaat bij Treur om een geloofsleven waarover zij zich verbaast en verwondert.

Franca Treur schrijft zo trefzeker en zo rijk dat u haar dient te horen. Maar eerst nog dit: zij schrijft niet een op een, zij heeft zich wel laten inspireren door haar ervaringen uit haar jeugd maar haar personages zijn geen personen uit Meliskerke. Zij heeft de werkelijkheid naar haar hand gezet, vandaar dat zij haar memoires een roman noemt. Zij heeft  Walcheren verruild voor Amsterdam, kijkt om, geeft schetsen uit haar jonge jaren door, niet als  documentaire maar als literatuur.

Franca gaat in hoofdstuk ‘Paardenbloemen’ zo van start. ‘Toen de opa onwel werd boven de gierkelder, had hij net de kleine Peter uit de stront getrokken. Korné, die van de twee altijd een beetje het sulletje is gebleven, stond er met zijn neus bovenop, met twee vingers in zijn mond. De vader was in het kalverkot bezig een pasgeboren kalfje te leren drinken en had niets in de gaten. Pas toen hij weer naar buiten kwam en Peter zag staan, van top tot teen onder de gier, kwam hij op de tweeling af gerend.

Hij zag hoe de opa raar opzij gedraaid boven op de stang van de mixer hing. Het eerste wat hij deed was de kinderen bij het gat wegjagen, ‘Haal mama!’ riep hij tegen Korné, maar het schijnt dat die gewoon bleef waar hij was, om niet te hoeven missen hoe de vader de opa omhoogtrok en op de kant legde, Opa’s grote klompen – hij had maat 47 – bleven achter in de ronddraaiende stront en blokkeerden uiteindelijk de mixer. De schoepen konden niet meer draaien en de aftakas naar de stationair draaiende trekker klapte af.

Een slipkoppeling zat er helaas niet op. De vader merkte het niet eens, omdat toen net duidelijk werd dat de opa niet meer bij zou komen. Een halfuur later reed er een ambulance het erf op, maar de opa is er niet eens meer in geweest. Alleen de kleine Peter moest een nachtje overblijven in het ziekenhuis. De moeder wilde hem zo niet meegeven, met de stinkende gier tot in zijn oren. Dus heeft ze hem, voordat hij in de ambulance ging, eerst nog afgespoten met de slang uit de melkstal en daarna snel in een hoeslaken gewikkeld.’

U zult het met mij eens zijn als ik zeg dat wij in Franca Treur een groot literair talent mogen koesteren. Ik zie uit naar haar tweede boek, want zij dient door te gaan. Op de omslag van mijn exemplaar staat een sticker met daarop vier sterren en de boodschap ‘Een wijs en tegelijk vermakelijk boek’. Inderdaad met begrip en liefde blikt zij terug en lardeert zij haar verhalen met brokken milde en droge humor. Op de achterflap blikt de bloedmooie, blonde Franca de lezer toe.  

Een stille moeder

Ik prijs mij gelukkig wanneer een boek tot mij komt dat ik in één ruk uit lees. Zo’n heuglijke happening viel mij ten deel toen de postbode mij een pakketje van Cossee aanreikte. Wel wist ik meteen dat ik goed zat - pr- dame van deze uitgeverij Eva Bouman kent mijn smaak en beheert  een pracht en een macht van een fonds -  maar de 202 bladzijden van deze roman deden mij zeer veel. Ze gaven mij het strelende besef hoe heerlijk het is een goed lopend, knap geschreven story te lezen.

Ik heb het over Een stille moeder van Ariëlla Kornmehl, waarvan het motto ontleend is aan Teksten en voorwendsels van Aldous Huxley uit 1932: ‘Experience is not what happens to a man; it is what a man does with what happens to him’, ‘Ervaring is niet wat er gebeurt met een man, het is wat een mens doet wat er gebeurt met hem’. En inderdaad, het verhaal draait om een in Amsterdam wonende  Russische vrouw van 31, die het kompas van haar leven in eigen hand houdt. 

Het gaat om Loenia, die zonder man Bas en zoontje Reuben, naar Sint-Petersburg afreist om haar vader Vadim, die door een beroerte geveld is, in het ziekenhuis op te  zoeken. Zij logeert bij haar moeder Eva  en als zij een keer alleen op bezoek is, vertelt vader onverhoeds dat hij niet zeker weet of hij wel haar vader is. Loenia gaat vragen stellen aan haar over het verleden immer stille, uit Slowakije afkomstige moeder en aan het echtpaar Andrej en Nadja, vrienden van vroeger.

Door almaar vragen te stellen komt Loenia deels achter de waarheid. Zij wil het geheim van haar zwijgende moeder te weten komen. In 1968 tijdens de Praagse lente vielen de Russen Tsjecho-Slowakije binnen om de opstand met geweld te onderdrukken en in Brno werd na een demonstratie moeder gearresteerd en in een cel gezet. Zij werd daaruit bevrijd door de Russische officier Vadim, die zij bedankte met een nachtelijke vrijpartij, hoewel zij een beminde had.

Dat was de schoenmaker Dimitri, die kort daarna opgepakt werd en van de aardbodem verdwenen leek. De inmiddels zwangere Eva gedroeg zich heel opportunistisch en ging met Vadim mee naar Rusland, waar zij zich nooit happy voelde. Loenia krijgt geen sluitend antwoord op de vraag wie haar biologische vader is. Wel is er een link naar Dimitri, want diens vader heeft nooit kunnen praten en zijn kleinzoon Reuben is doofstom, dus heeft die wellicht een gen geërfd.

Ik ben mij ervan bewust dat de door mij geschetste verhaaldraad van De stille moeder u erg doet denken aan die van televisieseries waarin kinderen met behulp van DNA- gegevens op zoek gaan naar hun roots. Ik haast mij echter te zeggen dat Ariëlla Kornmehl - zij is van 1975 en woont in Amsterdam - over een rijk scala aan literaire kwaliteiten beschikt. Zo weet zij knap  informatie achter te houden, waardoor zij de lezer dwingt verder te lezen en de spanning erin weet te houden. 

Ook schrijft zij doelgericht, want alle verhaalelementen als tijd, karaktertekening,  perspectief en structuur staan in dienst van het thema. Kornmehl kwam op mij vooral over als de schrijfster van prachtig proza, dat hartveroverend in mij neerdaalde. Hoe zij de relatie tussen dochter en moeder tekent is van hogere orde. Loenia blijft respect houden en liefde voelen voor Eva, zij vraagt niet door over de gebeurtenissen van dertig jaar terug. Eva overwint haar schroom om Loenia haar liefde te tonen.

Ik ben heel blij dat ik Ariëlla gelezen heb. Zij is een verrijking van onze literatuur. Ik ga dan ook haar eerder verschenen werken lezen: de roman De vlindermaand en de novelle De familie Goldwasser. Ik ga nu citeren. Loenia is in het ziekenhuis aan het bed van haar vader. ‘Verbazing tekent zijn gezicht, het lijkt wel onbegrip, waarom staart hij me zo aan? Ja, ja, zegt hij, in een poging herkenning te laten blijken. Natuurlijk, zegt hij, je moest uit het Westen komen.

Vertel me, hoe gaat het met je zoon? Goed, antwoord ik. Hij heeft Reuben nog nooit mijn zoon genoemd. Het gaat goed met Reuben, dank je pap. Zijn hand probeert de mijne te zoeken, maar beweegt eigenlijk de verkeerde kant op. Dit soort dingen, zegt hij. Mijn moeder komt de kamer binnen en als ze merkt dat mijn vader wakker is, loopt ze ogenblikkelijk op hem af. Hoe vind je die verrassing, schat?  Mijn vader glimlacht naar haar, terwijl zij moppert op de verpleging, er was natuurlijk weer niemand te vinden op de gang.’

Waarom ik deze zinnen koos? Een literair werk geeft inzicht in het leven van de medemens, verlegt de horizon door de wereld van de ander te schetsen. Maar het verdiept ook het inzicht in het leven van de lezer. In 1987 bezochten wij onze vader in het Havenziekenhuis Rotterdam, waar hij was opgenomen vanwege een beroerte. Nooit zal ik de wanhoop vergeten die in zijn ogen lag, maar ook raak ik niet kwijt dat wij daar aan het bed gezeten rap  overgingen tot de orde van de dag. In 2000 glimlacht Vadim, moppert Eva.

 
CULTUURMIX 8 FEBRUARI

Titaantjes – Opgroeien in de letteren

Die eerste februarimaandag toog ik over de donkere en drukke  A15, A27 en A2 om te geraken in  de concertzaal voor jazz en geïmproviseerde muziek Het Bimhuis aan de Piet Heinkade 3 in Amsterdam om de persbijeenkomst Boekenweek van komend voorjaar bij te wonen. Na een trage tocht van drie uur door droge en natte sneeuw hield ik mij in de foyer van het podium aan het IJ op voor een leestafel met een galerij aan boeken, die het door de CPNB gekozen thema manifesteerden.

‘Titaantjes – Opgroeien in de letteren’ zo luidt de slogan, die van 10 tot en met 20 maart lezers naar de verkooppunten moet lokken om het traditionele geschenk te bemachtigen, dat dit keer door Joost Zwagerman geschreven is: de novelle Duel. Ik blikte naar de covers van Woutertje Pieterse van Multatuli, Kees de jongen van Theo Thijssen, Bint van Ferdinand Bordewijk, Terug tot Ina Damman van Simon Vestdijk, Het verrotte leven van Fleurtje Bloem van Yvonne Keuls.

Ook naar die van Opwaaiende zomerjurken van Oek de Jong, Indische duinen van Adriaan van Dis, Blauwe maandagen van Arnon Grunberg, Die zomer van Wanda Reisel en naar die van Dorsvloer vol confetti van Franca Treur, het Zeeuwse portret waarover ik u binnenkort met vreugde ga berichten. Bij het lezen van de titels kwamen beelden op mijn netvlies van beschreven taferelen uit de levensfase die ligt tussen kind en volwassene, zeg maar de coming of age.

Na deze heuglijke ontmoeting met verhaalpersonages die in mij zijn blijven voortleven, was er in de zaal de persmeeting met als spreekstalmeester directeur CPNB Henk Kraima. Zijn originele , boeiende, informatieve speech vond zijn afronding in: ‘U krijgt bij vertrek van onze voorlichter Peter Rosendaal en zijn collega’s alle publicaties die tijdens de Boekenweek verschijnen. Mocht u erover willen publiceren dan waarderen wij het zeer als u dit pas vlak voor de Boekenweek wilt doen’.

Het spreekt voor zich dat ik aan Kraima’s oproep gehoor wil geven en daarom heb ik het nu niet over het bij aankoop voor 12,50 euro aan boeken te ontvangen cadeau Duel van Joost Zwagerman, over het geschenk van de openbare bibliotheken Boekenweek – cv 2010 Joost Zwagerman, over Boekenweekmagazine en over Titaantjes waren we. Ik schort mijn mening op. Wel maak ik gewag van de performance die de acteur en presentator Erik van Muiswinkel etaleerde

Voordat o.a. Rosita Steenbeek, Renate Dorrestein, Nelleke Noordervliet, Esther Gerritsen. Nico ter Linden, Jan Mulder, Henk van Os, Paul Witteman, Bert Keizer, Arthur Japin het podium in slow motion betraden om de formidabele bundel Titaantjes waren we in ontvangst te nemen, waarin zij met 65 collega’s over zichzelf schrijven, was Van Muiswinkel er die met een knipoog naar de door de CPNB in maart te organiseren happening ‘Twitteratuur’ tien tweets de zaal in vlinderde.

Erik was gevraagd  De avonden van Gerard Reve uit 1947 te hervertellen in tien tweets, die dus elk uit niet meer dan140 karakters bestaan. Ik geef ze aan u door. @Schilderskade Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweeëntwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdie… Dit werkt dus niet! (137 tekens) - Jeugdherinn. opgehaald met Joop. Avond nr reünie Berends Gym. Kom niet 1 normaal mens tegen. Ben nu 23 jr. Droom over zwaan. Als de dood. (137)

Kadoos gekocht voor Pim v. kantoor & baby van Jaap/Joosje. Veel pret om mismaakten. Kan in droom niet ontsnappen aan iets verschrikkelijks. (139)  - 1e Kerstdag. Dooi. Zelfhulpboekje geleend v Victor. Pissebed levend verbrand. Tieretjoepfalderi. Herinner mij te veel. Warenhuisdroom. (134)  -  2e Kerstdag. Vader wordt doof, moeder slurpt. Ze vinden een kerstboom flauwekul. Baby van Herman heeft schudziekte. Gods werken zijn groot. (139) 

Niemand wil mee naar film. Bij toeval Maurits D. Hem later sadistische bekentenissen ontlokt. Thuis college over wratten verzorgd. Ontspan! (139)  -  Zaterdag. Tocht is wind in huis. Kroegbezoek met Victor Poort. Ik drink veel, en oudehoer nog meer. Word erg moe van mezelf. God ziet alles. (139)   - Weer zondag. Koppijn. Snij me met scher&. Zinloze bezoeken. Bep S. = wel lieve meid. Donker, bloedrijk vlees. Leen pluche konijn van haar.(138)

Lekke band. Bij Bep langs. Was wel op dreef. Oude mensen zijn een plaag. Nr film met geestelijke negerliederen. Zou er ergens redding zijn? (139)  -  Di, Oudejrsdag. Moed houden. Moe heeft wijn, appel-bessen. Maar het is sap. Eeuwige God, zie mijn ouders. Ik leef. Dokter, mijn boek is af. (139)  ‘Vertwitterd door Erik van Muiswinkel©’, staat er onder de tweets. Erik doet uiteraard de Reves roman tekort, maar geweldig is zijn resumé en revival ervan.

Avatar

De laatste januarivrijdag beleefden wij in filmbastion Pathé de Kuip de film die sinds de première in vijf weken tijd wereldwijd al meer dan 2 miljard dollar opgeleverd heeft. Ik heb het uiteraard over het stereoscopische sciencefiction epos‘Avatar’, dat naar verluidt 500 miljoen dollar gekost heeft. Regisseur Cameron zei bij de start: ‘Ik hoop dat niet te veel mensen deze film gaan bekijken. Dat zou betekenen dat we een vervolg moeten maken en dat is veel te kostbaar.’!

Wij verbleven welgeteld 161 minuten in het spektakel boordevol avontuur en actie en waren in no time in de ban van de driedimensionale speelfilm, die als belangrijkste locatie een   woud kent met een unieke flora en fauna en blauwgekleurde, hoogpotige bewoners die in volstrekte harmonie met de hen omringde natuur en met elkaar leven. Ik – mijn metgezel niet! -  ging zo op in de revolutionaire technologische hoogstandjes dat ik de verhaaldraad deels verloor. Die ga ik u met de hulp van derden geven. Indien u zelf de plot wilt ontdekken: haakt u nu dan af, wij spreken elkaar later dan. Wel wil ik nu al gezegd hebben: ‘Avatar’ moet u echt gaan zien!

Het is 2154 op de fictieve maan Pandora van een planeet van Alpha Centauri. Een aards mijnbouwbedrijf heeft onder leiding van Parker Selfridge een vestiging op Pandora voor het delven van een kostbaar mineraal. Voor de interstellaire ruimtereis van en naar de aarde worden snelle ruimteschepen gebruikt, die de vier lichtjaren in zes jaar afleggen. Bovendien maken de passagiers de reis in ingevroren toestand zodat deze heel kort lijkt te duren. Er is op Pandora een inheemse bevolking  van humanoïde wezens, de Na'vi. Ze zijn intelligent  maar technologisch minder ver ontwikkeld. Ze lopen op twee benen, zijn drie meter lang, slank, lenig, met een staart en een huid met een blauw zebra-patroon. Het mensdom heeft een techniek ontwikkeld om een wezen te creëren dat een genetische tussenvorm is tussen een bepaald mens en de Na'vi, zijn zogenaamde avatar.

De betreffende mens kan via apparatuur mentaal draadloos verbonden worden met zijn avatar waardoor hij deze kan besturen en kan zien, voelen, enz. via de avatar, terwijl zijn eigen lichaam slaapt. Als de avatar slaapt kan de verbinding verbroken worden zodat de bestuurder kan eten en rapporteren. Via de avatars kunnen de mensen gemakkelijker contact leggen met de Na'vi, bovendien hoeft de avatar niet zoals mensen een zuurstofmasker te dragen op Pandora. De voormalig marinier Jake Sully krijgt onverwacht de gelegenheid om naar Pandora te worden uitgezonden, omdat zo de kostbare avatar van zijn overleden tweelingbroer alsnog gebruikt kan worden, omdat ze hetzelfde DNA hebben. Dat hij aan zijn benen verlamd is,  vormt voor hem geen bezwaar: hij vindt het juist prachtig dat hij als avatar weer kan lopen. Hij wordt als avatar ingezet als beveiliger van onderzoekers. Hij raakt echter gescheiden van de anderen en wordt belaagd door dieren. 

Neytiri van de Na'vi-stam Omaticaya wil hem eerst doden, maar krijgt dan een teken van de godin van de Na'vi, Eywa, dat gunstig is voor Jake. Ze redt hem en krijgt van haar stam opdracht hem van alles over hun leven te leren. Op die manier raakt hij bijvoorbeeld stilaan bedreven in het berijden van een Ikra, een vliegend dier. Jake en Neytiri worden uiteindelijk verliefd op elkaar en worden een koppel. Wegens Jakes goede contacten met de Na'vi zet hoofd beveiliging, kolonel Miles Quaritch, hem in als spion en onderhandelaar, ondanks dat hij in tegenstelling tot de wetenschappers in het begin nog heel weinig kennis heeft van Pandora en de Na’vi – cultuur. Het mineraal bevindt zich echter onder de Hometree, een enorme boom waarin de Omaticaya leven en die ze niet bereid zijn te verlaten. Door militair ingrijpen wordt onder leiding van Selfridge en Quaritch de Hometree vernield en worden de Na'vi met geweld verjaagd, waarna Jake de kant van de Na'vi kiest.

Twee wetenschappers met een avatar (Grace Augustine en Norm Spellman), wetenschapper Max Patel en pilote Trudy Chacon steunen hem. Neytiri's vader, die de leider van de Omaticaya was, wordt tijdens de aanval gedood, Tsu'Tey is zijn opvolger. Even voelen Neytiri en Tsu'Tey zich verraden door Jake, maar als Jakes avatar erin slaagt de vervaarlijke toruk, een vliegend dier groter dan een banshee, te temmen en te berijden, wat hem zeer groot aanzien verleent, zien ze in dat hij aan hun kant staat. Andere Na'vi-stammen sluiten zich aan bij de Omaticaya. Quaritch wil het moreel van de Na'vi breken door de heilige Tree of Souls ook te vernielen. Er volgt een strijd waarbij Jakes avatar op de toruk en de Na'vi op hun banshees vliegen en waarbij ook enkele Na'vi van menselijke communicatieapparatuur  gebruik maken. Daarbij springt Quaritch in een mecha uit een neerstortend vliegtuig, waarna hij de container met Jakes mensenlichaam vernielt, waardoor dit van zijn avatar ontkoppeld wordt en geen zuurstof meer krijgt. Neytiri doodt Quaritch, en hoewel ze nog nooit Jakes mensenlichaam heeft gezien, herkent ze hem wel en redt hem door hem een zuurstofmasker om te doen. De mensen worden uiteindelijk verslagen en verdreven van Pandora. Jake besluit echter op de planeet te blijven. De Na'vi hebben een ritueel waarbij ze de ziel van een mensenlichaam proberen over te planten naar de bijbehorende avatar. Dat is mislukt bij de stervende Grace, maar lukt nu wel bij Jake, waardoor zijn avatar voortaan zelfstandig kan functioneren als Na'vi.’

 
 
CULTUURMIX 1 FEBRUARI

Koffer uit Berlijn

In de vooravond van woensdag 27 januari was het full house bij boekhandel Vos & Van der Leer aan Voorstraat 258a in het hart van Dordrecht. Op het middenplein waren immers vele intimi van Kristine Groenhart bijeen om het glas te heffen op haar tweede boreling Koffer uit Berlijn met  ondertitel ‘Een leven in oorlogstijd’. Lovende woorden vlinderden door de literair getinte ruimte en dat die terecht zo klonken, bleek mij toen ik thuisgekomen het relaas in één ruk las.

Ik doe u van mijn enerverende tocht door Koffer uit Berlijn verslag, maar eerst wil ik u brokken doorgeven uit de sprankelende speech van non-fictie redacteur Frits van der Meij bij uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep, waarvan de start lag bij de slogan: ‘Hoe dichter bij Dordt hoe slechter het wordt’ en die zijn finish vond in een variatie daarop: ‘Hoe dichter bij de waarheid hoe beter het wordt’. Daartussen legde Van der Meij zinnen die zicht op het boek gaven.

Nico Groenhart, met de jaartallen 1923-1989 en oom van de auteur, wiens ouderlijk huis aan de Voorstraat stond en nog staat, was  op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats. Als student scheepsbouwkunde ging Nico in september 1941 studeren aan de Technische Hogeschool in Delft, waar hij bijna twee jaar later te laat de door de Duitse bezetter gewenste loyaliteitsverklaring ondertekende. Het Reichskommissariaat riep Nico vervolgens op voor de Arbeiteinsatz.

Nico werd aldus uit het beschermde wereldje van Dordt en Delft de grote, en in zijn geval kwade, wereld ingestuurd, die voor hem als locatie had de fabriek Rheinmetall-Borsig AG net even buiten Berlijn, waar wapens en zware artillerie voor de oorlogsindustrie, zoals machinegeweren, kanonnen en handgranaten geproduceerd werden. Als jong volwassene moest Nico volgens Van der Meij keuzes maken die ons nu de vraag stellen van: wat zou ik, met de kennis van toen, gedaan hebben?

Wij mogen van geluk spreken dat de brieven, documenten en schriftjes, waarin Nico zijn belevenissen direct noteerde, bewaard zijn gebleven. Zo verhaalt hij van de bombardementen die Berlijn teisterden, van de bevrijding door de brute Russen, van zijn tocht te voet naar huis. Cruciaal is echter het persoonlijk en literair getinte verslag uit de eerste hand van hoe het is om  twee jaar in de oorlog als man van in de twintig ver van huis en haard temidden van de vijand te verkeren.

Van der Meij las ook voor uit Koffer uit Berlijn, waarvan de publicatie volgens hem een staaltje van recht doen aan de geschiedenis is. In 1988 werd Nico ziek en vanuit het ziekenhuis in Brussel schreef hij o.a.: ‘Tenslotte waren de meesten van ons in die tijd nog echte schooljongens. We beleefden veel, veel te veel, maar de volwassenheid, de rijpheid die van het beleefde het gevolg kan zijn, die was er toen nog niet. Het verbeteringsproces duurt waarschijnlijk je hele verdere leven.

In de brieven die wij van toen naar huis schreven staan de voornaamste gebeurtenissen vermeld, hoewel ook niet helemaal precies zoals we ze toen beleefden, want we wilden onze ouders toch niet ongeruster maken dan ze al waren. Maar vooral: het waren onverwerkte gebeurtenissen en dat valt me nu op wanneer ik die brieven nu weer lees. Het lijkt alsof ze door iemand anders werden geschreven.’ Nico noteerde dit  ‘par derriere’, zijn Berlijnse notities zijn echter ‘avec’ geschreven.

Een van de verdiensten van Kristine Groenhart is dat zij op een prachtige, welhaast onnavolgbare manier passages uit Nico’s  brieven en dagboeken met elkaar weet te verbinden door haar eigen verhaal er tussen te weven. En dat zonder opdringerigheid en zonder oordeel. Zij doet recht aan de geschiedenis door de epistels van Nico in hun context te plaatsen, waarbij gesprekken met diens studievrienden en lotgenoten Theo de Jooden en Aad Bos een rijke bron vormden.

Vervolgens was er een symbolisch moment. Kristine haalde uit een oude koffer - dus niet dé koffer - drie eerste exemplaren: voor Nico ’s kompaan Theo die ondanks zijn 86 lentes in zijn woorden van dank klip en klaar verhaalde over de erbarmelijke omstandigheden in het lager, voor makker Aad die om gezondheidsredenen niet present kon zijn maar wiens echtgenote knap de honneurs waarnam en voor Nanette Groenhart-Devos, weduwe van Nico en tante van Kristine.

Heel waardevol voor een goede receptie van Koffer uit Berlijn was ook het tweegesprek tussen Kristine en literair agent Paul Sebes. Zo accentueerden de twee dat de titel niet alleen verwijst naar de koffer met kleding uit Berlijn maar ook naar de bagage uit het verleden die je de rest van je leven met je meedraagt, dat Nico meeslepend schrijft, dat het om een puur oorlogsverhaal gaat en dat het bijzonder is omdat het boek weergeeft hoe jonge jongens tegen de oorlog aankeken.

Een paar maanden terug introduceerde ik bij u De Rotterdamse arbeidsinzet 1940-1945 van historicus Albert Oosthoek. Ik gaf u toen integraal het fragment door uit de memoires van mijn vader,  dat verhaalt over de Duitse razzia in ons dorp Kralingscheveer op 10 november 1944 en over vaders geslaagde onderduik in het kolenhok onder de keukenvloer. Ik zei u ook dat ik onder de indruk was van het door Oosthoek opgenomen relaas van een van de opgehaalde mannen.

Heel schrijnend daalden die woorden in mij neer: in den vreemde in een kamp als dwangarbeider doorbrengen. Ik sprak toen de wens uit dat meer van die verslagen het daglicht mochten  zien. En ziedaar, ik word op mijn wenken bediend door Kristine Groenhart. Haar tante Nanette gaf haar ruim anderhalf jaar geleden een stapeltje met brieven, enkele dagboeken en documenten uit de oorlog met de woorden: ‘Nico zou het fijn hebben gevonden als je er iets mee deed’.

Ziedaar de  aanzet tot Koffer uit Berlijn, waaruit ik nu ga citeren. Nico schrijft voorjaar 1944 aan ouders en broer:

‘Zondagmorgen, kwart voor acht. Gelukkig niets gebeurd vannacht. Heb heerlijk geslapen. Vanmorgen gewassen, geschoren, schoon overhemd aan, nu moet ik nog ontbijten en dan ga ik naar Grünau. Het is alweer gauw Pasen. Ben van plan om de komende zondagen de oudkatholieke kerk regelmatig te bezoeken. Het komt hier dikwijls niet van de kerkgang. Nu ik geen nachtdienst meer heb moet ik steeds veel karweitjes tot zondag bewaren. Dan komt er van kerk niet veel. Trouwens, de laatste keren dat ik hier een evangelische kerk bezocht, moest ik me onder de preek nogal eens ergeren. Dat moedigt niet aan. Als ik Pasen nu ook hier doorbreng, heb ik alle feestdagen al beleefd in dit land, Herinnert u zich nog vorig jaar Pasen? Toen we naar de Mattheus Passion gingen? Zo af en toe schijnt die tijd onwezenlijk. Moed en vertrouwen, laten we het daarop houden. Vooral: moed. Nog even vertellen dat de Amerikanen hier de laatste keer pamfletten uitgooiden, waarvoor onder de Duitsers grote ruzie ontstond. Er waren namelijk mensen die ze wilden lezen, en anderen die dat niet toestonden. Hoop dat u deze brief gauw ontvangt. Een zoen van Nico.’

Nico’s moeder antwoordt o.a. met ‘Ook de Mattheus Passion is uitgesteld tot Pinksteren, door de koude in de Grote Kerk kon het met Pasen niet doorgaan.’

Waarom ik deze woorden aan u doorgaf? Omdat ze duidelijk manifesteren dat ook de gewone dagelijkse bezigheden de burgers in oorlogstijd  bezighielden. Al moeten wij bedenken dat Nico zijn familie in Dordrecht niet al te veel wilde belasten met het doorgeven van onheilstijdingen. Een van de sterke facetten van Koffer uit Berlijn is voor mij dat het laat zien dat toen de oorlog met al zijn verschrikkingen woedde, de mensen ervoor wel oog hadden maar ook naar elders blikten.

Heel sterk van Kristine Groenhart is dat zij niet integraal alle geschriften van neef Nico maar  passages eruit doorgeeft, waartussen zij een las legt door brieven van Nico te resumeren, commentaar erop te geven, de context weer te geven, maar vooral door anderen dan Nico  aan het woord te laten: via citaten uit brieven van vader, moeder en broer Groenhart en de vrienden Theo en Aad. Haar boek van 240 bladzijden geeft aldus een divers zicht op  het oorlogsgebeuren.

Wij mogen Kristine dankbaar zijn voor de klus van het aan ons doorgeven van directe berichten uit de jaren ’40-’45. Bij het schrijven van herinneringen bestaat het gevaar dat latere eigen ervaringen en die van anderen het beeld vertroebelen en kleuren. Niet zo bij de op het moment suprème geschreven relaas van Nico. Koffer uit Berlijn roept erom verder geciteerd te worden, maar veel beter is het dat u het boek, dat de roots in Dordrecht heeft  bij uw boekhandelaar ophaalt.

Wel geef ik het door Kristine gehanteerde motto door, dat zij plukte uit de bundel In exilio (1946) van Guillaume van de Graft, die eveneens een periode van dwangarbeid in Berlijn moest meemaken:

‘Lente in den vreemde April – ik denk voortdurend aan mijn land.
Unter den Linden denk ik aan de olmen zwaarmoedig langs een rinsche waterkant,
aan steden waar de eeuwen traag vermolmen.’

Nico voelde zich naar eigen zeggen alleen en van de wereld afgesneden.

Tot slot de songtekst ‘Koffer in Berlijn’ van Seth Gaaikema :

‘Ik heb nog steeds een koffer in Berlijn
Die moet toen in de haast vergeten zijn
Dat oude valies is
Toen in die crisis
Niet meegekomen in de laatste trein
Mijn kleren had ik er keurig ingepakt
M 'n naam, adres, er netjes opgeplakt
Als ik weerom kom
Op dat perron kom
Staat hij te wachten en nog helemaal intact
Ik vond daar, in die koffer in Berlijn
M'n oude kleren die, heel gek
Weer in de mode zijn
Mooi opgestreken
Word ik nagekeken
Als een trendsetter van een nieuw snit en lijn
En straks Unter den Linden in het groen
Ga ik als vanouds een middagdutje doen
Op groene zoden
Op het graf van Joden
Knap ik een uiltje en vergeet die zes miljoen
Geen vuiltje aan de lucht
Het is weer net als toen...’

Nico nam zijn koffer wel mee uit Berlijn en postuum is daarvan nu de inhoud deels  verschenen. Hulde aan zijn nichtje Kristine die met haar Koffer uit Berlijn hem door de tijd heen een adieu zendt.  

 
CULTUURMIX 25 JANUARI

Gezicht op de Voorstraatshaven

Op die grijze vooravond van vrijdag 22 januari brak in de donkere Tapijtenzaal van het Huis  van Gijn aan de Nieuwe Haven 30 in Dordrecht het licht door toen scheidende burgemeester Bandell het doek voor het schilderij behoedzaam wegtrok. De in heldere tinten op het paneel van 35 bij 26,5 centimeter aangebrachte elementen als huizen, water van de grachten, toren van de Grote Kerk en zeilschip op de Oude Maas  klaterden en kletterden de grote schare aanwezigen tegemoet.

Bandell verrichtte daar een van zijn laatste officiële handelingen als burgervader van een stad die cultuur hoog in het vaandel heeft staan. Het onlangs door het Dordrechts Museum verworven werk uit 1884 van Eugène Boudin ‘Gezicht op de Voorstraatshaven’ is daar een schoon en treffend voorbeeld van, want het zal vanaf eind van dit jaar, als het Dordrechts Museum uit de steigers en stellingen is, in de zaal met specimen uit de 19e eeuw, te pronk hangen. 


Met bevlogen en gedreven conservator Moniek Peters mocht ik voor het paneel verwijlen en heel klip en klaar deed zij mij uit de doeken welke kenmerken de stijl impressionisme typeren. Zo wees zij op de vele tinten bruin van de huizen aan de gracht die in elkaar overvloeiden  en op het ietwat nerveuze getintel van het water en ik geraakte opnieuw in de bekoring van de schilders die al buiten schilderend de stemming en de sfeer op een bepaald moment van de dag wilden pakken.

Staande voor het kleine juweel genoot ik ervan te mogen kijken. Toen Moniek een citaat van  Baudelaire aanreikte, werd dat genieten nog intenser: ‘Je kan uit Boudins schilderijen altijd het seizoen, de dag, de tijd en de windrichting afleiden’. Vooral toen zij zei: ‘Boudin had eigenlijk de formule van het impressionisme al kant en klaar; alles wat ter plaatse wordt geschilderd heeft de kracht, de levendigheid en de overtuiging, die men later in het atelier nooit meer op kan roepen.’

Voor het moment suprème van de onthulling van ‘Gezicht op de Voorstraatshaven’  waren er in de zaal, getint door legio blauwe wandtapijten met mythologische scènes, vriendelijke speeches. Directeur Peter Schoon maakte gewag van de kunstlievendheid van burgemeester Bandell, die op zijn beurt de loftrompet stak op de gemeenteraad die in zijn geheel de plannen voor de verstrekkende restauratie van het Dordrechts Museum steunde:  ‘cultuur heeft in de stad een breed draagvlak’.

‘Voor Dordrecht het Gezicht 2000-2010’, stond om Bandells portret op het doek voor ‘Gezicht op de Voorstraatshaven’. Woorden die ‘linkten’ naar de geslaagde actie ‘Geef Dordrecht zijn gezicht terug’ in 2008, waarbij geld verzameld werd om de aankoop van het machtige en monumentale schilderij ‘Gezicht op Dordrecht’ van Jan van Goyen uit 1651 te raliseren.  Dit klassieke beeld van een Hollandse stad aan het water, werd door erven Goudstikker van de hand gedaan. 

Een tocht naar Dordt om de nieuwe Boudin te zien beveel ik u van harte aan.  Om u wat voorinformatie  te bezorgen, geef ik deels het persbericht door. Het museum kocht het schilderij ‘Gezicht op de Voorstraatshaven’ van de Franse schilder Eugène Boudin (1824-1898) eind 2008 bij veilinghuis Tajan in Parijs. Omdat het Dordrechts Museum nog gesloten is vanwege de verbouwing, wordt het  tot en met 28 februari tentoongesteld op de tweede verdieping van Huis Van Gijn.

Het paneel is altijd in particulier bezit geweest en verkeerde daardoor in goede staat. Behalve een nieuwe vernislaag kreeg het een nieuwe lijst, gebaseerd op de oorspronkelijke lijst.  In het vernieuwde museum komt het werk samen met de andere Boudin uit de collectie, ‘La Place Ary Scheffer’, en ‘Gezicht op het Groothoofd te Dordrecht bij maanlicht’ van Jongkind  te hangen. Voor het Dordrechts Museum is buitenlandse kunst in de collectie nieuw, maar omdat Boudin in Dordrecht werkte past het er toch in.

Op het paneel ‘La Place Ary Scheffer’ legde Boudin in 1884 vanaf de Wijnbrug het plein vast. De nieuwe aanwinst dateert uit hetzelfde jaar. Wie anno 2010 op de Spuisteiger, in het verlengde van de Grote Spuistraat, gaat staan ziet nog steeds hetzelfde beeld van de haven, de Pelserbrug en de Grote Kerk als Boudin in zijn tijd. Ik wandelde na mijn visite aan Huis van Gijn door het Dordts hart en inderdaad: wat Boudin 126 jaar geleden in het oog kreeg, is er grotendeels nog. Hoera!

Boudin verbleef toen de hele maand augustus 1884 in Dordrecht en schilderde in die periode 36 panelen van de stad. Hij was een van de vele buitenlandse schilders die aan het eind van de 19de eeuw naar Dordrecht trokken om de Hollandse luchten, het water en het bijzondere licht bij de stad te schilderen, dat in de 17de eeuw al door schilders als Aelbert Cuyp was vastgelegd. Boudin werd door zijn vriend en collega-schilder Johan Barthold Jongkind  (1819-1891) op Dordrecht gewezen.

‘Boudin werd al door de schilder Corot de koning van de wolkenluchten genoemd en raakte verzot op het licht in Dordrecht. Hij was gefascineerd door de combinatie van de lucht en het water en de weerspiegeling van die lucht in het water,’ vertelt conservator Moniek Peters. De felle, gouden kleuren van de huizen in de zon rechts op het paneel doen Venetiaans aan. Boudin wordt gezien als een voorloper van het impressionisme en was een van de leermeesters van Claude Monet.

Sporen van de vaderlandse geschiedenis

Een virtuoos kijk- en leesalbum koester ik al weken, want ik heb er heerlijke uren in doorgebracht. Ik heb het over Sporen van de vaderlandse geschiedenis met de ondertitel van ‘Bepalende plekken uit meer dan 2000 jaar geschiedenis van Nederland’. Bert Stamkot schreef  de teksten, Simone Gerard maakte de foto’s en uitgeverij Terra verzorgde de uitgave. Ik zeg het maar meteen: ik kan mij niet een boek herinneren, dat zo toegankelijk het verleden in woord en beeld presenteert.

In zijn ‘Woord vooraf’ geeft Stamkot zijn geloofsbrieven af: hij wil in zijn album alle relevante tijdvakken de revue laten passeren, alle gewesten aan hun trekken laten komen en als het even kan de internationale betrekkingen aan de orde laten komen. Naar mijn idee is hij in zijn opzet grandioos geslaagd: verspreid over 144 grote bladzijden trekken immers markante en memorabele locaties aan ons voorbij die ons land een gezicht gegeven hebben. Van Rijckholt tot Enschede.

Ten oosten van het Limburgse dorp Rijckholt was ooit een werkplaats van vuursteen dat licht ontvlambaar was en waarvan bijlen en klingen gemaakt werden. Pas na de toepassing van brons werd vuursteen overbodig en moest het werk stilgelegd worden. Stamkot vertelt heel  toegankelijk het verhaal, verwijst naar website en literatuur en Gerard brengt de vindplaats kleurrijk in beeld. In Enschede sloeg in mei van  2000 een vuurwerkramp een groot gat in de stad.

Woorden schieten mij tekort om de reikwijdte van dit formidabele geschiedenisboek te etaleren. Neemt u van mij dat op een prettige, onderhoudende manier het wel en wee van vele generaties verwoord en verbeeld wordt. Van Hunebed De Papeloze Kerk, De Romeinse brug bij Cuijk, Karel de Grote in Nijmegen, Jacoba’s Zoen van Woudrichem en Erasmus van Rotterdam  tot Watersnoodramp 1953, Fanfare in Giethoorn, De Nieuwmarktrellen,  The Beatles in Blokker en Deltawerken.

Sporen van de vaderlandse geschiedenis is weer zo’n Terra-boek dat er echt toedoet. Tweeduizend jaar historische happening trekken aan ons voorbij via de sporen die nu nog in het land te traceren zijn. Meesters van de Lagere School met de Bijbel aan de IJsselmondselaan in Kralingscheveer, zoals Molenaar, Bol, Veldhuizen en De Kruik, brachten mij ooit de liefde voor het verleden bij. Dit pracht en macht van een album verstevigt die min. Ik blijf erin lezen en kijken. 

Om u de verbale rijkdom van Sporen van de vaderlandse geschiedenis te illustreren ga ik citeren. Een paar maanden terug had ik het over onze visite aan Drenthe.

Stamkot: ‘Strafkolonie Veenhuizen. Wie een deel van zijn leven in ‘pauperparadijs’ Veenhuizen had gesleten, hield dat in de regel stil. Enerzijds uit schaamte en anderzijds uit angst gestigmatiseerd te worden. Toch hebben in alle kolonies zoveel arme mensen gewoond, dat daarvan nu misschien één miljoen nazaten zijn.

In 1818 richtte generaal Johannes van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid op met als doel om, in de geest van de ‘Verlichting’, opvoedkundige koloniën te stichten voor landlopers, bedelaars en andere paupers. Om het idee ten uitvoer te brengen kocht de maatschappij in 1823 grond aan om daarop drie vierkante gestichten en een kerk te bouwen. In de directe nabijheid verrezen boerderijen voor de ontginning van het gebied. De nederzetting (‘kolonie’) kreeg de naam Veenhuizen en werd door de Kolonievaart ontsloten (1826).

Ook elders in Drenthe stichtte de maatschappij koloniën, zoals Fredriksoord en Wilhelminaoord en in Overijssel Ommerschans. In 1859 nam het Rijk Veenhuizen over om het te veranderen in een strafinrichting voor veroordeelden wegens drankmisbruik, ontucht, verkwisting en dergelijke. Sindsdien is er veel bijgebouw onder architectuur van vader en zoon Metzelaar: nieuwe gestichten en cellencomplexen, ziekenhuizen en cellencomplexen. Voor het personeel verrezen woningen, voor elke functie een bijbehorend type, van directieleden tot de laagste beambten. De huizen droegen een stichtelijke spreuk of louter een nummer. Alle gebouwde objecten zijn uitvoerig op hun architectonische waarden getoetst en beschreven, Bij elkaar betreft het zo’n honderd rijksmonumenten. Het dorp is pas sinds 1981 vrij toegankelijk, afgezien natuurlijk van de drie nog functionerende penitentiaire inrichtingen. Van de oudste bebouwing is alleen het Tweede Gesticht bewaard, een ontwerp van H. Wind uit 1825. De oostzijde van her carrévormige complex is in 1928 gesloopt. Enige jaren geleden is hier het door het publiek hogelijk gewaardeerde Gevangenismuseum ondergebracht, terwijl er ook cellen tot vakantieverblijf zijn omgebouwd.’

Stamkot verstaat de kunst met weinig woorden veel te zeggen en aan te sporen tot een daadwerkelijk bezoek aan Veenhuizen. Ook verwijst hij niet alleen naar de website, maar ook naar de intrigerende speurtocht van Suzanna Jansen die zij verwoordde in haar magistrale documentaire  ‘Het pauperparadijs’.

 
 
CULTUURMIX 18 JANUARI

Ademschommel.

De laatste dagen van het net voorbije jaar nam ik de roman Ademschommel van Nobelprijswinnaar 2009 Herta Müller en van uitgeverij De Geus tot mij en ik raakte in de wurggreep van het leed de Hongaarse Duitsers door de Russen vlak na de Tweede Wereldoorlog aangedaan. Ik haast mij echter te zeggen, dat Müller die kommer en kwel zo formidabel mooi in taal verpakt, dat zij de ondraaglijke hel van de kampen in een draaglijke hemel van poëtisch proza verandert.

Ik schets u nu de context waarin Ademschommel verscheen, dat vooral het relaas is van de dichter Oskar Pastior met de jaartallen 1927 en 2006. Pastior groeide op in Hermannstadt in Roemenië, het huidige Sibiu, en behoorde tot de Duitse minderheid aldaar. Tussen 1941 en 1944 was Roemenië een bondgenoot van nazi-Duitsland om tegen het eind van de oorlog over te lopen naar de geallieerden tot wie ook de Russische dictator Stalin behoorde, die naar represaille streefde.

Stalin gaf opdracht tot een gewelddadige machtsgreep van de communistische partij en tot de deportatie van de Duitse minderheid in Roemenië: die moest helpen bij de wederopbouw van de Sovjet-Unie. Alle mannen en vrouwen tussen de 17 en 45 jaar van Roemeens- Duitse origine werden in veewagons naar het oosten getransporteerd. Eén van de paar honderdduizend geïnterneerden was Oskar Pastior, die onder erbarmelijke omstandigheden  vijf jaar dwangarbeid verrichtte.

Deze tot voor kort bijna onderbelicht gebleven episode uit de geschiedenis wilde Herta Müller al lang oprakelen en zij probeerde haar eigen moeder als een van de slachtoffers over te halen tot het vertellen van haar verhaal. Die weigerde en pas in 2001 wist zij Pastior, die net als zij naar Berlijn uitgeweken was, over te halen tot het samen schrijven van een boek over zijn lotgevallen in de Russische kampen. In 2006 overleed Oskar en toen stond Herta voor de helse klus het karwei te klaren.

Het resultaat was Ademschommel met als hoofdpersonage Leo Auberg in de rol van Oskar Pastior. Heel navrant vertelt Herta Müller het schrijnende verhaal van de mensonterende situaties in de strafkampen waarin Leo van zeventien jaar terechtkomt: de honger is de eerste vier jaar zijn grootste beul. Leo kent in de hongerengel zijn metgezel die hem de hele dag het leven onmogelijk maakt. Moordend komt de engel van de dood ook op de lezer af. Ik toon dat aan.

Herta Müller, in Roemenië in 1953 geboren, woont en werkt sinds 1987 in Duitsland en is al meer dan twintig jaar vooral door haar boeken over geweld en onderdrukking een ijkpunt van  de Duitse literatuur. Dat zij de taal virtuoos machtig is, blijkt op elk van de 310 bladzijden die Ademschommel rijk is. Ik citeer uit het stuk ‘Over de hongerengel’.

‘Zo was het dikwijls die tweede winter in het kamp. Ik kom vroeg in de morgen doodmoe uit de nachtdienst. Ik heb nu vrij, zou moeten slapen en ga liggen maar kan niet. In de barak zijn alle 68 bedden leeg, alle anderen zijn aan het werk. Ik word naar buiten getrokken, de middag met zijn lege binnenplaats in. De wind smijt met zijn dunne sneeuw, hij knispert in mijn nek. Met open honger gaat de engel met mij naar de afvalberg achter de kantine. Ik waggel een eindje achter hem aan, ik hang scheef aan mijn zachte gehemelte. Stap voor stap loop ik mijn voeten achterna, als het niet de zijne zijn. De honger is mijn richting, als het niet de zijne is. De engel laat mij voorgaan, Dat is niet uit schuchterheid, hij wil gewoon niet met mij gezien worden. Dan buig ik mijn rug, als het niet de zijne is. Mijn gulzigheid is rauw, mijn handen zijn wild. Het zijn mijn handen, afval raakt de engel niet aan. Ik stop de aardappelschillen in mijn mond en sluit de ogen, zo voel ik ze beter, zoet en glazig, de bevroren aardappelschillen. De hongerengel zoekt sporen die niet uitgewist kunnen worden en wist sporen uit die niet bewaard kunnen blijven. Aardappelvelden trekken door mijn hersenen, de schuin liggende percelen tussen de hooilanden op de Wench, bergaardappels van thuis.’

Het hoofdstuk ‘Je leeft. Je leeft maar eenmaal’ start zo:

‘In de veloverbeentijd had ik niets anders meer in mijn hersenen dan het eeuwig zoemende draaiorgeltje dat dag en nacht herhaalde: Kou snijdt, honger bedriegt, moeheid drukt, heimwee vreet, wantsen en luizen bijten. Ik wilde een ruil tot stand brengen met de dingen die niet dood waren maar ook niet leefden. Ik wilde een reddingsruil tot stand brengen tussen mijn lichaam en de horizon in de lucht boven en de stofwegen op de aarde beneden.’

Ik prijs u en mij gelukkig, want wij hebben in Herta Müller, die tot  in haar nieuwe ‘Heimat’ en zelfs na de val van Ceausescu achtervolgd werd door de Roemeense geheime dienst, de Securitate, een auteur die op sublieme wijze de ellende beschrijft, die mensen elkaar van harte aandoen. Ik ben zo weg van Herta dat ik haar eerdere bij De Geus verschenen werken als Hartedier, De mens is een grote fazant en De vos was jager zeker ga lezen. Daar hoort u nog over! 

De stoptrein naar Parijs.

Een pracht en een macht van een kijk- en leesalbum heb ik voor u. De stoptrein naar Parijs zo luidt de titel ervan wat prozaïsch, maar ik rep mij te zeggen dat het gaat om het relaas over een tintelende tocht in beeld en woord langs de 102 stations die niet de HSL maar wel de stoptrein vanuit Amsterdam aandoet. Jet Holleman deed de plaatsen aan, Dolk Middelhoff schoot de foto’s en KunstMag Publishers uit Zutphen verzorgde de uitgave van dit opbeurende en horizonverleggende werk.

Hoe reisde Jet Holleman? Niet gehaast, zij nam de tijd om bij iedere halte onderweg uit de trein te stappen, het perron op te gaan en het station te verlaten om de omgeving te verkennen. Dat deed Jet dus in die van Amsterdam, Haarlem, Heemstede-Aerdenhout, Hillegom, Voorhout, Leiden, De Vink, Voorschoten, Den Haag, Rijswijk, Delft, Schiedam en Rotterdam om te arriveren in Barendrecht. Als hommage aan Jet en aan onze regio geef ik u het geschrevene daarover door.

Jet integraal:

‘Dit station is een rechthoekige doos waarvan één wand helemaal van glas is. De andere zijden hebben bovenlichten. Waarom vind ik het zo mooi? Het is van een verpletterende eenvoud, het is functioneel, het is een aangename plek. Barendrecht heeft het ‘voorrecht’ een bundeling van negen sporen voor de deur te hebben. Er was naast het reizigersverkeer altijd al veel goederenvervoer. Nu zijn daar de Betuweroute en de hogesnelheidslijn nog bijgekomen. Om de bewoners te ontzien, is besloten de sporen over een lengte van anderhalve kilometer door een tunnel op maaiveldniveau te laten lopen, De tunnel bestaat uit vijf betonnen buizen, zodat de goederen- en hogesnelheidstreinen niet door het station denderen. De uitgang van het station bevindt zich bovenop de tunnel. Daar is ook voldoende parkeergelegenheid. De rest van het tunneldak is ingericht als park. Ook dat maakt dit station tot een bijzondere, aangename plek.

De bomen zijn nog pril, de beplanting van de borders nog niet volgroeid. Maar dit wórdt een park. Er is een slingerend pad tussen de grasveldjes en borders door. Er zijn zelfs vijvertjes voor kikkers en salamanders aangelegd. Een paartje wilde eenden heeft een van de vijvers al bezet. De bloeiende planten worden bezocht door bijen en vlinders. Dit lijkt wel natuur! Het slingerpad eindigt bij een bordes aan het eind van de tunnel. Daar komt juist een lange kolentrein tevoorschijn. Ik had hem niet horen aankomen. Behalve op de sporen kijk je hier op kassen en akkers. De tunnel houdt pas op bij de grens van de bebouwde kom. Terugwandelend zie ik in de verte tussen de bomen het torentje van Barendrecht. Het is een groen dorp, waar het nu waarschijnlijk aangenamer wonen is dan vroeger. Aan de oostzijde van het station is een bedrijventerrein. De meeste gebouwen steken niet boven de tunnelbuis uit. Ze worden voor de Barendrechters aan het oog onttrokken. Terug in het station valt me ineens op dat de glazen wand verschillende tinten glas bevat. Een enkel ruitje is niet eens doorzichtig, de andere vertonen heek subtiele verschillen. Ze maken dat ik geconcentreerd zit te kijken naar de wolkenluchten. Op de voorgrond grenst een waterpartij aan het stationsgebouw. Ook die trekt de aandacht. Het gevolg is dat de bedrijfsgebouwen niet meer dan een neutrale achtergrond vorm vormen. Het is voor het eerst dat ik het haast jammer vind dat mijn trein eraan komt.’ 

U  zult het met mij eens zijn als ik zeg dat Jet Holleman geweldig goed en boeiend kan schrijven. Voor mij is haar grootste verdienste dat zij oog heeft voor het detail, dat zij aandacht heeft voor het grote geheel, dat zij op zaken wijst die een ander ontgaan en dat zij zoekt naar het mooie om ons heen. De opening van de Betuweroute mocht ik als oud-wethouder van Papendrecht nog niet zo lang geleden meemaken. Ik drentelde toen door het station van Barendrecht waar het allemaal zou gebeuren.

Dat de locatie zo vol beauty is, had ik toen niet door. Jet Holleman praatte mij bij. Nu ga ik haar reisverhalen over  Zwijndrecht, Dordrecht, Lage Zwaluwe, Zevenbergen, Oudenbosch en Roosendaal tot mij nemen. En dan volgen de haltes in België en Frankrijk. Veel schoons in woord en taal over het memorabele in en buiten de stations wacht op mij. De stoptrein naar Parijs is een boek om heel veel van te gaan houden. Jet Holleman wordt voor haar uitstapjes bedankt!

 
CULTUURMIX 12 JANUARI

Spijkers op laag water.

Een onderhoudend, verrassend en onthullend geschiedenisboekje heb ik voor u dit keer. Het gaat om Spijkers op laag water van Jona Lendering met  ondertitel ‘Vijftig misverstanden over de Oudheid’ en uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep. Ik las de 94 bladzijden ervan en stelde vast dat Lendering, die namens Lividius Onderwijs de grootste website ter wereld over de oude geschiedenis (livius.org) beheert, historische anekdotes traceert, verifieert en eventueel corrigeert.

Ik noem u tien voorvallen die mij op de HBS door geschiedenisleraren Kouwenhoven en Van Alkemade  als feiten waaraan niet te tornen viel zijn doorgegeven en die nu door Lendering als verzinsels afgedaan worden. De Ark van Noach liep aan de grond op de berg Ararat, In Babylon waren Hangende Tuinen, Pythagoras vond als eerste bewijs voor de naar hem genoemde stelling, Onze democratie komt uit Athene, Het is tweeënveertig kilometer van Marathon naar Athene.

En: Archimedes stak Romeinse schepen in brand met spiegels, Ambiorix versloeg de Romeinem bij Tongeren, Caesars laatste woorden waren ‘Et tu, Brute?’, In het Nabije Oosten leefden kamelen en De Joden riepen ‘Zijn bloed kome over ons en onze kinderen’. Een inspirerend aspect van de speurtochten van Lendering is dat hij veel uit de Oudheid oprakelt. Het verleden komt door hem opnieuw tot leven. Ik ga dat illustreren met  zijn ‘Kleopatra werd gedood door een adder’. 

‘Door de veroveringen van Pompeius en Caesar werd de mediterrane wereld verenigd. Alleen het schatrijke Egypte was nog niet geannexeerd. Dat kwam enerzijds doordat de Romeinse senatoren elkaar de aantrekkelijke prijs niet gunden, en anderzijds doordat koningin Kleopatra VII erin slaagde een van Caesars adjudanten, Marcus Antonius, aan zich te binden. Dat gaf haar invloed op het Romeinse beleid, maar betekende tevens dat ze werd meegesleept in het conflict tussen haar man en Octavianus.

De burgeroorlog werd gewonnen door de laatste, die het keizerrijk stichtte. In talloze kunstwerken – schilderijen, sculptuur, opera, film – is te zien hoe Kleopatra, toen haar duidelijk werd dat Marcus Antonius haar niet kon beschermen, tegelijk met twee bedienden zelfmoord pleegde. De koningin liet een gifslang in een mand vijgen haar vertrekken binnensmokkelen en liet zich bijten. Dit is gebaseerd op een opmerking van Ploutarchos, die ruim een eeuw na de gebeurtenissen leefde:

‘Men zegt dat de adder in een mand met vijgen werd binnengebracht, verborgen onder de bladeren. Zo zou Kleopatra het bevolen hebben, omdat het dier haar dan ongemerkt kon bijten. Maar toen ze enkele vijgen wegnam en hem zag, zou ze gezegd hebben: ‘Kijk, daar is hij’, waarna ze haar arm ontblootte en voor de beet uitstak.’ Zo geformuleerd kan de theatrale scène niet waar zijn. Adderbeten zijn immers niet dodelijk, en bovendien komen deze slangen niet in Egypte voor.

Er is wel geopperd dat het in feite zou gaan om een cobra, maar hoe dit dier, dat maar één keer kan bijten en vervolgens een paar uur nodig heeft om gif te produceren voor een volgende dodelijke beet, in korte tijd drie vrouwen kan hebben gedood, is een raadsel. En voor drie cobra’s is een vijgenmand te klein. Een oplossing dient zich niet zo snel aan, maar het is denkbaar dat Kleopatra door een Romeinse soldaat uit de weg is geruimd om te verhinderen dat Octavianus een vrouw aan zijn zegekar zou moeten binden – niet bepaald eervol.’ 

Neemt u van mij aan dat Jona Lendering in zijn Spijkers op laag water steevast zo kort en bondig, zo licht en luchtig over het verre verleden aan het woord blijft. Dat hij zijn rectificaties niet uit de lucht grijpt, toont zijn notenapparaat achterin zijn bruisend boekje aan, dat zich gemakkelijk aan een beminde van u laat schenken. Waar Noach zijn woonschip na de grote vloed verliet? Volgens Lendering in Koerdistan, op de berg Al-Gudi, waar ook Noachs graf moet zijn.

Blinde vink.

Een lust van een boek ga ik u noemen. Het gaat om een geschrift dat mij bekoort, ontroert en verheft. Ik heb het over Blinde vink van Jean – Pierre Geelen en van uitgeverij Atlas. Om maar meteen te voorkomen dat u op het verkeerde been gezet wordt: de titel heeft niets uit te staan met de omhulde gehaktrol van de slager of met de zielige vogel wiens oogleden aan elkaar geschroeid werden omdat, zoals de Halewijnlegende ons wil doen geloven, een blinde zanger mooier zingt.

Een blinde vink, zo lees ik in het gelijknamige hoofdstuk van Blinde vink op bladzijde 67, is iemand die van vogels houdt en dus er gaarne naar kijkt, maar die volgens de verwoede vogelaar over te weinig kennis van zaken omtrent het gevogelte beschikt. Ik haast mij te zeggen dat ik net als Geelen een blinde vink ben: ik bemin roodborst, kopmees, merel en spreeuw in de tuin zonder over een grote dosis vogelkunde te beschikken. Als ik naar ze kijk, voel ik mij doorgaans happy.

Decennia terug hadden wij in de achtertuin een heuse volière met wildzang als kneu, putter, sijs, groenling en goudvink. Ik genoot van het levendige gedoe in kooi en ren, maar op den duur besefte ik dat de gevleugelde beestjes in de vrije natuur veel meer tot hun recht komen. Ik zette derhalve de deur wijd voor hen open en weg waren ze. Sindsdien vind ik het verheffend naar vogels in hun eigen domein te kijken. Sindsdien wil ik alleen maar beter naar vogels leren kijken.

En daarbij is Geelens boek met de aantrekkelijke en alleszeggende ondertitel ‘Hoe ik leerde vogels kijken’ voor mij een heerlijke gids. Hem op zijn tochten door het vogelland virtueel volgen betekende voor mij steeds weer gevoed worden in mijn liefde voor de vogels. Ook kreeg ik door hem beelden op mijn netvlies terug : zoals die van kerkuil op ons dak, die van groene specht op het Slobbegors, die van ijsvogel boven de hotelvijver, die van zwaluw in de schuur van boer Tip.

Er zijn momenten in mijn leven dat het geluk in kleur en zang op mij af kwam. Het rood, wit en zwart van de putter, het geelgroen en olijfgroen van mannetje en vrouwtje groenling, het gestreept bruin in de winter en het donkerrood en kastanjebruin in het broedseizoen van de mannetjeskneu, de gele vleugelbanen van de sijs, het zwart op kop, vleugels en staart van de goudvink, maar ook het bruin van de huismus, ze bezorgden mij gevoelens van ontroering en schoonheid.

Omdat mijn eigen woorden schromelijk tekort schieten om het door Geelen gezegde naar behoren samen te vatten ga ik hem citeren. In het door mij reeds gememoreerde hoofdstuk Blinde vink luidt het:

‘Mijn geheim: ik kijk naar vogels. En in de beste gevallen verwonder ik me. Over de veelheid, de variatie, de rijkdom. Misschien ervaar ik iets van schoonheid en troost, Ontdek ik een vermogen om te bewonderen en lief te hebben, een talent dat je ook maar toevallig moet hebben. Zelfs de simpelste vogel kan het lukken met zijn vederlichte bestaan vertedering op te wekken, die me in zeldzame buien van bespiegeling doet afvragen wat het is dat leven en liefde heet. Natuurlijk, ik ken mijn Darwin. Maar starend naar die geverfde vogel in de lucht of tussen het gebladerte beleef ik de enige momenten waarop ik, verweekt, verdoofd en dus ontoerekeningsvatbaar verklaard, opensta voor alleen maar de gedachte dat niemand minder dan een Regisseur hier zijn best heeft gedaan ook mij over de streep te krijgen. Voor die poging alleen al verdient hij (of zij) een dankbaar applaus. Gewoon, door het toefje blauw in de vleugel van een Vlaamse gaai. Het heldere karmijnrood op het kopje van de putter. De oneindige schakeringen op het lijf van een bosuil, mits goed uitgelicht. Briljante acteurs, schitterend camerawerk.’

Geelen wordt naar eigen zeggen zelfs ondergedompeld in religieuze gedachten en gevoelens bij het kijken naar vogels. Geelen is echter ook heel praktisch ingesteld. Zijn laatste hoofdstuk ‘Een korte cursus’ illustreert dat voluit. Hij geeft voor beginners een kleine canon van meer en minder algemene vogels, volkomen uit de lucht gegrepen. Lesjes in liefde, daar gaat het volgens hem om. De houtduif, de gierzwaluw, de halsbandparkiet, het visdiefje, de fazant, de torenvalk, de zeearend, de flamingo, de ijsvogel, Geelen introduceert ze bij u door magische momenten ermee te beschrijven.

Geelen hanteert het credo: wie van vogels kan houden, wordt een rijker mens. Zijn register achterin Blinde vink suggereert welke vogels hij is gaan beminnen. Van aalscholver, adelaar en alk via nachtegaal, nachtzwaluw, neushoornvogel en oehoe, oeverpieper, ooievaar tot  zwartkopgors, zwartkopmees en zwartkopmeeuw. Geelen raakt niet uitgekeken op ‘zijn’ vogels, ik blijf hem lezen en herlezen. Geelen verstevigt met verve de min voor vogels, die wellicht velen van u koesteren.

 
CULTUURMIX 5 JANUARI

De Handelsreiziger van de Nederlandsche Cocaïne Fabriek.

Ik prijs mij gelukkig als ik een boek in handen krijg dat ik in één ruk uitlees. Zo’n heerlijke gebeurtenis overkwam mij toen ik met de roman De Handelsreiziger van de Nederlandsche Cocaïne Fabriek van Conny Braam en van uitgeverij Nieuw Amsterdam begon. De 416 bladzijden ervan nam ik met graagte en gretig tot mij en het vertelde verhaal zal in mij blijven voortleven. Het gaat immers om een magistrale mix van facts en fictie uit en van kort na de Eerste Wereldoorlog. 

Jaren terug fietste ik met onze oudste zoon Muel dwars door de Ardennen naar Verdun, waar in 1916 de grootste veldslag uit La Grande Guerre en uit de wereldgeschiedenis woedde: nooit is er zo langdurig, met inzet van zoveel mensen, strijd geleverd op zo’n beperkt grondgebied. Deze prestigeslag tussen twee volkeren woedde van 21 februari tot 19 december en eiste meer dan 700. 000 doden, gewonden en vermisten op een slagveld nauwelijks groter dan tien bij tien kilometer.

De morgen na onze aankomst togen wij tweeën naar het grootste Franse monument ten noordoosten van Verdun: Ossuaire de Douamont, de laatste rustplaats van  ongeïdentificeerde stoffelijke resten 130.000 Franse en Duitse soldaten. Ossuaire staat voor ‘grafkelder’, ‘knekelhuis’ en in het opvallende, triest ogende gebouw met de toren in de vorm van een artilleriegranaat blikten wij naar nissen met de tombes waarin de geraamtes van de manschappen.

Sinds onze visite aan Verdun kom ik niet los van de Eerste Wereldoorlog. Ik bleef  erover lezen. Zo o.a. Sporen van een slag van dr. H. Jonker met ondertitel ‘Een pelgrimage naar Verdun 1916’ en Ieper van Richard Heijster met de subtitel van ‘14/18’ . Waarom ik deze twee noem? De eerste vanwege mijn persoonlijke, schrijnende herinneringen aan de velden rondom Verdun en de tweede omdat  Braam haar personage Robin Ryder uit de loopgraven om Ieper laat komen.

Het voor mij meest intrigerende aspect van De Handelsreiziger van de Nederlandsche Cocaïne Fabriek is dat Braam na gedegen en langdurige research een sublieme verstrengeling offreert van de in de historie ingebedde zakelijke activiteiten van het Amsterdamse bedrijf dat aan Engelse en Duitse fronttroepen het stimulerende middel cocaïne levert en van de onmenselijke wreedheden in het Vlaamse land met een aan cocaïne verslaafde Britse onderwijzer die uit zijn verschansing komt.

De entree van de onthullende en onthutsende roman is geweldig, in alle betekenissen. In de vroegte van dinsdag 31 juli 1917 klikt Robin Ryder, zesentwintig jaar en onderwijzer uit Great Yarmouth, zijn bajonet op het geweer om zijn eerste gevecht aan te gaan. Vijftien dagen lang hebben de Engelse kanonnen gebulderd en miljoenen projectielen zijn afgevuurd om de Duitse Wilhelmstellung zes kilometer verderop te vernietigen. Om haar compleet van de aardbol te vervagen.

Het snerpende fluitsignaal van de officier, waarnaar Robin wekenlang had uitgezien, gaat hem toch door merg en been. Eindelijk is het zover. De klim over de borstwering is begonnen. In een stuwing van gretige soldaten dringt hij naar de ladder, grijpt zich vast aan de houten sporten en met drie stappen staat hij boven. Na het verblijf in de benauwde loopgraaf heeft het uitgestrekte open terrein een bevrijdende werking. De lange lijn soldaten rukt stapvoets op. En dan barst de hel los.

Hoofdstuk 2 verhaalt van de jeugdige Lucien Hirschland, de handelsreiziger uit de titel, die zaken wil doen met de veertiger Brian Kirkpatrick van de machtige farmaceutische firma Burroughs Wellcome & Co uit Londen. Het Engelse leger heeft dringend behoefte aan cocaïne om het moreel van de troepen aan het Vlaamse front te verhogen. Het gaat om 1000 kilo en de zaak wordt beklonken. Luciens provisie is zo enorm dat een glimmende Harley Davidson in het verschiet ligt.

In het volgende stuk, ‘Het litteken’, zijn wij weer aan het front. De aan zijn arm gewonde Robin heeft het veldhospitaal moeten verlaten om opnieuw uit de loopgraven te klimmen, met een flinke dosis cocaïne ter aanmoediging. Hij komt tot bewustzijn met een half weggeschoten gezicht. Bijna tegelijkertijd reist Lucien naar Arnhem af om te onderhandelen over een partij cocaïne met  de vijftiger Franz Biedermann, die voor de Heimat ook 1000 kilo witgoed wil kopen.

De zwaargewonde Robin gaat naar Engeland terug om opgelapt te worden. De Duitse granaat heeft hem echter zo geraakt en de eerste hulp aan het front is zo knullig dat hij zijn gezicht voortaan achter een maskertje dient te verbergen en dat hij aan cocaïne verslaafd is. Hij wijkt uit naar Nederland en ontmoet dan bij een botsing met de Mercedes van Lucien, die hem meeneemt naar zijn huis in Haarlem waar zijn zus Swaantje hem graag met zorg en liefde omringt.

Het gaat niet aan dat ik u hier het verdere verloop van het aldoor spannende relaas doorgeeft. Ik zou het daarmee te kort doen. Een goede roman is tenslotte niet samen te vatten. Beter is het dat ik Conny Braam laat klinken. Zij schrijft immers zo transparant, voortvarend, divers en fraai dat u blijft lezen. Op elke bladzijde weet zij de spanning erin te houden, zodat u de drang blijft voelen door te lezen. Zo verging het mij althans. Ik zei het u al: aan een stuk door las ik haar story.

Dat de Nederlandse literatuur een pracht en een macht van een roman rijker is geworden illustreert het slot van het hoofdstuk ‘Een dappere soldaat’:

‘Ineens werd hij vastgegrepen aan zijn enkel. Een gewonde klampte zich aan hem vast, Robin keek hem geïrriteerd aan en schudde zijn been om zich van de hand te bevrijden. Hij had haast, hij moest voort, hij kon zich niet laten ophouden. Wie was die knul eigenlijk? Hij zat helemaal onder de modder. Waarom liet hij niet los?  Was dit er wel één van hen? Of was dit soms een vijand? Leek hij niet overduidelijk op een Duitser? De jongen keek hem met grote blauwe ogen aan en opende zijn mond, er klonk een jammerklacht. ‘Niet zeiken!’ schreeuwde Robin, ‘je bent hier om te sterven, idioot!’ En hij stak zijn bajonet diep in de buik van de jongen. Met enige moeite trok hij zijn wapen terug en zag hoe een waas over de grote verbaasde ogen trok. Poef! Uit was het licht … Klootzak. Eindelijk was zijn been los. Hij was erdoor opgehouden, nu moest hij de verloren tijd maar zien in te halen. Extra hard lopen, rennen, in totale verrukking dat hij de vijand een slag had toegebracht! Hij had het wel willen uitschreeuwen: eindelijk was hij een deel van de strijd! Toen sloeg iemand met een enorme hamer tegen zijn hoofd. Hij werd rondgeslingerd, maakte een salto, probeerde zich aan de lucht vast te grijpen en zag zijn benen met zijn laarzen boven zich zwaaien. Eindeloos zweefde hij door de lucht en daalde langzaam neer van een paardebloem in de tuin van pa als het voorjaar was. Hij werd opgevangen door boterzachte modder. Een paar seconden bleef zijn adem weg. Bewegingloos lag hij achterover, boven zich zag hij het wolkendek uiteendrijven: een prachtige blauwe lucht ontspon zich, er vlogen zacht tjilpende vogels voorbij, ze voerden lange gekleurde linten met zich mee. Hij glimlachte en zag zijn leerlingen. Ze zaten nog in het klaslokaal, maar de kinderen keken hem verheugd aan. De ochtend zat erop, even geen les, even rust, tijd voor het speelkwartier.’ Als Robin een paar hoofdstukken verderop ontwaakt, luidt het: ‘Langzaam losten de zwarte nevelen van het slagveld op. De modder, het bloed, alle vuiligheid en zwijnerij verbleekten kleurloos in zijn herinnering. Ieder nieuw hospitaal waarheen Robin werd vervoerd, steeds verder verwijderd van het front, was schoner en lichter.’

Conny Braam wordt bedankt, voor haar studie  en voor haar boek. 

Symboliek in de westerse kunst.

Aan de laatste tien dagen van het net voorbije jaar heb ik meer persoonlijke diepgang en allure gegeven door mijn excursie door een naar vorm en naar inhoud juweel van een boek.  Ik heb het over het artistieke album Symboliek in de westerse kunst onder redactie van Sarah Carr-Gomm en uit het fonds van uitgeverij Librero. Uren trok ik door het kunstboek met een scala aan illustraties en met een goudmijn aan teksten. Ik raakte in dit werk niet uitgekeken en uitgelezen.

Carr-Comm definieert in haar informatieve en toegankelijke ‘Voorwoord’ een symbool als een element, levend of levenloos, waarmee iets anders wordt aangeduid. De betekenis van bepaalde symbolen verschilt echter al naar gelang van de context waarin ze gebruikt worden. Zo staat de duif op religieuze voorwerpen voor de Heilige Geest, maar vergezeld door Venus wordt hij geassocieerd met de liefde. Bovendien kunnen elementen op een schilderij louter een esthetische of naturalistische opzet hebben.

Om u ‘in the mood’ van de functie van symbolen te brengen, geeft ik u een drietal voorbeelden.

Anker. Het anker is het algemene symbool van hoop. In de christelijke cultuur staat het voor de hoop in Jezus Christus. Dit symbool was ook het embleem van Sint Clemens, de bisschop van Rome die volgens de overlevering vastgebonden aan een anker in zee werd geworpen.

Anhk- of hengselkruis is een Egyptisch symbool dat ‘leven’ betekent en dat als T-vormig taukruis opgevat kan worden met bovenaan een lus die als handvat dient. Het wordt daaraan door goden als de levensschenkende stralen van de zon aan de mensen voorgehouden, maar ook wel afzonderlijk afgebeeld op beeldende kunst dat het overleven van de lichamelijke dood voorstelt. In vroeg christelijk tijd werd in Egypte het ankhkruis als symbool van het eeuwige leven gezien. Omdat de vorm ook wel iets weg heeft van een sleutel wordt het esoterische embleem ook wel levens- of Nijlsleutel genoemd.

At teken. Van oorsprong komt dit uit het Latijn (AD). Ongeveer 500 jaar terug werd in Venetië het @ teken gebruikt als symbool voor de amfora (een kruik), die als maateenheid gebruikt werd. Ook in het Spaans kwam het voor, waar het stond voor de gewichtseenheid arroba. Het @ teken bepaalt in een e-mailadres de scheiding tussen naam gebruiker en adres computer. Het werd gekozen omdat het in een naam niet voorkomt. Het @ heeft bovendien in het Engels de toepasselijke betekenis van ‘at’, ‘bij’.

Aan u het verzoek om via de 256 bladzijden van  het Librero-album Symboliek in de westerse kunst na te gaan op welke schilderijen  de symbolen anker, hengselkruis en At teken een explicerende  functie vervullen. U maakt dan een fascinerende kunsttocht van de Middeleeuwen tot het begin van de twintigste eeuw. Waarom trok Sarah Carr-Gomm deze grenzen? Omdat de figuratieve kunst dan overheerst. Van Botticelli en Titiaan via Rembrandt en Steen tot Klimt en Chagall.

Fascinerend zal uw reis door de eeuwen zijn, want Carr-Comm en de haren zijn deskundige gidsen die u naar specimen van kunst met andere ogen doen kijken. Hun leidraden zijn daarbij een korte analyse van elk van de 75 kernschilderijen, verklaring van hoofdthema of de opvallendste symbolen en verwijzingen naar werken met dezelfde eigenschappen. Daarnaast presenteren zij u thematische paragrafen met o.a. sleutelsymbolen, figuren, details en kruisverwijzingen.

De waarde van dit kunstboek kan ik naar mijn idee het best aantonen door u de tekst bij een schilderij door te geven. Ik doe dat van het werk ‘Het echtpaar Arnolfini’ van Jan van Eyck (1390 - 1441).

‘Op dit kleine portret  ten voeten uit is niet alleen de huwelijksgelofte van het echtpaar vastgelegd, maar ook het interieur in het huis van een rijke Brugse koopman uit de vijftiende eeuw. De schilder getuigt van zijn aanwezigheid bij het huwelijk door een Latijnse inscriptie. ‘Johannes de eyck fuit hic 1434’ (Jan van Eyck was hier 1434) staat er op de achtermuur. De gebruiksvoorwerpen zijn zo verbluffend precies geschilderd dat de bolle spiegel zelfs de kamer én binnentredende gasten weerspiegelt. Het werk mag gezien worden als de allegorie van het ideale huwelijk. Alles straalt het succes van de koopman uit: het vensterglas, sinaasappels, met bont gevoerde kleding, de spiegel omringd door tafereeltjes uit het Lijden van Christus, het bewerkte hoofdeinde van het bed, de kostbare draperieën en het kleed. Alles wijst op een goed huwelijk: de trouwe hond tussen hen in, de properheid van de kamer, de rozenkrans aan de muur. Het instemmende gebaar van de bruidegom, het bescheiden hoofd van de bruid en haar zichtbare zwangerschap, haar kind dat geboren zal worden op hun comfortabele tweepersoonsbed onder toeziend oog van het beeldje van Margaretha, beschermheilige bij geboorten.’ 

Onder het kopje van ‘Sleutelelement’ volgen nog teksten over hond en huwelijk. Verwijzingen naar andere motieven als deugden, fruit, kaars, Leven van Christus, rozenkrans, sacramenten, Margaretha van Antiochië ronden het bijschrift bij ‘Het echtpaar Arnolfini’ af. Met deze informatie in het achterhoofd bekeek ik opnieuw het kleurrijke en intrigerende werk van Van Eyck. Ik blikte met andere, betere, ogen naar het duo. En dan te bedenken dat dit werk nog geen tien euro kost!


Terug naar Piet Kapteins Cultuurmix