bezichtig.nu
top lefttop middentop right

Piet Kapteins Cultuurmix Archief

CULTUURMIX 24 SEPTEMBER
 

1000 JAAR AMSTERDAM

Uitingen van lof kom ik schromelijk tekort om de glamour van dit werk te schetsen. Het kijk- en leesalbum is naar vorm een lust voor ons oog en naar inhoud een streling van ons gemoed. Ik heb het over het 368 bladzijden tellende, rijk geïllustreerde 1000 jaar Amsterdam van de gevierde architectuurhistoricus Fred Feddes en van de alom beminde uitgeverij Thoth.  De ondertitel klinkt èn prozaïsch èn poëtisch, want die gaat als ‘Ruimtelijke geschiedenis van een wonderbaarlijke stad’.

Feddes verstaat de kunst het quasi- dorre aspect van het invullen van de ruimte aan de Amstel niet alleen  kundig en knap maar ook toegankelijk en sprankelend te verwoorden. Ik vind het  van diens grote innerlijke grootheid getuigen dat hij in woorden en beelden luid een loflied aanheft op de genialiteit van denkers en planners door de eeuwen heen van onze hoofdstad. Zonder daarbij de misvattingen en dwalingen die hun zienswijze geregeld vergezelden onder het tapijt te schuiven.

Ik wil de komende weken met u een virtuele tocht  door 1000 jaar Amsterdam maken, dat door de originele en prikkelende aanpak van Feddes veel meer is dan een historisch panorama. Mede of juist door de 250 illustraties erin geeft het niet alleen aan hoe innovatief en fascinerend  bouwers aan de ruimtelijke geschiedenis van Mokum tewerk gingen, maar ook hoe zij inspireerden en stimuleerden tot het gezicht bepalen ervan. Amsterdam kan terecht bogen op het epitheton ‘wonderbaarlijke’. Ik pluk uit het aanzien van Amsterdam: Albert Cuypmarkt, Anne Frankhuis, Beurs van Berlage, Damrak, De Dam, De Jordaan, De Pijp, De  Wallen, Grachtengordel, Kalverstraat, Leidseplein, Melkweg, Negen straatjes, Nieuwmarkt, Noordermarkt, P.C. Hooftstraat, Paleis op de Dam, Paradiso, Rembrandtplein, Rijksmuseum, Stedelijk Museum, Vincent van Gogh Museum, Vondelpark, Waterlooplein. Hoe ze aan de Amstel hun plaats konden krijgen vertelt en toont Feddes. Kijkend naar deze items in dit handzame werk kwam ik onder de indruk van wat er niet alleen in het exterieur maar ook in het interieur veranderd is. Er is veel verdwenen aan moois, er is veel behouden aan schoons. Daar wordt gemist en gekoesterd. Ook schrijnt het boek want het behelst de kaart ‘Verspreiding van de Joden over de gemeente’ uit mei 1941. De Duitse bezetters wilden een getto inrichten maar besloten tot een dodelijke deportatie. Een perverse planning, zegt Feddes. 

Om de charme van dit ‘thing of beauty’ dat ‘a joy for ever’ is te demonstreren geef ik u de bijschriften bij twee presente afbeeldingen. Ze laten beide de confrontatie tussen oud en nieuw zien. Zo staat onder  kopje ‘De sprong in de polder’ - ‘Toen de sprong over de oude stadsgrens eenmaal was gemaakt, verrezen er naast woningen ook stedelijke voorzieningen zoals het Concertgebouw. Het pad dat op deze tekening van J.M.A. Rieke uit 1886 naar het gebouw loopt, is de huidige Van Baerlestraat. Rechts de destijds beroemde boomkwekerij ‘Pamona’ ter hoogte van de Van Breestraat.’ Zo staat in de marge bij ‘Bescheiden meekijken met Jacob Olie’: ‘Een voorstadboerderijtje aan de Vinkenbuurtsloot in West lijkt te worden overvleugeld door de stedelijke nieuwbouw langs de Hugo de Grootkade op deze foto van Jacob Olie uit augustus 1893. Het contrast daagt ons uit om partij te kiezen: ben je voor het oude huisje of voor de nieuwbouw?’ U blijft net als ik naar de platen kijken. Op de omslag achterzijde treft u ook deze afbeelding. Die van de voorzijde laat een Panoramakaart Noordzeekanaal uit 1876 zien waarop van toen af een rechte weg ‘Holland op zijn smalst’ doorsnijdt, van Amsterdam naar zee. Om u ‘in the mood’ te brengen van 1000 jaar Amsterdam geef ik twee fragmenten uit de Proloog door die de titel draagt van ‘De dam in de rivier’. U zult sowieso onder de indruk komen van hoe soepel en lenig Fred Feddes de taal meester is.

‘Stelt u zich voor dat u op de Dam staat, midden in de Amsterdamse binnenstad. Aan de westzijde torent het zeventiende-eeuwse Paleis boven het plein uit, in het oosten domineert het Nationaal Monument. Daartussen strekt zich een panorama uit van toeristen, levende standbeelden, trams en geparkeerde fietsen. Maar vergeet deze drukte. Zoek een rustige plaats tussen de fietsen. Kijk omlaag. Probeer uw blik meters diep de grond in te sturen. Daar begint Amsterdam. Het is verleidelijk om het ontstaan van een stad te verbeelden als een groot en theatraal gebaar. Een groepje pioniers vestigt zich aan de oevers van een trage laaglandrivier, eerst aan de ene oever en later ook aan de andere. Ze besluiten de twee nederzettingen met elkaar te verbinden. Ze leggen een dam in de rivier en dwingen het uitgaande water zodoende tot de nederige doorgang door een sluis. De aanleg van de dam is een zwaar werk, en we kunnen het ons voorstellen als een blubberige bedoening maar ook als een heldendaad. De muziek zwelt aan en dan is de dam af. Zijn bestaan is al snel vanzelfsprekend. Mensen lopen er zomaar overheen, jong en oud, rijk en arm, achteloos en gedachteloos, iedere dag weer. Ze gaan naar de andere kant om er gewichtige zaken te doen, of voor een onbenullige boodschap, om les te krijgen of verliefd te worden, of zomaar voor de lol. Maar hoe gewoon de dam ook wordt, hij blijft een wonder. Door de aanleg is de wereld gekanteld. Niet langer geeft de rivier de hoofdrichting aan in dit landschap, voortaan doet de mens dat, met zijn dam en zijn wegen. Het land heerst over het water. En de dam krijgt een prominente plaats in de naam van de nederzetting waarvan we niet weten hoe die voorheen heette, maar die in de volgende eeuwen wereldberoemd zal worden: Amsterdam’.

‘Over het Nederlandse laagland kun je mooie mythische verhalen vertellen, maar met Amsterdam ligt dat moeilijker. De werkelijkheid is prozaïsch. We weten dat er een dam in de Amstel is gelegd, en de meeste deskundigen vermoedden dat het tussen 1250 en 1275 gebeurde, maar niemand weet het zeker. In die tijd werden meer dammen in riviermondingen gelegd, en de dam in de Amstel was niet de opmerkelijkste en zeker niet de best gedocumenteerde. Van de dam in de Spaarne, 15 kilometer naar het westen, weten we bijvoorbeeld meer. En de Amstel zelf was ook al geen indrukwekkende stroom. Het was geen Theems, Donau, Rijn, Tiber, Eufraat of Nijl. Het is zelfs de vraag of je de Amstel een zelfstandige rivier kon of kunt noemen. Door het deltalandschap kronkelen vele stroompjes, die in elkaar overlopen en soms hun bedding verleggen, en die niet altijd als afzonderlijke rivieren te isoleren zijn. ‘Amstel’ is ook nu nog de naam van een betrekkelijk willekeurig begrensd stukje van dit netwerk van stroompjes, een stukje water waarvan je de lengte arbitrair op 31 kilometer kunt vaststellen, gerekend vanaf de samenvloeiing van twee vergelijkbare stromen, ‘Drecht’ en ‘Kromme Mijdrecht’. Zelfs de stroomrichting is niet bestendig. Een deel van wat nu de Amstel is, stroomde achthonderd jaar geleden nog naar het zuiden in plaats van het noorden. Het materiaal waarvan je stedelijke ontstaansmythes kunt maken, glijdt hiermee weg als zand tussen je vingers. Het begin van Amsterdam is onaanzienlijk en anoniem. Maar ook al is er geen plaats voor een Amsterdamse mythe, toch heeft deze korte gedachteoefening ons op het spoor gebracht van enkele onderwerpen die door de eeuwen heen herkenbaar zullen blijven. Vanaf het begin is Amsterdam kunstmatig en veranderbaar, vanaf het begin zijn water en land de hoofdpersonen, vanaf het begin wordt aan de stad gebouwd in een wisselwerking tussen krachten ‘van bovenaf’ en ‘van onderop’, vanaf  het begin is de nederzetting verbonden met een groter geheel dat we regionaal kunnen noemen, en vanaf het begin is Amsterdam een precaire en onderhoudsintensieve constructie. Dat gaat op voor heel Laag-Nederland, niet alleen voor Amsterdam. Uniek werd Amsterdam pas later.’ 


MOORD OP EEN ONDERDUIKER

Een onthutsend, bloedeerlijk relaas, uit de eigen familie gegrepen, daar gaat het om. Ik heb het over het 255 bladzijden tellende Moord op een onderduiker van Henny Brandhorst en uitgeverij Walburg Pers met de ondertitel ‘De Deurnse moordzaak en andere oorlogsgeheimen’. Op de cover (en ook in het fotokatern)  staat de beeltenis van een jongen die vol verwachting  blikt; voorin staat ‘Ter nagedachtenis aan Erwin Michael Joseph 23 september 1925 – 16 september 1942’. Onder die trieste opdracht staan woorden van Voltaire: ‘De levenden is men eerbied verschuldigd, de doden niets dan de waarheid’. Meteen zetten deze zinnen ons in het  thema van het in de historie gedrenkte werk, want auteur Henny Brandhorst wil de ware toedracht  achterhalen van de gruwelijke daad, die zijn vader Henk, man in het verzet en helper der Joden,  zeventig jaar geleden verrichtte. De man sloeg in het Brabantse de Joodse onderduiker Joseph met een hamer dood. In Deurne bevindt zich een Joodse begraafplaats met maar één graf, en wel op een bijzondere plaats: de protestantse dodenakker. Het is de rustplaats van Erwin Michael Joseph die zich in 1942 met moeder Glogau en pleegvader Graumann en familie Heppner in een badhuis van een katholiek zomerkamp schuilhield. Tot het moment waarop zij allen via de hulp van Henk Brandhorst en kompaan José Peerbooms met een tankwagen naar Frankrijk gesmokkeld zouden worden. Zover kwam het echter niet, want beide families vonden een veilig onderdak bij landbouwer Harry Janssen in de Peel, om precies te zijn in Zeilberg. Bij de zes voortvluchtige en door de Duitsers opgejaagde Joden ontbrak echter Erwin Michael, want die werd, naar het lijkt zomaar, door helper Brandhorst om het leven gebracht. Op zijn grafsteen staat derhalve wrang: ‘Jewish refugee from nazism murdered by men promising safety. His parents survived. Hidden by local citizens’.

Vlak na de oorlog werd Brandhorst gearresteerd en veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf. Niet volgens een procedure bij het Bijzonder Gerechtshof vanwege een oorlogsmisdrijf, maar ‘gewoon’ omdat het een commuun geen politiek delict betrof. In 1954 passeerde zijn trouwdag en een van de vier zoons uit zijn huwelijk is Henny die zoveel jaar na dato op zoek ging naar de ware gang van zaken. Hoe was zijn immer over het oorlogsverleden zwijgende vader tot dit misdrijf gekomen? Het getuigt van Henny’s innerlijke grootheid dat hij het aandurfde het omstreden en bewezen verleden van zijn vader te reconstrueren. Uiteraard wil ik u de plot van Moord op een onderduiker niet melden, maar wel wil ik gezegd hebben dat ook nu weer manifest wordt dat in tijden van oorlog en geweld de mens tot het meest afschuwelijke in staat is. In de jaren ’40-’45 waren velen hun anker, boei, houvast kwijt; wat hen niet vrijpleit maar wel in een bepaald licht zet.

De entree van Moord op een onderduiker: ‘Noord-Brabant, woensdag 16 september 1942 ergens tussen zeven en acht uur ’s avonds. Twee mannen fietsen door de Vlierdense bossen bij Deurne. Een van hen heeft voor op de bagagedrager van zijn transportfiets een jongen zitten, die een handkoffer bij zich heeft. Bij een brandgang aangekomen stoppen de mannen. Zij stappen af en terwijl de ene wegloopt en uit het zicht verdwijnt, vraagt de andere de jongen om te gaan zitten op de rand van de greppel. De jongen doet wat hem gevraagd wordt. De man blijft achter de jongen staan en kijkt om zich heen. Hij aarzelt. Na wat een eeuwigheid lijkt, komt de andere man terug en vraagt: ‘Is het nog niet gebeurd?’ Hij krijgt geen antwoord en loopt weer weg. Even later haalt de achterblijver een hamer tevoorschijn, waarmee hij de zittende jongen met volle kracht op de rechterkant van zijn hoofd slaat. De jongen valt voorover: hij verroert zich niet, maar er komt een rochelend geluid uit zijn keel. De man loopt weg in de richting van de zandweg, waar zijn metgezel staat te wachten, maar hij stopt niet en loopt door om pas na tien minuten weer terug te keren naar de plek waar de jongen roerloos op de grond ligt. Hij voelt de pols van de jongen en stelt vast dat de jongen geen tekenen van leven vertoont. Dan dragen hij en zijn handlanger het lichaam van de jongen naar twee reeds gegraven, verderop gelegen kuilen. Nadat zij het lijk in een van de kuilen hebben begraven, gooien zij ook de andere kuil dicht met aarde en zand. Dan maken zij zich uit de voeten. De naam van de jongen die zeventig jaar geleden op die bewuste avond werd vermoord, was Erwin Michael Joseph, roepnaam Michael.

Dit boek gaat over die moord, de omstandigheden die er toe geleid hebben en de gebeurtenissen die er op volgden. Maar het gaat vooral over de dader, want de man die Erwin Michael Joseph met een hamer op het hoofd heeft geslagen en zo van het leven beroofde, was Henk Brandhorst, mijn vader. Mijn vader praatte nooit veel over de oorlog. Thuis kregen wij altijd te horen dat hij bij het verzet in de Zaanstreek had gezeten en banden had met de groep rond Hannie Schaft. Ook werd er wel eens iets gemompeld over het ombrengen van iemand die een gevaar voor het verzet had gevormd, maar de ware toedracht kregen wij nooit te horen. Mijn broers en ik waren toen nog kinderen en drongen niet verder aan. Ook toen wij al wat ouder waren, hebben we er eigenlijk nooit meer naar gevraagd. Groot was dan ook de schok toen ik een reportage in het ‘Eindhovens Dagblad’ onder ogen kreeg, waarin te lezen stond dat Henk Brandhorst na de oorlog was veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar, voor de moord op een zestienjarige Joodse onderduiker.’ Een volgende keer gaat het om de ondertitel: waar staat dat ‘andere oorlogsgeheimen’ voor? 

 
EXTRA TIJD

Op de cover staat het genre van roman aangegeven, maar het verhaal dat volgt zal maar deels verzonnen, naar de hand van de schrijver gezet zijn. Het is een sterk autobiografisch getint relaas.  Ik heb het over het 236 bladzijden tellende Extra tijd van A.H.J. Dautzenberg en van uitgeverij Atlas Contact. De opdracht voorin is meteen al veelzeggend want die gaat als ‘Voor mijn moeder’ en ook vier van de zeven hoofdstuktitels verwijzen naar gepasseerde werkelijkheid. Ze verwijzen naar de strijd tegen degradatie uit de eredivisie die Roda JC in het seizoen 2008/2009 diende te voeren. Om rechtstreekse neerdaling uit het landelijke walhalla te voorkomen tegen Feyenoord en om de nacompetitie te overleven tegen Dordrecht en Cambuur uit de Jupiler League. De wikkel om het toegankelijke, tintelende boek vermeldt hilarisch de quote  van collega Arnon Grunberg: ‘Eindelijk bekommert een Nederlandse schrijver zich om Roda JC’.

In het voorwerk van Extra tijd zetten ook de motto’s de toon, want die zijn successievelijk ontleend aan de western The Magnificent Seven van John Sturges uit 1960 en aan de roman Alsof het voorbij is van Julian Barnes uit 2011. Ze gaan als: ‘We lost. We’ll always lose’ en als ‘De geschiedenis die zich onder onze neus voltrekt zou het inzichtelijkst moeten zijn, en toch vervaagt die het snelst’. Wij zijn doorgaans de onderliggende partij en hebben er niet lang notie van. De omslag kent ook een prospectief aspect. Wij zien het silhouet van een mysterieuze zwarte cowboy met de voet op een bal. Het hele boek door doemt deze legendarische revolverheld op in dromen en visioenen die het alter ego van de auteur, Marcel, doormaakt. Deze wordt immers geconfronteerd met het naderende einde van zijn vader Gustaaf, die zeventig jaar is, kanker heeft, voor euthanasie heeft gekozen en zijn heil blijft zoeken bij de voetballers in de oostelijke mijnstreek, De doodzieke man gunt zichzelf extra tijd om zijn favoriete club op radio en televisie te volgen.

Ook wil hij nog één keer de zee zien om op in het zomerhuisje de Zandruiter op Vlieland afscheid te nemen van het gezin. Dat brengt mij op een van de literaire trucs van Dautzenberg, want die doet verslag van het verblijf op het eiland via een filmscript. Kent de aanloop van het verhaal een personale vertelsituatie, behelst het middenstuk een afstandelijke aanpak, de finish herbergt een ‘ik’. Een volgende keer wil ik met u verwijlen bij de originele structuur van Extra tijd. Nu wil ik u in de stemming van het proza en de poëzie van Dautzenberg brengen, opdat u de smaak te pakken krijgt van deze woordkunstenaar. Ik geef u de entree van de roman die naar inhoud tot op het bot gaat en naar vorm heel direct is. Als losse bijlage is daar een bundeltje gedichten op naam van Marcel Meulenberg, die in de loop van het verhaal ook het oorlogsverleden van vader achterhaalt.

‘Indianen huilen niet Feyenoord-Roda JC (10 mei 2009). ‘We schakelen over naar Ron de Rijk in de Kuip, er is gescoord bij Feyenoord tegen Roda!’ ‘Ja, Tom, veertiende minuut, een diepe pass van Kah richting Cissé. Tiendalli stapt te laat uit de verdediging, en niet zo’n beetje ook. Cissé blijft kalm, passeert Henk Timmer en schiet de bal rustig binnen. Een minuut geleden schoot hij net voorlangs, maar bij de tweede kans is het wel raak! Sekou Cissé maakt het keurig af en zet Roda JC in de veertiende minuut op een 1-0 voorsprong.’ Marcel voelt de adrenaline door zijn lijf jagen, Roda staat voor! Hij zet de radio op het klaptafeltje harder, balt zijn rechtervuist en steekt die in de lucht. Zenuwachtig  loopt hij door zijn tuin op en neer, terwijl hij met zijn linkerhand aan zijn blonde krullen trekt. Roda moet vandaag winnen, dat beseft hij maar al te goed: anders degradeert de club naar de eerste divisie. Het is de laatste speeldag en Roda staat op de laatste plaats. Alleen bij winst is er kans op lijfsbehoud. Marcel denkt aan zijn vader Gustaaf, een van de grootste fans van de club. In elk geval een van de meest trouwe. Ook hij hangt aan het elastiek. Hij gaat sterven, de artsen geven hem nog enkele weken. Het melanoom is de afgelopen maanden lekker bezig geweest en heeft voor de nodige nakomelingen gezorgd. Die beginnen bescheiden, klein, maar vaak al na een paar dagen bereiken ze hun absolute vorm. Een behoorlijk indrukwekkend verschijnsel. Een Limburgs heuvellandschap, zo typeert zijn vader zijn lichaam. Logisch – hij woont al zeventig jaar in het puntje van de lel die aan Gelderland en Brabant bengelt. Dat leidt uiteraard tot een beperkt aantal metaforen. Met humor bestrijdt zijn vader de harde realiteit. Marcel helpt hem daarbij. Zo houden ze het verdriet op afstand. Het mag toekijken, met knijpende ogen. Zijn moeder en zijn drie minuten oudere tweelingbroer Werner voelen zich een beetje buitengesloten. Zij missen de bevrijdende kracht van hun ironische benadering. Marcel en zijn vader trekken zich daar weinig van aan. Het gaat hier over leven en dood, en dan is àlles toegestaan. Marcel gelooft echter niet in ‘rage – rage against the dying of the light’. Zijn vader mag best ‘gentle’ de ultieme nacht betreden. Dat is wel zo prettig.’


DE ZANDRUITER

alles hier binnen tingelt naar dood

het lepeltje in het kommetje yoghurt

zelfs de wind in de schoorsteen

weet zich niet te beheersen en

zwijgt het leven in een spurt


symbolen staren ons aan alsof

ook wij betekenis kunnen puren

uit schelpenzand en meer; de zwarte vlieg

die schiet ik zo neer met mijn

blauwe ogen, zó

 
timmeren wij alvast een kist

van goud, van aangespoelde herinneringen straks

die nu nog smaken

naar zout, naar kristallen pijn voor later

wanneer mijn vader

 
die slaapt heen

door de getijden en terug

naar ’t lijden en zo

voor de laatste keer

de eeuwigheid en weer

 
CULTUURMIX 17 SEPTEMBER
 

UIT DE TIJD VALLEN

Een litanie, in de betekenis van klaagzang of weeklacht, heb ik voor u die de afwezigheid van een gestorven geliefde tracht te verwoorden. Ik heb het over het 144 bladzijden tellende Uit de tijd vallen van David Grossman en van uitgeverij Cossee met de ondertitel ‘Een verhaal van stemmen’. De komende weken wil ik frasen van dit lied hier laten opklinken, want het gaat er mij om dat u het poëtisch getinte proza in u opneemt, opdat het in u rond blijft zingen. Uw leven lang. De te Jeruzalem in 1954 geboren Hebreeuwse auteur David Grossman staat bekend als vredesactivist, is kritisch over de Israëlische strijd met de Palestijnen en riep in augustus 2006 samen met Amos Oz regeringsleider Ehud Olmert op om de aanvallen op Libanon te staken. Twee dagen later sneuvelde Grossmans op een na oudste zoon in dezelfde Libanese oorlog, terwijl hij schreef aan een roman over een vrouw die bang was haar zoon te verliezen in de oorlog. Het gaat om Een vrouw op de vlucht voor een bericht uit 2009 waarover hij in een interview zegt: ‘Wat gebeurde, gebeurde. Na de zeven dagen lamenti ben ik weer gaan schrijven. Ik weet geen andere manier van omgaan met de wereld. Ik begrijp de wereld dóór mijn schrijven’. De tank waarin de soldaat Uri zat werd in Zuid-Libanon door een granaat getroffen. In Uit de tijd vallen probeert hij  op poëtische wijze het niet-zijn van Uri te herscheppen zonder hem bij name te noemen.

Met u verwijlde ik in proza dat een uit het leven gerukt kind op heterdaad wilde betrappen. Zo was daar Contrapunt van Anna Enquist over haar dochter Margit die door een vrachtwagen zonder dodehoekspiegel op de Dam overreden werd. Zo was daar Tonio van A.F.Th. van der Heijden over diens in de titel genoemde zoon die op de Stadhouderskade door een auto geschept werd. In beide, zeg maar requiemromans, wil de overlevende ouder een stem geven aan het overleden kind. Hoe anders in Grossmans boek dat vooral het aan den lijve gevoelde gemis wil oproepen en bezweren. Een verbijsterde man verklaart in de entree aan zijn ontredderde vrouw dat hij op weg moet hun vijf jaar geleden uit het leven gesleurde zoon ergens, een ‘daar’ op te zoeken. Op zijn kruistocht ontmoet hij personages die ook een kind hebben verloren: een stadschroniqueur, een schoenmaker, een vroedvrouw, een centaur, een hertog, die één ding gemeen hebben: het rouwen om een nazaat.

U verstaat titel en ondertitel van dit tot op het bot schrijnende boek dat door u echt veroverd dient te worden. Zo dichterlijk van vorm, zo complex van inhoud is het. Om u die facetten te illustreren ga ik citeren. En wel als de ouders in de nacht het bericht uit de oorlog aangezegd krijgen dat hun zoon omgekomen is. Ik vind het van innerlijke grootheid van de door mij zo beminde uitgeverij Cossee getuigen dat zij zo’n fijnbesnaard aandoenlijk boek u en mij aanbiedt.

 

Man

’s Nachts kwamen mensen,
in hun mond een bericht.
Ze hadden een lange weg afgelegd,
ernstig gezwegen en wellicht
ondertussen steeds geproefd, gelikt.
Kinderlijk verbaasd erkenden ze:
je kon de dood in de mond houden,
als was die een snoepje van gif,
en waren zij door een wonder immuun.
Wij openden de deur voor hen, deze deur,
hier stonden wij, jij en ik,
schouder aan schouder,
daar, op de drempel, zij,
wij tegenover hen,
en zij, met mededogen,
afgemeten, stil,
stonden er
en bliezen ons
de geest der doden in.

Vrouw:

Er heerste een verschrikkelijke stilte.
Rondom likte een koud vuur.
Ik zei: ‘Ik wist het,
vanavond zouden jullie komen,’
Ik dacht: kom, woestenij en ledigheid.
 
Man:

Ergens, van ver weg,
hoorde ik je stem.
Je zei: ‘Geen angst,
toen ik van hem beviel
heb ik niet geschreeuwd,
en nu zal ik dat ook niet doen,’

Vrouw:

Ons oude leven groeide
nog even in ons door.
Het praten, de gebaren
de gelaatsuitdrukkingen -
 
Man en vrouw

Nu, heel even, gaan we erin onder.
We zwijgen beiden in dezelfde woorden.
Niet hem bewenen we op dit moment
de melodie van het oude leven bewenen we.
het wonderbaarlijk simpele, de lichtheid,
het gezicht, dat vrij was nog van rimpels.’
 

365 ik@jes

Een dot van een reader heb ik voor u waarvan u veel langer dan 52 weken, dus jaar en dag,  kan genieten. Ik heb het over het superbe 408 bladzijden tellende 365 ik@jes  onder redactie van Arjen Ribbens en uitgeverij De Harmonie met de ondertitel ‘Het beste van ik@nrc.nl.’ Onder het devies ‘geluk ligt op straat alleen moet je ervoor bukken’ of beter nog ‘soms moet je bukken om het geluk te plukken’ reik het boek een scala van immer in sprankelende taal vervatte anekdotes uit het leven gegrepen. Ik schets u de originele formule, de format van de even voorkomende als voortvarende persdame Elsbeth Louis van De Harmonie die onze cultuurmix steevast van toegankelijke en tintelende items voorziet. Al zo’n tien jaar schetsen de lezers van ‘NRC Handelsblad’ en ‘nrc.next’ een portret van Nederland. Dat doen zij op de Achterpagina van de krant in de rubriek ik@nrc.nl, een vrijplaats voor opvallende gebeurtenissen uit het dagelijks leven in maximaal 120 woorden. Het is een populair hoekje: in dat decennium ontving de krant zo’n 50.000 inzendingen. Net als De dikke ik, de eerste selectie uit ik@nrc.nl die in 2008 verscheen, wil 365 ikjes een bonte verzameling bieden van muizenissen, klein leed en andere trivialiteiten die met elkaar een beeld geven van ons land op z’n smalst. Op z’n smalst in de betekenis van miniatuurtjes maar dan geen afbeeldingen uit middeleeuwse handschriften. Het zijn in het klein verwoorde trouvailles.

Ik zal u enkele proeven van kunne uit de bundel doorgeven. Opdat u de smaak ervan te pakken krijgt. Met de titel wordt gesuggereerd dat u elke dag van het jaar een ‘ikje’ tot u gaat nemen. In no way, want het zit er dik in dat u na één epistel de geur van hoger honing proeft. U wilt gewoon blijven lezen, dus deze bundel niet op het nachtkastje naast uw sponde, op de leestafel naast uw bank. Succes overigens verzekerd, want toen ik editie nummer 1 aankondigde, was u in euforie. Ik vind het razend knap als iemand het leven op heterdaad betrapt, dat in taal weet te vangen en dan publiekelijk prijsgeeft. Zo draagt de als laatste opgenomen ‘ik’ de titel van ‘Signeren’ waarin de scribent verwoordt hoe hij bij toeval jaren terug een boek laat ondertekenen door de enige zoon Tonio van A.F. Th. van der Heijden, die een paar terug in Amsterdam op straat om het leven kwam en die in de requiemroman Tonio vereeuwigd werd. Remco Buisman aan het woord met Signeren.

‘Vandaag begin ik aan een nieuw boek, een requiemroman. Eergisteren gekocht op Schiphol, voor mijn terugreis naar huis in Shanghai. Ik herinner me ineens Koninginnedag van jaren geleden. ‘s Ochtends in het Vondelpark bestudeerde ik een bak met boeken, nieuw en gesigneerd door de auteur. ‘Hoe kom je aan deze handel?’ vraag ik het jongetje dat ze verkoopt. ‘De schrijver is mijn vader,’ antwoordt hij een beetje schuchter. ‘Eigenlijk heb ik ze allemaal al, maar als ik er nog eentje koop,wil jij hem dan ook signeren?’ vraag ik hem. Hij knikt en signeert het boek. Onder zijn vaders naam schrijft hij ‘Tonio’’.

Kees van Katwijk met Woonwagenkamp. ‘In mijn spreekkamer, op de polikliniek gynaecologie, verschijnen een man en een vrouw, afkomstig uit het woonwagenkamp. Hij houdt zijn bromfietshelm vast, als was het zijn kostbaarste bezit. De reden van de komst is een uitblijvende zwangerschap. Ik kijk haar na en vraag aan de man of ik even de grootte van zijn testikels mag voelen. Hij laat het zonder morren toe. Vervolgens spreek ik laboratoriumonderzoek af en stel voor dat ook zijn zaad wordt nagekeken. Dan merkt hij aarzelend op: ‘Eh, dokter, even voor de duidelijkheid, ik ben niet haar man hoor, maar de enige in het kamp met een brommer.’

Esther Naomi Perquin schreef Geitenwei: ‘Fietsen langs de Rotte: stralende zon, nauwelijks tegenwind – zo mooi krijgen we het maar zelden. Voor zulk geluk, denk ik wollig, hoeven wij toch helemaal niet op vakantie? Bij de geitenwei staat nog een moeder, zichtbaar minder tevreden met haar bestaan. Een geit heeft het Feyenoord–T–shirt van haar zoontje stukgetrokken. Hij huilt vol overgave. ‘Hou op met janken,’ zegt moeder. ‘Volgende keer moet je die kutgeit gelijk een rotschop verkopen!’

Marijn de Jong stuurde op Gevangenis: ‘In de schemer op weg naar huis, fiets ik langs het gevangeniscomplex en kijk naar de verlichte, betraliede raampjes. Net als ik me afvraag wat zich daarachter afspeelt, hoor ik luid geroep uit de richting van het gebouw. Op de stoep, bij het hek langs het gevangenisterrein, staat een vrouw met een hond. Dan zie ik voor een van de verlichte raampjes een silhouet verschijnen. Er klinkt geschreeuw. Wat de boodschap uit het gevang is, kan ik niet verstaan, maar voor de vrouw op de stoep is het duidelijk. Ze roept: ‘Ik ook van jou.’

Riëtte Kuin zorgde voor Naam: ‘Zondagavond in de tram. Achter mij een hoogzwangere Marokkaanse vrouw. Naast haar gaat een Marokkaanse vriend zitten. Hij: ‘Alles goed met je?’ Zij: ‘Ja, gelukkig prima.’ Hij: ‘Wanneer komt de baby?’ Zij: ‘Over twee maanden.’ Hij: ‘Over twee maanden al? Dan weten jullie vast als de naam,’ Zij: ‘Voor een meisje zijn wij eruit: Hoda. Maar als het een jongen is, weten we het nog niet. Of Omar, of Abdallah, of Mohammed,, maar misschien ook wel Jan.’ ‘Jan…’ herhaalt de vriend nadenkend. En dan opeens, enthousiast: ‘Jan, ja die naam moet je doen. Best apart!’’ 360 opgeraapt goud staat u nog te wachten! 

 
HET FEEST ACHTER DE GORDIJNEN

Negen keer neemt zij u bij de hand om u halt en front te laten maken voor schilderijen die èn  herkenbaar figuratief zijn èn een traceerbaar bericht hebben. Ik heb het over het 220 bladzijden tellende, rijk geïllustreerde Het feest achter de gordijnen van Mariëtte Haveman en uitgeverij Kunst en Schrijven met de ondertitel ‘Schilders van de negentiende eeuw’. Ik bemin vurig werken die artistieke schoonheid willen etaleren en grootse geheimen van het leven trachten te onthullen. Bij de entree van haar zeer toegankelijke en tintelende boek legt kunsthistorica en schrijfster Haveman haar titel uit. Een bezoeker van een museum voor moderne kunst komt in een uithoek, in een zaaltje terecht met aan het uiteinde een groot dik aluminiumachtig gordijn. Achter dat voorhangsel zet het museum zich voort maar op geheel andere wijze. Specimina van de kunst van de negentiende eeuw is daar weggestopt en met Haveman als gids wordt de karakteristiek ervan aan de man gebracht. In woord en beeld passeren dan de revue Jean-Léon Gérôme, James Tissot, Jules Bastien-Lepage, Arnold Böcklin, William-Adolphe Bouguereau, Albert Anker, Rosa Bonheur, Hans Makart en Lourens Alma Tadema. Wellicht zeggen deze namen u niet veel maar ik verzeker u dat na het lezen en bekijken van Het feest achter de gordijnen u deze schilders zult omarmen. Door toedoen van Mariëtte Haveman, want zij verstaat de kunst van het kijken en van het verwoorden. Ik wil met uw goedvinden later een tocht maken langs deze negen ‘oldtimers’ die dankzij hun virtuositeit veel tot u te zeggen hebben. Zo Tissot wiens ‘Mlle L.L. (Jeune Femme en veste rouge) de omslag siert. Om met Haveman te spreken: adembenemend, prachtig is het schilderij dat van een gelaten zwaarmoedigheid doortrokken is, in het licht, in de houding en blik van het vrouwelijke personage, En die mooie ouderwetse stilte.

Om in the mood te komen geef ik u integraal het Voorwoord. ‘Dit boek is in de eerste plaats bedoeld voor het plezier. Daarnaast zijn er ook andere motieven die mij ertoe hebben aangezet om het te schrijven, zoals nieuwsgierigheid, en liefde voor een bepaald soort plaatjes. De oorsprong van de hele onderneming ligt in 1981, toen ik begon aan een scriptie over de schilder Arnold Böcklin. Ik had hem gekozen om een negatieve reden: ik beschouwde hem, terecht of niet, als de meest gehate kunstenaar aller tijden. Iemand die zo’n emotie wist te wekken, dat moest interessant zijn. En het bleek ook interessant. Ik had het gevoel dat ik iets ontdekte: de speciale grootheid en heroïek van de groep kunstenaars die in hun eigen tijd enorme successen boekten maar die sinds de overwinning van het impressionisme van de tafel waren gevallen. In de kunsthandel was die wetenschap in 1981 al een paar jaar doorgedrongen, maar daarbuiten kon je nog weinig medestanders voor die liefhebberij vinden. Voor bepaalde kunstenaars, onder wie Böcklin, Albert Anker en Bouguereau, geldt dat nog steeds. Inmiddels is er al geruime tijd opnieuw belangstelling voor negentiende-eeuwse kunst. Dit boek vormt een klein onderdeel van die ontwikkeling. Als er iets ongewoon aan is, dan schuilt dat in de benadering. Het is niet geschreven in een ‘historisch kader’, ik heb me bijvoorbeeld niet veel aangetrokken van de kunsthistorische dwang om bij elke kunstenaar alle mogelijke invloeden en verwantschappen  ter sprake te brengen.

Uit de ervaring als redacteur bij een kunsttijdschrift weet ik hoe sterk die dwang kan zijn, en ook hoe storend. Niet dat ik niet in invloeden en verwantschappen geloof, hier en daar zullen ze ook in dit boek wel opduiken. Alleen geloof ik niet dat ze er op elk moment van de dag toe doen. De gedachte dat bepaalde dingen automatisch gezegd moeten worden wanneer een bepaald onderwerp ter sprake komt, heeft het schrijven over kunst meer kwaad gedaan dan wat ook. Er is nog een gangbare opvatting die ik naast me neer heb gelegd. Dat is het idee dat de biografie van een kunstenaar hooguit van zijdelings belang zou zijn voor het begrip van zijn of haar kunst. Ongetwijfeld is het wetenschappelijk niet voldoende om te zeggen dat Mondriaan zulke schilderijen maakte omdat hij nu eenmaal Mondriaan was. Maar ik ben geen wetenschapper, en ik zie niet in hoe je de ossen van Rosa Bonheur anders moet begrijpen dan als een voortbrengsel van haar biografische achtergrond. Natuurlijk zijn het ook typische scheppingen van de tijd waarin ze gemaakt zijn, maar de neiging om grote dieren te schilderen in plaats van bossen bloemen of dansende nimfen, die was van haar. De keus van kunstenaars in dit boek is gebaseerd op affiniteit en een streven naar variatie; ik wilde alle mogelijke kwaliteiten aan bod laten komen, om te laten zien hoe veelzijdig de algemeen erkende kunst van de negentiende eeuw was. Sommige namen, zoals Gérôme en Bouguereau staan in alle overzichten die negentiende-eeuwse auteurs van de kunst van hun eigen eeuw gaven (die trouwens ook onderling variëren). Maar voor de meeste geldt dat niet. Hen heb ik gekozen omdat ik hen beschouwde als de beste in hun soort, en omdat het soort me interesseerde. Tot slot nog iets over het standpunt van waaruit dit boek is geschreven. Het is bijna onmogelijk om over dit onderwerp te schrijven zonder de termen ‘modernisme’ en ‘post- modernisme’ te gebruiken. De benoeming van die ontwikkelingen tot een ‘isme’ heeft allerlei praktische gevolgen gehad. In naam van het modernisme zijn prachtige kunstwerken gemaakt, maar tegelijkertijd is een immense hoeveelheid even waardevolle kunst uit de geschiedenis weggeveegd en tot afval bestempeld omdat die zich niet liet rijmen met de leerstellingen van dat zelfde modernisme. Vandaar dat ik weinig sympathie heb voor die leerstellingen.

Het post-modernisme heeft daar totnogtoe weinig verandering in gebracht. Wat post- modernisme genoemd wordt komt vaak neer op een compromis, een nieuw dogma of een sophisticated spel met beelden en ideeën. Vaak is het een etiket voor slechte kunst die zichzelf rechtvaardigt onder verwijzing naar een chic of arrogant denkbeeld. Bijna nooit leidt het tot kunst die zegt: ik ben niet modernistisch en niet postmodernistisch, maar eenvoudig, goede kunst. Als de kunst  zich van iets moet ontdoen is het wel van het ‘isme’, van de dwang om zich aan een eigentijdse etiquette te houden.’

 
CULTUURMIX 10 SEPTEMBER
 

GROEN VAN TOEN

Zaterdag 8 en zondag 9 september was daar weer het alom gevierde festijn van Open Monumenten. Het zit er dus dik in dat u met vele anderen een gedenkwaardig overblijfsel van kunst, cultuur, architectuur of nijverheid bezocht dat van algemeen belang wordt geacht om de historische, volkskundige, artistieke, wetenschappelijke, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde ervan. Ook zijn er natuurmonumenten, landschapsmonumenten en aardkundige monumenten. Dit klinkt een mond vol maar deze omschrijving van het begrip monument geeft precies aan hoe verstrekkend de locaties zijn die u het hele jaar door kunt betreden, mits die dan open dus voor iedereen toegankelijk zijn. Dat is sowieso het geval met de ‘monumentale’ items die dit weekend open waren onder de noemer van Groen van Toen. Daar houdt het niet mee op, want ook daarna kunt u op stap gaan met een 128 bladzijden gids die u voert langs een scala van in het groen gelegen monumenten.

Ik heb het over Groen van Toen van Annet Pasveer en Jacques Poell, een naar vorm en inhoud majestueuze en magnifieke uitgave van Stichting Open Monumentendag. Een lust voor het oog zijn de kleurrijke illustraties met als uitschieters de vele botanische tekeningen, daterend uit de zestiende eeuw. Zo ziet u wat onze voorouders in het oog kregen: hazelaar, akelei, zwarte bes, vrouwenmantel, lelietje-van-dalen, gele lis, bosaardbei, tomaat, vijg, courgette, basilicum, roos, tulp. Een streling van het gemoed vormen de drie hoofdstukken Groen, Sier en Nut die de titel glans en glamour geven. Ze brengen immers in woord en beeld de monumenten die in een groene context staan, die een harmonie van cultuur en natuur etaleren. Buitenplaatsen, begraafplaatsen, herdenkingsmonumenten, hofjes, villaparken, tuindorpen, stadsparken, volksparken, bolwerken, boerenerven, botanische tuinen, ze zingen een loflied op wat goed conserveren vermag. Daar houdt de zang echter niet mee op. Ook klinkt het door in de items Versailles op de Veluwe (over Paleis Het Loo), Knotbomen (over de rijen o.a. bij Abcoude), Leilinden (vaak voor boerderijen in Utrecht en Zuid-Holland) en Waterpartijen (zo die van de Bedriegertjes Kasteel Rosendaal). U kunt ook in het groen het monumentale verleden laten herleven, de stukken Warmoezenieren in de 21ste eeuw, Citrusfruit, Oranjerie en Historische groente e.a. wijzen u de weg.

Mijn echtgenote en ik beminnen diep het peddelen via de inmiddels zo populaire knooppunten. Wij fietsen bij voorkeur een route die ons brengt langs specimen van oude cultuur in de open lucht en langs oorden die de natuur hoog in het vaandel vieren. Op een zonnige dag koersten wij vanuit ons hotel in Wageningen om een rondje te rijden met als oriëntatieplekken Rhenen, Veenendaal, Ede en Wolfheze. Maar het ging ons vooral om een lange tussenstop in de Blauwe Kamer. Na een viertal kilometers met zicht op rivier de Rijn, uiterwaard, akker, veld en wei arriveerden wij bij de afslag naar het imposante voorbeeld van natuurlijk, ruig rivierlandschap met halfwilde kudde grote grazers en een spectaculaire vogelstand, ‘De Blauwe Kamer’. Wij reden voorbij ringoven en schoorsteen van de steenfabriek waar tot 1975 bakstenen geproduceerd werden en die nu het domein van vleermuis, torenvalk, graafbij, galloway, konik, boswilg en bitterzoet zijn. Ten oosten van de oven met de vele poorten stond in de 17e eeuw een kasteelboerderij waar recht gesproken werd en die zich onderscheidde door blauwgrijs arduinsteen en dito leien. Vandaar de naam ‘De Blauwe Kamer’ die ‘Het Utrechts Landschap’ aan dit rivieroeverreservaat in 1984 gegeven heeft. In 1992 is aan de voet van de Grebbeberg de uiterwaard aan de rivier teruggegeven door de zomerdijk op een plaats door te steken, waardoor een geweldig oeverlandschap is ontstaan. Voor 1200, toen de rivieren bedijkt werden, overstroomde dit gebied met de regelmaat die door de natuur bepaald werd, en nu is dat weer het geval. En dat betekent dat zachthoutooibos van wilg, struweel van meidoorn, sleedoorn en hondsroos, hardhoutooibos van es, moerasvegetaties en bloemrijke graslanden hier de toon zetten waarop insecten en vogels af komen. Wij liepen vanaf restaurant ‘De Blauwe Kamer’ en informatiecentrum ‘De Blauwe Balie’ de gemarkeerde route om bij de vogelobservatiehut te geraken. Daar stonden wij in het brandpunt van de oase te kijken naar de velden met de galloways, de Schotse runderen, en de koniks, de halfwilde paarden. Zij deden hun werk, dus graasden ze, en bewerkstelligen alzo afwisseling in planten. Boerenwormkruid, smeerwortel, zilverschoon, Jacobs kruiskruid, berenklauw, rode klaver, paardenbloem en duizendblad, ze zijn er. Over de vriendelijke beesten heen keken wij over de plassen en zagen hoog in de bomen lepelaars, aalscholvers en blauwe reigers. De sensatie van de dag kregen wij toen wij een ijsvogel voor de hut zagen snellen. Even later gevolg door een paartje putters. Dat ik in ‘De Blauwe Kamer’ mijn favoriete vogels mocht ontmoeten, maakte mij gelukkig in het klein. Via de houten brug over water met meerkoet, waterhoen en slobeend, met ernaast de peilpaal kwamen wij in het restaurant ‘De Blauwe Kamer’ dat ook kan bogen op uniciteit: want op het zonovergoten terras met een ‘Palmpje’ en een ‘Herootje’ op tafel blikten wij weg. Over vijver met karpers en veld met herten naar het superbe groene gebied dat wij doorkruist hadden naar de einder waar zich de Cuneratoren van Rhenen en de brug over de Rijn naar Kesteren zich tegen de blauwe hemel aftekenden. Er zijn van die ogenblikken waarop je de tijd echt wilt stil zetten. Zo’n moment beleefden wij daar in ‘De Blauwe Kamer’ in die symbiose tussen natuur en cultuur. Met andere woorden: wij vermijden ons in en met het Groen van Toen en Nu!

 
BREEKBARE DAGEN

Kloek is het boek want 306 grote bladzijden telt het. Handzaam is het want het kent een harde kaft. Gaaf is het want de tekst staat op schitterend papier. Beeldend is het want de vele zwart-wit illustraties zijn divers. Boeiend is het want het thema doet er toe. Degelijk is het want de auteur is ervaren. Ik heb het over Breekbare dagen van Jolanda Keesom en Nationaal Comité 4 en 5 mei / Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse boek met  ondertitel ‘4 en 5 mei door de jaren heen’.

In het recente verleden mocht ik bij u introduceren Dat nooit meer van Chris van der Heijden over de nasleep van de Tweede Wereldoorlog en aan Wij weten niets over hun lot van Bart van der Boom over gewone Nederlanders en de Holocaust. Beide inmiddels bepalend geworden werken stipuleren dat de rampzalige gebeurtenissen die zich ook in ons land tussen ’40 en ’45 voordeden ons doen en laten blijven sturen, ons denken en handelen steevast  richting blijven geven. Ook had ik het met u onlangs over de werken Het fenomeen Anne Frank (David Barnouw), Leven met de ster (Jiri Weil), De pianiste van Theresienstadt (Alice Herz-Sommer), De dagboeken van Bernie en Ellis (Ellis Cohen-Paraira), Het zwijgen van Jan Karski (Yannick Haenel), Ons kamp (Marja Vuysje), Het verdwenen elftal (Bas Kortholt), Hoe lang zal dit nog duren (Arie van der Sluys), Droomonderduik (Maarten Th. Frankenhuis) en Onder de klok (Bert Jan Flim).

De stroom van boeken over de gruwelen die ons zeven decennia terug overspoelden, blijft aldoor gaan. Zo illustreren die berichten over toen dat 4 en 5 mei van nu en straks als nationale dagen nog niet af zijn, hetgeen de historicus James Kennedy in zijn entree ‘Op zoek naar een nationaal verhaal’ aan het slot concludeert. Het ‘breekbare’ uit de titel kan dus niet alleen staan voor bros en broos, teder en teer, fragiel en frêle, maar geeft ook aan dat die dagen aan verandering onderhevig zijn. Dat in de loop der decennia het beleven van de meidagen inderdaad naar vorm en naar inhoud gewijzigd zijn, illustreer ik u met twee fragmenten uit mijn eigen jeugd. Eind jaren veertig liepen wij met ons vieren, vader Kaptein, broer Jan, oom Cees en ik, op de avond van de vierde mei achter de Harmonievereniging ‘Toet en Blaas’ aan. Wij vormden het enige kwartet dat vanuit ons Kralingse Veer de IJsseldijk en de Nijverheidsstraat naar de Oude Begraafplaats in Capelle a/d IJssel toog.

Bij het Oorlogsmonument op de gewijde akker ter nagedachtenis aan vier Capelse mannen die aan het front van 1940 het leven moesten laten, zagen wij hoe de burgemeester Van Dijk een krans legde. De kleine groep van nabestaanden en belangstellenden nam de minuten van stilt in acht. Mijn vader was daar om een saluut te brengen aan zijn baas Henk Wegeling die in 1944 bij het drukken van het blad ‘Trouw’ middels het verraad van een landgenoot door de Duitsers op heterdaad betrapt was. Een paar maanden later stond Wegeling in het concentratiekamp Vught voor het vuurpeloton. Kort daarvoor was het lijk van zijn verrader die èn in de Sicherheitsdienst èn in het verzet zat in een sloot onder Zoetermeer gevonden. Het gebeuren had op vader een onverwoestbare indruk gemaakt, temeer daar hij kort voor de overval baas Wegeling geweigerd had Trouw te drukken. Gezien de geringe opkomst op de begraafplaats wisten vele dorpsgenoten niet goed om te gaan met de 4-mei herdenking. Hoe anders nu, want vele malen hebben mijn echtgenote en ik ons gevoegd in de lange rij van hen die in het bijzonder op de avond van 4 mei de behoefte gevoelen de doden van oorlogsgeweld te eren. Dat een en ander regulier verloopt en in passende banen geleid wordt, is o.a. te danken aan Nationaal Comité 4 en 5 mei. In de memoires van vader lees ik hoe de festiviteiten pal na de Bevrijdingsdag losbarstten en daar maanden later met een sluitstuk op het voetbalveld van JGB stopten. Het zou tot 1960 duren voordat in Kralingse Veer de herdenking van vijftien jaar bevrijding groots passeerde. Leen Wegeling, zoon van de omgebrachte verzetsman, was voorzitter van een comité en vader penningmeester.

Herauten op het Elandplein, gezamenlijke dienst in de gereformeerde kerk, traktatie bejaarden, kinderspelen op CKC-voetbalterrein, wielerronde gewone fietsen, presentie burgemeester Van Walsum, wagenspel, vreugdevuur, ze zetten luister bij. Het zou weer jaren duren voordat in mijn geboortedorp de vreugde van de bevrijding opnieuw gezamenlijk beleefd zou worden. Mede dankzij het Nationaal Comité 4 en 5 mei  zijn ook die feestelijke happenings nu van herhaling verzekerd. Want sinds 1987 is er één organisatie die zowel invulling geeft aan de Dodenherdenking als aan het vieren van de Bevrijdingsdag. Ons monumentale, memorabele boek van deze week is nu gewijd  aan een kwart eeuw herdenking en bevrijding.

Ik wil met u nog een tocht maken door deze geschiedenis zoals die door Keesom opgesteld is. Wel wil ik al gezegd hebben dat ‘Breekbare dagen’ op meesterlijke, indrukwekkende wijze de meidagen van toen en nu in beeld brengt. Zo zien wij koningin Wilhelmina mei 1941 in Londen bij een herdenkingsbijeenkomst van de Duitse inval, koningin Juliana mei 1950 op weg naar de kranslegging bij het tijdelijk monument op de Dam en koningin Beatrix mei 1990 onderweg naar het Nationaal Monument.

Een van de mooie facetten van Breekbare dagen is dat het alle voordrachten bevat die sinds 1992 op de avond van 4 mei door literaire auteurs in de Nieuwe Kerk gehouden zijn. De meest recente lezing van Frank Westerman Daden van licht kaliber ontbreekt om begrijpelijke redenen. Uit de negentien wel opgenomen lezingen las ik al Een sprong in de tijd van Marga Minco, Op de drempel van de geschiedenis van Harry Mulisch en Op scherp van Jessica Durlacher. Steeds is in die drie verhalen het verdriet aanwezig. Marga Minco denkt terug de dag van 4 mei 1940 toen zij jong en onbezwaard haar vader naar diens gang naar de synagoge in Breda vergezelde. Harry Mulisch vraagt zich af als het om de zogenaamde mythe van de gaskamers gaat, waar zijn grootmoeder dan is. Jessica Durlacher vermeldt van haar vader dat hij niet kon praten wel schrijven over wat hij in Westerbork, Theresienstadt en Auschwitz had meegemaakt. 

Nu integraal het Voorwoord. Minister-president Mark Rutte zegt op die plek voorin: ‘Een man die tijdens de Tweede Wereldoorlog als kind de vreselijkste dingen had meegemaakt, zei veel later in zijn leven: ‘Ik blijf hopen dat mensen leren doordat het steeds verteld wordt.’ In de kern is dit waar het op 4 en 5 mei sinds jaar en dag om draait: we herdenken de slachtoffers en we staan stil bij persoonlijke oorlogservaringen, zodat mensen zich blijven realiseren dat onze vrijheid niet vanzelfsprekend is. Op 4 herdenken we ingetogen alle Nederlanders die sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zijn vermoord of omgekomen in oorlogssituaties en bij vredesoperaties. Op 5 mei vieren we uitbundig het feest van de vrijheid, waarmee we ook laten zien dat we pal willen staan voor de vrijheid wereldwijd. In die zin zijn 4 en 5 mei, hoewel heel verschillend van karakter, onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dit boek laat zien hoe deze waardevolle traditie in de loop der jaren is ontstaan en vorm heeft gekregen. Wat in de geschiedenis van 4 en 5 mei meteen opvalt, is de diversiteit en het verschil in beleving. En dat is ook logisch. Mensen hebben allemaal hun eigen individuele ervaringen en herinneringen, opgedaan in hun eigen specifieke omstandigheden en hun eigen tijd. Hierin schuilt meteen ook de kracht van de manier waarop we in Nederland herdenken: er is ruimte voor ‘alle’ verhalen.

Daarmee zijn 4 en 5 mei dagen van verbondenheid. Allereerst is er de verbondenheid tussen al die mensen voor wie oorlogsgeweld, vervolging of de strijd tegen onvrijheid een levende herinnering is. Heel belangrijk is ook de verbondenheid tussen jong en oud, omdat vrijheid over generaties heen een kernwaarde is en moet blijven van iedereen die in Nederland leeft. En tot slot geven we op 4 en 5 mei uiting aan onze verbondenheid met al die mensen in andere landen voor wie een leven in vrijheid helaas nog steeds geen dagelijkse realiteit is. Die verbondenheid zichtbaar en tastbaar maken is alweer een kwart eeuw lang de kerntaak van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Mijn wens bij dit jubileum is heel eenvoudig dat we samen de fakkel van de vrijheid verder dragen en de verhalen die daarbij horen, blijven vertellen.’ Met mijn eigen woorden: Breekbare dagen is een boek om lief te hebben, om te liefkozen, om een vooraanstaande plaats te geven in uw boekenkast, om het aan anderen van het bestaan te melden.

 

O EN VOORGOED VOORBIJ

Een mooi en broos kleinood heb ik voor u. Het is oogstrelend  omdat de foto’s erin zo wonderlijk mooi zijn, hoewel ze alle de dodenakker als thema hebben. Het is teder omdat de teksten erin zo ingehouden reppen over de dood. Ik heb het over het 176 bladzijden tellende O en voorgoed voorbij van Onno Blom en Werry Crone en van uitgeverij De Arbeiderspers met de ondertitel ‘Langs graven van Nederlandse schrijvers’. Op kerkhoven verwijlden zij bij de stenen berichten van 21 literatoren. De twee bezochten de laatste rustplaatsen van hen die bij leven een plaats hadden ingenomen in het literaire reilen en zeilen. Zij stonden – in de tijd geordend - bij de graven van Betje Wolff en Aagje Deken, Willem Bilderdijk en Hendrik Tollens tot de kuilen van Annie M.G. Schmidt, Gerard Reve en Harry Mulisch. Zij lieten zich daarbij leiden door het motto ‘O als ik dood zal, dood zal zijn Kom dan en fluister, fluister iets liefs, Mijn bleke ogen zal ik opslaan En ik zal niet verwonderd zijn.’ De versregels zijn van J.H. Leopold suggereren dat de dode terug naar het leven geroepen kan worden. De titel berust daarentegen in het verdwenen bestaan. Blom en Crone kwamen daarop door het grafschrift van J.C Bloem dat te lezen is op de Algemene Begraafplaats in Paasloo: ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’. In mijn gemoed klinkt is het vers van P.C. Boutens 'Goede dood wiens zuiver pijpen Door ’t verstilde leven boort, Die tot glimlach van begrijpen Alle jong en schoon bekoort’.

In mijn jaren voor de klas stelde ik immer aan de orde gedichten van Piet Paaltjens, pseudoniem van François HaverSchmidt, die het levenslicht zag van 1835 tot 1894. Ik plukte daarbij uit de bundel Snikken en Grimlachjes. Zo nam ik met de lui van Havo/Atheneum uit de afdeling Immortellen door ‘Als ik een bidder zie loopen, Dan slaat mij ’t hart zoo blij. Dan denk ik hoe hij ook weldra uit bidden zal gaan voor mij.’ De dichter had in zijn Leidse studententijd een doodbidder als onderbuur. Zo had ik het met de vierdeklassers over ‘De zelfmoordenaar’ uit de sectie Romancen. Een heer dwaalt in zijn eentje door het woud op zoek naar een plek om zich op te knopen. ‘En meteen zocht zijn blik Naar een eiketak, dik genoeg om zijn lichaam te torsen. Daarna haalde hij een strop Uit zijn zak, hing zich op En toen kon hij zich niet meer bemorsen.’ Een liefkozend paartje ontdekt het bungelende lijk van de heer en dan luidt het ‘In een wip was de lust Om te vrijen gebluscht.’ François HaverSchmidt kon zijn gevoelens van melancholie en depressie te lijf gaan door er de draak mee te steken. Hij schreef sentimenteel om zijn worgengel te weerstaan. Hij streed de strijd tot een paar jaar na het overlijden van zijn vrouw. Zijn redmiddel van destijds ontbrak hem. Hij vond geen uitweg meer in de poëzie. De dominee te Schiedam kreeg een gordijnkoord van zijn bedstee in het oog en verhing zich. De dwang die hem in zijn leven lang te na kwam wurgde hem.

De mare aan mijn leerlingen over de zelfdoding van de komisch overkomende Piet Paaltjens werd als macabere annonce begroet. Het ontbrak mij aan context van de finale van de dichter. Had ik O en voorgoed voorbij Blom en Crone in mijn kast gehad, dan was het chapiter ‘De worgengel verstaat geen scherts’ mijn boei geweest. Ik zal u het slot ervan doorgeven. Onder de belofte dat wij een volgende keer elkaar zullen treffen bij koperen urn en plaatje van Jan Jacob Slauerhoff.

‘Een studievriend van HaverSchmidt beschreef de overweldigende, emotionele teraardebestelling waarbij talloze mensen, ook veel jongeren, snikten in de stoet. ‘Lieve trouwe handen hadden den bodem der groeve met bloemen bestrooid. Langs de wanden van het graf slingerden ranken van klimop! Zoo moest het zijn! Er werd aan het graf niet gesproken, maar louter gezongen: Lied 224. ‘Bij het graf”. De zoon van de dominee dankte de aanwezigen voor de hulde. ‘En toen,’ stond er in de “Schiedamsche Courant’, ‘nadat de treurende verwanten zich hadden verwijderd, toen zijn die kinderen, die jongelingen en jonkvrouwen, die jonge weduwen; - ja, want die waren er ook – alleen getrokken langs de groeve, en tranen parelden, ja parelen zijn gevallen op de bloemen, - en God weet het! Wat voor heerlijks op dat oogenblik gewrocht is in die jeugdige harten, nu ze hun laatste groet brachten aan den man, die zoo veel heeft liefgehad. Ja, ook hij zal leven, nadat hij gestorven is.’ Niet aan het graf, maar ook in geen van de herdenkingsartikelen werd over HaverSchmidts zelfmoord gesproken. Iedereen wist ervan, maar iedereen zweeg. Het lijkt wel of ook de huidige medewerkers van de Algemene Begraafplaats te Schiedam die zwijgzaamheid meer dan een eeuw later stug volhouden. ‘Wie? HaverSchmidt?’ vraagt de dame van de begraafplaats met open mond.’Wat een rare naam. Hoe spel je dat? Nooit van gehoord. Ligt die hier wel? Ze slaat aan het zoeken in haar paperassen en vindt het juiste nummer: Graf BA 89. ‘O, zegt ze laatdunkend, ‘ligt hij daar.’ Eenmaal ‘daar’ aangekomen blijkt HaverSchmidts steen verweerd en vuil. Op een hoek is hij ooit gebarsten en de negentiende-eeuwse letters zijn vervaagd. De enige frivoliteiten die men zich heeft gepermitteerd, zijn de initialen, ‘F.H.’, die aan weerszijden van de grijze plaat in het plaveisel zijn aangebracht. Het is een protestants, streng graf. Dat is precies zoals HaverSchmidt het had gewild. In een preek had hij gezegd dat een begraafplaats ‘een rustige hof’ moest zijn, ‘geen verzameling van nagemaakte kransen en andere snuisterijen’. HaverSchmidt keerde zich bij leven tegen de ‘vertoningszucht’ bij begrafenissen. Dit was zijn laatste wens: ‘Laat donker geboomte, laat treurwilg en cypres, laat hier en daar een witte rozenstruik als wachters zich scharen rondom de plek waar gestalten komen, door niemand bespied. En sta niet toe dat allerlei redenaars uw gedachten storen, ook niet dat de doodgraver er  een huichelachtige, nietszeggende handeling bij verricht.’ En zo geschiedde.’

 
CULTUURMIX 27 AUGUSTUS
 

VIJF DAGEN IN JUNI

Een roman heb ik in handen die ook u zeker zal bekoren. Ik heb het over 394 bladzijden tellende Vijf dagen in juni van Stefan Heym en van uitgeverij Van Gennep. Sinds jaar en dag bemin ik verzonnen verhalen die neergevlijd zijn in de entourage van historische gebeurtenissen. De mix van fictie en non-fictie juich ik als lezer toe. De komende weken wil ik met u een verkennende tocht maken door het immer boeiende en meeslepende relaas dat als decor het Berlijn van 1953 heeft.

Om u in the mood te brengen van Vijf dagen in juni geef ik u nu de context en de ouverture ervan. Volgende keren volgen wij bijkans op de voet Heyms hoofdpersonage vakbondsleider Witte die wij meteen in het ‘Voorspel’ al ontmoeten. Nu de ambiance. In mei 1953 werden door het Politbureau van de SED de arbeidsnormen voor de Oost-Duitse industrie met 10% verhoogd. Uit protest hiertegen begonnen op 16 juni 60 tot 80 Oost-Berlijnse bouwvakkers een staking. Hun aantal groeide en voor de volgende dag werd opgeroepen tot een algemene staking. De West-Berlijnse radiozender RIAS berichtte hierover en zorgde ervoor dat het nieuws in de DDR bekend werd. ’s Ochtends vroeg op de 17e juni hadden zich al tienduizenden betogers in Oost-Berlijn verzameld. Hun aantal groeide gedurende de dag, terwijl ook op honderden andere plaatsen in de rest van de DDR werkonderbrekingen voorkwamen. De schattingen over het totaal aantal mensen dat aan de protesten deelnam variëren van 400.000 tot 1,5 miljoen, verspreid over meer dan 500 plaatsen in de DDR. De eisen van de betogers ontwikkelden zich gedurende de dag. Begon het als protest tegen de arbeidsnormen, gaandeweg werden politieke eisen gesteld en werden (politieke) gevangenen bevrijd. Het DDR-regime en de Sovjet-Unie besloten in te grijpen met geweld. In een gemeenschappelijke actie van T-34-tanks van het Rode Leger en de Volkspolizei werd de opstand met grof geweld neergeslagen.

Uit het citaat dat nu volgt leidt u wellicht af dat Vijf dagen in juni een wel levendig maar toch vrij droog relaas is van het doen en denken in het voormalige Oostblok. Witte zweeft als zelfstandig denker tussen aanpassing en protest, tussen partij en burger, tussen boven en beneden. Op zijn pad door de roman verkeert hij echter niet alleen in het web van politieke verwikkelingen, maar belandt hij ook in  het vangnet van liefde en spionage. En die leest u heerlijk weg!

‘Zaterdag 13 juni 1953 om 14.00 uur zei Banggartz: ‘Of je houdt je aan de besluiten van de partij, kameraad Witte, of jet trekt de consequenties. Zo eenvoudig ligt dat.’ Witte had begrip voor zijn partijsecretaris. Banggartz geloofde wat hij zei, alleen was wat Banggartz zei maar al te vaak wat hij wilde geloven. ‘Het spijt me, kameraad Banggartz,’ antwoordde hij, ‘maar voor mij ligt dat niet zo eenvoudig.’ Banggartz haalde een paar vellen papier uit zijn map. Witte herkende het rapport, dat hij zelf geschreven en aan kameraad Dreesen gestuurd had. Dat het rapport in de een of andere vorm op Banggartz’ bureau zou belanden, had hij eigenlijk van te voren kunnen weten. En dat met de vraag: Wat vind jij daarvan? Banggartz de opdracht zou krijgen: Zaak afhandelen. Dr. Rottluff mengde zich in het gesprek. ‘Elk probleem kan natuurlijk aanleiding geven tot meningsverschillen. Ook het vermogen van de normen.’ Hij poetste zijn brillenglazen en schoof zijn bril weer terug onder zijn dunne grijze wenkbrauwen. ‘We zijn toch allemaal op de hoogte van de moeilijkheden. Het doet mij geen genoegen te moeten stellen dat wij nauwelijks de kosten kunnen dekken. De vroegere eigenaars hadden in zo’n geval wel even heel andere maatregelen genomen. We moeten de arbeidsproductiviteit verhogen. Niet alleen hier bij Volkseigener Betrieb Merkur. Overal.’ ‘Spreekt vanzelf,’ beaamde Witte. Hij hoefde niet overtuigd te worden, ook niet door dr. Rottluff, die, wat voor hem pleitte, na 1945 de zijde van de nieuwe eigenaren, van de arbeiders gekozen had en nu directeur was. ‘De tien procent verhoging van de normen, daar is nog wel overheen te komen,’ zei dr. Rottluff. ‘Wij hebben mensen hier, die produceren honderd, zeker honderdvijftig procent meer dan hun norm.’En we hebben ook anderen,’ zei Witte. ‘Het hele probleem is een kwestie van politieke en ideologische opvoeding.’ Baggartz verhief zijn stem. ‘Wij, de partij, wij zijn de drijvende kracht, de voorhoede van de massa. Wil jij dat we achteraan sukkelen, het ons gemakkelijk maken, conflicten uit de weg gaan?’ ‘Ik wil,’antwoordde Witte,’dat wij onderscheid maken tussen hen die hun norm kunnen verhogen en hen die dat niet kunnen, omdat de voorwaarden daartoe niet aanwezig zijn. Ik wil dat wij niet bevelen, maar overtuigen. Ik wil dat wij althans de arbeiders die de meeste invloed in het bedrijf hebben voor de zaak winnen in plaats van ze allemaal tegen ons in te nemen.’ ‘Jij vindt dus dat de richtlijnen van de partij en de regering verkeerd zijn?’ ‘Eén Hennecke maakt nog geen lente. Misschien overschatten wij de bewustzijnsgraad van de arbeiders wel.’ Wordt vervolgd.


IRA'S BEKENTENIS

Niet minder dan 384 meesterlijk beschreven bladzijden telt de roman. Het gaat dus om een verzonnen verhaal, maar dat helaas voor een groot deel op werkelijk beleefde berichten uit de werkelijkheid berust. Helaas, omdat het gaat om de verwerking door de generaties heen van het leed een Joodse familie tijdens de Holocaust aangedaan. Ik heb het over naar vorm en inhoud indrukwekkende en meeslepende Ira’s bekentenis van Shoshi Breiner en van uitgeverij Nieuw Amsterdam.

Nu wil ik met u verwijlen bij de vorm, beter: de structuur van het verhaal en een citaat eruit.  Een volgende keer neem ik u mee door een virtuele tocht erdoorheen. Omslag en motto zetten de toon van Ira’s bekentenis. Wij zien een wijzerplaat en lezen het motto dat gaat als: ‘Wat doet het er nog toe? Hij is voorgoed weg. Het drijvend duister van de kreten klinkt steeds meer als het dwingen door een verre wil, een doodsmuziek die rondom aanzwelt.’ En inderdaad, het gaat om de vliedende tijd. In de proloog vernemen wij dat in Tel Aviv de naaste acht familieleden van Ira Sadan bijeenzijn om na diens begrafenis de sjivve te volgen, dus een eerste week van zware rouw te betrachten en mensen op troostbezoek te ontvangen. In een buffetkast vindt een van hen een boekje met als  titel ‘De wreker’ en met als auteur Isar.  Dan realiseren de nabestaanden zich dat de laatste instructie van de overledene was: het graveren ‘Ira’ op de steen met tussen haakjes de naam ‘Isar’. Waar dat ‘Isar’, dat voor ‘wreker’ staat, weet niemand van de rouwklagenden Maar aangezien er 25 exemplaren van het boekje zijn, krijgt ieder de opdracht het direct dus tijdens de sjivve van zeven dagen te lezen. Vervolgens krijgen zij in de volgende hoofdstukken het woord en zo komt u als lezer er min of meer achter wat Ira op zijn lever heeft. Hij bekent dat hij na de oorlog de verrader van zijn ondergedoken familie gedood heeft en hij zichzelf het vonnis van nooit te trouwen opgelegd heeft. Zo lichten een tip van de sluier successievelijk op: schoonzus Mina, nicht Raja, achterneef Matan, broer David, neef Bennie, achternicht Gili en vroegere geliefde Sara. Uit hun heel persoonlijke, prachtig verwoorde relazen blijkt dat ieder van hen door het rampzalige gebeuren in de Tweede Wereldoorlog gehavend is. Een verhaaltruc van Shoshi Breiner is aldus dat wij beetje bij beetje het geheim van Ira ontdekken, waardoor wij de drang blijven voelen verder te lezen. Om u de aanloop van Ira’s bekentenis te doen kennen en de trant van schrijven van Shoshi Breiner te doen proeven, geef ik een passage uit de proloog door.

‘In het testament werd hun verzocht om zijn dood aan te zeggen bij een zekere vrouw in Amsterdam, wier naam, Sara van der Wal, ze nog nooit gehoord hadden, en haar een verzegelde brief te overhandigen die aan het testament bevestigd was. De kinderloze man liet zijn beide appartementen na aan Raja en Benjamin, de kinderen van zijn broer. En om iedere twijfel weg te nemen had hij vijfduizend dollar bestemd voor de kosten van de sjivve en de grafsteen, waar hij alleen zijn naam ‘Ira’ in gegraveerd wilde hebben, met tussen haakjes ‘Isar’. En onder deze twee namen: ‘Ik heb het niet vergeten, noch vergeven.’ Omdat ieder van hen zich de afgelopen jaren bewust of onbewust van Ira had gedistantieerd, waren ze ervan overtuigd dat die laatste instructie een soort laatste, definitief verwijt aan hen, de bange nalatigen, was. Maar zelfs zijn broer David wist niet wat de naam ‘Isar’ die ze tussen haakjes in de steen moesten laten graveren, te betekenen had. In een aanhangsel aan zijn testament meldde Ira dat zijn erfgenamen onder in zijn kleerkast twee kartonnen dozen zouden vinden met daarin vijfentwintig exemplaren van het boek dat hij had geschreven en had verstopt om redenen die hun duidelijk zouden worden nadat ze het gelezen hadden. Hij hoopte dat ze het boek, met daarin de verklaring waarom hij zijn hele leven alleen was gebleven, zouden lezen. En dat ze het, als ze dat gepast zouden vinden, ook in bredere kring mochten verspreiden, want na zijn dood had het toch geen zin meer om de inhoud geheim te houden. Toen David klaar was met het voorlezen van het testament, keek hij Bennie en Raja aan, die dicht naast elkaar op de bank zaten. Het leek alsof hij een reactie verwachtte en in de geest van verbroedering van de sjivve zei Raja: ‘Pap, we zullen het boek pakken,’ maar David vond dat niet voldoende en verkondigde: ‘Nee, we lezen het allemaal en wel direct. Ik vind dat we hem na alles wat hij ons gegeven heeft, toch tenminste dat respect verschuldigd zijn.’ Ik kan mij levendig voorstellen dat u ons boek van de week, ‘Ira’s bekentenis’ van Shoshi Breiner, nu verder tot u wil nemen.


ZALIG ZIJN DE SCHELEN

Een virtuoze verzameling doorgaans korte epistels heb ik voor u. Ze getuigen alle van lust in het schrijven, liefde voor het woord en hang naar het wonder van het leven. Ik heb het over Zalig zijn de schelen van Herman Pieter de Boer en Betty van Garrel en van AFdH Uitgevers met als ondertitel ‘Honderden verhalen, anekdotes, curiosa en ongewone illustraties’. Wij mogen ons gelukkig prijzen dat dit 288 bladzijden tellende boek veertig jaar na dato een herziene herdruk beleefd heeft.

In 1972 sprak in het immer veel gefrequenteerde Amsterdamse journalistencafé Scheltema schrijver Herman Pieter de Boer zijn collega Betty van Garrel aan om de gedenkwaardige vraag op haar af te vuren van: ‘Hou jij ook van schele mensen?’ Als het antwoord ja zou zijn, wilde hij samen met haar een verhalenbundel schrijven volgens een associatief procedé. Het systeem was: het stukje lezen dat de ander geschreven had en opschrijven wat je daardoor zomaar te binnen schoot. Wie niets te binnen schoot, mocht een soort troefkaart ter tafel brengen, een stukje over scheel of loens. Aan het resultaat kunt u zien dat het menselijk brein volgens De Boer een raar zootje is. Tedere ernst blijkt vaak te inspireren tot de grootste banaliteiten; een moppige anekdote brengt de ander tot diepe melancholie. Kerkhoven, lentelucht, kamertjeszonde, honger, liefde, spoken, blote billen en oorlog. Niets blijft u als lezer bespaard. Ook de plaatjes hebben de twee auteurs associatief gekozen. Tot 1980 bleven De Boer en Van Garrel elkaar met vaak wonderlijke vondsten verrassen en aan hun toen verschenen bundel Zalig zijn de schelen raakten veel lezers verknocht. Dat de heruitgave niet gedateerd, in de betekenis van achterhaald, is, is vooral hieraan te danken dat al hun vaak ontroerende en absurde verhalen met elkaar verbonden zijn door de gezamenlijk beleefde liefde voor de taal. Overigens is het voor u boeiend te traceren wat de twee qua thema opraapten. Zo beginnen H en B met uitwisselingen over schele en loense mensen en via o.a. vooruitstekende tanden, bomen kussende kunstenaars, collages van munten en bankbiljetten, een zich als Udo Hitler voorstellende filmer en een van marsmuziek afkerige Armando en blinden in Marokko belanden zij bij een bijdrage van Betty van Garrel waarin zij herinnert hoe zij in 1943 op gebak trakteerde en bij die van Herman de Boer die  verhaalt over de maaltijden van een oorlogsjaar later.

Om u de smaak van de vondsten in taal van Herman de Boer (1928) en van Betty van Garrel (1939) te laten proeven ga ik beiden het woord geven. In de winter van ’44-’45 at ik thuis  suikerbieten, zag ik toen een buurjongen in veelkleurige kledij en joelde ik een paar maanden later naar een grijze muis.

 ‘H In de Hongerwinter 1944-1945 werden gegeten: suikerbieten, voerbieten, tulpenbollen, katten, ratten, muizen, brandnetels en schoenleer, dat alles met mes, vork en lepel. B Een van de weinige herinneringen die ik nog aan de oorlog heb zijn de lucht van carbid en juffrouw Bol. Juffrouw Bol droeg haar blonde haren opgestoken. Vanuit haar hals golfde het omhoog tot de kruin, waar het bijeengehouden werd door een schildpadkam. Aan de voorkant viel het uiteen in krulletjes, die op bloemblaadjes leken. Haar lippen waren donkerrood, in het sleufje onder haar neus spaarde haar bovenlip een hartje uit. Zij droeg zijden kousen en hoge hakken. Ik wilde worden als juffrouw Bol. Bij de bevrijding stond ik op het balkonnetje van ons huis aan de Schinkelkade, toen ik een groepje mannen voorbij zag lopen. Ze hadden hun hemdsmouwen opgestroopt en maakten drukke gebaren. Ik herkende de melkboer, die de hele oorlog door grote hoeveelheden water bij de melk had gedaan volgens mijn moeder, en de fietsenmaker die naar de kinderen gooide met een Engelse sleutel als ze op de muren van zijn fietsenstalling krasten.

Een paar huizen verderop bleven ze staan en keken naar boven. ‘Hier is het,’ hoorde ik een van de mannen zeggen. Hij belde aan, maar er werd niet opengedaan. Toen begon hij op de deur te bonken. Een vrouw keek uit het raam. ‘We moeten bij Bol zijn,’ riepen de mannen naar boven. ‘Ik trek de deur wel open,’ zei de vrouw. De mannen liepen naar binnen. De tranen sprongen in mijn ogen. Ze gingen juffrouw Bol pakken, dat begreep ik wel. Na een tijdje kwamen ze terug, juffrouw Bol met zich meesleurend. Haar haren zaten in de war, tranen liepen over haar wangen. Onderweg verloor ze een schoen. Ze wilde zich losrukken om hem te pakken maar de mannen hielden haar stevig bij haar bovenarm vast. De schoen bleef liggen op de steentjes van de  kade. Mijn moeder was ook op het balkon gaan staan. Ze vroeg waarom ik huilde. ‘Ach, juffrouw Bol, die moffenhoer,’ hoorde ik haar zeggen, ‘die gaan ze kaalscheren.’ Juffrouw Bol kaalscheren! Ik dacht dat ik door de grond zou gaan, net als die keer toen mijn tante had ontdekt dat ik alle krokussen uit haar tuin had geplukt. H In de oorlog waren sommige jongens op de HBS bij de Jeugdstorm. Ze zagen er overdag op school net zo uit als de andere jongens: drollenvanger, Tweka shirtje, wollen stropdas. Je kon ook met ze praten, je moest alleen niet apart gaan lopen met ze, dat was verdacht. Een van die jongens kwam ik buiten schooltijd tegen, in zijn Jeugdstorm- uniform. Zwarte kwartiermuts met oranje binnenstuk (dat oranje begreep ik niet, dat was toch juist van de goeie kant?), blauwe bloes,zwarte das, zwarte korte broek en een wijdzwaaiende zwarte cape. Hij zag er prachtig uit. B Met de bevrijdingsfeesten won mijn vader de eerste prijs met dansen, een pakje shag. Vooral de tango kon hij goed dansen…’ Wat H op het dansen van B brengt kunt u achterhalen op bladzijde 21. Een pracht van een personenregister  is ‘De kleine encyclopedie’ achterin. Het zit er dik in dat ik met ‘Zalig zijn de schelen’ nog eens bij u langskom!

 
CULTUURMIX 20 AUGUSTUS
 

HET APPARTEMENT

 


Wat een echte pageturner is beleefde ik die zonnige dag in onze achtertuin. Ik las de 216 bladzijden van de psychologische thriller in één ruk uit. Ik heb het over Het appartement van Tatiana de Rosnay en van uitgeverij Artemis & co. Als er bij u een bel gaat rinkelen is dat terecht, want van deze Franse schrijfster met geboortejaar 1961 en met Engelse, Franse en Russische roots mocht ik eerder bij u introduceren de romans Haar naam was Sarah en Het huis waar jij van hield.

 

In het zogenoemde voorwerk geeft de schrijfster van alleen maar bestsellers haar credo af en weer blijkt dat zij in de werkelijkheid de inspiratie vindt. Maar nu niet in die van anderen in het verleden maar in die van het eigen heden. Op de omslag zien wij een fraai gevormde vrouw een stenen trap op gaan, in de opdracht lezen wij dat de ex-buurman meneer X Tatiana een heel jaar lang uit de slaap heeft gehouden en zo haar zonder dat hij wist op het idee gebracht heeft van deze roman. Ook vernemen wij dat Het appartement tevens is opgedragen aan Tatiana’s huisgenoten. De drie motto’s wekken ook de spanning, dus de drang om verder te lezen, want die gaan als: ‘De hel, dat zijn de anderen’, ‘Komt de nacht, slaat het uur’ en ‘Strafbaar is eenieder die in de privé- dan wel openbare ruimte zo veel geluid veroorzaakt dat het aanhoudende karakter, de herhaling en de sterkte ervan een bedreiging vormen voor de rust en de gezondheid van de omwonenden.’

Dan begint de story met een soort van proloog waarin een ‘zij’ bijkans door een bedspiraal tegen de grond wordt gedrukt door een ‘hij’. In het verhaal zelf komen illustratie, opdracht, motto’s en voorspel bij elkaar. Hoofdpersonage Colombe Barou, huisvrouw en ghostwriter, verhuist met echtgenoot Stéphane en tweeling Oscar en Balthazar naar een appartement aan de Avenue de La Jostellerrie in Parijs en wordt voortdurend midden in de nacht gekweld door bovenbuurman arts Faucleroy. De man wordt een obsessie voor Colombe, die door het leven dient te gaan als een vrouw van de schaduw, zo’n vrouw die zelden uit haar vel springt en altijd klaarstaat voor een ander, de ideale buurvrouw. Colombe is onopvallend, de blik van anderen blijft niet op haar rusten, wordt door niets geboeid. En zij doet niets om hem vast te houden, In het doen en laten van deze keurige persoon van in de dertig barst de bom als zij in de ban en obsessie geraakt van een belagende man.

Het gaat niet aan dat ik u het verloop van Het appartement vertel, want het is een thriller die voor u spannend moet blijven. Ik wil wel gezegd hebben dat Tatiana de Rosnay zich heeft laten leiden door eigen ervaringen, dat zij soepel schrijft, dat zij haar verhaal goed opbouwt en dat zij een meesteres in taalvondsten is. Zelf bleef ik na lezing met een open eind zitten: is Colombe het slachtoffer van waanideeën of van werkelijke tirannie? Ik ga voor mijn eerste optie. En u?

Nu een van de eerste nachtelijke kwellingen van Colombe. Ik citeer:

‘Colombe schiet overeind, doet haar ogen open. Een elektrische gitaar verscheurt de stilte. 03:16. Begint het weer? Deze keer hoeft ze het licht niet aan te doen. Het komt van boven, het is muziek, rockmuziek. Rechtop zittend in bed luistert ze. Het klinkt steeds luider, de gitaar speelt steeds harder, de bas valt in, de drum volgt. Wat is daarboven gaande? Wie luistert er nu op zo’n onchristelijk uur naar zulke muziek? Dat kan toch niet, daar wordt de tweeling wakker van en die moet morgen naar school. Ze springt uit bed en loopt de gang op. Maar daar klinkt de muziek al veel minder hard. Voor de deur van de jongens aan de andere kant van het appartement is hij niet meer te horen. De muziek komt van de kamer direct boven die van Colombe. Woedend kruipt ze weer in bed. Hoe kan ze slapen met zo’n herrie? Oordopjes? Nee, dan hoort ze het niet als een van de kinderen haar nodig heeft. En zoals gewoonlijk is Stéphane niet thuis. Wat moet ze doen? Ze kan toch moeilijk in haar T-shirt naar boven gaan en aankloppen bij een buurman die ze nog nooit van haar leven heeft gezien. Een arts, herinnert ze zich ineens. Dat hadden de jongens verteld op de dag van de verhuizing. Wel een rare arts. Heeft hij enig idee hoeveel lawaai hij maakt? De cd is afgelopen, geen muziek meer. Colombe wacht, hoopt en glimlacht dan. Mooi, het is voorbij, ze kan weer gaan slapen. Ze trekt het dekbed over zich heen en doet haar ogen dicht. Maar dan wordt de cd weer opgezet en klinkt de muziek nog harder. Verward tilt ze haar hoofd op van het kussen. De muren trillen van de bassen; die hebben de kracht van een Dikke Bertha. Colombe voelt ze in de veren van haar matras, zelfs in haar ruggenmerg. De zanger brult, alsof hij daar, pal voor Colombes bed, alleen voor haar in zijn microfoon staat te schreeuwen. Hij heeft een bijzondere stem. Nog voor ze op zijn naam komt, ziet Colombe ineens een enorme mond met sensuele lippen, en suggestieve heupbewegingen. Natuurlijk! Mick Jagger. The Rolling Stones. I can’t get no satisfaction I can’t get no satisfaction And I try and I try and I try and I try I can’t get no satisfaction. 

Een verkrachting van het gehoor. Keihard penetreren de decibellen haar lichaam. In het holst van de nacht doet de vijand een inval, als de geallieerden op Omaha Beach. Hij neemt bezit van haar slaap, van haar bed, van haar oren. Daar valt niet tegen te vechten. Ze moet wachten tot het voorbij is. Verlamd en gek van het oorverdovende lawaai herhaalt ze steeds weer: wachten, en dan slapen. Wachten. Slapen. Maar Jagger schreeuwt drie, vier, vijf keer achter elkaar dat hij niet is bevredigd. Tot vier uur ’s ochtends.’ 

 
OORLOGSMYTHEN


Een boek dat de maanden oktober en november van dit jaar u meer vreugde en inzicht zal geven heb ik voor u. In die periode wordt immers in het kader van de zevende editie van de manifestatie Nederland Leest de roman De donkere kamer van Damocles van W.F. Hermans uit 1958 aan de leden van de openbare bibliotheken ten geschenke gegeven. Om uw leesplezier en perceptie nog te vergroten is daar nu al Oorlogsmythen van Ewoud Kieft en uitgeverij De Bezige Bij. De ondertitel van het 286 bladzijden tellende werk dat ik in één ruk tot mij nam, illustreert de relevantie en de actualiteit ervan, want die gaat als ‘Willem Frederik Hermans en de Tweede Wereldoorlog’.

En ook het terugwerkende effect: had ik immers bij mijn eerste lezing van De donkere kamer van Damocles kennis van het gedachtegoed van Kieft gehad, dan had ik geen bokken geschoten op het kandidaatsexamen Nederlandse Taal- en Letterkunde op de Utrechtse universiteit. Het was 1972 en professor Sötemann vroeg Wittgensteins citaat te parafraseren dat Hermans het jaar daarvoor aan de tiende druk van zijn De donkere kamer toegevoegd had: ‘Ik kan hem zoeken als hij er niet is, maar hem niet ophangen als hij er niet is. Men zou kunnen willen zeggen: ‘Dan moet hij er toch ook zijn als ik hem zoek.’ Dan moet hij er ook zijn als ik hem niet vind, en ook als hij helemaal niet bestaat.’ Het antwoord waarop vergeefs gewacht werd was: taal verwijst niet naar werkelijkheid. Ik kwam er toen niet uit en al die decennia daarna eigenlijk ook niet, tot Kieft mij deze week op zijn blz. 163 aan de hand deed dat de filosoof wilde zeggen dat ons brein de neiging heeft om eigen waarheden te creëren. Met andere woorden; iedereen kijkt op de eigen wijze naar de werkelijkheid, nog preciezer: elk mens schept de realiteit die met woorden niet te vatten is.

Zo kom ik op een schrijnend gebeuren dat zich op 17 juni 1944 voordeed in mijn geboortedorp Kralingseveer. Ik herinner me levendig hoe ik in de voorkamer naast mijn vader stond, die verbijsterd toekeek naar wat zich in de namiddag op het Elandplein voordeed. In een groengrijze Duitse overvalwagen werd zijn baas Hendricus Wegeling met de handen in de nek ruw over de laadklep geduwd. De veertiger en zijn kompanen waren in de drukkerij op heterdaad betrapt toen zij het illegale blad Trouw aan het vervaardigen waren. De SD en de SS hadden weer vuil werk verricht. De mannen werden naar Kamp Amersfoort weggevoerd en belandden daarna in het concentratiekamp Vught waar zij op 11 augustus geëxecuteerd werden. Wegeling was het slachtoffer van een verrader die later door het verzet geliquideerd zou worden. Nu de visies op het noodlottige voorval. Mijn vader heeft het in zijn memoires over het verzoek dat Wegeling aan hem die zaterdagmorgen in juni aan hem richtte om een hand te helpen bij het voor de eerste keer drukken van Trouw. Mijn vader weigerde met de woorden dat hij de zaak niet vertrouwde omdat hij een groepje mannen op de dijk een paar dagen daarvoor zich wat vreemd had zien gedragen. Vader hielp wel een paar uur Wegeling op weg omdat die al lang niet meer achter de drukmachine gestaan had, maar vertrok toen de echte klus begon. Vader Kaptein ging niet in het verzet, mede omdat hij thuis aan de Lamastraat een vrouw met twee kinderen had. Hij bleef later met zijn weigering vrede houden.

Op internet lees ik een neef van Wegeling dat bij de arrestatie van zijn oom een bedrag van bijna drieduizend gulden gevonden was, dat hij waarschijnlijk ontvangen had als betaling voor het drukken van Trouw. Ook zou Wegeling volgens de oma van de neef op transport naar Duitsland gesteld zijn, wat overigens in het stuk weersproken wordt. In een editie van het blad IJssel- en Lekstreek uit 2010 lees ik een passage uit een brief die Wegeling vanuit Amersfoort naar zijn vrouw stuurde, Daarin staat o.a. dat hij zijn heil zoekt bij God. Het is heel goed mogelijk dat hij bij zijn activiteiten geïnspireerd werd door zijn geloof, dat hij zich liet leiden door hogere idealen. Zijn schoondochter Jenneke Wegeling-Klingenberg zegt in het bijbehorende artikel dat de burgemeester van Capelle a/d IJssel Verloop in de loop van augustus 1944 aan mevrouw Toos Wegeling kwam vertellen over de fusillade van haar man. Mijn vader heeft het over 1945, dus na de bevrijding. 

Ik wil maar zeggen dat iedereen zijn eigen perceptie van de werkelijkheid heeft en dat iedereen vrij is in de keuze van zijn daden. Zo kom ik bij thema’s die Kieft stelt: zijn de burgers in de jaren ’40-’45 het verzet ingerold, hebben zij bewust ervoor gekozen, hebben zij het uit winstbejag gedaan, hebben zij vanwege het geloof die kant gekozen, hebben zij ervan afgezien vanwege hun geliefden, handelde het verraad uit het principe van het nazisme of wilde men het hachje redden? Een volgende keer wil ik met u een tocht maken door Oorlogsmythen dat na de Inleiding vijf hoofdstukken kent: De mythe van het verzet, Idealisme en totale misantropie, De onkenbaarheid van de geschiedenis, De oorlog en de politiek, De mens zonder mythen. Waarbij ik gezegd wil hebben dat Kieft een andere visie op het oorlogsgebeuren suggereert dan Hermans: de mannen en vrouwen die al of niet in het verzet gingen of landverraad pleegden, hebben daar bij het volle verstand voor gekozen. Zo diens grootvader die uit geestelijke overtuiging voor weerstand tegen de Duitsers koos en dat met de dood moest bekopen. Ik haast mij echter te zeggen dat alleen de ware motivatie van de opa niet te achterhalen is. Hoogstens kunnen wij gissen. Ik las vorige week het stuk; ‘Het enige pistoolschot’ uit de bundel Door gevaarlijke gekken omringd uit 1977 van Hermans. De schrijver herinnert zich een voorval van dat op de tweede dag voorviel in de Amsterdamse Pieter Langendijkstraat. Hermans heeft het over een NSB-boekhandelaar die gezocht wordt door de politie. Als een agent onverrichter zake uit diens winkel komt en op de fiets wegrijdt, haalt hij zijn pistool tevoorschijn en schiet in de lucht. Tot op de dag van schrijven is het Hermans het waarom niet duidelijk. Overigens: hij begint zijn terugblik met: ‘De meimaand nadert en dan gaan de gedachten van iedereen die in 1940 al met open ogen rondliep, terug naar onze vijfdaagse heldenstrijd tegen de ‘horden van Hitler’’. Hermans’ entree loopt over van cynisme, waardoor hij ons op het verkeerde been kan zetten. Zo ook met de ouverture van De donkere kamer van Damocles: ‘Dagenlang zwierf hij rond op zin vlot, zonder drinken. Hij stierf van dorst want het water van de oceaan was zout. Hij haatte het water dat hij niet drinken kon. Maar toen de bliksem in zijn vlot sloeg en het vlot in brand vloog, schepte hij dat gehate water met zijn handen op, om te proberen de brand te blussen!’ De werkelijkheid is hier ongrijpbaar. 


HALVERWEGE DE HEUVEL

 
Met de regelmaat van een goedlopende klok reikt de postbode een boek aan dat mij van meet af aan in de ban heeft. Die heerlijke happening overkwam mij deze week toen de immer voortvarende en voorkomende man mij de roman Halverwege de heuvel van Gio Lippens en van uitgeverij Atlas Contact in de handen schoof. Het verhaal op de 237 bladzijden bood mij naar vorm en naar inhoud een ware surprise, want het echt spannende verhaal is in literaire taal verpakt.

Om maar bij dat ‘spannend’ te beginnen. Ik voelde steevast de drang om verder te lezen, want Lippens had mij in de greep met zijn relaas over de lotgevallen binnen een en dezelfde familie in de mijnstreek van Limburg, waar geregeld tijdens koersen op de pedalen gestaan wordt. Zo ook door de broers Albert en Frans die elkaars kompanen op het zadel en tussen de wielen zijn. Zij figureren respectievelijk als de vader en de oom van de ‘ik’, wiens moeder Ana Maria de vierde in het taalspel is. Voor ik aan een boek begin laat ik mij leiden door de zogenoemde voorinformatie. De auteur Gio Lippens deed bij mij geen bellen rinkelen, de uitgeverij koester ik omdat zij een fonds heeft opgebouwd van werken die er echt toedoen. Vervolgens  zijn er illustratie en tekst op de omslag die wel eens functioneel zijn, dus iets zeggen over het verhaal zelf. Ik zag het oogstrelende beeld van een fiere, in blauw gehulde naar de verte blikkende jonge vrouw voor een wei met prikkeldraad. Zo las ik de lovende zin van de schrijvende sportfanaat Bert Wagendorp: ‘Wat een prachtig en meeslepend verhaal. Het leven, de koers en de klassieke thema’s liefde, verraad en wraak, even soepel als gruwelijk in elkaar geschoven.’ Zo las ik de wervende zin van een van mijn favoriete  schrijfsters Yvonne Kroonenberg: ‘Ik zag ze voor me: die bonkige vader, die geschonden zoon, hulpeloos met elkaar verbonden door hun liefde voor de moeder, wielrennen en een gruwelijk geheim.’

Het gaat niet aan dat ik in extenso verslag doe van mijn tocht door Halverwege de heuvel. Dan neem ik de spanning weg. Wel wil ik gezegd hebben dat Gio Lippens meesterlijk de literaire stijlmiddelen beheerst als daar zijn thema, motieven, vertelinstantie, karakterbeschrijving, tijd, ruimte en verhaalconventie. Het is adembenemend hem te zien jongleren met bijvoorbeeld motieven als verkrachting, abortus, overspel, suïcide, passie, liefde, genegenheid, relatie ouder/kind. Lippens – hij is van 1958 – doseert uitbundig met elementen die het verhaal op gang moeten houden. Hij doet dit echter zo vakkundig en zo doordacht dat ik tot  het opbeurende inzicht gekomen ben dat ik in hem een groot schrijver van eigen bodem heb leren kennen. Hij verstaat de kunst een goed verhaal te vertellen en dat in taal die klip en klaar is maar zonder ophouden mooi en machtig straalt. Ik zal u dit etaleren door de proloog te citeren die zeker bij u spanning zal wekken.

Gio Lippens begint zijn Halverwege de heuvel zo: ‘Ana Maria schrok van een geluid in de gang, beneden in het huis halverwege de heuvel. Ze sloop op blote voeten de slaapkamer uit en hoorde voetstappen, klikkend als het onhandige loopje van een wielrenner op koersschoentjes. Dat was vertrouwd, maar het kon hem niet zijn. Albert was aan het werk. Gespannen wachtte ze op wat komen zou. Een deur ging open en weer dicht. Het geklik kwam dichterbij. Nog even, dan zou ze zien wie er onder aan de trap zou verschijnen. Ze was lichtelijk nerveus, maar had geen angst. Een vage glimlach verscheen rond haar mond toen ze zijn stem hoorde. ‘Ana Maria, ben je daar?’ Ze reageerde niet. Klik, klik, klik, klonk het van beneden. Hij stak zijn hoofd om de hoek van de trapopgang en keek onzeker naar boven. Zijn blik gleed schichtig langs haar lichaam. Het was alsof zijn slanke vingertoppen haar huid beroerden. Toen pas besefte ze dat ze nauwelijks gekleed was. Een dun wit nachthemdje met lichtblauwe bloemetjes. Een slip. Verder niets. Ze voelde geen schaamte, toch rilde ze. Hij was gewond. Bij zijn schouder was het wielershirt gescheurd en had zich een bloedrode vlek gevormd. Ze huiverde even toen ze geschaafd vlees zag. Het liefst zou Ana Maria de trap afstormen, zo snel mogelijk naar hem toe. Toch zette ze uiterst beheerst de tenen van haar rechtervoet op de bovenste trede. Gracieus schreed ze naar beneden, stapje voor stapje.’

Mijn bedoeling is dat u de smaak van Gio Lippens te pakken krijgt. U wilt gewoon weten wie daar gehavend de trap in het huis van echtgenote en moeder Ana Maria opkomt om zich te laten verzorgen. Aan het finish van het verhaal - dat een gesloten eind kent omdat alle vragen van een goedwillende lezer opgelost zijn – komt deze scène terug. Het is oom Frans die het spel van de overspelige passie speelt en daarmee zijn broer Albert opzij zet. Het ik-personage ontdekt dan een familiegeheim.

 
CULTUURMIX 13 AUGUSTUS
 

HET KAUWGOMKIND

Precies geteld 23 verhalen verspreid over 278 bladzijden telt de bundel die van top tot teen tintelen van licht en lucht maar een donkere en drieste onderstroom kennen. Ik heb het over het postuum verschenen Het kauwgomkind van Doeschka Meijsing en van uitgeverij Querido met de sobere ondertitel van ‘De verhalen’. Voor u die glanzende en tegelijk grimmige verhalen tot u neemt, doet u er goed aan achterin het boek te beginnen, want daar voert Xandra Schutte met verve het nawoord. Ik citeer de slotzinnen van Schutte: ‘Het titelverhaal is het laatste dat Doeschka heeft geschreven, buiten zittend in de schaduw van het Spaanse huis waar wij vakantie hielden. Het kauwgomkind refereert aan het bekende gedicht van Jac. van Hattum: ‘Het kauwgumkind weet nog niet goed, hoe of het zich gedragen moet.’ Het zou gaan, dat is zo ongeveer het enige concrete wat ze over de bundel losliet, over een meisje dat een weerspannige verhouding met haar moeder heeft. Uit een kauwgomfamilie, zoals Van Hattum die in zijn gedicht schetste, komt ze niet. Van haar moeder mág ze helemaal geen kauwgom kauwen en dus ontwikkelt ze de stiekeme gewoonte uitgespuugde kauwgom van de stoep te pulken en in haar mond te stoppen. Hoe het verder met het meisje en haar moeder ging is onduidelijk. Het verhaal is in een aanzet blijven steken.’ Aan ons de uitdaging  te traceren wat Doeschka Meijsing met de verzen van Van Hattum gedaan zou hebben.

Het gewraakte gedicht gaat zo:

Het kauwgumkind weet nog niet goed,
hoe of het zich gedragen moet.

Vaak kijkt men stomverwonderd toe
en denkt, dat kind lijkt wel een koe.

Het blaast een bobbel voor z'n mond
en kijkt dan heel verdwaasd in 't rond.

Het kind heeft ook een kauwgum-Ma,
en die komt uit Amerika.

De kauwgum-Pa kauwt op kantoor
van negen uur tot zes uur door.

Wanneer er thuis gegeten wordt
legt elk z′n kauwgum naast z'n bord.

En nauw'lijks is het maal gedaan,
of elk vangt weer te kauwen aan.

 

Eerst als men 's nachts de ogen sluit
spuwt elk verveeld z'n kauwgum uit.

Het verhaal Het kauwgomkind heeft dus echt een open eind, de lezer mag de story afmaken. Met Van Hattums gedicht in het achterhoofd kunt u het verdere verloop breien. De entree is als volgt. Een meisje van vier verhuist met haar ouders en beleeft dat in haar ogen als een gelukkige dag. De rest van het jaar verloopt even gelukkig als de eerste dag. Maar dan en ik citeer: ‘Hun tweede lente in het huis gebeurde er iets. Ze zag het vanaf het grasveld bij de vijver waar ze een armbandje van madeliefjes weefde. Voor haar moeder. Iemand belde aan hun voordeur. Ze kende niemand in deze stad. Er belde nooit iemand aan, behalve de melkboer maar dat was vóór schooltijd. En soms manke Willem, die zijn koffer vol onbegrijpelijke waar opende. Haar moeder kocht altijd twee kaartjes stopwol.’

Het proza en het gedachtegoed van Meijsing deels kennende, heb ik het bruine vermoeden dat het geluk van het gezin verstoord wordt, wat gesuggereerd wordt door: ‘gebeurde er iets’. De komende weken heb ik vrijaf en in die dagen van gewoon geluk heb ik de bundel Het kauwgomkind als bagage. Ik wil namelijk alle verhalen van Doeschka leren kennen, vooral dat kwartet dat zij in haar nieuwe uitgave wilde deponeren, te weten De oude man & het zwijgen, De kinderen en Cadeautje hoort erbij’. De overige negentien verhalen stonden meestal in eerdere bundels. Ook Temporis acti uit 1974, waarbij Schutte in haar ‘Nawoord’ naar mijn idee een schitterende notitie maakt. U hoort dus nog van mij over Het kauwgommeisje.

 

DE MYTHISCHE OOM

Mooie en meeslepende uren heb ik vertoefd tussen de woorden en zinnen van een 284 bladzijden relaas dat naar mijn idee virtuoos, dus literair en lucide geschreven is. Ik heb het over De mythische oom van Mariët Meester en van uitgeverij De Arbeiderspers met ondertitel ‘Nederlandse immigranten in Amerika: een bloedband’. U weet het: ik bemin werken die tot het non-fictieve genre behoren, op voorwaarde dat ze goed van taal zijn. Dit boek voldoet geheel aan die min. Ik wil u de vorm etaleren waarin Mariët Meester haar De mythische oom vervat. Overigens: de fraaie vrouw is van 1958 en schreef tal van romans, reisverhalen en essays waarbij zij zich vaak direct liet inspireren door beleefde realiteit.

Ik citeer een passage uit het gelijknamige hoofdstuk dat aan het slot de titel verklaart; ‘Ja, dat oom Peter, die ik alleen uit de sterke verhalen kende die over hem rondgingen, nog mythischer voor me werd dan hij al was.’ Vaders broer sprak tot Mariëts verbeelding. In de epiloog van haar zoektocht naar de wederwaardigheden van haar familie zegt Mariët: ‘Nu oom Peter, die zijn levenskracht uit mijn vaders bloed haalt, zijn verhaal aan mij heeft willen vertellen, is hij voor mij geen mythische figuur meer maar een held, juist doordat ik uiteindelijk ook zijn onzekerheid heb mogen zien.’ De vraag van u als goedwillende lezer ligt voor de hand, want hoe zijn de met raadselen omgeven bij leven al legendarische bloedverwant opgelost?

Ik beland zo bij de subtitel. In de jaren vijftig emigreerde oom Peter naar Amerika om in het kielzog van vele landgenoten uiteindelijk te belanden in het stadje Lynden, Washington, vlakbij de Canadese grens. Tot op dag van heden onderscheidt de iets meer dan 11.000 inwoners tellende plaats zich door een groot aantal kerkgenootschappen die zich onderscheiden met etiketten als ‘synodaal’, ‘vrijgemaakt ook wel artikel 31’, ‘baptist’, ‘calvinistisch’, ‘reformatorisch gereformeerd’. Als Mariët dan ook een paar jaar terug Lynden doorkruist, ziet zij doorgaans kleine kerken met daarop bordjes die de algemene ligging van Reformed Church aangeven. De particuliere gezindte wordt echter nader gestipuleerd met American, Christian, Liberated, Protestant, Netherlands, in America, United. Het gaat om totaal 35 optrekjes waarvan de bezoekers zich onderscheiden door opvattingen over doop, wedergeboorte, avondmaal, genade, zondeval, wereldmijding. 

De aanleiding van Meesters visite aan haar verwanten in Lynden is een ernstige. Zij wil haar oom Peter ontmoeten - in de States van automonteur opgeklommen tot toxicoloog -  die dankzij een stamceltransplantatie leukemie overleefd heeft. Dit voor hem laatste redmiddel kon plaatsvinden omdat zijn broer Jan de vader van Mariët, uit Nederland is overgekomen om als  donor te fungeren. De ingreep verloopt zo goed dat de ver in de zeventiger oom op het tennisveld weer actief is. Een volkomen geslaagde verhaaltruc van Meester is dat zij de veertien hoofdstukken om en om in het verleden en heden af laat spelen. Zo start zij met haar Proloog in 1945 in Groningen waar haar oom Peter zijn avonturen met de bevrijdende Canadezen beleeft die hij aan zijn nicht Mariët beschrijft als zij hem in Lynden opzoekt, wat in het volgende hoofdstuk De mythische oom aan de orde komt. Heel magnifiek rakelt zij zo het toen op en heel magistraal verwoordt zij zo het nu. Een volgende keer wil ik met in het spoor van Mariët Meester treden op haar exploratie door Lynden. Ik wil nu al echter gezegd hebben dat zij zich allereerst verwondert over hetgeen zij daar in den vreemde ontmoet, ondervindt, gadeslaat, ontdekt en registreert. Zij oordeelt en veroordeelt als betrekkelijk buitenstaander niet. Zij spreekt met gevoelens van respect over de  familie- en landgenoten die ver van het eigen land zichzelf willen blijven. Nu de passage over het Hollandse Lynden.

‘Ik steek over naar het pronkstuk van de straat, een groene molen, die deel uitmaakt van een bescheiden overdekt winkelcentrum. De molen komt authentiek over, voor wie tenminste niet op het bordje met het jaartal 1987 let. Het onderstuk met groen-rood-witte luiken, de houten opbouw,het formaat, alles klopt wel zo’n beetje, hoewel het bovenstuk met de wieken niet kan draaien. Binnen in het winkelcentrum hangt een muffe geur. Wel is het er lekker warm. Klanten zie ik niet in de cadeauwinkels die in de ‘Terpstraat’ en de ‘Kanaalstraat’ liggen. De Kanaalstraat ontleent zijn naam aan een waterpartij die door het winkelcentrum loopt, met een fonteintje, een watervalletje, een ophaalbruggetje en een houten boogbruggetje. In het water van het kanaal zwemmen koikarpers. Er vlakbij staan twee grote, uit hout uitgezaagde klederdrachtpoppen. Op de plaats van hun gezicht hebben ze een gat, zodat je je eigen gezicht erdoorheen kunt steken om je te laten fotograferen. Onder in de molen zijn souvenirs te koop.

‘Its’ tough being Dutch, but somebody gotta do it’, staat op tegeltjes en stickers. En: ‘Opa and oma are the greatest’. Een andere tekst die in verschillende verschijningsvormen wordt aangeboden luidt; ‘I’ve got Dutch roots’. Er staat een plaatje van twee klompen bij om aan te geven dat die ‘roots’ van loodzwaar, onbuigzaam hout zijn. De molenwinkel heeft ook een afdeling met Nederlandse voedselproducten. Zo te zien is Brinta iets waar Nederlanders heel slecht buiten kunnen. Er zijn ook pakjes soep te koop, benodigdheden voor een rijsttafel, poffertjesmix, pannenkoekenmeel, drop in vele varianten. Geen drank, geen jenever of berenburg. Klanten zijn er nog steeds niet. Ik koop ook al niets. Desondanks blijft het personeel in de winkeltjes enorm aardig. Eén verkoopster is nieuwsgierig. Als ik hier op familiebezoek ben, wie mag mijn familie dan wel wezen? ‘The Maystars die in een huis aan de Middle Mud Road wonen,’ zeg ik, want toen mijn oom Amerikaans staatsburger werd heeft er een klein incident plaatsgevonden. Het had met de uitspraak van zijn familienaam te maken, hij vond het vervelend om ‘Miester’ genoemd te worden, zodat de ambtenaar er uiteindelijk Maystar van heeft gemaakt. De mevrouw zegt iets terug waarin de woorden The Guess Who voorkomen. Het huis van mijn oom en tante aan de Middle Mud Road is volgens haar helemaal geen huis maar een ‘estate’, een verkleinde kopie van het Guess Who-pand. Of dat nu klopt of niet, ik heb in ieder geval indruk gemaakt op deze mevrouw.’

 

SCHRIJF JE ME?

In mijn valies huist een boek dat zeker mijn vrije dagen in den vreemde leesplezier en leesgenoegen maar vooral diepgang en allure zal geven. Ik heb het over het 368 tellende, geïllustreerde Schrijf je me? van Orlando Figes en van Nieuw Amsterdam Uitgevers met de ondertitel ‘Een verhaal van liefde en overleven in de Goelag’. Goelag is een acroniem voor het Russische ‘Hoofddirectoraat voor opvoedings- en werkkampen’ en functioneerde van 1930 tot 1960. De kampen zelf werden ook aangeduid met goelag en vormen de locatie voor Schrijf je me?. Als ik van mijn vakantie weerom kom, geef ik u mijn leeservaringen. Orlando Figes kennende, zullen die heel gunstig zijn. Ik mocht immers van de Britse historicus eerder bij u introduceren Natasja’s dans, Tragedie van een volk, Fluisteraars en De Krimoorlog. Nu geef ik om ‘in the mood’ te komen integraal zijn ‘Voorwoord’

‘Drie oude koffers waren zojuist afgeleverd. Ze stonden in een deuropening en blokkeerden de doorgang naar het drukke vertrek waar mensen uit het publiek en historici werden ontvangen op de Moskouse kantoren van Memorial. Ik was daar die herfst van 2007 naartoe gekomen voor een bezoek aan enkele collega’s op de researchafdeling van de mensenrechtenorganisatie. Toen ze zagen dat ik belangstelling had voor de koffers, vertelden ze me dat die het grootste privéarchief bevatten dat Memorial in de twintig jaar van zijn bestaan had gekregen. Het behoorde toe aan Lev en Svetlana Misjtsjenko, twee mensen die elkaar in de jaren dertig als studenten hadden ontmoet, en daarna gescheiden werden door de oorlog van 1941-45 en Levs daaropvolgende gevangenzetting in de Goelag. Hun liefdesgeschiedenis was, zoals iedereen mij vertelde, heel bijzonder. We openden de grootste koffer, Ik had nog nooit zoiets gezien, enige duizenden brieven, dicht opeengepakt in bundels, bijeengebonden met touw en elastiekjes, notitieboekjes, dagboeken, documenten en foto’s. De waardevolste afdeling van het archief zat in de derde en kleinste koffer, een bruine, multiplex koffer met leer afgezet en met drie metalen sloten die gemakkelijk open klikten.

Niemand kon zeggen hoeveel brieven het waren – we schatten misschien wel tweeduizend – we wisten alleen hoeveel de koffer woog (37 kilo). Het waren allemaal liefdesbrieven van Lev en Svetlana, geschreven toen hij een gevangene was in Petsjora, een van Stalins beruchtste werkkampen in het Hoge Noorden van Rusland. De eerste brief was van Svetlana, in juli 1946, de laatste van Lev, uit juli 1954. Ze schreven elkaar ten minste twee keer in de week. Dit was veruit de grootste verzameling brieven uit de Goelag die ooit gevonden was. Maar wat deze brieven zo opmerkelijk maakte was niet alleen de hoeveelheid: het was het feit dat niemand ze had gecensureerd. Ze waren in en uit het werkkamp gesmokkeld door vrije arbeiders en functionarissen die sympathie hadden voor Lev.

Verhalen over het smokkelen van brieven maakten deel uit van de rijke folklore van de Goelag, maar niemand had ooit kunnen denken aan een illegale postzak van deze grootte. De brieven zaten zo dicht opeengepakt dat ik mijn vingers ertussen moest schuiven om de eerste eruit te krijgen, Dit was van Svetlana aan Lev. Het korte adres luidde: Komi ASSR Kozjva Regio Houtverwerkingsbedrijf Dwangarbeiderskamp Aan Lev Glebovitsj Misjtsjenko.

Ik begon met het lezen van haar kleine, nauwelijks leesbare handschrift op het gele papier dat in mijn handen verkruimelde. 'En hier zit ik dan en ik weet niet wat ik je moet schrijven. Dat ik je mis? Dat weet je. Dat ik nu het gevoel heb dat ik buiten de tijd leef, in een soort entr’acte. Dat wat ik ook doe slechts het doden van tijd lijkt.’ Ik haalde nog een brief uit de bundel. Het was er een van Lev. ’Je hebt me een keer gevraagd wat gemakkelijker is, leven met hoop of zonder. Ik kan geen hoop koesteren, en ik voel me rustiger zonder...’ Ik luisterde naar een gesprek tussen hen. Terwijl ik de brieven doorbladerde groeide mijn opwinding. Levs brieven waren rijk aan details van het werkkamp. Ze waren mogelijk het enige omvangrijke contemporaine verslag van het dagelijkse leven in de Goelag dat ooit naar buiten zou komen. Er zijn veel herinneringen aan de werkkampen van voormalige gevangenen verschenen, maar niets wat te vergelijken is met deze ongecensureerde brieven, geschreven op het moment zelf binnen de prikkeldraadzone. Levs brieven, geschreven om aan die ene bedoelde lezer uit te leggen wat hij doormaakte, onthulden met de jaren steeds meer over de condities in het kamp. Svetlana’s brieven waren bedoeld hem te ondersteunen in het kamp, hem hoop te geven, maar zoals ik al gauw besefte, ze vertelden ook de geschiedenis van haar eigen strijd om haar liefde voor hem levend te houden. Wellicht 20 miljoen mensen, voornamelijk mannen, hadden het zwaar te verduren, in Stalins werkkampen.

Gevangenen mochten gemiddeld eens per maand brieven schrijven en ontvangen, maar al hun correspondentie werd gecensureerd. Het was moeilijk om een intieme band te onderhouden als elke gedachtewisseling eerst door de politie gelezen werd. Een veroordeling tot acht of tien jaar betekende vrijwel altijd het verbreken van relaties; vriendinnen, vrouwen of echtgenoten, hele gezinnen, raakten de gevangenen kwijt. Lev en Svetlana vormden een uitzondering. Ze wisten niet alleen een manier te vinden om te schrijven en elkaar zelfs illegaal te ontmoeten – een buitengewone inbreuk op de Goelagregels waarop strenge straffen stonden – maar bovendien bewaarden ze elke kostbare brief (wat zelfs nog een groter risico met zich meebracht) als een verslag van hun liefdesgeschiedenis. Er breken 1500 brieven in dat kleinste koffertje te zitten. Het kostte meer dan twee jaar om ze allemaal te transcriberen. Ze waren moeilijk te ontcijferen, stonden volcodewoorden en initialen die opgehelderd moesten worden. Deze brieven vormen de documentaire basis van Schrijf je me?, waarvoor ook geput is uit het rijke archief in de andere koffers, uit uitgebreide interviews met Lev en Svetlana, hun verwanten en vrienden, uit de geschriften van andere gevangenen in Petsjora, uit bezoeken aan de stad en interviews met inwoners en uit de archieven van het werkkamp zelf.’

 
CULTUURMIX 16 JULI
 

ROND DE 40

Op dit moment van schrijven heeft zojuist de man van de pakjespost mij een boek aangereikt dat naar vorm een bruisende beauty en naar inhoud een klaterende bron is. Ik heb het over het 304 bladzijden tellende Rond de 40 van Mart Smeets en van uitgeverij Nieuw Amsterdam. Als een soort van motto staat helemaal voorin het met glanzende foto’s gelardeerde werk als visitekaartje en geloofsbrief: 39 jaar 220.000 kilometer 750 verschillende hotels 1200 verschillende restaurants.

Het was in het jaar 2009 dat ik in Museum Beeld en Geluid in Hilversum Mart Smeets in levenden lijve mocht ontmoeten. Het tv-programma NOS Studio Sport vierde zijn gouden jubileum en om die mijlpaal nog meer luister te geven was daar een terugblikkende tentoonstelling. Smeets was in het kader daarvan die maandagmorgen nog druk doende en mij ronddolende ziende in de nog lege ruimtes, vroeg hij mij of ik de naam wist van de vroegere turncommentator. Uit mijn geheugen diepte ik de naam van Klaas Boot en ik zei Smeets dat zijn in 2003 overleden collega mij enthousiast gemaakt had voor een sport waar ik weinig mee had; turnen. Meer dan 25 jaar was de man presentator bij Studio Sport, zo voegde ik eraan toe, maar dat wist Mart wel. Een andere vroegere collega overigens was Jan Cottaar die van 1949 tot 1959 mij via KRO- radio in de ban bracht van de Tour de France met als puike renners Wim van Est en Wout Wagtmans.

Decennia lang volgde ik met verve de verrichtingen van dit wielerspektakel. Ook live. Zo zag ik in 1954 de renners voorbij snellen ten noorden van Rotterdam, toen zij de eerste etappe van Amsterdam naar Brasschaat als uitdaging hadden, die door Wagtmans in de sprint gewonnen werd. Zo stonden wij in 1987 op de top van de Mont Ventoux om tijdens een tijdrit Bernard zien winnen. Zo stonden wij net buiten de muren van Avignon om de mannen na 239 km uit Millau te zien arriveren. Vandaag is het de eerste rustdag in deze Tour die in 1903 voor het eerst verreden werd. Het eclatante boek Rond de 40 komt dus zeer gelegen, want ik heb de volle tijd om door het schitterende werk te dwalen. Mart Smeets slaagt erin niet alleen zijn per jaar zijn verhalen te vertellen maar die ook op te sieren met een scala aan wetenswaardigheden en zogenoemde eigen prullaria als foto’s, lijstjes, knipsels en Tourattributen. Een volgende keer daarover. Nu het eerste fragment van de inleiding.

‘Eigenlijk is het de schuld van Kees Buurman van de NOS- radio. In de zomer van 1973 stuurde hij me naar de Tour om het verslaggevervak te leren. Er was niemand anders. Als het toen Wimbledon was geweest, was ik daar hoogstwaarschijnlijk ook met veel plezier naartoe gegaan en was ik dáár blijven hangen. Het werd de Ronde van Frankrijk. In alle hoedanigheden heb ik deze fietsronde meegemaakt: achter op de motor voor de radio, als televisiecommentator, als aangever, als inkopper, als interviewer, als stukjesmaker, als inspreker, als gast van een late avondshow, als presentator, als haarlemmerolie, als sjouwer, als redactielid, als journalist vooral. Ik volgde de Tour blij, bijna euforisch, kwaad, bedroefd en doodziek. Ik was jubelend, streng, grimmig en elke keer vroeg ik me af: waarom reis ik iedere zomer naar Frankrijk, hang daar een kaart om mijn nek en ga ik leven in een rondreizend circus met eigen kleine wetten en regels? Wat is er zo aantrekkelijk aan het slapen in kamer 314 van de Ibis van Béziers, een kamer waar je de kont niet kunt keren, waar de lakens vuil zijn en waar je altijd de buren aan het werk hoort? Wat is de charme van lange, nachtelijke ritten van finishplaats naar uitzendstadje, over wegen die Tom Tom niet kent? Waarom doet slapen er op een gegeven moment niet meer toe?

Op den duur ga je stokbrood van anderhalve dag oud zelfs acceptabel vinden. Je toert door een wonderschoon land met alle denkbare landschappen. Je zit vast in alle mogelijke files. Je koopt landwijn van 2,95 euro per fles en die smaakt ook nog; je doet het omdat je iets wilt drinken terwijl je in de samenvatting in razend tempo zit te monteren. Koppijn, ach wat. Dan maar weer aspirines als ontbijt. Nog zo’n vraag die me vaak heeft beziggehouden: waarom kennen we allemaal de Tour en weten we niets van de Giro d’ Italia en nog minder van de Vuelta a España? In Italië rijdt men in de maand mei en dan letten wij in de Nederlandse sportjournalistiek niet op een grote wielerronde. Dezelfde desinteresse bestaat bij de Vuelta in augustus en begin september. Ik durf te stellen: de Giro is zwaarder dan de Tour, in de Vuelta kan je veel lekkerder werken en in beide rondjes sta je minder onder druk. In de Tour word je geleefd en ren je achter jezelf aan. In Italië en Spanje blijf je mens, in Frankrijk verander je. Haast, ergernis, maar ook het prettige gevoel van een goed verlopen uitzending of het zien van wonderlijk mooie beelden van een van de camerajongens, alles grijpt in elkaar. Ik raak aan de Tour gewend, verslaafd zelfs. Ik ken collega’s die na zes ronden al amechtig opstapten en mistroostig uitgezwaaid werden. De spanning was hen te veel. Diezelfde lieden zeiden dat ze volgend jaar in juli in een klein bootje op de Fluessen gingen varen. Lekker rustig. Vanaf 1973 heb ik in de heerlijke chaos van de Tour geleefd. Deo volente wordt het in juli mijn veertigste. Zoals mijn vrouw pijnlijk hard kan stellen: ‘Als je maar lang genoeg verslaafd blijft en blijft zitten.’ Zo is het wel. Ik heb 39 maal de NOS vertegenwoordigd in La Grande Boucle en er is een band ontstaan tussen die ronde en mij. Of ik zonder kan? Ik denk het wel, anderen schreeuwen van ‘nee’. Ik ken collega’s die het heel lang deden en die op enig moment de karavaan los moesten laten. Twee jaar later waren ze dood. Het leven in juli had geen zin meer. Dat is natuurlijk allemaal onzin, maar toch schuilt er een kleine kern van waarheid in.’

 

ENDURING SREBRENICA

In woord en beeld getuigt dit relaas van een drama dat reeds zeventien jaar onze gemoederen bezig dient te houden. Ik heb het over Enduring Sebrenica van Claudia Heinermann en van Epos Press te  Zwolle met het motto ‘When I go to bed at night, all the memories and fears come back – and then I can get no peace’, Woorden die  de Bosnische Mejra Dogaz sprak eind november 2010 toen zij door de fotografe Heinermann geïnterviewd werd over de gruwelen in de ‘zilveren plaats’. Halverwege komt de vrouw weer aan het woord en zien wij haar op de foto ernaast voor een raam staan. Haar tekst gaat als: ‘I lost my husband and three children. It is dreadful to have to carry on living. The most difficult thing for me is that the murderers are still alive, have jobs and are left in peace. I see them walking free on the streets and it is unbearable.’ Op de twee afbeeldingen daarna betuigen op een begraafplaats eer aan vermoorde jongens en mannen uit Srebrenica.

Heinermann ging na zoveel jaren naar de vroegere enclave waar mensen dachten voor het geweld van oorlog veilig te zijn. Om u in een goed begrip van haar in het Engels verwoorde ervaringen te plaatsen geef ik de context van de rampspoed van 1995 weer. Maar eerst wil ik gezegd hebben dat ‘enduring’ uit de titel staat voor vele betekenissen. Zo achterhaalde ik: ondergaan verdragen tolereren toelaten dragen naar buiten brengen uithouden doorstaan dulden. En ook: harden uitstaan lijden velen voortduren standhouden duren beklijven aanhouden verduren aanzien. Aan u het te traceren hoe de titel het best verstaan kan worden. Ik ga zelf voor ‘lijden’, wat op de foto’s van Heinermann ons toeslaat. De kilheid van de bossen om Srebrenica, de kapotgeschoten woningen in de vlakte, de bomen met daarop bordjes ter waarschuwing voor mijnen, de stille straten, het geruïneerde asfalt op de wegen, de muren met gaten van kogels. En: de vergeten prikkeldraadversperringen, het gekalkte Dutchbat op een muur, de verbleekte bloedvlekken op de wand, de rijen foto’s van omgebrachte zonen en vaders, de zoekende hulpverleners naar menselijke resten, de opgeslagen linnen lijkzakken, de opgegraven botten, het verweerde horloge, de in groen gehulde doodskisten, de massale begraafplaatsen met de witte tekens van steen, de man met een metaaldetector in een open bos, de verlaten grijze oorden. Maar vooral die vrouwen met lege ogen, verbijsterd door wat er gebeurd is in juli van 1995, die door het duistere verleden immer achterhaald worden. Om met Jan Pronk te spreken die het woordwoord schreef: ‘The book of Srebrenica cannot be closed’, Respect voor Claudia Heinermann die in een mozaïek van tientallen beelden het leed vastlegde dat mensen elkaar aandeden. Haar Enduring Srebrenica is een roep die gehoord moet blijven worden. Nu de canon van toen.

‘Op 6 juli 1995 trokken de troepen van de Bosnisch-Servische generaal Mladic op naar de door Dutchbat-III beveiligde enclave Srebrenica. Zonder veel tegenstand liepen de aanvallers de veilige plaats voor moslims zes dagen later onder de voet. De meeste moslim-mannen hadden de enclave eerder verlaten in een poging te ontsnappen. Het merendeel van hen was echter buiten Srebrenica in handen van de Serviërs gevallen. De Serviërs voerden de resterende moslims in bussen af nadat ze eerst met behulp van de Nederlandse militairen de aanwezige mannen van de vrouwen en kinderen hadden gescheiden. Ze werden samengevoegd met de groep eerder gevangen vluchtelingen en even later werden de meeste mannen (ten minste 7000) door de Serviërs geëxecuteerd. De Nederlandse soldaten, van wie sommigen vermoedden wat er te gebeuren stond, maar die geen getuige waren van de moorden zelf, kregen een vrijgeleide naar Zagreb, waar ze door premier Kok en prins Willem-Alexander werden verwelkomd. Toen in Nederland was doorgedrongen welke ramp zich ‘onder de ogen van Dutchbat’ had voltrokken, rees de vraag of de Nederlandse soldaten de enclave niet hadden moeten beschermen tegen de Serviërs en zo misschien deze genocide hadden kunnen voorkomen. Aanvankelijk werd vooral naar de militairen gekeken, maar al snel bleek dat de verantwoordelijkheid niet bij hen kon worden neergelegd. Hun mandaat verbood hen mee te doen in de oorlog. In september 1996 kreeg het NIOD van de regering de opdracht onderzoek te doen naar de precieze toedracht. Toen het NIOD-rapport in 2002 verscheen, nam premier Kok de politieke verantwoordelijkheid voor de ramp in Srebrenica, en trad af.Het Nederlandse leger heeft vanaf het eerste uur meegedaan aan vredesoperaties van de Verenigde Naties, waarbij troepen namens de VN toezien op naleving van vredesakkoorden in verschillende gebieden. De eerste was in 1948, in Israël. Een van de terugkerende problemen bij deze operaties is de zogenaamde geweldsinstructie. Wat mag het leger wel en wat niet doen in zo’n gevaarlijk gebied?De Tweede Kamer heeft over het sturen van de Nederlandse militairen het laatste woord. Zij moet instemmen met afspraken tussen de regering en de VN over de mate van de bewapening en het soort geweld dat het leger mag gebruiken. Dat betekent dat in de Tweede Kamer uiteindelijk de afweging plaats heeft van de taken van de troepen en de gevaren die ze daarbij zelf lopen. Na de gebeurtenissen in Srebrenica is nog maar eens vastgesteld,dat de Kamer daarover zo goed mogelijk geïnformeerd moet worden. Srebrenica heeft diepe sporen nagelaten in Nederland. Het heeft geleid tot grotere huiver en meer voorzichtigheid bij het uitzenden van troepen. Maar het heeft niet tot gevolg gehad dat Nederland zich afzijdig houdt en internationale verzoeken om militaire steun afwijst. Want Nederland wil een rol blijven spelen in de internationale (vredes)politiek. Enduring Srebrenica ziet het gebeuren uit het lokale perspectief.

 

STALIN EN HITLER KOMEN IN DE HEMEL

Maar liefst 486 bladzijden telt het boek van deze week en u zult ze alle tot u nemen, want zo verfrissend en onderhouden zijn ze. Ik heb het over Stalin en Hitler komen in de hemel van Dick Berents en van uitgeverij Aspekt met de ondertitel ‘De hele geschiedenis aan de hand van moppen en misvattingen’. Op de omslag staat een spotprent met beide tirannen al koddig dansend met de een op de mouw een hamer en sikkel en met de ander op de arm een swastika of hakenkruis. Ik houd van de geschiedenis in die betekenis dat ik graag verneem wat het verleden al zo in petto had. Vooral de onderwijzers op de Lagere School, Van Velzen en Molenaar, de leraren op de H.B.S.. Van Alkemade en Kouwenhoven en die op de Koningin Wilhelmina Kweekschool, Bron en ….. brachten mij die min voor het voorbije bij. Maar allereerst was het mijn vader die op de vliering dozen en mappen vol had met krantenknipsels die het gepasseerde zo konden doen herleven. Vader was een trouw en overtuigd lid van de Anti - Revolutionaire Partij en had het Huis van Oranje heel hoog in het vaandel staan. Zo deed het hem deugd dat de vroegere staatsman Colijn ons volk in 1936 al gewezen had op internationale spanningen en dat de Vader des Vaderlands, Willem van Oranje in 1584 aan het Prinsenhof te Delft aan de kogels van Balthasar Gerards bezweek maar niet voordat hij gezegd had: ‘Mijn God, Mijn God, heb medelijden met mij en dit arme volk’.

Ik roep deze twee incidenten in mijn geheugen terug omdat ze beide manifesteren hoe de geschiedenis vervormd wordt om de eigen ideeën en opvattingen meer plausibel te maken. Het ‘Gaat u maar rustig slapen’ van Colijn werd door velen de man later verweten, want hij zou die sussende woorden gesproken hebben in 1940 aan de vooravond van de Duitse bezetting en niet een viertal eerder toen het Rijnland door Hitler bezet was, wat een schending van het Verdrag van Locarno betekende. Colijn zei in zijn radiotoespraak o.a.: ‘Daarom maan ik nog eens aan om zich niet te laten verontrusten’ en hij beëindigde zijn rede zo: ‘Ik verzoek den luisteraars dan ook om wanneer ze straks hunne legersteden opzoeken, even rustig te gaan slapen als ze dat ook andere nachten doen. Er is voorshands nog geen enkele reden om werkelijk ongerust te zijn.’ De minister-president wilde aankondigen dat de winterlichting 1935 langer onder de wapenen diende te blijven. De laatste woorden van Willem van Oranje: volgens een bekritiseerd onderzoek dat in maart 2012 werd gepresenteerd was het vrijwel zeker dat hij die niet meer heeft kunnen zeggen. Met het schot dat Gerards loste kwamen drie kogels vrij. Eén hiervan ging door zijn hart waarna hij vrijwel zeker op slag dood was. De onderzoekers baseerden zich hierbij onder meer op het oorspronkelijke Latijnse sectierapport dat Pieter van Foreest en Cornelis Buyssen na Oranjes dood opstelden.

De geschiedenis wordt niet alleen geweld aangedaan door misvattingen maar ook via anekdotes en moppen, wat het voornaamste item is van de tocht door het gemeenschappelijk verleden van Dick Berents. Het is een geweldige ervaring om hem te volgen op zijn speurtocht naar historische gebeurtenissen die door korte, grappige verhalen over bekende (anekdotes) en minder bekende (moppen) personen meer aansprekend worden. De waarheid ligt dan niet in het midden! Ik stel u voor dat wij de komende weken op excursie gaan in Stalin en Hitler komen in de hemel. Nu wil ik u de smaak ervan te pakken laten krijgen door wat anekdotes en moppen te citeren uit de chapiters van Berents die na de ‘Inleiding’ lopen van ‘De oudheid’, ‘De middeleeuwen’ en ‘De vroegmoderne tijd’ tot ‘De koude oorlog’, ‘En daarna’ en ‘Het verhaal van de humor’. U ziet het: de historicus met gevoel voor humor struint de hele geschiedenis door.

Uit de middeleeuwen. ‘Een Frankische legeraanvoerder keert met zijn mannen terug na een veldtocht. Koning Chlodorik ontvangt hem en vraagt: ‘Hoe staan we ervoor?’ ‘Majesteit’, zegt de veldheer, ‘ik heb vorige week de vijanden in het zuiden verslagen en deze week heb ik de dorpen en kloosters geplunderd van uw vijanden in het westen.’ ‘Wat?’ riep de koning. ‘Ik heb helemaal geen vijanden in het westen,’ ‘O’, zei de legeraanvoerder beteuterd. ‘Nu dus wel.’  Uit de vroeg moderne tijd: ‘Zodra Cromwell aan de macht was, moest er ook nieuw geld met een ander opschrift worden geslagen. Op de ene kant stond ‘God met ons’ en op de andere ‘De Republiek van Engeland,’ Een oude edelman die aanhanger van de monarchie en een grote hekel had aan de puriteinen, bekeek het geld en zei: ‘Het is heel passend dat God en de republiek aan verschillende kanten staan.’ Ook nu weer vertelt Berents de context. Uit de wereldoorlogen en Duitsland: ‘Hitler was erg bijgelovig. Op een dag ontbood hij een astroloog. ‘Op wat voor dag zal ik sterven?’ Na een blik op de hemelkaarten zei de astroloog: ‘U zult sterven op een joodse feestdag.’Hitler vroeg: ‘Maar op welke joodse feestdag dan?’ ‘Dat weet ik niet’, zei de astroloog. Hitler keek boos. ‘Ik moet het weten’, zei hij, ‘ik sta erop de waarheid te horen.’ ‘Ik weet het echt niet,’ zei de astroloog, ‘want de dag waarop u dood gaat, zal per definitie een joodse feestdag zijn.’ Uit de Verenigde Staten: ‘Twee zwarte mannen bevinden zich in een hotel in Mississippi. Ze vervelen zich en de ene zegt: ‘Zullen we de balie eens opbellen en vragen of ze een paar blanke meisjes kunnen sturen? De andere schrikt. ‘Wat zeg je nou? Ben je gek geworden? Blanke meisjes in Mississippi, dat is vragen om moeilijkheden!’ De ander zegt: ‘Waarom niet? Ik wil alleen maar met ze naar bed, ik wil niet met ze naar school gaan!’

 
CULTUURMIX 10 JULI
 

VOORGOED

Sedert een paar dagen heb ik een bundel poëzie in huis die mij terugwierp in de tijd dat ik mijn leerlingen havo/atheneum ontvankelijk en rijp wilde maken voor de dichtkunst. Ik heb het over het maar liefst 536 bladzijden rijke Voorgoed van Bernlef en uitgeverij Querido met ondertitel ‘Gedichten 1960-2010 Een keuze’, waarin de nu vijfenzeventig jaar jonge dichter H.J. Marsman wellicht de definitieve balans opmaakt van de naar zijn idee beste verzen uit zijn totaal 24 bundels. Het was eind jaren zestig beginjaren zeventig toen ik mijn lui voor me in de klas wilde illustreren dat dichters ook oog en oor hebben voor de vigerende maatschappij. Zij verwoorden niet alleen zielenroerselen van alle tijden als daar zijn liefde, dood, vreugde, verdriet maar zij geven ook uiting aan het huidige doen en laten in het praktische leven. Ik legde dus niet alleen aan de jongens en meisjes van zestien en zeventien zogenoemde rijmende romantisch getinte dichtregels voor. Maar ook gedichten die ervan getuigden dat de verzenmakers met de benen in de bagger stonden, dus lucht wilden geven aan de verschijnselen van dat moment. Zo legde ik aan hen voor het gedicht van Bernlef  Bermtoerisme dat niet rijmend, dus vrij was, en dat als leidend thema had het massale verblijf van vertier van velen langs de grote verkeersweg. Mijn ouders trokken er in 1958 met hun tweedehands Renault vanuit Kralingseveer erop uit om uren te zitten aan het asfalt onder Bunnik. Met mijn verloofde reed ik in 1962 met de al op leeftijd zijnde Dauphine vanuit Boskoop naar Leiden om zittend op uitklapstoelen pal langs de rijksweg te genieten van voorbijrazende auto’s. Dat bermtoerisme was een recreatief fenomeen van die tijd, waarbij mensen parkeerden langs de weg om gezellig te picknicken. Zij zochten niet naar een rustige plek achter hen in het bos maar vonden afleiding in het voorbijsnellende verkeer. Na een tijdje was de nieuwigheid weg en tevens werd dat plezier verboden.

Bernlef van wie ik ook met veel vreugde klassikaal de roman Hersenschimmen las, vond ook inspiratie in het verkeren uit vermaak langs de grote weg en schreef het gedicht Bermtoerisme dat naar mijn grote genoegen door de dichter himself tot hogere heerlijkheid verheven werd want opgenomen in zijn bloemlezing. Ik geef het integraal aan u door maar niet voordat ik u gezegd heb dat ik de komende weken Voorgoed weer aan u voorlegt. Overigens: wat let u dit deze bundel mee op vakantie te nemen?

 

BERMTOERISME

Drie mieren

tussen de verdorde grassprieten

op weg

bijna aangereden

een gezin stopt in de berm

vader

moeder

mannetje van vier

ontdekken tussen de blikjes

een leuk plekje

wat mooi is het hier en voetbalt met een blikje

 

Maar moeder klapt de stoelen uit

en tien minuten later de koffie al

maar waar is Jan nu

verdwenen soms

in het donkere bos misschien?

Nee

spelend steekt hij een stokje

in een platgereden egel

ernstig roerend

 

Ook hier de behoeftes

kleine en grote

te doen in het bos

waar het gonst van de vliegen en

een gaai vlammend verschiet

doet moe haar poepje terwijl

pa geniet van de snelheid

 

Straks weer het asfalt

de witte streep huiswaarts

maar nu nog volop genieten

met een zakmes gekerfd

in de bomen waaronder gezeten

voluit hun namen

opdat wij het weten. 

 

MIJN ROOFVOGELS

Een gids door het domein van dieren die  niet alleen gevleugeld en gevederd zijn maar ook nog uit zijn op prooien, heb ik voor u. Met een knipoog naar de naderende vrije weken die u in de vrije natuur wellicht zult doorbrengen. Ik heb het over het 415 bladzijden tellende, functioneel geïllustreerde Mijn roofvogels van Rob Bijlsma en van uitgeverij Atlas. Het beeld op de omslag brengt u in the picture, want wespendieven van 23 en 26 dagen op locatie betrapt in Boswachterij Smilde. Over de vijftig keer gaat Bijlsma met u het land, het veld, het bos, de wei, de hei, de stad in om roofvogels het liefst op heterdaad te betrappen. Zijn titels gaan als ‘Binnendelta’,  ‘Boomtoppen’, ‘Bosmuis’, Broodje aap’, ‘Burp’, ‘Vervolging’, ‘Vluchtafstand’ en ‘Voedselschaarste’ en die manifesteren zijn aanpak. Speurend en spiedend naar vogels vindt hij ook de tijd en de gelegenheid om u de ins en outs over deze dieren op onderhoudende wijze te vertellen. Ik zal daarvan een voorbeeld geven en wel met de entree van het chapiter ‘Uilen’. Maar eerst dit. Elke dag loop ik in Park Slobbengors mijn kilometers. Nooit vertoef ik daar in mijn uppie. Zo zag ik deze morgen gaai, putter, reiger, merel, kraai, kauw, meerkoet, waterhoen en zelfs een familie van de roodstaartjes. Hun kunstig nest bovenin de voetbaltribune hadden mannetje, vrouwtje en twee jongen verlaten en druk doende waren de blauwgrijze vogeltjes op het groen der velden. Ik bemin vogels, zelfs zo dat ik in vroeger dagen een heuse buitenvolière had, met kneus, zebravinken, kanaries, goudvinken, distelvinken. Mijn liefde ging echter zo ver dat ik de beesten weer vrijaf gaf. Sindsdien laat ik vogels van verre op mijn netvlies komen. Zo ooit de kerkuilen uit de toren van de brandweerkazerne die op de klopstok van buurvrouw Van den Oever zich gezet hadden. In de nacht hoorden wij het geroep van de uilen die aan het fourageren waren. Maar hun areaal is met flats overspoeld en zij zijn de polder ingetrokken op zoek naar een beter domein. Zo ging ik eertijds met het gezin naar Veenoord in Drenthe en geregeld ging ik naar de hei onder Dalerveen om de immer solitaire ransuil te focussen. En steeds moest ik denken aan de roman die ik met mijn leerlingen las: Stenen voor een ransuil van Maarten ’t Hart, waarin de hoofdpersoon Ammer zijn eenzaamheid probeert te overwinnen door stenen naar de onverstoorbare vogel  te gooien. Ik zie graag vogels. O, die roodborst in de achtertuin, o, die ijsvogel daar in het park, o, die geelgors ginds in het riet, o, die zwaluw ver in de lucht, o, die havik in die boomtop. Maar de kennis ontbreekt mij ten enenmale en die reikt Rob Bijlsma mij met zijn Roofvogels nu heel ontspannen aan. Hoewel zijn verslagen tintelen van deskundigheid, vakmanschap en belezenheid worden die nooit taai en saai. Bijlsma verstaat de knappe kunst kennis aan de man en vrouw te brengen!

‘Soms word ik door een schoolleraar gevraagd om iets over roofvogels te vertellen. Tijdens die praatjes willen kinderen – behalve alles kwijt over hun hamster, poes of konijn – vooral weten of uilen roofvogels zijn. Daar zijn twee antwoorden op mogelijk: ja en nee. Om met het laatste te beginnen: dat is het antwoord van de taxonoom, die tegenwoordig op basis van DNA-analyses precies kan uitleggen waarom uilen in de evolutionaire stamboom behoorlijk ver van roofvogels afstaan, en juist meer verwant zijn met nachtzwaluwen. Al is het niet uitgesloten dat er ooit, in het diepe verleden, wel degelijk contact tussen beide groepen is geweest. Uilen onderscheiden zich onder meer van roofvogels door hun naar voren gerichte ogen, de direct naar beneden gerichte haaksnavel (bij roofvogels naar voren wijzende snavel met pas aan het eind de haak), borstelveertjes aan de basis van de snavel, een grote gehooropening, een asymmetrisch gehoorapparaat, een draaibare achterteen, afwezigheid van een krop, een grote blindedarm en ‘zachte’ veren waarmee geruisloos kan worden gevlogen. Allemaal aanpassingen aan een nachtelijke leefwijze, geen twijfel mogelijk. Maar het eerste antwoord is ook goed. Roofvogels en uilen zijn namelijk alle twee bejagers van levende prooien, waarvoor ze aangepaste klauwen en snavels hebben om prooien vast te houden, te doden en aan stukken te scheuren. Het enige verschil zit erin dat uilen hun kunstje ’s nachts opvoeren (een enkele uitzondering daargelaten), en roofvogels overdag (ook hier zijn uitzonderingen; zie het hoofdstuk Stadse fratsen). De grote verscheidenheid aan klauwgrootte en –vorm, jachtwijze en keuze van leefgebieden bij roofvogels, die ertoe leidt dat veel soorten in hetzelfde gebied kunnen leven zonder elkaar constant in de wielen te rijden, vindt haar pendant in de nacht. Elke roofvogel- en uilensoort heeft zijn eigen plekje, weliswaar met overlappingen hier en daar, maar gemiddeld genomen voldoende verschillend om in een klein land als Nederland broedruimte te bieden aan dertien soorten roofvogels en zeven soorten uilen.

Uilen produceren braakballen waarin, vaker dan bij roofvogels, herkenbare voedselresten zijn terug te vinden. In de magen van roofvogels worden skeletdelen nu eenmaal beter verteerd dan in die van uilen. Geliefd op scholen dus, die uilenballen. Aanschouwelijk onderwijs in griezelvorm, braken, bah!, maar kennelijk onverdeeld populair gezien de constante stroom van aanvragen voor uilenballen. Zelf ben ik ook een onverdeeld liefhebber van uilenballen. Vooral van die van ransuilen. Deze langvleugels jagen bij voorkeur in open gebieden op veldmuizen.

Hoewel het niet de enige prooisoort op hun eetlijst is, het is wel de belangrijkste. Eén van de eerste dingen die ik als CJN’ertje leerde, was schedels van muizen op naam brengen, na forse partijen braakballen op roestplaatsen te hebben verzameld. Stapels vochtige, aards ruikende ballen op tafel, niet tot genoegen van ieders moeder, links en rechts wegschietende beestjes die de uit elkaar gepulkte ballen verlieten op zoek naar een ander onderkomen, schuifmaten, pincetten en loepen, indrukwekkende tableaus van onder- en bovenkaken. De enthousiaste uitroep als er iets anders dan een veldmuis werd ontdekt, en driftig bladeren in determinatietabellen. We gebruikten daarvoor de Hudson, een dichotome tabel voor schedelresten die je stap voor stap door de families van kleine zoogdieren loodste en je uiteindelijk deed uitkomen bij één soort. Als dertienjarige snotneus gebruikte is al zinnen als:

‘De lengte van het palatum is minder dan 7 millimeter, de breedte minder dan 4,5 millimeter. Het aantal uniscuspiden bedraagt 5, waarvan de laatste, de kleinste, goed zichtbaar is.’ Inderdaad, dwergspitsmuis.

 

 

 

AMSTERDAM – DELPHI

Voor u heb ik een onderhoudend, grensverleggend, inspirerend, ontdekkend relaas, dat u op de pedalen brengt. Ik heb het over het 248 bladzijden tellende, rijk geïllustreerde Amsterdam – Delphi van Rosita Steenbeek en uitgeverij De Arbeiderspers met de ondertitel ‘Op de fiets naar het orakel’. Op de omslag staat de gehelmde auteur op een roze fiets in een geelwit landschap onder het devies van ‘Drieduizend kilometer fietsen, meer dan drieduizend jaar terug in de tijd’. Rosita Steenbeek, van wie ik o.a. Thuis in Rome, Terug in Rome, Kleuren van Rome en Parels van Rome bij u mocht introduceren, onthaalt ons nu op een live verslag van een fietstocht diagonaal door Europa. Fotograaf Art Khachatrian met de roots in Armenië was haar kompaan en hun beider lotgevallen, uitgesmeerd over 42 dagen, krijgt u met foto’s en al op een presenteerblad aangereikt. U kunt op de bank blijven zitten om haar ravissant reisjournaal tot u te nemen.

Met mijn zoons ieder afzonderlijk fietste ik in vroeger dagen ook naar het zuiden. Zo peddelde ik met Muel naar Verdun aan de Maas om het Ossuarium van Douaumont te ondergaan. Zo toog ik met Time naar Antwerpen aan de Schelde om de ZOO te aanschouwen. Zo racete ik met Briam naar Margraten in de heuvels van Limburg om over de Amerikaanse militaire begraafplaats een rondgang te maken. Wij bestegen het stalen ros maar echt diep in het zuiden kwamen wij niet. Bij Rosita is het andere koek. Zij vertrok op de fiets en bleef over bergen en door dalen rijden en vond tijd en inspiratie ons op vaak literaire maar immer toegankelijke wijze relaas te doen. Ik zal u van haar verbale talenten laten proeven door de entree van haar ‘Dag 1 Amsterdam – Amersfoort 58 km’ met het motto ‘Gnoothi seauton. Ken uzelve – Orakel van Delphi’ door te geven. Volgende keren wil ik fragmenten uit andere dagen doorgeven opdat u voorgoed de smaak te pakken krijgt. Nu de kids het ouderlijk huis vaarwel gezegd hebben en de jaren van geregelde arbeid voorbij zijn, vinden mijn echtgenote tijd en gelegenheid om met vouwfietsen het eigen land te verkennen. In een reisboek houd ik de afgelegde routes bij. In 1995 waren Zevenhuizen – Bleiswijk, Spijk – Beesd, Maasland – De Lier en in 2011 Voorschoten – Wassenaar, Tiel – Beusichem, Hengevelde – Neede enkele van onze pleisterplaatsen. Totaal trapten wij 383 tochten weg. Wat ik verzuimde was wat Rosita Steenbeek wel deed. Het aan het papier toevertrouwen van het geziene onderweg. Bij het klimmen der jaren bemerk ik dat beleefde voorvallen van toen in het vergeetboek dreigen te geraken. Het opfrissen van mijn geheugen is een optie maar mijn persoonlijke geschiedschrijving ontbreekt. Onder het devies van wie schrijft die blijft reikt Rosita ons haar memoires aan. Haar grote verdienste daarbij is dat zij ons de ogen en zinnen opent. Boeiend vind ik het te traceren hoe anderen naar de door mij gevisiteerde locaties keken.

Amersfoort, Emmerich, Duisburg, Keulen, Worms, Heidelberg, Davos, Ravenna, Cesenatico, San Marino, ik doorkruiste ze. Rosita Steenbeek fietste er doorheen op weg naar een hotel. Zij had echter haar zinnen gezet op het aanleggen van een relaas Amsterdam – Delphi. Daarbij komt haar krachtige kunst dat zij u parachuteert in een el dorado van items die uw leven rijker maken. Rosita: 

‘Het lijkt een ander te zijn, die vrouw in fietskleren, helm op het hoofd, leunend op het stuur, de handen in twee roze fietshandschoenen. We zouden uiterlijk om tien uur vertrekken en nu is het half drie. Art was tot vanochtend zeven uur aan het organiseren. Hij heeft nog wat aan de fietsen gesleuteld, muziek en een cursus modern Grieks op mijn iPhone gezet. Toen hij na negen jaar naast zijn Armeense paspoort ook zijn Nederlandse paspoort had ontvangen, kon hij de grens weer over en fietste hij op een vouwfiets in zeventien dagen van Amsterdam naar mij in Rome.

Hij had zich een leeuw in een Tupperwarepotje gevoeld die uiteindelijk kon losbreken.’De volgende keer moet je mee,’ zei hij. Ik lachte hem uit. Dat zou ik nooit kunnen. Het jaar daarop ging hij weer alleen en herhaalde hij dat ik dit echt moest meemaken. Het zal lichaam en geest verfrissen. Roest zal veranderen in bloed.’ Toen ik met hem naar Rome vloog en hem op het spectaculaire uitzicht wees, bleef hij onverschillig. ‘Erdoorheen fietsen is veel geweldiger, je ruikt het land, je ervaart hoe het licht verandert, de temperatuur, je ziet muizen zonnebaden in de berm, je hoort de vogels, de kikkers, het klateren van een beek. Je ademt de frisse lucht in van het bos dat zich uitstrekt aan beide kanten van de kilometerslange zigzaggende afdalingen. Je zit erin, je leeft.’

Een derde maal ging hij alleen, nu op een Cannondalemountainbike met Lefry Fork en daarna zei ik: ‘Goed, ik fiets met je mee, niet naar Rome, maar naar het orakel van Delphi.’ Ik zei het spontaan, alsof het orakel me riep. Hij was in zijn eentje naar Nederland gekomen en leefde in de voor mij vertrouwde wereld van Amsterdam. Nu zou ik een van zijn werelden leren kennen. Door toeval of lot belandt er iemand naast je op je levenspad die je de kans geeft een voor jou minder voor de hand liggende weg in te slaan. Zo belandde ik door eerdere geliefden op stranden en terrassen van het Siciliaanse dolce vita, op de onderaardse paden van de dromen, de verborgen steegjes van antiquariaten, en nu zou ik over feitspaden Europa gaan doorkruisen. Ik wilde door Italië fietsen en verheugde me op grote stukken langs de zee. Art had me nieuwsgierig gemaakt. Bovendien zag hij er elke keer als herboren uit wanneer hij in Rome aankwam, afgeslankt, met stralende ogen en vol energie. Het zou goed voor me zijn, zei hij. ‘Je wilt toch niet dat mensen het telkens weer over je hersenbloeding hebben en je gebroken rug?’ Delphi is de navel van de wereld, hét pelgrimsoord van de antieken. Duizenden jaren geleden trokken mensen daarheen om het orakel vragen voor te leggen en raad te krijgen  bij grote beslissingen. Het was het doorgeefluik van de goden. Er moest iets zijn met die plek. Ik heb geen specifieke vraag en ik heb ook niet het gevoel dat ik op een dood punt in mijn leven ben. Ik zoek steeds naar de balans tussen overgave en controle, ik schrijf de boeken die ik wil schrijven en vraag me ook niet af of ik bij deze wonderlijke man moet blijven. Maar ik ben wel benieuwd wat deze reis met me gaat doen. De mooiste herinneringen van mijn schooltijd heb ik aan de uren dat we met een heel klein klasje in de ‘Medea’ van Euripides vertaalden en leerden over overmoed, noodlot en menselijke hartstocht. Het echte leven drong het klaslokaal binnen, ook bij het ontcijferen van de vechtpartijen in de ‘Ilias’, de zwerftochten van Odysseus en de harmonie der sferen van Plato. Op mijn vijfde leerde mijn vader me al Griekse citaten te debiteren. ‘Later zul je me dankbaar zijn’, zei hij. Griekenland – ik ben er nooit geweest maar er wel mee opgegroeid. Het land waar Europa vandaan komt en de democratie. Waar de verbeelding geen grenzen kende maar waar ook de passie voor de rede werd geboren. Waar sport aanzien genoot. Het was geen opzet dat ik nooit eerder Griekenland bezocht, eerder een speling van het lot. Misschien kwam het doordat ik na het vinden van tweede huis in Rome mijn handen vol had aan Italië en bovendien op Sicilië al een beetje in Griekenland was. Ik had tegen Art gezegd dat ik dit avontuur alleen aanging wanneer we ’s ochtends zouden vertrekken en in principe voor het donker een bed zouden hebben. Tijdens de fietstochten die hij de afgelopen zomers ondernam belde hij vaak in het holst van de nacht om me te vertellen dat hij nog geen slaapplek had gevonden. Als ik hem aan de afspraak herinner wordt hij boos. ‘Het gaat zoals het gaat.’ Een van de tassen blijkt niet op zijn fiets te passen. We lopen naar de fietswinkel die al eerder hulp heeft geboden. Gelukkig kunnen ze wat aan het probleem doen en hoeft ons vertrek niet nog een dag te worden uitgesteld. ‘We gaan naar Delphi.’ ‘Jij liever dan ik,’ zegt de fietsenmaker. ‘U hebt niets met Griekenland?’ ‘Dat weet ik niet, maar ik hou niet van fietsen.’

 
CULTUURMIX 2 JULI
 

DE WERELD VAN HET WATER

Die zaterdagmiddag verkeerde ik in twee zalen van het door mij geliefde Museum Dordrecht, die gewijd zijn aan het werk van een van origine Dordtse schilder. Ik heb het over de tot en met 14 oktober gaande tentoonstelling De wereld van het water met stukken van Anthonie Pieter Schotel die leefde van 1890 tot 1958. Zijn passie waren water, schepen en havens, zijn fascinatie vormden lichteffecten en zijn devies was: kijken, nog eens kijken en snel schilderen wat het oog registreert. Schotel was vooral in zijn jaren aan de Merwede – hij woonde en werkte sinds 1926 in Volendam, Vlissingen, Rotterdam en Laren - een impressionistisch schilder, die bij voorkeur plein air het moment van de dag op zijn doeken wilde vatten. Aan u de uitdaging of beter de uitnodiging om als het u uitkomt ook naar het boven aan de Museumstraat te gaan en vervolgens een scala aan views van het door water omgeven centrum van de regio tot u te nemen. Ik verwijlde meer dan uur voor werken aan de wand die voor mij een juichend loflied zongen op water, lucht, licht, wolken, havens, kades, schepen, oevers. Zo zag ik ‘Zomer bij het Groothoofd te Dordrecht’, ‘Gezicht op de Grote Kerk in de winter’, ‘Schepen voor Dordrecht bij avond’, ‘Betsy’, ‘Havenkade met aangeankerde schepen’, ‘Bomkade in Dordrecht’, ‘Gemeerde tjalken aan de Bomkade’, ‘Wijnhaven vanaf de Nieuwbrug’, ‘Vissersschip voor Dordrecht bij avond’. En ook ‘Wijnbrug’, ‘Voorstraathaven’, ‘Gezicht op de Lombardbrug te Dordrecht’, ‘Schepen op de rivier voor Dordrecht’, ‘De jachthaven en het clubgebouw van de Koninklijke Dordrechtse Roei- en Zeilvereniging’.
De topper lag voor mij bij de finish van de tentoonstelling, bij het schilderij ‘Schepen op de rivier voor Dordrecht’ dat pas een restauratiebeurt gekregen heeft. Vandaar dat naast het grote en grootse werk euforisch staat ‘De zon schijnt weer boven Dordrecht’. Dit werk is weer net zo stralend en helder van kleur als Schotel het in 1926 schilderde. Het grondige herstel in de oude conditie was noodzakelijk omdat het ontsierd werd door een sterk vergeeld vernis en enkele beschadigingen. De lucht die aanvankelijk groenig oogde, bleek na verwijdering van de vernislaag in een fris, helderblauw te zijn geschilderd. Ook andere partijen veranderden van kleur: gelige wolken zijn weer wit, de stad is weer koelblauw. En in het water van de rivier zijn Schotels geraffineerde kleurnuances opnieuw zichtbaar. In slow tempo gaande langs de Schotels van het water in en om Dordrecht raakte ik weer in verrukking van schilders die de wisseling der dingen om ons heen op heterdaad wilden betrappen. O, die spiegelingen in het vliedende water van Schotel, o, die spelingen van harmonie in het spel van boot en boord van Schotel, o, die gekleurde saluutschoten vanaf bevaren natuur door Schotel gelost.

Met de zinnen vol kleur en licht verliet ik De wereld van het water  toen al wetend dat ik een tweede keer bij u langs ga komen om de Schotels na Dordrecht de revue te laten passeren. Om dan anders getinte werken te noemen als ‘Haven van Volendam’ en ‘Haven van Stellendam’ en natuurlijk de beauty ‘Portret van Elisabeth Schotel-Goedvolk’ uit 1928. In een elegant festijn van roze, rood, blauw en groen laat Schotel zijn geliefde, zijn muze zien. ‘A thing of beauty is a joy for ever’. In het groen buiten passeerde ik een groep Duits sprekende gezellen die samengedromd waren voor het gedicht aan de muur van Jan Eikelboom uit 1979, ‘Tuin Dordrechts museum’, dat ik u bij mijn relaas over de nog tot 30 september lopende tentoonstelling Op zoek naar Pirosmani  integraal doorgaf. Nu volsta ik met de wenk van: gaat u ook eens de verzen live daar tot u nemen. Thuisgekomen wentelde ik mij door de 176 bladzijden van de door Thoth uitgegeven catalogus. Schotel komt in De wereld van het water goed uit de verf, Carole Denninger klaarde die verbale klus voorbeeldig. Zij heeft in haar rijk met illustraties gelardeerde monografie acht stukken nodig: ‘Telg uit een beroemd schildersgeslacht’, ‘A.P. Schotel, schilder te Dordrecht’, ‘Ménage à trois’, ‘Ik wil den botter volkomen in mijn macht zien te krijgen’, ‘Nieuwe uitdagingen: Vlissingen en Rotterdam’, ‘Gelukkig in Het Gooi’, ‘Duistere oorlogsjaren’, ‘Een moeizaam herstel’. Ook over dit kijk- en leesalbum hoort u nog.

 
HOOG GEBOREN

Ik stel u in het vooruitzicht van een tocht die wij de komende weken gaan maken door een gids die ons voert door een althans voor mij terra incognita. Ik heb het over het 448 bladzijden tellende Hoog geboren van Ileen Montijn en van uitgeverij Contact met de ondertitel ‘250 jaar adellijk leven in Nederland’. Adeldom verplicht, vandaar dat voorin staat: ‘Bij de productie van dit boek is gebruikgemaakt van papier dat het keurmerk Forest Stewardship Council  (fsc) draagt. Bij dit papier is het zeker dat de productie niet tot bosvernietiging heeft geleid. Ook is het papier 100% chloor- en zwavelvrij gebleekt’. Ik moet zeggen dat de pagina’s van Hoog geboren heel gedistingeerd op mij overkomen en dat de woorden en zinnen daarop stipuleren wat Ileen Montijn in de entree zegt: ‘Adeldom is onderscheid. Wie van adel is, heeft het recht zich te tooien met titels of predikaten (zoals jonkheer, baron, gravin) en die ook vermeld te zien op alle officiële documenten.’

Van huis uit heb ik weinig met het fenomeen adel. In mijn geboortestek Kralingseveer op de oostelijke flank van Rotterdam hadden wij veel kerken maar nul kastelen. Toen en ook heel lang daarna waren er voor mij in geen velden of wegen telgen te traceren die een titel mochten voeren. Uiteraard waren er de leden van het Koninklijk Huis, maar immer was daar de afstand tussen hen en mij. De eerste keer dat ik me bij de Oranjes mocht voegen was in de zomer van 1961. Ik volgde de opleiding voor pionier in Harderwijk en in het kader daarvan gingen wij naar het Apeldoorns Kanaal om in aanwezigheid van koningin Juliana en prins Bernhard in no time  een noodbrug te leggen. Na de ceremonie protocollaire mochten kapitein Kits en ik een houten ponton op om eventuele vragen van de vorstelijke visite een antwoord te geven. Ik salueerde krampachtig, de vorstin glimlachte en haar gemaal begroette me met een kort: ‘Ga je gang vaandrig’.
Vanuit Boskoop reden wij op een warme zaterdag in 1965 met buren Dullaart naar het oefenterrein de Vlasakkers bij Amersfoort om een militaire show op het land en in de lucht gade te slaan. Na de happening kwamen wij met de auto terecht in een rij van hofauto’s en politiewagens die luid toeterend te kennen gaven dat het koninklijk echtpaar na hun visite aan de hei de lunch op paleis Soestdijk wilde gebruiken. Voor de hekken daar dienden wij op bevel de stoet te verlaten. Onopgemerkt door de lijfwacht waren wij in het kielzog van de vorstin geraakt. Haar kinderen heb ik diverse malen in latere jaren mogen aanschouwen maar immer was daar de afstand. Zo dochter Beatrix in de Kunsthal en in het Museum Boijmans Van Beuningen, zo dochter Margriet op de Keukenhof. Zo schoonzoon Pieter tijdens de Open Monumentendag en in het Dordrechts Museum. Mensen van adel mocht ik gadeslaan maar distantie was letterlijk en figuurlijk voorgeschreven.

Drie keer heb ik met adellijke personages iets meer contact mogen hebben: ik luisterde naar baron Van Dedem, baron Van Hogendorp en Du Marchie van Voorthuizen. Het was 1966 toen Godert baron van Dedem de ambtsketting omkreeg van de gemeente Boskoop. Het was een grijze maandagmiddag toen de man bijkans in zijn uppie met de koets langs de Gouwe reed om in het huis aan de Zijde het versiersel te ontvangen. Van de school kregen wij geen vrijaf, dus hij bleef voor mij ongezien. Later heb ik meerdere malen Van Dedem horen oreren tijdens de maandelijkse zittingen van de gemeenteraad. Ik kon toen niet bevroeden dat ik zelf 28 jaar lang als gemeenteraadslid en als wethouder op het pluche mocht zitten, maar dan in Papendrecht. Ik ben me wel ervan bewust dat de politieke vonk oversloeg uit het vuur dat de voorzitter van de raad ten toon spreidde. Overigens: Van Dedem bleef de eerste burger tot 1977, toen hij vanwege politieke spanningen in het college ontslag vroeg. Het verhaal van zijn familie staat in ons Hoog geboren. Zelfs de illustratie van de omslag getuigt hiervan, want het gaat om  ‘W.J. baron van Dedem met geweer en jachtbuit (1925)’. In het hoofdstuk ‘Decor van het adellijk leven’ staat onder het kopje ‘De jacht’ o.a.: ‘De emotionele lading van een jachtboekje is af te lezen aan een exemplaar in het archief van de familie Van Dedem in Zwolle. Het is van Willem Jan, baron van Dedem, die eveneens op zijn elfde, in 1925 begon met jagen. Hij had een eigen geweer gekregen. De eerste kogel die hij afvuurde wordt ook in het archief bewaard; op de huls staat ‘Eerste schot met 1ste jachtgeweer door W.J.v.D.’ Een foto toont de jongen tussen twee zuilen voor zijn geboortehuis, De Colckhof bij Heino, met trotse blik, pet op, het geweer op de schouder en twee dode fazanten op de rug. Aan zijn voeten ligt een zevental dode konijnen. Willem Jan van Dedem stierf, twintig jaar oud, aan de ziekte van Weil, opgelopen bij het vissen op de grachten van het huis Den Berg. Zijn vader eerde de nagedachtenis van zijn zoon door het jachtboekje dat hij een paar jaar had verwaarloosd, aan te vullen met het overlijdensbericht. Hij schreef erbij dat Willem Jan niet lang voor zijn dood tot zijn grote vreugde zijn eerste reebok had geschoten, een zesender, op 75 à 80 meter. Een foto van het gedode dier plakte hij erbij.’ Ik vind het van innerlijke grootheid van Ileen Montijn getuigen dat zij haar boek siert met dit portret: een postuum saluut aan een jonge baron.

In de jaren zeventig nodigde een ver familielid mij uit om een kerkdienst bij te wonen van dominee Du Marchie van Voorthuysen die in 1901 op het landgoed Bornia in Driebergen geboren was en als moeder jonkvrouw Adolphine Julie Wittewaal van Stoetwegen had. De preek van de bevindelijke eerwaarde uit de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland viel mij zwaar, maar dat adellijk bloed door zijn aderen stroomde, gaf mij soulaas. Montijn vertelt over de evenknieën van moeder. In de gemeenteraad van Papendrecht en op een plaatselijke sociëteit ontmoette ik frequent Frederik van Hogendorp, die op verzoek heel aimabel verhaalde over de geschiedenis van zijn geslacht, dat door toedoen van koning Willem 1 tot de adellijke stand verheven werd. In Hoog geboren lezen wij het hele verhaal over Gijsbert Karel van Hogendorp, die een belangrijke grondlegger van de monarchie was. Overigens: bij het verscheiden van zijn vader werd Frederik van baron graaf.


HET LAND VAN DON QUICHOT

De komende dagen, weken, en indien u beschoren is, maanden op het Iberisch Schiereiland kunt u meer allure en diepgang geven door een schat van een unieke gids. Ik heb het over het 392 bladzijden tellende, rijk geïllustreerde Het land van Don Quichot onder redactie van Raymond Fagel en Eric Storm en van uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep met de ondertitel ‘De Spanjaarden en hun geschiedenis’ en op de omslag het Escorial, het immense abdijcomplex van Filips II. Er staat u veel te wachten in dit wellicht ultieme boek over het wel en wee dat het Koninkrijk Spanje ten deel viel als het gaat om geografische, economische, sociale, religieuze, politieke en culturele omstandigheden. Dit is een mond vol maar ik haast mij te zeggen dat de vijf schrijvers aan ‘Het land van Don Quichot’ over het vermogen beschikken op toegankelijke, transparante, bijkans literaire wijze het Spaanse verleden uit de doeken te doen. Zij hanteren daartoe elf chapiters.

Ik noem u de titels ervan: ‘Spanje tussen Altamira en Guernica’. ‘De Spaanse middeleeuwen’, ‘Het ontstaan van een grootmacht, 1469-1543’, ‘Centrum van een wereldrijk, 1543-1598’, ‘Apocalyps en Siglo de Oro, 1598-1700’, ‘Verlichting en hervorming, 1700-1808’, ‘Absolutisme versus liberalisme, 1808-1874’, ‘De Restauratie, 1875-1931’, ‘De Tweede Republiek en de Burgeroorlog, 1931-1939’, ‘Het Spanje van Franco, 1939-1975’, ‘Het democratische Spanje, 1975-2011’. Dit klinkt u wellicht prozaïsch in de oren maar het knappe van het kwintet auteurs is dat het klip en klaar, ontspannen en onderhoudend het Spaanse verwoordt. Zo in het eerste hoofdstuk dat start met het verhaal over Altamira en Guernica. In 1879 ontdekte de achtjarige Maria de Sautuola in de grot van Altamira in de omgeving van Santander,kruipend en plat op de rug prehistorische tekeningen van herten, bizons en beren die het begin van de Spaanse geschiedenis vormen. Pablo Ruiz Picasso schilderde in 1937 zijn interpretatie van het wrede Duits- Italiaanse bombardement op het kleine stadje Guernica onder leiding van de fascistische leider Franco. Volgens de scribent Raymond Fagel lijkt er maar een kleine stap te liggen tussen Altamira en Guernica. Overigens: toen Duitse officieren in 1940 een bezoek brachten aan Picasso en het schilderij zagen en vroegen; ‘Haben Sie das gemacht?’, de schilder antwoordde met: ‘Nein, Sie’. Nu het Voorwoord.

Het land van Don Quichot is het resultaat van de samenwerking tussen vijf historici van het Instituut voor Geschiedenis van de Universiteit Leiden, die allemaal een bijzondere interesse koesteren voor Spanje en zijn geschiedenis. Samen verzorgen wij regelmatig hoorcolleges over de Spaanse geschiedenis, en daaruit groeide een aantal jaren geleden het idee om een boek te maken. Al snel werd duidelijk dat een geschreven tekst andere eisen stelt aan een historicus dan een reeks colleges, zodat het een geheel nieuw verhaal is geworden. De interesse en de specialismen van de auteurs bepalen de accenten in dit boek, zoals de nadruk op de Habsburgse periode en de Spaanse Burgeroorlog. Desondanks hebben we geprobeerd er een algemene geschiedenis van Spanje van te maken. De nadruk ligt op de politieke geschiedenis, hoewel ook de economische en culturele ontwikkeling besproken worden. Thema’s als de verhouding tussen Kerk en Staat, het functioneren van de politiek, de rol van het leger, de relatie tussen stad en platteland en die tussen de regio’s en het centrum komen in meerdere hoofdstukken terug, waarbij het historische kader niet veronachtzaamd is; in hoeverre was Spanje destijds anders?
Hoewel de internationale context regelmatig in de analyse bedoelde wordt, komt de geschiedenis van het Spaanse wereldrijk in bijvoorbeeld Amerika, Italië en de Nederlanden alleen aan bod voor zover het van belang is voor ontwikkelingen in Spanje zelf. Door ook aandacht te besteden aan allerlei plaatsen van herinnering – van de grotten van Altamira, via het Alhambra en het Escoriaaal tot Picasso’s Guernica - kan het boek tevens een leesbare inleiding zijn voor reizigers die meer willen weten over de historische achtergronden van de hoogtepunten van de Spaanse cultuur. We hopen dat het boek met plezier gelezen zal worden door iedereen die geïnteresseerd is in Spanje en de Spaanse geschiedenis. Het sluit aan bij de huidige stand van het wetenschappelijk onderzoek, zodat het gebruikt kan worden als studieboek, maar het is toch vooral een verhaal geschreven door liefhebbers van de Spanjaarden en hun geschiedenis, door vijf Nederlanders in de voetsporen van Don Quichot.

 

CULTUURMIX 25 JUNI
 

HET GROTE JAREN 50 BOEK

Ik heb het kijk- en leesboek nog maar net van de postbode ontvangen en nu al wil ik u van het bestaan ervan gewag maken. Waarom zo fris van de lever en zo kort door de bocht? Omdat het zo geweldig en groots, zo teder en tintelend is. Ik heb het over het 386 bladzijden tellende Het grote 50 jaren boek van René Kok, Erik Somers, Paul Brood en van uitgeverij WBooks. De komende weken wil ik met uw goedvinden een rondgang door het album maken dat mij terugwerpt in de tijd.

Mijn jonge jaren bracht ik door in het dorp Kralingseveer aan de Nieuwe Maas op de oostelijke rand van Rotterdam. Gerard Cox, Joke Bruijs, Sjoerd Pleijsier deden ons in hun televisieserie van begin 1994 tot half 2009 geloven dat geluk toen heel gewoon was, maar zij vergaten wel dat je ervoor moest bukken. Zo staat nog op mijn netvlies geprikt het beeld van een trotse opoe, die na jaren van een plee buiten met de buren op het Arkelshof de deur van eigen wc op het knipje mocht doen. Het was eind jaren veertig en de weduwe Kaptein had wel van Willem Drees gehoord maar kon nog niet van hem trekken. Zij voorzag in haar levensonderhoud door voorgaande dominees in het weekeinde kost en inwoning te geven, door voor dokter Zandbergen medicijnen te verzamelen en af te geven, door voor anderen te strijken  en door een bedrag in een zakje te aanvaarden dat wij namens onze ouders wekelijks aan haar dienden af te geven. Maar: klagen deed zij niet. Opoe vond haar gevecht om het bestaan heel gewoon en het woord geluk kwam niet voor in haar vocabulaire. Het gezin van haar jongste zoon, mijn vader zaliger, woonde niet ver bij haar vandaan en zo kon zij de veranderingen meemaken die haar nazaten bijkans aan de lijve ondervonden. 

De jaren vijftig waren van start gegaan en in dat decennium begroetten wij met luid gejuich noviteiten als de komst van wasmachine, stofzuiger, telefoon, bromfiets, televisie, auto en douche. De tijd dat mijn moeder warm water ging halen bij kruidenier Blind was voorbij, ook die van na het eten onder de tafel met veger en blik opereren. De tijd was gekomen dat buren van de overkant bij ons in de voorkamer kwamen bellen, dat verzekeringsagent Van Overvoorde als eerste door ons dorp plofte, dat wij niet meer in de etalage van Jaap Elshout naar voetballen op tv behoefden te kijken, dat vader voorzichtig in zijn Renault plaats nam, dat het baden in de teil passé was’

Denkend aan het eertijds van mijn jeugd vallen vooral dingen op die hun entree deden en aldus onze way of life een wending gaven. Natuurlijk was er de Watersnoodramp, de NAVO en het Warschaupact, de Koude Oorlog, Koreaanse Oorlog, de Hongaarse Opstand, de lancering van de Spoetnik 1, de aankomst van nozems en provo’s, Joseph McCarthy, Martin Luther King. Ik floot ‘Blueberry Hill’ (Fats Domino), ‘Mr. Sandman’ (The Supremes),  ‘Memories are made of this’ Dean Martin. Ik verliet de Lagere School met de Bijbel, doorliep de HBS aan het Henegouwerplein, volgde de Hervormde Kweekschool aan de Binnenrotte,  spendeerde mijn diensttijd deels aan de SROI in Ermelo en stapte over in de jaren zestig. Inmiddels was ik langs jeugdherbergen in eigen land gegaan, had ik liftend door Europa getrokken, was mij geluk ten deel gevallen middels verkering met een mooi meisje dat later mijn vrouw zou worden, had ik me gemeld bij de CHU omdat vader van de ARP was.

Ik wil maar zeggen dat mijn leventje z’n gangetje ging. De context daarvan wordt nu magistraal in woord en beeld gebracht door het kloeke en toegankelijke Het grote jaren 50 boek dat zich niet onderscheidt door verheerlijking van het verleden, door de koestering van nostalgie, maar door een op de heterdaad betrappen van het doen en laten van mensen die de jaren inkleurden. Veelzeggend in deze is dat de wikkel van ons boek een groepje schoolkinderen voor een kerk laat zien. Zij staan mei 1956 in het dorp Dreumel in het Land van Maas en Waal extra feestelijk gekleed te poseren voor de fotograaf, want koningin Juliana komt op werkbezoek. De tweede grote foto laat in 1957 kinderen naar binnen kijken bij de ramen van een nieuwe kleuterschool. Op beide platen staan de kids onbewust maar signalerend model voor de jaren 50: de zuilen staan nog recht overeind, de kerk staat in het midden, vol verwachting blikken zij naar de beloftevolle  wereld. 

Ook u staat veel te wachten en dan heb ik het over de cruise met vele schitterende sightseeings door ons boek, dat een ware caleidoscoop is van een periode die wel achter ons ligt maar die nog heel achterhaalbaar en invoelbaar is. Dat illustreren de acht hoofdstukken die de titels dragen van: ‘Het verdwenen Nederland’, ‘Spannende tijden’, ‘Voor vorst en vaderland’, ‘Handen uit de mouwen’, ‘Leve de verandering’, ‘In de schijnwerpers’, ‘Sport en ontspanning’ en ‘De jeugd vliegt uit’. Elk hoofdstuk kent een finish met een heel tekenende titel: ‘Rook jij al?’, ‘De watersnoodramp van 1953’, ‘Vadertje Drees’, ‘Voor de buis’, ‘Op de scooter’,’Nederlandse films’, ‘Een auto voor iedereen’ en ‘Dansen is plezier voor twee’. Op de dag dat ik veertien werd, gelastte mijn vader te gaan roken onder devies van ‘Het is geen man die niet roken kan’. Pas decennia later zei ik tot hem: ‘Ik heb er tabak van!’. De zeven foto’s  tonen ons genietende rokers die zich van geen kwaal bewust zijn.

 

ISAAC ISRAELS

Een sieraad voor het oog en een streling van het gemoed; deze epitheta ornans dienden zich bij mij aan toen ik het artistieke album tot mij nam. Ik heb het over het 144 grote bladzijden tellende Isaac Israels van Willemien de Vlieger-Moll en uitgeverij Thoth met ondertitel ‘In den Haag’. Om maar met de ‘sub’ te beginnen: de schilder Isaac Israels  – hij  leefde van 1865 tot 1934 -  bewoonde en vereeuwigde   voornamelijk de bruisende residentie met als badplaats Scheveningen. Vandaar dat het niet alleen met roemruchte reproducties maar ook met sfeervolle stadsbeelden gelardeerde werk zeven hoofdstukken kent met  de titels ‘De eerste Haagse jaren’, ‘Amsterdam. Nieuwe inspiratie’, ‘Het strand van Scheveningen’, ‘Den Haag’, ‘Indisch Den Haag’. ‘Haagse portretten’ en  ‘De laatste jaren’. Kunstvorser bij uitstek en verbaal sterke De Vlieger-Moll, die veel van Israels bij particulieren ondergebrachte werken achterhaalde, zegt over die nieuwe bezieling in chapiter 2: ‘Na negen jaar hard werken vond hij een manier van schilderen die hij de rest van zijn leven zou blijven volhouden: hij legde momentopnames vast. Later zei hij daarover; ‘Je moet een onderwerp voor jezelf kiezen en je daarbij bepalen. Je moet niet te lang op de dingen doorgaan, want dan krijg je er een dégout van. Vooral niet te veel werken, niet meer dan twee uur achter elkaar, niet te lang peuteren, dan ben je niet fris meer.’ Hij beschouwde zijn werkwijze als ‘tekenen met olieverf’. Behalve het snel vastleggen van zijn onderwerp werd ook zijn kleurgebruik lichter.’ Met andere woorden, Israels ontdekte het Hollands impressionisme, dat op de voor- en achterzijde van ons kijk- en leesboek via afbeeldingen glanst: details van diens ‘Noordeinde Den Haag’ en ‘In de golven’.  Een volgende keer wil ik de schilderijen de revue laten passeren die deze zijde van Israels markeren: die dus de directe impact, de impressie etaleren en niet de realistische weergave.

In het eind jaren vijftig nog geheten  Museum Boijmans liet de gedreven docent P.W.J. Steinz ons  kwekelingen zijnde de wonderwereld van de beeldende kunst betreden. Zo maakten wij lang halt en front voor ‘De  haven van Rotterdam’ van Signac, ‘Papaverveld’ van Monet, ‘Jong meisje in roze, zittend in een landschap’ van Renoir en ‘Een boomgaard in de lente te By’ van Sisley. Nog ben ik de immer charismatische en op zijn wijze charmante cuma-leraar Steinz dankbaar. Hij opende onze ogen, hij leerde ons kijken. Onder de slogan van ‘ik zie, ik zie wat jullie niet zien’ wees hij hinkend van het ene been op het andere ons op niet ontwaarde facetten van de doeken binnen de lijsten. Hij bezorgde ons de sensatie van het blikken naar kunst, hij zette ons aan tot het signaleren van ‘things of beauty’, die in een museale hal voor het oprapen liggen. Er zijn ervaringen die je bepalen bij te kunnen kijken naar schilderijen die naar vorm en inhoud je ontroeren en fascineren. Zo herinner ik mij uur en dag dat mijn echtgenote en ik verwijlden voor het olieverf op doek van 160 bij 300 cm ‘Transport der kolonialen’ dat Israels in 1883 maakte. Wij stonden er na een fietstocht over de paden van de Hoge Veluwe in het Kröller-Müller Museum in Otterlo en voelden bijkans aan den lijve de sociale kant van de man die impressionist werd. Het ging om een militair onderwerp: wij zagen in grauw gehulde en omringde soldaten voor de Leeuwenbrug bij de Boompjes.

Willemien de Vlieger-Moll: ‘Deze kolonialen waren soldaten die in Harderwijk werden opgeleid tot soldaten van het Koninklijk Nederlandsch–Indisch Leger. Na hun training reisden zij met de trein naar Rotterdam waar zij langs de grachten marcheerden op weg naar de transportboten richting Nederlands-Indië. Israels exposeerde het schilderij in 1885 op de Salon van Parijs waar het een eervolle vermelding kreeg.’ O. die fluitist en die trommelaar die op die koude dag die sjofele groep aanvoeren. Een tweede surprise verraste ons daar in het groen verweven parkmuseum en net als bij ‘Transport der kolonialen’ maakten wij er lang halt en front voor, het ging om het doek ‘Mata Hari’ uit 1916 van de hand van Isaac Israels. Ooit kregen wij beginjaren tachtig van onze amice André Zonnenberg op een zondagmiddag het telefoontje dat in de gereformeerde  kerk in Vuren de markante en eigenzinnige ‘preektijger’ Johannes Hendrikus Zelle uit Leeuwarden voor zal gaan. Met mijn leerlingen las ik steevast uit de bundel ‘Het vrome volk’ van Maarten ’t Hart verhaal ‘De neef van Mata Hari’ met als hoofdpersonage de dominee uit Rockanje die tot de familie van de in 1917 te Vincennes gefusilleerde spion Mata Hari behoorde. Wij trokken naar het op de flank van Gelderland gelegen dorp aan de Waal en kwamen onder de indruk van de rijzige figuur op het katheder die frank en vrij, robuust en rommelig, orthodox en vrijzinnig op ons overkwam.

Sinds het lezen van ’t Hart en het horen van Zelle bleef ik de in 1983 achter zijn bureau overleden predikant op afstand volgen. Groot was het derhalve mijn sensatie toen wij op de Veluwe de opgaande dame in zwart en grijs aanschouwden. Bij haar olieverf op doek lees ik van Willemien de Vlieger-Moll op blz. 122: ‘Voor sommige portretten vroeg Israels de artiesten te poseren. Een van de resultaten is een portret ten voeten uit van Mata Hari gekleed in winterjas met mof. Het doek behoorde tot de collectie van Hélène Kröller-Müller en hangt vandaag de dag in het museum op de Hoge Veluwe. Margaretha Geertruida Zelle (1876-1917) zoals ze officieel heette, trouwde in 1985 met de Nederlandse militair Rudolph MacLeod. Na haar scheiding trad Margaretha Zelle vanaf 1904 in Parijs op onder de artiestennaam Mata Hari, wat oog van de dageraad betekent. Haar optredens in het Musée Guimet werden een ware sensatie. Mata Hari, geheel bedekt met juwelen, ontdeed zich tijdens het dansen van haar sluiers en stond uiteindelijk bijna ontkleed voor haar publiek. Hierna danste zij in Madrid, Monte Carlo, Berlijn, Wenen en Rome. Uiteindelijk kwam ze terug in Nederland en kocht zij in augustus 1914 een huis aan de Nieuwe Uitleg 16. Deze gracht ligt op een paar minuten lopen van de Koninginnengracht waar Israels in 1915 weer ging wonen. Haar optreden in de Koninklijke Schouwburg, op 14 december van dat jaar, werd zeer enthousiast ontvangen. De kranten schreven over de drukste maandagavond aller tijden.’ Wij staarden naar de grande dame die nog geen drie jaar later in de slotgracht van het kasteel van Vincennes voor een vuurpeloton omkwam en wier lichaam aan de wetenschap ter beschikking gesteld werd. Haar hoogverraad en doodvonnis werden later bekritiseerd, Ons album ‘Isaac Israels’: hulde.

 

RECENSIEKONING RECENSEERT NEDERLAND

Om u de smaak ervan te pakken te laten krijgen licht ik integraal, dus kant en klaar, een stuk uit een 176 bladzijden tellende bundel. Ik heb het over Recensiekoning recenseert Nederland van Olaf, 10e, Joost, RuSt, Gustav en Lorenzo en van uitgeverij A.W. Bruna onder label Lebovski. Onder het motto van ‘Here can text come to stand’ reiken de zes u een arsenaal van volkomen willekeurige, vaak satirische recensies aan, die uw komende vrije weken meer licht en lucht zullen geven. Het overkoepelend thema van de talrijke tintelende epistels is Nederland. Aanvankelijk hadden de recensiekoningen andere opties: diepzeevissen, dictatoriale oliestaatjes, knopen leggen bij vrieskou, negentiende-eeuwse woordenboeken Roemeens-Duits, ingeblikte winterkost voor in de tropen en uitroepen van een vijfjarig kind dat door een geit wordt gebeten op een kinderboerderij beginnend met de letter Y. Bruna zag meer in een vaderlands gericht onderwerp. Zo huppelt u van het een naar het ander en steeds is daar de zalige mix van entertainment en informatie. Met andere woorden; op geestrijke wijze wordt u heel onderhoudend weetjes over de dingen binnen de landsgrenzen aangereikt. Van spinazie opnieuw opwarmen, het Drielandenpunt, de Mart Smeetstruigrap, de olifanten van Almere en de Nederlandse monarchie tot fietsen in de sneeuw, kaarsjes in de boom, krabpaal Soestdijk, mooi weer en Vlieland. Ik ga voor het stuk ‘Het schommelschip de Halve Maen’. In vroeger jaren plachten mijn echtgenote en ik met de kleinkinderen Sarah en Doortje een keer per jaar in de zogenoemde grote vakantie een dag naar Kaatsheuvel te gaan om van tien uur in de ochtend tot negen uur in de avond in het pretpark te verwijlen dat de Efteling heet. Ook het gewraakte schip was een vast item van onze visite waarbij oma en opa vanaf de begane grond naar de twee kids bleven zwaaien.

Olaf: ‘Ergens in de jaren ’80 werd de Efteling, toen nog een lieflijk, sprookjesachtig Anton Pieckparkje, uitgebreid met een aantal attracties dat niet zou misstaan in een bruut pretpark. De combinatie van die twee zorgde ervoor dat het park eigenlijk het leukste attractiepark van Nederland werd en nog steeds is. Allereerst verscheen in 1981 de achtbaan de Python, met looping en schroef, gevolgd door de Bobsleebaan, de wildwaterbaan Pirañha en uiteindelijk het grootste schommelschip dat destijds ter wereld bestond: de Halve Maen. We laten de huidige wanorde die aangericht is door het land van Laaf (naar een sprookje van de toenmalige directeur ahum) en het Eftelingtheater buiten beschouwing, maar blijven nog even hangen in de Halve Maen. Niet echt natuurlijk,want dat lijkt me vreselijk. Het schip gaat niet over de kop. Als je dat wilt, ga je maar naar Ponypark Slagharen, maar daar zit je dan weer naast een tokkie die stoïcijns shag rookt en naar zijn zus ruikt. Hier volgen nog enkele tips die je verblijf in het schip de Halve Maen nog meer zullen veraangenamen. (Ze zijn wel een beetje gemeen,) Ten eerste: ga naast wat middelkleine kinderen zitten. Daarmee bedoel ik: kinderen die niet zo jong zijn dat je de rest van je leven last hebt van je geweten en die je huilend in je dromen zullen achtervolgen, maar ook geen kinderen die weer zo oud zijn dat ze je na het ritje opwachten met een groepje om je in elkaar te slaan met een veiligheidsbeugel uit Joris en de Draak. Middelkleine kinderen dus. Wacht dan even tot het schip bijna op het hoogste punt is. Als de kinderen gek worden van de kriebel in hun buik en het bijna niet meer houden, draai je je naar ze toe en begin je te brullen: ‘Ik heb vroeger bij deze attractie gewerkt! Zo hoog gaat ie normaal nooit!’ Ten tweede is het aardig om een slachtoffer uit te kiezen aan de andere kant van het schip, iemand die je dus recht kunt aankijken. Dan wijs je naar voren en roep je: ‘Oh mijn God, die man daar gaat overgeven!’ Het liefst doe je dit samen met een vriend of vriendin die hetzelfde doet. Nog beter is het om het met een hele rij te doen. En masse wijs je dus dezelfde man aan, inclusief aanduiding van kleren: ‘Die man daar, met dat blauwe overhemd en die baard, moet kotsen! ’Het komische gevolg is dat aan de andere kant van het schip iedereen in paniek raakt, omdat ze denken dat ze binnen een minuut onder de poffertjeskots van een gast met een baard zitten. Mijn favoriete moment in de Halve Maen werd veroorzaakt door de medewerker van de Efteling die de attractie bediende. Hij koos een middelklein kind uit dat angstig naar hem keek, elke keer als het schip op het laagste punt voorbij kwam razen. Het kind keek van: ‘Ik wil eigenlijk dat ie stopt!’ Op dat moment wees de medewerker naar het bedieningspaneel en maakte met zijn wijsvinger een rondje in de lucht, ten teken dat het tijd werd voor de hele looping. Vijf halve sterren voor de medewerker, nog eens vijf halve voor de Halve Maen. Vijf sterren dus. *****’

 
CULTUURMIX 18 JUNI
 

NEDERLAND EN DE NEDERLANDERS

Ik heb het album een weekend in huis en bleef erin kijken en lezen, want zo divers en zo eigengereid zijn onze medeburgers. Ik heb het over het kloeke, appetijtelijke fotoboek Nederland en de Nederlanders van Maarten van Rossem en Jean-Pierre Geelen, dat in het fonds van Nieuw Amsterdam sinds kort verblijft. De discussies over de zogenoemde identiteit van de dikke zestien miljoen bewoners van langs de Noordzee kunnen wij gevoeglijk in het vergeetboek stoppen. Natuurlijk vinden velen in elkaar in de oranjegekte die tijdens het komende EK om zich heen woekert. Vooral als de scores naar algemeen behagen zijn. Maar als ‘wij’ sneuvelen in de poel des doods dan worden de slingers en vlaggen die al weken buiten hangen rap weggehaald. En gaan wij over tot de orde van de dag, wat makkelijk gaat want niet alle Nederlanders laten zich onderdompelen in de smeltkroes die door voetballers gecreëerd wordt. Wij zijn heerlijk heterogeen.

Die term heb ik ontleend aan Maarten van Rossem die in zijn toegankelijke en tintelende essay Wie zijn wij eigenlijk? voorin na 23 bladzijden ons voorstelt genoegen te nemen met het axioma dat wij geen homogeen volkje zijn. Van Delfzijl tot Hulst, van Den Helder tot Margraten, van Harlingen tot Chaam lopen er mensen rond die met elkaar heel wat gemeen hebben maar er zijn immer andere soortgenoten die zich degelijk van hen willen en kunnen onderscheiden. Hooguit kunnen we zeggen dat hooggeschoolden en laaggeschoolden als bevolkingsgroepen van elkaar verschillen. U zult niet gauw een hossende academicus op straat zien als ‘wij’ de finale op 1 juli gewonnen hebben. U traceert dan wel een juichende getatoeëerde losse arbeider.

Hoewel… ik zag ooit een dansende professor die na een wedstrijd uit zijn dak ging en signaleerde op hetzelfde moment voor een raam in een klassieke roman verdiepte man die kort daarvoor onze glazen waste. Vrijdag 10 mei 2002 bezocht ik een tentoonstelling ‘Heaven and Hell’ van Keith Haring in Museum Boijmans Van Beuningen. Met mijn fellow travellers vergaapte ik mij aan de cartoonachtige schilderingen en tekeningen van de Amerikaanse kunstenaar. Na mijn visite liep ik naar de Mathenesserlaan, waar ik voor de kathedraal van Rotterdam, de H.H. Laurentius en Elisabeth, van harte me mengde in de luid joelende menigte rondom de witte lijkwagen van Pim Fortuyn. Ik wil maar zeggen dat het heel belangrijk is in welke groep je bevindt. Wel is relevant dat je voor die ontmoeting gekozen hebt. Vanzelfsprekend waren er tien jaar terug Nederlanders die geen waarde hechtten aan Haring en geen prijs stelden op Fortuyn. De bewoners van achter de duinen zijn niet onder één noemer te scharen. Daarvan getuigt in woord en beeld Nederland en de Nederlanders dat veel meer is dan een koffietafelboek: het opent letterlijk en figuurlijk de ogen. Met uw goedvinden wil ik met een tweede tocht door dit fotoboek maken. Ik wil dan lang verwijlen in het gewrocht van Van Rossem. Nu geef ik u integraal het stuk Luchtkasteel van Geelen, die zich onderscheidt door een bijzondere kijk op het fenomeen Nederlander. Overigens: de toon wordt gezet door de entree: kieken van bv. blije dames Prinsjesdag, kopende allochtonen markt, visiterende Frans Bauer Moederdag, bier drinkende lui, bellende tieners en verheugde concertgangers.

‘Het valt pas op wanneer je even weg bent weg geweest. Steek de grens over, en nog vóór Wuustwezel regeert de vrije wil. De springerige gevelrij, een muurtje hier, regenpijp daar. Schots en scheef soms, maar springlevend in al zijn geschiedenis. Het contrast is groot. Door het vlakke land van Nederland stroomt de gelijkheidsgedachte. Wij kennen slechts één soort woning: de tekentafelhuizen, rij aan rij. Een blokkendoos hetzelfde. Of je wilt of niet: het individu heeft geen keuze. Intekenen dus. Andere smaken hebben we niet. De kleine provinciestadjes koesteren nog hun Anton Pieck. Een kerktoren, het carillon, het eeuwenoude gemeentehuis aan de Markt – het is er nog. Het ruikt er naar haring en verse stroopwafels, elke dinsdag en vrijdag. Door het kloppende hartje slingert een levensader van Kruidvat, Blokker en Zeeman, onderbroken door koddige winkeltjes als de broderie, de snackerette en de HaarEnZo. Wat eromheen ligt, ontleent Nederland aan zijn rijke landbouw. De Nederlander is er terug in zijn hok, in een eindeloze legbatterij.

Buitenlucht komt er niet meer binnen, daar heerst de bedwelmende damp van prefab gipsbeton. Binnen vijf jaar is de tuin verzakt. Wie zijn arm uitstrekt, reikt nog niet aan het plafond. De vrije uitloopruimte is ommuurd door schuttingen van ‘Bang-kirai ribbelprofiel Classic scherm met V-trellis. Op Bloempot 23 hangt een beschilderde dakpan bij de voordeur. Trendje: oud is het nieuwe nieuw. Of omgekeerd. Nieuwe huizen moeten weer oud lijken. Met de kwaliteit van nu graag. Geluiddempende betonnen vloeren, onderhoudsvrije kunststof kozijnen, leidingen netjes weg gefreesd en internetaansluitingen in elke kamer. Maar ook glas in lood. Ornamenten op het plafond en ‘echte’ art-decolijnen over de schouw. Nederland omarmt het traditionalisme. De veertigers van nu betrekken woningen uit vervlogen tijden. Niet hun eigen jeugd – die zich grotendeels voltrok in doorzonwoningen uit de jaren zestig en zeventig – maar die van hun ouders is het nieuwe ijkpunt. Terug naar de veiligheid van vroeger. Ganzenborden bij de radio. Vader leest de avondbode. Op zijn iPad. Dat is het dorp, de middelgrote stad. De grote stad trakteert zijn bezoekers tegenwoordig op een zandbak. Er wordt volop gegraven. Metrotunnels zullen er komen, treinstations worden verbouwd en heringericht. Het oude pleintje maakt plaats voor een achtlaagse parkeergarage, stevig verankerd aan een kubistische kantoorstad die de stad moet klaarstomen voor de nieuwe eeuw. Theaterzalen alweer twintig jaar oud? Alles op de schop voor een multifunctioneel cultureel ontmoetingsoord, tien jaar langer en zeven maal duurder dan begroot. Maar voor de ware speeltuin moet je toch naar buiten. Naar het ingepolderde grasland, de broedplaats van de bouwers, die er hun ei leggen. Een sprookjeswereld. Architecten en planologen dromen er hardop, van beton. Ze zijn bezeten van hun dradendrang. Kantoorpanden en industrieterreinen zijn de resten van hun speelkwartier. Spiegelpaleizen. Versteende luchtkastelen. Gestolde grootheidswaan. Alles kan in sprookjesland. Een bolus. Vliegende schotels. Zaans groene huisjes op elkaar gestapeld. Het hoofdkantoor langs de Ring, in de vorm van een veelpotig insect. Een immense indiaan langs de A44 – de directie zetelt in zijn verentooi op de vierentwintigste. Zo pakken ze hun vijand in. Ze spinnen een web van wegen om hem heen. Ze strooien snippers van steen over het groene polderland. De spiegelwand verblindt de ogen. Morgen willen ze een luchthaven in de Waddenzee. ‘Gewoon, omdat het kan’.’ 


OVERKOMST DRINGEND GEWENST

Een ruiker bloemen heb ik voor u waarvan u bloem na bloem dient te plukken om ze daarna een voor een immer vurig te beminnen. Ik heb het over de bloemlezing Overkomst dringend gewenst van Jan Emmens met als ondertitel ‘Gekozen en ingeleid door Wim Brands’. Van Oorschot is de uitgever van deze naar vorm en inhoud pracht van een bundel, die 64 bladzijden telt. Over de zestig brokken poëzie krijgt u aangereikt die ook u diep in het gemoed zullen raken. Begin jaren zeventig studeerde ik moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Utrecht, waar gedreven professor A.L. Sötemann gloed en glans gaf aan zijn colleges in een herenhuis aan de Emmalaan. Schrijvers Multatuli en Bloem waren zijn favorieten, maar ook de vruchten van zijn collega Jan Emmens (1924-1971) wist hij te waarderen. Ik herinner mij uur en dag dat Sötemann geschokt gewag maakte van het zelfgekozen levenseinde van zijn amice. Het was 14.00 uur woensdagmiddag. Eind jaren zestig trachtten schoolvriend Henk van Schaardenburg en ik al liftend door Europa te trekken. Bij Nancy zetten zijn ouders ons met tent en al af op een camping, in de avond verkenden wij de stad, de volgende morgen stonden wij bepakt en bezakt langs de weg naar het zuiden met  duim omhoog. Uren stonden wij zo, terwijl auto’s ons nonchalant voorbij raasden. Met heimwee dacht ik aan mijn vriendin thuis, onverrichter zake en ervaring rijker keerden wij terug naar kampeerterrein.

Ik moest aan deze uiteindelijk goed maar te kort gevallen gebeurtenis denken, toen ik het gedicht Repeterende breuk van Emmens las. Het staan in het open landschap daar in het noorden van Frankrijk, het knusse Nederland ver achter mij wetend, het eenzaam verkeren in den vreemde, het verlangen naar mijn beminde in Kralingseveer,  maakten van deze tocht een pijnlijk iets. Ik gaf er de brui aan en huiswaarts kerende tentgenoten  namen wat dagen later ons met de auto mee. Emmens gedicht gaat zo:


‘Waar ik ook ben, soms ben ik ineens weer

bij de Belgische grens, aan het liften naar Frankrijk.

De weg is de hoofdweg, maar lijkt op een zijweg,

één, twee, drie huizen staan braaf in hun tuinen.

In de bocht wuift een boomgroep. Het is doodstil.

Ik wacht op haar. Drie vogels landen.

In de heggen beweegt zich een ruisende wind.

Overkomst dringend gewenst.’


Titel en versregels suggereren dat gevoelens van verlatenheid en eenzaamheid zich blijven herhalen. De keuze van Wim Brands is knap en zijn inleiding is dat ook. Derhalve raad ik u aan zijn vooraf tot u te nemen. Volgende keren wil ik nog een paar verzen van Jan Emmens doorgeven, nu volsta ik met zijn Vogel:

 
‘De bomen kregen een betekenis

die zij nog zacht gebarend wilden keren,

maar ’t noodlot was niet meer te keren:

een vogel streek klapwiekend in de wildernis

van takken neer en nu hij roerloos zit

(het licht wordt zo benauwend wit),

denk ik aan de dood, verrotte geur van blaren,

hetzelfde zijn op steeds dezelfde plaats…

Hoe komt wie vliegt ooit tot bedaren,

en wie niet vliegt ooit van zijn plaats?’


BUKSHAG

Door deze bundel gedichten wil ik met u, nu en volgende keren, een tocht maken, omdat de verzen ervan zo voor de hand liggend en toegankelijk en tegelijkertijd zo gezocht en geweldig en ook zo miniem en mysterieus zijn. Ik heb het over het 108 bladzijden tellende Bukshag van John Schoorl en uitgeverij Van Gennep. De titel slaat op tabak afkomstig van sigarettenpeukjes, die daarom meer teer dan reguliere tabak bevat, waardoor het roken van bukshag nog ongezonder is. In het dorp van mijn jeugd voorzag mijn vader zich van diens dagelijkse behoefte aan nicotine door op het braak liggende land voor tabaksplanten te kweken. De grote groene bladeren en de wit-roze bloemen bekoorden mij zeer, temeer omdat ik geen notie had welk gevaar vader liep. In de straat voor en op het plein schuin tegenover was daar de bejaarde buurtgenoot Filé die op het plaveisel rondscharrelde, al zoekende naar peuken van sigaretten die achteloos weg gepiekt  waren. Het was oorlogstijd en deze bezigheiden deden zich voor omdat men het hoofd boven water wilde houden door rokend de winter van honger door te komen. Na de ramzalige periode van bezetting, dus in de tweede helft van de jaren veertig trok Filé door Kralingseveer met hondenkar en platte schop om drollen van paarden op te vegen en in te laden. De tuinders aan de ’s Gravenweg waren even later in hun sas met deze vruchtbare mest. Ik zie Filé al bukkende voor me.

Ik moest aan beide heren denken toen ik de thematisch ingedeelde verzen van verslaggever, onderzoeksjournalist en gelukkig ook dichter Schoorl met geboortejaar 1961 tot mij nam. Om bukshag te bemachtigen moet je je bukken om peuken op te rapen, die met elkaar een sigaret opleveren. het nadeel is wel dat de rookrestanten een goedje opleveren dat risico’s draagt , want bij elke trek slaat een deel van de bij de verbranding vrijkomende teer neer op de tabak die nog niet is verbrand. Bukshag impliceert ook dat het gaat om afval, armoede, surrogaat, tweedehands, gevonden voorwerp, waardeloos, bij elkaar gezocht zootje. Zo kom ik bij de literaire term readymade waarvan een synoniem objet trouvé is. De dadaïst Marcel Duchamp ‘vond’ in 1917 een porseleinen urinoir en presenteerde die als een beeldhouwwerk. Hij haalde de piscine uit haar dagelijkse context, bestempelde haar als kunst en toonde de pisbak in een mooie museale omgeving.

Deze vracht aan zomaar opgeraapte poëzie kunt u niet aan u voorbij laten gaan. Om u de smaak te pakken laten krijgen citeer ik de eerst twee gedichten van John Schoorl. U zult met mij dan in een mum van een tijd traceren dat de dichtregels niet zomaar opgeraapt zijn. Er zit om zo te zeggen een diepere gedachte onder.


Blind bier


Ik ben aanhangend water

Op een raam vol druppels

In een lente die

Op de herfst lijkt.


Na de dag dat de aarde

Sneller draaide,

Werd voor jou

Het luchtruim schoongeveegd


Vadertje, o vadertje, bulderde

Ik door de kerk,

En liep langs

Alles van jou dat van mij is.


Ik drink bier,

Van dat rare bier,

Ik drink

Blind bier.

 

Klapdeur
 

De hemel is vol sterren en

Wij zijn gevangen door

Klapdeuren en klaprozen

En zien hoe hij het heft daar

Boven overneemt en vadertje

Overvoert met ouwemannetjesvlees.

 

Moedertje, o moedertje, proberen we,

Maar je hoort ons niet meer


Elke zucht komt uit een buis,

En het leven komt los van de draden.

 

We hebben altijd jouw hart gevoeld. 

Mocht het zo zijn dat poëzie voor het oprapen ligt, dat je er alleen maar voor hoeft te bukken dus, dan heeft Schoorl geluk gehad: bij toeval heeft hij goud opgeraapt. Ik geloof van dat toeval  niets!

 
CULTUURMIX 11 JUNI
 

TIEN TIPS VOOR DE GROTE VAKANTIE

Weer of geen weer, buitenland of binnenland, met vliegtuig of te voet, in groep of solo, de zogenoemde grote vakantie komt eraan. Om u ‘in the mood’ van deze weken vrijaf te brengen, doe ik een tiental boeken aan de hand die minstens vier dingen gemeen hebben. Ze zijn in mooie taal gevat, ze dwingen u verder te lezen, het gaat om non-fictie en ze komen uit het fonds van gerenommeerde uitgeverijen. Nu geef ik de entree van de tien, opdat u de smaak te pakken krijgt. Later maak ik met u een tocht door het tiental. Door deze selectie geeft u allure aan uw vrijaf. U krijgt nu een voorproefje.

 

Het gaat om:

Astrid Rosenfeld: Adams erfenis – Cargo - roman – 349 blz.

Andrej Longo: Wie heeft Sarah vermoord? – Serena Libri -  Italiaanse thriller – 203 blz.

Sander Kollaard: Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde –  verhalen - 166 blz.

Philip Kerr: Praag fataal – De Boekerij – Van Oorschot -  literaire thriller – 376 blz. 

Jan van Mersbergen: Naar de overkant van de nacht –  Cossee - roman – 176 blz.

K. Schippers: Op de foto – Querido -  roman – 186 blz.

Alberto Moravia: De minachting – Wereldbibliotheek  – roman – 255 blz.

Reggie Baay: Gebleekte ziel – Athenaeum -  roman – 350 blz.

Ayu Utami: Het getal Fu – De Geus – roman – 539 blz.

Clara Sánchez: Wat jouw naam verbergt - Cargo – literaire thriller – 432 blz.

 

Adams erfenis - Astrid Rosenfeld: ‘Ze hebben me altijd verteld dat mijn vader dood was, maar hij heeft mijn moeder gewoon verlaten. Eigenlijk kun je het niet eens verlaten noemen, want ze zijn nooit echt bij elkaar geweest, ze kenden elkaar in feite niet eens. Om precies te zijn hebben ze één keer met elkaar geslapen. En toen mijn moeder vaststelde dat ze zwanger was, was mijn vader allang in zijn vaderland terug. Ik was acht toen een van mijn moeders vriendinnen haar aanpraatte dat het buitengewoon belangrijk voor mijn psychologische ontwikkeling was de waarheid over mijn verwekker te horen. Hoe eerder, hoe beter. Veel waarheid was het niet.’

Wie heeft Sarah vermoord? - Andrej Longo. ‘Jezus, wat is het warm!’ zei Cardillo. ‘Is dit normaal volgens jullie, die hitte?’ Hij wapperde met zijn politiepet, op zoek naar een zuchtje koelte. Ik probeerde dossiers in te voeren in de computer die pas een maand op kantoor stond. Ik snapte er helemaal niks van en mijn hersens smolten zowat. Intussen bestookte Scarano ons met het totoformulier van de ‘Cappa Italia’. ‘Milan-Napoli!’ riep hij. We kozen allemaal voor gelijkspel, behalve Musella, die heeft sinds Maradona weg is iets tegen Napoli, en wedt altijd op de tegenpartij. Scarano peinsde er niet over en maakte er gewoon gelijkspel van.’ 

Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde - Sander Kollaard: ‘Het is allemaal nog zo helder: ik sluit mijn ogen en zie mijzelf staan,acht jaar oud, aan het strand, mijn voeten in het zand. Ik voelde de ruimte om mij heen: duinen in mijn rug, links en rechts het strand, boven mij de lucht en voor mij de zee. Het was een nieuw gevoel, die eindeloosheid, en het was alsof ik overal tegelijk kon zijn. Diep inademend gaf ik mij over aan de ruimte en stelde mij voor hoe ik meedreef met de reusachtige wolken die rond het middaguur boven zee waren verschenen en nu boven mij dreven. ‘Erik!... Erik!...’ Ik keek en zag mijn vader, een eind de zee in al, het water reikte tot aan zijn heupen, hoger nog als er loom een golf voorbijrolde.’

Praag fataal - Philip Kerr: ‘Maandag – dinsdag 8/9 juni 1942. Het was een mooie, warme dag toen ik samen met SS-Obergruppenführer Reinhard Tristan Eugen Heydrich, rijksprojector van Bohemen en Moravië vanuit Praag aankwam in het Anhalterstation van Berlijn. We droegen allebei een SD-uniform, maar in tegenstelling tot de generaal had ik iets veerkrachtigs in mijn tred, een vrolijk deuntje in mijn hoofd en een glimlach in mijn hart. Ik verheugde me op een rustige avond met een goede fles Mackenstedtler en een paar Kemal-sigaretten die ik uit de persoonlijke voorraad van Heydrich in zijn kantoor in de Hradschinburcht had ontvreemd.’

Naar de overkant van de nacht -  Jan van Mersbergen: ‘Tijdens Vastelaovend ben je niet verkleed als iemand anders, tijdens Vastelaovend ben je eindelijk jezelf. Dat zei zojuist een man tegen me, een man die ik niet ken en om wiens schouders nu mijn arm ligt. Een man met een grijze pruik en een lange zwarte patersjas, met zo’n eindeloze rij kleine zwarte knoopjes. Ik hoop dat mijn arm daar nog even mag blijven liggen. Eindelijk mezelf. Zijn schouders zijn breed en sterk en hij houdt me overeind zoals de dikke muren van de kerk de mensen overeind houden die daar tegenaan geleund staan, en de zuilen van de winkelportiek die ene vermoeide trommelaar, daar rechts.’

Op de foto - K. Schippers: ‘Er vliegen twee roofvogels boven het dal. Het is net of ze elkaar uit het oog hebben verloren en dan zijn ze ineens weer dicht bij elkaar. Buizerds of arenden, die nog eerder, zo breed zijn de vleugels in hun vlucht. In de lengte meet het eiland niet meer dan honderdvijftig kilometer en in de breedte hoogstens zestig. Toch heb je, als je er doorheen rijdt, niet het gevoel dat elke afstand kort is. De wegen zijn bochtig, dat verlengt ze al en ook het zicht op het nooit ontbrekende gebergte maakt de wegen eerder langer dan kort. In het dal hebben twee reizigers in een café koffie gedronken voordat ze de bergen in gaan, daar lopen ze, bij die platanen.’

De minachting - Alberto Moravia: ‘De eerste twee jaren van ons huwelijk was de relatie tussen mijn vrouw en mij volmaakt, kan ik nu wel zeggen. Ik bedoel dat de volledige, diepe overeenstemming van de zinnen gepaard ging met die verduistering, of als je dat liever hebt met die stilte van de geest die in dergelijke omstandigheden elk oordeel opschort en zich voor elke beoordeling van de beminde persoon uitsluitend op de liefde verlaat. Kortom, Emilia leek mij totaal zonder gebreken en ik denk dat ik ook zo op haar overkwam. Of misschien zag ik haar fouten wel, en zij die van mij, maar door een geheimzinnige, door het liefdegevoel veroorzaakte transmutatie leken die ons beiden niet alleen vergeeflijk,…’

Gebleekte ziel - Reggie Baay: ‘Bandoeng, vrijdag 3 april 1908. Goede vriend, het is alweer vele jaren geleden dat wij elkaar ten afscheid de hand hebben geschud en voor het laatst woorden van vriendschap en genegenheid hebben gewisseld. En ja, ik kan mij uw verwondering heel goed voorstellen nu er opeens, na al die jaren waarin er geen enkel contact tussen ons is geweest, een brief van mij arriveert. Van uw oude vriend, die misschien al die jaren niet meer in uw herinnering is geweest… Mag ik u van mijn kant verzekeren dat u al die tijd niet uit mijn hoofd én hart bent geweest? Want laat ik het maar bekennen: ik heb u steeds vanuit de kolonie gevolgd en, op afstand, uw successen met u gevierd.’

Het getal Fu - Ayu Utami: ‘Zullen we wedden? Je wilt me vast niet geloven als ik zeg dat in dit jampotje een kootje van een pink ligt. Ik heb het bij een weddenschap gewonnen. Ik ben niet gek op het potje en al evenmin op het formaline drijvende kootje waar nog een nagel aan vastzit. Mijn vriendin is zelfs weggelopen, omdat ze het zo afschuwelijk vond. Ze zei dat de dikte en de bolling van het glas het effect van een aquarium oproept. Het kootje ziet er daardoor uit als een inktvis. En de paarse nagel lijkt op een bont en blauw geslagen oog, dat haar betrapt wanneer ze er een blik op werpt. Ik zei tegen mijn vriendin, dat ze er niet naar kijken moest als ze het zo akelig vond.’

Wat jouw naam verbergt - Clara Sánchez: ‘Ik wilde wat mijn dochter dacht terwijl ze met haar priemende donker ogen en haar enigszins verschrikte blik toekeek hoe ik mijn koffer pakte. Ze had haar moeders ogen en mijn dunne lippen, maar naarmate ze ouder werd en haar lichaam uitdijde begon ze meer en meer op haar moeder te lijken. Als ik haar vergeleek met foto’s van Raquel toen die vijftig was, waren ze als twee druppels water. Mijn dochter vond me een onverbeterlijke oude gek. Geobsedeerd door een verleden dat al niemand meer iets kon schelen, maar waaruit ik geen dag, geen gezicht, geen naam – al was het een ingewikkelde Duitse naam – kon vergeten.’

 

KOP IN DE WIND

De bundel bevat tien verhalen en keer op keer zult u ze met veel genoegen tot u nemen, omdat u én ware literatuur bemint én graag het stalen ros beklimt. Ik heb het over Kop in de wind van Wilfried de Jong en uitgeverij Podium, dat van meet af aan, 172 bladzijden lang, tot aan de finish een streling van het gemoed is. De titel slaat op de wielerterm, staat voor strijd tegen de elementen en symboliseert vooral het gevoel dat je krijgt als je gaat fietsen en de fantasie die je tegemoet racet. De theatermaker, televisieprogrammamaker, tv-presentator, acteur, schrijver De Jong uit 1957 en Rotterdam verstaat de kunst om al fietsende in eigen land en daarbuiten inspiratie op te doen voor zijn anekdotische epistels die op zijn lezers heel aanstekelijk werken. Hem virtueel in zijn slipstream volgen betekent voor u de lust en zin krijgen met eigen fiets de paden op, de lanen in te gaan. In de hoop dat ook u onderweg gedachten inwaaien die u akkoord doen gaan met het leven.

Ik wil de kennismaking met De kop in de wind de eerste keer inhoud geven door drie verhalen te noemen die met elkaar gemeen hebben dat ze locaties binnen de landsgrenzen kennen. Ik heb het over Zwarte veren, Kramp en Lek. Een volgende maal gaan we buitenaf, met de verhalen Mona Lisa, Stickers en Montalto om op heterdaad te betrappen welke memorabele happenings De Jong in Frankrijk, Amerika, Italië al racende op zijn weg ten deel vallen. In Zwarte veren koerst de ik tijdens het broedseizoen vanuit de Maasstad langs de Rotte, rijdt met hoge snelheid met zijn voorwiel in op de borstkas van een meerkoet, ziet dat de watervogel dood is, begraaft hem in de losse, niet aangestampte aarde van een tuin voor een villa, keert een week later naar de plek van het onheil weerom en ziet dat  door een tuinarchitect over het meerkoetgraf verse graszoden gelegd zijn. Een incident van weinig waarde. Maar in de handen van De Jong…

Met mijn partner reden wij onlangs vanuit Nieuwerkerk a/d IJssel via  Oud Verlaat, Zevenhuizen, Bergschenhoek, Bleiswijk naar Moerkapelle en steeds was daar binnen oogbereik de Rotte met daarop waterkippen, wilde eenden, futen, meerkoeten. De zwarte vogels met witte snavel en voorhoofdsschild zeiden mij in zoverre veel dat ik ze gewoon mooi in het water vond passen. Nu ik De Jong gevolgd heb, zal ik met andere, betere ogen kijken naar de vogels van de rallenfamilie. Meerdere malen fietsten wij vanaf de gevangenis te Scheveningen door de duinen naar Katwijk. De groengrijze oase bekoorde ons, de hellingen daagden ons uit, de tegenliggers hielden wij in de gaten, de vergezichten streelden ons, de zee wisten wij steeds dichtbij. In Kramp laat de ik zich op gelijke weg door een jonge wielrenner uitdagen, moet het bekopen met pijnscheuten in de rechterkuit, wil op verhaal komen met broodje haring, cola, kibbeling en kotst alles op een duin eruit. Ook weer een verhaal van ‘niks’, in de handen van De Jong echter… Zo ook in Lek. De verteller krijgt een lekke band, belt ergens aan voor een pomp, helpt twee zussen bij een mankement aan de computer, volgt op het scherm de crematieplechtigheid van de ex van zus een wordt liefdevol nagewuifd door zus twee. Een toevallige ontmoeting, maar als deze auteur zich erover ontfermt en verwoordt, wordt die van goud. In het Drentse Nieuwediep klingelde ik ooit ook aan.

Om u de smaak te pakken laten krijgen, ga ik De Jong citeren, met de entree van het  verhaal Mona Lisa: ‘De soldaat had een karabijn in de aanslag. Hij keek over me heen, naar de bergtop, De punt van de bajonet stond schuin naar voren gericht, klaar om in de borst van een Duitser te prikken. Doorstoten tot je de ribben hoorde breken. ‘Mort pour la patrie’. Ik fietste in traag tempo en kon daardoor lang naar het stenen beeld kijken. Hoeveel oorlogsmonumenten waren er in Frankrijk? Overal zag je standbeelden van jongens met stoere gezichten onder hun helmen. Nooit eens een huiverige blik in de ogen of een urineplek in de vechtbroek. Het was laat in de middag. Anderhalf uur geleden had ik mijn hete hoofd ondergedompeld in een betonnen waterbak bij een openbare kraan. Alsof je een gloeiende pan onder een koude straal houdt, zo groot was het temperatuurverschil geweest. Proestend was ik weer bovengekomen. Van dat sprankelende gevoel was niets meer over. Het was benauwd. Mijn hoge hartslag bonkte in mijn slapen. Pas toen ik op de pedalen ging staan, verdween de soldaat langzaam uit beeld, Ik vroeg me af of de remblokjes van het achterwiel aanliepen. Onzin. Het was gewoon steil. Ik keek naar rechts. De weg die ik gereden had slingerde door het dal als een zwarte slang in het groen. Een slok uit mijn bidon. Het ging hard met het vocht vandaag.

In de berm schuurden krekels hun vleugels over elkaar. Het geluid dat ze maakten klonk als een noodsignaal; de berg stond op het punt oververhit te raken. De Fransen in deze streek zochten in de zomer een paar weken verkoeling aan de Côte d’Azur, 150 kilometer verderop. Zelfs de waakhonden van de spaarzame woningen langs mijn route lagen versuft op het erf. Ik reed over gekalkte letters die deels waren weggewassen door regenwater. Ze stonden omgekeerd op het wegdek. Ik kon er geen naam van maken. Was de Tour de France hier gepasseerd? Ik kon het me niet herinneren. Een verkeerspaaltje gaf aan op welke hoogte ik inmiddels zat: 825 meter. Nog een flink stuk verwijderd van Col de l’Homme Mort, een berg van de eerste categorie. Ik slurpte het bodempje water uit mijn bidon. Leeg. Stom dat ik niet een tweede houder op mijn frame had gemonteerd. Voor me bleef het asfalt oplopen. Ik kon geen moment bijkomen. Doorfietsen. Twintig meter verder stond in de berm een houten bordje geplant. Het had de vorm van een pijl. MONA LISA 500 M, was erop geschilderd.’ 

 
CULTUURMIX 4 JUNI
 

DE MAN ZONDER ZIEKTE

Sinds ik Blauwe maandagen in 1994 en Figuranten in 1997 van deze in 1971 geboren auteur tot mij genomen heb, ben ik in de ban van zijn epistels. Ik heb het over Arnon Grunberg van wie ik in het pinksterweekend met huiverige graagte de 223 bladzijden van De man zonder ziekte in één rush las. Die drang om continu te lezen voelde ik ook bij De avonden - Gerard Reve, De aanslag - Harry Mulisch, De donkere kamer van Damocles - W.F. Hermans, Hersenschimmen - J. Bernlef. Gelukkig kan ik dit rijtje verder aanvullen met literaire werken die mij echt wat deden.

Ik wil beklemtonen dat er van tijd tot tijd boeken verschijnen die mij frappeerden en die mij niet loslieten. Ook bij de roman De man zonder ziekte die wederom bij Nijgh & Van Ditmar verschenen is, blijf ik met vragen zitten. Bijvoorbeeld die van: hoe kan het toch gebeuren dat een man die in alle opzichten van zichzelf zeker is zo vervreemdt raakt, zo los schiet, zo de kluts kwijt raakt? Hoofdpersonage is de jonge architect Samarendra Ambani, geboren en getogen in Zwitserland waar zijn Indiase vader de moeder uit Zürich huwde en wat jaren na de komst van het spierzieke zusje Aida bij een gevaarlijke afdaling van een berg om het leven kwam. Samarenda, die zich ook Sam laat noemen, beschouwt als de kern van zijn identiteit het gebrek aan ziekte. Hij heeft niet als Aida een rolstoel nodig, permanente verzorging. Hij is heer en meester over zijn eigen lichaam. Ook zijn vriendin Nina is bijna perfect, op een minuscuul zwart snorretje na. Hoewel de architectuur op de eerste plaats komt. Zo laat Grunberg Sam denken dat hij zijn passie voor haar ten onrechte onderdrukt. Zoals een sjaal zoek is, zo is Sams hartstocht voor haar, soms zoek. Maar toch: meer dan van wie ook houdt hij van zijn zus. Van een in Londen wonende Irakese balling, Hamir Shakir Mahmoud, krijgt hij het verzoek een operagebouw in Bagdad te ontwerpen. Op een architectenwebsite was hij een oproep tegengekomen mee te doen aan een ontwerpwedstrijd, die uitgeschreven was door het World Wide Design Consortium. Als Sam om concrete informatie vraagt, komt hij in aanraking met Mahmoud, die de mensen iets moois wil geven om de eenheid in zijn land te herstellen. ‘Als de mensen in Bagdad naar de opera kunnen, dan weten we dat we de oorlog hebben gewonnen. Puccini is mijn liefde. Puccini is geen Mozart, maar Puccini blijft mijn grote liefde’.

Als Sam naar zijn afspraak in Irak gaat, krijgt hij beveiligers om zich heen die hem doen vervreemden. Hij moet de gedragen kleren van een ander dragen, wordt geplaagd door hagedissen in zijn hotelkamer, de televisie geeft alleen maar daden van terreur, zijn telefoon heeft geen bereik, arriveert zonder paspoort bij een checkpoint, wordt vanwege spionage gevangengenomen, ondervraagd en gemarteld. Zijn neus wordt gebroken en gemaskerde bewakers pissen over hem heen. Door alle lichamelijke en geestelijke vernederingen verliest Sam zichzelf. Hij verliest de illusie veilig te zijn. Hij voelt zich niet meer thuis onder eigen vel. Uiteindelijk wordt hij bevrijd door het Rode Kruis en keert geschonden thuis in Zwitserland terug, waar hij met trauma’s te kampen krijgt. Vooral die van het over zich laten urineren, wat Nina moet doen. Toch gaat hij weer naar het Midden-Oosten toe, dit keer om een bibliotheek met ondergrondse bunker in Dubai te bouwen. Voor de tweede keer trapt Sam er heel naïef en zonder argwaan in. Over het tweede part van De man zonder ziekte kom ik nog met u een volgden keer te praten, alleen wil ik nu al gezegd hebben dat Arnon Grunberg mij sterk liet denken aan Franz Kafka die in 1915 Het proces schreef. Ook daar was het thema dat van vervreemding: vroegere bankemployé Jozef K. komt tijdens zijn proces er nooit achter waarvan hij beschuldigd wordt. Gewillig laat hij op zijn 31ste jaardag het doodvonnis uitvoeren.

Nu wil ik u Grunberg doen proeven, met een citaat van zijn entree.

‘Voor zijn reis heeft Samarendra Ambani samen met zijn vriendin een nieuwe koffer gekocht. Een grijze rolkoffer, Omdat Samarendra’s vriendin bang was dat hij zijn koffer op de bagageband niet zou herkennen bond ze een lichtgroen haarlint om het handvat. Dat haarlint had hij liever niet gehad. Samarendra, die door de meeste mensen Sam wordt genoemd, wil graag overkomen als een professionele reiziger, iemand die vrijwel overal is geweest en zich dus ook vrijwel overal thuis voelt. Zo’n haarlint was meer iets voor een toerist van middelbare leeftijd met heimwee en ternauwernood onderdrukte angsten. Maar hij wilde zijn vriendin niet teleurstellen. Ze had gezegd: ‘Dan zul je altijd aan mij denken als je je koffer ziet,’ Zijn naam en uiterlijk doen anders vermoeden maar Samarendra Ambrani is geboren en opgegroeid in Zwitserland. Tot zijn veertiende was hij misdienaar. De kerk heeft hij nooit echt verlaten, hij is de kerk langzaam vergeten en niemand heeft de moeite genomen hem aan het bestaan van dat instituut te herinneren. Alleen nog op kerstavond gaat hij samen met zijn moeder en zus naar de mis. Zijn vriendin wilde met de taxi naar het vliegveld, maar dat vond Sam zonde van het geld. Hij is aan het sparen. Nu staan ze in de trein ingeklemd tussen twee Amerikaanse toeristen met vijf koffers en een beautycase. ‘Het is een unieke kans’, zegt Sam zonder zijn vriendin aan te kijken. ‘Ze vertrouwen me. Ze geloven dat ik het kan.’ Hij ruikt het zweet van de Amerikanen. Samarendra’s vader had ooit als veelbelovende jongeman India verlaten; hij ontdekte dat de veelbelovende beter in Zwitserland kon gaan wonen dan in India blijven. Je bent niet eeuwig jong, maar toen meneer Ambani vijftig was, gold hij in huiselijke kring nog steeds als veelbelovend. Hij was als chemicus in loondienst bij BASF geweest en in zijn vrije tijd had hij zich beziggehouden met uitvindingen die volgens hem zijn kinderen en vrouw financiële voorspoed zouden bezorgen en de rest van de wereld zouden behoeden voor rampen. Samarendra vond dat het langzamerhand zijn beurt was om als veelbelovende door het leven te gaan. Wanneer zijn vader tijdens het avondeten over uitvindingen sprak die de loop van de geschiedenis zouden veranderen, durfde hij hem echter niet tegen te spreken.’ Wat mij niet vaak gebeurt: ik herlas De man zonder ziekte. Hoezo: die facetten van humor en die prospectieve aspecten! 

 

HEIMWEE NAAR NEDERLAND

Een macht van een boek heb ik voor u dat ons doet beseffen hoe boeiend en bekoorlijk ons land in alle heggen en steggen is. Het is maar hoe je ernaar kijkt. Ik heb het over het maar liefst 415 bladzijden tellende Heimwee naar Nederland van Martin Bril en van uitgeverij Prometheus met het motto ‘Nederland Verkeersdrempels Rotondes en overal: Te huur: Bedrijfsruimte Een klein land Veel dromen’. De in 2009 overleden columnist, schrijver en dichter ontroert en maakt het verleden aaibaar. Dat zal ik u aantonen door een stuk integraal aan u de doen opklinken, ‘Gorinchem’ heet het. U zult ongewis de smaak van dit vademecum te pakken krijgen. Bril toert, meestal per auto door ons land, stopt te hooi en te gras in plekken en vlekken, kijkt om zich heen, ruikt geschiedenis, maakt aantekeningen en schrijft zijn reisverhalen. Die staan kriskras door zijn boek, dat op de papieren wikkel de contreien boven Dokkum showt met plaatsen als Moddergat, Morra en Anjum. Op de harde cover verkeren wij via woord en beeld in het Groene Hart met trekpleisters als Noorden, Nieuwkoop en Zegveld. Bril koerst er doorheen en betrapt op heterdaad de sightseeings. Een register op plaatsnamen zet u op het gewenste spoor en de inhoudsopgave demonstreert dat hij het hele land doorkruist. Van Appingedam, Oude Pekela in Groningen, Beesterzwaag en Sint Nicolaasga in Friesland tot Dishoek en Westenschouwen in Zeeland, Steijl en Thorn in Limburg.

De Dikke Van Dale heeft Martin Bril ook gehaald, met het woord ‘rokjesdag’, dat staat voor ‘die ene dag in het voorjaar dat alle vrouwen als bij toverslag ineens een rok dragen met daaronder blote benen’. Ik heb het bruine vermoeden dat ons Heimwee naar Nederland ook een lang leven beschoren zal zijn, want de kracht van Bril is dat hij in mooie taal interessante weetjes en feitjes voor onderweg vat. Anders gezegd: Bril schrijft in zijn gids niet op prozaïsche maar op poëtische wijze. Voor mij het bijzondere aan Bril is dat hij de plekken aanwijst waar ik vroeger was en die vloeiend beschrijft. Hij heeft een neus voor het verleden en door zijn relazen gaat het heden leven. Zo te Nieuw-Amsterdam waar Vincent van Gogh in het najaar van 1883 een paar weken woonde in logement Scholte aan de Hoogeveense Vaart. Het tweelingdorp met Veenoord waar wij als gezin jaren achtereen verbleven op de Ermermarkerweg bij boer Tip ging ik door Bril anders, beter zien.

‘Buiten de Waterpoort in Gorinchem zag het zwart van de mensen die van het mooie weer genoten. Bovendien was het woensdagmiddag. Veel scholieren die vrij hadden, en moeders met kleine kinderen. Heel wat ijs ging erdoorheen. Het is een mooi gebied, overigens, pal onder de oude stadwallen van het stadje, aan de brede, druk bevaren Boven-Merwede, met aan de overkant in de verte de stompe toren van Woudrichem. Het meest lijkt het op een park, met aan de westelijke kant stranden langs de rivieren. Er zijn een paar uitspanningen. Snackbar de Waterpoort, op de plek waar de veerboten naar Woudrichem, Slot Loevestein en Sleeuwijk aanleggen, een beach club bij de stranden (waar warempel al kinderen met emmertjes aan de waterkant bezig waren) en bar-dancing Genesis, gesloten. Wie in westelijke richting de dijk volgt, komt dicht langs de rivier te lopen. Aan de andere kant van de dijk ligt een grote jachthaven en iets verderop de vluchthaven, een ruime, lege haven in de vorm van een cirkel.

Vóór je zie je de brug liggen waarover de snelweg van Utrecht naar Breda gaat, en natuurlijk de enorme blokkendoos van scheepswerf Mercon – grote kranen torenen er hoog bovenuit, er wordt gewerkt aan een booreiland. Aan het einde van de dijk, waar de monding van de vluchthaven is, ligt een plek die de Punt wordt genoemd. Zowel op de kaart als in het echt is het een zeer puntige plek, een zootje basaltblokken, wat bankjes en links en rechts water. Aan de overkant van de rivier ligt het haventje van Sleeuwijk. Je hoort de geluiden van de scheepswerf.

Op deze plek kwam op zaterdag 5 oktober 1811 Napoleon in Gorinchem aan. Hij kwam uit Dordrecht, en in tegenstelling tot wat de notabelen van Gorinchem dachten, reisde hij niet te paard, maar over het water, een sloep met zestien roeiers bracht de kleine keizer. Inderhaast had men een tent opgezet om hem in te ontvangen, maar zodra hij voet aan wal zette, marcheerde hij dwars door de tent heen, zonder zelfs maar aandacht te besteden aan de burgemeester, die hem de sleutels van de stad wilde overhandigen. Hij kwam er zo wel in, zei hij, naar verluidt. Aan de andere kant van de tent stonden de paarden klaar (die waren al wel over de weg gekomen) en onmiddellijk hees de keizer zich in het zadel om de vestingwerken van Gorinchem te inspecteren, hij draafde wat rond over de wallen die er nu nog steeds liggen en toen was het wachten op zijn vrouw Marie-Louise, die tegen het avonduur arriveerde. Zij kwam over de weg uit Breda en werd door een sloep overgezet vanuit Sleeuwijk. Het paar logeerde die nacht ten huize van de heer Van Lom. De volgende dag reisden ze gezamenlijk door naar Amsterdam. Hieraan dacht ik terwijl ik in het zonnetje naast een vrijend stelletje op de punt bij Gorinchem zat. Ik dacht ook aan Hardinxveld-Giessendam, Sliedrecht en Papendrecht, plaatsen langs de Merwede die de grote Napoleon bijna tweehonderd jaar geleden voorbij zagen komen. Die zestien zwoegende roeiers en die kleine machtige man in hun midden, dat had ik nou graag even gezien.’

 

TAPIJTENZAAL

Aan het eind van die lentevolle woensdag liet de sprankelende sopraan Merlijn Runia een aria uit de pastorale ‘Il pastor fido’ opklinken. Zij deed dat in de beauty van een ruimte die gevuld is met een scala aan tapijten, schilderijen, spiegels, hangluchters en betimmeringen, In dat vertrek, met als toppers de opnieuw opgehangen en waar nodig gerestaureerde, uit het Vlaamse Oudenaarden afkomstige wandkleden, was een kwartet vooraanstaande burgers met verve present. Ik heb het over de zogenoemde Tapijtenzaal van Museum Huis van Gijn aan Nieuwe Haven in Dordrecht, waar voorzitter Nationaal Restauratiefonds Pieter van Vollenhoven, directeur Dordtse Musea Peter Schoon, lococommissaris van de Koningin in Zuid-Holland Govert Veldhuijzen en eigen burgemeester Arno Brok na de gebruikelijke speeches en de solozang op het moment suprême wachtten. Door een druk op een knop bracht de professor/meester uit Apeldoorn het licht. Tot hun volle recht en glorie kwamen de tapijten die dateren uit 1729 toen het rustieke pand aan de haven gebouwd werd. Bankier en verzamelaar Simon van Gijn (1836-1922) woonde er in en zijn onderdak van destijds is tot heden door liefdevolle en toegewijde conservatie in de oude staat gebleven. Inclusief de interieurs in de 19de-eeuwse neostijlen en de verzamelingen die hij bijeenbracht: zo van kunst, keramiek, meubels, zilver, wapens, prenten, tekeningen, munten en schepen.

De immer bevlogen en aimabele Schoon en de altijd gedreven en geestrijke Van Vollenhoven vonden elkaar die middag in het uiten van loftuitingen op het toen en nu. Zo zei Peter dat naar het idee van Simon van Gijn het verleden de spiegel van het heden is en wie zijn eigen tijd, het heden, goed begrijpen en verstaan wil, geen algehele vreemdeling dient te wezen in de toestanden van het verleden. Ook memoreerde hij dat de Tapijtenzaal in een woonhuis uniek in ons land is. Zo mixte Pieter zijn gevoel voor lichte leut en zijn oratorisch vermogen met bewondering voor de inspanningen van Dordt om het erfgoed – er zijn in de oudste stad van Holland maar liefst 900 monumenten – te koesteren door financiële inspanningen.

Rondkijkend door de authentieke en artistieke zaal stelde hij met genoegen vast dat het bij de kleurrijke taferelen uit het al sinds de 16de eeuw populaire herdersspel aan de wanden om een prachtig pronkstuk gaat. Dus: daar bij de Haven. Na de artistiek getinte drie kwartier hield ik mij op onder het dertigtal genodigden met glas wijn in de hand achter de ommuurde entourage van het kunstpaleis met haar hoogopgaande geboomte, rozenperken en tuinhuisje, dat naar een foto uit 1904 een achttal jaren geleden tot in detail nauwkeurig gereconstrueerd werd. Het Prins Bernhard Cultuurfonds kende toen de museumprijs omdat het bijzonder onder de indruk was van de ingetogen wijze waarop het pand heringericht was. In het juryrapport stond: ‘Het huis ademt een sfeer alsof mr. Simon van Gijn ieder moment om de hoek van de kamer kan verschijnen, glas port in de ene hand en een tekening of gravure in de andere. Het museum geeft een uitstekende blik in het leven, de verzameldrang, de huishouding, de oude dag, de filosofie en het milieu van een rijke Dordtenaar. Het is daarmee niet alleen een ode aan Simon van Gijn zelf, maar veeleer ook aan een bepaald mens: de rijke verzamelaar.’ Gaat u maar kijken!

CULTUURMIX 30 MEI
 

WIJ WETEN NIETS VAN HUN LOT

Nu en volgende keren wil ik met u verwijlen in het 536 bladzijden tellende werk dat van de eerste tot de laatst letter er echt toedoet, omdat het definitief afrekent met een serie mythen omtrent ons doen en laten in de Tweede Wereldoorlog. Ik heb het over het heel transparant geschreven, horizonverleggende, rijk gedocumenteerde, overtuigende Wij weten niets van hun lot van Bart van der Boom en uitgeverij Boom met de ondertitel ‘Gewone Nederlanders en de Holocaust’. Het gaat volgens mij om het ultieme boek over het leed de Joden tijdens de Shoah aangedaan. Recent introduceerde ik bij u  Het fenomeen Anne Frank van David Barnouw, Leven met de ster van Jiri Weil, De pianiste van Theresienstadt van Alice Herz-Sommer, De dagboeken van Bernie en Ellis van Ellis Cohen-Paraira, Het zwijgen van Jan Karski van Yannick Haenel, Ons kamp van Marja Vuysje, Het verdwenen elftal van Bas Kortholt.  De boeken behelsden eigen klaagliederen.

Hoe kon het gebeuren dat de niet-Joden, de omstanders dus, hun meer dan honderdduizend landgenoten zomaar lieten wegzetten, discrimineren, ophalen, vertrekken, opsluiten en transporteren naar het Oosten? Van der Boom stipuleert dat het gehoorzame gedrag van de Nederlanders niet te wijten is aan onverschilligheid, lafheid of antisemitisme maar aan een verkeerde inschatting van de gevaren, dus aan onwetendheid. De Joden kenden hun moorddadig einde ook niet. Vandaar de titel die een zinsnede is uit een van de ‘avec’ relazen van 164 dagboekschrijvers en die ook mede het motto vormt. De jonge Joodse vrouw Etty Hillesum schreef op 24 augustus 1943 uit Westerbork: ‘We zijn hier met enige duizenden achtergeblevenen. Reeds honderdduizend van onze rasgenoten uit Holland zwoegen onder een onbekende hemel of liggen te rotten in een onbekende aarde. Wij weten niets van hun lot. Misschien zullen we het binnenkort weten […]’

Tot de door Van der Boom uit duizenden voor analyse geselecteerde beschikbare dagboeken behoort ook het mij zo dierbare Hoe lang zal dit nog duren van Arie van der Sluijs met de ondertitel ‘Dagboek van 5 september1939  tot en met 7 mei 1945’. Het was juni 2001 toen mijn echtgenote en ik in Buren de presentatie mochten bijwonen van de in boekvorm getypte versie van de persoonlijke notities die mijn dierbare collega destijds in Rotterdam- Kralingen stiekem maakte. Om u de context van de vervolging der Joden te schetsen en mijn aanstaande tocht door Wij weten niets van hun lot in te leiden ga ik Van der Sluijs (1910-2003) citeren. De toenmalige onderwijzer onderscheidde zich al op 18 oktober 1940 toen hij een niet-ariër verklaring moest opstellen. Hij zette onder zijn handtekening twee letters die voor hem de dwang uitdrukten om deze verklaring af te leggen, namelijk u.n. (uit noodzaak). Hij verafschuwde het Duitse gedoe tot in het diepst van zijn ziel. Goed een maand later meldt hij dat als resultaat van de handtekeningen alle Joden in overheids- en semioverheidsinstellingen op staande voet ontslagen zijn. Op 18 oktober 1942 slaat Van der Sluijs vol verbijstering gade hoe Joodse buurtgenoten weggevoerd worden. Ik geef zijn woorden integraal aan u door met de aantekening dat Van der Sluijs model staat voor vele Nederlanders: zij keken ernaar, waren vol afgrijzen, kenden de afloop niet en rekenden op een snel einde van de oorlog.

‘Dit bewind schrikt niet terug voor de grootste wreedheden. Het is ontzetten wat er geschiedt. In de nacht van 9 op 10 oktober hoorde ik in de straat een auto. Ik was half wakker en de prikkels verwerk je dan maar half. Toch was het zo dat ik dacht: ‘Verbeeld je eens dat ze me kwamen halen.’ Maar die gedachte zette ik weer van me af. Vlakbij zie ik vaak een wijkzuster: daar is een ernstige patiënt en de dokter is gehaald midden in de nacht. De toestand is verergerd! De volgende dag hoorde ik wel anders. In de Nazarethstraat op 4B had men een oude Jodin met haar dochter weggehaald. De oude mevrouw zag ik zo nu en dan met een stok op straat. De dochters hoorde ik Nederlands spreken in de drogisterij. Ze sprak met een Duits accent. De oude mevrouw was weggehaald met een ziekenauto. En die dag hoorde ik meer. Eleonore Presse, een klant van Cor was uit het raam gesprongen, toen ze haar kwamen halen. Fulldauer, een Jood uit de Voorschotenlaan, werd ’s nachts om drie uur bevolen het huis uit te gaan. Om zes uur werden ze gehaald. De familie Hennevelt heeft hun gevraagd binnen te komen, maar dat weigerden ze. Toen hebben ze stoelen buiten gezet. Dr. Te Winkel, Jodenarts, heeft met zijn vrouw vergif ingenomen. Hijzelf moet in loodsen van de Holland Amerika Lijn weer bijgekomen zijn. Twee inspecteurs van politie Juch en De Jong hebben geweigerd te arresteren. De laatste is warempel oprichter geweest en lid van het rechtsfront NSB- organisatie voor politiepersoneel. Ja, de Hollandse politie werd ervoor gespannen. Ik had mijn boeken voor Engels besteld bij Witsen, dé tweedehands boekhandel in Rotterdam. Gebruikte boeken had hij niet, maar nieuw. Ik belde op, want ik zat al drie weken te wachten. Toen kreeg ik de boodschap: ze komen gauw, er is stagnatie geweest etc. De Verwalter wilde geen toestemming voor betaling geven. Het had me nu lang genoeg geduurd en hoewel het me speet voor de firma Witsen heb ik ze afbesteld. De firma bestaat niet meer. De oude heer, Jood, is ook weggehaald, weggehaald! Oude stakker, 72 jaar, gebogen handen, zo’n beetje gebogen voor zijn lichaam. De bovenarmen slap naar omlaag en de handen voor de borst. Hoofd stijf op de romp. Als hij wil omkijken, moet het hele lichaam gedraaid worden. Op zijn vermagerde ingevallen gezicht de rode kleur van een hartpatiënt. Weggehaald! Dat is dan nog maar een begin van de smarten. Wat staat hem te wachten?’Deze rapportage wordt geflankeerd door een kopie van een bekendmaking van het fusilleren van vijftien gijzelaars.

Vader zaliger schreef ooit zijn memoires die ook het wel en wee van gezin, familie, werkkring uit de oorlog behelsden. Hij heeft het over burgers die als gijzelaar of arbeider opgeroepen en afgevoerd werden. Ook de Joden worden vermeld. Echter het persoonlijke leed verwoordt hij vooral, zoals het arresteren en fusilleren van zijn ‘Trouw’ drukkende baas Wegeling. Maar ook hanteert hij het kopje ‘In de oorlog toch op vakantie’. Hij zag de Holocaust, vond het erg maar bleef hopen. 

 

OP ZOEK NAAR PIROSMANI

Die zonovergoten middag koos ik er toch voor niet buiten te verkeren maar binnen, want daar zouden aan de wanden van het Dordrechts Museum meer dan veertig werken op mij wachten van de als ‘naïef’ getekende  Georgische kunstenaar. Ik heb het over de tot en met 30 september gaande tentoonstelling Op zoek naar Pirosmani. In de lichte bovenzalen drentelden dames die met woorden en gebaren manifest maakten dat ook zij het ongecompliceerde en begrijpelijke van de schilder omarmden. Ik maakte lang halt en front voor de specimina van het culturele erfgoed uit Georgië. Ik noem lukraak een tiental met de uitnodiging aan u ook ervoor pas op de plaats te maken. U zult met mij in de ban geraken van heel toegankelijke kunstwerken die frank en vrij, klip en klaar, zonder omhaal, zeer aansprekend  via diepe kleuren en markante vormen  hun boodschap zingen. Het gewone leven om ons heen is ook te bezingen, daar hebben we geen psychologisch gedoe voor nodig.

Zo zag ik ‘Georgische vrouw met tamboerijn’, ‘Portret van vier burgers’, ‘Feest van vijf edellieden’, ‘Acrice Marguerita’, ‘Vrouw met bierpul’, ‘De kinderloze miljonaire en de arme vrouw met haar kinderen’, ‘Giraf’, ‘Vader en zoon’, ‘Haan en kuikens’ en ‘Witte zeug met biggen’. Tegen hun vaak zwarte achtergrond staan in een festijn van frisse, vrolijke kleuren en herkenbare, uit het leven gegrepen vormen representanten van het alledaagse leven gewoon te kijk. Met voor mij als topper ‘Vrouw met bierpul’. O, dat sublieme rood, o, die lijnen van de zittende vrouw, o, die eenvoud van vorm, o, dat loflied op het leven. Het schilderij deed mij zo goed, dat ik het voor altijd met me meedraag. Zaterdag 5 mei was daar in het Dordtse Sandra Elisabeth Roelofs, first lady van Georgië, die het startsein gaf voor deze eclatante expositie die aangeeft dat op de oostelijke flank van Europa er gelukkig ook mensen zijn die niet geven om politieke perikelen. Het jaar 1968 deed van zich spreken, want toen werd in Terneuzen Sandra Roelofs geboren die nu door het leven gaat als de echtgenote van de huidige Georgische president Micheil Saakasjvili. Tijdens een mensenrechtencursus in 1993 in Straatsburg ontmoette zij de man met  wie zij twee kinderen kreeg: Eduard en Nikoloz. Het geboortekaartje van de oudste zoon werd gesierd met een schilderij van Pirosmani: ‘Voedster met kind’. Dit werk in niet in Dordt, maar wel ‘Vrouw met bierpul’. Als hommage aan mevrouw Roelofs geef ik u integraal haar bijdrage aan de naar vorm en inhoud gave tweetalige gave catalogus Op zoek naar Pirosmani.

‘Eindelijk is het zover… Pirosmani komt naar Nederland! Ik ben er zeker van dat hij bij het Nederlandse publiek in de smaak zal vallen en dat zijn tientallen schilderijen door ontelbare bezoekers aan het Dordrechts Museum zullen worden bewonderd. En niet alleen de schilderijen van Niko Pirosmani (1862-1918), maar ook die van Rein Dool, een kunstenaar werkzaam in Dordrecht, die zich liet inspireren door Pirosmani en diens geboorteland: Georgië. Pirosmani kwam zelf uit Oost-Georgië, de streek die bekend staat om zijn wijngaarden en honderden inheemse druivenrassen. In de schilderijen van Pirosmani komen dan ook vaak thema’s als de druivenoogst en het traditionele tafelen terug. Zelf hield Niko ook van een glaasje op zijn tijd en schilderde hij niet zelden voor herbergen of cafés in ruil voor een maaltijd met huiswijn. Dit doet waarschijnlijk niet alleen mij aan onze eigen Vincent van Gogh denken. Ik zie veel meer parallellen tussen deze twee schilders: eerst en vooral zijn Pirosmani en Van Gogh tijdgenoten,qua stijl zijn ze beiden hun tijd vooruit en hebben tijdens hun leven geen erkenning gekregen. Ze hadden het geen van beiden breed en leidden een vrij moeizaam en eenzaam kunstenaarsbestaan. Een groot verschil is dat Vincent van Gogh een academische vakopleiding had genoten terwijl Pirosmani duidelijk autodidact was. Pirosmani’s schilderijen zijn in Georgië in verschillende musea en privé-collecties te vinden. Voor deze bijzondere tentoonstelling heeft een delegatie van het Dordrechts Museum die locaties stuk voor stuk bezocht en samen met het Georgisch Nationaal Museum een representatieve selectie gemaakt. We boffen dat het recent gerenoveerde Dordtse museum aan de drie rivieren zulke prachtige expositieruimtes heeft waar het werk van deze Georgische schilder goed tot zijn recht zal komen. Een laatste parallel die ik trek tussen Pirosmani en Van Gogh is dat zij beiden voor het brede publiek wilden schilderen en zich tot doel stelden om tot in de huiskamer van de gewone man door te dringen. Dat is Van Gogh zondermeer gelukt en ook Pirosmani is overal in het Kaukasische land te vinden: van fraaie reproducties tot wijnflesetiketten en koelkastmagneten waarop zijn belangrijkste personages zoals de visser, de straatveger en de zangeres Marguerita  zijn afgebeeld.’

U doet u zelf tekort als u Pirosmani niet gaat zien. Ik ga nog een keer de expositie bezoeken om dan ook te verwijlen bij de volgers van Pirosmani als Rein Dool die van 1933 is. Na de seance van Pirosmani schreed ik door de tuin en las op de oude muur de dichtregels Tuin Dordrechts museum van Jan Eikelboom uit 1979. Ze gaan zo:

Als ik gestorven ben
zal in de tuin van dit museum
boven het warrig bladerengedruis
een merel net zo helder zingen
op net zo'n late voorjaarsdag

En ik, ik zal er niet meer zijn
om door dit zingen te vergeten
dat ik moet sterven mettertijd.

Maar aan de andre kant zal ik
-je weet maar nooit-
veel langer leven dan die vogel

En als ik dan toch onder de zoden lig
dan zal mijn zoon nog eens
een merel net zo horen klinken
op net zo'n late voorjaarsdag.

En hij zal weten wie ik was
en ach, een vogel weet van niets.

Maar aan de andre kant alweer:
als merels aan hun vaders konden denken
wellicht dat ze dan krasten als een raaf.

 
CULTUURMIX 22 MEI
 

TAALTOERISME
 

Een heel toegankelijk en mooi geschreven boek heb ik voor u, dat bovendien niet alleen nog geestig en geestrijk, maar ook horizonverleggend is. Ik heb het over het 175 bladzijden tellende Taaltoerisme van Gaston Dorren en van uitgeverij Scriptum met de ondertitel ‘Feiten en verhalen over 53 Europese talen’. Doorlopend is deze bundel taalverhalen een streling voor het gemoed, die de toeristische taalliefhebber  uitnodigt tot het daadwerkelijk ondernemen van tochten. Voordat Dorren met zijn reis door Europa aanvangt, doet hij ons een aantal routes door zijn boek aan de hand, Zo kunnen wij hem volgen van voor naar achter, te hooi en te gras, per taalfamilie, thematisch en geografisch. En steeds verschaft hij ons spelenderwijs kennis over het wonder dat taal heet. Onze kleinkinderen Fien en Daaf uit Vleuten zijn momenteel druk doende om dat wonderland te betreden en verheffend en bemoedigend is te horen hoe zij dat el dorado veroveren.

Ooit liepen wij met de vijven van ons gezin in de straten van Moskou, Praag, Oslo, Rome, Kopenhagen, Warschau. Wij, die op de middelbare school geschoold waren in Engels, Frans, Duits en het daarbij gelaten hadden, verbaasden ons over de voor ons vreemde klanken om ons heen en verwonderden ons erover dat die door anderen opgevangen en begrepen werden. De communicatie tussen de inwoners van de vijf steden verliep vlotjes en wij stonden met de mond vol tanden. Guido Gezelle schreef ooit ‘mij spreekt de blomme een tale’, de Vlaamse dichter vond troost en berusting in de natuur die divers en rijk door de Schepper aangeboden wordt. Gaande door Rusland, Tsjechië, Noorwegen, Italië, Denemarken en Polen geraakte ik in de euforie van de presentie van talen: ze zijn op ons continent onderling heel verschillend en zijn in ruime mate aanwezig. Wat hen van Europa sowieso verbindt, is het hanteren van een taal die begrepen kan worden. Ik wil met uw goedvinden een paar excursies maken door Taaltoerisme, opdat u de smaak en de geur van deze virtuoze gids te pakken krijgt en tot het aanschaffen ervan overgaat. Nu geef ik u integraal het hoofdstukje ‘Een knap staaltje netwerken’ door. Ik ben daarop gekomen door een uitspraak van Belcampo: 'Sterven zonder nageslacht is al een dubbel sterven, maar een wereld achterlaten waarin je taal wordt uitgeroeid is het bitterste van alles.’ Ik nodig u uit zuidwaarts te gaan.

‘Je zult als kind van rijke ouders toch maar in Monaco belanden. Papa en mama vestigen zich, ter, ter bescherming van hun miljoenen, in het mediterrane prinsdommetje met het milde fiscale klimaat. Zij kunnen daar met Engels en Frans terecht, maar jij? Jij moet op school zeven jaar lang Monegaskisch leren. Monegaskisch! Een subdialect van het Liturgisch, dat zelf een dialect is van het Italiaans. Een taal met ongeveer honderd ‘native speaker’, die allemaal vooral Frans spreken. Een taal die je op radio en tv vergeefs zult zoeken. Een taal waarin jaarlijks een kalender en anderhalf boek uitkomen, meestal herdrukken van de vaderlandslievende gedichten van Louis Notari, zowat de enige schrijver. Een taal die het moet stellen zonder eigen Wikipedea – een verworvenheid waar zelfs het Zeeuws wel op kan bogen, evenals het Manx, het Mirandees en het Võro (Zuid- Ests). Een taal waar geen enkele officiële instantie gebruik van maakt, ook in Monaco niet. Een taal kortom, die vrijwel nooit ergens gesproken wordt, behalve door scholieren tijdens de Monogaskische les.

De arme kinderen kunnen de schuld geven aan Georges Franzi (1914-1997). Deze kanunnik van de kathedraal van Monaco zag met lede ogen aan hoe zijn geliefde lokale dialect aan het verdwijnen was. Ook op Corfu, in Göteborg en in Jabbeke treuren grijzende  ‘locals’ om de teloorgang van hun plaatselijke taal. Maar anders dan zij haf Franzi een troef in handen: tot zijn netwerk behoorde niemand minder dan prins Reinier III, de vorst van Monaco (en echtgenoot van filmster Grace Kelly. En zie, in 1976 behaagde het Zijne Doorluchtige Hoogheid om het onderricht in de schone Monegaskische tale verplicht te stellen op alle scholen in het ganse rijk (1,96 km2). Wie uitstervende talen een warm hart toedraagt, zal dat toejuichen. Maar wie oog heeft voor ironie, zal erbij grijnzen. Want in Frankrijk, het land waar Monaco in alle opzichten behalve staatkundige toe behoort, is de situatie precies omgekeerd. Daar spreken miljoenen mensen een keur van regionale talen: van Baskisch tot Elzassisch, van Occitaanstot Bretons, van Catalaans tot Vlaams. Maar les in die streektalen? Geen sprake van! In Monaco daarentegen spreken slechts zo’n honderd oude mensen, nul-komma-drie procent van de bevolking, een onbeduidend subdialect. En toch moeten niet alleen hun (klein)kinderen, maar ook alle andere scholieren, Monegaskische woordjes stampen en de Monegaskische grammatica leren. Omwille van de hobby van wijlen societyprins Reinier en netwerkkoning Franzi. Nee, je kunt maar beter arme ouders hebben.’  Een blij vooruitzicht voor u: de chapiters: ‘Tip: verdiep zich in het Oekraïens’ en ‘Taal van vier landen en een voetbalclub’ laat ik de volgende keren bij u opklinken. Met een knipoog naar het EK! 

 

SOLDATEN 
 

Maar liefst 487 bladzijden telt het navrante relaas, iets meer dan tachtig heb ik ervan gelezen en nu al wil ik van het bestaan ervan gewag maken. Het vertelt uit de eerste hand dat mensen als zij  daartoe uitgedaagd worden, bereid zijn elkaar het verderf in te jagen. Het houdt ons een spiegel voor, die de grimassen van verleden en heden laat zien. Ik heb het over Soldaten van Sönke Neitzel en Harald Welzer en van uitgeverij Ambo met de ondertitel ‘Over vechten, doden en sterven’.

De jaren vijftig. Ik vertoefde met HBS- genoten in het natuurkundelokaal en wierp met de hele klas gymschoenen naar de leraar die zich weerloos achter zijn kabinet wegkroop. Met lui van de catechisatie gooide ik stenen tegen de ruit van boekhandel Pegasus waarachter een weerloze handelaar zich ophield en riep ‘Paul de Groot val maar dood’. Op de Elspeeter hei jouwden wij met de compagnie bij ochtendgloren een weerloze soldaat uit die zich ’s nachts aan de ‘vijand’ had overgegeven. In groepsverband gaf ik mij over aan praktijken die ik in mijn uppie nooit gewaagd zou hebben. Ik verstopte mij in de anonimiteit van klas, club, peloton, die mij ongezien maakte en moedwil verschafte. Ik schuif deze incidenten uit eigen leven naar voren om te illustreren dat het verkeren in een groep gevaarlijk kan zijn wanneer het zogenaamde referentiekader het toelaat. De natuurkundeleraar kon geen orde houden, de winkelier was communistisch, de militair viel uit de groep.

De Duitse historicus Neitzel en zijn landgenoot sociaal psycholoog Welzer legden in het British National Archive in Londen en de National Archives in Washington de hand op de verslagen van afgeluisterde gesprekken tussen krijgsgevangenen. Engelse en Amerikaanse geheime diensten hadden in speciale gevangenissen meer dan tienduizend Duitse soldaten misleid om erachter te komen wat er leefde onder de eenheden van de Asmogendheden – want ook Italiaanse soldaten waren opgepikt. Pas in 1996, dus 51 jaar na de Bevrijding, werden de gewraakte tapes vrijgegeven. De twee auteurs namen die systematisch door en stelden ‘Soldaten’ samen. Zij tonen  aan dat in het kader van de geschiedenis van een historisch verschijnsel als het Derde Rijk en dat van de oorlog als soldaten strijd leveren, de mens tot het meest afgrijselijke in staat is. Zij brachten hun materiaal onder in onderwerpen als ‘plezier’, ‘uitroeiing’, ‘de esthetiek van het verwoesten’, ‘geloof in de Führer’.

Volgende keren wil ik met u verwijlen bij het meest gruwelijke thema van de wereldoorlog, dat van de systematisch uitroeiing van de Europese Joden, de Holocaust. Nu wil ik echter al gezegd hebben dat volgens Neitzel en Welzer de soldaten niet allereerst gedreven werden door gevoelens van nationaalsocialisme, racisme of antisemitisme. Zij raakten verzeild aan het front of in een kamp en door gewenning aan het gruwelijke gingen zij zich te buiten aan het zomaar doden van mensen.

Het motto van het hoofdstuk ‘Doodschieten’ zet meteen de toon. Neitzel en Welzer laten een eerste luitenant van de luchtmacht op 17 juli 1940 zeggen: ‘Ik kan niet meer zonder het bommen werpen. Ik heb er steeds ontzettende zin in, ik vind het een heerlijk gevoel. Dat is ook het prettige bij iemand doodschieten.’ Dan komen de twee luitenants luchtmacht Pohl en Meyer aan het woord die in de cel vrijuit, niet ‘par derriere’ maar ‘avec’, met elkaar over hun daden spreken. ‘Pohl: Op de tweede dag van de inval in Polen moest ik een station in Posen bombarderen. Acht van de zestien bommen vielen midden in de stad, zo op de huizen. Daar was ik niet blij mee. Op de derde dag deed het me al niks meer en op de vierde begon ik het leuk te vinden. Het was ons pleziertje voor het ontbijt om soldaten in hun eentje op te jagen door de velden met onze machinegeweren. We schoten ze een paar keer in het kruis en lieten ze daarna liggen. Meyer: Altijd alleen soldaten? Pohl: Ook gewone mensen. We vielen op de wegen burgercolonnes aan. We vlogen in een eskader van drie. Het voorste toestel wierp bommen op de weg en de twee andere in de greppels want die lopen daar langs alle wegen. We vliegen achter elkaar, zwenken heen en weer, en in een bocht naar links barsten we los met alle machinegeweren en wat we nog meer in huis hadden, We zagen de paarden door de lucht vliegen. Meyer: Jakkes, paarden. Nee toch zeker? Pohl: Die paarden speten me wel, maar die mensen niet. Van die paarden heb ik eigenlijk nog steeds spijt. Pohl over het bombardement op een stad: Daar had ik flink de pest over in dat we werden neergehaald, nog voor de tweede motor in de fik stond. Opeens vloog ik boven een Poolse stad. Daarop heb ik toen nog wat bommen laten vallen. Ik wilde eigenlijk alle tweeëndertig bommen afwerpen. Dat ging niet meer, maar ik heb er wel vier kunnen laten vallen. Onder me was alles verwoest. Ik was echt laaiend, Je moet je eens voorstellen wat het betekent om tweeëndertig bommen op een onverdedigde stad te gooien, maar ik had er toch geen enkele moeite mee. Met die tweeëndertig stuks had ik zeker een man of honderd op mijn naam kunnen schrijven. Meyer: Was het druk daar beneden? Pohl: Enorm. Ik wilde die bommen die ik in nood moest afwerpen op een boulevard laten vallen omdat het daar ontzettend druk was. Daar zou ik echt geen moeite mee hebben gehad. Elke twintig meter een bom en dan had ik zeshonderd meter te pakken genomen. Het zou geweldig zijn geweest als het me was gelukt.’ Lezen, dit ‘gruwelijke’ boek!

 

TIJD IS NIKS. PLAATS BESTAAT


Van ware schoonheid zijn de foto’s, van grote klasse de gedichten, van praktisch vernuft de routes, van enorme originaliteit de begeleidende teksten erin. Ik heb het over Tijd is niks. Plaats bestaat samengesteld door Adinda Crans, Lucia van der Lee, Machiel Bosch, uitgegeven door AFdH met de ondertitel ‘Fietsen langs gedichten op de Zuidwestelijke Veluwe’. De 94 bladzijden met beide covers zijn een lust voor het oog, een streling van het gemoed en een invitatie tot het op de pedalen komen.

Mijn echtgenote en ik verkennen sinds 1995 op de vouwfietsen ons eigen land. De teller van de afgelegde routes staat inmiddels op 425 en een van onze geliefde regio’s is daarbij de van  charme en gratie tintelende bossen, heiden, velden, beemden, heggen en steggen tussen Otterlo, Ede, Bennekom, Wageningen, Renkum, Doorwerth, Wolfheze. ‘Things of beauty’ arriveerden op mijn netvlies, bleven erop verwijlen en stralen me weer verrassend  tegemoet in Tijd is niks. Plaats bestaat. Natuurmonumenten wilde dit el dorado tot meerdere glorie verheffen en nodigde dichters uit om bij een inspirerende plek in deze groene en paarse oase verzen te maken. De response was groot en u krijgt nu een selectie van 38 gedichten die de ontroering en begeestering bij een bepaalde plek verwoorden. Op een bijgevoegde kaart zijn de plaatsen aangegeven en het is een uitdaging van allure om met de bundel in de hand  ergens af te stappen en het dichtwerk tot u te nemen.

De eerste keer dat ik in deze hoek van de Veluwe kwam, geschiedde bij een schoolreis. De A12 was er nog niet en onze bus met het schoolhoofd De Kruik aan boord stopte op de Verlengde Arnhermseweg aan de rand van de Ginkelse Heide. Wij kregen een half uur vrijaf en ik zette mij in een zandkuil om geur en kleur van het natuurschoon tot mij te nemen. Nu nog kan ik de vreugdevolle sensatie uit 1948 spoorslags in mij oproepen. Ja, ‘A thing of beauty is a joy for ever’. Een soortgelijke emotie moet Eva Gerlach ervaren hebben, maar zij is poëtisch en  verbaal vele malen sterker dan ik. Ik zal u haar doen opklinken met het opgenomen gedicht Ginkelse heide bij Ede. Maar eerst wil ik gezegd hebben dat onze gids nog meer aan waarde wint door de opname van de bekende bordjes met fietsnummers. U kunt dus uw eigen route vanuit welke plek dan ook bepalen. Guido Gezelle schreef ‘mij spreekt de blomme een tale’. U laat 38 keer dichters hun taal spreken.

 

Ginkelse heide bij Ede

 

Schapen houden dit kort,

de dode parachutisten,

bronstijdkoningen, resten

pijn die ondergrond wordt.

 

Fijngewreven, vergeten

stuift verhaal uit en in

alle zestien windstreken

van je luchtspiegeling.

 

Overal de verrukt

klapwiekende juichend boven

wolken klimmende neer-

stortende leeuweriken.

 

Hoor de toedrachten gaan

rijmen tegen je zolen,

voel de planeet zijn slome

dagelijkse radslag slaan,

 

stunt met de vlieger die je

boven de hei oplaat.

Wat kan je zien, wat zie je.

Tijd is niks. Plaats bestaat.

 

De slotregel van Eva Gerlach werd ook de titel van de bundel: geniet nu enkel van het schone op deze stek.

 
CULTUURMIX 14 MEI
 

EK VOETBAL 2012 TOERNOOIGIDS

Ibrahim Afellay, Robin van Persie en Dirk Kuyt, zij drieën vieren een eerste doelpunt van Oranje en staan juichend op de voorzijde cover ervan, Thomas Müller, Samir Nasri, Wesley Sneijder, Andrés Iniestsa, Wayne Roomey, zij zijn aan de bal op de achterkant van de omslag. Wellicht maken zij zevenen mede de dienst uit in juni en juli om de 128 bladzijden tellende vooruitblik te effectueren. Ik heb het over EK voetbal 2012 Toernooigids van Keir Radnedge en uitgeverij Thoth.

Laat ik het maar meteen ronduit zeggen, u maakt  met dit kleurrijke handboek een beslissende voltreffer. U wordt namelijk in woord en beeld speelrijp gemaakt via de hoofdstukken ‘Welkom in Polen en Oekraïne’, ‘Kwalificatie voor Euro 2012’, ‘De deelnemende landen’. ‘Geschiedenis van het EK voetbal’ en ‘EK -records’ met als toegiften ‘Euro- triviaquiz’ en Wedstrijdschema Euro 2012’. Klip en klaar komt u in the picture van hetgeen qua voetbal in Oost -Europa binnen de lijnen komt. Om maar bij de eerste drie wedstrijden van ons Nederlands team te blijven: Bert van Marwijk stuurt zijn elf het veld te Charkov in tegen Denemarken (za. 9/6), Duitsland (wo.13/6), Portugal (zo. 17/6). Of ‘wij’ de finale twee weken later in het Olympisch Stadion te Kiev halen is de hamvraag, voetbalvelden in Warschau, Gdansk of Donetsk dienen dan door de Oranje-elf tot zegeterreinen bevochten te worden. Het zou mooi zijn wanneer München 1988 in de herhaling komt.

Ik herinner mij nog levendig uit de kamp waaruit Nederland als winnaar het eindsignaal bereikte, hoe Rusland de eerste wedstrijd won en ik profeteerde dat wij de Russen in de finale zouden pakken, hoe Marco van Basten drie keer tegen de Engelsen scoorde, hoe Wim Kieft tegen de Ieren met een merkwaardige curve doel trof, hoe Jan Wouters tegen de Duitsers een puike pass gaf, hoe gigantisch Van Basten uit een schier onmogelijke hoek de Russische keeper bovenlangs passeerde. Na dat roemruchte jaar verlieten de teams van Denemarken (1992), Duitsland (1996), Frankrijk (2000), Griekenland (2004), Spanje (2008) met de beker het veld. Zweden, Engeland, België/Nederland, Portugal, Oostenrijk/Zwitserland waren toen respectievelijk de gastlanden. Welke van de zestien deelnemende landen zal 1 juli met de eer gaan strijken? Ach, eigenlijk doet dat er niet toe. Van meer belang is de vraag of wij de the day after van een tintelend toernooi kunnen spreken.

Onze handzame gids vertelt en verbeeldt niet alleen het nodige over de avonturen van Mark van Bommel en de zijnen, maar reikt ook een testcase aan voor uw parate kennis in zake Euro- trivia. Triviaal staat voor ‘iets onbeduidends of alledaags’ en het is voor u boeiend om tijdens de rustpauzes bijvoorbeeld te traceren wat u weet omtrent het wel en wee van het Europees kampioenschap dat sinds 1960 georganiseerd wordt. Ik pluk vijf van de vijftig vragen uit het Thoth- boek.

Welke Duitse legende met de bijnaam ‘Der Bomber’ was de topscorer van het EK in 1972?

A Oliver Bierhoff

B Gerd Müller

C Franz Beckenbauer

D Jürgen Klinsmann

Hoeveel goals maakte de Nederlandse ster Marco van Basten tijdens het EK 1988?

A Vier

B Vijf

C Zeven

D Drie

Welk land is het vaakst Europees kampioen geweest (tot dusverre drie keer)?

A Engeland

B Nederland

C Spanje

D (West-) Duitsland

Waar wordt in 2016 de eindronde van het Europees kampioenschap gehouden?.

A Frankrijk

B Turkije

C Italië

D Rusland

Een legende van Arsenal scoorde voor Nederland drie keer op het EK 1992. Wie was hij?

A Patrick Kluivert

B Arjen Robben

C Dennis Bergkamp

D Robin van Persie

 

De juiste antwoorden?: Müller, vijf, Duitsland, Frankrijk, Bergkamp.  

 

HET ORANJE BOEK

Een koninklijk kleinood heb ik voor u en dan slaat het adjectief op de vorm en inhoud ervan. Zo verbeeldend zijn immers de ruim 350 illustraties en zo veelzeggend zijn de teksten ervan. Ik heb het over Het Oranje Boek van Ben Speet en van uitgeverij WBooks. Ik haast mij te zeggen dat dit album geen hagiografie maar ook geen chronique scandaleuse is, want het omringt de eerste familie van ons land niet steeds met aureolen en het verspreidt over de Oranjes niet enkel schandaaltjes.

De enthousiaste en erudiete, bevlogen en boeiende historicus Speet heeft negen hoofdstukken nodig om zijn story via woord en beeld aan ons over te brengen. Zijn titels verwijzen al naar zijn aanpak die ups en downs die de Oranjes de voorbije vijf eeuwen beleefden. ‘De familie Oranje-  Nassau’, ‘Paleizen en kastelen’, ‘Aan en naast het roer van staat’, ‘Samen in goede en slechte tijden’, ‘Gemalen en gemalinnen, prinsjes en prinsesjes’, Donkere bladzijden’, ‘Symbolen en rituelen’, ‘Privéleven’ en ‘Vijftig belangwekkende gebeurtenissen’ heten ze. De chapiters worden ingeluid door ‘Woord vooraf’’ waarin Speet zich meteen ontpopt als een auteur die in mooi en toegankelijk proza heel veel van zijn thema afweet en dat klip en klaar aan de man en vrouw brengt. Van Slot Dillenburg, Willem de Rijke, Hendrik III, René van Châlon, Willem van Oranje tot In de steek gelaten, Terug in Nederland, Soevereiniteitsoverdracht, Gevallen van zijn voetstuk, Een heuse affaire.

In onze vestibule koesteren wij een kopie van een groot portret uit 1641 van Antonie van Dijck: ‘Prins Willem II en zijn Gemalin’. Ben Speet zegt daarover onder het kopje ‘Mary Stuart I’: ‘Bij de bijna monarchale staat die Frederik Hendrik en Amalia voerde paste natuurlijk huwelijken met de allerhoogsten. Via Maria de Medici, koningin-moeder van Frankrijk, polsten zij bij Henriëtte Marie. dochter van Maria de Medici en echtgenote van koning Karel I van Engeland of zij bereid was haar oudste dochter Mary Stuart (1631-1660) uit te huwelijken aan hun zoon Willem. Karel I aarzelde omdat hij zijn dochter had beloofd aan de Spaanse kroonprins. Uiteindelijk gaf het geld de doorslag. Spanje was straatarm, de Republiek rijk. Op 12 mei 1641 werden beide kinderen in de echt verbonden. Na de huwelijksvoltrekking werd voor het oog van een schare genodigden de vijftienjarige Willem in bed gelegd bij de negenjarige Mary, die in een dicht genaaid laken gewikkeld was.’

Decennia terug mochten wij het onderhavige schilderij kopen van de bevriende, aimabele familie De Rijk in Boskoop. Van hen, en later ook via o.a. wikipedea, vernamen wij dat de bruidegom veertien lentes telde en zijn bruid, gesierd met trouwring en broche, tien. Volgens Ben Speet waren de twee nog jonger toen zij aan elkaar gekluisterd werden. Overigens deze passage wordt voorafgegaan door hun moeder ‘Amalia van Solms’ en hun nicht ‘Mary Stuart II’.

Om u verder de kennis en kunde van Speet te etaleren ga ik hem nogmaals citeren, en wel met ‘1918: Een keizer op bezoek’ en met ‘1976: Gevallen van zijn voetstuk’. ‘Nederland is weliswaar buiten de Eerste Wereldoorlog gebleven. maar wel betrokken bij de nasleep ervan. Over deze episode schreef Wilhelmina later dat het haar zeker een week had gekost voordat zij kon begrijpen wat er was gebeurd. Wat was het geval? In de ochtend van 10 november 1918 vernam zij dat de Duitse keizer Wilhelm II, een ver familielid van haar, gevlucht was en bij de Limburgse grens stond (foto). Na koortsachtig overleg werd besloten hem asiel te verlenen. De geallieerden reageerden geschokt. Al snel circuleerde het gerucht dat Wilhelmina persoonlijk Wilhelm had uitgenodigd. Verzoeken om de keizer uit te leveren om hem als oorlogsmisdadiger te berechten werden niet gehonoreerd. Het heeft Nederland en Oranje geen goed gedaan,’ ‘Breaking news’ was Mabel. In 2000 raakte Johan Friso bevriend met de mooie, intelligente, ambitieuze 32-jarige Mabel Wisse Smit, een vriendin van Laurentien Brinkhorst, de aanstaande echtgenote van prins Constantijn. Het klikte. In 2003 vroeg Johan Friso toestemming aan de regering te mogen trouwen. Ondanks geruchten dat Mabel een relatie zou hebben gehad met een vermeende fraudeur, de Bosnische diplomaat Sacirbey en met de drugshandelaar Klaas Bruinsma verleende de regering het Nihil Obstat. Mabel had immers verzekerd dat zij niets onoorbaars had gedaan. Achteraf bleek dat niet helemaal waar te zijn. Een heuse affaire was geboren. Gevolg was dat het Kabinet Balkenende zijn toestemming introk. Desondanks trouwden Johan Friso en Mabel met elkaar op 24 april 2004.’ Onder het kopje ‘Bedolven onder de sneeuw’ lezen wij wat de vader van Luana en Zaria op 17 februari 2012 overkwam. ‘Het Oranje Boek’; een kijk- en leesalbum om intens van te houden! 

 
CULTUURMIX 7 MEI
 

ONTPOPT

Een verslag van een excursie, beter: van een ontdekkingstocht door de natuur heb ik voor u, dat zijn weerga niet kent. Zo verrassend, verrijkend, horizonverleggend, transparant en tintelend is het. Ik heb het over het 190 bladzijden tellende Ontpopt van Caspar Janssen en van uitgeverij Atlas met de ondertitel ‘Stedeling ontdekt natuur’. Bij de meet ervan werd ik getroffen door het motto voorin, dat zo begint: ‘Kijk! Kijk goed! Zodat je weet de dingen bij de juiste naam te noemen’.

Door dit door Janssen aan de Russische auteur Konstantin Paustovski ontleende citaat werd ik teruggeworpen in de tijd toen goed om je heen kijken in de natuur ook mijn devies diende te zijn. In het kader het vak biologie op de Hervormde Kweekschool kreeg in eind jaren vijftig van docent Van Luipen de taak wekelijks een bezoek aan een natuurlijke levensruimte te brengen en daarvan in een scriptie verslag te doen. Ik ging voor biotoop ‘het bos‘ en dat ook uit praktische overwegingen. Mijn jonge jaren bracht ik door in de meest oostelijke wijk van Rotterdam, Kralingseveer. In de vakanties liepen wij, buurjongens, via ’s- Gravenweg en Ringvaartweg het uur naar het Kralingse Bos. Daar speelden wij ons spel met en zonder bal, zonder enige aandacht te besteden aan al het schoons en boeiends wat de natuur ons in ruime mate offreerde. Wij liepen met oogkleppen en oordoppen op, wel sneden wij stevige takken voor het maken van onze pijl en boog. Het was toen jaren veertig en buiten vertoeven was heel gewoon. Een decennium later reed ik in mijn uppie op een brommende Zundapp naar hetzelfde geboomte en bosschage, veld en beemd, heg en steg, om waar te nemen wat daar groeide, bloeide, kroop, vloog, ritselde, rende en vervolgens op papier relaas te doen. Nu, zoveel in de tijd opgeschoven, koester ik de door mij beschreven en bewaarde bundel foliovellen die de titel dragen van ‘Levensgemeenschap Het Kralingse Bos’. Mijn waarnemingen in het bos liepen van 10 januari tot 10 juli 1958. De plaatjes in het onderhavige verslag brengen in beeld wat ik op mijn netvlies kreeg. Bonte specht, boomklever, wilde eend, houtduif, koolmees, spreeuw, zanglijster, fazant, vink, fitis, tjiftjaf, zwaluw, merel, putter, ekster, koekoek, fluiter, reiger, ze staan te kijk in het epistel. Waarom ik mij beperk tot het gevogelte? Sinds die eind jaren vijftig heb ik gefascineerd een gericht oog voor het gevederte. O, die kerkuil op het dak van de brandweerkazerne, o, die putter in de boom op het sportveld, o, die ijsvogel boven de vijver bij het hotel, o, die veldleeuwerik bij het ven op de hei, o, die stern op het vlak van het water, o,die zilvermeeuw hoog in de lucht, o, die huismus laag bij de grond. Ik keek ernaar en genoot ervan, maar ik was niet bij machte met welgekozen woorden het reilen en zeilen van de vogels te vangen. En dat kan Caspar Janssen in zijn Ontpopt wel. Ik zal u dat laten horen.

Janssens titel Ontpopt staat voor ‘als insect uit de pop kruipt’ en ‘zich doen kennen’. In een groot repertoire aan beschreven waarnemingen komt hij uit zijn schulp, wat hier betekent dat hij net als ik pas later oog krijgt voor alles wat groeit en bloeit en daar voor uitkomt. Van huis uit heeft hij in deze niets meegekregen. Zijn vader noemde iedere vogel een mus, zijn moeder noemde iedere vogel een vogel. Hoe het kan verkeren toont een van zijn stukjes aan, ‘Tjiftjaf’. Ik citeer.

‘Vandaag moet de tjiftjaf dan toch echt komen. Op deze voorjaarsdag met eindelijk wat warmere zuidwestenwind zal het uiterlijk wat onbestemde vogeltje met zijn karakteristieke geluid (‘tjiftjaf’) Amstelveen bereiken. Bram Heuseveldt, actief lid van de Amstelveense Vogelwerkgroep, heeft er in ieder geval  goede hoop op. Normaal gesproken hoort de tjiftjaf – zo weet iedere vogelkenner – uiterlijk op 9 maart volop terug te zijn van zijn overwinteringperiode in Zuid-Europa of Noord- Afrika, maar dinsdag nog liep Heuseveldt hier in zijn inventarisatiegebied de Amstelveense Poel vergeefs te zoeken naar het vogeltje met wiens terugkeer sinds jaar en dag het definitief losbarsten van de lente wordt ingeluid. ‘Ik heb hem nog niet gezien dit jaar,’ zegt Heuseveldt, terwijl hij met zijn verrekijker over de plas tuurt. ‘Ik had gehoopt dat ze vannacht massaal zouden binnenvallen, vanwege de zuidwestenwind.’ Maar nee, ook nu – zo blijkt al snel – is de tjiftjaf nergens te bekennen aan de Amstelveense Poel.

Niet getreurd. Want er is een overvloed van ander lenteleven gaande in het kleine natuurgebiedje. Een zanglijster en een aantal merels bieden in schoonzang tegen elkaar op,er klinken vinken die de vinkenslag net niet afmaken en het gonst van de pimpelmezen, merels, roodborstjes en groenlingen. ‘Baltsende futen heb ik ook al gezien,’ zegt Heuseveldt, en hij laat zijn blik rusten op nijlganzen en Canadese ganzen, Dan hoort hij het geluid van de havik, een vaste broeder in het gebiedje. Maar het spectaculairst, en ook erg verrassend, is de grote witte roofvogel die opeens vlakbij in een boom blijkt te zitten: een visarend. ‘Geweldig! Je ziet: we zitten al midden in de vogeltrek. Er kan van alles langskomen.’ Er is een aantal jaarlijkse ijkpunten voor de stand van het voorjaar in dit minigebiedje, legt Heuseveldt uit: ‘De tjiftjaf zou er al moeten zijn, volgende week komt de zwartkop, dan de fitis, en dan, half april, de tuinfluiter, Als je dan komt om zes uur ’s ochtends, is het hier kermis. Een kakofonie.’ Even later zet Heuseveldt zijn telescoop op bij de observatiehut bij het landje van Geijsel, ter hoogte van Ouderkerk aan de Amstel. Op de achtergrond raast de A9, maar het ondergelopen landje zit vol met honderden grutto’s, scholeksters, wulpen, tureluurs,  kieviten en eenden. Heuseveldt ziet ook nog een watersnip. ‘Allemaal vogeltrek,’ weet hij. ‘Ze zijn hier aan het bijkomen, aan het opvetten. Hierna gaan ze door naar hun broedgebied. Maar ook hier is geen tjiftjaf. Later, op Waarneming.nl, blijkt hij her en der in Nederland toch te zijn waargenomen, zij het niet in groten getale. ‘Het begint met een paar en dan zijn ze er opeens massaal,’ zegt Heuseveldt. En hij denkt ook: morgen, dan komt de tjiftjaf toch echt.’ U hebt het ervaren: Caspar Janssen, wonend in de stad, verstaat de kunst aanstekelijk en direct de sensatie te verwoorden die hij ondergaat als hij de sluier over de natuur wegtrekt, dus die ‘ontdekt’. 

 

LUCHTMEISJES

Ik bemin boeken die naar inhoud het doorwrochte relaas vormen van een gepasseerde werkelijkheid en als ze naar vorm ook nog literaire kwaliteiten herbergen, ben ik smoorverliefd. Zo’n liefelijk gebeuren mocht ik voorbije dagen 301 bladzijden lang naar hartenlust beleven, want ik nam ze in één ruk tot mij. Ik heb het over Luchtmeisjes van Ingrid van der Chijs en van uitgeverij Nijgh & Van Ditmar met de ondertitel ‘Verzet en collaboratie van twee stewardessen’. De grote verdienste van de in 1977 geboren journaliste Van der Chijs is dat zij het verleden niet met rust laat maar het tot leven roept door na ampele onderzoekingen het doen en laten van twee historische personages op een zeer toegankelijke wijze te beschrijven. Het gaat om de stewardessen Hilda Bongertman en Trix Terwindt, wier paden elkaar in de jaren dertig bij de KLM als beginnende diensters kruisten en die in de Tweede Wereldoorlog ieder hun eigen kant opgingen. De subtitel suggereert het al: zag Hilda uit Bussum kans carrière te maken bij de NSB met o.a. als wapenfeit het schrijven van de propagandistische roman Jeugd in de branding, Trix uit Heukelem ging voor het riskante avontuur van Engelandvaarder en belandde in het misleidingspel Englandspiel. Hoe het duo, ieder voor zich, de naweeën van het Duitse geweld beleefde, verhaalt Ingrid van der Chijs in deel drie van de non-fictie met de veelzeggende titel "Inzichten". 

Hilda was de eerste stewardess in ons land en werd vooral een BN’er toen zij december 1936 als enige bemanningslid, zittend achterin de cabine een ramp met een Douglas DC-2 bij het Londense vliegveld Croydon overleefde. Zij was op het idee gekomen stewardess te worden toen ze een artikel las over de eerste Amerikaanse zogenoemde luchtmeisjes. Al in 1930 had de luchtvaartmaatschappij Boeing Air Transport een stewardess in dienst genomen, het ging om Ellen Church. Net als Hilda wilde Ellen eigenlijk piloot worden, maar toen Boeing Air Transport  geen behoefte bleek te hebben aan vrouwelijke piloten, haalde ze het bedrijf over haar aan te nemen om de passagiers te verzorgen. Ook Ellen was een gediplomeerd verpleegster en daarvan kon je er volgens haar, gezien de gevaren van het vliegen., maar beter een aan boord hebben. Niet alleen werd ze als stewardess aangenomen, ze kreeg tevens de taak een team samen te stellen, de Sky Girls. Geïnspireerd door de voortvarende Ellen schreef Hilda in 1934 een brief aan de KLM waarin zij de directie erop attendeerde dat passagiers behoefte hadden aan een vrouw aan boord en zij vroeg of er geen kans bestond dat de vaderlandse luchtvaartmaatschappij het Amerikaanse voorbeeld zou volgen. Om er aan toe te voegen dat zij in dat geval uiteraard beschikbaar was. Het antwoord  liet lang op zich wachten maar in de loop van 1935 kon zij na vele testen haar koffers pakken.

Bij het lezen van Luchtmeisjes zal er een wereld voor u opengaan. Om dat te illustreren ga Ingrid van der Chijs citeren met een passage uit haar eerste deel ‘Beginjaren’, met de belofte dat ik een volgende keer een tocht door de stukken ‘Oorlog’ en ‘Inzichten’ maak. Want u mag dit werk echt niet ongelezen laten. Het is namelijk een proeve van bekwaamheid: geschiedenis die ertoe deed en die nog ertoe doet, wordt zonder vooringenomen standpunten klip en klaar intrigerend weergegeven. De zwart-wit foto’s in het katern brengen  de luchtmeisjes in beeld. ‘Wat lijkt het me heerlijk om met zo’n degelijke huishoudelijke Hollandse vrouw getrouwd te zijn,’ fluisterde een passagier Nel de Vrieze een keer in het oor, toen ze zich vooroverboog om thee in te schenken. In tegenstelling tot de piloten konden de passagiers de komst van de stewardessen wel waarderen. Met overwegend mannelijke reizigers was het geen wonder dat de dames in de cabine veel aandacht kregen. Ze konden niet door het gangpad lopen zonder te worden nagestaard en al waren ze dan niet officieel geselecteerd op hun uiterlijk, ze waren wel allemaal leuk om te zien. Dat viel Trix ook meteen op. ‘Wufte wezens, bijdehante juffers, knappe snuitjes,’ oordeelde ze tijdens de opleidingsperiode enigszins venijnig over haar collega’s. De ‘gastvrouwen in de lucht’ probeerden het de reizigers zo aangenaam mogelijk te maken aan boord van de niet altijd even comfortabele vliegtuigen. Ze hielpen bij het in- en uitstappen, namen hoeden en jassen aan en begeleidden iedereen naar zijn zitplaats. Een passagier die bang was om te vliegen of zich ongemakkelijk voelde door slechte weersomstandigheden, werd extra in de watten gelegd. Een klein kind dat niet kon slapen, kreeg een verhaaltje voorgelezen. De stewardessen verdiepten zich van tevoren in de bestemming zodat ze altijd iets hadden om met de passagiers over te praten. De betrokkenheid bleek ook andere verwachtingen te wekken. In de ‘KLM Post’, het personeelsblad van de luchtvaartmaatschappij, vertelde een vaste klant van de maatschappij dat hij weliswaar even had moeten wennen aan het idee van een stewardess maar al snel niet meer zonder kon. ‘Uit was het met ons vrijgezellenleven. Ik hield ervan zelf door het gangetje van de Douglas op zoek te gaan naar een plaid of een tijdschrift, om gezellig een beetje te rommelen in het bagagenet en hier en daar een praatje aan te knopen met een passagier met wie ik al meer was overgestoken. Maar er was nu een huishoudelijke orde gekomen. Als ik maar even zoekend rondkeek, was het of de stewardess mijn gedachten raadde en met rappe handen stopte zij mij in een plaid en hield mij een uitgelezen trommel met lectuur voor. Inmiddels laat ik mij die zorgen welgevallen, zoals een pasja zich zijn waterpijp laat stoppen en zich bij wijle enkele strofen uit een heldendicht laat voorlezen door zijn lievelingsvrouw.’

 
CULTUURMIX 2 MEI
 

HET FENOMEEN ANNE FRANK

De 178 bladzijden, ze vormen opnieuw een eerbetoon aan een meisje dat de Holocaust niet mocht overleven om de banale reden dat zij het waagde als Jodin geboren te worden. Ik heb het over het acht hoofdstukken tellende Het fenomeen Anne Frank van David Barnouw en van uitgeverij Bert Bakker. Het is bemoedigend en verheffend te constateren dat de zogenoemde brieven van Anne aan vriendin Kitty hun weerklank blijven vinden, ver na de rampspoed van toen. David Barnouw dien ik zeer dankbaar te zijn, want hij was een van de inleiders en verzorgers van het monumentale werk waaraan ik zeer schatplichtig ben, namelijk De Dagboeken van Anne Frank, dat er kwam onder auspiciën van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie in 1986. Al jaar en dag daarvoor had ik tijdens lessen, lezingen en inleidingen een pleidooi gehouden voor de literaire kwaliteiten van het oorlogsjournaal, wat overigens niet iedereen mij in dank afnam. Zo was daar een vooraanstaand literator die meende dat Het Achterhuis niet tot de officiële letterkunde kon behoren omdat Anne Frank zich op de door haar beleefde werkelijkheid liet inspireren. Het ging volgens die criticaster niet aan om een verslag van de realiteit tot literatuur te verheffen. Voor klas, zaal en aula putte ik mij uit om aan te tonen dat Anne niet alleen een beklemmend verslag doet van haar onderduik voor de nazi’s, maar ook naar vorm prachtig proza schrijft.

Ik wil u Anne doen opklinken, maar eerst wil ik gezegd hebben dat Barnouw zijn titel met ‘fenomeen’ erin knap en overtuigend onderbouwt. Hij doet dat na zijn Inleiding in de chapiters  Frankfurt – Amsterdam – Bergen-Belsen, Van dagboek tot ‘Het Achterhuis/Das Tagebuch/Le Journal/The Diary’, Anne Frank op Broadway, Anne Frank in Hollywood, Annes dagboek onder vuur, Van wie is Anne nu eigenlijk, Meisjesboek of literatuur?, Hoe nu verder in de eenentwintigste eeuw? Een tocht door Barnouws teksten ga ik nog met u maken, want Het Achterhuis moet een veel gelezen boek blijven. Overigens loopt de gang door ons boek uit op een  verheugende finish: ‘Aan ‘de innerlijke goedheid van de mens’ wordt in de eenentwintigste eeuw wat minder geloof gehecht dan in de jaren vijftig. Toch is het met name de optimistische en levenslustige kant van Anne Frank die zal blijven zorgen voor nieuwe lezers en nieuwe bezoekers. Het fenomeen Anne Frank blijft bestaan.

Bij weekopeningen op mijn vroegere school paste ik bij tijd en wijle mijn verhaal zo toe dat woorden van Anne konden doorklinken. Op 28 september 1942 schreef zij ‘Hier moeten de 7 of 12 schoonheden (niet aan mij hoor!) komen te staan, dan kan ik invullen wat ik niet, en wat ik wel bezit! 1. blauwe ogen, zwart haar (nee.) 2. kuiltjes in de wangen (ja.) 3. kuiltje in de kin (ja.) 4. driehoek op het voorhoofd (nee.) 5 blanke huid (ja.) 6. rechte tanden (nee.) 7. kleine mond (nee.) 8. gekrulde wimpers (nee.) 9. rechte neus (ja) {tot nu toe wel.} 10. leuke kleding (soms.) {veel te weinig naar mijn zin.} 11. mooie nagels (soms.) 12. intelligent (soms.). Mijn gehoor van bovenbouw havo/atheneum reageerde met joviale instemming op dit citaat, dat overigens alleen in de zogenaamde tweede versie (b) van het dagboek staat (een volgende keer wil ik het met over die versies hebben). Uiteraard stond ik met de lui voor me stil bij de toevoeging van ‘tot nu toe wel’.

Het leven van Anne werd wreed verstoord. Een passage uit versie c gaf ik vervolgens door. ‘Mijn vader trouwde pas op zijn 36ste jaar met mijn moeder, die toen 23 was. Mijn zuster Margot werd in 1926 geboren in Frankfurt a/M., op 12 Juni 1929 volgde ik en daar we volbloed - Joden zijn,emigreerden we in 1933 naar Nederland, waar mijn vader aangesteld werd als directeur van Travies N.V.. Deze staat in nauwe relatie tot de firma Kolen & Co. in het zelfde gebouw, waarvan vader mede deelgenoot is. Ons leven verliep met de nodige opwindingen, daar de overgebleven familie niet door Hitlers wetten gespaard bleef. In 1938 na de pogroms vluchtten mijn twee ooms, broers van mijn moeder en belandden veilig in U.S.A. Mijn oude grootmoeder kwam bij ons, ze was toen 73 jaar. Na Mei 1940 ging het bergaf met de goede tijden: eerst de oorlog, de capitulatie, intocht der Duitsers, waarna de ellende voor ons Joden begon. Jodenwet volgde op Jodenwet. Joden moeten een Jodenster dragen. Joden moeten hun fietsen afgeven. Joden mogen niet in de tram, Joden mogen niet meer in auto’s rijden. Joden mogen alleen van 3-5 uur boodschappen doen en alleen in Joodse winkels, waar ‘Joods lokaal’ opstaat. Joden mogen vanaf 8 uur ’s avonds niet op straat zijn en ook niet in hun tuin zitten, noch bij kennissen. Joden mogen zich niet in schouwburgen, bioscopen of andere voor vermaak dienende plaatsen ophouden, Joden mogen in het openbaar generlei sport beoefenen, ze mogen geen zwembad, tennisbaan, hockeyveld of andere sportplaats betreden. Joden mogen ook niet bij Christenen aan huis komen. Joden moeten op Joodse scholen gaan en nog veel meer van dergelijke beperkingen. Zo ging ons leventje door en mochten dit niet en dat niet. Jopie zei altijd tegen me:’Ik durf niets meer te doen, want ik ben bang dat het niet mag.’ Onze vrijheid werd dus zeer beknot, maar het is nog uit te houden.’

 

PITTORESKE REIS LANGS DE DODE STEDEN VAN DE ZUIDERZEE

Op de cover van het unieke journaal staat de door Jacob Eduard van Heemskerck van Beest geschilderde tjalk waarmee de bijhouder van het verslag waarschijnlijk zijn tocht langs  een markant deel van de Hollandse kust in 1873 maakte. Ik heb het over het 240 bladzijden tellende, rijk geïllustreerde Pittoreske reis langs de dode steden van de Zuiderzee van de Fransman Henry Havard en van uitgeverij Mastix Press, dat recent bezorgd en vertaald werd door Lex Wapenaar.

Met de drie zoons fietste ik in de jaren zeventig en tachtig langs de boorden van het IJsselmeer en wij tweeën trotseerden weer en wind om te geraken in plaatsen die elk op eigen wijze hun lied over het water zonden. Van Marken, Monnickendam, Volendam, Edam en Hoorn tot Stavoren, Lemmer, Urk, Kampen, Harderwijk. Om na een week van intens genieten van lucht, meer en land weer te geraken aan het wijde IJ bij Amsterdam,  waar onze tocht  een aanvang genomen had. Nog steeds koester ik de beelden van die memorabele tour. Zo kan ik gemakkelijk gezichten vanaf de Afsluitdijk op mijn netvlies laten verschijnen. Hetzelfde kan ik doen met de silhouetten van Enkhuizen, Hindelopen, Elburg en Muiden. Ik werd in die tijd  teruggeworpen, toen ik de eerste bladzijden van Henry Havard tot mij nam. Deze man verstaat de kunst met goed gekozen woorden vast te leggen, wat hij al varende aan de randen van de toenmalige Zuiderzee in ogenschouw nam. Om u de scherpte van aanschouwen, de wijdte van betrokkenheid, de diepte van kennis. de rijkdom van taal waarover Havard – hij leefde van 1838 tot 1921 – beschikte, te illustreren geef ik hem het woord. Dat doe ik via de entree van zijn tweede hoofdstuk dat de titel draagt van ‘Ons vertrek – Amsterdam vanaf het IJ – De sluizen van Schellingwoude – De Zuiderzee – De Flevum van Tacitus – Het eiland Marken’. Een volgende keer gaan wij nog eens hem op de boot volgen.

Henry Havard: ‘Wij vertrokken op maandagmorgen. Nadat de laatste zaken waren geregeld, werden de twee nationale driekleuren gehesen. De Franse en de Hollandse vlag wapperden op een zachte bries, verenigden hun plooien en vermengden hun kleuren. Het rood- bruine grootzeil werd ontvouwd en dankzij de gunstige wind vond het schip zijn koers naar de havenmond. Tien minuten later bevonden wij ons midden op het IJ. Het is een schitterend gezicht, Amsterdam vanaf het IJ. Als een zwarte strook strekt het zich uit onder een eindeloze, zachtgrijze hemel, waarin zich twintigduizend gevels lijken vast te bijten. Trots en sierlijk steken daar de torens bovenuit met hun zwarte balustraden en vrolijke carillons. Rechts toont de Lutherse Kerk haar corpulente koepel en in het midden is de zware bol van het Koninklijk Paleis zichtbaar, terwijl van de ene naar de andere zijde de belforts en klokkentorens met hun ranke, sierlijke spitsen naar de hemel wijzen en uitsteken boven de kerken die de namen van de heiligen, aan wie ze eertijds werden opgedragen, hebben afgezworen. Nu dragen ze burgerlijke namen als Noorder- en Zuiderkerk, Oude en Nieuwe Kerk. Op de voorgrond verrijzen pal op elkaar de bruine gevels van de smalle huizen, die met hun duizend wit omrande vensters nieuwsgierig kijken naar dit grote water dat de stad zoveel fortuin bracht. De grote bomen vormen een bolwerk, aan de voet waarvan een menigte beweegt van winkelaars, zeelui, handelaren en havenwerkers die allerlei taken vervullen. De matrozen zitten op de kade met de benen bungelend boven het water of hangen onverschillig over de zwarte balustrade. Ze roken allemaal, kijken peinzend zonder na te denken, zijn stil zonder te dromen. De havenwerkers laden of lossen de schepen; ordelijk en kalm, systematisch en bedaard hijsen of stapelen ze de balen. Het is een bedrijvigheid zonder haast, zonder drukte.

Dichterbij richten de schepen hun versierde masten omhoog; de grote zeilen contrasteren wit of rood met de groene en zwarte achtergrond; vrolijk stoten de stoomboten hun rookwolken uit en de scheepsbel, die de verveelde reizigers roept, doorsnijdt met zilverachtig gelui het doffe en verwarde lawaai dat deze immense mierenhoop voortbrengt. Rechts in de verte tonen zich hoge schoorstenen, enkele molens, bomen en verder weg Zaandam met de spitse toren en talloze windmolens. De zon geeft de lucht een zilveren transparantie die zich weerspiegelt in het water. De vrolijke zonnestralen hechten zich aan de ramen en de hoeken van de klokkentorens en vormen zo evenzoveel lichtpuntjes, die het diepe zwart van de gevels en de donkere majestueuze koepels accentueren. Geleidelijk echter verandert dit beeld: de huizen worden kleiner, de mensen verdwijnen, de kleuren vervagen en het geluid sterft weg. Nog enkele ogenblikken en dit heerlijke schouwspel is veranderd. De contrasterende tinten versmelten vloeiend in een blauwachtige wolk; de vormen raken onbestemd. De torens verheffen zich nog steeds hoogmoedig en hier en daar vangen ze de weerkaatsende zonnestralen, maar hun contouren verliezen zich in de parelgrijze mist die ontleend lijkt aan het palet van de oude Ciceri.’

U zult het met mij eens zijn: in 1873 was de wereld rijp om door de schilders van het  impressionisme in kleur gevangen te worden.

 
CULTUURMIX 23 APRIL
 

LEVEN MET DE STER

De 261 bladzijden die het boek rijk is, las ik met ingehouden adem in één ruk. Zo verbijsterde en beklemde mij de inhoud, zo overrompelde en verraste mij de vorm ervan. Ik heb het over Leven met de ster van Jirí Weil en uitgeverij Van Gennep. Het bepalend lidwoord in de titel suggereert dat het gaat om het beruchte teken dat de Joden boven de leeftijd van zes jaar   tijdens de Holocaust in grote delen van Europa moesten dragen zodat zij gemakkelijker  geïdentificeerd konden worden. In het onderhavige werk is dat inderdaad het geval, hoewel de woorden ‘Duitser’, ‘nazi’’ en Jood’ er niet in voorkomen. De Tsjechische schrijver ervan, die leefde van 1900 tot 1959, doet u wellicht meteen denken aan diens landgenoot Franz Kafka. Beiden zijn immers te vangen in begrippen als nachtmerrieachtig, onheilspellend, bureaucratisch, onpersoonlijke maatschappij, geheimzinnig, ontwortelde mens. Op het doen en laten van zijn hoofdpersoon plakt Weil deze etiketten. Deze roman, oorspronkelijk verschenen in 1949, nog net voordat de communisten ook het literaire bedrijf in Tsjecho-Slowakije overnamen, staat dus qua sfeer zeer dichtbij Kafka’s werk.

Het verhaal speelt zich af tijdens de Tweede Wereldoorlog in bezet Praag. De hoofdpersoon, een Joodse bankbediende, verliest allengs alles wat hem dierbaar is, ten slotte zelfs zijn identiteit wanneer zijn persoonsbewijs niet in de cartotheek aanwezig is en hij daardoor niet op transport hoeft. Het gaat om Josef Roubícek die zich op een armetierige kamer aan de rand van de bezette hoofdstad zich voor de nazi’s zo verdekt opstelt en zich zo onopvallend gedraagt dat hij kans loopt transport naar de kampen te voorkomen. Toch wordt hij opgeroepen om op een Joodse begraafplaats in hartje Praag werkzaamheden te verrichten en met de tram rijdend en op straat lopend daar naartoe wordt hij beschimpt  en vernederd. Mede door zijn verdwenen kaart komt hij tot een besluit. Josef Roubícek weet zich niet langer te troosten met herinneringen aan zijn geliefde Ruzena en aan de zwerfkat Thomas en als het onheil zich toch aandient in de vorm van een oproep, wentelt hij zich in de roman tot een zogenaamd open eind. U als lezer blijft met vragen zitten, hoewel die zich gemakkelijk laten raden. Een volgende keer maak ik met u een tocht door Leven met de ster, want het in literaire vorm gegoten drama vraagt daarom. Nu laat ik Weil over de ster aan het woord.

‘’Heeft u een suikerbon voor me?’ vroeg de beambte aan mij. ‘U moet een bon voor suiker hebben, anders krijgt u geen ster van me.’ Ik vond die ster maar niks. Ze was geel en droeg een opschrift in een vreemde taal, met zwarte, hoekige letters, het was geen goede ruil voor een suikerbon. Die had ik nodig om mijn zwarte bocht te zoeten. ‘U hoeft niet over die bon in te zitten, u hoeft hem mij alleen maar te laten zien. Van nu af aan mag u zich niet meer zonder ster op straat vertonen, ik hoef u niet te vertellen wat er anders met u zal gebeuren. U moet de punten van de ster vastnaaien, u moet hem links precies op uw hart dragen, geen centimeter hoger of lager. Daar zijn strikte voorschriften voor. Morgen moet u de ster al dragen.’ Hij overhandigde me het stukje stof van kunstzijde.’U mag hem niet vuil maken. Komt u over enige tijd maar een nieuwe halen. Vandaag verstrekken we er maar een.’ De beambte had de uitdrukking op zijn gezicht van een druk baasje dat zijn werk met plezier deed. Hij was vroeger vast winkelbediende geweest, gezien het plezier dat hij erin had dat zijn waar zo vlot van de hand ging – goede waar, goedkope waar, een echte voordeelaanbieding, maar één kroon kost zo’n ster van degelijk vooroorlogs materiaal, lieve mensen, dat is toch te geef! Ik liep naar huis en naaide de punten van de ster vast. Het waren er zes en van de ster grijnsde me het opschrift in de vreemde taal toe, het zat daar ineengedoken en gebukt. Ik voelde bij mijn jas op welke hoogte mijn hart zat en tekende die plek met spelden af, het bonsde heel regelmatig. Ik keek in mijn spiegelscherf, het zwart en geel van de ster was provocerend, het schreeuwde om hulp of alarm. ‘Ik zal eraan moeten wennen om met dit teken op rond te lopen,’ zei ik bij mezelf, ‘dat zal me zwaar vallen. Ik zal niet meer door de straten kunnen sluipen en de mensen zullen me met de vinger nawijzen. De volgende dag ging ik naar buiten, ik moest toch boodschappen doen. Ik zag de mensen naar me kijken, eerst leek het of ik een losse veter vast moest binden of iets aan mijn kleding in orde moest brengen, op een of andere wijze verstoorde ik de gewone, alledaagse orde, ik was een soort smet die niet in het gewone straatbeeld paste, en iedereen leek dat zo te voelen. En ik was alleen te midden van zo veel andere mensen, helemaal alleen, want de mensen gingen voor me uit de weg, bleven stilstaan en gaapten me aan, ik hoorde niet meer bij hen.’

KEES DE JONGEN

Welgeteld 493 bladzijden telt het boek en u zult er net als ik uren in vertoeven. Ik heb het over de evergreen Kees de jongen van Theo Thijssen uit 1923 die dezer dagen een revival mocht meemaken. Vandaar de ondertitel ‘Een beeldroman door Dick Matena’ die terecht suggereert dat uitgeverij Athenaeum erin geslaagd is een groot striptekenaar te strikken die integraal in woord en beeld opnieuw het verhaal vertelt van de Amsterdamse Kees Bakels in de setting van de 19de eeuw.

Op de Rotterdamse HBS, Kweekschool, Nutsacademie en Utrechtse Rijksuniversiteit plaatste ik steevast op mijn lijst met gelezen werken de roman Kees de jongen. Op de vier sessies, die plaats vonden in de jaren tussen 1957 en 1972, viel mij de vraag ten deel de literaire kwaliteiten van het onderhavige werk te illustreren. Naar mijn bescheiden idee slaagde ik er steeds in te etaleren dat én naar vorm én naar inhoud Theo Thijssen alle denkbare vormen van kritiek in deze doorstond. Vandaar dat ik de opdracht van Dick Matena voorin deze remake zo toejuich, want die gaat zo: ‘Voor mijn vader, die Kees de jongen het mooiste boek vond ooit geschreven’. Vervolgens is daar het motto dat Thijssen ontleende aan zijn tegenhanger, de Franse  auteur Léon Frapié, en dat  in vertaling zo gaat; ‘Alle kinderen hebben heldhaftige fantasieën: zij zien zichzelf opzienbarende verrichten, die hun algemene erkenning en bewondering bezorgen’. Wij vatten hier het thema. Dankzij hun fantasie weten kinderen zich staande te houden in de realiteit die leven heet. Zo ook Kees Bakels. In zijn proloog wijst Thijssen hier al op:

‘Veel mensen schijnen Kees Bakels niet eens te hebben gekend en dat is eigenlijk niet goed te begrijpen. Is hij niet zowat de belangrijkste jongen geweest, die er ooit bestaan heeft? Alleen door wat ongelukkige toevalligheden is hij geen beroemd man geworden, maar dat kon hij toch niet helpen? In ieder geval, het is geen reden om maar te doen alsof hij helemaál niet bestaan heeft. Bovendien, al is Kees dan zelf niet beroemd geworden, hij heeft een zoon: en die heeft toch nog alle kans op een leven vol roem. En als iemand nu eens later het leven van die beroemde zoon moest beschrijven, zou hij dan geen spijt gevoelen, niet bijtijds de vader, zo’n beetje tenminste, erkend te hebben als iemand die óók niet iedereen was? En daar komt nog dit bij: als Kees z’n zoon een groot man wordt – en me dunkt, dat is toch wel bijna zeker – dan zal-ie dat toch ook wel voor een deel aan zijn vader te danken hebben, nietwaar?

Daarom; niemand schijnt over Kees te willen schrijven, dan zal ik het doen. Ik ben wel blij dat ik hem gekend heb: want ik weet het maar al te goed: als alles een beetje anders gelopen was, dan zou iederéén trots zijn op z’n bekendheid met Kees, de belangrijke jongen. Laat ik dan maar de enige zijn, die er nú al trots op is hem goed gekend te hebben. En ach, zo absoluut ónbekend zal Kees toch óók voor velen niet zijn. Ik maak me sterk, als ik ’n beetje op slag weet te komen met deze beschrijving, dat sommige lezers af en toe zullen zeggen: ‘O, die jongen? Nee maar, nou herinner ik me toch óók wel; zeker, die heb ik ook gekend; ’t is een tijdlang zelfs een speciaal vriendje van me geweest!’ Het is aan die lezers, dat ik met een knipoogje dit rare boek opdraag’ Op de omslag ziet u een bijzonder tafereel: een jongen met een vreemde pas trekt de aandacht van de voorbijgangers, onder wie Rosa Overbeek.

Over Rosa Overbeek gesproken: een volgende keer wil ik met u haar gangen met Kees Bakels nagaan. Nu wil ik de speciale manier van lopen beschrijven die een speciaal begrip in de Nederlandse literatuur is: de zwembadpas. Thijssen introduceerde deze manier om je snel te verplaatsen. Ik citeer zijn tekst die Matena in zijn beeldroman op de voet volgde en van beelden voorzag die een lust voor het oog en een streling van het gemoed zijn. Kees Bakels gaat volgens mij een nieuwe gouden eeuw tegemoet!

‘Want in deze dagen aanbad Kees een vriendje dat in een gymnastiekvereniging was. Het vriendje had witte pantoffeltjes en een witte broek; en donderdagsavonds, dan liep-ie daarmee over de straat. Dan bracht Kees hem weg, tot voor de deur van 't gymnastieklokaal. Daar stond het dan vol met jongens; en bijna allemaal droegen ze de witte broek, de heerlijke witte broek; en vást allemaal witte pantoffeltjes. D'r stond geen één jongen stil: ze sprongen en trappelden allemaal op de lekkere pantoffeltjes en Kees vond dat heel natuurlijk. 't Zou hem niets verwonderd hebben als er plotseling 'n jongen de gracht over gevlogen was. Hij voelde aan z'n eigen benen z'n loodzware schoenen. Het vriendje bracht van de gymnastiekvereniging een bijzonder rare manier van lopen mee: had-ie van een "voorwerker" geleerd. Als je 's goed opschieten wou; moest je voorover gaan lopen, net of je telkens víel, en dan maar met je armen zwaaien, heen en weer. Op deze manier van lopen lei Kees zich speciaal toe: 'r hóórden wel gymnastiekpantoffeltjes bij, maar 't voornaamste was toch dat je armen heen en weer gingen. Hij importeerde deze soort baaivangerij ook op school en had er veel succes mee. Weken lang zag je de jongens van dat school met ernstige gezichten de nieuwe loopmanier beoefenen. Als ze tussen twaalven en tweeën naar 't zwembad gingen, hadden ze altijd haast; en dan kwam het baaivangen goed te pas. De jongens vertelden elkaar tot in halve minuten, hoe kort het maar duurde, van school naar 't zwembad en gingen spreken van de ‘zwembadpas’.

Voor Kees was de zwembadpas een geluk in 't leven. Als-ie soms een verre boodschap moest en als een onbeduidende jongen langs de gracht sukkelde, dan begon-ie inééns aan de zwembadpas; en waarachtig, hij zag zich nagekeken door menigeen. Hij verbeeldde zich gymnastiekpantoffeltjes aan te hebben; voelde zich langzamerhand in een witte broek daarhenen snellen; soms zelfs bracht-ie 't zover dat-ie een mooi woord bedacht, dat op z'n tricot moest staan gemerkt. Hij voelde veel voor "Vitesse". Dat had-ie eens op een bootje in de Amstel zien staan. Locomotieven hadden soms ook zulke fijne namen!  Eens ging Kees met z'n moeder mee, 'n boodschap. De moeder liep nogal vlug en Kees, kleine jongen nog, want z`n moeder was 'n grote vrouw, Kees nam de zwembadpas. Hij sprak geen woord en hij genoot in stilte; al heftiger zwaaiden z'n armen; iedereen zou zeker denken: kijk, da's vast een jongen van een gymnastiekvereniging... Opeens bleef z'n moeder staan. "Wat mankeert je nou?" vroeg ze wreed. Hij zei van niets en ze gingen verder. Kees kalmpjes baaivangend eerst; maar al gauw werden z'n bewegingen weer opzienbarend; en de moeder gebood: ‘Doe toch niet zo mal met je armen. Je lijkt wel een ongelukkige jongen. Kan je nou de enige keer dat je 's met me bij de weg loopt, je fatsoen niet houwen.’ Kees gaf geen antwoord; het zwaaien met z'n armen liet-ie; maar toch bleef-ie stiekem lopen proberen iets bijzonders aan z'n houding te geven. Och, dat z'n moeder nou liep te mopperen over de zwembadpas, dat begreep-ie wel; daar voelde-n-ie haar gewone haat in tegen gymnastiekpantoffeltjes. Want nietwaar, dat zou toch best 's kunnen: in plaats van schoenen repareren... Spaarde toch weer uit... Daarom hield-ie z'n mond maar; lei maar niet eens uit dat het de zwembadpas was.’

Theo Thijssen kan formidabel schrijven en Dick Matena kan navenant tekenen. Net als in zijn De avonden van Reve dat ik eerder bij u introduceerde.

 
CULTUURMIX 17 APRIL
 

OUD WAS IK TOEN IK JONG WAS

Drie persoonlijke relazen herbergt de bundel. Het eerste ervan - De rooie Belg - heb ik nog maar tot mij genomen en toch wil ik u al van het bestaan ervan melding maken. En dat om de ook voor u bemoedigende reden dat er daverend denderende authentieke levensverhalen in prachtig proza vervat zijn. Ik heb het over het 207 bladzijden tellende Oud was ik toen ik jong was van Steffie van den Oord en van uitgeverij Contact met de ondertitel ‘Het leven van een eeuw’. Ik houd van literaire epistels die pogen het gepasseerde alledaagse leven te verwoorden, dat door de reële, zeg maar de grote geschiedenis overrompeld en blijvend getekend wordt. Vandaar dat ik met vurige minne werken bij u introduceerde als Baltische zielen van Jan Brokken, Sonny Boy van Annejet van der Zijl, Dier, bovendier van Frank Westerman, De Sterke van Saeftinghe van Paul de Schipper en Het veer van Istanbul van Irene van der Linde en Nicole Seegers. Laat ik dichter bij (ouderlijk) huis blijven. In de honderden getypte vellen tellende memoires van mijn vader zaliger lees ik hoe hem overkomen gebeurtenissen de man voor immer vergezeld hebben. Zo vielen hem ten deel de armoede in de crisisjaren van het interbellum, het geweld bij de Watersnood van 1953 en de dreiging van de Koude Oorlog. Maar het meest bleef hem bij de executie van zijn baas Wegeling in 1944  in concentratiekamp Vught wegens het drukken van Trouw.

Steffie van den Oord – zij is van 1970 – interviewde mensen die de hele vorige eeuw geleefd hebben en daarin door een wereldcatastrofe ingehaald zijn. Zo sprak zij heel indringend met de 108 jaar oude Jos Wijnant die zij vervolgens verhief tot hoofdpersonage in De Rooie Belg. De stokoude man moest ooit, toen de Eerste Wereldoorlog in de zomer van 1914 losbarstte - met zijn broer vanuit het door zeppelins belaagde Antwerpen bij familie in Den Bosch een heenkomen vinden. Nadat de twee jonge kinderen de grens tussen het door de Duitsers  overvallen België en het neutraal gebleven Nederland gepasseerd hadden, werden zij begroet met o.a. ‘Weg met de Belgen. Ze vreten alles op!’ en later op school werd Jos vanwege zijn Vlaamse tongval uitgemaakt voor ‘Rooie Belg’. Bijna een eeuw later weet hij deze voorvallen in zijn geest terug te halen. Ook de rubriek ‘De Draad des Doods’ over lijken aan de elektrische lijnen bij de grens. Jos belandt als gevorderde eeuweling, dus man van ver in de honderd, in een verpleeghuis en dat brengt hem tot de overpeinzing: ‘Hoe ouder hij werd, hoe meer hij twijfelde. Hoe banger hij werd, hoe jonger eigenlijk. Daar hielp geen Onze Vader meer aan. Als jongen had hij alles geweten. Oud was ik toen ik nog jong was, maar nu? Als er niks is, zie ik ze nooit meer terug.’ Hij treurt om de dood van vrouw Jeanne en zoon Hans, maar ook om de angst van een eeuw terug die hem vroeg oud maakte. De wereldscènes haal ik vooral uit kranten en boeken en het gaat daarbij doorgaans om heel objectief en afstandelijk beschreven verslagen. Sfeffie van den Oord slaagt er echter naar mijn idee grandioos in om haar verhaalfiguren via het grote gebeuren de literatuur in te trekken. Zij plaatst haar personages middenin de happening met de geschiedenis als decor. Ik verheug me dan ook zeer op haar  overige twee verhalen ‘Mme K’ en ‘The Moonlight Serenaders’, waarover later.

Om u het mooie proza van Steffie van den Oord te doen opklinken, ga ik haar citeren met een passage uit De Rooie Belg. Wij verpozen in het verhaal- nu: ‘Daar kwam ze! Toch, nog, zo laat. In de stilte hoorde hij voetstappen, de hare, steeds dichterbij. ‘Ik ben gevallen!’ Ze knipte het licht aan, daar stond zijn dochter, ver boven hem, was ze echt al bijna tachtig? ‘Ocharme …och, pap toch!’ En in de stille kamer verschenen mensen in het wit en er werd aan hem gevoeld, gesjord. - In nachtgewaad verschenen mannen,vrouwen en kinderen in de straten… ’Z’n heup!’ riep iemand. -  De menschen holden van den eene straathoek naar den anderen, in de hoop zich daardoor veiligheid te verzekeren. Hij verloor haar niet uit het oog. In de ziekenwagen zat ze bij hem, Ria, in het ziekenhuis moesten ze wachten. ‘Mijn vader…’ zei zijn dochter bij een soort loket en nog voordat ze verderging, vroeg een witgeklede lokettist: ‘Wat?!’ Heeft u nog een vader dan?’ De halve nacht wachtten ze, samen. Er was geen bed voor hem en hij ging niet zeggen dat hij oudste man was van het land. Was dat een verdienste? ‘Ze zien je geboortejaar toch?’ dacht zijn dochter hardop. Toen kwam er een bed, en hij viel in slaap. Toen kwam er een dokter aan zijn bed zitten: ‘Er zit een scheurtje in uw heup. We moeten operen. Een pin in uw heup zetten.’ – En in den omtrek van Antwerpen wordt gevochten, en het laffe sluipmoord-luchtschip… Was hij niet te oud voor een narcose? Toen kwam de anesthesist, in het blauw, die lange tijd staarde naar de kaart met zijn geboortedatum: 27 maart 1902. En de man in het blauw stelde toen de vraag: ‘Stel dat u slecht wordt, is het dan goed dat we u…’ ‘NEE’ was hij de man gillend voor. ‘Dat we u… laten gaan?’ ‘Nee!’ Snapten ze het dan niet? ‘Ik wil niet dood!’ ‘Stil nou maar, pap’’Op uw leeftijd,u kunt een hersenbloeding krijgen. Wilt u dan niet…’ ’NEE! NEE!’ hoorde hij zichzelf schreeuwen, te hard, zijn stem mocht niet breken. ‘NEE!’ riep hij hees, Misschien was er niks, misschien zou hij ze nooit meer zien. ‘NEE!’ ’Schreeuw niet zo, pap.’ ‘Ik wil LEVEN!’ Begreep die blauwe vent het nou? ‘Léven.’ Hoe dan ook. Desnoods als plant.’ U zult het helemaal met me eens zijn: Steffie van den Oord stopt literaire getinte, toegankelijke en transparante  woorden en zinnen in haar Oud was ik toen ik jong was. Aanbevolen!

DE PIANISTE VAN THERESIENSTADT

In de zomer van 1991 vertoefden wij als gezin in het toenmalige Tsjecho-Slowakije en wij kregen in de stad Terezin vlakbij de rivieren Elbe en Eger rampzalige beelden van de Grote Vesting en de Kleine Vesting op ons netvlies. Ze getuigden immers van het leed de Joden aangedaan tijdens de Holocaust of Shoah die zich voordeed in de Tweede Wereldoorlog. Zo lazen wij de sinistere woorden boven een toegangspoort tot een fort voor gevangenen dat later een getto werd ‘Arbeit macht frei’. Ik pak deze frase, die ook stond in de concentratiekampen en vernietigingskampen in Auschwitz-Birkenau, omdat de Germaanse bezetters de wereld op het verkeerde been wilde zetten. De opgelegde werkzaamheden in de verzamelplaatsen leidden niet tot de vrijheid maar tot de dood door vergassing. De beestachtig georganiseerde gruwelen kwamen weer op mij af, toen ik de 240 bladzijden las die het verhaal bevatten van het oudste nog levende slachtoffer van de Holocaust. Ik heb het over De pianiste van Theresienstadt van Alice Herz-Sommer en Caroline Stoessinger en van uitgeverij De Boekerij.

Als introductie op onze tocht door dit relaas van een bewogen leven ga ik citeren: de flaptekst van de uitgever, het voorwoord van Václav Havel en passages uit de inleiding van Stoessinger die Herz-Sommer interviewde en haar verhaal schreef. Overigens: naar de foto’s van Alice voorin en achterin bleef ik kijken: ze stralen van zin in het leven.

De flap: De pianiste van Theresienstadt is het inspirerende verhaal van Alice, de oudste overlevende van de Holocaust, die ondanks alle tegenslagen moed bleef houden en een bron van inspiratie is voor iedereen in haar omgeving. Haar levenswijsheden vormen een juweel van een boek. Alice Herz werd in 1903 in Praag geboren, in een gezin dat kunst en cultuur hoog in het vaandel had staan en waar dagelijks mensen als Mahler, Rilke, Mann, Zweig en Kafka te gast waren. De Eerste Wereldoorlog overleefde de familie redelijk ongehavend, en vlak voor de Tweede Wereldoorlog begon Alice naam te maken als pianiste. Maar in 1942 gaat het mis. Alice, haar man Leopold Sommer en zoontje Rafi worden naar Theresienstadt gedeporteerd. Na drie jaar rampspoed keert Alice terug, alleen met haar zoontje, dat het kamp wonder boven wonder heeft overleefd, - onder andere door zijn moeders pianospel. Maar haar hele familie en de meesten van haar vrienden bleken door de nazi’s vermoord. Alice heeft ondanks alles een onverwoestbare levenslust en zij gaat met haar zoon naar Israël om een nieuw bestaan op te bouwen.

’Havel: De pianiste van Theresienstadt is het diep ontroerende verslag van de heldhaftige belevenissen van een vrouw die tijd- en landgrenzen heeft overschreden om de dood te trotseren en ons allen te inspireren. Tegen de achtergrond van de schoonheid van onze Centraal- Europese cultuur, maar ook tegen die van de tragische gebeurtenissen van de twintigste eeuw die ervoor hebben gezorgd dat Tsjecho-Slowakije bijna vijftig jaar lang werd afgesneden van de rest van de wereld, getuigt het leven van Alice Herz-Sommer van een grote ethische en spirituele kracht. Haar herinneringen zijn onze herinneringen. Door haar ellende komen onze eigen duistere tijden weer naar boven. Dankzij haar voorbeeld kunnen we het beste uit onszelf halen. Op 108-jarige leeftijd vertelt Alice op aanstekelijke wijze verhalen over het leven van grote denkers – van Gustav Mahler tot Sigmund Freud en Viktor Frankl, van Martin Buber tot Leo Baeck – die een onuitwisbare indruk hebben achtergelaten. Met haar muziek heeft ze – als concertpianiste en als docente – invloed gehad op talloze leerlingen, hun kinderen en de kinderen van hun kinderen, zoals ze ook haar medegevangenen in het concentratiekamp Thersesienstadt troost bood met haar talenten. Na de oorlog was Alice zowel docente als studente: het grootste deel van haar leven streefde ze onvermoeibaar naar kennis en begrip van wie zij als mens, als samenleving en als individu. Alice zei: ‘Ik geef de hoop nooit op.’ Dat is een uitspraak die voor mij ook geldt, want ik geloof dat hoop verband houdt met het gevoel dat het leven zin heeft, betekenis, en zolang we dat gevoel nog ervaren, hebben we reden om te leven. Alice’s onverwoestbare optimisme inspireert me. Ik denk dat ze alle ontberingen heeft doorstaan omdat de wereld haar verhaal moest leren kennen, ons verhaal,van waarheid en schoonheid in tijden van het kwaad. Niet alleen kunnen wij vandaag de dag van Alice leren, maar ook toekomstige generaties kunnen wijsheid en hoop putten uit haar rijke levenservaring. 

Caroline Stoessinger: Met haar 108 jaar is Alice niet alleen de oudste overlevende van de Holocaust, maar ook de oudste concertpianist ter wereld. Als ooggetuige van de volledige vorige eeuw en de eerste tien jaar van deze eeuw heeft ze het belangrijkste gezien: het beste en het slechtste van de mensheid. Haar leven heeft zich afgespeeld tegen de achtergrond van het goede te midden van de chaos van het kwaad, en toch kan ze nog schaterlachen met het optimisme dat ze als kind had. Ondanks haar jarenlange gevangenschap in concentratiekamp Theresienstadt en de moord op haar moeder, haar echtgenoot en haar vrienden die in handen van de nazi’s waren gevallen, zegeviert Alice met haar vermogen om de draad weer op te pakken en elke dag in het heden te leven. Ze heeft geen tijd verspild aan verbittering jegens haar onderdrukkers en degenen die haar familie hebben uitgeroeid. Alice is zich ervan bewust dat haat de ziel van de hater aanvreet in plaats van de ziel  van degene die wordt gehaat, en redeneert als volgt: ‘Ik ben nog altijd dankbaar dat ik leef. Het leven is een geschenk.’

De pianiste van Theresienstadt is het verhaal van de levenslange vastberadenheid van een vrouw om de wereld iets goeds te brengen, ondanks de confrontatie met de vreselijkste beproevingen en hevig verdriet. Uit het verhaal van Alice kunnen we lessen trekken voor ons eigen leven in de eenentwintigste eeuw. Dat is Alice’s geschenk aan ons. Theresienstadt was geen gewoon concentratiekamp. Vanbuiten zag het eruit als een heel druk stadje waar duizenden mensen krioelden en waar vaak muziek te horen was: hier was Hitlers propagandamachine aan het werk. De Führer had Theresienstadt aangewezen als een plaats waar gerenommeerde Joodse musici, schrijvers en ouderen beschermd zouden zijn tegen de oorlog. In werkelijkheid was het kamp een zwaarbewaakt getto, een doorgangsstation naar Auschwitz en andere vernietigingskampen in heel West-Europa. Binnen de muren werden de getalenteerden en de intelligentsia uit Tsjecho-Slowakije, Oostenrijk, Nederland, Denemarken en Duitsland voortdurend geteisterd door honger, kou, besmettelijke ziekten, martelingen en tot slot de dood. Van de 156.000 Joden die zijn opgesloten in Theresienstadt zouden slechts 17.500 het overleven. Tussen 1942 en 1945 zijn ruim 15.000 kinderen bijeengedreven en afgevoerd naar Theresienstadt. Ongeveer honderd kinderen hebben het overleefd, onder wie Rafi. Desalniettemin straalde Theresienstadt, in tegenstelling tot andere kampen, nog iets van het normale leven uit. Ondanks de gruwelen en ontberingen repeteerden de musici, traden de acteurs op, gaven professoren college, tekenden kunstenaars op iedere snipper papier en wisselden vrienden nog grappen uit. Uiteindelijk geboden de nazi’s voorstellingen, voor propagandadoeleinden. Wat de Duitsers niet beseften, was dat zowel de toehoorders als de uitvoerenden het vaak mede dankzij die concerten wisten vol te houden. Dat gold ook voor Alice Herz-Sommer, die meer dan honderd optredens gaf voor haar medegevangenen en erin slaagde heimelijk pianoles te geven aan de kinderen in het kamp. Achterin De pianiste van Theresienstadt staan losse uitspraken van Alice Herz-Sommer. Een ervan gaat als: ‘Dankbaarheid is onmisbaar om gelukkig te kunnen zijn.’
 

 
CULTUURMIX 10 APRIL
 

REMBRANDTS VROUWEN

Een naar woord en beeld machtig boeiend en bruisend boek heb ik voor u, dat u naast het gegeven thema - dat van de vrouwen in het huiselijke leven van een meesterschilder - ook een weids panorama biedt op het dagelijkse doen en laten van de maatschappij in de Gouden Eeuw. Ik heb het over 269 bladzijden tellende Rembrandts vrouwen van historicus en journalist Christoph Driessen en uitgeverij Bert Bakker. Het gaat om het verhaal van Saskia, Geertje en Hendrickje. Deze drie namen vindt u ook in het ten geleide van de schrijver dat dezelfde titel kent. Omdat Driessen – hij is van 1967 – daarin zijn geloofsbrieven afgeeft, ga ik hem integraal citeren. De volgende keer maak ik met u een wandeling door zijn hele Rembrandts vrouwen. Overigens: De eerste vrouw op wie het volle licht geworpen wordt, is de moeder van Rembrandt van Rijn, Neeltgen van Zuytbrouck. En: de katern met acht schilderijen in kleur mag er zeker zijn. Nu het woord aan Driessen. 

‘Twee weken na de aanslagen van 11 september 2001 opende in de Royal Academy in Londen de tentoonstelling ‘Rembrandt’s Women’, De Ierse journaliste Maev Kennedy schreef in de Engelse krant ‘The Guardian’: ‘Niemand die ook nog maar een beetje leven in zich voelt, kan deze tentoonstelling bezoeken zonder achteraf beter over de mensheid te denken – en God weet hoe we dat in deze donkere dagen nodig hebben.’ Ook op mij had de tentoonstelling een diepe indruk gemaakt. Tegelijk was ik teleurgesteld dat er maar weinig werd verteld over de levens en persoonlijkheden van Rembrandts vrouwen. Met dit boek hoop ik daar verandering in te brengen. Sommige deskundigen denken wel eens dat er niet genoeg bronnen zijn om zoiets op een verantwoorde manier te doen. Maar dat is niet zo. Er zijn juist uitzonderlijk veel archiefstukken bewaard gebleven. En er komen nog steeds nieuwe documenten bij.

Rembrandt van Rijn (1606-1669) had in de loop van zijn leven liefdesrelaties met drie vrouwen: Saskia Uylenburgh (1612-1642), Geertje Dircx (circa 1610-1656) en Hendrickje Stoffels (1626-1663). De lotgevallen van deze vrouwen zijn tot nu toe nog nooit uitvoerig beschreven, hoewel ze zowel voor hem als voor zijn kunst van grote betekenis zijn geweest. Omdat ze voor het eerst centraal staan, wordt in Rembrandts vrouwen pas werkelijk zichtbaar hoe groot hun invloed is geweest. Saskia was zijn grote liefde. Met haar bracht hij de gelukkigste en voorspoedigste jaren van zijn leven door. De Friese burgemeestersdochter stond een stuk hoger op de maatschappelijke ladder dan hij, maar koos desondanks voor hem. Zij werkte met hem samen in zijn schildersatelier door in uitbundige kostuums voor hem te poseren en de rol van mythische figuren te vertolken. Zijn representatieve schilderijen maakten haar tot een handelsmerk van zijn kunstenaarsbedrijf. Tegelijk gaf hij in intieme schetsen en grafiek ook haar dagelijkse leven weer, wat voor de zeventiende eeuw heel bijzonder was. Zolang hij door Saskia werd gesteund, was zijn ster in Amsterdam rijzende. Maar toen ze in 1642 overleed, nog geen dertig jaar oud, kwam hij meteen in een diepe crisis terecht: tien jaar lang schilderde hij nog maar zeer weinig. In deze periode begon hij een relatie met het kindermeisje Geertje Dircx, maar deze eindigde met een ruzie over alimentatie voor de Huwelijkskrakeelkamer. Toen er geen einde aan leek te komen, liet hij haar in een van de eerste vrouwengevangenissen opsluiten. Pas na vijf jaar kon een vriendin haar daaruit laten ontslaan. Daarna probeerde Geertje van alles om hem ter verantwoording te roepen. Rembrandt had intussen een nieuwe liefde gevonden. Hij woonde samen met zijn voormalige dienstmeid, de mooie en veel jongere Hendrickje Stoffels uit Gelderland. Veel mensen vonden dit schandalig. Maar de eenvoudige soldatendochter werd na zijn faillissement zijn steun en toeverlaat, en wist te voorkomen dat hij volledig vastliep. Ze zette zelfs een eigen kunstbedrijf op en nam hem aan als werknemer. Haar erotische uitstraling inspireerde hem tot een paar van zijn schitterendste werken. Als dank daarvoor beschouwde hij haar als zijn vrouw, maar omdat hij geen verplichtende relatie meer wilde aangaan, weigerde hij met haar te trouwen. Vandaag de dag behoort Hendrickje net als Saskia tot de bekendste gezichten uit de kunstgeschiedenis.

De biografieën van deze drie vrouwen stellen Rembrandts persoonlijkheid in een nieuw licht. Geertje en Hendrickje verloren door hem allebei hun eer als onbesproken vrouwen. Het leven van Geertje heeft hij nagenoeg verwoest. De historische feiten laten er geen twijfel over bestaan dat Rembrandt, die als kunstenaar zozeer met andere mensen kon meeleven, een egoïstisch en hardvochtig mens kon zijn. Hij leefde in de eerste plaats voor zijn kunst – de rest kon hem niets schelen. Maar hij wist steeds weer vrouwen aan zich te binden die  zijn dagelijks leven voor hem organiseerden. Saskia, Geertje en Hendrickje zijn niet alleen in hun relatie tot Rembrandt interessant. Samen vormden de ‘burgeres’ en de twee vrouwen uit het gewone volk een spiegel van de vroegmoderne Nederlandse maatschappij. Ieder van hen laat op een eigen manier zien dat vrouwen in de Gouden Eeuw al een verrassend hoge mate van zelfstandigheid bezaten en het heft in eigen handen wisten te nemen.’  

  

ABRAHAM MOSZKOWICZ

De schrijver van het boek stond de voorbije dagen in de schijnwerpers. Diepgaande interviews, inhoudelijk sterke recensies, lovende persoonlijke reacties vielen hem ruimschoots ten deel. Een rode draad was daarin: veel respect voor de man die recht voor zijn raap zich uitspreekt. Ik vraag ruim baan voor het immer boeiende, 215 bladzijden tellende Abraham Moszkowicz van Bertram + De Leeuw Uitgevers met de ondertitel ‘Liever rechtop sterven dan op je knieën leven’. Bram Moszkowicz, met straatlengte de bekendste en meest spraakmakende strafrechtadvocaat van ons land, kent het geboortejaar 1961 en zit 25 jaar in zijn vak. Reden voor hem een boekje open te doen, waarbij hij zijn Joodse komaf niet schuwt. Vandaar het hoofdstuk ‘Waar ik vandaan kom, waarin hij verhaalt over zijn grootouders die vanuit het toenmalige Galicië via het Duitse Essen een heenkomen zochten in Maastricht om aan het woekerende antisemitisme te ontkomen. Het gezin Moszkowicz werd echter door de nazi’s achterhaald en alleen Brams vader Max wist aan het leed, de Joden in de concentratiekampen aangedaan, te ontsnappen. Vandaar ook het eerbetoon voorin het onderhavige werk, de opdracht ‘Voor papa’. Ik vind het van innerlijke grootheid getuigen dat Bram Moszkowicz aldus zijn vader de honneurs geeft. Een tweede saluut brengt hij aan het eind van zijn ontboezemingen op papier: aan een goochelaar die de Holocaust niet overleefde. De acteur Joost Prinsen droeg het gedicht Ben Ali Libi van Willem Wilmink op de televisie voor, Bram Moszkowicz hoorde dit zo voor het eerst en besluit zijn pennenvrucht ermee. Ik wil u de navrante verzen laten horen, maar eerst wil ik gezegd hebben dat ik met u een volgende keer nog een tocht maakt door het epistel Abraham Mozskowicz dat er echt toedoet. En dat niet alleen door de oprechte woorden maar ook door de twee katernen met de veelzeggende foto’s.

BEN ALI LIBI

Op een lijst van artiesten, in de oorlog vermoord,

staat een naam waarvan ik nog nooit had gehoord,

dus keek ik er met verwondering naar:

Ben Ali Libi. Goochelaar.

Met een lach en een smoes en een goocheldoos

en een alibi dat-ie zorgvuldig koos,

scharrelde hij de kost bij elkaar:

Ben Ali Libi, de goochelaar.

Toen vonden de vrienden van de Weduwe Rost

dat Nederland nodig moest worden verlost

van het wereldwijd joods-bolsjewistisch gevaar.

Ze bedoelden natuurlijk die goochelaar.

Wie zo dikwijls een duif of een bloem had verstopt,

kon zichzelf niet verstoppen, toen er hard werd geklopt.

Er stond al een overvalwagen klaar

voor Ben Ali Libi, de goochelaar.

In ’t concentratiekamp heeft hij misschien

zijn aardigste trucs nog wel eens laten zien

met een lach en een smoes, een misleidend gebaar,

Ben Ali Libi, de goochelaar.

En altijd als ik een schreeuwer zie

met een alternatief voor democratie,

denk ik: jouw paradijs, hoeveel ruimte is daar

voor Ben Ali Libi, de goochelaar.

Voor Ben Ali Libi, de kleine schlemiel,

hij ruste in vrede, God hebbe zijn ziel

 

 
CULTUURMIX 2 APRIL
 

BRANDNETELS & VERKEERSBORDEN

Een ontroerend, hartversterkend, blikverruimend, levensverzoenend werk met een scala aan literaire kleinoden heb ik voor u. Het gaat om het 312 bladzijden tellende ‘Brandnetels & verkeersborden’ van A.L. Snijders en AFdH Uitgevers  met de ondertitel ‘194 ZKV’s’. En ik zeg het maar meteen: de komende weken zult u blijven lezen in deze collectie van bijna 200 zeer korte verhalen die de auteur met geboortejaar 1937 van half oktober 2010 tot eind december 2011 schreef. Snijders verstaat de kunst van het alledaagse leven een el dorado te maken. Hij kijkt om zich heen, ervaart aan den lijve, pakt de pen en creëert korte en bondige verhalen over de meest uiteenlopende thema’s die nooit te hoog gegrepen zijn. Hij schrijft over herkenbare gebeurtenissen die zich heel ordinair aan de gewone man presenteren. Hij heeft een antenne voor de zogenaamde kleine voorvallen, maar als hij ze verwoordt, gaan ze blinken van edel metaal.

De komende weken wil ik u Snijders laten proeven opdat u de smaak van hem te pakken krijgt. Brandnetels zijn planten die naast de witte bloemtrossen brandharen aan de stengel en aan de onderzijde van het blad hebben, die pijnlijk en irriterend zijn. Verkeersborden zijn tekens naast  verkeerslichten en wegdekaanwijzingen die de wegbeheerder gebruikt om het verkeer te regelen. Insiders vinden de titel ‘dooi’, Snijders vindt hem prima want zijn leven is naar eigen zeggen saai en oninteressant. Dat hij ons op het verkeerde been zet, zal ik u illustreren door zijn ‘zeer korte verhaal’  ‘Jaloezie’ integraal te citeren. Ik ga daarbij voor een schets die uit mijn eigen leven gegrepen is: over het bestaan in havo/atheneum. Voor een goed verstaan van collega Snijder het volgende. Met mijn leerlingen plukte ik uiteraard vruchten der poëzie en een eerste kennismaking vormde daarbij bijkans steevast het zeer korte gedicht ‘Jonge sla’ uit de bundel ‘Alles op de fiets’ van Rutger Kopland. Het gaat zo: ‘Alles kan ik verdragen, het verdorren van bonen,  stervende bloemen, het hoekje / aardappelen, kan ik met droge ogen zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in. / Maar jonge sla in september, net geplant, slap nog, in vochtige bedjes, nee.’ In mijn brugklassen van toen kreeg ik jongens en meisjes in het vizier die vol verwachting naar het leven uitzagen. Snijders zegt het anders: ‘Er is dan nog zoveel hoop, een nieuw begin, grote tassen. Erger dan de slaplantjes van Kopland.’ Ook liet ik in de onderbouw ‘t kofschip binnenvaren. Bij zwakke werkwoorden - dus geen verandering van klinkers in verleden tijd en voltooid deelwoord – was een ezelsbrug: eindigt het hele werkwoord zonder –en op t, k, f, s, ch, p, dan + t. Dus: hij pitte, pakte, pofte, miste, pochte, hapte. Bij dictees zette ik net als Snijders onverschillig een rode streep onder missers. Maar zijn tweede reactie is echter menslievender, hij zoekt de fout bij zichzelf. Het is bij hem uit het leven gegrepen. Nu ‘Jaloezie’:

‘In de jaren tachtig was ik bevriend met een romantische schrijver die me vertelde dat er vaak vrouwen huilden als hij voorlas. Ik hield me in. Maar ik was jaloers. Ik schreef hem een brief, 1 augustus 1987: Ik moet bekennen dat ik jaloers op je ben. Mij is dat maar één keer overkomen. Het was een meisje uit 4 havo, de laatste les voor de vakantie. Ik weet niet meer hoe ze heette, maar ik herinnerde me wel hoe ze eruit zag, Een ouderwets, Engels gezicht, heel wit met blosjes, blonde krullen, een meisje uit een meisjesboek. Ze was mooi, ze had kleine kokette gebaartjes en er was iets gemaakts aan haar, maar dat kon me niets schelen, ik hoefde alleen maar naar haar te kijken, drie uur per week. Voor de les kwam ze naar me toe om te vragen of ze een kwartiertje eerder weg mocht, dan kon ze een voordelige bus halen, het was toch haar laatste uur. Ik vond het goed, ik las voor. Een verhaal van Roland Holst, ‘De dood van Cuchulainn van Murhevna’. Het is een zielig verhaal, aan het eind gaat de hoofdpersoon strijdend ten onder. Zijn tegenstanders zijn de golven van de zee. Hij denkt dat het krijgers zijn. Toen ik een kwartier voor het slot naar haar keek om haar op de bus te attenderen,zag ik dat ze tranen in haar ogen had, ze schudde snel en onmerkbaar met haar hoofd en liet de bus voor wat hij was, ze wilde het hele verhaal horen. Maar ik had moeite om verder te lezen, een huilend meisje, dat is toch iets. Toch beschouw ik het als een wapenfeit. Ik heb samen met Roland Holst iemand de bus laten vergeten.

Daar staat iets tegenover, met een ander meisje, kleiner, met vlechten, eerste klas. Er is dan nog zoveel hoop, een nieuw begin, grote tassen. Erger dan de slaplantjes van Kopland. Ik legde uit hoe het zat met het kofschip. Bij het proefwerk schreef ze ‘gegooit’. Ik zette er een onverschillige streep eronder. Ze huilde, de i stond toch in het kofschip. Ik had niet duidelijk genoeg uitgelegd dat het een regel voor de medeklinkers was. Ze had gelijk, ik gaf haar een voldoende. Ik had haar eigenlijk moeten troosten, maar ik stond erbij als een gekwelde protestant, in zelfverwijt, ik keek naar haar schokkende schouders vanwege die verdomde medeklinkers. Die voldoende was niets, een schraal gebaar van een kruidenier in angst voor de gevreesde tranen.’

HET GEHEIM VAN HET WILHELMUS

Voorbije dagen nam ik een studie tot mij die mij terugwierp in de tijd. In de jaren zestig studeerde ik aan de Nutsacademie in Rotterdam-Blijdorp en mijn ultieme doel was de akten Nederlands MO-A en - B in de wacht te slepen. Een van de docenten die mij in dit streven stimuleerde, was dr. S.J. Lenselink uit Dordrecht; zijn colleges letterkunde onderscheidden zich door de grote mate van retorische bevlogenheid die stevig stoelde op deskundigheid en belezenheid. Zo legde hij ons voor dat de auteur van het uit de jaren 1571-1572 daterende volkslied Wilhelmus zeker Filips van Marnix van Sint-Algegonde was. Derhalve sprak hij via een ingezonden brief in de NRC van 3 september 1968 over een ‘historische blunder’, toen de posterijen in dat jaar een postzegel uitgaven ter ere van het vierhonderdjarige bestaan van onze nationale hymne. Een paar decennia daarvoor had Lenselink zich al opgeworpen als protegé van Marnix.

Ik moest aan de uren met Lenselink denken, toen ik het boek van deze week onder ogen kreeg. Ik heb het over het 169 bladzijden tellende kleinood ‘Het geheim van het Wilhelmus’ van Theo Arosius en uitgeverij Aspekt met de intrigerende ondertitel ‘Waarom de dichter anoniem moest blijven’. Om maar meteen de toon te zetten: Arosius toont op onderbouwende mij geheel overtuigende wijze aan dat de katholieke humanist Dirck Volckertsz Coornhert (1522-1590) de maker is. Vandaar dat Theo Arosius aan zijn geschrift een veelzeggend motto meegeeft, dat hij ontleent aan Liedboeck nr 35 van Coornhert: ‘Een goed nieuw lied heb ick ghedicht Wat alghemeynder minnen De nood heeft mij daar toe ghesticht Met veel versochte zinnen.’ Als  vertaling in modern Nederlands stelt Arosius voor: ik heb een mooi nieuw lied gemaakt uit liefde voor de publieke zaak, gedreven door de nood der tijden in zinnen die werden geschreven op een goed verzoek. Naar Arosius’ veronderstelling verwijst Coornhert hier naar het schrijven van het Wilhelmus. Dat de auteur ervan anoniem moest blijven, was hieraan toe te schrijven dat Willem van Oranje aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog uit diplomatieke overwegingen overging tot het calvinisme. Ondanks hun gemeenschappelijke liefde voor de vrijheid, in het bijzonder ook de vrijheid van godsdienst, groeiden de twee, de prins en de dichter, uit elkaar. Vandaar die ondertitel. Het is adembenemend Arosius op zijn zucht naar het ontsluieren van het geheim van Wilhelmus te volgen. Daarbij drenkt hij zijn zoektocht in de geschiedenis. Vandaar zijn hoofdstuktitels als ‘De misdaden van Lumey’, ‘Tijdens het beleg van Haarlem’, ‘Tussenspel voor Alkmaar’, ‘De prins in Zeeland’, ‘Een broeder in Amsterdam’ en ‘Het akkoord van Veere’. Overigens: de vijftien verzen van het Wilhelmus staan achterin als bijlage en hetzelfde geldt voor de muziek.

Om u de tintelende toegankelijkheid  van ons boek te illustreren ga ik eruit citeren en wel via het begin van het hoofdstuk ‘De kracht van ons volkslied’. ‘Het was een mooie lentedag in het jaar 1943 toen in het Friese dorpje Parraga de negenjarige Bauke Jansen uit volle borst op straat het Wilhelmus liep te zingen, niet wetend dat er om de bocht een Duitse patrouille aan kwam. De patrouille van zo’n 20 à 30 man werd staande gehouden en de commandant riep de jongen ‘op het matje’. Hij sommeerde hem dit lied nooit meer te zingen. Aan een buurvrouw die net de ramen aan het lappen was vroeg de Duitser van wie die jongen er één was, maar die zei ‘ik kin die jonge net’. Hij kwam er dus met een standje van af. Toen hij het thuis vertelde zei mem: ‘Ga jij maar door met het zingen van Het Wilhelmus, want de Duitsers winnen de oorlog toch niet!’ Bauke heeft geluk gehad en hij was de buurvrouw zijn hele leven dankbaar. Heel wat slechter was het Pieter Heyndricks vergaan, bijna vier eeuwen eerder. In de Amsterdamse Confessieboeken kan men lezen dat deze schepeling op 31 december 1574 werd veroordeeld tot de doodstraf omdat hij bij het verlaten van de kerk een of twee strofen van het Wilhelmus had gezongen. Amsterdam was nog in Spaanse handen en het Wilhelmus was toen al het lied van het verzet tegen de bezetter. De historie heeft ons een volkslied overgeleverd dat wonderwel geschreven leek voor de toestand waarin ons land in de jaren 40-45 verkeerde. Het was een lied voor een volk in verdrukking. Het leverde de sleutelwoorden voor het verzet; ‘vrij onverveerd’, ‘de tirannie verdrijven’. Ook wie vóór de oorlog het Wilhelmus had genegeerd, werd er toen door gegrepen, zoals Simon Carmiggelt schreef: ‘Toen ik klein was stond ik nooit op bij het Wilhelmus, want we waren thuis rood en vonden het een lied van de reactie. Pas toen de Duitsers aan de grenzen stonden werd het Wilhelmus mijn lied.’ Je zou dus kunnen zeggen dat het Wilhelmus in die jaren werd herontdekt. Het feit dat het ons volkslied is, danken we overigens aan koningin Wilhelmina. Toen die de troon besteeg in 1898 had Nederland sinds 1817 als ieder land een officieel volkslied. Het was gevloeid uit de pen van volksdichter Hendrik Tollens en het bevatte de afschuwelijke woorden ‘Wien Neerlands bloed in d’aders vloeit, van vreemde smetten vrij’. De jonge koningin wilde het niet horen. Zij eiste dat bij haar inhuldiging het oude Wilhelmus zou worden gespeeld en gezongen. De autoriteiten moesten wel zwichten en dus klonk het Wilhelmus bij de Nieuwe Kerk in Amsterdam toen de jonge vorstin uit haar koets stapte en het werd in de kerk gezongen toen ze daar op haar troon zat. Toch bleef ‘Wien Neerlands bloed’ nog vele jaren het officiële volkslied. Pas in 1932 gaf het kabinet toe aan de wens van de koningin en kwam het ‘Wilhelmus’ ervoor in de plaats.’

 
CULTUURMIX 26 MAART
 

WIJ ZIJN ONS BREIN

Een imposant en imponerend werk heb ik voor u, dat sinds het moment van verschijnen, september 2010, al toe aan de achttiende druk was. Ik heb het over het spraakmakende tevens geruchtmakende 480 bladzijden tellende wetenschappelijke boek dat ondanks het hersenbrekende thema heel gemakkelijk wegleest: Wij zijn ons brein van hersenonderzoeker Dick Swaab en van uitgeverij Contact met de intrigerende ondertitel ‘Van baarmoeder tot Alzheimer’. Ik wil met uw goedvinden de komende weken een verkennende tocht maken door dit baanbrekende opus magnum van o.a. de vroegere hoogleraar neurobiologie aan de Universiteit van Amsterdam. Bij onze eerste kennismaking geef ik u de titels van wat hoofdstukken, de lovende woorden voorin, een passage uit het Voorwoord en het motto van de Inleiding dat Swaab ontleende aan de Griekse arts Hippocrates, wiens naam u terugvindt in de alom bekende eed.

De eerste drie titels markeren het begin van de ondertitel: ‘Ontwikkeling, geboorte en ouderzorg’, ‘Het bedreigde foetale brein in de ‘veilige’ baarmoeder’ en ‘Seksuele differentiatie van de hersenen in de baarmoeder’. Twee opschriften duiden op het vervolg van de subtitel: ‘De ziekte van Alzheimer’ en ‘Dood’. Daartussen liggen intrigerende titels als ‘Agressie’, ‘Autisme’, ‘Moreel gedrag’, ‘Het geheugen’ en ‘Er is niet meer tussen hemel en aarde’. Totaal gaat het om 24 chapiters. Voorin Wij zijn ons brein staan dertien lovende reacties op de ‘Swaab’. Ik bespaar u de bronnen die lopen van o.a. NRC tot De Telegraaf: ‘Enorme vakkennis, klare taal, droog gevoel voor humor. Prikkelende mix van wetenschappelijke informatie, gevalsbeschrijvingen, persoonlijke observaties en maatschappelijke kwesties. Zeer leerzaam.’ / ‘Het standaardwerk over het brein, pocht de uitgever, en dat is niets te veel gezegd. Een bijzonder rijk en vakkundig geschreven boek.’ / ‘Hersenen zijn hot. Ook dit boek is er weer een om te kopen, te lezen en te bewaren. Voor leken én voor elke jonge student die in Swaabs voetsporen wil treden.’ / ‘Bomvol interessante informatie. Elk hoofdstuk is een boekje apart. Bovendien een aanrader voor alle collega’s, als update voor de nieuwste ontwikkelingen in het hersenonderzoek.’/ ‘Een leerzaam en vermakelijk boek over de hersenen.’ / Wij zijn ons brein opent ogen en voedt de geest.’ / ‘Een schatkamer van kennis en verhalen.’/  ‘Een soort encyclopedie van hoe onze hersenen werken. Encyclopedisch is de toon echter allerminst: Wij zijn ons brein leest als een sappige roman.’ / ‘Een erg mooie aanschaf voor de breingeïnteresseerde.’ / ‘Een van de kleurrijkste en origineelste hersenonderzoekers in Nederland. Swaabs hartstocht komt duidelijk naar voren in alle hoofdstukken.’ / ‘Of het nu gaat over verslaving, schizofrenie, agressie, dood of evolutie, niets wordt verteld zonder dat het je aan het denken zet.’ /  ‘Een caleidoscopische tocht langs vele neuro-wetenswaardigheden, endocriene en neuropsychiatrische aandoeningen en markante personen , gelardeerd met fantastische anekdotes.’ / ‘Dick Swaab behoort tot de belangrijkste hersenonderzoekers van deze tijd en zijn boek Wij zijn ons brein is een pageturner geworden. Uitermate geschikt voor geïnteresseerde leken, aankomende jonge hersenonderzoekers en zeker ook voor collega’s die hun wetenschappelijke kennis op andere gebieden hebben opgebouwd. Genieten!

Dick Swaab zegt in zijn ‘Voorwoord’ o.a.: ‘In de afgelopen periode hebben mijn persoonlijke kleine antwoorden op en opvattingen over de grote hersenvragen daardoor een vorm gekregen, waarvan ik hier verslag doe. De meest gestelde vraag was of ik even uit kon leggen hoe de hersenen werken. Dit boek kan natuurlijk slechts een antwoord geven op enkele facetten van deze onmogelijke vraag. Het laat zien hoe onze hersenen zich differentiëren tot die van jongens en meisjes, wat er in een puberhoofd omgaat, hoe de hersenen het individu en de soort in stand houden, hoe we verouderen, dementeren, doodgaan, en hoe de hersenen geëvolueerd zijn, hoe het geheugen functioneert en hoe het moreel gedrag zich ontwikkelde. Maar het boek laat ook zien hoe het mis kan gaan. Er wordt niet alleen aandacht besteed aan stoornissen van bewustzijn, hersenschade door boksen, en hersenziekten zoals verslaving, autisme en schizofrenie, maar ook aan de nieuwste ontwikkelingen betreffende genezing en herstel. Ten slotte komt de relatie tussen de hersenen en religie, de ziel, de geest en de vrije wil ter sprake.

De ‘Inleiding’ gaat onder het kopje Wij zijn onze hersenen van start met een motto ontleend aan Hippocrates die leefde van 460 tot 370 v.Chr.: ‘Het dient algemeen bekend te zijn dat de bron van zowel ons plezier, onze vreugde, gelach en vermaak, als van onze smart, pijn, angst en tranen, geen andere is dan de hersenen. Het is in het bijzonder dit orgaan dat ons in staat stelt te denken, te zien en te horen en het lelijke van het schone, het kwade van het goede, het aangename van het onaangename te onderscheiden. Het zijn de hersenen ook waar zich de zetel bevindt van waanzin en krankzinnigheid, van angsten en verschrikkingen die ons bestormen, dikwijls ’s nachts, maar soms zelfs overdag; daar ligt de oorzaak van slapeloosheid en slaapwandelen, van gedachten die niet willen komen, van vergeten verplichtingen en van zonderlinge verschijnselen.’

Swaab gaat vervolgens verder met: ‘Alles wat we denken, doen en laten gebeurt door onze hersenen. De bouw van deze fantastische machine bepaalt onze mogelijkheden, onze beperkingen en ons karakter; wij zijn onze hersenen. Hersenonderzoek is niet meer alleen het zoeken naar de oorzaak van hersenziekten, maar ook een zoektocht naar de vraag waarom we zijn zoals we zijn, een zoektocht naar onszelf. De bouwstenen van onze hersenen zijn zenuwcellen of neuronen. De hersenen zijn anderhalve kilo zwaar, ze bevatten 100 miljard neuronen.’ Swaabs zienswijzen vormen geen gemeengoed. Zo las ik deze week n.a.v. het referaat ‘Pastoraat en psychiatrie – de grenzen’ van dr. A.C. Hagendijk in een kerkelijk blad: ‘Swaab is een materialist. Volgens hem zijn we een chemische fabriek. Hij pretendeert de hele waarheid te vertellen. De vrije wil is een illusie van ons brein. Het is de discussie tussen geloof en ongeloof. Swaab schetst een onchristelijk, atheïstisch mensbeeld.’

’s WERELDS GROOTSTE MYSTERIES

Maar liefst 352 bladzijden telt het kijk- en leesalbum en ik raak er niet in uitgekeken en uitgelezen. Zo oogstrelend en beeldend zijn de illustraties, zo verhelderend en verdiepend zijn de teksten. Ik heb het over 's Werelds grootste mysteries van dr. Peter Göbel en zijn collega-schrijvers en van uitgeverij Reader’s Digest met de ondertitel ‘De grootste raadselen uit geschiedenis, wetenschap en natuur’. Het wondermooie boeiende werk geeft gul en graag wat het belooft.

De redactie zegt het zo. Van het door legenden omweven Atlantis tot de ware identiteit van Jack the Ripper, van de geheimen van de Egyptische piramiden tot de Bermudadriehoek, van de bijna- doodervaringen tot de oerknal: onze wereld zit nog vol met raadsels en vraagstukken die om een oplossing vragen. Dit boek vertelt u in spannende artikelen over ’s werelds grootste mysteries – en gaat nog verder, want voor veel zaken zijn er weliswaar al wel gedeeltelijke verklaringen en achtergronden, maar kent niemand tot nu toe de ultieme waarheid: waarom is het ooit zo machtige Mayavolk plotseling verdwenen, hoe zit dat nu eigenlijk met de Rozenkruisers, en waardoor zijn tweelingen zo nauw met elkaar verbonden? Van het begin der tijden tot de geheimste plekken in de wereld – laat u meevoeren op een ongelooflijke reis!

Verdeeld over vijftien chapiters biedt ’s Werelds grootste mysteries een grandioos panaroma op een scala aan fenomenen. Om u de verstrekkendheid van dit unieke en ultieme werk te illustreren geef ik u de titels van de hoofdstukken. Daar zijn: In de diepten van het heelal, Tekens, woorden,schriftvormen, Geheimzinnige patronen, raadselachtige structuren, Oeroude legenden van de mensheid, Mystieke plaatsen – fantastische bouwkunst, Blik op de raadselen van het verleden, Rampzalige gebeurtenissen – open vragen, Expedities naar onbekende verleden, Fenomenen uit de planten- en dierenwereld, Raadselachtige gemeenschappen en organisaties, Door geheimzinnigheid omgeven personen, Raadselachtige sterfgevallen, Geheimen van het menselijk bestaan, Geheimzinnige grenservaringen, De eeuwige reis – de cultus rondom de dood. Aan u de uitdaging om te traceren welke met raadselen omgeven items door Göbel en de zijnen klip en klaar ontvouwd worden. Op transparante en toegankelijke wijze geven zij in woord en beeld antwoord op de meest intrigerende vragen.

Dit zeer aansprekende werk roept erom geciteerd te worden. Ik ga voor ‘Sodom en Gomorra: raadselachtige ondergangsverhalen’. ‘Aan het feit dat zich zulke catastrofes kunnen voordoen zal niemand twijfelen,want er zijn voorbeelden over de oudste en jongste tijden: Pompeji werd bij de uitbarsting van de Vesuvius door lavastromen verzwolgen, Bam in Iran en Port-au-Prince op Haïti werden door aardschokken met de grond gelijkgemaakt, Hiroshima en Nagasaki gingen in een atoominferno ten onder. Omdat zulke rampen zo veel leed veroorzaken, worden ze in religieuze mythen geduid als straf van de goden voor het zondige en hoogmoedige leven van de inwoners. Ook bij de ondergang van de steden Sodom en Gomorra in het Nabije Oosten gaat de Bijbel uit van een straf van God: ‘Toen deed de Heere zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van den Heere uit den hemel’ (Genesis 19:24) en ‘Ziet, dit was de ongerechtigheid uwer zuster Sodom’ (Ezechiël 16:49). Ook in de Koran wordt het einde van beide steden aangehaald: ‘Wij zullen gewis een straf van de hemel op de bewoners dezer stad nederzenden, wegens hun overtredingen’ (Soera 29:34).

Zoektocht naar feiten In de drie grote geloofsgemeenschappen die in het Nabije Oosten hun wortels hebben, wordt de ondergang van de twee steden gezien als archetypisch voorbeeld van een door God gezonden straf, kritische wetenschappers nemen tegenwoordig geen genoegen meer met een dergelijke uitleg. Ze willen feiten, zoeken plaats, tijd en mogelijke oorzaak van de legendarische catastrofe. Daarbij stuiten ze echter vaak op de grenzen van hun kunnen. De plaats schijnt tegenwoordig wel bekend te zijn: Sodom en Gomorra lagen kennelijk op de zuidoostelijke oever van de Dode Zee of daar in de buurt, misschien bij de huidige plaatsen Bad edh-Dhra (Sodom) en Numeira (Gomorra). Daar wijst een 1 meter dikke puinlaag in ieder geval op een enorme brand.

Vuur of water? Interessanter dan het waar is echter het waardoor. Bij de zoektocht naar de oorzaak van een catastrofe is het van fundamenteel belang vast te houden aan de feiten, zoals archeologische en logische aanwijzingen, maar ook aan geschreven bronnen. Deze beschrijven een vuurstorm rond Sodom en Gomorra, waarbij vuur en zwavel uit de hemel zijn gevallen. Sodom betekent inderdaad ‘brandend’, maar Gomorra ‘overspoeld’. Hoe konden aan de Dode Zee zulke tegenstrijdige elementen als water en vuur tegelijk een rol spelen? Meerdere theorieën hebben die lastige vraag proberen te beantwoorden, waarvan sommige zich zelfs beroepen op buitenaardse krachten. De inslag van een bijzonder hemellichaam, een asteroïde, lijkt nog behoorlijk plausibel; een atoomaanval van buitenaardse bezoekers, zoals onder anderen geopperd door de Zwitserse schrijver Erich von Däniken, daarentegen niet.

Diepe slenken De geologische omstandigheden, met name de ligging van de Dode Zee in de Jordaanslenk, pleiten eerder voor een aardse oorzaak. Aan de randen van geologische slenken komen veel aardbevingen voor. Op de bodem van dergelijke slenken zetten zich vaak sedimenten af die koolwaterstoffen bevatten. Uit die sedimenten komt het licht brandbare methaan vrij, dat in het meer oplost en opstijgt naar het wateroppervlak waar het in de atmosfeer vervluchtigt. Is zo’n meer echter heel diep en zout, zoals de Dode Zee, dan belemmert de druk van de waterkolom de langzame, ongevaarlijke gasdoorlaat. Er vormen zich methaangasbellen in de onderste waterlagen. Ontstaat er vervolgens een aardverschuiving, dan wordt de stabiele laagstructuur door elkaar geschud. Het methaan ontsnapt in grote hoeveelheden en kan bijvoorbeeld tot ontploffing komen door vuurtjes op de oever van het meer. Het regent dan vuur en zwavel uit de hemel. En op de aardverschuiving volgt ook nog een tsunami die de oevers onder water zet. Zo te zien hebben de oude namen Sodom en Gomorra dus wel degelijk bestaansrecht.

 
CULTUURMIX 19 MAART
 

WILLEM RUYS

Wat jaren terug mocht ik u de geboorte melden van twee reusachtige, formidabele werken die zich het beste lieten omschrijven als geweldige en grandioze kijk- en leesalbums. Naar vorm en naar inhoud onderscheidde het duo zich immers als maritieme juwelen vervaardigd door daverend deskundige auteurs die hun liefde voor al wat vaart ronduit laten blijken. Ik heb het over Willem Ruys van Frans Luidinga en Nico Guns met de respectievelijke ondertitels De kroon op de vloot - en de ondergang als Achille Lauro.

Met gevoelens van intense vreugde kan ik u nu de wedergeboorte van deze twee tintelende boeken melden, want uitgeverij Van Soeren & Co zag de noodzaak en had de durf om deze kloeke – want gezamenlijk 1272 grote bladzijden tellende – edities recent op de markt te brengen. Woorden schieten mij tekort om de schoonheid van de twee te schetsen. Ze zijn een lust voor het oog en een streling van het gemoed. Ze vormen een waar sieraad op uw boekenplank en in uw handen. Wikipedea zegt het zo: ‘Het motorschip ‘Willem Ruys’ werd in 1938-1947 gebouwd als passagiersschip voor de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd. Als Italiaans cruiseschip onder de naam Achille Lauro is het vaartuig bekend geworden door de kaping in 1985 en de brand en ondergang in 1994.’ Luidinga en Guns nemen gelukkig veel meer ruimte om de loftrompet te steken op de Willem Ruys. Het is puur genot hun loflied op dat sierlijke schip te horen zingen. Zeker weten!

Ik stel u voor enkele tochten door het tweetal Willem Ruys te maken om u de onvergankelijke elegantie, de onverbiddelijke waarde, de historische relevantie, de tintelende toegankelijkheid ervan en de bruisende belezenheid, het imponerende vakmanschap, de nijvere inzet van Frans Luidinga en Nico Guns te doen proeven. Nu volsta ik met het aan u doorgeven van ‘Woord vooraf’ en dat nadat ik de titels van de in totaal negen delen verstrekt heb. Om u de smaak te pakken laten krijgen! Deel 1 Ontwerp (1929-1937), 2 Bouw tot aan de oorlog (1938-1940), 3 Tijdens de oorlog (1940-1944), 4 Bouw na de oorlog (1944-1947), 5 Interieurs, 6, Installaties 7 Passage tot aan de overdracht van de soevereiniteit + achttien Bijlagen (!) en deel 2 1 Motorschip Willem Ruys, 2 Motonave Achille Lauro + een Bijlage. Ik zeg het niet snel, maar Willem Ruys is een unieke uitgave. Ik zeg het bijkans nooit maar Willem Ruys is het ultieme boek. Nu het woord aan de auteurs.

‘In het blad ‘De Ingenieur’ (1948) publiceerde ir. L.W. Bast een artikel over de Willem Ruys waarin hij opmerkte: ‘Toen met het ontwerpen begonnen werd, kon weinig worden vermoed, dat dit schip eerst 10 jaar later gereed zou komen. Het ontwerpproces heeft een zeer bewogen geschiedenis medegemaakt, hetwelk een boek op zich zelf zou vormen.’ Nu, bijna 60 jaar later, ligt zo’n boek voor U. Het unieke feit doet zich voor, dat nergens ter wereld een passagiersschip zó lang op de bouwhelling heeft gestaan als bij de Koninklijke Maatschappij De Schelde: het dubbelschroefmotormailschip dat vanaf 1938 in aanbouw werd genomen voor de Rotterdamsche Lloyd. Bij de werf kreeg het de aanduiding bouwnummer 214, bij de rederij refereerde men er meestentijds aan als de ‘Schelde 214’. Een extra bijzonderheid is, dat het grootste deel van de tijd-op-de-helling donkere oorlogstijd was. Mede daardoor werd het casco, dat al die jaren hoog boven de stadsbebouwing uit torende, voor de bewoners van Vlissingen en van de regio ver daaromheen tot symbool van ‘Nederland zal herrijzen’. Toen het schip na de oorlog, eind 1947. voor de rederij in de vaart kwam, verwierf het bij vele landgenoten in Nederland en Nederlands- Indië een warm plaatsje in hun hart. De prachtige lijnen van het schip en de moderne interieurs vormden een staaltje van eigentijdse, vakbekwame Nederlandse scheepsbouw; zij oogstte volkomen terecht grote bewondering in het buitenland. Bij de overdracht van de ‘Willem Ruys’ in december 1947 viel de Rotterdamsche Lloyd de eer te beurt het predikaat ‘Koninklijk’ te verwerven. Van toen af aan voerde de rederij trots een kroontje in de maatschappijvlag. De indienststelling van de prachtige ‘Willem Ruys’ vormde waarlijk de kroon op de vloot. Het schip was weliswaar ontworpen voor de pendelvaart op de Oost, maar moest door het wegvallen van onze Nederlands-Indische kolonie noodgedwongen emplooi gaan zoeken op andere routes.

De handtekening die koningin Juliana in de Burgerzaal van het Koninklijk Paleis op de Dam onder de akten van overdracht van soevereiniteit aan en erkenning van Indonesië zette, impliceerde voor de ‘Willem Ruys’ een ingrijpende verandering in haar maritieme loopbaan. Het lukte de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd (KRL) nadien om voor haar prachtige vlaggenschip een bevredigend alternatief te vinden: met succes ging de ‘Willem Ruys’ op haar uitreizen emigranten vervoeren naar Amerika, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland, en op de thuisvaart naar Rotterdam bracht zij vele repatrianten uit Indonesië naar het vaderland terug. In combinatie daarmee en soms in speciaal arrangement maakte zij recreatiereizen ‘around the world’ voor de rijken der aarde. De ‘Willem Ruys’ bleef aldus nog jarenlang voor de KRL onder Nederlandse vlag in de vaart. Toen dit bedrijfseconomisch niet langer verantwoord was, zag de oude Rotterdamse maatschappij zich genoodzaakt haar kroonjuweel af te staan. In 1965 werd zij verkocht aam de Flotta Lauro in Genua. De Italianen verbouwden haar tot exclusief cruiseschip, dat internationale bekendheid verwierf, mede door een spectaculaire terroristische kaping van het schip. Onder de naam Achillo Lauro voer de Vlissingse schoonheid nog vele jaren voor haar nieuwe meesters, totdat zij in 1994 door brand werd verwoest en op de Indische Oceaan voor de kust van Somalië ten onder ging. In de periode dat wij ons als auteurs verdiepten in de geschiedenis van de ‘Willem Ruys’ verzamelden wij een overstelpende hoeveelheid materiaal. Wij waren ons zeer bewust van de nostalgische waarde van veel daarvan voor de talloze mensen die nog steeds ‘iets hebben met de ‘Willem Ruys’, alsmede van de historische waarde ervan voor latere generaties. Bovendien beseften wij, dat er vrijwel geen uitgever zal zijn als dr. Walter Wybrands Marcussen, die ons zó in de gelegenheid stelde in extenso te publiceren over één schip en haar historie. Daarom kozen wij er al snel voor om niet nodeloos te comprimeren, maar het tekst-en-beeld-verhaal in twee delen het licht te doen zien. Als cesuur kozen wij de in velerlei opzicht ingrijpende overdracht van soevereiniteit aan de nieuwe Republik Indonesia van president Soekarno; eind december 1949. Bovendien was het door het hanteren van dat omslagpunt mogelijk om het vele tekst- en beeldmateriaal te ordenen en uit te geven in twee ‘gelijkwaardige delen’, Het verheugt ons zeer dat beide delen inmiddels aan een herdruk toe zijn.’    

SPOOR NAAR WOESTE HOEVE

Een saluut van respect breng ik aan de onderzoeker en de schrijver van dit relaas, dat getuigt van gedreven eerbetoon en van noeste waarheidsvinding. Ik heb het over het 357 bladzijden tellende werk Spoor naar Woeste Hoeve van Richard Schuurman en van uitgeverij Verloren met de ondertitel ‘De zoektocht naar de geëxecuteerde piloot Czeslaw Oberdak’. Gevoelens van ontzag heb ik vooral voor Schuurmans reactie op de in 1991 geschreven hulpkreet van Oberdaks zuster.

Met mijn ouders, broers en zus bracht ik in late jaren veertig en vroege jaren vijftig steevast de vakanties door op de Veluwe. Een vast ritueel was daarbij dat wij naar Woeste Hoeve aan de Oude Arnhemseweg onder Beekbergen fietsten om stil te staan bij de plaats waar 117 mensen maart 1945 door de Duitsers doodgeschoten werden. In latere tijden herhaalde ik tijdens fietstochten met de zoons deze bezoeken en in de jaren van dit millennium deed ik dat met mijn echtgenote. Het definitieve monument dat er sinds 1992 op de executieplek staat, heeft als onderdeel een rode bakstenen pleintje met daarvoor een gedenksteen met verzen van Dietrich Bonhoeffer: ‘Als je van iemand houdt En je bent van diegene gescheiden Kan niets de leegte vullen Je moet dit niet proberen Je moet eenvoudig aanvaarden en volharden Dat klinkt erg hard Maar het is ook een grote troost Want zo lang de leegte werkelijk leegte blijft Blijf je daardoor met elkaar verbonden’. De Duitse lutherse predikant en theoloog Bonhoeffer was om zijn geloof ‘particuliere gevangene’ van Adolf Hitler en werd vlak voor het einde van de oorlog in concentratiekamp Flossenburg na een schijnproces door de Gestapo opgehangen. Zijn laatste woorden waren ‘Dit is het einde, voor mij het begin van het leven’. De beelden van monument Woeste Hoeve, de dichtregels van Bonhoeffer, maar vooral de gedachten aan die wrede moord op massale schaal draag ik immer met mij mee.

Ik nodig u nu uit volgende keer  een tocht te maken door het huzarenstuk dat journalist bij Omroep Flevoland Richard Schuurman leverde met Spoor naar Woeste Hoeve. Hij volhardde in zijn zoektocht waarbij hij werd gestimuleerd door o.a. persoonlijke aandrang van Poolse nabestaanden, nieuwe technische vindingen, vondsten in archieven, onbehagen over naoorlogse gerechtsgang, maar vooral door de innerlijke drang om de historische waarheid op heterdaad te betrappen. Om u in de sfeer te brengen van zijn zoektocht geef ik de titels van de hoofdstukken. De brief – Onderweg – Vliegen – Mayday – Ondergedoken – Todeskandidat – Doelwit Rauter – 8 Maart – Waar is Czeslaw? – ‘Dit is niet meneer Oberdak – Schuld – Bingo! – ‘Ik begroet je, lieve broer’ – De laatste. In deze veertien steekwoorden zit het levensverhaal van Oberdak. In de rubriek ‘Vandaar dit boek’ introduceert Schuurman zelf zijn boek onder de titel ‘De wanhoop van zijn zus trof mij’.

Ik citeer integraal. ‘De zoektocht naar de geëxecuteerde Poolse piloot Czeslaw Oberdak begon met een brief die op een goede dag in 1991 op mijn bureau belandde, toen ik nog werkte voor de ‘Zwolse Courant’. Het was een in het Duits gestelde brief van een zekere Ludmila Kaczmarska die al 46 jaar op zoek was naar haar broer Czeslaw. Als 18-jarige was hij in 1939 de deur uitgegaan om gevechtspiloot te worden. In 1939 brak de oorlog uit, werd Polen verscheurd en moest hij vluchten. Na veel omwegen kwam hij in Engeland terecht,waar hij in dienst trad bij de RAF. Hij kon geen brieven sturen, maar wel pakketjes. Zijn familie wist zo dat hij ergens in het buitenland zat. Na de oorlog hoorden zij niets van hem en over zijn lot was niets bekend. Zij gingen ervan uit dat hij was gesneuveld, maar zeker wisten zij dat niet. Het verzoek van de zus kon ik niet weigeren. Het leek me journalistiek een interessant verhaal. Zij las in 1990 een Pools boek dat haar broer in 1944 in de buurt van Zwolle een noodlanding had moeten maken. Ik wilde weten hoe dat zat. Maar vooral werd ik getroffen door de wanhoop van een zus die na zoveel jaar nog niet opgeeft. Na een week had ik al de contouren van zijn verhaal staan. Oberdak bleek na een noodlanding bij het buurtschap Dalmsholte te zijn opgenomen door het verzet in het nabij gelegen Ommen. Daarna verhuisde hij naar verschillende onderduikadressen. Van iemand uit het verzet kreeg ik een foto waarop hij met andere onderduikers sinterklaas vierden. Toen had ik een gezicht en was ik vastbesloten om zijn levenseinde te reconstrueren. Cruciale informatie kreeg ik van Frank Coslett, een Amerikaan die samen met Oberdak dezelfde onderduikroute had afgelegd. Hij vertelde dat zij op 24 december 1944 waren gearresteerd en ter dood veroordeeld. Op 8 maart 1945 is Oberdak vanuit gevangenis De Kruisberg in Doetinchem meegenomen om te worden geëxecuteerd. Op die dag waren er twee executies. Van die in Varsseveld waren alle namen van de slachtoffers bekend. Bleef over de executie bij Woeste Hoeve. Van de 117 vermoorden bleken er twee niet geïdentificeerd. Een van die twee, die inmiddels op erebegraafplaats Loenen waren begraven als Onbekende Nederlander, kon Oberdak zijn. In Engeland is er een dossier opgevraagd met zijn medische gegevens en zijn de resten van die onbekende opgegraven. Er bleven te veel vraagtekens om zekerheid te verschaffen. Vanaf dat moment in 1995 liep het onderzoek vast. Dat veranderde pas in 2005 toen in Polen een commissie onderzoek ging doen naar de moord op Oberdak. Zij wilden gebruikmaken van dna- onderzoek. De resten zijn weer opgegraven en vergeleken met het dna van zus Ludmila. Daaruit bleek een verwantschap. Oberdak is in 2009 met militaire eer in Krakow herbegraven en ik kreeg voor mijn inspanningen een lintje. Daarmee eindigde mijn zoektocht nog niet, omdat het verhaal rond Woeste Hoeve me niet bevredigde. De officiële lezing is dat op 8 maart een verzetsgroep in het gehucht Woeste Hoeve ‘per ongeluk’ de auto van SS- generaal Hans Rauter onder vuur had genomen. De Duitsers schoten een dag later uit wraak 117 mensen bij Woeste Hoeve dood. Daarover is in 1946 in een boek een verhaal verschenen, geschreven door het verzet. Wat me opviel was dat de verhalen daarna over deze schokkende gebeurtenis precies hetzelfde zijn en dat nooit is uitgezocht of die feiten klopten, Uit mijn onderzoek blijkt dat eigenlijk maar één Duitser voor de executie bij Woeste Hoeve in de cel heeft gezeten. De rechtbank heeft destijds die executie niet apart behandeld zodat de grote lijnen nooit zichtbaar zijn geworden. De zaak is helemaal niet zo duidelijk als het verzet na de oorlog heeft gesteld. Het is voor mij echt nog de vraag of de aanslag op Rauter toeval was of dat hiervoor opdracht was gegeven. Of prins Bernhard opdracht heeft gegeven voor de aanslag op zijn aartsvijand Rauter? Wie zal het zeggen? Ik heb vrij veel nieuwe details gevonden, maar het mysterie rond Woeste Hoeve heb ik helaas niet kunnen wegnemen.’  

 
CULTUURMIX 12 MAART
 

HET BOEK VAN HET GEDRUKTE BOEK

Mijn woorden schieten schromelijk tekort om de schoonheid van dit 464 grote bladzijden tellende kijk- en leesalbum te schetsen. John Keats dichtte twee eeuwen terug de openingsverzen ‘A thing of beauty is a joy for ever: Its loveliness increases’ en dit unieke en ultieme werk gaan ze helemaal op. Ik heb het over het superbe Het boek van het gedrukte boek van conservator Mathieu Lommen en van Amsterdam University Press met de ondertitel ‘Een visuele geschiedenis’. Deze nadere toelichting is juist gekozen, want het gaat om een panorama van maar liefst 125 bijzondere boeken die naar vorm en inhoud zicht aanreiken op meer dan vijf eeuwen westers boekontwerp, startend in 1471 en finishend in 2010. U krijgt op uw netvlies aangereikt plaatwerken over o.a. geometrie, krijgskunde, geneeskunde, dichtkunst, religie, architectuur, kalligrafie, archeologie, botanica, antieke grafkunst, emblemata, lexicografie, kaarten en liedboeken. Zo passeren in het hoofdstuk ‘De Nederlandse Gouden Eeuw’ in volle glans en glorie de revue o.a. Nieuwe beschryvinghe ende caertboeck vande Midtlandtsche Zee van Willem Barentsz, Spiegel der schrijfkonste van Jan van den Velde,’ L’ idea della architettura universale van Vincenzo Scamozzi, Amsterdamsche Pegasus van Paulus Aertsz van Ravesteyn, Academie de l’espée van  Gerard Thibault en Grooten atlas, oft werelt-beschrijvinghe van Johan Blaeu. Deze werken zijn een lust voor het oog en een streling van het gemoed en dat geldt ook voor de overige specimina van het grafisch ontwerpen in ons Het boek van het gedrukte boek, dat het accent verdient op het eerste lidwoord, want het gaat om een heuse canon, een waar referentiekader. In deze visuele geschiedenis is boekvormgeving in al zijn gedaanten te zien: als naslagwerk en kunstwerk, als ‘machine à lire’ en beeldboek, en als prestigeboek en wegwerppocket. Om u een indruk te geven van de diversiteit van dit fabelachtig mooie album geef ik u de eerste vijf werken. ‘Elegantiae linguae Latinae’, Dialogus creaturarum moralisatus’, ‘Elementa geometriae’, ‘De re militari’, ‘Van den proprieteyten der dinghen’ heten ze en dateren uit de 15de eeuw.  Ze vinden hun voorlopige eindstreep in o.a. ‘Those lips, those eyes: a celebration of classic Hollywood sensuality’ van Paula Scher uit 1992 en  ‘Vinex-atlas’ van Joost Grootens uit 2008.

Bij dit grandioze scala van meesterwerken uit de boekdrukkunst dringt de vraag zich op van: aan welk werk geven Mathieu Lommen en de zijnen de prix d’honneur? Zij laten zich echter niet kennen, zij houden het netjes in het midden. Eén keer maar komen zij voor de draad, want bij ‘Hypnerotomachia Poliphili’ luidt het ‘wordt wel het mooiste boek genoemd dat ooit is gedrukt’. Ik heb ook mijn voorkeur: de prenten Surinaamse insecten van Maria Sibylla Merian uit 1719. Om u de toegankelijkheid van ‘Het boek van het gedrukte boek’ te etaleren ga ik eruit citeren en wel met het gezegde onder een verkozen werk uit 1499.

‘De Hypnerotomachia Poliphili (De gedroomde liefdesstrijd van Poliphilus) van Aldus Manutius (ca. 1451-1515) wordt wel het mooiste boek genoemd dat ooit is gedrukt. Zowel wat inhoud als vorm betreft, is het een echt Renaissanceboek. De ‘Poliphilus’ is een allegorische liefdesroman, spelend in een oudheid zoals de Renaissance die zich voorstelde: een wereld waarin architectuur, tuinen en optochten een grote rol spelen, steeds in een symbolische context. De held Poliphilus reist naar de menselijke ziel, naar ‘de ware liefde’. Ook al is het zet- en drukwerk naar moderne maatstaven niet perfect, wat betreft de typografische vormgeving is het boek baanbrekend gebleken. Er is maar één drukletter (in één corps) gebruikt. Die in opdracht van Manutius ontworpen romein vormt een fraai voorbeeld van de nieuwe vormen die de Italiaanse Renaissance bracht. Ook de grote versierde initialen, van houtsneden gedrukt, ademen de geest van de nieuwe artistieke beweging, evenals de beroemd geworden illustraties (houtsneden), waarvan men aanneemt dat ze door Benedetto Bordone (1488-1530) ontworpen zijn. De lay-out toont vormen, in het bijzonder de omgekeerde driehoek, die tot de visuele typografie worden gerekend. Geheel nieuw was in 1499 het aangeven van een alinea door het inspringen met een blokje wit. Het boek heeft grote invloed uitgeoefend op de kunsten, in het bijzonder de iconografie. Voor boekenverzamelaars is deze eerste druk nog steeds een begeerd object.’

Als u vervolgens de serie  afbeeldingen uit Hypnerotomachia Poliphili gadeslaat, traceert u een van de vele verdiensten van dit rijk geïllustreerde album: u gaat met andere, betere ogen naar typografische werken kijken. Op Het boek van het gedrukte boek raak ik niet uitgekeken en uitgepraat, dus ga ik de volgende keer verder.  

DE DAGBOEKEN VAN BERNIE & ELLIS

De 360 bladzijden met voor het merendeel uit de eerst hand geschreven  navrante berichten uit de Tweede Wereldoorlog, preciezer: de Holocaust of Shoah, nam ik met ingehouden adem tot mij en zat stuk. Ik heb het over De dagboeken van Bernie & Ellis van Ellis Lehman-Cohen Paraira en Shulamith Bittan-Lehman en van uitgeverij Balans met de ondertitel ‘Een Scheveningse liefde in oorlogstijd’. Twee jonge geliefden zijn van elkaar gescheiden en schrijven elkaar. Op het oog is dat niet zo bijzonder, maar de omstandigheden zijn bizar wrang. Het is 1942 en Bernie Spier en Ellis Cohen Paraira dreigen het slachtoffer te worden van de vervolging der Joden, die begon na de beruchte Wannseeconferentie. Zo moeten zij zich melden en registreren, krijgen zij een gele Jodenster en  een grote J op het persoonsbewijs, dienen zij de fietsen in te leveren, mogen zij niet met het openbaar vervoer reizen, zien zij steeds vaker ‘VOOR JODEN VERBODEN’. De van rassenhaat vervulde woorden staan overal: in cafés, dancings, zwembaden, bioscopen, noem maar op. Dus openen Joodse families hun huizen, ook voor Bernie en Ellis. Zo’n twintig Joodse meisjes en jongens uit Scheveningen treffen elkaar iedere zaterdagavond weer bij een andere familie. Er wordt gedanst, geflirt, maar ook een veel gepraat, geboomd, gediscussieerd. Op een van die fuifjes springt ineen de vonk tussen de twee over en zijn ze sindsdien onafscheidelijk. Een prille, mooie liefde bloeit op tussen beiden, hoewel zij nog geen achttien jaar zijn. Maar dan komen op die fatale 19 juli 1942 in het gezin van Ellis de oproepen voor tewerkstelling in het Oosten binnen. Vader Cohen Paraira besluit onder te duiken en dat met de hulp van zijn baas Schuppen, die in de verzetsbeweging de ondergrondse zit. Hij en anderen helpen Joden en andere vervolgden. Zo overleeft het hele gezin de nazi- rampspoed, in tegenstelling tot  dat van de Spiers. Bernie en de zijnen trachten wat later ook aan de Duitsers te ontkomen, maar dit tevergeefs. De Joodse jongeling wordt in een concentratiekamp op snode wijze omgebracht. Als Bernie en Ellis elkaar voor de laatste keer ontmoeten spreken ze af beiden een dagboek bij te houden. Een passage geschreven door Ellis, waarin daarover gerept wordt, laat ik u hierna opklinken. Op de geschriften die zij een dikke drie maanden aan elkaar richten is ons aangrijpende boek gebaseerd. Een paar maal wil ik u nog verhalen over De dagboeken van Bernie & Ellis, dat opgedragen is, met innige dankbaarheid, aan de moedige Nederlanders, die met gevaar voor eigen leven en dat van hun families Joodse medeburgers verstopt of op andere wijze geholpen hebben, drie lange jaren lang, en daarmee hun leven gered hebben. De vraag ligt voor de hand: hoe is het dagboek van de vermoorde Bernie in de handen van Ellis gekomen? De entree van het eerbetoon aan Bernie geeft het antwoord.

‘Ik open het raam van mijn gezellige meisjeskamer en laat de decemberzon naar binnen. Alles is perfect. Een strakke, blauwe lucht, geen kans dat het vandaag gaat regenen. Ideaal weer voor een bruiloft. Mijn bruiloft! Met Elmi Lehman, een soldaat uit Palestina, die ik drie maanden geleden heb ontmoet. Over drie uur ben ik een getrouwde vrouw. Ik, Ellisje, zal mevrouw Lehman worden. Moet ik me dan anders gaan gedragen? Ik maak de laatste knoopjes van mijn witte trouwjapon dicht. ‘Ellis,’ hoor ik de stem van mijn vader onder aan de trap roepen, ‘er is een pakje voor je gekomen met de post. Wil je even komen kijken?’ ‘Ik heb geen tijd, ik moet mijn haar nog krullen,’ roep ik. ‘Maak jij het maar open,’ Er is zoveel te doen als je een mooie bruid wil zijn… Maar toch ben ik nieuwsgierig, Ik loop de trap af, waar papa staat met een klein pakje in zijn hand. Hij ziet mij in mijn geleende trouwjurk. ‘Om wat ben je mooi, meisje!’ zegt hij. Ik neem het pakje van hem aan. ‘Waarschijnlijk een cadeautje van een van jullie vrienden, die niet op de bruiloft kan komen, hê?’ vraag ik. ‘Nee,’ zegt mijn vader, ‘ik ken die mevrouw niet.’ Ik kijk naar de afzender, Ik ken de naam van de afzender ook niet. Het pakje is in bruin papier gewikkeld en ziet eruit als of het door vele handen is gegaan. Het is blijkbaar eerst naar ons oude adres gestuurd, naar de Deventersestraat 14 in Scheveningen. Daarna ging het terug naar het postkantoor, waar ze het nieuw adres, Gentsestraat 103, erop hebben geschreven. Ik kijk naar het poststempel. Ik kan de naam van de stad niet lezen, maar de datum wel. Het pakje is opgestuurd op 14 november. Vandaag is het 12 december 1945. Het is bijna een maand onderweg geweest! Ik scheur het pakpapier eraf. Er zit een klein schriftje in, mooi gebonden, in groen leer. Ik sla het open. De bladzijden in het schrift zijn van de eerste tot de laatste beschreven. Met Bernies handschrift. Om me heen begint alles te draaien, Ik moet op de trap gaan zitten. Het schriftje valt uit mijn plotseling trillende handen. Ik sluit mijn ogen. ‘Kindje, kindje dan toch,’ klinkt de angstige stem van mijn vader. ‘Wat heb je? Waarom ben je opeens zo bleek? Wat is er?’ Ik kan alleen maar stamelen. ‘Het is van Bernie. Het is het dagboek van Bernie.’ Heel lang, tot 2007, is het gevoel bij Ellis gebleven dat zij  Bernie verraden heeft. Pas op aandringen van haar man en dochter Shulamith besluit zij de dagboeken uit te geven, ook in Israël.

De afspraak: ‘Ik herinner mij de laatste avond van Bernie en mij samen. Hoe we op mijn bed zaten, vaak samen huilend. Paps kwam af en toe kijken. Zogenaamd om te vragen of alles met ons in orde was, Bernie en ik maakten afspraken ‘voor later’. We zouden beiden een dagboek bijhouden, zeiden we. Als we elkaar dan weer zouden zien, wanneer de oorlog voorbij was, konden we precies lezen wat de ander had meegemaakt. ‘Waar treffen we elkaar als de oorlog afgelopen is? vroeg ik hem. ‘Bij jouw huis of het mijne,’ zei Bernie. ‘Misschien bestaan die huizen dan helemaal niet meer,’ bedacht ik. ‘Als de invasie in Scheveningen plaatsvindt, kan het best zijn dat dáár gevochten wordt. Misschien zijn er van die straten alleen maar puinhopen over. We moeten een andere plaats bedenken, een plein of zo. ‘Het Belgisch Plein?’ stelde Bernie voor, en allebei glimlachten we. In de lente van 1942, toen de bomen nieuwe groene blaadjes begonnen te baren. Hadden wij daar menig uurtje gezeten op ‘ons’ bankje op het Plein en genoten van het ontluikende leven om ons heen, zoals ook onze liefde aan het ontluiken was. Het Belgisch Plein was nauw verbonden met een gesprek dat we daar hadden gehad, waarbij we hadden besloten na de oorlog samen een gezin te gaan stichten en altijd bij elkaar te blijven. We hadden zelfs over onze toekomstige kinderen gesproken en toen ik Bernie vertelde dat mijn moeder een van een drieling was geweest begon hij te overwegen wat we moesten doen als wij ook op een bepaald moment zoveel baby’s op ons dak kregen. Hij ging daar heel ernstig op in en overwoog alles alsof het al voor de deur stond. Ik vond hem zo schattig, dat ik hem onstuimig omhelsd had. Bernie noemde dat ‘onze eerste echte kus’. Dat gebeurde in de lente van 1942, op een dinsdagmiddag om vier uur. En iedere keer daarna als we op die plaats kwamen (en dat was vaak), eiste hij een zoen van mij. ‘Als we niet weten waar we dan wonen, wachten we op elkaar iedere dinsdagmiddag om vier uur op het Plein,’ besloot Bernie nu. ‘En als ik er niet ben, blijf je niet langer dan een uur wachten, want als ik in leven ben, sta ik er al om twee uur ’s middags en misschien slaap ik zelfs wel de nacht ervoor op het bankje, om op tijd te zijn.’ ‘Als het bankje er dan nog staat,’ besloot ik.’

U begrijpt mij helemaal als ik zeg dat dit verhaal van een liefde in oorlogstijd ook een loflied op de liefde is.

 
CULTUURMIX 5 MAART
 

DE BUURMAN

Ik heb het geschrift nog maar een paar dagen in huis, heb nog maar een goede vijftig bladzijden eruit tot mij genomen en wil u desondanks toch al melding van het bestaan ervan maken. Ik heb het over de 304 bladzijden tellende roman De buurman van J.J. Voskuil en van uitgeverij Van Oorschot. Laat ik het maar klip en klaar zeggen: een nieuwe Voskuil verdient het zo snel mogelijk aangekondigd te worden, want per definitie is die naar vorm en naar inhoud een literaire kraker. De volkskundige annex schrijver leefde van 1926 tot 2008, er is sprake van een postume uitgave. De vraag luidt dan ook: waarom geen eerdere publicatie van het werk dat jaren terug afgerond werd? In het ‘Woord vooraf’ geeft Voskuils weduwe Lousje uitsluitsel:

‘In 2001 had mijn man De buurman af. Hij wilde het publiceren. Ik las het en was niet zo enthousiast. Er werd weer erg veel geruzied, maar mijn grootste bezwaar was dat een van de hoofdpersonen erdoor zou worden gekwetst. Dus zag mijn man van publicatie af. Toen hij in 2008 overleed, leefde deze hoofdpersoon nog. Hij overleed onlangs, in 2011. Mijn grootste bezwaar was daardoor weggenomen. Ik voel mij tegenover mijn overleden man verplicht mij over mijn kleinere bezwaar, het geruzie tussen hem en mij, heen te zetten, en het boek alsnog te publiceren. Het is natuurlijk een prachtig boek.’ Dat de laatste zin van Lousje sowieso mij uit het hart gegrepen is, wil ik u etaleren door een passage te citeren.

Maar eerst dit. De eerste vijftig pagina’s van De buurman wierpen mij pardoes in het domein dat Voskuil zo eigen is, want de hoofdpersonages Maarten en Nicolien, die bijna één op één naar de werkelijkheid gemodelleerd zijn, maken elkaar het leven zout en zuur. Ze riepen in mij wakker de schurende en botsende  scènes die zich voordeden in het huwelijk van Voskuils alter ego Maarten Koning dat zich presenteert in de zevendelige roemruchte romancyclus Het Bureau. Ook nu reikt Voskuil ons beelden uit de jaren tachtig aan. Maarten en Nicolien worden in hun bestaan geraakt door de komst van de twee nieuwe buren Petrus en Peer die frank en vrij hun homoseksuele relatie etaleren. In het achterhuis aan de Amsterdamse Herengracht komt het tot een vriendschap tussen de vier, waarbij de kinderloze Nicolien zich wil onderscheiden door het opkomen voor de zogenaamde underdogs, die hier als homo’s in de hoek zitten waar de klappen vallen. Volgende keren maak ik met uw goedvinden een leesexcursie door De buurman. Het accent zal daarbij liggen op de ontmoetingen, beter: confrontaties tussen de twee stellen. Meesterlijk vind ik hoe Voskuil via dialogen zijn personages achterna weet te zitten, tot in het bizarre. Ik bemin lectuur die het leven op heterdaad betrapt en dan in literaire vorm gestalte geeft. Waarom ik graag lees? Veel boeken geven mij beter zicht op het leven. Veel boeken verleggen de eigen horizon.

Voskuil: ‘Ze belde me aan het eind van de middag op mijn werk. ‘Je raadt nooit waar ik geweest ben!’ Haar stem was opgewonden. ‘Nee,’ gaf ik toe. ‘Bij Stallinga en zijn vriend. Ik heb daar thee gedronken,’ ‘Hé,’ ‘Wat zeg je dat ongeïnteresseerd. Verrast je dat niet?’ ‘Jawel. Natuurlijk wel.’ ‘Waarom reageer je dan niet anders?’ ‘Tja, dat weet ik niet.’ ‘Ik was niet alleen en probeerde zo neutraal mogelijk te antwoorden. ‘Nou dan leg ik maar weer neer,’ zei ze ontstemd. ‘Dan vertel ik het maar niet, als je er geen belangstelling voor hebt.’ ‘Goed, Tot straks dan.’ ‘Tot straks,’ zei ze boos. Ik legde de hoorn neer,wachtte een paar minuten en ging toen de kamer uit. Uit een lege kamer belde ik haar op. ‘Je weet toch dat ik niet kan reageren als ik niet alleen ben. Dat zou jij ook niet kunnen, Ik heb dat wel honderdmaal gezegd.’ ‘Je werk is zeker weer belangrijker’. ‘Mijn werk is niet belangrijker, maar als er iemand bij is, kan ik nu eenmaal niet over persoonlijke dingen praten.’ Ze zweeg. ‘Wat was er nou?’ ‘Ik heb nou geen zin meer om het te vertellen.’ ‘Vertel het nou maar. Het interesseert me.’ ‘Ik heb Peer op de gang ontmoet,’ zei ze onwillig, ‘en die vroeg of ik een kopje thee kwam drinken. Dat is alles.’ ‘En Stallinga?’ ‘Die was er ook bij natuurlijk.’ ‘Was die dan niet op zijn werk?’ ‘Nee, want die is vorige maand met pensioen gegaan.’ De woorden kwamen er met tegenzin uit. ‘Met pensioen!’ ‘Het zijn ontzettend aardige mensen!’ ‘Dat is leuk.’ Het klonk plichtmatig, maar ik wist niet hoe ik het anders moest zeggen. Het was een ogenblik stil. ‘Ik heb gevraagd of ze vanavond wat komen drinken,’ zei ze toen, ‘ omdat ze dan ook jou kunnen ontmoeten. Vind je dat goed?’ Aan haar stem kon ik horen dat ze daar onzeker over was. ‘Natuurlijk vind ik dat goed!’ Ik had er weinig zin in. Ik vond het niets voor haar en na wat ik van hen gezien had, had ik niet de behoefte nader kennis te maken, maar het was niet het moment om dat te laten merken.’ 

Het superbe verhaal van Voskuil zet je aan het nadenken, doet er echt toe. Zo staan de diverse relaties van de vier buren onder hoogspanning. Alle personen voelen zich bedreigd, zijn constant op hun hoede, komen elkaar te na, zitten op elkaars huid. Onderhuids snakken ze naar aimabele acceptatie, volkomen vriendschap, gemeende genegenheid. Loodzwaar het boek dus? De vele specimina op en tussen de regels van het verschijnsel humor laten het heerlijk licht lezen. 

GESTAMELD LIEDBOEK

Het begin van de 191 bladzijden tellende roman Gestameld liedboek van Erwin Mortier en van uitgeverij De Bezige Bij met de ondertitel ‘Moedergetijden’ is in medias res. De lezer wordt meteen midden in het verloop geplaatst. Nog abrupter: hij wordt in één keer in het diepe gegooid, hij wordt abrupt geconfronteerd met de stand van zaken. Er is geen sprake van een begin ab ovo, waarbij via een inleiding de eigenlijke handeling op gang komt.

Ik citeer de eerste scéne. ‘Mijn moeder heeft me vandaag een stofbeurt gegeven, ze meende dat ik een meubel was. Misschien een ladekast of een oud fornuis, Ze ging met een helgeel doekje over de knopen in mijn hemd, naar mijn hals toe, wimpelde ermee rond mijn oren, stofte mijn kin af, Toen gaf ze een teken dat ik mijn mond moest openen – en propte daar de stoplap in en vergat ons.’ Zo begint de Vlaamse auteur geboren in 1965 het relaas van de door Alzheimer geteisterde eigen moeder. In mijn jeugdjaren woonde ons gezin naast de familie Voet waarvan de in leeftijd ver gevorderde opoe niet op orde was. De beminnelijke, oude vrouw was kinds, dus zij was zwak van begrip geworden. Synoniemen voor dat woord leerde ik later; zo seniel, dement, suf, onnozel en kierewiet. De ernst van de ziekte zag ik niet in, totdat ik de roman Hersenschimmen van J. Bernlef uit 1984 las. Hoofdpersonage Maarten Klein ervaart dat alles wazig en warrig in zijn hoofd wordt. Dementie is een martelgang en Bernlef beschrijft die kwaal van de patiënt uit, dus vanuit de ik-figuur Maarten Klein. Stapje voor stapje takelt de man van 71 jaar af, zijn denken wordt troebel. De literaire truc van de auteur is dat in feite deze aanpak niet kan. Hoe kan immers iemand die gekweld wordt door schimmen in de hersenen, een voor iedereen bevattelijk helder verslag aanreiken? In Gestameld liedboek is het andere koek, want het point of view ligt bij de zoon. Erwin staat erbij en kijkt ernaar, in tegenstelling tot zijn vader die probeert in te grijpen in het proces van onttakeling dat zijn ooit vlammende en zwierige eega van 66 jaar in de greep heeft. Maar Mortier is een schrijver, hij tracht in woorden te vatten hoe moeder ‘ontwoordt en onttaalt en ontherinnert’. Zijn moeder is afgedreven in de getijden waarin zij door taal en geheugen onbereikbaar is geworden. Moeder bezit niet meer de macht en kracht van de eigen taal.

Om moeders verwarring enigszins vorm te geven verpakt Mortier zijn relaas in fragmentarisch stukken proza, die sporadisch door brokken poëzie afgewisseld worden. Ik zal u enkele voorbeelden geven. Mortier wil traceren wanneer de eerste symptomen moeder te grazen namen. Hij schrijft dan: ‘Het begint – maar wanneer begint zoiets, welke tekenen zijn de eerste? Het begint met het woord ‘boek’, het woord dat haar maar niet te binnen wil schieten wanneer ze op een middag  voor mijn bibliotheek staat en vraagt wanneer ik nog ’s je weet wel, zo’n ding, of ik binnenkort weer ‘s – en ze brengt haar handen met de vingers gestrekt naast elkaar en klapt ze open en dicht. Of ik dat nog ’s ging doen, dat schrijven, hoe heet dat, zo’n ding. Ze geeft mijn vader een por met de elleboog: Zeg jij het, jij weet het.’ Even later suggereert Mortier echter dat het allemaal begon toen ze niet langer meer naar het koor wilde, omdat ze wellicht geen noten meer kon lezen.

Een tweede passage: ‘De dood die hier aan tafel zit, zijn naam is ma. Aan het hoofd van de tafel zit hij in haar en onze kleren, de vertrouwde plek die hij nu al maanden op haar schuifelende tred van de voordeur naar de eetkamer voor zich opeist. Mijn moeder, de verkouden kraai met altijd die ene druppel traanvocht aan haar snavel. Ons ooit zo vlezige nest: een kromgetrokken kooi waarin een mechanische zangvogel wegroest.’ Een groot schrijver vindt woorden die in zijn hoofd stormen. En dan: ‘Dit is de mond waar ik in de wieg wie weet hoe lang naar gestaard heb. Dit is de mond wiens gymnastiek van liefkozing, slaaplied, gefluister me op het spekgladde oppervlak van de woorden overeind moet hebben getrokken. Dit is de mond die haar spraak nu ontbladert, de woorden klinken voor klinker uitkleedt in pufjes adem, tandengeknars, gemak. Soms mompelt ze mondenvol pap naar buiten, ben ik het die luistert en met een zakdoek de woordenmoes van haar kin veegt.’

Ik vind Gestameld liedboek zo’n relaas van gewicht dat ik nog een paar keer met u een tocht erdoorheen wil maken. Nu volsta ik met een gedicht dat de eenzaamheid tussen Mortier en zijn moeder genadeloos verwoordt. ‘Het zitten, dat zitten van haar, naast me op de bank. Dat zitten zonder iets, en die stilte: een leeg huis in de middag, de kraan lekt.’ De troosteloosheid die er heerst tussen een onbereikbare vrouw en een beminnende zoon wordt magistraal onder woorden gebracht.

 
CULTUURMIX 27 FEBRUARI
 

ONS KAMP

Het overkomt mij niet vaak maar dezer dagen gebeurde het: ik kon een boek niet opzij leggen want ik wilde het blijven lezen. Ik was én in de bekoring van de prachtig literaire maar immer tintelend toegankelijke vorm én in de ban van de ontroerende, soms verbijsterende maar bij wijlen hoopgevende inhoud ervan. Ik heb het over de 335 bladzijden tellende familiekroniek Ons kamp van Marja Vuijsje en uitgeverij Atlas met ondertitel ‘Een min of meer joodse geschiedenis’.

Over de helft van de jaren vijftig ging ik met vader en broer naar bioscoop Het Venster aan de Gouvernestraat in Rotterdam om de 32 minuten durende film ‘Nacht und Nebel’ te zien. De in zwart en grijs gehulde documentaire beelden van de verschrikkingen in de Duitse kampen onthutsten ons. Wij waren de oorlogsjaren als gezin gezond en wel uitgekomen, maar mij was nooit verteld over het leed de Joden was aangedaan. Over het Shoah- verleden werd  domweg gezwegen. Vooral de intrieste en hopeloze  fragmenten in kleur van het vervallen Vernichtigungslager KZ Auschwitz-Birkenau uit 1955 bracht me van het à propos. Maar al gauw ging ik over tot de orde van de dag omdat in huis, op school, in krant en op radio niet gerept werd van de Holocaust. In 1961 werd ik echter uit de droom geholpen. Toen ik als vaandrig met mijn compagnie een zogenoemde kleine oorlog op het kalkmassief van de Sint Pietersberg was, geraakten wij in Margraten. Op voorstel van kapitein Kits werd er in Maastricht een krans besteld om die te leggen op de Amerikaanse Begraafplaats waar meer dan achtduizend grafstenen eer bewezen aan de doden die in 1944 hun leven dienden op te offeren. Onder hen waren 106 onbekenden van wie de stoffelijke resten nooit volstrekt geïdentificeerd konden worden. Het idee kwam om op de ereplaats van een van hen de bloemen te leggen. Ik vroeg aan mijn peloton wie persoonlijke herinneringen had. Chauffeur Jaap Meijer meldde zich en na de ceremonie vertelde hij mij dat veel van zijn Joodse familieleden de gruwelen niet overleefd hadden. Zij waren met zes miljoen andere Joden uit Europa door Hitler en zijn nazi’s in Polen door vergassing van het leven beroofd.

Sinds het gesprek met de soldaat eerste klas die als peuter op een onderduikadres aan het Duitse geweld ontkwam, heeft het thema van de Tweede Wereldoorlog en vooral de Jodenvervolging in de greep. Begin jaren zestig was er het proces tegen Eichmann die een van de hoofdverantwoordelijken was voor de massamoord op de Joden. Zijn ophanging, crematie en uitstrooiing van as op zee in 1962, betekende indirect ook de stoot tot de terechte stortvloed van publicaties over de jaren ’40-’45. De vijf decennia daarna nam ik vooral vele specimina van oorlogslectuur en -literatuur tot mij en steeds werd ik bepaald bij de satanische krachten die vrijkomen als het gevaar van de dood dreigt. Zo las ik met mijn leerlingen bovenbouw midden jaren zestig Het bittere kruid van Marga Minco, Wierook en tranen van Ward Ruyslinck, Het Achterhuis van Anne Frank en Het stenen bruidsbed van Harry Mulisch. Zo las ik recent in mijn uppie Süskind van Mark Schellekens, Dat nooit meer van Chris van der Heijden, Auschwitz – Oswiecim van Paul Citroen en Barbara Starzynska en Oscar van Jan Siebelink. En ik mocht ze bij u hier introduceren.

En nu is daar de non-fictie van Marja Vuijsje die zo nauwgezet, betrokken, gedocumenteerd, nimmer de schuldige vinger opheffend, zonder jeremiades, af en toe hilarisch en afstandelijk het verhaal van haar Joodse familie vertelt dat ik als lezer en volger bij wijlen de adem inhield. De freelancejournalist Vuijsje met geboortejaar 1954 heeft een tour de force verricht door ons het verleden op heterdaad te laten betrappen. Daarbij weet zij haar familieverhalen schitterend te verwoorden. Op de omslag van Ons kamp staat een trombone en die zet voor heel het relaas de toon. Marja’s vader belandt in september 1944 uiteraard door toedoen van de brute nazi’s vanuit Westerbork op het perron van Auschwitz-Birkenau. In de barakken ervan ondervindt hij dat muziek zijn leven gered heeft. In Block 24 kan hij auditie doen om toelating te veroveren voor het orkest dat naast de poort met ‘Arbeit macht frei’ speelt als de gevangenen naar en van hun werkplaatsen gaan. De dertiger Nathan Vuijsje krijgt na een waldhoorn een schuiftrombone in de handen geduwd en hij speelt de deuntjes ‘Abschied der Gladiatoren’ en ‘Ave Maria’. Hij speelt zo goed dat hij geen kuilen meer hoeft te graven. Hij wordt nog vaak uitgescholden voor Dreckjude en Schweinehund, maar hij wordt nauwelijks meer geslagen. Hij haalt al musicerende januari 1945 als soldaten van het Russische leger doorstoten en ‘Berlijn’ besluit de kampen te ontmantelen.

Ik wil u Marja Vuijsje doen opklinken om u te etaleren hoe goed zij het Joodse familiegebeuren weet te vatten. Om u het door mij uitgekozen citaat te plaatsen geef ik het volgende. Achterin staat de stamboom van de familie Vuijsje en die leert ons dat Marja’s grootouders Isaac en Schoontje in 1943 het leven lieten in Sobibor. Van hun zes kinderen kwamen Alida met haar man Gerrit en kinderen Marcus en Jeanette in 1942  en Louis alleen in 1943 in Auschwitz door wrede vergassing om. Het bijzondere is nu dat Vuijsje niet na de verschrikkingen, de Joden berokkend, stopt met haar geschiedenis, maar zo lang blijft verhalen over haar grote familie totdat haar ooms Flip en Jaap in deze eeuw overleden zijn. Dat houdt in dat de naoorlogse jaren met al hun wel en wee ook bij haar in het zicht geraken. Ook zijzelf in de jaren zestig wanneer zij moeite heeft met  de kampverhalen van haar vader Nathan. Later komt het helemaal goed, vooral nadat  zij Auschwitz bezocht heeft. Marja gaat na haar kampbezoek de zwijgzaamheid van haar vader een plaats geven als zij probeert hem informatie over zijn ouders Iaac en Schoontje te ontfutselen. Ik citeer: ‘…begreep ik meer dan voorheen toen ik het enige overblijfsel van Sobibor had gezien: een kleine heuvel van mensenas’. Met uw goedvinden maken wij een andere keer een tocht door Ons kamp dat naar mijn idee enkel zo indringend, objectief en liefdevol geschreven kon worden door de stille kracht van Vuijsje. Ik citeer haar:    

‘Als ik mijn oudere neven moet geloven was ik degene die zich het meest luid en duidelijk overgaf aan het generatieconflict. Wat betreft mijn moeder was dat moeilijk. Zij vond de provo’s leuk, verraste mij met een wit spijkerpak, ontving al mijn vriendjes met enthousiasme en hield bij hoog en bij laag vol dat ze mijn langspeelplaten van The Beatles en The Rolling Stones ook wel mooi vond. Zoals meer jongeren voelde ik mij aangetrokken tot de jeugdcultuur die uit Amerika en Engeland was overgewaaid. Op de mulo hoorde ik bij een krantclubje dat wel eens stiekem hasjiesj rookte, jasmijnthee dronk, tegen Amerika was en voor de vrije liefde, al wisten we nog niet precies wat dat inhield. Mijn vader vond ik vreselijk irritant. Met zijn voordurend beleden afkeer van mijn korte rokken en zijn pesterige commentaar op mijn verliefdheden kreeg hij mij steeds weer op de kast. Maar van alles wat hij in mijn ogen verkeerd deed spanden zijn Auschwitzverhalen de kroon. Terwijl mijn neven hun ouders spaarden vanwege de oorlog, was het juist zijn eindeloos herhaalde oorlogsgeschiedenis die tussen mijn vader en mij de grootste stormen veroorzaakte. Niet vanwege de inhoud van zijn kampanekdotes maar omdat ik het gênant vond dat hij telkens weer hetzelfde vertelde. Als hij weer begon over zijn auditie bij het orkest van Auschwitz begon ik op verveelde toon alvast ‘Ave Maria’ te zingen. Of ik zei dat hij nu eindelijk eens zijn mond moest houden over dat rotkamp. Dat hij mijn tienerwoede blijmoedig over zich heen liet komen, maakte mij nog bozer. Regelmatig vertrok ik stampvoetend naar mijn kamer. Vaak koos hij op dat moment om mij toe te zingen. Meestal was dat ‘Op een mooie pinksterdag’, met de zin ‘ik wou dat ik nog één keer met mijn dochter aan het handje lopen kon’. Mijn moeder zat er dan wat grinnikend bij te roken. Ook zij werd steeds vaker kriegel van zijn oorlogsverhalen, maar de ontwapenende manier waarop hij zijn vrouw en jongste dochter op een voetstuk plaatste vertederde haar nog altijd. Van mijn vader hoefde ik noch iets goed te maken, noch speciaal goed te zijn; het enkele feit dat ik er was vond hij genoeg. En mijn moeder was het eens met zijn overtuiging dat mijn bestaan zijn overwinning op Hitler extra cachet gaf.’

Niet alleen de persoonlijke geschiedschrijving –dus  die  zonder wetenschappelijke pretenties – is een pracht van een boek rijker geworden maar ook de literatuur!

 

MOEDERKERK

Een familieportret dat op mij diepe en daarom blijvende indruk maakte, nam ik tot mij en zette mij zelfs tot nadenken en overdenken. Ik heb het over het 269 bladzijden tellende historische relaas Moederkerk van Jos Palm en uitgeverij Contact met ondertitel ‘De ondergang van rooms Nederland’. Een paar maal wil ik een tocht maken door het boek dat geschreven is door een historicus en journalist, die opgroeide in een katholiek gezin waarvan alleen de ouders in de kerk bleven. Heel veel werken zijn er al geschreven over de teloorgang van de oude, wellicht preciezer gezegd: de traditionele geloofsinhoud en om niet in herhaling te vallen geef ik de context van de roomse massale kerkverlating zoals ik die verwoord vond in een soort kader. Die traceerde ik naast een recensie van Moederkerk in het dagblad Trouw die als scribent Jaap Goedegebure kent en gaat voor de veelzeggende en karakteriserende titel van  ‘Alsof God hun ontnomen was’. Ik citeer:

‘Het losgeslagen Nederland. Op initiatief van paus Johannes XXIII, die kort na zijn verkiezing in 1958 de vraag opwierp hoe de rooms-katholieke kerk dichter bij de moderne tijd kon worden gebracht, kwamen in 1962 ruim 2500 bisschoppen bijeen voor het Tweede Vaticaans Concilie. Drie jaar vergaderen leidde er onder meer toe dat het Latijn van de liturgie plaatsmaakte voor de volkstalen, en dat leken actiever bij geloofszaken werden betrokken. Van 1968 tot 1970 vond in Noordwijkerhout bij wijze van vervolgbijeenkomst het Pastoraal Concilie plaats. Hier discussieerde de Nederlandse kerkprovincie over de consequenties van Vaticanum Twee. Progressieven en conservatieven kwamen er scherp tegenover elkaar te staan. De nieuwlichters pleitten voor een verdergaande democratisering, afschaffing van het celibaat en individuele verantwoordelijkheid in kwesties als seksualiteit en geboortebeperking. In reactie probeerde de opvolger van Johannes XXII, paus Paulus VI, het losgeslagen katholieke Nederland weer in het gareel te dwingen. Maar hij noch zijn erfgenamen konden voorkomen dat tienduizenden de kerk de rug toe keerden en dat het merendeel van de achterblijvers alsmaar ongehoorzamer werden.’

Jos Palms ouders bleven echter hechten aan het rijke roomse leven. Zij haalden geen beelden om, wilden  blijven knielen op de banken en persisteerden bij de glans van de pastoor. In prachtig proza verhaalt Palm over een eeuw religieuze wederwaardigheden die volgens de een het roomse land ten deel vielen en volgens de ander overvielen. Voordat ik Moederkerk met een thema adstrueer wil ik gezegd hebben dat de titel niet alleen verwijst naar de kerk die het eerst is gesticht en waarvan de andere kerken afhankelijk zijn dus de ecclesia mater, de rooms-katholieke kerk, maar ook naar Palms eigen moeder die in Arnhem en Zeddam trouw blijft aan eigen parochie. 1993 overleed de vader van Jos Palm en 2006 zijn moeder. In 1949 werden de twee op het toen nog  kerkelijk gevierde feest Maria-Lichtmis in het huwelijk verbonden. Moeder Greetje was van 1916, dus zij heeft in haar leven de neergang van de kerk aan den lijve ondervonden. Maar ik wil het doen en laten, de druk van de religie, allereerst stipuleren door het verhaal van haar moeder Dina te vertellen. De eerste plaat  in het eerste fotokatern laat haar zien met een navrant bijschrift: ‘Greetje met haar moeder en de ongewenste vader. De foto die bestendig geluk moest suggereren, 1919’, staat eronder. Dina’s gedachten gingen regelmatig uit naar haar grote liefde, de muzikant met wie zij niet had mogen trouwen, omdat zo’n armoezaaier zonder toekomst geen partij voor haar was. Van muziek en cafés kwam alleen maar narigheid en onzedigheid, vonden haar ouders. De Arnhemse pastoor Bos in de wijk Klarendal verschafte raad en bracht een oplossing. Hij arrangeerde een huwelijk met een man die wel een ‘ziekte’ had, maar die zich in een huwelijk niet meer zou openbaren. Toen Greetje een meisje van een jaar of vier was, niet lang nadat de cerebrale foto was genomen, dook de kwaal op. De man van Dina zou op een zomeravond betrapt zijn met een jongetje. Het kon zijn dat pastoor Bos het tijdens een biecht had vernomen, maar daar was het biechtgeheim. Wellicht hebben de ouders van de jongen het de pastoor verteld. Ook nu wist Bos wist ook nu weer van wanten. Hier was gewoon sprake van een hoogst ongelukkig bedrijfsongeval, niet meer en niet minder. Scheiden kon niet, want het sacrament van het huwelijk gold voor het leven. Wat wel kon, was de scheiding van tafel en bed. Het echtpaar zou elkaar gaan, terwijl voor het aangezicht van God en de parochie het echtpaar gewoon gehuwd bleef, Moeder Dina en dochter Dina dienden  ondergebracht te worden bij de grootouders. Dina’s ouders stemden met het voorstel in en zo stond op voorstel van meneer pastoor de jonge vrouw er helemaal alleen voor. De kerk bedisselde alles, had zelfs in een gezin het voor het zeggen.

Ik kom op Moederkerk terug. Nu alleen nog dit. Zelf ben ik al jaar en dag lid van de kerk die nu de PKN heet en ik wil dat blijven. Ondanks alle veranderingen in kerk hecht ik aan het geloof in God. Dat neemt niet weg dat ik gaarne na een ander, in dit geval mooi geschreven, geluid luister.

 
CULTUURMIX 20 FEBRUARI
 

EEN GESCHIEDENIS VAN DE WERELD IN 100 VOORWERPEN

Af en toe reikt de postbode mij een boek aan waarop ik meteen smoorverliefd ben. In zo’n overrompelend amoureuze omhelzing werd ik gedompeld, toen ik uit het bruine pakket een in blauw gewikkeld werk haalde dat niet in schoonheid te overtreffen is. De vele kleurrijke illustraties zijn zo vol bekoorlijke beauty dat ik er vol passie met de hand over heenging. Vervolgens nam ik lukraak wat woorden en zinnen tot mij en werd gewaar dat een groot en groots werk ons ten deel is gevallen. Ik heb het over Een geschiedenis van de wereld in 100 voorwerpen van Neil MacGregor en uitgeverij Het Spectrum, dat maar liefst 792 bladzijden telt en opgedragen is aan al de collega’s van de bevlogen historicus in het British Museum. Allereerst die titel en opdracht.

Een museum dient om bezoekers aan de hand van voorwerpen iets te vertellen over de geschiedenis. En omdat het British Museum al meer dan 250 jaar voorwerpen uit alle hoeken van de wereld heeft verzameld, is het een uitstekende plek om met behulp van voorwerpen een wereldgeschiedenis te schrijven. Eigenlijk heeft dat immense culturele kabinet, gelegen in het geleerde Bloomsburry van Londen, nooit anders gedaan sinds zijn oprichting in 1753, toen het parlement bepaalde dat de collectie ‘universeel en voor iedereen vrij toegankelijk moest zijn’. Dit boek is het resultaat van een reeks programma’s  van BBC radio 4, die in 2010 werden uitgezonden, maar het is ook de meest recente versie van wat het expositiegebouw al van meet af aan deed of in elk geval geprobeerd heeft te doen. De spelregels voor Een wereldgeschiedenis in 100 voorwerpen waren heel simpel. Collega’s van Neil MacGregor zouden uit de museale collectie honderd voorwerpen kiezen die de hele menselijke geschiedenis, vanaf zo’n twee miljoen jaar geleden tot op de dag van vandaag, moesten beslaan. De attributen moesten bovendien zo gelijkmatig mogelijk over de verschillende werelddelen verdeeld zijn. Ze dienden zo veel mogelijk aspecten van de menselijke ervaring te laten zien en iets zeggen over hele gemeenschappen, niet alleen over de rijke en machtige elites daarvan, en dus moesten het zowel gewone gebruiksvoorwerpen als belangrijke kunstwerken zijn. Omdat er iedere week vijf uitzendingen waren, zouden er telkens vijf voorwerpen uit verschillende periodes en plaatsen op de wereld tot een thema combineren, en zo vijf ‘momentopnamen’ van de wereld in die periode maken. En omdat de collectie van het museum de hele wereld omvat en de BBC wereldwijd uitzendt, vroegen MacGregor en de zijnen experts vanuit de hele wereld om commentaar. Natuurlijk kon het slechts ‘een’ – door hen geselecteerde – wereldgeschiedenis worden, maar toch wilden zij proberen om er een geschiedenis van te maken waaraan de hele had bijgedragen. Ik haast mij te zeggen dat alle voorwerpen uit 2010 in het naar vorm en inhoud schitterende boek  afgebeeld zijn.

Achterin het monumentale en unieke standaardwerk staat de lijst van honderd voorwerpen die door MacGregor c.s. tot hogere heerlijkheid verheven zijn. Van houten mummiekist  uit Egypte, stenen snijwerktuig en vuistbuil uit Tanzania, beeldje uit mammoetslagtand uit Frankrijk, stenen speerpunt uit VS tot porseleinen bord uit Rusland, ets uit Engeland, wapenschietstoel uit Mozambique, creditcard uit de Verenigde Arabische Emiraten, lamp op zonne-energie uit China. Ik stel u voor de komende weken met mij een wereldreis te maken door dit illustere werk dat het verleden met het heden associeert, op aanstekelijke, horizonverleggende, uitgebalanceerde en toegankelijke wijze.

Nu wil ik pas op de plaats maken voor Herdenkingsbord van de Russische Revolutie met de ondertitels ‘Porseleinen bord uit Sint-Petersburg, Rusland’ en ‘Geschilderd in 1921’. Het stuk vormt het eerste verhaal van deel 20 onder de titel De maakbare wereld 1914-2010. Na de tekst van ‘De Internationale’ van Henriette Holst- van der Schalk met o.a. Ontwaakt, ontwaakt, verworpenen der Aarde!’ wordt de story verteld van een bord dat omstreeks 1921 beschilderd werd toen de bolsjewieken in Rusland een nieuw politiek systeem hadden geïntroduceerd, dat gebaseerd was op de theorieën van Marx over klassenstrijd en economie. Die orde moest de Sovjetarbeiders aanzetten tot de herculische opgave van het bouwen aan een nieuwe wereld. De ontwerper van het afgebeelde bord heeft de ronde vorm ervan uitgebuit om de symbolische kracht van de voorstelling te vergroten. In het midden is in de verte een met rode verf geschilderde fabriek (van de arbeiders!) te zien die witte rook uitbraakt, het bewijs van een gezonde productiviteit, met een stralende zonsopgang in felgeel en oranje die de donkere krachten van het verleden verdrijft. Op een heuvel op de voorgrond komt een man van links het beeld inlopen. Hij staat in vuur en vlam en heeft een gouden aura om zich heen; hij is geschilderd als een rood silhouet; duidelijk is hij jong en kijkt met felle blik vooruit. Hij presenteert een individu maar het hele proletariaat, dat op weg is naar de stralender toekomst dat geschapen gaat worden. Aan zijn voeten ligt een industrieel tandrad en in zijn hand houdt hij de hamer van de industriearbeider. Een stap verder zal hij over een kaal stuk land lopen waar het woord kapitaal aan stukken ligt. Het bord was twintig jaar eerder voor de tsaar gemaakt en was toen wit. De kunstenaar die de schildering ontwierp, veranderde een stuk keizerlijk porselein in socialistische propaganda. Op de achterkant laat op microformaat zien hoe de Sovjetretoriek van ‘een totale breuk met het verleden’ nooit overeenkwam met de werkelijkheid. Daar zien wij het oude merkteken van de fabriek van tsaar Nicolaas II en de nieuwe hamer en de sikkel. Om aan de kapitalisten te verdienen! 

 

WALTER

Dit keer heb ik een boek voor u dat zo goed is als een boek maar kan zijn. Het is naar vorm van literair hoog gehalte en is naar inhoud met bravoure gebaseerd op  doorleefde werkelijkheid. Ik heb het over Walter van Daniël Rovers en uitgeverij Wereldbibliotheek. Achterelkaar las ik de 24 taferelen, verspreid over 237 bladzijden, die het relaas bevatten van de lotgevallen van hoofdpersoon Walter Cosijn, uit wiens perspectief  wij zijn doen en laten meemaken van 1950 tot 1971. Op de omslag van Walter, onder de in een kring dartel dansende, in zwart gehulde geestelijken, prijkt het woord ‘roman’, waarmee de auteur Rovers aangeeft dat het verhaal verzonnen is. Ik waag echter te beweren dat zijn woorden en zinnen uit het leven gegrepen zijn. Ik bedoel dan niet zijn beschreven locaties, sociale omstandigheden en politieke context, die steevast stoelen op voorbije realiteit, maar allereerst zijn opgevoerde personages. Ik beperk mij tot één voorbeeld.

Het hoofdstuk ‘Ernst’ speelt zich af op 4 januari 1969. Diaken Walter Cosijn meldt zich op de Veemarkt in Breda aan bij het paleis van bisschop Huub Ernst om te zeggen dat hij na zoveel jaren seminarie bij zijn reeds genomen besluit blijft om zich niet tot priester te laten wijden. Hij deelt mee gekozen te hebben voor het maatschappelijk werk in Rotterdam. Hij kan geen mensen helpen zolang hij zelf het idee heeft opgesloten te zitten. Hij voelt zich in de parochie buiten de wereld staan. Hij wil op een wereldse manier de mensen helpen en meent dat men daarvoor enigszins zelfstandig dient te zijn. Ook met de omstandigheden waarin de geestelijken dienen te leven heeft Walter moeite. Bisschop Ernst onderbreekt hem en vraagt zich af waarom men niet zelfstandig kan zijn binnen de rooms-katholieke Kerk. Het antwoord dat de eerwaarde krijgt is; ‘Omdat we volledig afhankelijk zijn van de kerk, het bisdom en de parochianen. Zij betalen onze maandelijkse toelage.’ Net daarvoor heeft Walter gezegd: ‘Mijn opdracht is parochianen geestelijke bijstand te geven, ik moet ze steunen in uren van nood, ze begeleiden op hun levenspad, en de mensen vertrouwen op mij, omdat ik een diaken ben die daarvoor de zegen heeft gekregen,’ en ‘Het klopt niet omdat ik de assistent ben die bij pastoor Buitelaar in de Sacramentsparochie woon. Ik weet zelf niet wie ik ben, of wat ik kan, waar ik naartoe wil met mijn leven. Hoe zou ik dan anderen moeten zeggen hoe ze leven moeten?’ De achtste bisschop van het bisdom Breda, Huub Ernst die koos voor de wapenspreuk ‘Christus heri et hodie’ dus ‘Christus gisteren en vandaag’, wordt uit het  vertrouwelijk onderhoud direct geciteerd. Rovers speelt een spel met de werkelijkheid, of het moet zo zijn dat hij  de ins en outs van het gesprek tussen Ernst en Cosijn vernomen heeft van zijn vader die toen hij achter in de twintig was besloot het seminarie te verlaten en vanwege het celibaat van het priesterschap af te zien.

Ik haast mij te zeggen dat Walter geen chronique scandaleuse, schandaalgeschiedenis, aanklacht of zwartboek is. Het gaat om een levensverhaal van een Brabantse boerenzoon die als hij twaalf jaar jong is door zijn vader op het kleinseminarie Ypelaar bij Breda afgezet wordt om zijn leven in dienst te stellen van de kerk. Als hij achter in de twintig het grootseminarie in Hoeven vaarwel zegt, gaat hij niet voor het priesterschap maar voor de liefde die de buitenwereld hem aanreikt. De rooms-katholieke kerk wordt dus niet aan de schandpaal geklonken. Walter Cosijn kiest voor een baan in de gewone maatschappij en voor een relatie in het amoureuze. Dat zijn vriendin Joke het al gauw voor gezien houdt, is eraan te wijten dat hij volgens haar zo ontheemd, zo afstandelijk is. ‘Het was alsof je nooit echt wist wat je werkelijk wilde’ en ‘Je kijkt naar de wereld alsof alles al betekenis heeft voordat het je onder ogen komt’ laat zij bij de breuk weten.

De voorbije decennia is er in de katholieke gezindte veel veranderd en daarover wil ik het nu met u verder hebben. Een volgende keer volgen wij Walter in zijn boek dat aan upgrading wint door de vele foto’s uit particuliere verzamelingen en door de talrijke krantenberichten die de couleur locale markeren. Nu wil ik echter al gezegd hebben dat Walter zijn vermeende roeping niet miste door toedoen van de kerk maar doordat hij de tijd niet kreeg zelf zijn toekomst te bepalen. Op mijn bureau ligt Moederkerk van Jos Palm  dat ik ook nog bij u wil introduceren. Omdat ik zijn kerk niet van binnenuit ken, ontleen ik wat aan een recensie. Het geëmailleerde kruisje boven de wieg. De plechtige geur van wijwater, de rinse smaak van ouwel. Het zegeltjes plakken voor de missie. De almaar groeiende verzameling bidprentjes, in schrille roomse kleuren. De opluchting als de biechtvader vergiffenis schonk voor futiele vergrijpen, in ruil voor drie Weesgegroetjes. Het genotvolle leegeten van het vastentrommeltje, na weken uitstel. Nee, een saaie kerk was het niet, de rooms-katholieke kerk. Er was meer te zien dan bij die ernstige protestanten. Lieve Maria’s met ouwelijke baby’s. Schattige communicantjes in wit kanten jurkjes. Het schitterende, bloederige beeldverhaal aan de wanden van de kerk, tijdens de eindeloze mis. Het rook er lekkerder, en ze zongen er mooier, het ijle, hemelse ‘In Paradisam’ bij een uitvaart bijvoorbeeld. Maar rond 1960 kwam er de klad in. Het aantal priesters liep terug, de gezinnen werden kleiner, de kerken leger. Progressieve kerkleiders deden verwoede pogingen om de kerk te moderniseren. Priesters gingen gewone pakken dragen en werden een ‘vriend’, het Latijn van de mis maakte plaats voor Nederlands. Alle sprookjesachtige rituelen verdwenen, en daarmee de magie en het mysterie. Het katholieke geloof werd gewoontjes, wat de val versnelde. Aldus Aleid Truijens.

Terug naar Walter van Daniël Rovers. Aan het eind van zijn relaas is de roomse Walter na het heengaan van de protestantse Joke de weg kwijt. ‘Het verhaal was zoek, de zin weg, het pad stuk.’ Dat komt mede of vooral doordat hij in zijn puberteit niet geleerd heeft voor zichzelf op te komen. Dus niet doordat  in zijn kerk een andere wind ging waaien. De grote verdienste van Rovers is mede dat hij Walters ontwikkeling in literaire taal formidabel mooi weet te vatten! 

 
CULTUURMIX 13 FEBRUARI
 

OSCAR

De 125 bladzijden van de roman nam ik dit weekend na een tocht over bevroren water, langs witte velden, onder blauwe hemel en op geslepen ijzers tot mij. Ik heb het over Oscar van Jan Siebelink en van uitgeverij De Bezige Bij met de opdracht ‘voor J.L.W. van der Haas, als postuum eerbewijs’. Ook nu weer heeft de alom gevierde auteur zich laten inspireren door de historische werkelijkheid, namelijk door een belevenis van zijn schoonvader in de Tweede Wereldoorlog. Van der Haas werd na 15 mei 1940 als jonge officier op een geheime missie van Zeeland naar Duinkerken gestuurd. Dit was vanuit Zeeuws-Vlaanderen nog te doen omdat die regio Nederland nog  als enige vrij gebied op het moment van capitulatie restte. Er werd in die contreien gewoon enkele dagen doorgevochten, omdat die provincie onder Frans bevel stond en de Nederlandse regering en koningin Wilhelmina hoopten van daaruit ons land te heroveren op de Duitsers.

Ik ambieer literaire werken die hun roots vinden in beleefde realiteit. Om een relevant item te noemen: in 2005 was daar Siebelinks bestseller Knielen op een bed violen en o.a. op de meetings naar aanleiding daarvan in de Morgensterkerk bleek nog eens overduidelijk uit de voordracht van de schrijver himself hoe hij zich bij het concipiëren van die illustere roman liet leiden door zijn eigen jeugdervaringen. Met als locatie vooral zijn vaders bloemkwekerij in Velp. Op de papieren omslag van Oscar prijkt de notitie van ‘roman’ als aanduiding van het genre. Liever heb ik het hier over een novelle, want het korte verhaal cirkelt om een thema, namelijk de ménage á trois, dus de driehoeksverhouding tussen het personage dat van binnenuit beschreven wordt Oscar van Kervel, zijn enige, beste vriend Id Bodein en diens echtgenote Esmée. De drie treffen elkaar als docenten Engels in de jaren dertig op een gymnasium in Den Haag.

Ik wil alleen de entree van Oscar vertellen om voor u de spanning erin te houden. Maar eerst dit. Het omslagbeeld laat een detail van ‘Korenveld onder onweerslucht’ van Vincent van Gogh zien. Nu meldde recent de Volkskrant onder het kopje ‘Van Gogh als omslag (bis)’ dat er sprake is van een doublure, want ook De graanrepubliek over de roerige landbouwgeschiedenis van het Oldambt van Frank Westerman en van Amstel Uitgevers met label Olympus kent eenzelfde outfit. Want de omslagillustratie erop wordt ook gevormd door het blauw van de lucht en het geel van het graan gesignaleerd en in verf geklonken door Vincent van Gogh in 1890 te Auvers-sur-Oise In De graanrepubliek wordt echter als bron vermeld ‘Korenvelden onder wolkenluchten’. Om het nog wat ingewikkelder te maken: Wikipedia heeft het over ‘Korenvelden onder dreigende luchten met kraaien’. Ik ga navraag doen, dus over deze wat vreemde gang van zaken hoort u nog.

Onze novelle heeft als startpunt het wedervaren van officier Oscar van Kervel  die in 1945 vanuit Londen naar Den Haag is gekomen om de familie te condoleren  van een tijdens de oorlog gesneuvelde collega en vriend Id Bodein, wiens herbegrafenis een dag later op Oud Eik en Duinen zal geschieden. De beschrijving van zijn tocht vanuit de jeep naar het pand aan de Groot Hertoginnelaan wordt onderbroken door twee zinnen die de toon voor het verdere verloop zetten. Ik citeer: ‘Oscar liep langzaam, hield zijn passen steeds meer in, bleef staan en hoorde het formidabele mitrailleurvuur van toen. Dat was in een eerder leven, leek het, in een vorig bestaan, in een onmogelijk verleden. … Wat kon die kist aan stoffelijke resten bevatten? Ids hoofd was na de schietpartij nauwelijks als hoofd herkenbaar geweest. Nog even en hij zou Esmée begroeten. Hoe zou ze hem tegemoet treden?’ Gesuggereerd wordt dat Oscar door het verleden belaagd wordt. Bij de kist dralende haalt Oscar uit de binnenzak van zijn uniformjas twee foto’s. Een liet hem met Id zien in het uitgaanstenue van vaandrig voor de ingang van het imposante Grand Hôtel du Commerce in Middelburg. Op de andere staan beide vrienden uitdagend, sigaret wat achteloos tussen de lippen, aan weerszijden van een legervoertuig. Hij legt de foto’s op de kist en zegt tegen de ontredderde Esmée: ‘Het is verschrikkelijk. Er zijn geen woorden voor. Wie had dat kunnen bedenken?’ Oscar kust de weduwe en als hij dat opnieuw wil doen weert zij hem af. Hardhandig wordt hij door anderen aan zijn schouders weggevoerd. Vanuit Londen verontschuldigt hij zich schriftelijk voor zijn gênante gedrag, Esmée reageert niet maar belt hem na enkele weken op met de vraag haar te vergezellen naar Noord-Frankrijk. Zij wilde de plaats zien waar haar man was omgekomen en de weg volgen die hij met zijn vriend had afgelegd. Om een compleet beeld te krijgen.

Onderweg vertelt Oscar over de speciale missie die hij en Id in Zeeland in de meidagen kregen. Zij moesten vijf miljoen Nederlandse guldens uit de kluizen van de Nederlandsche Bank in Middelburg via Duinkerken naar Londen brengen. Het geld zat in twee zwarte koffers, verdeeld over achthonderd linnen zakjes. Op de rede van de stad zou een schip gereedliggen om het vriendenduo naar Engeland te brengen. Oscar en Id zijn dus gedoemd om het met elkaar goed te vinden. Er was echter een kink in de kabel. Oscar is niet alleen de vriend van Id, maar ook diens rivaal in de liefde. Oscar was de gewezen minnaar van Esmée voordat zij vlak voor de oorlog met Id trouwde. Hij toonde niet de durf om zijn lopend huwelijk met Bettie te verbreken, hoewel Esmée zijn ultieme liefde vormde. Op weg naar de kust met de vijand in de rug confronteren de twee vrienden elkaar met de gezamenlijke obsessie voor één vrouw. U als lezer voelt het onheil aankomen.

Het gaat niet aan dat ik u het verloop van het door Siebelink deels opgerakelde verhaal vertel. Om u de smaak van zijn proza te pakken te laten krijgen ga ik hem echter wel met een passage citeren. U zult dan met mij onder de bekoring geraken van zijn verteltrant die hij vooral goed hanteert als hij de verwarring, de desoriëntatie, de chaos, het macabere van de oorlog, de vervreemding aan het front verwoordt. Jan Siebelink is en blijft voor mij een groot en groots literator.

Siebelink: ‘Hij zag in zijn herinnering de witte krijtgrond die door het gras heen stak, raketgras scherp als een mes, dat oneffen, zanderige terrein met die solitaire boom. Daaronder hun auto, de in legergroen gespoten Citroën met rechts op de motorkap dat strakke, wit-blauwe vaantje van het Commando Zeeland. Terwijl Esmée het oude havenhoofd op liep, keek Oscar, in gedachte, naar zijn vriend, die nerveus om de auto heen draaide, het camouflagenet terugsloeg, de motorkap opende. Hij controleerde het oliepeil. Oscar was op dat moment, tegen de glooiing van een lage zandheuvel, bezig zijn revolver uit elkaar te halen. Hij legde achtereenvolgens sluitveer, patroonmagazijn en kobaltblauwe loop op een poetsdoek. Oscar en Id waren tijdelijk ondergebracht op een strook no man’s land, vlak achter strand en zeeweg, die was afgezet met versperringen van prikkeldraad en struikeldraadlichtseinen, tussen groen gemeniede piketposten. De stad Duinkerken lag een kilometer of drie verderop. Nu en dan verscheen een motorrijder van de Engelse Militaire Politie, die hen tot een tien meter naderde, een blik op hen wierp en weer verdween, Eén keer per dag, tegen de avond, bracht een MP’er eten en drinken, als aanvulling op de noodrantsoenen die ze hadden meegekregen. Ze werden in de gaten gehouden. Vanaf het lage duin waarop Oscar zat, keek hij in de richting van de zee. Links van hem kon hij in de heiige lucht met enige moeite de witte kathedraal van de stad onderscheiden.

‘Duinkerken, Dunkirk, Dunkerque’, zei hij zacht tegen zichzelf, In andere tijden was het een berucht zeeroversnest en in de afgelopen dagen was het even berucht aan het worden. Burgers en soldaten, opgejaagd door naderende Duitse troepen, probeerden via Duinkerken Engeland te bereiken. Het was tot nu toe maar weinigen gelukt. De Engelsen leken de stad in handen te hebben en te bepalen wie scheep ging. In de verte lag de zeeweg waarop dag en nacht de vluchtenden voorttrokken, in zuidelijke richting.’

Met mijn leerlingen havo/atheneum nam ik heel wat brokken proza en poëzie op. Een van mijn trucs was daarbij de lui te laten zoeken naar prospectieve, vooruitwijzende aspecten, want die zouden wel eens spanning kunnen oproepen. Gaat u in Chaos maar eens letten op het woord revolver. Tot slot: mijn militaire dienstplicht eindigde ik als luitenant en Siebelink roept die periode in mij weer op. Dat doet hij ook met wat de natuur etaleert. Dat laat ik u  een andere keer zien.

 

HET IDEALE BOEK

Een naar vorm en inhoud grandioos en glorieus werk heb ik ditmaal en volgende keren voor u, waarop u bij een eerste kennismaking smoorverliefd op zult worden. Toen ik het machtig mooie en geweldig boeiende kijk- en leesalbum tot mij nam, betrapte ik mij erop dat ik in euforie met de handen over de illustraties streek en in stilte de geschreven woorden herhaalde. Ik heb het over Het ideale boek onder redactie van Paul van Capelleveen en Clemens de Wolf en van uitgeverij Vantilt. In de voorbije decennia mocht ik dankbaar en blij  het met u vreugdevol over literaire werken hebben die naar mijn idee het predicaat ‘ideaal’ in de betekenis van ‘volmaakt’ verdienen. Zeven van die unieke werken noem ik: De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch, Max Havelaar (Multatuli), Hersenschimmen (J. Bernlef), De donkere kamer van Damocles (W.F. Hermans), Het Bureau (J.J. Voskuil), De uitvreter (Nescio) en De avonden van Gerard Reve. Ik noemde u dat aantal werken om de doodeenvoudige reden dat ik ermee wil stipuleren dat het getal zeven dat van de volmaaktheid is. De gewraakte boeken voldoen inderdaad klip en klaar aan de eisen die u en ik maar aan literatuur kunnen stellen. Maar in ons grootse werk van 252 grote bladzijden gaat het allereerst niet om de inhoud van uitgaven maar om de vorm ervan. De ondertitel wijst ons daarop, want die gaat als ‘Honderd jaar private press in Nederland, 1910 – 2010’.

Het probleem is echter dat het geen sinecure is vast te stellen wat een private press is. Van Capelleveen signaleert in zijn introductie dat woordenboeken nooit de term adopteerden. Om uit die impasse te komen  zet hij de elementen van de private-press-identiteit op een rij. Hij komt al inventariserende tot een aantal essentiële aspecten als wij die ‘press’ willen definiëren. Zoals: een algemeen doel, niet commerciële drijfveren, een eigen drukpers, handpers versus snelpers (of printer etc.), handgemaakt papier, een speciale inkt, specifieke tekstkeuze, een kleine oplage, een getrouwe kring verzamelaars, speciale nadruk op bijzondere vormgeving, individualisme van de onderneming versus samenwerking en assistentie. Andere elementen die uit de praktijk van private press komen zijn o.a. een specifieke eigen naam, een eigen vignet, een eigen lettertype of de publicatie van een letterproef, exclusiviteit van teksten en verantwoording van het fond in de vorm van een bibliografie.

De rol van de private press is in eerste en laatste instantie er één van heraut geweest: de bewustwording en gedachtevorming over goede typografie. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen daar het behoud van apparatuur en kennis over looddrukken bij. En ook: de private press creëerde een nieuwe verzamelmarkt, want voor het eerst werd modern drukwerk verzameld door bibliofielen, musea en bibliotheken. Ik wil dat tracé een volgende keer met u doorlopen. Nu beperk ik mijn loftuitingen over Het ideale boek tot het geven van een citaat, dat ook adstrueert hoe toegankelijk en hoe evocatief het sublieme en superbe werk is. Het betreft een passage over een uitgeverij die ons zo dierbaar is en waarvan ik de vorige keer de nieuwe roman – beter: novelle  – Oscar van Jan Siebelink met u doorwandelde. Wij schrijven het derde hoofdstuk ‘Bibliofiele series en clandestiene uitgaven’ onder het kopje ‘Het bijzondere boek in de Tweede Wereldoorlog’.

‘Een relatief groot aantal van de clandestiene publicaties tijdens de oorlog nam De Bezige Bij voor haar rekening. Ze kwam tot een aantal van bijna zeventig uitgaven en liet daarmee Stols en De Blauwe Schuit met veertig clandestiene uitgaven achter zich. De Bezige Bij onderscheidde zich echter niet alleen door het aantal, maar ook door het vaak illegale karakter van de uitgaven, gericht tegen de Duitse bezetter. De uitgaven van andere uitgevers waren voornamelijk bibliofiel, vooral door de kleine oplagen. De Bezige Bij onderscheidde zich met name doordat de uitgaven in haar fonds vaak net als bij De Blauwe Schuit rijkelijk geïllustreerd waren. Fraaie voorbeelden zijn het veertig bladzijden tellende Moffenspiegel. Een boekje over Adolf de Eerste (en de laatste) en zijn trawanten’ (1944), met bijtende karikaturen door Karel Links, en in datzelfde jaar verschenen gedicht ‘Rondeel’ van Hans G. Hoekstra met tekeningen door Fedde Weidema. De Bezige Bij ontstond midden 1942 uit idealistische motieven om Joodse kinderen de oorlog door te helpen. Aan het eind van dat jaar werd Geert Lubberhuizen aangetrokken om te helpen gelden bijeen te brengen. Om potentiële geldschieters iets aan te bieden in ruil voor hun giften werd besloten het gedicht ‘De achttien doden’ van de kort tevoren te Neuengamme omgekomen Jan Campert uit te geven. De aanleiding voor het gedicht was de executie van achttien verzetsstrijders; daardoor én door de inhoud had het een duidelijk politiek karakter. Het gedicht werd talloze malen herdrukt en kreeg een symboolfunctie voor het verzet. Er verschenen duizenden exemplaren van de rijmprent en nog eens duizenden nagedrukte exemplaren.’

De opbrengst van deze uitgaven van De Bezige Bij had dus een illegaal karakter doordat de opbrengst ten goede kwam aan het verzet. Ik blik nu op pagina 127 naar de illustraties van De Moffenspiegel en De achttien doden.

 
CULTUURMIX 7 FEBRUARI
 

AUSCHWITZ - OSWIECIM

Nu en volgende keren ga ik met u een gang maken door een kijk- en leesalbum van 416 bladzijden dat ik het voorbije weekend met ingehouden adem tot mij nam. Ik neem het woord ‘album’ meteen terug, want het mag niet zo zijn dat u de illusie krijgt dat het om teksten en kiekjes gaat die romantisch, idyllisch van aard zijn. Kijkt u maar eens naar de foto op pagina 216, die laat een woonhuis zien omzoomd door een groene tuin met een grijze poort van kamppalen. De wrange plaat komt u tegen in Auschwitz – Oswiecim van Hans Citroen en Barbara Starzynska en uitgeverij Post Editions Rotterdam met als motto versregels van Theo Verhaar: ‘Geknotte rails steken / in onze weke huid, / buigen om, / zetten ons tussen haakjes.’ Een paar weken terug had ik het met u over film Süskind en boek Walter Süskind die beide goed bezocht en gelezen worden. De Joodse held van de Hollandsche Schouwburg kwam om, na vertrek uit Auschwitz, Zijn vrouw Hanna en dochtertje Yvonne werden meteen na aankomst in het vermaledijde kamp geselecteerd en vermoord met gas, Walter werd verkozen tot werk en liet het leven tijdens een dodenmars. Wat er in en bij het kamp Auschwitz zich precies met hen voordeed, wordt niet getoond of verteld maar laat zich raden. In welke entourage de rampspoed zich voltrok, brengt Auschwitz – Oswiecim in beeld en woord. Om u Citroens aanpak te schetsen geef ik hem het woord.

Ik geef u integraal zijn Inleiding. Daaraan voorafgaand citeer ik Citroen opdat u de aanleiding te weten komt van zijn zoektocht naar de context van de Auschwitz – gruwelen. In 1962 maakte Hans een krijttekening van het concentratiekamp Auschwitz en nadat zijn opa de tekening gezien had, moest Hans zich bij hem melden. ‘Je bent nu zestien. Oud genoeg. Je moet goed luisteren. Ik vertel je dat verhaal over Auschwitz maar één keer.’ Ik wijs u vooral op het door grootvader laatste gezegde.

Dat Auschwitz onze gemoederen bezig blijft houden tonen de vijf krantenberichten die ik in één weekend in de krant tegenkwam. Ze spreken voor zich en verdere toelichting is niet aan de orde, Wel wil ik aan u kwijt dat het reisalbum Auschwitz – Oswiecim mij heel veel deed. Het schrijnt in mij voort, allereerst omdat het de boorden van de hel zo indringend verbeeldt en verwoordt, maar  ook omdat het toont en verhaalt hoe mensen de geschiedenis naar hun hand zetten. Zij verdoezelen, poetsen weg, manipuleren.

De tekening. ‘Opa’s Joodse afkomst was nooit bijzonder geweest. Dat veranderde tijdens de bezetting. Hij kreeg het persoonsbewijs met de letter ‘J’ van Jood. Na vierenveertig jaar onopvallend Nederlanderschap moest hij buitenshuis een gele davidsster met in pseudo-Hebreeuwse letters het woord ‘Jood’ op zijn kleding dragen. De Nederlandse politie haalde hem op en bracht hem naar Kamp Westerbork. Een paar maanden later zat hij in de trein naar Auschwitz. Bij aankomst werd hij door de SS geselecteerd voor werk. Een groot deel van het gezelschap waarmee hij arriveerde is meteen vergast. De mannen hoorden een paar dagen later van medegevangenen dat ze hun vrouwen en kinderen nooit meer zouden zien. ‘Ik had geluk, ik was daar zonder familie.’

Voor niet snel genoeg je muts afnemen werd je in elkaar getrapt. Op de appelplaats moesten de mensen na een uitputtende dag urenlang in het gelid staan. Regelmatig werden gevangenen in het openbaar opgehangen. Voor een futiliteit kregen gevangenen zomaar vijfentwintig stokslagen. ‘Ze sloegen je dood en geen haan die er naar kraaide. Om daar in Auschwitz te overleven moest je jezelf onzichtbaar kunnen maken. Je moest vierentwintig uur per dag alert zijn. Je moest de kampstructuur begrijpen en kunnen organiseren. De meeste mensen hadden dat niet in zich. Die haakten na een poosje af, Het werden schimmen. Ze konden niet meer werken, ze werden eruit gepikt en vergast.’ Opa werkte in de wasserij. Hij had een dak boven zijn hoofd en stal kleding om te ruilen voor eten.‘Ik heb geluk gehad. Gevangenen die in de bouw werkten waren na drie maanden dood.’

Toen in januari 1945 de laatste zestigduizend gevangenen van Auschwitz naar het binnenland van Duitsland marcheerden wist hij te ontkomen. ‘Twee SS’ers doorzochten het huis waar we hadden geslapen. Ik hield me verborgen onder een bank. Ze spraken Nederlands. Eén van die SS-mannen zag me. Ik zei dat ik niet verder kon. Hij schoot me niet dood. ‘Verrek jij maar bij de Russen’, zei die SS’er. Een paar dagen later kwamen de verkenners van het Rode Leger op ski’s, in witte pakken. Omdat ik Nederlands en Duits sprak moest ik soldaten die zich voordeden als kampgevangenen identificeren. Mannen met een bloedgroeptatoeage van de SS werden ter plekke doodgeschoten. De SS’er die mij in leven liet heb ik daar niet gezien. Vaak denk ik er aan. Wat zou ik hebben gedaan?’ Het jaar van zijn thuiskomst was een drama. Zijn bedrijf bestond niet meer. Hij kreeg een belastingaanslag over 1944. ‘Antisemitisme is niet het monopolie van de Duitsers’, zei opa.

Opa was al bijna een uur aan het woord toen hij uit een bureau mijn tekening tevoorschijn haalde. ‘Dat kunstwerkje van jou is heel mooi hoor, maar zo was het daar niet. Die tekening lijkt niet.’ Hij wees naar de houten huisjes en sloeg met zijn vlakke hand op het bureaublad. ‘De gebouwen waren van baksteen en er stonden loodsen waar de gevangenen overdag moesten werken. Auschwitz was veel groter. Het was een stad. Er waren winkels, een ziekenhuis, noem maar op, er was daar zelfs een bordeel … voor de Duitsers uiteraard. Auschwitz was groot en druk. Ik moest een paar keer mee met een buitencommando om kleding weg te brengen. Vrachtwagens reden af en aan. Overal zag je groepen gevangenen aan het werk. Er liepen SS’ers met honden. Ik zag overal fabriekshallen. Alles stond achter hekken. Ik zag maar een klein deel, maar gevangenen die ergens anders hadden gewerkt vertelden wat ze daar hadden gezien, Auschwitz was een gigantische organisatie.’

De kranten van nu. Nooit gehoord van Auschwitz: Berlijn. Het begrip Auschwitz zegt één op de vijf Duitse jongeren niets. Uit een opiniepeiling van het Duitse tijdschrift Stern blijkt dat slechts 79 procent van de jongeren weet dat Auschwitz een voormalig nazi- vernietigingskamp is. Van de Duitsers ouder dan 30 jaar weet 95 procent wel wat Auschwitz is, maar zeker niet dat het in Polen ligt. Stern hield de opiniepeiling in aanloop naar morgen, de Internationale Herdenkingsdag voor de Holocaust.

‘Bartali hielp Joden’: Gino Bartali komt mogelijk postuum in aanmerking voor een hoge onderscheiding in Israël. Dat schrijft de internationale wielenunie. De Italiaan, tweevoudig winnaar van de Tour de France en drievoudig Giro- winnaar, zou volgens bewijsmateriaal in 1943 meegeholpen hebben om 800 Joden te redden. Bartali, op 5 mei 2000 overleden, zou daarvoor de onderscheiding ‘Rechtvaardige onder de Volkeren’ kunnen krijgen. Deze eretitel geeft Israël aan niet- Joden, die in de oorlog Joden hebben geholpen de Holocaust te overleven. Auschwitz herdacht in Amsterdam: Onder grote belangstelling is zondag in Amsterdam de bevrijding herdacht van het vernietigingskamp Auschwitz op 27 januari 1945. Nabestaanden, hoogwaardigheidsbekleders en de overige aanwezigen herdachten ook de miljoenen Joden, zigeuners, homoseksuelen en anderen die door de nazi's werden vermoord gedurende de Tweede Wereldoorlog. De belangstellenden liepen vanaf het stadhuis in een stille tocht naar het spiegelmonument 'Nooit Meer Auschwitz' van Jan Wolkers in het Wertheimpark, waar bloemen werden gelegd. Een van de sprekers was burgemeester Eberhard van der Laan.

Recordaantal bezoekers voor Auschwitz. Oswiecim: Een recordaantal van meer dan 1,4 miljoen mensen heeft vorig jaar het voormalige concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau bezocht. Dat heeft een woordvoerder van het herdenkingscentrum vrijdag bekendgemaakt. Circa 1,1 miljoen mensen, van wie een grote meerderheid Joden, werden in de Tweede Wereldoorlog vergast of op andere wijze vermoord in het complex van nazi-Duitsland. Sinds de oorlog zijn onderdelen van de verzameling concentratie- en vernietigingskampen bij het stadje Oswiecim in het zuiden van Polen toegankelijk voor belangstellenden.

Polen gaat misdaden Auschwitz onderzoeken: Krakau - Polen gaat 66 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog opnieuw onderzoek doen naar misdaden in het nazivernietigingskamp Auschwitz. Dat heeft de directeur van het Poolse Instituut voor Nationale Herinnering (IPN) donderdag gezegd. ‘We sluiten niet uit dat we nog levende oud-medewerkers van het kamp Auschwitz-Birkenau vinden. Zij kunnen worden aangeklaagd voor misdaden tegen de Poolse natie", aldus IPN- directeur Piotr Piatek. Praktische problemen. Polen heeft na de Tweede Wereldoorlog ook onderzoek gedaan naar de gruwelen van Auschwitz, maar stuitte toen op veel praktische problemen. Het communistische Polen kon bijvoorbeeld geen getuigen en daders in het Westen ondervragen. Vanwege de problemen werd het onderzoek in de jaren 80 gesloten. Nazi-Duitsland had een groot complex van werkkampen en vernietigingskampen opgezet bij het Poolse plaatsje Oswiecim, in het Duits Auschwitz geheten. Daar werden meer dan een miljoen mensen vergast of op een andere manier vermoord. De meeste slachtoffers waren Joden. De inleiding. ‘Op 27 januari 1945 waren de laatste Duitsers uit Auschwitz gevlucht. Aan de rand van de stad stond een hypermodern fabriekscomplex van 400 hectare, Het was in vier oorlogsjaren gebouwd door kampgevangenen. ‘Hier bouwen onze arbeiders de industrie van de toekomst’, schreef de Poolse communistische propaganda in kranten en tijdschriften twee jaar later bij overzichtsfoto’s van de voormalige IG Farbenfabrieken. Het oorzakelijke verband van het industriegebied met de concentratiekampen werd verzwegen. De Auschwitzkampen zijn als gevolg daarvan in de geschiedenis gezet als oorden zonder regionale betekenis. Onder de naam Zaklady Chemiczne Oswiecin werd het bedrijf de grootste chemieproducent in Oost- Europa. Als oprichtingsdatum werd het jaar 1945 genoemd.

Mijn vrouw Barbara Starzynska groeide op in Oswiecim, Zo wordt de stad Auschwitz in Polen genoemd. Vanaf 1993 waren we er regelmatig. De woning van Barbara’s moeder ligt op loopafstand van het concentratiekamp Auschwitz waarin mijn in 1985 overleden opa gevangen had gezeten. Daar werd in 1947 Museum Auschwitz-Birkenau gevestigd dat nu jaarlijks meer dan een miljoen bezoekers ontvangt. Buiten het museum zag ik de voortzetting van de kamparchitectuur. ‘Is de museumgrens ook de kampgrens’, vroeg ik. ‘Oswiecim is de stad en Auschwitz is het museum’, zei Barbara.

Dat antwoord had ze op school geleerd. Dat motto deugt niet, stelden we na verloop van tijd vast. Opa zat niet in een museum. Barbara en ik zijn anders naar de stad en de omgeving gaan kijken. We zagen meer Duitse bouwwerken en bouwsels en spraken met bejaarde inwoners. In het stadsarchief vonden we documenten waaruit bleek dat het stadje Auschwitz in de oorlog het middelpunt was van een Duits kolonisatieplan. Een groot deel werd gerealiseerd en was nog te zien bleek bij nader onderzoek. Tijdens de oorlog verrezen er drie concentratiekampen, acht dwangarbeiderskampen, een bedrijvenpark, een station met achttien stopsporen, een stadsdeel voor zesduizend personen, een agrarisch landgoed van tweeduizend hectare en het eerder genoemde industriecomplex.

Niet alleen de regio profiteerde van de kampen. Concentratiekamp Auschwitz werd medio 1942 ook een factor in de oorlog met de Sovjets. Terwijl steeds meer Duitse arbeiders als soldaten naar het Oostfront afvloeiden steeg de behoefte aan oorlogsmaterieel. De industriecentra in Silezië werden vanuit de Auschwitzkampen van slavenarbeiders voorzien. Overal in Silezië ontdekten we resten van subkampen die dienden als onderkomen. De kruisbestuiving tussen economie en rassenwaan had grote gevolgen. Uit alle delen van Europa werden groepen Joden naar Auschwitz getransporteerd. Zij die geschikt werden bevonden om te werken verdwenen tot nader order in de kampbarakken. De anderen werden direct na aankomst in een van de gaskamers van KZ Birkenau vermoord,’ 

 

RAIL AWAY EUROPE

Ik heb me niet zo vaak per trein afstanden afgelegd. De meeste kilometers over de rails maakten mijn echtgenote en ik vanuit Boedapest om Debrecen, de op een na grootste stad van Hongarije, aan te doen. Wij wilden in die stad de universiteiten en kerken aanschouwen maar ook wilden wij stilstaan bij het standbeeld van admiraal Michiel de Ruyter dat herinnert aan zijn bevrijding in 1676 van 26 Hongaarse gereformeerde dominees die door de Oostenrijkse keizer tot de galeien waren veroordeeld. Van de treinreis zelf staan op mijn netvlies voor immer de grote laagvlakten waar zich ooit de Hongaarse poesta uitstrekte. De leegte van het landschap boeide mij, de wijdheid van de vlakte fascineerde mij, de absentie van de mens trof mij, de presentie van wolkenhemel bekoorde mij. Het voortijlen in de wagon van de trein vormde een onvergetelijke ervaring die ik nu nog koester. In mijn jonge jaren spoorde ik met ouders en broers en zus  geregeld naar familie buiten Kralingseveer. Zo reden wij naar oom Wim in Delft, naar tante Marie in Soest, naar nicht Greet in Bunnik, naar neef Gijs in Gorinchem. Zo koersten wij naar vakantiehuizen in Putten, Bennekom, Lunteren, Apeldoorn. Mijn dienstplicht vervullend van rekruut tot luitenant ging ik met het spoor naar Vught, Ermelo en Harderwijk. Op een zondag haastte ik me met Teunie naar het ziekenhuis in Amsterdam aan de Prinsengracht om haar verloofde broer mijn broer Jan op te zoeken.

Begin jaren vijftig werd de spoorbaan tussen Rotterdam en Utrecht opgeheven. De spoorwegovergang op de IJsselmondselaan verviel en mijn fietstocht naar de HBS had een barrière minder maar de troosteloosheid van de rails naar Capelle en Nieuwekerk a/d IJssel was triest. Met mijn vriendin Jans wandelde ik op zondagen over de grindpaden langs de oude baan en  vermeiden ons met het plukken van koekoeksbloem, klaproos, pinksterbloem en rode klaver.

Ik wil maar zeggen dat in mijn bestaan de trein een randverschijnsel was. Dat ik mijzelf daar schromelijk tekort heb gedaan, bewijst nu het 224 grote bladzijden tellende  kijk- en leesalbum Rail Away Europe van Martin Kers en Hans Bouman en van uitgeverij Van Wijnen met de ondertitel ‘De mooiste Europese treinreizen’, Met uw goedvinden wil ik volgende keren met u virtueel enkele van de 22 tochten maken, waarvan de trajecten liggen van Ierland tot Turkije en Griekenland.

Om u warm te laten lopen voor dit reisboek met juwelen van platen, om u in de stemming te brengen voor het vertoeven tussen de rails en om u de uniciteit in deze van ons land te etaleren, citeer ik een paar alinea’s uit het hoofdstuk

‘Nederland - Treinreizen is meer dan reizen per trein’. ‘Welbeschouwd is Nederland het treinenland van Europa. Goed, we hebben niet de spectaculaire viaducten van Zwitserland, en Oostenrijk, ons spoor doorkruist niet de woeste ongenaakbaarheid die de natuur in Spanje of Griekenland kan bieden, onze stations leggen het qua romantiek en historie af tegen St. Pancras in Londen of het Sirkeci in Istanbul. Maar we hebben wel het drukst bereden spoornetwerk van Europa, waarschijnlijk van de hele wereld. Volgens het CBS realiseren we in ons land per kilometer spoor meer dan 20.000 treinkilometers per jaar, Dat is tweemaal zoveel als het gemiddelde binnen de EU. Geen land geeft de trein zo’n cruciale rol in het personenvervoer als Nederland. Toch mag je, als je Nederlanders vertelt dat wij het spoor meer in ons hart hebben gesloten dan wel ander Europees volk ook, op ongelovige of zelfs spottende reacties rekenen. Nederlanders hebben niet het talent voor spoorromantiek waar de Britten zo rijk mee gezegend zijn. Wat niet wegneemt dat de gemiddelde Britse treinforens die kennismaakt met het Nederlandse spoor, het idee heeft dat hij in het Walhalla is beland. ‘Frequent’, ‘efficiënt’ en ‘schoon zullen sleutelwoorden zijn wanneer hij zijn enthousiasme  nader verklaart, en dan zwijgt hij nog over de prijs van zijn spoorwegkaartje. Als hij een beetje gevoel heeft voor esthetiek, zal het hem trouwens zijn opgevallen hoeveel kunstwerken er in onze treininterieurs aanwezig zijn. Hebben ze bij hem thuis niet … Zoals bijna alles in Nederland, gaat treinenliefde hier gepaard met nuchterheid. In die zin weerspiegelt het Nederlandse spoor iets van onze ziel. Afspraak is afspraak. Tijd is geld, maar als het erop aankomt zijn we ook bereid en in staat tot improvisatie, staan we open voor nieuwe ontwikkelingen. Bijvoorbeeld voor de gedachte dat treinreizen meer kan zijn dan reizen per trein.’ En even verderop: ‘Inmiddels heeft dat drukste bereden spoornetwerk van Europa zich ontwikkeld tot het hart van een fijnmazig en veelsoortig netwerk van verbindingsmogelijkheden, waarin een keur aan verschillende vervoersmodaliteiten is vertegenwoordigd … Nederland treinenland – ik zei het toch.’

Deze grandioze reisgids is niet alleen een lust voor het oog en een streling van het gemoed, maar hij opent ook vergezichten. In die betekenis dat fotograaf Martin Kers en journalist Hans Bouman in beeld en woord etaleren welke ongedachte schoonheden aan natuur en cultuur langs de rails op ons liggen te wachten, In beken het: te weinig heb ik tot nu toe op het perron gestaan al wachtend op de trein. Gelukkig heb ik de tijd nog om met Rail Away Europe als goede baken de rails op te gaan!

 
CULTUURMIX 30 JANUARI
 

HET FAMILIEPORTRET

Voorbije weekend nam ik van een roman alle 461 bladzijden tot mij en ik belandde in een leesavontuur dat zijn weerga niet kent. Zo goed verteld, naar vorm en naar inhoud, waren de belevenissen van een vrouw die op zoek gaat naar het oorlogsverleden van haar familie in Duitsland. Ik heb het over Het familieportret van de Amerikaanse Jenna Blum en uitgeverij De Boekerij, waarvan er in 2011 over de 250.000 exemplaren verkocht werden. Om precies te zijn: 261.559! Op de cover van de bestseller die sinds de eerste editie in 2010 de vierentwintigste druk een jaar later beleefde, vermeldt een sticker: ‘Voor de liefhebbers van Haar naam was Sarah en ’10 euro’. Ik vind die prix d’amis verheugend, temeer daar het naar mijn idee gaat om een meeslepende verhaal dat bol staat van literaire kwaliteiten. Thema, idee, motief, vertelinstantie, fabel, sujet, karakterbeschrijving, ruimte, tijd, open eind, verhaalconventie, ze zijn structureel verwoord. En wel zo fenomenaal dat Het familieportret spannend is, want ik bleef het adembenemende, bloedstollende levensverhaal lezen. En ook u zult in de  ban geraken van de zoektocht van hoofdpersonage Trudy Swenson, die op het spoor van het door haar moeder Anna doodgezwegen verleden komt door een foto uit een wollen sok in een la met daarop zijzelf met haar jonge moeder en een SS-officier in uniform voor zijn dienstauto in het Park an der Ilm in de buurt van Weimar.

Gaat Sarah in Haar naam was Sarah met een sleutel als attribuut op zoek naar haar broertje Michel dat zij in een kast verstopt heeft bij een razzia door de Duitsers in Parijs, in Het familieportret wil Trudy het verleden op heterdaad betrappen door te achterhalen wat haar moeder in het verre gewelddadige Duitsland van destijds ertoe gebracht heeft een relatie aan te gaan met een SS-Obersturmführer die Hitler diende in het vermaledijde concentratiekamp Buchenwald. Trudy komt er vooral na vele gesprekken met overlevenden uit de Wereldoorlog II achter dat haar veronderstelde vader niet de Duitse soldaat is, maar een Joodse arts die zich in 1940 voor de nazi’s schuil hield en door toedoen van Trudy’s vader Gerhard opgepakt en in kamp Buchenwald na jaren van gevangenschap en dwangarbeid opgehangen werd. Haar roots kent Trudy heel lang niet, de lezer is daar wel van op de hoogte en dat zorgt voor de dwang tot verder lezen.

Op de omslag van Blums  alom geprezen roman staat een jong in rood en grijs gehuld meisje voor een bakkerszaak, dat naar mijn idee Trudy moet voorstellen. In het verhaal speelt die locatie een belangrijke rol, vandaar dat meerdere malen het liedje opklinkt van ‘Backe, backe Kuchen!’ der Bäcker hat gerufen. ‘Wer will guten Kuchen backen, Der muss haben sieben Sachen: Butter und Salz, Zucker und Schmalz, Milch und Mehl, und Eier machen den Kuchen gel.’ Als motto hanteert Blum een zinsnede van Rudolf Höss, gewezen kampcommandant van Auschwitz: ‘Ik had mij vrijwillig aangesloten bij de gelederen van de actieve SS en ik was te gehecht geraakt aan het zwarte uniform om er afstand van te doen.’ Nadat zij haar relaas opgedragen heeft aan haar ouders start zij met een proloog getiteld ‘Trudy en Anna, 1993’ waarin zij vertelt over het overlijden en het begraven van vader Jack Swenson in New Heidelberg Minnesota. Moeder Anna, die door plaatsgenoten vermeden wordt, zwijgt ook nu in alle talen, onder het excuus van ‘Het verleden is dood. Het verleden is dood en dat kan maar beter zo blijven.’ Zij heeft het dan vooral over haar buitenissige belevenissen in het geboortedorp Weimar. De literaire truc van Jenna Blum is nu dat zij haar 62 hoofdstukken verdeelt over heden en verleden. Vandaar dat er de titels zijn als ‘Anna en Max Weimar, 1939-1940’ en ‘Trudy, november 1996.

Voordat ik u de plot van Het familieportret inpraat, wijs ik u op een facet dat mij intrigeerde: het zogenoemde Stockholmsyndroom, dat staat voor het psychologisch verschijnsel tijdens een gijzeling waarbij de gegijzelde sympathie voor de gijzelnemer krijgt. Dit syndroom kan tot ontwikkeling komen in een situatie waar de gijzelnemer absolute controle over de gegijzelde kan uitoefenen omdat hij voorziet in diens basisbehoeften, bijvoorbeeld het geven van voedsel en beschutting. Zo is het ook gesteld met Anna. Als zij geliefde Max moet missen en bakkersbazin Mathilde vanwege haar daden van verzet bij de steengroeve van Buchenwald geëxecuteerd wordt, verleent zij in het bed van de bakkerij lijfelijke diensten aan Horst, de SS-Obersturmfüher. Anna wordt daarbij voor het leven gebrandmerkt en beschadigd, zozeer zelfs dat als zij na de oorlog met de Amerikaanse soldaat Jack trouwt, niet los kan komen van de seksuele aberraties uit het verleden.

Zo op het eerste gezicht lijkt Het familieportret een roman – want Jenna Blum zet de werkelijkheid naar haar hand - over moeder en dochter want de relatie tussen deze twee vrouwen staat centraal. Zij laat zich echter wel leiden door historische feiten. Maar het etiket van psychologische roman is ook relevant omdat het Stockholmsyndroom een belangrijk item is, want slachtoffer Anna blijft bruut Horst decennia voor ogen houden en dat moet verklaard worden. Ons boek is voor mij vooral een specimen van oorlogsliteratuur, het kwaad van gewapend geweld wordt getoond, de verschrikkingen van terreur worden beschreven. Een voorbeeld daarvan wil ik u noemen. Trudy Swenson is hoogleraar Duitse geschiedenis op een Amerikaanse universiteit en helpt op verzoek van een collega mee aan een project waarbij de rol van Duitse vrouwen in de oorlog wordt uitgezocht. Zij gaat daartoe enkele overlevenden van de Holocaust interviewen. Zo is daar Petra Kluge die als inwoonster van München Joodse medeburgers eerst in ruil voor sieraden helpt en hen daarna voor geldelijke beloning aan de Gestapo verraadt. Zo is daar Rose-Grete Fischer die in het bos van Edina haar Joodse vriendinnetje Rebecca neergeschoten ziet worden en zelf een speld in het rechteroog gestoten krijgt die haar blind maakt. Zo is daar Rainer Josef Goldmann die over de hel van de gaskamers vertelt waarin zijn tante Sarah moest neerdalen. Zo is daar Felix Pfeffer die in het concentratiekamp Anna’s minnaar dokter Max Stern uitgemergeld zijn patiënten met influenza ziet behandelen. Pfeffer legt ook aan het eind de puzzelstukjes van Trudy’s verleden bij elkaar, maar moeder Anna volhardt in het zwijgen. Het familieportret gaat tot op het bot, hakt er diep in, komt hard aan, geeft een dreun. De trieste relazen hebben in literaire outfit gestalte gekregen waardoor de ellende ons nog meer intrigeert. 

Een van de vele verdiensten van Het familieportret is dat achterin veertien leesvragen staan. Aldus kunnen wij  bijvoorbeeld de vraag bespreekbaar maken ‘Zie jij de Obersturmführer als een monster of als een mens? Wat zijn zijn zwakke kanten? Tot op welke hoogte is hij een product van zijn tijd? Als de obersturmführer in het hedendaagse Nederland geboren was, wat zou hij nu dan doen?’

Mijn boodschap aan u is klip en klaar: dit navrante boek kunt u niet ongelezen laten! 

 

MIJN LIEVE OUDERS

De 79 bladzijden van het kleinood nam ik in één ruk tot mij en wel omdat het zo literair van gehalte is, omdat het thema ervan mij zo aansprak en omdat het zo schrijnend van aard is. Ik heb het over Mijn lieve ouders van Raymond van den Boogaard en van uitgeverij Prometheus. Van meet af aan vertoefde ik in de ban van het persoonlijke relaas waarvan het motto mij zo raakte en dat komt uit ‘I’ve Got You Under My Skin’, ooit geschreven door componist/zanger Cole Porter. De song werd echter vooral populair door Frank Sinatra The Voice begeleid door het orkest van Nelson Riddle. Ik geef aan u door: ‘I'd sacrifice anything come what might for the sake of havin’ you near In spite of a warnin’ voice that comes in the night and repeats, repeats in my ear: Don't you know little fool, you never can win? Use your mentality, wake up to reality. But each time that I do just the thought of you makes me stop before I begin 'Cause I've got you under my skin’. De laatste versregel vertaal ik vrij met ‘er is geen dag dat ik niet van je droom’ en met een link naar de titel startte ik het lezen van Mijn lieve ouders met de idee dat de herinneringen aan de vader en moeder van de hand van Van den Boogaard doorregen zouden zijn met vleugen van liefde. Dat de auteur mij op het verkeerde been had gezet werd mij manifest toen ik uit zijn tien hoofdstukken distilleerde dat hij het vermogen miste zijn liefde van kind op de juiste momenten te uiten.

In de jaren negentig gingen mijn ouders heen, mijn vader bezweek stilletjes ’s nachts in ziekenhuis Sint Franciscus in Rotterdam en mijn moeder volgde hem na in een coma geraakt te zijn in verpleeghuis Salem te Ridderkerk. Als zoon viel ik in verdriet en heimwee omdat pa en moe ondanks vele vormen van tegenslag het met elkaar konden vinden. Toen wij als gezin, familie en kennissen definitief op kerkhof Oud-Kralingen een saluut brachten, overheerste toch dankbaarheid. De genegenheid die de twee voor elkaar hadden, konden zij verwoorden. Hoe anders bij Raymonds ouders wier portret op de omslag als bruid en bruidegom niet de toon zet. Het blijkt immers al gauw dat beiden het niet in de genen hebben met elkaar naar behoren om te gaan, wat helemaal duidelijk wordt als moeder Thea een dag na de pensionering van vader Leo zich ziek meldt en 22 jaar lang - vooral in tehuizen - in een stilzwijgen leeft. Haar zoon staat erbij, kijkt ernaar, weet niet te reageren. Het gaat niet aan dat ik u een resumé tracht te geven van het door Van den Boogaard – hij is van 1951 – zo wonderlijk mooi gezegde. U doet er goed aan de gedachten aan zijn ouders zelf te incasseren. Wel wil ik aan u kwijt dat ik tussen de regels door zijn bijna nooit geuite liefde en genegenheid voor beide ouders op heterdaad betrapte. Het is soms een kunst de band met de verwanten te verwoorden. Om de transparante beauty van zijn proza te illustreren ga ik hem citeren.

‘Inleiding. Iedereen heeft ouders. En als het goed is, gaan ze dood voordat jij dat bent. Waar je als kind al bang voor was – dat de grote voorbeelden in je leven dood zouden gaan – wordt op dat moment bewaarheid. Een somber vooruitzicht, want de dood is een schandaal en eigenlijk onaanvaardbaar. Zoals Woody Allen heeft gezegd; ouder worden is iets wat ik iedereen moet afraden. Als je ouders eenmaal dood zijn, zoals in mijn geval. Worden ze eigenlijk steeds meer vreemden. De dood objectiveert. Je realiseert je dat ze weliswaar verwanten waren, maar tegelijk mensen uit een andere tijd, met een andere geschiedenis. En bovendien met een geheim: hoe ze geweest zijn in de vele jaren voordat ze jou verwekt en gebaard hadden. Hoewel ze mij als kind nimmer aan mijn lot hebben overgelaten, niet gescheiden zijn en in alle opzichten hun best hebben gedaan, vertoonden mijn beide ouders tegen het einde van hun leven een soort gedrag dar van hen al vreemden maakte nog voordat Magere Hein toesloeg. Zo heb ik dat tenminste gevoeld – misschien uit zelfverdediging, omdat je als kind toch graag compos mentis wilt blijven, ook als je ouders gek gaan doen. Het heeft na hun dood een paar jaar geduurd voordat ik inzag dat hun verhaal van hun laatste jaren een verhaal was dat ik zou kunnen opschrijven – zonder dat het een al te zielige indruk zou maken. Niet omdat ik denk dat het zo bijzonder is dat ik ouders heb gehad die aftakelden en dood zijn gegaan. Die heeft bijna iedereen. Maar niet iedereen is journalist, zoals ik. Journalisten vertellen graag verhalen. Ik denk dat de aftakeling van mijn ouders vormen aannam, die het waard zijn verteld te worden. Het hardnekkig ongeluk van mijn moeder staat, vrees ik, voor de frustraties van veel vrouwen van haar generatie: gevangen in een ideologie, die voorschreef dat ze een gelukkige huisvrouw moesten zijn, maar zonder de mogelijkheden of de opvoeding om dat geluk ook te bereiken.

De list van mijn vader was een laatste, wanhopige poging om nog iets van een romantische droom te redden die veel mannen hebben. Misschien heeft iedereen van die verhalen en is het allemaal niets bijzonders. Mensen denken tenslotte ook vaak op twijfelachtige gronden  van hun kinderen dat ze heel bijzonder zijn, of desnoods van hun poes of van hun hond. Dus waarom zou je dat niet van je ouders denken? Maar ik waag het erop, in een poging om als een objectiverende verslaggever te grasduinen in mijn eigen familieherinneringen. De namen van mijn ouders komen verder niet voor in dit verhaal, omdat ik ze in mijn gedachten nooit bij hun naam noem. Dat maakt het voor mij wellicht ook makkelijker om hier hun treurige levenseinde bloot te leggen. Ze heetten Leo en Thea.’ De grote verdienste van Mijn lieve ouders voor mij is dat de memoires ons onvermogen illustreren onder woorden te brengen wat Sinatra van Porter overnam: ‘‘Cause I’ve Got You Under My Skin’.

Hulde aan Raymond van den Boogaard.

 
CULTUURMIX 24 JANUARI
 

SŰSKIND - DE FILM

Die januarivrijdag togen wij naar de door ons zo beminde bioscoop Pathé De Kuip om een al wekenlang spraakmakende film te beleven. Zo geschiedde het dat wij 120 minuten beelden van de Holocaust of Shoah voorbij zagen komen, die lang op ons netvlies zullen blijven. Ik heb het over het oorlogsdrama Süskind van regisseur Rudolf van den Berg met in de hoofdrollen Jeroen Spitzenberger en Nyncke Beekhuyzen, die het Joodse echtpaar Walter en Hanna Süskind vertolken. Om de titel van dit historische relaas te plaatsen: het gaat om het levensverhaal van een zakenman die een dubbele nationaliteit heeft: zijn grootvader is geboren in Denekamp in Overijssel en zelf zag hij het leven in 1906 in het Duitse Lüdenscheid. Süskind overlijdt eind februari 1945 ergens in Midden- Europa op een dodenmars vluchtend voor de Russische troepen. Hij is uit het kamp Auschwitz gehaald waar zijn vrouw en dochter bij aankomst vermoord zijn. Süskind is ten dode opgeschreven want de SS’ers schieten iedereen dood die zich niet staande kan houden of te ver achterloopt. Een paar weken daarvoor heeft ene Clare Ebrecht, die hem nog uit Amsterdam kent, Walter achter zich zien lopen. Ik citeer ‘Hij was mager, droeg geen jas, zijn hoofd kaalgeschoren, zijn voeten zonder sokken in klompen toen hij achter haar (Clare) aan hobbelde.’

Van de eveneens Joodse Grete Weil las ik over collega Walter Süskind in de Joodse Raad:

’s Nachts, als er niemand meer binnengebracht wordt, zitten wij van de Joodse Raad bij elkaar in Süskinds kamer en bespreken wie we eruit zouden kunnen smokkelen, Ieder van ons heeft wensen: familie, vrienden, kennissen, beschermelingen die men pas net heeft leren kennen; ja, dat is mogelijk, nee, dat gaat niet, te oud, te onbetrouwbaar, te prominent, al te veel opgevallen, te onhandig, na drie dagen is hij toch weer terug, dat heeft geen zin. Süskind, klein, robuust, met blond stoppelhaar en grote blauwe ogen, sluw als Odyseus en strijdvaardig als Achilles. Süskind, de held, de redder, de gokker, zegt ja, zegt nee, selecteert, neemt beslissingen over leven en dood. Hij draagt de verantwoordelijkheid, voert de Duitsers dronken, vervalst lijsten, kent alle trucs, bedenkt nieuwe, weet in welke nachten iets mogelijk is, slaagt altijd en wordt ten slotte toch met vrouw en kind in Auschwitz vermoord.’ Tot zover Weil.

Deze directe beschrijving is dus van een Duitse auteur die in ons land op de vlucht voor de nazi’s na verblijf in de Joodse Raad met succes onderduikt en in ‘Tramhalte Beethovenstraat’ verslag doet over haar Hollandse periode. Haar verhaal staat in de biografie Walter Süskind van Mark Schellekens waarover ik het straks met u wil hebben. Nu wil ik u de context vertellen van de film en laat mij daarbij leiden door Rob Gollin, die recent het artikel Allemansvriend schreef.

Walter Süskind is een Duitse Jood die in 1938 als gewezen directeur bij Unileverdochter Bölck met zijn vrouw Hanna uitgeweken is naar Nederland. Als medewerker van de Joodse Raad werd hij aangesteld als hoofd van de Hollandse Schouwburg in Amsterdam die de overvolle en chaotische verzamelplaats vormde voor de deportatie naar Westerbork. Zo op het oog was hij vriend met iedereen, inclusief SS’er Ferdinand aus der Fünten, die leiding gaf aan de vervolging der Joden. Hij sloeg hem op de schouder en sloeg samen met hem borrels achterover. Maar intussen zette hij, soms letterlijk, de deur open voor Joden die zo de benen konden nemen, en paste de cartotheek aan om hun verdwijning te maskeren door persoonsgegevens van overledenen of gedeporteerden in te voeren. Een compleet beeld van de held Süskind bestaat echter nog altijd niet. Veel archiefmateriaal is verloren gegaan, getuigen zijn overleden en Süskind zweeg over zijn rol. Je kon beter niet teveel weten van elkaar. Het gevolg was dan ook dat de schouwburgbeheerder bij velen lang te boek heeft gestaan als een vuile verrader; bij sommigen nog steeds. De Joden zagen iemand die amicaal omging met de bewakers, die Duits sprak, die blijkbaar zelf niet met zijn gezin op transport naar het oosten hoefde. Bovendien: het gros heeft het niet gered. Van de tachtigduizend Joden in de schouwburg zijn naar schatting een paar duizend volwassenen en kinderen ontkomen. Via de brandgangen aan weerszijden van het gebouw of gewoon via de ingang, waarbij anderen het zicht van de niet altijd even alerte bewakers versperden. Het kwam ook voor dat die tegen betaling de andere kant opkeken. De kinderen werden uit de crèche tegenover het gebouw gehaald, soms verstopt in jutezakken. Hij heeft natuurlijk ook veel nee gezegd tegen Joden die vroegen of hij iets voor hen kon doen. Dus doken na de oorlog verhalen op dat hij door medegevangenen vermoord zou zijn.

In de Volkskrant blik ik naar de foto van  het politierapport van 23 september 1943 waarop de de arrestatie van Süskind. In een kolom achter zijn naam ‘metaalarbeider’ want hij hoopte na arrest meer uitzicht te hebben via handwerk. Het liep echter helemaal anders. Hoe hij toch in de satanische val van de nazi’s liep, laat de film onverbloemd zien. Vandaar dat recensent Ab Zagt zijn reactie verwoordde onder het kopje ‘Overvallen door eigen moed’. Süskind moet u zien!

 

WALTER SŰSKIND – HET BOEK

Om zo gesteld mogelijk te zijn voor de aangrijpende, beklemmende film Süskind nam ik vooraf de 271 bladzijden tellende  biografie door van de zogenaamde Nederlandse Oscar Schindler, zoals die  onlangs het licht zag. Ik heb het over Walter Süskind van Mark Schellekens en uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep met de ondertitels ‘Hoe een zakenman honderden Joodse kinderen uit handen van de nazi’s redde’ en ‘Het echte verhaal van de film’. En juist om dat ‘echte’ uit de subtitel gaat het mij.  De vraag is immers wat Wahrheit is en wat Dichting is, of biografie en film met elkaar sporen, of beter: hebben schrijver Schellekens en regisseur Van den Berg de historische feiten met elkaar gemeen? Hoe echt is dus de film? Natuurlijk heeft de filmmaker de ingrediënten van de waarheid naar zijn hand gezet, zo de vaak amicale vertrouwensrelatie tussen Hauptsturmführer Aus der Fünten en schouwburgdirecteur Süskind. Maar in grosso modo schuren boek en film langs elkaar heen. Een volgende keer wil ik u dat adstrueren. Nu geef ik het woord aan historicus Mark Schellekens die in het kader van de rubriek in dagblad Trouw ‘Vandaar dit boek’ van Meindert van der Kaaij zijn geloofsbrief afgaf. Onder het kopje 'Süskind is voor mij een grote held’ zet hij voorbije zaterdag meteen de toon voor zijn verhaal over de Joodse man die ons deelgenoot maakt van radeloosheid en reddeloosheid.

‘In 1992 begon Hans Blom, toen nog directeur van het Niod, tijdens een gesprek over mijn afstudeerscriptie over een verzoek uit de Verenigde Staten om een onderzoek naar het leven van Walter Süskind. Mijn voorstellen voor een scriptie liet ik graag vallen voor dit onderwerp. Blom waarschuwde nog voor het gebrek aan archiefmateriaal, maar mijn nieuwsgierigheid naar deze man was gewekt. Süskind was voor de oorlog een succesvol zakenman en directeur bij Bölck, een dochterbedrijf van Unilever in Duitsland. Zijn ontslag vanwege zijn Joods- zijn bij Bölck dwong hem naar Nederland uit te wijken. Dat was mogelijk omdat hij ook de Nederlandse nationaliteit had. Tijdens de oorlog werd hij lid van de Joodse Raad en directeur van de Hollandsche Schouwburg, de plaats in Amsterdam waar de Duitsers Joden bijeenbrachten voordat zij op transport naar Westerbork werden gezet. Daar zat hij in een duivels dilemma. Aan de ene kant hielp hij zo de nazi’s bij de Jodenvervolging, aan de andere kant gaf hij gearresteerde Joden de kans om te ontsnappen. Precies weten we het niet, maar na schatting heeft hij duizend kinderen en tweeduizend volwassenen geholpen. Maar een klein deel overleefde de oorlog. Veel mensen die ontsnapten werden snel weer opgepakt. Enkelen kwamen wel drie keer in de Schouwburg terecht.

De zaak kwam in 1990 aan het rollen toen ‘The Boston Globe’ een artikel over de heldendaden van Süskind publiceerde. Een journalist was ervoor naar Nederland gekomen en had wat mensen gesproken, maar het stuk riep toch veel vragen op. Vandaar dat verzoek uit de VS. Ik heb tien of twaalf mensen gesproken onder wie de stiefbroer, Van hem kreeg ik kopieën van brieven die Walter naar hem had gestuurd. Na het afstuderen liet het onderwerp me niet los; er waren nog heel veel losse draden en onbeantwoorde vragen. Ik wilde preciezer weten hoe het er in de Hollandsche Schouwburg aan toe was gegaan. Hoe zag die groep rond hem eruit? Hoe slaagden ze erin de Duitse autoriteiten te misleiden? Een ontdekking was dat Alfons Zündler, een bewaker die met de verzetsgroep meewerkte, nog leefde: hij woonde in München. Deze meneer kon mij veel vertellen over hoe zij mensen redden, hoe gevaarlijk het was en hoe de bewaking in de Schouwburg geregeld was. Lange tijd was de tijd niet rijp voor publicatie van het boek. Dat bleek bijvoorbeeld toen in de Joodse gemeenschap heftige discussies ontstonden over de onderscheiding die Zündler voor zijn hulp zou krijgen. Maar ook vond ik telkens weer wat nieuws. Je hoopt het ultieme boek over zo’n man te schrijven. Aan dat uitstellen kwam een eind toen ik tijdens het googelen over dit onderwerp, zag dat over het leven van Süskind een speelfilm zou worden gemaakt. Ik nam contact op met de producers die mijn scriptie goed kenden. Het is een mooie film geworden, maar wel een speelfilm, en geen documentaire. Ik wilde mijn boek ongeveer tegelijkertijd met de film uitbrengen, en dus moest ik er hard aan trekken, maar het ie gelukt. Het was moeilijk om voor dit onderwerp betrouwbare bronnen te vinden. Er staat weinig op papier. De ontsnappingen uit de Hollandsche Schouwburg werden natuurlijk niet geregistreerd. Ik had veel aan de interviews met mensen die Süskind hebben gekend. Bijzonder daarbij waren de gesprekken met Sam de Hond, de vader van Maurice. Hij speelde niet alleen een belangrijke rol in de groep rond Süskind, maar beschikt ook over een fabelachtig geheugen. Hij kon honderduit vertellen en de details in zijn verhaal die ik in archieven kon controleren, bleken vaak precies te kloppen. Ik heb Süskind zo objectief mogelijk proberen te beschrijven, maar ik moet toegeven dat ik hem een grote held vind. Hij wist dat hij en zijn gezin grote risico’s liepen, omdat hij zoveel mensen heeft geholpen. De kans dat iemand hem zou verraden was groot. Hij is in Auschwitz beland en toen de Russen in aantocht waren, daaruit geëvacueerd. Ergens in Midden- Europa is hij rond 28 februari 1945 overleden.’

CULTUURMIX 16 JANUARI
 
 50 JAAR HET AANZIEN VAN

Op een van de schappen van mijn boekenkast staan ruggelings tegen elkaar enkele delen van de serie Het aanzien van … en tot voor een paar dagen betreurde ik het dat ik tekort geschoten ben in het jaarlijks ophalen van een aanvullende nieuwe editie. Ik bemin immers contemporaine geschiedenis en heel wat happenings daaruit staan dan ook op mijn netvlies geprikt, zijn in mijn gemoed gezonken en blijven in mijn geheugen gegrift. Maar dat gaat uiteraard niet voor alle items op! Daarin voorziet nu tot mijn grote genoegdoening uitgeverij Spectrum die zich al jaar en dag ook onderscheidt door het op de markt brengen van historische werken die er echt toe doen. Zo bezorgde de postman mij eind vorige week het 128 bladzijden tellende jubileumboek 50 jaar het aanzien van waarin keurig op een rij alle vanaf 1962 tot 2011 edities staan. Waar ik faalde, slaagde Spectrum grandioos, want in vogelvlucht kan ik nu alle vijftig kijk- en leesalbums tot mij nemen.

De vijftig spreads van de halve eeuw recente historie kennen vier vaste elementen: de cover van het relevante jaarboek, de World Press Photo van het jaar, een kader met de belangrijkste gebeurtenissen en een langer artikel waarbij kunst, sport en televisie met achttien features erg goed vertegenwoordigd zijn. Heel knap van de redacteuren van Spectrum is het dat aldus in kort bestek het aanzien van die vijftig ons voor de geest laat komen; en dan voor de spotprijs van tien euro! Samensteller Hans van Bree stelt in ‘Woord vooraf’ de vraag in wat voor een wereld wij leven. In 1962 waren er geen mobiele telefoons of iPads, hadden we geen plasma- schermen, was het DNA nog een goed bewaard geheim, waren zelf reinigende ramen ondenkbaar, zaten de meeste homo’s nog in de kast, stonden de meeste vrouwen achter het aanrecht en was de rooms-katholieke kerk nog niet bezoedeld door seksuele schandalen, Juliana en Boudewijn regeerden over de Lage Landen. In Zuid-Afrika bestond het apartheidsregime nog en dwars door Europa hing het IJzeren Gordijn, met de pas opgetrokken Muur in Berlijn als navrant symbool. Er is veel veranderd sinds 1962, heel veel. Maar er is ook veel gebleven – soms in een nieuw jasje: zo werd de rolschaats opgevolgd door de skeeler, kreeg de traditionele jojo een meer flitsend uiterlijk en een meer flitsende naam, yoyo, en maakten (dankzij Albert Heijn) de voetbalplaatjes een comeback. Wat ook bleef, is de eeuwenoude verzuchting: ‘in wat voor wereld leven wij?’ Op die vraag probeert de Aanzien- reeks al sinds 1962 een antwoord te geven in woord en beeld. De serie begon in feite al in 1960 toen initiatiefnemer W. Lucas zei: ‘Laten we een soort fotoalbum maken van de jaren waarin wij leven. Elk jaar opnieuw een boek met eerlijke verslaggeving van alles wat er is gebeurd. De mensen zullen zich hun leven willen herinneren en bladeren in hun eigen historie.’ Vandaar dat die eerste uitgave de titel droeg van De lens op de mens met als ondertitel ‘Unieke fotoreportage van twaalf maanden wereldnieuws’. Maar titels en concept bleken niet ideaal, wellicht door de zwart-wit foto’s met de korte bijschriften en de loop van oktober 1960 tot augustus 1961. Vanaf 1962 wordt het een echt jaarboek dat begint in januari en eindigt in december. Zo was daar de eerste echte editie van Het aanzien van een jaar, die nu haar jaardag viert.

Het eerste nummer draagt op de cover de beeltenis van de sjah van Perzië en zijn echtgenote Farah Diba. Waarom dit niet echt vrolijk kijkend keizerlijk paar de omslag moest sieren, is volstrekt onduidelijk of het zou moeten zijn omdat hun zoon eind 1962 zijn tweede jaardag vierde. Verder zien wij op de eerste spread een artikel over de moeder aller inzamelingsacties op televisie Mies Bouwman die binnen 23 uur tijdens een marathonuitzending 21 miljoen gulden vergaarde. Daar is ook ‘Gebeurtenissen’ en om u bij te praten  geef ik de data: *Algerije onafhankelijk * John Glenn eerste Amerikaanse ruimtevaarder * televisiesatelliet Telstar gelanceerd * Mammoetwet voor middelbaar onderwijs aangenomen * Perzië getroffen door een zware aardbeving * paus Johannes XXIII opent Tweede Vaticaanse Concilie * Cubacrisis dreigt uit te lopen op wereldoorlog * overlijden Adolf Eichman (56), Marilyn Monroe (36), Eleanor Roosevelt (78), prinses Wilhelmina (82). Het kwartet vaste items wordt gecompleteerd door kader ‘World Press Photo’ met  bijschrift: ‘Priester Luis Padilo ondersteunt op 4 juni 1962 in Puerto Caballo eem stervende soldaat tijdens een militaire opstand tegen president Rómulo Bétancourt van Venezuela’ En zo kom ik op een facet van 50 jaar het aanzien van, die van mondiaal onderscheiden foto’s vijftig maal in beeld en woord. Van monnik die zichzelf in brand stak tot meisje dat door schoonfamilie verminkt werd. U en ik kunnen ons dus lang vermeien met dit album waarin als extra vier interviews zijn opgenomen waarvan de titels zijn: ‘Leuk mag, maar het moet toch vooral journalistiek zijn’ (met Joop van Zijl), ‘Johannes Paulus II was een zegen voor de kerk (Antoine Bodar), ‘Ik probeerde de randen op te zoeken van wat ik kan’ (Lenny Kuhr) en ‘Er is veel bereikt, maar vaak anders dan voorzien’ (Robbert Dijkgraaf). Ik raak voorlopig  echt niet uitgelezen en uitgekeken!

  

EROS IN DE KUNST

Vele uren heb ik er al in verwijld om al het moois te aanschouwen dat tekst en beeld verspreid over 391 bladzijden mij aanreiken. Ronduit gezegd: ik zal in dit naar vorm en inhoud voluit artistieke werk voorlopig niet uitgekeken raken. Ik heb het over het tintelende kijk- en leesalbum Eros in de kunst van de maestro Flavio Febbraro die zijn bij uitgeverij Ludion onlangs verschenen beauty de uitnodigende, intrigerende ondertitel meegaf van ‘De kunst van het kijken’. In de Griekse mythologie is Eros de god van de liefde en het schoonheidsverlangen en de drijvende kracht achter aantrekking en binding, blinde passie voor iets of iemand, en voortplanting in de natuur. In ons elegante Eros in de kunst worden al deze schakeringen van Cupido en Amor, de Romeinse naamgenoten, in frank en vrij gepresenteerd en dat over duizenden jaren beeldende kunst. Zo van de kalkstenen Venus van Willendorf tot de porseleinen Pink Panther. Dus van meer dan 20.000 voor Christus als het specimen van prehistorische venussen met weelderige vormen tot eind vorige eeuw toen Jeff Koons zijn sculptuur vervaardigde waarbij die zich liet inspireren door het surreële personage Pink Panther van de film uit 1963 en door de actrice en seksbom Jayne Mansfield die de dood vond bij een tragisch verkeersongeval in 1965. Tussen beide typerende kunstuitingen liggen kunstwerken die ook een loflied willen aanheffen op Eros.

Eind vorig jaar hadden wij het met elkaar over de aansprekende verzameling aangelegd door Elsbeth Etty De Nederlandse erotische literatuur in 80 en enige verhalen. In de inleiding zegt Etty dat voor het schrijven van erotica talent, goede smaak, intelligentie, humor, net zo essentieel zijn als voor alle andere literaire werken. Goede erotica is per definitie goede literatuur. Ook een eroticum kan het niet stellen zonder metaforiek, fantasie, dialoog en psychologisch inzicht. Wat voor literatuur geldt, gaat ook op voor schilderijen, tekeningen en sculpturen van bekende kunstenaars als Titiaan, Rodin, Picasso en Warhol, maar ook van minder bekende oude Grieken, Romeinen, middeleeuwse kunstenaars en meesters uit India en het Verre Oosten. Zij allen lieten bij het creëren van kunstwerken zich inspireren door het thema van de erotiek, dus de seksualiteit en de aantrekkingskracht tussen de seksen. Zij schuwden daarbij de kitsch van pornografie.

Een van de verdiensten van Febbraro is dat hij zijn voor iedereen toegankelijke beschrijving van elk afgebeeld kunstwerk immer combineert met kaders over herkomst, betekenis en historische achtergrond en met detailopname. Over dat laatste facet wil ik het nu verder met u hebben en mijn voorbeelden vormen daarbij drie schilderijen die door Febbraro tot hogere heerlijkheid verheven zijn onder de kopjes van ‘Een sensuele rilling’, ‘Geslaagde onderhandelingen’ en ‘Burgerlijk interieur’. In 1654 vervaardigde Rembrandt van Rijn het olieverf op paneel ‘Jonge vrouw badend in een beek’ waarop de schilder waarschijnlijk zijn levensgezellin Hendrickje Stoffels afbeeldde. Naast de explicatie over het hele schilderij ruimt Febbraro tekst en beeld in voor twee details onder de subtitels ‘Onvoltooid?’ en ‘Narcisme’. Hij suggereert dat Rembrandt zich heeft laten leiden door het motief van clair-obscur en door dat van de interesses in eigen vormen van een mooie jonge vrouw. Bij de introductie van het olieverf op doek ‘De koppelaarster’ van Johannes Vermeer uit 1656 oppert Febbraro onder de kopjes ‘Zelfportret’, ‘Handen’ en ‘Psychologische nuances’ de opties dat de details een zelfportret, een financiële afhandeling en een complexe mix van zedige schaamte van de jonge vrouw en een gluiperige grijns van haar klant suggereren. Bij het olieverf op doek eind jaren zestig ‘De liefdesbrief’ van Vermeer doet Febbraro ook drie suggesties aan de hand. Onder de noemers van ‘Instrumenten van de liefde’, ‘Schilderijen’ en ‘Prozaïsche details’ wijst hij op de luit die de liefde symboliseert, op twee schilderijen aan de wand en op de presentie van pantoffels, bezem en wasmand die het verglijden van de dagen markeren. Het accent leggen op details doet Febbraro zijn hele album door waardoor wij de kunst van het kijken leren. Zo bij het fresco dat de cover van Eros in de kunst siert: ‘De Villa der Mysteriën’, dat in Pompeji is opgegraven.

Een wandeling door dit krachtige kunstboek kan ik u zeer aanbevelen en wellicht treffen wij elkaar onderweg. Bijvoorbeeld voor de schilderijen ‘Ophelia’ van John Everett Millais, ‘Le Déjeuner sur l’herbe’ van Edouard Manet, ‘Lilith’ van Dante Gabriel Rossetti, ‘De verschijning’ van Gustave Moreau, ‘De grote baadsters’ van Pierre-Auguste Renoir of ‘De kus’ van Henri de Toulouse-Lautrec. Steeds zullen wij elkaar wijzen op het verbeelden van de liefde in de kunst.  

 
CULTUURMIX 9 JANUARI
 
 WAAROM GOEDE MENSEN SOMS DE VERKEERDE DINGEN DOEN

Het 240 bladzijden tellende boek beleefde in een luttel aantal maanden een derde druk, want zo fascinerend, toegankelijk, oorspronkelijk, verrassend, waarschuwend, verdiepend,  praktisch is het bij Business Contact verschenen werk, dat niet alleen signaleert, diagnosticeert maar ook bestrijdt, geneest. Ik heb het over Waarom goede mensen soms de verkeerde dingen doen van onze Sliedrechtse streekgenoot Muel Kaptein met ondertitel ’52 bespiegelingen over ethiek op het werk’. Kaptein is al een paar decennia actief op het gebied van de bedrijfsethiek. Zo is hij hoogleraar Bedrijfskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en partner en organisatieadviseur bij adviesbureau KPMG in Amstelveen. Al doende en lerende op werkvloeren struikelde hij bijkans over incidenten die te vatten zijn onder de noemer van ‘onethisch gedrag’. Hij traceerde echter niet alleen ongeregeldheden, maar zocht ook naar opties ter voorkoming van ongepaste attitudes.

Ik wil met u de komende weken een verkennende tocht maken door het gewrocht van Kaptein, dat zich sowieso onderscheidt doordat het ontstaan is in de context van het dagelijkse doen en laten. Kapteins verhaal deed mij denken aan de slogan die Johann Wolfgang von Goethe de duivel Mefistofeles in tragedie Faust laat doen: ‘Grau, teurer Freund, is alle Theorie, und grün des Lebens goldner Baum’. Satanisch mag de spreker van nature zijn, hij slaat wel de spijker op de kop. Om u de aanpak van Muel Kaptein te schetsen, beperk ik mij in deze aflevering tot het aan u doorgeven van wat hot items uit diens chapiter die de titel draagt van ‘Introductie: DSB en tjellen’. Kaptein stelt daar de vragen: Waarom gaan zelfs oprechte en gewetensvolle medewerkers de mist in? Waardoor ontsporen ook integere en intelligente bestuurders? Wat zorgt ervoor dat welwillende organisaties hun klanten, werknemers en aandeelhouders om de tuin leiden? Deze vragen naar de kronkels van goed en kwaad op het werk zijn volgens de scribent intrigerend, beangstigend en actueler dan ooit. Nadat hij deze constateringen aan de man gebracht en onderbouwd heeft, verwoordt hij zeven factoren die relevant zijn als het erom gaat onethisch gedrag op het werk te voorkomen of in ieder geval  te minimaliseren. Want, met een knipoog naar de titel: goede mensen zijn zij die echt wel weten wat het verschil tussen goed en kwaad is.

Ik citeer Muel Kaptein als hij zijn factoren op een rij zet. ‘1. De helderheid voor bestuurders, managers en medewerkers over wat gewenst en ongewenst gedrag is: naarmate het duidelijker is wat er wordt verwacht, weten mensen beter wat zij moeten doen en doen zij eerder wat er van hen wordt verwacht. 2. Het voorbeeldgedrag binnen de organisatie van bijvoorbeeld het bestuur, het management en de direct leidinggevende: naarmate in een organisatie beter voorbeeld wordt gegeven gedragen mensen zich beter, terwijl naarmate in een organisatie slechter voorbeeld wordt gegeven ze zich slechter gedragen. 3. De uitvoerbaarheid van de gestelde doelen, taken en verantwoordelijkheden: naarmate mensen van de organisatie meer middelen en tijd krijgen, zijn zij beter in staat om te doen wat van hen wordt verwacht. 4. De betrokkenheid van bestuurders, managers en medewerkers bij de organisatie: naarmate de organisatie haar mensen met meer respect bejegent en betrekt bij de organisatie, zullen deze mensen zich meer inzetten voor de belangen van de organisatie. 5. De transparantie van het gedrag: naarmate mensen beter zicht hebben op het eigen en andermans gedrag, en op de effecten daarvan, houden zij hier in hun gedrag meer rekening mee en zijn zij beter in staat hun gedrag (bij) te sturen en te doen wat anderen verwachten. 6. De bespreekbaarheid van standpunten, gevoelens, dilemma’s en overtredingen: naarmate mensen binnen de organisatie meer ruimte krijgen om over morele zaken te spreken, doen zij dat ook en leren zij meer van elkaar. 7. De handhaving van gedrag, zoals de waardering of zelfs beloningen voor gewenst gedrag, de sanctionering van ongewenst gedrag en de mate waarin er wordt geleerd van (bijna-) fouten, incidenten en ongelukken: naarmate de handhaving beter is, doen mensen meer wat wordt beloond en minder wat wordt bestraft.’

Mooi gezegd, maar hoe die te realiseren? Onder de kopjes ‘Morele doof-, stom- en blindheid’ en ‘Tjellen’ geeft Kaptein een handreiking daartoe. In veel organisaties dreigt het gevaar van morele blindheid: men weet of vermoedt wel ongeregeldheden, maar men kijkt liever de andere kant op. Ook is daar morele doofheid: kritiek en suggesties worden louter gebagatelliseerd of zomaar terzijde geschoven. Bij morele stomheid wordt de mond gewoon niet open gedaan, men houdt kritiek voor zich, trekt niet aan de bel. Gevolg van deze zogenoemde DSB is dat waarden en normen verwateren en principes worden genegeerd. Mensen corrigeren elkaar niet, waardoor het goede plaatsmaakt voor het kwade. Zij hebben weet van het juiste maar doen het verkeerde. De remedie hiertegen is het door Kaptein geïntroduceerde begrip van ‘tjellen’, een werkwoord dat hij ontleende aan de Engelse term ‘to challence’: het gericht en structureel bespreekbaar maken van zaken die er echt toe doen. De remedie tegen DSB!

  

IN BED MET EEN DICTATOR

Maar liefst 400 bladzijden vult de bijna dertig lentes tellende Franse historica, schrijfster en journaliste aan het liefdesleven van acht despoten die  in de vorige eeuw de lakens uitdeelden. Ik heb het over haar boek In bed met een dictator van Diane Ducret en uitgeverij De Bezige Bij, dat de ondertitel draagt van ‘De vrouwen van Hitler Mussolini Mao Lenin Stalin Salazar Bokassa & Ceausescu’ en op de cover staat intrigerend ‘Onthullend portret van de vrouwen achter foute mannen’. Ik haast mij te zeggen dat de inmiddels geworden bestseller van Diane Ducret geen chronique scandaleuse, geen schandaalgeschiedenis in de betekenis van intiem erotisch of - nog kwalijker - louter pornografisch relaas is . Als echtgenote, maîtresse, of muze deelden de vrouwen Nadja, Clara, Kato, Magda, Felismina, Jiang Qing, Elena, Catherine elkaars lot. Zij bedreven de liefde onder de dekens met wrede en gewelddadige tirannen maar hoe, dat wordt aan onze fantasie overgelaten. Met andere woorden: Ducret doet wel uit de doeken hoe het zover kwam dat dictators bezweken, of beter: zich overgaven aan liefdesperikelen, maar zij houdt halt en front voor de echtelijke of buitenechtelijke sponde. Zij wil na grondig onderzoek naar de intieme  levensverhalen van de door haar uitgekozen acht tirannen ons toevertrouwen dat de meeste despoten meer vrouwen erop nahielden dan degenen die op de officiële gelegenheden naast hen mochten staan. Doorgaans namen de publieke machthebbers het initiatief tot een hartstochtelijk contact met een frivole representant van de andere kunne, maar ook de lieftallige dames in spé trokken bij tijd en wijle de stoute schoenen aan. Ducret start dan ook haar aimabele maar vooral amoureuze rapportages met het hoofdstuk getiteld ‘Liefdesbrieven aan een dictator’. Adolf Hitler en Benito Mussolini zijn daarin de politieke leiders die uit heel het rijk enthousiaste zinnen van aanbidders krijgen. Zo ontvangt Hitler in 1941 uit Bad Kreuznach een vurige brief die eindigt met ‘Ik druk je nu stevig aan mijn hart en vraag je, trouwe liefste, Adolf Hitler, mijn innigste, hartelijkste groeten te aanvaarden. Je Jose en haar jongens.’ Zo krijgt Mussolini in 1923 vanuit Rome de slotzinnen: ‘Ik heb al een heel album vol met uitgeknipte krantenfoto’s van u. Maar een foto die door u gesigneerd is, zal een leegte opvullen die papa drie jaar geleden in ons huis heeft achtergelaten. Ersilia R.’

Een van de verdiensten van deze zeer toegankelijk geschreven, heel onderhoudende en echt onthullende rapportages is, dat ze de despoten vanuit een verassend ander perspectief laten zien: dat vanuit een vaak stilletjes gekoesterde en in het geheim gepraktiseerde seksuele relatie. De acht titels van Diane Ducret suggereren dit, zoals doen ‘Antonio Salazar, verboden spelletjes van een seminarist’, ‘Mao, een tijger die dames verslindt’ en ‘Bokassa, kronieken uit het pikante Bangui’. Maar veel tirannen verbloemden hun liefdesleven niet, zij vertoonden zich  graag en vaak aan de zijde van een vrouw om hun vitaliteit en viriliteit te showen. Vandaar de titels ‘Benito Mussolini, la Duce Vita’, ‘Elena Ceausescu, luxe, kalmte en Securitate’, ‘A Führer Called Desire’ en ‘Stalin, liefde, roem en datsja’s’. Ook is in deze tekenend het beeld op de omslag; een zwart-wit foto van danseressen die jurken dragen waarop karikaturen van Hitler, Mussolini en Hirohito staan.

Het gaat niet aan dat ik alle geliefden en beminden van het achttal  dictators de revue laat passeren. Ik zeg u wel wie de minnaressen waren van Hitler, die in het laatste chapiter het podium mag beklimmen. Onder de vier subtitels ‘De leerschool der liefde’, ‘Zelfmoorden bij de vleet’, ‘Eva, wachtend op Adolf’ en ‘Magda, first lady’ presenteren zij zich. Daar zijn in chronologische volgorde Stefanie Isak, Helen Bechstein, Winifred Williams, Maria Reiter, Geli Raubal. Ook Eva Braun die door haar minnaar ‘mijn gansje’ genoemd werd en Magda Goebbels, vrouw van de propaganda minister, die net als Eva in een zelfverkozen dood Hitler volgt. Ook in deze affaire is tragiek present. Zo is het slot van ‘A Führer Called Desire’ heel typerend: ‘Eindelijk loopt ze naar het bureau van haar man, Joseph en Magda staan tegenover elkaar in het midden van de kamer, Voordat hij het wapen op zichzelf richt, schiet hij haar neer, met een kogel recht in haar hart. Vanwege een man is ze tot op het eind trouw gebleven aan de belofte die ze vijftien jaar voordien heeft afgelegd, Bij Hitler blijven, in goede en kwade dagen. ‘Ik houd ook van mijn man, maar mijn liefde voor Hitler is sterker. Voor hem zou ik kunnen sterven. Ik heb begrepen dat Hitler, behalve zijn nicht Geli, geen vrouw meer kon beminnen. Dat zijn enige liefde, zoals hij altijd zegt, Duitsland was. Toen, en alleen toen, heb ik aanvaard om met Goebbels te trouwen. Voortaan zal ik altijd bij de Führer zijn.’ En zo geschiedde.’

Hitler maakte er een eind aan op 30 april 1945. De dag daarop verzamelde Magda in de Berlijnse bunker haar zes kinderen, kleedde hen in het wit, liet hun een slaapmiddel injecteren en brak in de mond van elk kind een blauwzuurcapsule, gif dat onmiddellijk werkte. Schrijnend is dan ook het motto van ‘A Führer Called Desire: ‘In de politiek heb je de steun van de vrouwen nodig; de mannen volgen je sowieso.’


Terug naar Piet Kapteins Cultuurmix